Op een ochtend draag ik haar naar zee,
geef haar aan de diepte.
De picknickmand jachtig gevuld,
vergeten op het aanrecht.
Ze rijgt mijn ogen aan de hare
voor ze kopje onder gaat.
Blind voor overstekend wild,
plak ik vos tegen koetswerk.
Een sirene nadert. Ik drijf
vos onder passagiersstoel.
Thuis zint het huis op wraak.
Echo’s krijsen langs de muren.
Na brassen door rottend vlees,
jaag ik vos op afstand.
’s Nachts ga ik van navel naar raam –
glanzend ligt ze op het asfalt.
Onder haar schubben spartelt de zee.