Hun huwelijksfeest was een feest met kerstbomen. Ze droeg een donkerbruine jurk, een dun wollen truitje en schoenen, bekleed met zijde. Ze was in de jurkenwinkel eerst naar wit gaan kijken, maar wit was niets voor haar, dat vond de verkoopster ook. Ze koos een jurk van Nicole Cadine. De jurken van Nicole Cadine deden haar denken aan de Russische romans die ze had gelezen toen ze nog studeerde en haar man had leren kennen. Haar man droeg een Palestijnse sjaal, bestudeerde Karl Marx en las El Pais. Dat vond ze heel indrukwekkend.
***
Ze is een winterkind, geboren in december. Ze was nog maar een jaar oud en mocht al met de sneeuwman op de foto. Haar vader, de sneeuwman en zij, in de tuin van het oude huis van haar grootmoeder, waar ze woonden tot het nieuwe huis af was. De sneeuwman droeg een zwarte hoed. Binnen in het oude huis stond een grote kerstboom. De boom was een beetje kaal, maar dat was niet erg.
Het was heerlijk stil in het oude huis met de sneeuwman. Buiten was het winter en binnen speelde ze met haar winkeltje. Het winkeltje had schuifjes en vakjes en doosjes. Soms kwam er iemand winkelen. Als er niemand kwam winkelen, dan schreef ze in een boekje. Na de winter kwam de zomer met een broertje. En nog twee winters later kwam de lente met een zusje. Kort voor het kerstfeest kwam Sinterklaas.
Soms gingen ze kijken naar het nieuwe huis met de grote tuin. Haar vader plukte bloemetjes en plantte die op de hoge bergen zand die rond het huis lagen. Hij zette haar en haar kleine broer boven op een berg en dan gleden ze naar beneden.
In de zomer was het nieuwe huis met de grote tuin klaar. Aan het eind van de tuin lag een pad en een grote weide. In de weide woonde een ezel. De ezel kon heel luid balken. De ezel is misschien een beetje eenzaam, zei haar vader. Als je achter de tuin het pad volgde en dan ook nog de rivier, dan was je heel ver weg van huis. Veel liever bouwde ze een kamp in de hoek van de tuin, tussen de eiken naast de grote den. Ze plukte madeliefjes en knoopte ze aan elkaar tot een halssnoer. In de zomer was er altijd een groot pannenkoekenfeest in de tuin van het nieuwe huis, met alle neefjes en nichtjes. De tantes bakten pannenkoeken en de nonkels maakten een groot kampvuur.
***
Ze kon heel lang naar het donker kijken. Als ze maar lang genoeg keek, dan kwamen ze misschien, tante Martha en nonkel Marcel en nichtjes Conny en Maggy. Tante Martha was de jongste zus van haar moeder. Als tante Martha er was, werd iedereen vrolijk. Je kon haar in het hele huis horen praten en lachen.
Tante Martha woonde in de Nieuwstraat, boven de supermarkt. Nonkel Marcel schilderde reclamepanelen. Hij schilderde dingen die je in de supermarkt kon kopen en schreef er dan in sierlijke cijfers de prijs bij. Toen ze haar eerste communie deed, had nonkel Marcel panelen geschilderd voor het feest, met de letters uit een liedje. Dank U voor deze nieuwe morgen, dank U voor deze nieuwe dag, dank U dat ik met al mijn zorgen bij U komen mag.
Op een zondagavond in maart kwam een auto de oprit opgereden, maar het was niet die van tante Martha. Het was de auto van nonkel Roger, een van de broers van haar moeder en van tante Martha. Nonkel Roger maakte altijd grapjes. Nu maakte hij geen grapjes. Ze hoorde de grote mensen praten over gas in de badkamer en het roostertje in de deur dat was afgeplakt omdat het anders tochtte en hoe Conny was gaan kloppen op de badkamerdeur omdat nonkel Marcel zo lang in bad bleef en het was tijd om naar de mis te vertrekken. Op vrijdag werd nonkel Marcel begraven. Ze zag voor het eerst de andere oma van Conny en Maggy en de broer van nonkel Marcel. De broer van nonkel Marcel leek heel erg op nonkel Marcel.
