Opleiding

Werkt als communicatiedeskundige en speechwriter
Werkte als bibliothecaris
Copywriting
Masterclass copywriting na deelname aan de wedstrijd www.verkoopeenwerkloze.be

Publicaties

'De stef van Finn is foetsie,' prentenboek i.s.m. illustrator Katrijn Jacobs, gepubliceerd bij Uitgeverij Plantyn
'Lekkers van Letter', prentenboek i.s.m. illustrator Nick Claes, gepubliceerd bij Uitgeverij Averbode
'Allesbehalve Super', verhalenbundel, uitgegeven bij Beefcake Publishing
Columns op www.internetgazet.be en in Het Belang van Limburg
Prentenboeken: 'Tuur en de Tutterweg', 'De valse tanden van Tuur' en 'Tuur en de boekje van mevrouw Vlieg' (in eigen beheer uitgegeven bij Huis van het Kind Lommel)
Reveil Verhalenboek 2017: Het Bankje
Reveil Verhalenboek 2018: De Kapelletjesmevrouw
Reveil Verhalenboek 2019: Roger that

Teksten

Ribbedebiewoep

Binnenkijken Doe jij dat ooit? Bij mensen naar binnen kijken? In hun huis? ‘s Avonds bijvoorbeeld, als je met je ouders en met de hond nog een stukje gaat wandelen.  Zeker in de winter geeft je dat een warm gevoel. Het stadje Peperbus lijkt wel gemaakt om bij de huizen naar binnen te gluren. Heel wat huizen hebben een trap aan de straatkant, waardoor je iets naar boven moet kijken om in de woonkamer te kijken. Op de een of andere manier stralen die huizen en woonkamers een gezellige warmte uit. Je ziet er de mensen samen aan tafel zitten voor het avondeten. Of ze zitten bij de open haard. Met een boek of met de krant. Of ze kijken naar tv. Allemaal tegelijk op de bank. In al die huizen lijkt het wel hemels warm. Dat is het ook in het huis van Robin, waar hij samen met zijn mama en papa woont. Laten we maar even naar binnen kijken. Papiertjes Robin zit in een hoekje van de woonkamer. Het is een gewone huiskamer met een tv die niet aanstaat, een salontafeltje en een grote bank.  Zijn mama Tamara staat in de keuken. Ze is nog wat aan het rommelen. Davy, de papa van Robin, leest de krant aan de keukentafel. “Sssst”, zegt Tamara tegen Davy. Wat raar is, want hij zegt helemaal niets. “Robin zegt iets. Hoor jij wat hij zegt?" "Och, hij is gewoon wat aan het spelen", antwoordt Davy. "Zeg, moet je hier horen wat de minister …" "Nee, ssst, effe. Hij zegt precies van die rare woorden.” "Och, dat doen de ministers ook. En die staan ermee zelfs in de krant", knipoogt Davy. "Ik ga even kijken", zegt Tamara en ze loopt op haar tenen naar de woonkamer. Ze kijkt heel voorzichtig om de hoek van de keuken met de woonkamer, net zoals iemand doet die verstoppertje speelt. Robin zit met allerlei papiertjes voor zich op de grond, net voor de bank. Hij schuift met de papiertjes heen en weer, legt ze tegen elkaar en schuift ze daarna terug uiteen, bijna alsof hij een puzzel maakt. "Toch even dichterbij gaan luisteren", zegt ze bij zichzelf en ze kruipt op haar knieën tot achter de bank.  “Poetpriet, proetproet, woepprot, poertroet, ribbedebiewoep”, hoorde ze Robin zeggen. Bij dat laatste woord neemt hij een nieuw papiertje en hij schrijft daar iets op. Geen spelletje Tamara kruipt op haar knieën terug naar de keuken tot bij papa. Hij kijkt naar beneden en begint te lachen. “Wat nu? Is er iets in je rug geschoten? Of denk je dat er ergens geld ligt? Hahahaha.” “Sssst toch. Dadelijk hoort hij ons. Robin zegt heel rare woorden. Hoor je het? Nu zegt hij het opnieuw. Ribbedebiewoep. Wat is in hemelsnaam ribbedebiewoep?” Tamara staat ondertussen terug recht. “Ik ga toch even bellen naar de mama van Marieke, zijn vriendinnetje. Hij zit in het vierde leerjaar. Hij is al bijna 10 jaar, toch geen peuter meer.” “Je moet niet zo hard van stapel lopen”, zegt Davy. “Het is wellicht een of ander spelletje.” Maar als we ook zouden binnenkijken bij Marieke, krijgen we daar hetzelfde tafereel te zien. Ze zit in de woonkamer en zegt woorden als “Trafipoeps” en “Trommelstopper”. De mama en papa van Marieke staan erbij en kijken ernaar.  Ook bij Mehmet is het krek hetzelfde. Net als bij Greetje, Anna, Ali en Jimmy. Alle kinderen van de klas spreken onverstaanbare woorden en de ouders weten niet wat te doen. Het lijkt wel alsof ze allemaal zijn getroffen door een epidemie waarbij alle gewone woorden zijn verdwenen. Het gaat elke dag van kwaad naar erger. De kinderen blijven rare woorden zeggen en ze weigeren te zeggen wat ze betekenen als hun ouders het vragen.  De ouders zijn ongerust en worden zelfs een beetje boos op de school. Ze moeten die woorden toch ergens vandaan hebben gehaald? De mama van Robin zegt zelfs dat ze spijt heeft dat ze Robin naar de school ‘Veerkracht’ heeft gestuurd. Er zijn immers nog scholen in Peperbus. Enkele mama’s en papa’s steken de hoofden bij elkaar en besluiten naar de school te stappen. Maar zowel bij juf Sandra als bij de directeur van ‘Veerkracht’ krijgen ze geen gehoor. “We hebben op dit moment hiervoor geen tijd. Het heeft geen zin dat jullie zich zorgen maken.” Dat is hun antwoord. Dat korte antwoord maakt het nog erger. Daarom vraagt Tamara aan haar man om er een stukje over te schrijven in de krant. Maar ook hij heeft er nog steeds geen oren naar.  “Ik zei het toch. Het is wellicht een spelletje. Laat die kinderen toch doen”, zegt hij. Verlegen De mama van Robin is vooral ongerust omdat ze weet dat Robin enorm verlegen is. Ze heeft er samen met haar man de juf al eens op aangesproken.  Als je Robin zo ziet zitten, kan je er niets aan zien. Gewoon een jongen van 10 jaar die vrolijk speelt. Een jongen die thuis honderduit vertelt over zijn avonturen in de klas en op school. Daarom vindt zijn mama het zo onbegrijpelijk dat hij in de klas niet uit zijn woorden komt. Thuis stromen de zinnen en woorden eruit, net zoals het water van een waterval.   Maar dat is wellicht de reden. In de school kropt hij ze op, zodat ze er thuis uitvloeien. Zijn mama denkt dat hij zich dan voelt zoals een vulkaan die op uitbarsten staat. In de klas vindt Robin het verschrikkelijk. Je kan dat niet gewoon maar zitten en luisteren. Soms moet je aan het bord komen en een antwoord op de vraag van de juf geven. Alleen bij zijn goede vrienden en vriendinnen heeft hij het niet. Bij hen is hij niet verlegen. Hij weet ook niet waar die verlegenheid vandaan komt. Net daarom vindt hij het zo erg. Hij vindt er zelf geen oplossing voor en blijkbaar kan niemand hem helpen. In de klas hoopt hij altijd dat de juf hem niet aanduidt om aan het bord een oefening te maken. Dan kijkt hij naar beneden en doet hij alsof hij iets op een blad schrijft. “Kies iemand anders. Kies iemand anders. Kies iemand anders”, fluistert hij dan bijna onhoorbaar.  Maar dat helpt natuurlijk niet. “Robin, je moet niet doen alsof je mij niet hebt gehoord”, zegt de juf. “Leg die pen maar neer en kom naar het bord. Er is geen enkele reden om zo verlegen te zijn.” Dit maakt het voor Robin nog erger. Hij zit dan met een soort van steen in zijn maag waardoor het lijkt alsof die steen zijn stem blokkeert. En dan begint hij altijd te blozen, waardoor ook de anderen het zien. Hij krijgt een hoofd zo rood een tomaat, zo rood als de truitjes van zijn favoriete voetbalclub, zo rood als bloed. Alles wat je maar kan bedenken dat rood is. En dan wordt het nog erger en erger.  “Och, ik moest vroeger ook altijd blozen”, heeft zijn papa ooit gezegd. “Daar groei je wel uit. Het heeft er mee te maken dat er op dat moment te veel bloed naar jouw hoofd stroomt”.  Bloed of niet, Robin vindt het verschrikkelijk. “Ik durfde in de klas ook niet naar het bord te komen. Maar kijk nu. Ik moet ooit lezingen geven over mijn werk bij de krant. Dan sta ik voor een groep van vijftig mensen. Of voor niemand, dat is ook al ooit gebeurd”, lacht Davy. “Ik wil maar zeggen Robin, dat komt wel goed.” Om hem van dat gevoel af te helpen hebben zijn ouders hem naar de lessen ‘Woord’ gestuurd. Dat is een afdeling bij de kunstacademie waar kinderen gedichten voordragen of toneel spelen. Volgens zijn ouders is het iets voor hem, omdat hij toch graag boeken leest en hij vindt het altijd zeer leuk als mama of papa hem ’s avond voorlazen.  