Dit doet de deur dicht, dacht hij
(emmer, druppel, dat soort van dingen),
nam z’n aktetas en tegen z’n principes in
de lift down – dat kon er nog wel bij.
Hij dacht ik zal niemand nog vertrouwen,
terwijl hij zich nog net de metro in kon wringen.
Hij dacht, nee op geen mens kan ik nog bouwen,
terwijl hij de grote spanbrug over liep;
niets of niemand, wrokte hij, vertrouw ik meer,
wachtend tot het licht op groen zou springen.
Ik reken op niemand meer, dacht hij alweer
toen hij wat later voor z’n bushalte belde
en toen hij thuis z’n dag afrondde
en honderdveertig digitale seconden
voor z’n microgolfdiner mee aftelde.