De bomen, waar ik de naam van ken,
staan zwijgend en houden de wacht.
Ik haast me en loop en spring en ren,
ik heb heel dit landschap bedacht.
Het huis met het licht: de avond in
de afgrond, zo zwart als de nacht.
Het nest van de lijster overwint
de stilte, fluwelig en zacht.
In leven en dood, een bed van gras,
de maan met haar praal en haar pracht.
De dag ontglipt zijn vredig karkas,
ik heb hem ten einde gebracht.