Als hij op het podium een gedicht moet voordragen, zou dat kunnen helpen om van zijn verlegenheid af te geraken. Dat is het idee.  Maar die lessen ‘Woord’ maken het alleen maar erger voor Robin. Die juf roept om de haverklap iemand naar voor om iets voor te dragen. Dan krijgt Robin buikpijn en weet hij niet waar kruipen met zijn rood hoofd.  “Het is gewoon wat podiumangst”, zegt de juf. “Daar helpen we je wel vanaf. Hoe meer je dit doet, hoe sneller je er vanaf bent.” Maar het werkt voor geen meter.  Protest Omdat Robin in de woonkamer van die rare woorden blijft zeggen wordt zijn mama alsmaar ongeruster. Elke avond zit hij met de papiertjes te schuiven en leest hij de gekke woorden op zijn papiertjes luidop voor. “Ribbedebiewoep” zit er telkens tussen. De andere gekke woorden wijzigen telkens.  Davy blijft zeggen dat het een spelletje is.  Maar de mama van Robin laat zich niet zomaar afschepen. “Wat denkt juf Sandra wel. Wij sturen onze kinderen naar ‘De Veerkracht’ om hen te leren rekenen en te lezen, maar zij komen met van die gekke woorden naar huis. Dat trekt toch op niks. Wacht maar. Hier laten we het niet bij.” De boze mama’s en papa’s beleggen een vergadering en richten vervolgens een ‘Comité van bezorgde ouders’ op. Ze maken spandoeken en op een ochtend staan ze voor de schoolpoort van ‘De Veerkracht’. Ze blijven maar dezelfde leuze roepen. “Echte woorden voor onze kinderen, of wij gaan het verhinderen”.  Die leuze is natuurlijk veel te lang. Sommige van de ouders kunnen de tekst niet onthouden en daarom begrijpen de omstaanders totaal niet wat ze roepen.  Er hebben zich heel wat mensen verzameld aan de schoolpoort. Roepers en kijkers. Ze blijven er een hele week staan. ’ In de tussentijd gaan ze werken of koffie drinken en beramen ze andere plannen. Zo stappen naar de pers en zelfs de lokale televisie komt filmen. Maar het is slechts een klein item in het nieuws. De directeur van de school zegt dat de ouders zich zorgen maken om niks.  “Het is gewoon een initiatief van juf Sandra, om creatief met letters en woorden te leren omgaan. Dat is toch de bedoeling van naar school gaan, niet? Dat ze de alle letters leren gebruiken.” Ook de mama van Robin mag reageren voor de camera. “Ik vind het toch maar gek”, zegt ze. “In plaats van echte woorden te leren, of werkwoorden te vervoegen, hoor ik onze zoon ’s avonds alleen maar brabbeltaal zeggen. Het lijkt wel alsof hij plots niet meer kan spreken. En het ergste is dat we helemaal geen uitleg krijgen van de juf of van de school. Maar we laten het hier niet bij, zolang we geen duidelijk antwoord krijgen.” Zo lanceert de papa van Greetje tijdens een vergadering met het ‘Comité van bezorgde ouders’ het voorstel om naar de minister van onderwijs te stappen. Dit kan zo toch niet verder? Ze zijn het er allemaal mee eens.  Op een maandagochtend nemen ze vanuit het stadje Peperbus de trein naar de hoofdstad. De spandoeken gaan mee en ze hebben heel wat bekijks in de trein. Als ze uit het station stappen en de weg naar het kantoor van de minister zoeken, houden ze hun spandoeken omhoog en roepen ze hun leuze. De mensen begrijpen er niets van. Ze denken dat ze een andere taal spreken. “Echte woorden voor onze kinderen, of wij gaan het verhinderen”, roepen ze door elkaar.  Sommige ouders kunnen de leuze gewoon niet onthouden en die roepen zo maar wat. Het lijkt wel een carnavalsstoet.  Bij de minister Eenmaal bij het kantoor van de minister, geraken ze maar met veel moeite voorbij het onthaal. Ze hebben immers geen afspraak. Daar had niemand aan gedacht. Gelukkig is de minister wel in zijn kantoor.  “Hij heeft over een half uurtje een persconferentie”, zegt de man aan het onthaal. “Ik zal vragen of hij jullie nu al even kan zien.” Hij staart verbaasd naar de groep ouders, terwijl ze samen de trap opgaan met hun spandoeken.  Op de tweede verdieping bij het kantoor van de minister is er opnieuw een onthaalbalie. De mevrouw heeft de boodschap al doorgekregen van haar collega op het gelijkvloers.  “Het is vervelend dat jullie geen afspraak hebben”, zegt ze. “Maar de minister heeft een uitzondering gemaakt. Hij ontvangt jullie over vijf minuten. Maar hij heeft niet veel tijd, want er is nog een persconferentie.” In de wachtzaal overlegt het comité nog even wie het woord mag voeren. Maar vooraleer ze iets beslist hebben, stapt de minister al uit zijn kantoor. Ze kennen hem van tv. In het echt ziet hij precies kleiner uit. De minister staat bekend voor het feit dat hij vaak andere brillen draagt. De ene bril is al opvallender dan de andere. “Misschien doet hij dat om er slim uit te zien als minister van onderwijs”, zegt een van de mama’s.  Die dag heeft hij een blauw rond brilletje op zijn neus gezet.  “Dag allemaal”, zegt hij. “Waarmee kan ik jullie helpen? Ik zie precies dat er iets op jullie lever ligt. Pas op, ik heb wel maar twintig minuten tijd, dan begint de persconferentie. Kom maar binnen.” “Ik luister”, zegt hij in zijn kantoor, waar hij ondertussen achter zijn bureau zit. Hij zet daarbij zijn bril af, alsof hij zonder die bril beter kon horen. De ouders beginnen opnieuw door elkaar te praten. De minister verstaat er geen woord van. “Stop, stop, stop!”, roept hij luid. “Eén iemand neemt het woord en vertelt me wat er aan de hand is. Mevrouw, u daar”, wijst hij naar de mama van Robin. “Vertelt u me waarom jullie hier zijn.” Tamara vertelt de hele geschiedenis. Dat ze haar zoon in een hoekje van de kamer vreemde woorden hoorde zeggen. Dat de andere kinderen het ook deden en dat ze op de school ‘De Veerkracht’ niet naar hen wilden luisteren. “Daarom komen we naar u”, besluit ze. “Dit kan toch niet de bedoeling zijn van ons onderwijs.” De minister glimlacht. En het blijft niet bij glimlachen. Plots begint hij keihard te schaterlachen. De ouders kijken elkaar aan.  “Hij is gek”, zegt de mama van Robin. De mevrouw van het onthaal op de tweede verdieping komt het kantoor van de minister binnen en kijkt naar haar baas, die nu op zijn knieën zit en op de grond timmert met zijn vuisten.De persconferentie “Mijnheer de minister”, zegt de secretaresse, terwijl ze haar baas rechtop helpt. “Gaat het?” “Of het gaat?”, vraagt hij, de tranen van het lachen uit zijn ogen vegend. “Het gaat prima. Dit is toch helemaal de bedoeling.” “Ahum” zegt hij, terwijl hij zijn knieën afstofte met zijn beide handen, alsof het tapijt heel erg vuil is. “Excuseer me beste mensen. Jullie denken wellicht dat ik niet goed snik ben. Excuses. Maar ik ga het jullie allemaal vertellen. Of nee wacht. Het kan nog gemakkelijker. Komen jullie anders gewoon maar mee naar de persconferentie.” “Welke persconferentie?”, vragen de ouders in koor. Nu lukt het hen plots wel om gelijktijdig iets zeggen. “Geen paniek”, antwoordt de minister. “De perszaal ligt hiernaast. Jullie kunnen gewoon in het publiek zitten. Dadelijk wordt alles duidelijk.” De ouders zitten er als geslagen honden bij. Alsof ze plots gehypnotiseerd zijn en niet meer kunnen bewegen.  De mama van Robin slaakt plots een luide kreet. Alsof ze een geest in de conferentiezaal ziet.  De andere ouders kijken haar verschrikt aan.  “Dddd… dat is mijn man”, stamelt ze. En ze wijst naar haar man in de conferentiezaal. “Wat doet hij hier?” Ze loopt recht op haar man af. De andere ouders, alsof de betovering door een hypnotiseur is verbroken, staan ook recht en volgen de mama van Robin. Maar als ze de binnenkwamen horen ze de minister luid kuchen. “Ahum, ahum.” Ribbedebiewoep “Dag allemaal. Beste journalisten, mensen uit het onderwijs en ook beste ouders. Waarbij een aantal bezorgde ouders heb ik begrepen. Van harte welkom op dit persmoment voor de feestelijke voorstelling van Ribbedebiewoep.” De mama van Robin weet niet waar kijken. Ze kan net een gil onderdrukken. Ribbedebiewoep. Dat is toch het gekke woord dat Robin thuis altijd zegt. Waar gaat dit in hemelsnaam over? Ze tikt op de schouders van haar man. Ze is achter hem gaan zitten om uitleg te vragen. Waarom is hij hier en waar gaat dit allemaal over?   “Psst”, zegt ze. “Wat doe jij hier? En ribbedebiewoep, dat is toch dat woord dat Robin altijd zegt?” “Ssst, stil even”, zegt haar man. “Het wordt allemaal duidelijk.” “En waarom weet ik hier niets van?”, vraagt ze. “Omdat jij het te druk hebt met betogen, spandoeken en onverstaanbare slogans”. Stil nu even.” De minister vervolgt met zijn toespraak. Nu ziet de mama van Robin pas wie naast de minister zit.  “Daar, dat is juf Sandra”, zegt ze terwijl ze de mama van Marieke aanstoot. “Wat doet juf Sandra hier? Ik snap er niets van.” De minister kijkt boos naar de achterste rijen van de conferentiezaal, waar de ouders zitten. “Mag ik even stilte?”, zegt hij. “Ik wil om te beginnen graag iemand voorstellen. Hier naast me zit juf Sandra. Ze geeft les in het vierde leerjaar in de lagere school ‘De Veerkracht’, niet zo ver hier vandaan in het stadje Peperbus. Toen we een oproep deden voor dit project was ze meteen bereid om mee te doen met haar klas.” “Maar misschien ga ik nu iets te snel. Laat me eerst het project toelichten. Van leerkrachten overal in het land kregen we alarmsignalen dat er heel wat kinderen en jongeren niet goed in hun vel zaten. Het was heel gek, bijna zoals een virus dat zich over het land verspreidde.” “Dingetjes waarmee ze niet bij hun ouders terecht kunnen, want die hebben het ook druk. Kinderen die bijvoorbeeld onzeker zijn. Of kinderen die ongerust zijn over het klimaat of de zuivere lucht. Ik vergelijk het een beetje met vroeger. Ik was in mijn jonge jaren voor ‘de bom’, omdat er tijdens de koude oorlog die constante dreiging was dat ofwel Rusland ofwel Amerika een kernbom zou gooien. Wij lagen er letterlijk tussenin. Zoals een kind dat tussen bekvechtende ouders zit.” “Maar toen mochten kinderen er niet ongerust over zijn. En mocht je er met volwassenen niet over spreken. Zo leek het toch. Gelukkig kan dat nu wel.” “Ik heb het vervolgens besproken met heel wat slimme mensen uit het onderwijs en we besloten om een oproep te doen bij de scholen. Want zeg nu zelf, de kinderen zitten vaak in de klas. Eigenlijk zien ze de juf of de meester en hun vriendjes meer dan hun ouders. Maar zowel de school als de ouders zijn belangrijk als een kind zich niet goed voelt. Dat was dan ook de bedoeling van het project. Beide partijen moesten betrokken zijn.” “En dan geef ik nu graag het woord aan juf Sandra. Want zij kan natuurlijk het best vertellen hoe ze dit in haar klas heeft aangepakt.” “Dag allemaal”, zegt juf Sandra. “Maar ik stel voor dat ik dit niet alleen doe. Want ik heb nog heel wat mensen meegebracht. Het zijn allemaal jonge mensen. Kom maar binnen.” Plots gaat er achteraan in de zaal een deur open. De mama van Robin slaakt opnieuw een luide gil. Alle aanwezigen kijken haar aan.  Plots ziet ze Robin en zijn klasgenootjes de zaal binnenkomen. Hij zwaait meteen naar zijn mama. “Ik denk dat ik dadelijk ga flauwvallen”, fluistert ze in het oor van haar man. “Wat doen onze Robin hier?” “Je hebt een stukje gemist”, zegt Davy. “Toen jij voltijds aan het protesteren was. Stil nu even. Het wordt allemaal duidelijk.” Terug in de tijd “Laat me jullie even meenemen”, zegt juf Sandra. “Terug in de tijd.” Na die zin richt ze een toestelletje op het presentiescherm. Daar stond eerst de naam van de minister, maar nu verschijnt er een foto. Het is een foto van de klas van Robin. “Dit is onze klas in lagere school De Veerkracht”, zegt juf Sandra. “Ze zijn daarnet allemaal binnengekomen en ze zitten hier op de eerste rij.” “Toen ik over de oproep van de minister hoorde, was ik meteen geïnteresseerd”. Af en toe drukt ze op het toestelletje en telkens verschijnt er een nieuwe foto. “Kijk, dit is Robin en naast hem zit Marieke”, zegt ze.  De mama van Robin stoot haar man aan. Ze is ondertussen naast hem gaan zitten. "Onze Robin”, fluistert ze. Robin op de eerste rij heeft ondertussen een hoofd zo rood als een ondergaande zon in het midden van de zomer. Juf Sandra gaat verder. “Net als alle kinderen en alle volwassenen hebben zij iets waarmee ze worstelen. Ik heb Robin gevraagd of ik mag vertellen waar hij wel eens mee verveeld zit. Dat mocht.” Robin glimlacht naar Marieke die naast hem zat. Zijn hoofd werd zo mogelijk nog roder. Alsof het bijna ging ontploffen. “Robin is wel eens verlegen”, zegt de juf. “Als ik hem vraag om aan het bord iets uit te leggen, kruipt hij het liefst volledig in zijn bank en als het even kan kruipt hij er pas ’s avonds terug uit.”  Robin moet er op de eerste rij zelf mee lachen. Net als zijn klasgenoten. “Het is maar een voorbeeldje”, zegt Juf Sandra. “Een voorbeeld van iets waarmee kinderen soms zitten. Dan kan iets kleins lijken, maar voor de kinderen is het iets heel groot. Ze mogen er niet mee blijven zitten. De ouders van Robin hebben me er wel eens over aangesproken, wat ik zeer knap vond van hen.” Nu krijgt de mama van Robin een kleurtje en de papa van Robin geeft haar een knipoog.  “Ik dacht er verder over na en ik kwam uit bij iets waar we in de school ontzettend veel mee bezig zijn. En dat is taal. Woorden en zinnen. Als kinderen met iets zitten, moeten ze dat kunnen uiten. Ze moeten het kunnen vertellen. En dat doe je natuurlijk met woorden.” “Woorden zijn enorm belangrijk. Ze zorgen ervoor dat we elkaar kunnen begrijpen. Maar als je ergens mee zit, heb je altijd moeilijk om het uit te leggen. Omdat je wellicht denkt dat de anderen het niet zullen begrijpen. Toen kwam ik op een idee. Er zijn ook onbestaande woorden. Al kan dat eigenlijk niet, want door een onbestaand woord uit te spreken, bestaat het meteen. Zo hebben piepjonge tweelingen een hele aparte woordenschat, omdat ze als peuter altijd bij elkaar zijn. Met die rare woorden verstaan ze elkaar prima. Maar voor de andere mensen betekenen die woorden niets.” “Zo zie je maar, ook woorden die op het eerste gehoor raar klinken, kunnen best een betekenis hebben.” “Het idee was dat iedereen voor zichzelf een bijzonder woord zou hebben, om bij mij of bij de vriendjes en vriendinnetjes aan te duiden dat ze ergens mee zitten en dat ze erover willen vertellen. Het is een woord voor hen alleen. Zij zijn de eigenaar van dat woord, zoals ze ook de eigenaar zijn van hun gevoelens. Ik gaf de kinderen de opdracht om die woorden zelf te verzinnen. En dat is wonderwel gelukt.” “Kijk, dit zijn alle woorden van de kinderen”.  Juf Sandra drukt op de knop en er verschijnen wel 20 woorden op het scherm. Net zoveel als er leerlingen in de klas zitten. Je kan er geen touw aan vastknopen. Het waren allemaal niet-bestaande woorden. ‘Rimpeldepimpel’, staat er. ‘Kabriekziestan’, ‘Ribbedebiewoep’ en veel meer gekke woorden. Plotseling neemt de minister opnieuw het woord. “We vonden dit een prachtig idee van juf Sandra. Ze had het helemaal uitgewerkt, uitgebouwd en ze heeft er zelfs psychologen over aangesproken. Daarom maken we van deze actie onze nationale campagne. En een campagne moet natuurlijk een naam hebben. Nietwaar juf Sandra?” “Inderdaad”, zegt de juf. “We hebben met de klas beslist om er één woord uit te pikken. De kinderen mochten een uitleg geven over hun woord en vervolgens werd er gestemd. Ze mochten natuurlijk niet voor zichzelf stemmen. Vrijwel alle stemmen gingen naar één woord. Naar één leerling. En die wil ik hier graag op het podium uitnodigen. Kom maar Robin.” De mama van Robin laat opnieuw een gil horen. Deze is nog luider dan de voorgaande gillen. De gil is wellicht in het hele gebouw te horen. Iedereen kijkt haar aan, waardoor ze opnieuw een kleurtje krijgt. Op het podium Dat de mama van Robin een gil laat horen heeft meerdere redenen. Ze gilt natuurlijk van het schrikken, omdat haar zoon Robin het podium op moest. Maar ook omdat ze totaal fout zit met haar idee over die rare woorden.  