Langs de daken van de wolken
ritselt
nauwelijks ontloken
de ontredderde liefde.
Vermag zij de wind niet verdragen
die haar meevoert en verspreidt.
Ongetemd is zij
als zij het aankomen van het waaien beluistert
en de mensen naar boven kijken
wachtend op haar schaduw.
Laat zij het lemmet zakken
in weemoed die haar verblijdt als tussen
de bergen der trotsheid zij zwicht.
Hunkerden verlangen ter aarde
waden zich in domheid,
niet weten dat liefde dit alles niet verdraagt.
Ze kennen niet de twijfel
eens zware gordijnen neerknielen
en zij haar naakt ontfermt aan het hemeldak.
Zonder ongedurige nevel en rusteloos gewoel
zo kan zij haar kennen
zoals zij zou moeten zijn.
De geestgrond kroont haar en
opkijken doet zij niet
als de woeligheid van de wind haar streelt en bemint
en zij dit voor de eerste maal gedoogt.