In de zomer huurde nonkel Roger een huis in Luxemburg, helemaal speciaal voor tante Martha en voor Conny en Maggy. Het was een groot huis, met genoeg plaats voor de hele familie. Vlakbij was een groot woud en als je daar ging wandelen als het donker was, dan kon je everzwijnen horen ritselen.
***
Haar man groeide op in een huis zonder kerstbomen. Er moeten ooit wel kerstbomen zijn geweest, maar dan lang geleden. Voor een kerstboom moet je genoeg plaats hebben. Je moet opruimen en plaats maken. Er werd nauwelijks opgeruimd in het huis waar haar man opgroeide. Het was er dof en het rook er naar schimmel. Er was een kachel, maar die kon maar één kamer verwarmen. In de andere kamers was het koud en vochtig. Weinig plaats voor een mooi gedekte tafel en weinig plaats voor blije gesprekken. Ze hoorde vooral verwijten. En toch heeft haar man mooie verhalen verteld bij de uitvaart van zijn ouders. Hij vertelde over de tijd dat het huis nog glansde en over de tafel die zijn grootvader had gemaakt en waaraan de grote Camille Huysmans ooit had gezeten.
Ze kreeg vaak verwittigingen in het huis vol verwijten. Dat ze nooit een cent van hen zou krijgen. Ze hadden geërfd en dat had hen achterdochtig gemaakt. En dat ze nooit een goede vrouw zou zijn voor hun zoon, want daarvoor was ze veel te feministisch. Toen zij en haar man plannen maakten om te trouwen, werden de verwijten zo ondraaglijk, dat ze beslisten om te wachten. Het wachten heeft dertien jaar lang geduurd. Als ze haar man wilde zien, dan moest ze naar het grauwe huis. Daar deed ze heel erg haar best om te doen wat van haar werd verwacht. En toch liep het mis, soms. Dan had ze hen beledigd, vonden ze, en de dagen nadien werd haar man daarvoor gestraft. Haar vader begreep niet waarom ze zo lang wilde wachten op een man die duidelijk niet van haar hield. Als hij jou echt graag ziet, waarom wacht hij dan zo lang? Haar vader had moeten vechten om te kunnen trouwen met de liefde van zijn leven. Mijn grootmoeder verhuurde kamers aan studenten die voor ingenieur studeerden. Dàt zijn geschikte kandidaten, vond haar grootmoeder, niet die staalarbeider zonder centen en zonder diploma.
***
Alfie von Heikenstein, zo heette ze. Alfie had een boekje met haar naam in. Zo’n boekje moet je hebben, zei haar vader, want anders ben je niet zeker dat ze niet meteen ziek zal worden en doodgaan. Ze hadden al eens een hond gekocht op de dierenmarkt, maar dat dier was heel erg ziek geworden en doodgegaan. Op een dag zijn ze Alfie gaan kopen, met de auto, bij een meneer in Nederland. De meneer woonde in een straat met allemaal dezelfde huizen en in de tuin had hij een groot hok met honden. Ze mochten kiezen uit twee honden, Alfie en Daisy. Ze kozen voor Alfie. Jullie mogen Alfie nu wel meenemen, zei de meneer, maar op zekere dag kom ik kijken of jullie wel goed voor Alfie zorgen. En als jullie niet goed voor Alfie hebben gezorgd, dan neem ik haar gewoon weer mee. Ze zorgden heel goed voor Alfie en toch heeft Alfie in het begin gehuild, elke nacht, drie weken aan een stuk. Alfie is wel groot, maar toch is ze nog heel klein, zei haar vader. Ze waren bang dat de buren boos zouden worden en zeggen dat het zo echt niet meer verder kon, maar dat hebben ze niet gedaan. Alfie woonde in een groot hok in de tuin. Dat hok was te klein voor mensen, maar als ze heel verdrietig was, dan kroop ze toch mee in het hok. Dat mocht van Alfie. Als ze op avontuur gingen, naar het water met het eilandje achter de Zandstraat, dan ging Alfie mee. Op zekere dag is Alfie heel erg ziek geworden en moest haar vader met Alfie naar de dierenarts. Toen haar vader terug was van de dierenarts, heeft hij heel lang bij het lege hok gezeten, tot het donker was. Na Alfie hebben ze nooit nog een hond gekocht, ook niet een hond met een boekje.