De mensen kijken haar nog even aan, maar vervolgens richten ze hun ogen al snel op het podium. Want daar stapt iemand op het podium. Het is Robin. Hij zet zich naast juf Sandra. “Dag Robin”, zegt de minister. “Wat fijn dat je hier bent. Want in heel het land is binnenkort jouw woord te zien. Maar ik laat juffrouw Sandra enkele vragen aan  jou stellen.” “Dat klopt”, vervolgt juf Sandra. “Overal ziet met binnenkort jouw woord.” Daarna klikt ze opnieuw op het toestelletje en er verschijnt – heel groot – een woord op het scherm. ‘Ribbedebiewoep’ stond er. “Ribbedebiewoep”, leest juf Sandra. “Je hebt het bij ons in de klas al verteld. Maar nu mag jij ook even zeggen waarom dit jouw woord is.” “Tja”, begint Robin ietwat stamelend en verlegen. “Hoe kan ik dat uitleggen?” “Ik ben gewoon wat beginnen puzzelen met letters en woorden. Maar tegelijk dacht ik erover na waar het over moest gaan. Ik ben soms euh … nogal verlegen …euh.” “Dat zou je toch niet zeggen Robin”, onderbreekt de minister hem. “Maar sorry dat ik je onderbreek. Ga vooral verder Robin.” “Tja, euh. Het woord moest dus daar ergens over gaan. Als de juf me naar het bord vraagt, zou ik gewoon weg willen. Snel de klas uit. En ribbedebie is een ander woord voor ‘weg zijn’. ‘Ik ben ribbedebie’, heb ik mama ooit horen zeggen, toen ze naar de winkel moest.” “En die woep dan op het einde?”, vraagt juf Sandra. “Euh … ik weet niet of ik dat moet zeggen, maar ik had eerst ‘poep’ op het einde staan. Het werd dan ‘ribbedebiepoep’. Dat vond ik wel grappig.” En inderdaad, de kinderen op de eerste rij, maar ook alle andere mensen in de perszaal beginnen luid te lachen. Ook de mama en papa van Robin moeten ermee lachen. Net als de andere ouders. Robin wordt weer zo rood als een overrijpe tomaat. “Maar poep zou wellicht niet mogen, daarom heb ik gewoon een andere letter genomen. Ribbedebiewoep.” “En is het een woord dat jou helpt?”, vraagt juf Sandra. “Als je nu iets moet zeggen, zoals nu, helpt het dan?” “Ik heb het daarnet wel honderd keer gefluisterd”, zegt Robin, waarna de zaal weeral begint te lachen. “Maar het woord is natuurlijk maar een woord. Maar ik weet dat ik het liefst weg of ‘ribbedebie’ zou zijn, als de juf me vraagt om hier te komen zitten. Dat heb ik nog altijd.” “Hoe blij ben je nu dat jouw woord uitgekozen wordt voor het hele land?” “Euh, heel blij denk ik. Het is allemaal een beetje gek en snel gebeurd. Ik heb het ook maar wat bij elkaar gepuzzeld.” “Dank je wel Robin”, zegt de juf. “Dan stel ….” Plots ziet ze dat iemand in de zaal zijn hand omhoog steekt. Het is de papa van Robin.  “Ik zie dat er iemand een vraag heeft. Ik denk dat het iemand van de pers is. Zegt u het maar.” “Dank je wel”, zegt de papa van Robin. “Ik ben Davy Vanlangendonk, van de Nieuwe Krant. Ik heb een vraagje voor Robin.” Hij zegt er niet bij dat hij de papa van Robin is, maar hij ziet wel dat Robin hem vanop het podium een knipoog geeft. Daar ziet hij ook dat zijn vrouw naast hem opnieuw een rode kleur krijgt. Het lijkt wel alsof ze die verlegenheid van Robin heeft overgenomen. “Robin, nu binnenkort heel het land jouw geheim woord kent, is het natuurlijk geen geheim woord meer zijn. Moet je dan op zoek naar een ander geheim woord?” “Tja”, zegt Robin aarzelend. “Een ander woord ga ik zeker niet zoeken. Dit woord is misschien geen geheim woord meer. Maar het is nog altijd ‘mijn’ woord. En dat is het belangrijkste. Bij iemand anders zou dit woord wellicht niet helpen.” “Oké”, zegt de juf, die duidelijk niet had gerekend op vragen van de pers. “Dan ga…” “En ik heb tenslotte nog een vraag voor u, als dat nog mag?”, neemt Davy opnieuw het woord. “Euh, ik denk het wel. Als het met dit initiatief te maken heeft natuurlijk”, antwoordt de juf.  Ze vreest een beetje dat het over de actie van de mama van Robin en de andere ouders gaat. “Natuurlijk”, zegt Davy. “Ik heb gewoon nog een vraag voor het stuk in de krant. Hebt u eigenlijk ook zelf een geheim woord? En zo ja, hebt u dat met anderen gedeeld?” “Oké, die vraag had ik niet verwacht”, lacht ze. “Maar het is wel een goede vraag. Ik heb inderdaad een geheim woord dat ik met de kinderen heb gedeeld. En ik weet dat ze het geheim worden. Want zij vertrouwen mij hierin, dus ik moet hen ook vertrouwen. Als ik ‘mijn’ woord uitspreek weten ze dat er iets op mijn lever ligt.” “Oké, geen vragen meer? Dan gaan we verder. Want we hebben voor deze campagne nog een slagzin aan het woord van Robin toegevoegd. Kijk maar.” Op het scherm verschijnt nu onder ‘Ribbedebiewoep’ de zin ‘We nemen het samen onder de loep’. “Loep is misschien geen gemakkelijk woord”, zegt de juf. “Dat is een vergrootglas. Die die uitdrukking betekent dat we het probleempje samen gaan bekijken.” “En daar stopt het niet. Want de leerlingen uit mijn klas hebben er ook nog een gedichtje bij gemaakt. Nietwaar? Zeggen jullie het samen op?” De juf laat een nieuwe dia op het scherm komen en daarop staat het gedicht. Robin en zijn klasgenootjes lezen het samen voor. “Weet je even niet hoe het moet?Gebruik dan een woord zoals geen een.Een woord voor jou alleen.Een woord zoals ribbedebiewoep.Dan nemen we het probleem samen onder de loep.” “Zo voeren we de campagne in het hele land”, zegt de minister. “We nodigen alle scholen en klassen uit om met dit project aan de slag te gaan. En de uitleg die Robin daarnet aan zijn woord gaf, wordt mee opgenomen in het verhaal van de campagne. En daar mag hij best trots op zijn. En het verdient een applaus, denken jullie niet?” Na het applaus Nadat het applaus was uitgedoofd, bedankt de minister iedereen voor hun aanwezigheid. Een aantal fotografen gingen naar het podium en namen foto’s van de minister, juf Sandra en de kinderen.  “Hoe wist jij hier nu van?”, vraagt Tamara aan Davy. “Je hebt me er helemaal niets van gezegd.” “Ik zei het toch al. Jij had het te druk met betogen. Er zat begin deze week een brief in de agenda van Robin. Daarin werd heel wat uitgelegd en er zat meteen een uitnodiging bij om naar deze persvoorstelling te komen. Trouwens, bij de krant wisten ze er ook van. Ze hadden ook een uitnodiging voor deze persconferentie ontvangen. Ik heb maar meteen aangeboden om er een artikel over te schrijven. Onze fotograaf staat nu voor het podium. Ik dadelijk onze Robin nog even interviewen. Als hij me te woord wil staan natuurlijk. Hahahahahaha.”  Al lachend stapt Davy naar het podium, Tamara alleen achterlatend. De dag erna staat het artikel inderdaad in de krant. Robin is blij dat het een foto in zwart-wit was, zodat je zijn rode kleur niet ziet. Hij wordt bijna een nationale beroemdheid. Want er is ook een tv-ploeg van het kinderjournaal aanwezig.  Heel wat scholen in het land nemen het Ribbedebiewoep-project over. In sommige scholen is het een succes. In andere scholen moet het nog groeien, want als je het niet serieus neemt, werkt het natuurlijk voor geen meter. Het gebeurt niet vaak, maar als Robin thuis ‘Ribbedebiewoep’ zegt, dan weten zijn mama of papa dat ze een praatje moeten maken.  Voor het overige gaat alles zijn gangetje in het gezin van Robin.  Nog eens binnenkijken Zullen we nog even binnenkijken bij Robin thuis? In het huis met de trapjes? Zoals we dit verhaal zijn begonnen?   Kijk, daar zit zijn papa. Hij leest de krant, zoals gewoonlijk, maar misschien is hij er wel bij in slaap gevallen. Robin en zijn mama zitten samen op de bank en kijken naar tv. Het is een programma waarbij ze op het einde een woord moeten raden. Hoe meer rijen met blokjes de kandidaat heeft verzameld met het computerspelletje, hoe meer letters de kandidaat heeft. Dan is het makkelijker om het woord te raden. Ook nu raden ze samen naar het woord. Er staat al een i, een r en een e. Het is telkens een woord van acht letters. “Dan kan het nooit ribbedebiewoep zijn”, zegt Robin. “Want dat zijn meer letters. En dat is ook geen echt woord. Of wel mama?” Plots horen ze een gebrom van achter de krant die op het hoofd van papa ligt. “Hij snurkt”, zegt mama, waarna hij precies opnieuw iets zegt. De krant waait omhoog. “Hij zegt precies ‘minister’”, zegt Robin. “Misschien droomt hij nog over onze samenkomst bij de minister. Of wacht even …. Nee, hahahahaha.” “Wat is er?”, zegt mama. “Dat is natuurlijk het woord dat ze op tv zoeken”, zegt Robin. “Kijk maar.” En jawel, ook de kandidaat vinden het achtletterwoord. Het is inderdaad ‘minister’. “Niet te geloven toch hè”, zegt mama.    Einde  

