ZIEKENHUISTAFELTJE
OP EEN MIDDAG
Eerst is er het ruige weer de draaideur die mij naar binnen zuigt de geurenwalm van ether, vuile onderbroeken gemixte middagsoep, de lift die mij in schokken naar de hemel voert verdieping vijf waar chaos mij in open deuren brengt.
Zij zit gebogen op een stoel haar Zarazak staat uren klaar terwijl zij wacht aan een onzichtbaar tafeltje een gevlekte muur een bed van ijzer zij beeft zij kijkt naar me als naar een reddingsboei die aanspoelt net voor zij verdrinkt.
Je draagt een jurk met bloemen zeg ik hees die ik in geen jaren heb gezien je kijkt me aan met zo’n blik waarvan ik me herinner dat je blij bent dat ik je dan eindelijk tóch heb opgemerkt ik wil geloven wat ik zie: jij die lacht.
Hoe beginnen wij aan een dag als deze vraag ik dan waarop zij langzaam zegt ik neem jouw hand in die van ons en houd ze stevig vast wij nemen alle trappen naar beneden draaien dan heel bang naar buiten in het ruige weer.