***
Vijf jongemannen zitten aan een tafeltje met gekrulde poten en een marmeren blad. Op de vloer ligt een groot tapijt, achter hen is een muur met gestucte laurierkransen en zwanen. Er is veel licht in de kamer. De man in het midden zit achterstevoren op zijn stoel. In de ene hand houdt hij een sigaret, de andere hand raakt een stuk op het speelbord dat voor hem op het tafeltje ligt. De man rechts van hem houdt ook een stuk in de hand. De andere mannen kijken toe, een hand elegant ter hoogte van de kin, de andere hand losjes op een knie. Ze dragen een driedelig pak met witte stijve boord en een das. Hun haar ligt glad, met een zijscheiding en een golf. Op de achterkant van de foto ziet ze het handschrift van haar moeder. Hubert Caers, staat er. Dat is haar grootvader. En Afgestudeerden Normaalschool Lier? Haar grootvader was hoofdonderwijzer in de jongensschool aan de Rijnstraat. Het gezin Caers woonde in het huis bij de school. Meester Caers was een strenge meester. Als kinderen in de buurt niet gehoorzaamden, dan dreigden de ouders steevast dat ze naar meester Caers zouden worden gestuurd. Dat verhaal werd keer op keer verteld door haar moeder. En door haar vader, want die had nog in het zesde leerjaar gezeten bij meester Caers.
Ze ziet de foto nu voor het eerst, ze heeft hem gevonden in een kast in de kamer waar haar vader is overleden. Dit is een foto van haar grootvader als een jongeman, die zelfbewust voor de camera speelt dat hij een gezelschapsspel speelt. Het valt haar op hoezeer haar nonkels op haar jonge grootvader lijken. Haar nonkels studeerden theologie, wiskunde en filosofie en spraken vreemde talen. Ze hielden van feestjes en van discussiëren, over gelijk wat, ze vonden alles interessant. Ze hielden van andere culturen en van snel rijden. Haar vader hield niet van andere culturen en van snel rijden, maar de nonkels deelden zijn passie voor fotografie en hebben hem geholpen met zijn nieuwe huis.
Ze had tot dan alleen de foto gezien die bij haar ouders in de woonkamer hing. Haar grootvader als een wat oudere, vermoeid uitziende man, met zijn vrouw en hun acht kinderen, op een zomerse zondag in de tuin. Hij is niet veel later overleden, haar moeder was nog maar zeventien. Ze had biologie willen studeren, maar daar was geen geld meer voor. Regentaat kon nog wel. Haar moeder nam haar en haar kleine broertje en zusje mee op tocht naar de bossen en paadjes achter de tuin, nog verder dan de ezel, en leerde hen de namen van alle bloemetjes en bomen. Op het einde van de zomer namen ze een emmertje mee en gingen ze op zoek naar braambessen. Thuis maakten ze confituur. Een hele muur vol. Haar vader had lange smalle planken bevestigd tegen de muur boven de keldertrap en daar vond je de potten met etiketten. Rabarber, pruim, aardbei, braambes, kweepeer.
***
Het huwelijksfeest was in december, in een oranjerie, midden in een groot park. Binnen stonden overal kerstbomen. Haar man had een tekst voorgelezen die hij voor haar had geschreven. Hoe zij had gewacht tot hij weg durfde uit het grauwe huis. Na het feest zijn ze op reis gegaan, naar de plekken waar hij als kind was geweest met zijn ouders. Ze liepen langs de hele hoge palmboom en langs de grote boulevard waar zijn moeder had gekeven, zo hard dat de hele wereld het had kunnen horen. En ze liepen langs het parkje in de buurt waar zijn ouders een appartement hadden gehuurd en waar zijn vader hem Franse woordjes had geleerd uit een boekje. Haar man houdt van Franse woordjes uit een boekje.