Rudi Lavreysen
4 1

De broek

In het café zit een man wezenloos voor zich uit te kijken. Zijn koffie heeft hij half opgedronken. Het lijkt alsof zijn gemoed ook maar voor de helft gevuld is. De kastelein ziet me naar hem kijken. “Misschien vertelt hij het nog eens”, fluistert hij. Het klinkt alsof de man het verhaal ononderbroken heeft verteld. “Ik had het niet gezien”, zegt de man. De cafébaas droogt zijn handen aan een handdoek en gebaart van ‘even te wachten, de rest komt wel.’ De man neemt nog een slokje koffie en gaat verder. “Haal je mijn broek bij de naaister?, vroeg ze. Hier is het bonnetje. Wat kan er fout lopen? Ik deed wat me gevraagd werd. Ik bracht het tasje naar huis en legde het in de keuken. Een perfecte avond. Maar dan, na het avondeten. Ze nam het tasje en haalde de broek eruit. Ik zag ze kijken. Ze draaide de broek drie keer om. Ze keek me aan alsof ik een dictator ben die het leven van de helft van zijn bevolking op zijn geweten heeft. " "Zie je het niet?, riep ze. Dat is mijn broek niet. Zie hoe groot die is. Daar pas ik drie keer in.” "Nee, ik ga verdomd niet rechtstaan, ging ze verder. Dat je zoiets nog maar durft denken.” “Ze moet het in mijn ogen hebben gezien. Maar ik 'dacht' het alleen maar." De man denkt even na. “De naaister heeft die broek wellicht getoond, maar ik was er met mijn gedachten niet bij. Ze heeft zich vermoedelijk van bonnetje vergist.” “Thuis zou het enkel beeld en geen klank zijn. Dan maar naar hier.” Hij kijkt me aan. Nog steeds met diezelfde lege blik. Ik zeg niks.  Misschien is het geluid van de cafébaas die de glazen spoelt voor hem genoeg.

