01/07: ‘Ribbedebiewoep’ van Rudi Lavreysen
Luuk Gruwez is dichter en auteur. Sinds zijn debuut in 1973 groeide hij uit tot een veelvuldig bekroonde stem in de Nederlandstalige poëzie, met als doorbraak 'De feestelijke verliezer'. Naast poëzie publiceert hij autobiografisch proza. Hij geldt als een van de meest gebloemleesde dichters van zijn generatie.
Luuk Gruwez tipt deze week ‘Ribbedebiewoep’ van Rudi Lavreysen.
"Zijn aanpak, die nogal chaotisch en onsamenhangend lijkt, spreekt mij aan, roept vragen bij mij op. Maar die chaos is precies ook het interessante eraan. Je zou dit verhaal als een literair gebrek kunnen definiëren. Ik denk dat ik voor de keuze van Lavreysens tekst ook persoonlijk ben gezwicht, mede vanwege een eigenaardigheid waaraan ik nogal eens toegeef.
Een recensent van De Morgen koos voor de titel van zijn bespreking van een dichtbundel van me: ‘Hoe zou het nu elders zijn?’ Elk voyeur is daardoor gefascineerd doordat hij doorgaans iemand is die hoopvol in andermans leven kijkt, in de hoop daar de oplossing te vinden: doorgaans zelfs via personages die hij niet kent of die hij uit zijn duim heeft gezogen.
Lavreysen schetst taferelen, taferelen waarbij hijzelf niet aanwezig is, maar die hem intrigeren en hem diezelfde vraag doen stellen: ‘Hoe zou het nu in godsnaam elders zijn?’ Maar met elders bedoelt hij misschien wel: bij me thuis. En thuis: waar ligt dat? De perfecte voyeur is diegene die alles bij elkaar telt wat bij elkaar te tellen is. Dat is heel veel: al het bestaande.
Wat aan deze tekst volgens mij ontbreekt is dat de registratie daarvan, menselijk en gewoonweg realistisch gesproken, onmogelijk heel kan zijn. Schrijvers, gezegend met een zekere hoogmoed, plegen als ze van de chaos van hun verhalen een eenheid proberen neer te pennen, iets met meer samenhang te vinden, die ook voor de lezer toegankelijk is.
Al die levens rondom ons die wij met al hun anekdotische verhalen proberen te reconstrueren, zijn nooit af. De definitieve verhalen zijn namelijk altijd dode verhalen, waaraan nooit meer iets toe te voegen is. Dat hele heelal rondom ons, is, al zeker met betrekking tot het gluren in onze eigen beperkte leefwereld, nooit af, kan nooit af zijn, omdat het ons het dwangbuis aanmeet van een kosmos waarin dichters, schrijvers, denkers, in al hun hoogmoed, met een borrel te veel op, menen dat zij van al die disparate chaos één geheel kunnen maken en dat ‘kosmos’ mogen noemen.
De verdienste van Lavreysens verhaal is dat het er weliswaar, hoe goedbedoeld ook, een poging zoekt om al die verhalen die maar liggen te zwalpen in de wereld, een plaats te geven. En de wereld is een straat vol huizen met allemaal een verhaal. Achter de ramen worden soms hele vertellingen zichtbaar, die we al dan niet kunnen bevatten.
Ik lees in Lavreysens verhaal, een soms nogal lukraak bijeengeharkte historie waarin ene Robin een belangrijke rol speelt. Liever had ik gelezen dat wij met zijn allen Robin heten. En dat achter een raam in de straat, waarnaar wij staan te gluren, een hele wereld schuilgaat, met zijn overvloed aan variëteiten. Wij willen zien hoe al die variëteiten ons, in het beste geval, alleen maar verenigen.’ Bijvoorbeeld door erover te lezen! En door te opperen: ‘Ja, zo is het! Of nee, net omgekeerd.’"