***
Toen de ouders van haar man nog leefden, kocht ze elk jaar twee kerstbomen. Een grote voor het huis met de hoge plafonds waar ze woonde met haar man en een kleine voor het grauwe huis. Voor een kleine kerstboom was nog nét plaats. Ze moest even aandringen, want de ouders van haar man vonden een kerstboom te veel gedoe, maar als de lichtjes werden aangestoken, dan gingen hun ogen heel even glinsteren. Het grauwe huis ging er heel even van glimmen. En de verwijten gingen er heel even van verstommen. In de plaats van de verwijten kwamen de verhalen, de wonderlijke verhalen over een voorvader die met duizenden schapen helemaal van Friesland naar zijn bruid in de Rupelstreek was gekomen. Of over de treinrit van zijn vader die krijgsgevangen was genomen en een brood had gekregen van Duitse soldaten. Of hoe haar man nog een kind was en aan de hand van zijn grootvader naar het winkeltje mocht.
***
Er groeit mos tussen de kasseien naast het huis van haar vader. Dikke stukken mos. Ze herinnert zich hoe haar moeder op haar knieën onkruid van tussen de kasseien schraapte. Zeker zestig vierkante meter kasseien. Het had ook met een product gekund. Product in een spuitbus, sproeien, even wachten en klaar. Dat moet de buurman zeker gedacht hebben, toen hij met zijn fiets voorbij reed en mijn moeder met haar knieën op een kussentje zag zitten. De buurman had product en spuitbus klaar, maar hij zweeg, want hij wist dat het toch geen zin had. Haar ouders waren tegen producten.
Haar vader zit voor het raam in de keuken. Vier maanden na de dood van haar moeder kreeg haar vader een herseninfarct. Precies op vaderdag. Ze hadden nog samen pannenkoeken gegeten en toen haar zus en zij alweer weg waren, kreeg hij het infarct. Ze hebben hem pas de volgende dag gevonden. De dokters hadden voorspeld dat hij nooit meer naar huis zou kunnen, maar na vier maanden revalideren mocht hij weer naar huis. Sindsdien zit hij voor het raam in de keuken en slaapt. Eerst dachten ze nog dat ze hem moesten aanmoedigen om te bewegen, dingen te doen, maar daar werd haar vader heel ongelukkig van. Alsof hij een luierik was. Als je veel slaapt, dan is dat omdat jouw lichaam dat nodig heeft, had de neurologe vriendelijk gezegd en dat was het einde van de aanmoedigingen. Als haar vader niet slaapt, kijkt hij naar de tuin. Ze vermoedt dat hij het wel erg vindt, van het mos, maar hij zegt dat het hem niet kan schelen.
Ze steekt een filmrolletje in de camera. Haar vader kijkt toe. Het is zijn camera. Meer dan vijftig jaar geleden had hij de camera gekocht, het invoerbriefje met de stempel van de douane zit nog in de fototas. Haar hele kindertijd is vastgelegd met die camera. Haar vader en zij in de tuin van het oude huis. Haar vader had net een sneeuwman gemaakt. Verjaardagstaarten met kaarsjes en vergenoegde kindergezichtjes. Alfie in haar nieuwe hok. Haar kleine zusje doodsbang op de slee die veel te snel de berg afgleed. Haar kleine broer en zij met de mutsen die haar moeder had gebreid. Zij, het oudste kind, is nu fotograaf geworden.
Er woont een haas in de tuin, zegt haar vader. Hij heeft waarschijnlijk zijn leger onder de berg takken in de boomgaard achterin de tuin.
Het is stil buiten. In de verte hoort ze de geluiden die ze al hoorde als kind. Het opgewekte zingen van de vinken. Suskewiet! Grote landbouwmachines die nog heel veel willen doen voor het donker wordt. De slaapvlucht van de kauwen. Ze heeft niet alleen foto’s, maar ook al enkele filmpjes gemaakt. Er is niet zo heel veel te zien op de filmpjes, je ziet alleen wat takken bewegen in de wind, maar je hoort de geluiden. Mijn vader heeft de foto voor haar laten afdrukken die ze vijf jaar geleden van haar moeder heeft gemaakt. Ze kan niet naar de foto kijken zonder heel verdrietig te worden. Ze maakt liever foto’s en filmpjes van de tuin. In de foto’s en de filmpjes gaat niets weg en blijft alles zoals het was.