Rudi Lavreysen
13 1

Nieuwe verhalen van vroeger

“Ga je erover schrijven?”, vroeg ze. “Ik weet het niet”, zei ik. Wat schrijf je over een familiereünie, zoals mijn nicht me vroeg. De verhalen die verteld werden? Toch was er iets. Het was een tante die het quasi achteloos zei. Het voelde ongeveer zoals een verrassingsfeest, waarbij de genodigden verstopt zitten en plots tevoorschijn komen. Ik zag het niet aankomen. “Ge lacht helemaal zoals uw vader”, zei ze. Ik weet eerlijk gezegd niet meer wat ik heb geantwoord, maar wel dat ik er even later over nadacht. Hoe lachte hij alweer? Zoals ik dus. Maar hoe is dat? Mensen nemen soms stemmen op, om later te horen hoe de stem van hun geliefde klonk. Dat snap ik. Voortaan kan ik dus lachen zoals vader. Het gaat vanzelf. We hadden voor placemats gezorgd, met daarop een foto van de stamvaders en -moeders. Alle acht met een voorzichtige glimlach op hun gezicht. Het moet een foto van eind jaren '60 geweest zijn. Ik was er toen nog niet. Wie heeft de foto genomen? Wat zeiden ze tegen elkaar, alvorens de fotograaf de knop indrukte? Besliste iemand waar ze moesten staan? Gingen ze achteraf terug aan het werk? Of was het op een zondag? Het zijn vragen waar we de antwoorden niet van weten. Wat ik wel weet, is dat in elk kind of kleinkind een ander familieverhaal schuilt. Iemand vertelde dat grootvader haar nog van school kwam halen. Bij mij was hij al enkele jaren ouder. Dat deed hij toen niet meer. Ze vertelde ook dat ze als kind wegens omstandigheden enkele weken bij ons had gewoond. Ik heb het nooit geweten, wegens nog te klein. Daarom luister ik graag naar die verhalen. Het zijn nieuwe verhalen van vroeger. Ik vind ze soms beter dan de oude verhalen van nu.    

Rudi Lavreysen
10 0

Het verhaal van grote beer die plots niet meer kon lachen

De nieuwe dieren van het bos vertellen het verhaal nog altijd. Het is heel wat jaren geleden gebeurd. De dieren van toen hadden nog nooit zoiets meegemaakt. Het begon allemaal op een mooie zondag in oktober. Ze hadden eerst gepicknickt en daarna gevoetbald op de grote weide in het midden van het bos. Het was niet dat grote beer de wedstrijd had verloren. Nee, hij had als doelman zelfs enkele prachtige reddingen gemaakt. Na de wedstrijd werd hij door alle dieren op handen gedragen. Ook op die van de tegenstander. Maar de volgende dag gebeurde er iets raar. Beer kon plots niet meer lachen. Muis zag snel dat er iets scheelde met haar grote vriend. Ze was, zoals elke maandag, naar het huis van beer getrippeld, om samen op verkenning te gaan in het bos. Op zoek naar heel wat lekkers. Oktober was ideaal om paddenstoelen te plukken. Daar waren ze allebei zot op. "Ben je klaar grote beer? Ik kan de paddenstoelen al bijna ruiken", zei muis, waarna ze haar neusje in de lucht stak. Maar het enige wat beer zei was 'Hmmm'. "Wat hmmm?", zei muis. "Is dat het enige dat je kan zeggen?" "Hm hm", zei beer opnieuw. Muis besteedde er niet te veel aandacht aan. Ze dacht dat het wel zou beteren als ze de eerste paddenstoelen hadden ontdekt. Maar het beterde niet. Beer had wel twintig keer 'hm' gezegd, maar geen enkele keer gelachen. En beer lachte graag, dat wisten alle dieren. Omdat dieren niet goed kunnen zwijgen, wisten binnen de kortste keren alle dieren dat er iets scheelde met grote beer. Op dinsdag kwam meneer de hert langs. Hij wist hoe hij beer aan het lachen kon krijgen. "Zeg beer, weet je nog? Dat ik bij boer Vanspringel met mijn gewei in het hek vastzat? Ik kon nog maar net op tijd ontsnappen. Hij liep naar buiten met zijn geweer, maar struikelde over de mat en schoot de lamp stuk. Hahahahahaha." "Hm", zei grote beer, terwijl meneer de hert op de grond lag van het lachen. Op woensdag bracht konijn een bezoekje. "Beer kan niet meer lachen? Wacht maar", had hij vooraf gezegd. Grote beer had nog maar net een kopje thee uitgeschonken en konijn begon hem te kietelen. Niet alleen met zijn pootjes, maar ook met zijn grote oren. Beer keek konijn aan alsof hij niet snapte wat er gebeurde. Vroeger zou hij al na twee seconden plat hebben gelegen van het lachen.  Op donderdag stond het wilde zwijn aan het huis van beer. Hij had al een paar keer met zijn poten op de deur geklopt, maar er kwam geen reactie. Ook niet toen hij een paar keer luid had geknord. De volgende dag, op vrijdag dus, stond het wilde zwijn er opnieuw. Nu deed grote beer wel open, maar hij nodigde zwijn niet uit om binnen te komen. "Zeg beer", begon zwijn op de drempel van het huis. "Ik ken nog een leuke mop. Het is groen en het komt van een berg af. Wat zou dat ...". Zonder af te wachten wat zwijn nog ging zeggen, gooide beer de deur dicht. Zwijn zat er bijna met zijn neus tussen. De dieren wisten niet wat ze moesten doen om beer aan het lachen te krijgen. Het enige wat misschien zou helpen, was naar de dokter gaan. Maar bij dokter de vos konden ze pas op maandag terecht. In het weekend ontving hij geen patiënten. De dieren probeerden hem op zaterdag en zondag nog mee naar het grote veld te nemen, om een balletje te trappen, maar beer deed de deur niet open.  De dieren hadden beslist dat muis op maandag mee zou gaan naar de dokter. Als ze hem meekreeg natuurlijk. Dat lukte wonderwel. Beer slofte als een mak lammetje achter muis aan. Muis meende nog te vragen of hij zijn poten kon opheffen, maar dat deed hij toch maar niet.  Na een half uurtje kwam beer terug naar buiten. Muis lag onder een boom te wachten. Er was geen beterschap te zien aan beer. Hij slofte hij zo mogelijk nog erger dan op de heenweg.  De dieren wisten niet wat aanvangen. Het mocht zeker niet te lang blijven duren. Dat wisten ze wel.  Er ging een week voorbij, maar muis ging toch opnieuw met beer naar de dokter. Door het sloffen zorgde hij voor een enorme stofwolk op het bospad. Net zoals wanneer boer Vanspringel er met zijn tractor reed.  Terwijl beer bij dokter de vos naar binnen was, verzamelden ineens alle dieren van het bos, plus de dieren van het andere bos, bij de boom waar muis zat.  Voor de vogels in de bomen was het een prachtig beeld, al die dieren samen.  Maar er gebeurde nog iets wonderlijk. Dokter de vos nam beer plots mee naar het raam van zijn dokterspraktijk. Vanwaar ze stonden, konden de dieren het goed zien. Dokter de vos stond op een stoel en had zijn ene poot op de schouders van beer liggen. Met zijn andere poot wees hij naar buiten, waar alle dieren stonden. "En nu allemaal zwaaien en juichen", riep muis plots. Het gaf een enorme herrie en van al die zwaaiende dieren ontstond er een grote wind. De vogels vlogen in de lucht en ook zij begonnen te kwetteren. En daarna, alle dieren zagen het, verscheen er een glimlach op het gezicht van grote beer. Alle dieren begonnen luid te klappen.  Op de terugweg wandelde beer in het midden van de grote groep dieren, alsof ze hem extra wilden beschermen. Hij slofte niet meer. Ze gingen rechtstreeks naar de weide voor een wedstrijdje tegen de dieren van het andere bos. De dag erna ging muis terug naar dokter de vos. Niet omdat ze ziek was, maar ze was nieuwsgierig.  “Wat was er nu met beer aan de hand dokter?” "Het ligt aan oktober", zei dokter de vos. "Hoezo oktober? Daar kan je toch niet ziek van worden", zei muis.  "Toch wel", antwoordde dokter de vos. "Het is herfst. De bladeren beginnen van de bomen te vallen. Beer had verdriet omdat er weer een jaar voorbij is. Dieren kunnen om heel wat zaken verdriet hebben. Omdat ze een wedstrijd hebben verloren of omdat ze aan hun overleden oma denken."  Dat klopt, dacht muis, dat heb ik ook ooit. "Bij beer ligt het aan oktober. Daarom vroeg ik je om met alle dieren naar hier te komen. Je kan verdriet niet wegen, maar het is altijd te zwaar om alleen te dragen", zo eindigde de dokter. Daar moest muis even over nadenken. Maar hij vertelde het snel aan alle dieren. Want zoals je weet kunnen dieren niet goed zwijgen.  Daarom vertellen de nieuwe dieren van het bos dit verhaal nog altijd. (einde)        

Rudi Lavreysen
19 0

Stom brood

We hebben een nieuw favoriet brood. Ik vermoed dat iedereen er eentje heeft. Maar na een tijd ben je dat brood beu gegeten en moet je op zoek gaan naar een ander.  Nu hebben we de stomme fout gemaakt om het tegen een paar mensen te zeggen. Een favoriet brood is zoals een onbekend idyllisch dorpje in Zuid-Frankrijk of Toscane, waar eigenlijk geen fluit te beleven valt, maar dat speelt geen rol want het is nog onbekend. Of een stuk strand waar de toerist zijn espadrilles nog niet heeft gezet. Zeg het thuis tegen een paar vrienden en volgend jaar zit de halve wereld er.   Zo verging het ook met ons favoriet brood. Ik zei het tegen dinges, waarna hij het tegen een andere dinges zei en de broodbal was aan het rollen. Het is niet langer een goed bewaard geheim. Het ligt op de straat.  Het moet gezegd, dat rond volkorenbrood is een topper. Ze verkopen het in de supermarkt (nee, ik vertel niet welke) en het is elke dag snel uitverkocht. Ik heb al gevraagd om er eentje te reserveren, maar dan kom ik op de wachtlijst en daar staan al 70 mensen op. Ze kunnen er ook geen extra bakken. Het strafste was dat een vriend afgelopen weekend me vertelde dat, jawel, ons favoriet brood in supermarkt x geweldig lekker was. “Ik heb een exclusieve tip gehad”, zei hij. “Niemand weet het.” Afijn, ik heb me er niet over uitgelaten. Vroeger had je dat niet, favoriete broden. Je had hooguit een favoriete wielrenner of voetballer. Of een favoriete nieuwslezer. Er was ook maar één soort biefstuk. Of één soort kabeljauw.  Nu heb ik geprobeerd om het recht te zetten en een ander favoriet brood in de kijker te zetten, maar dat plannetje is mislukt. Stom brood ook.

Rudi Lavreysen
4 0

Naar de meet

Ik ben gestopt met schreeuwen naar de koers op tv. Vooral naar de supporters die het koersen bijna onmogelijk maken. Onnozelaars. Dan is de koers niet meer van ons. Maar wel van mij en mijn schoonvader. We kwamen net binnen toen de Omloop Het Volk in de finale zat. Neem me niet kwalijk, ik blijf die oude benamingen gebruiken. Dat ‘volk’ was niet alleen de krant. Ik vroeg hoe het zat. Met Jordi en de rest. “Vanspringel is ook gevallen”, zei hij. “Wie? Herman Vanspringel?” Ik moest even nadenken. Toen zag hij ook onmiddellijk dat hij zich van naam had vergist. “Die leeft helaas niet meer”, zei ik lachend. We bleven nog een tijdje grinniken over de vergissing. Een heerlijke lach. Hij bedoelde Philipsen, de Vlam van Ham. De bijnaam van Herman Vanspringel was ‘Monsieur Bordeaux-Paris’, wegens zeven overwinningen in de monsterrit. Hij was een kempenzoon (wat een prachtig woord is dat toch), net zoals veel coureurs. Het moet er in de kempengrond zitten. Frans Verbeeck is er ook eentje. Van hem zijn de legendarische woorden aan de meet, gericht aan commentator Fred Debruyne, toen Eddy Merckx weer eens had gewonnen. “Fred, ik heb formidabel afgezien. Eddy rijdt vijf kilometer te hard voor ons.” Fred Debruyne heeft een pleintje met zijn naam in het zuiden van Frankrijk. Wij gaven die rennersnamen aan onszelf terwijl we in die jaren rond het pleintje bij het huis fietsten. Ik ben wel eens Fred geweest. Het zijn namen, helden. Een mens heeft ze nodig. Een mens zonder helden, daarmee wil ik niet naar de meet. Ik kijk al uit naar de volgende koers. Gaat Wout voor winst in Milaan-San Remo? Van mij mag Vanspringel opnieuw meedoen. Of Rik I en Rik II. De keizers van toen. Wie gaat er nog passeren? Laat ze maar komen.

Rudi Lavreysen
2 1

Eddy de slimme kip

1. "Jij bent de domste kip aller tijden",  zei Boer Balthazar vaak tegen Eddy. Als je vaak hetzelfde hoort, denk je soms dat het waar is. Niemand hoort graag dat hij dom is.  Maar het klopt niet, want kippen zijn slimme dieren. Wist je dat?  Uitspraken zoals ‘kieken zonder kop’ of ‘dom kieken’ slaan nergens op. We kunnen je alvast één reden geven waarom Eddy zeker geen domkop was. Eddy begreep heel wat woorden in mensentaal. Wat? Wist je niet dat kippen woorden kunnen begrijpen? Echt wel. Ze kunnen zelfs spreken. 2. Als je al een woord aan het gekakel of het getok van kippen zou moeten geven, dan is het ‘kips’. Pas op, dat is geen ‘haans’, want dat is de taal van de hanen. En het is helemaal anders dan het ‘konijns’. Daar moet je al goede oren voor hebben, want ze spreken heel stilletjes. Daarom zijn ze uitgerust met een goed stel oorflappen. Net zoals de hazen. Maar die taal is weer anders.  Het komt eenvoudigweg hier op neer: in het dierenrijk heeft elk dier een andere taal. Net zoals de mensen heel wat verschillende talen hebben.  3. Telkens als boer Balthazar van zijn werk in de hoofdstad thuiskwam, want hij was geen voltijdse boer, trok hij meteen zijn werkpak uit om andere kleren aan te doen.  En telkens voerde hij hetzelfde gesprek met zijn spiegel. “Spiegeltje spiegeltje aan de wand, wie is…”  Nee nee, wees gerust, boer Baltazar ging niet dat beroemde zinnetje uit het sprookje over Sneeuwwitje en de Zeven Dwergen zeggen. Al scheelde het niet veel. Kijk maar wat hij had aangetrokken. Het was geen werkbroek, maar een koerskostuum. Een rennerspak.  4. “Spiegeltje spiegeltje aan de wand, wie is de beste wielrenner van het land?”, zei hij telkens voor de spiegel. Vroeger wilde hij altijd wielrenner worden, maar na een val in een plaatselijke kermiskoers durfde hij met zijn fiets niet meer te racen op de straat. Net voor de aankomst van de wedstrijd staken een tiental kippen en een haan de straat over en Balthazar kon ze niet ontwijken. Hij tuimelde op de grond en hield er heel wat breuken aan over. De kippen en de haan waren ongedeerd. Ook al nam hij het de kippen niet persoonlijk kwalijk – hij kende ze tenslotte niet en de boer had het poortje laten openstaan – toch bleven die overstekende kippen altijd ergens in zijn achterhoofd zitten. Het is dan ook bijzonder dat hij later zelf kippen ging houden. Maar hier dacht hij niet veel over na.  5. Waar hij wel over nadacht, toen hij de kippen kocht, was de namen van de kippen. Want die moesten allemaal de naam van een wielrenner hebben. Balthazar was nog altijd, ondanks die val, zot van de koers. De eigenschappen van de wielrenners naar wie hij ze had genoemd, zag je terug bij de kippen. Zo was Fons een heel bescheiden kip. Roger was een echt haantje de voorste. Wilfried was de snelste van alle kippen en durfde al eens een grap uithalen met de andere kippen. Fransesco was wereldkampioen eieren leggen en Joop liep altijd achter een andere kip aan. Meestal deed ze dat bij Eddy, die werd er soms wat zenuwachtig van. 6. Maar die originele namen was dan ook het enige goede dat hij had gedaan voor zijn kippen. Als hij in zijn wielertenue naar het kippenhok liep, hoorden de kippen hem al van ver afkomen met die koersschoenen. Tok, tok, tok, tok, tok. De kippen kenden het geluid als geen ander. Vooral omdat na het getok van zijn koersschoenen het trappen met diezelfde schoenen volgde. Hij trapte naar elke kip die voor zijn voeten liep. En de kippen wisten dat de blokjes onder de schoenen serieus pijn deden. Hij had nog nooit een kip geraakt, hoe hard hij ook zijn best deed. En dat maakte hem nog kwader. “Ik ben de baas”, riep hij dan. “Jullie moeten eieren leggen. Veel eieren.” “Jij bent de domste kip ter wereld”, zei boer Balthazar telkens tegen Eddy.  Maar Eddy wist beter. Hij was heus niet dom. De andere kippen bewonderden haar zelfs. Bovendien keek ze boer Balthazar altijd op een bijzondere manier aan. En Balthazar voelde dat.  7. Balthazar wist ook niet wat slimme mensen hadden ontdekt, want in de krant las hij alleen de uitslagen van de wielerwedstrijd. Zo had hij niet gelezen over de ontdekking dat kippen 24 verschillende toks of klanken hebben. Met die klanken maken ze zich verstaanbaar voor elkaar. Een haan is zelfs nog slimmer. Als hij een oogje heeft op een bepaalde kip, klinkt zijn kukeleku helemaal anders. Scherper ook. 8. Zo ging het elke dag. Als boer Balthazar niet aan het werk was in de hoofdstad, fietste hij in de keuken op de rollen en ging een paar keer per dag naar de kippen. En telkens riep hij naar de kippen. Van ‘domme kippen’ tot ‘jullie moeten veel eieren leggen’.  Maar op een dag gebeurde er iets dat afweek van het gebeuren van elke dag. Het was een zomerse zaterdagavond en Boer Balthazar keek in de keuken naar het tv-toestel op het aanrecht, terwijl hij op de rollen fietste. In het programma werd een boerin aan een boer gekoppeld. De boer moest een boerin kiezen uit een aantal kandidaten. Het was de laatste aflevering van het seizoen. Op het einde van de aflevering vertelde de presentator dat ze volgend seizoen de rollen zouden omdraaien. Een boerin ging dan op zoek naar een boer. En die boerin was Veroniek. “Hallo, ik ben Veroniek”, zei ze. “Ik ben op zoek naar een sportieve boer, die goed met dieren kan opschieten. Zelf heb ik heel wat kippen en ander pluimvee. Ben jij sportief? Zie je graag kippen? Misschien ben jij dan wel de boer waar ik naar op zoek ben.” 9. Balthazar was meteen verliefd. Hij was zo van slag dat hij plotsklaps stopte met fietsen. Maar op de rollen mag je niet zomaar stoppen. Elke wielrenner weet dat, want dan verlies je je evenwicht. Ook Balthazar wist dat, maar daar stond hij niet bij stil. Of juist wel. Toen hij stilstond tuimelde hij op de keukenvloer, net zo hard als tijdens de kermiskoers toen hij de kippen probeerde te ontwijken. Drie huizen verder hadden ze de ‘boenk’ gehoord. Gelukkig had hij nu niets gebroken. “Veroniek, ik hou van je”, zei Balthazar terwijl hij op de grond lag, maar op de tv was het programma al afgelopen en de weervrouw kwam in beeld.  10. De kippen hadden door de open keukendeur gehoord wat er zich in de keuken afspeelde en kwamen niet meer bij van het lachen.   “Ja kipjes”, zei hij. “Binnenkort woon ik hier niet meer alleen, maar samen met Veroniekske.”  Hierna begint hij plots te zingen. “Veroniekske, Veroniekske, jij bent echt mijn lievelingskiekske.” Hij zong het wel twintig keer na elkaar. De kippen maakten ondertussen zo een lawaai van het lachen dat de buren over de schutting keken om te zien wat er aan de hand was. Maar Balthazar begon meteen met het schrijven van een brief naar Veroniek. Dat hadden ze op het einde van het programma gezegd, als oproep aan mogelijke kandidaten. 11. Elke dag wachtte Balthazar de postbode op. Hij vertrok speciaal later naar zijn werk. “Is er een brief voor mij postbode?”, riep hij telkens naar de postbode, terwijl die nog een paar huizen verder stond. Maar het waren telkens betalingen. Balthazer keek uit naar het antwoord van Veroniek. Een keer was hij zelfs de postbode achterna gefietst, omdat Balthazar net te laat buiten was. De postbode had zelfs schrik van Baltahazar, omdat die maar bleef roepen. “Een brief, een brief, van mijn lief.” Balthazar kon de postbode niet inhalen, want die was ook een amateurwielrenner. Tot die ene dag, eind augustus. De postbode overhandigde Balthazar een brief. Hij had de hoop bijna opgegeven. Aan de envelop kon hij meteen zien dat de brief van Veroniek was. Ook omdat haar naam op de achterzijde stond. 12. Na de brief ging alles in een sneltreinvaart voor boer Balthazar. Hij had nog heel wat werk vooraleer de tv-ploeg bij hem kwam filmen.  Hij begon aan een grote schoonmaakbeurt, zowel het huis als het kippenhok. Hij kocht een nieuw kostuum en stond daarmee elke dag een paar keer voor de spiegel. En tenslotte oefende hij een recept om Veroniek aan te bieden als ze naar hem thuis kwam.   Bij de tv-kok had hij een interessant gerecht gezien. Een quiche met spinazie, prei en paprika. Het zag er geweldig lekker uit. Op tv dan toch. En terwijl hij poetste of aan koken was, zong hij het hetzelfde liedje: “Veroniekske, Veroniekske, jij bent echt mijn lievelingskiekske.” 13. De dag van de opnames begon perfect. Veroniek kwam samen met de regisseur en de camermensen aangereden en het was meteen een vrolijke boel. Veroniek was nog mooier dan Balthazar had gedacht. Ze had een bloemetjesjurk aan en daaronder droeg ze witte sneakers. Ze had bijna een punkkapsel. Helemaal anders dan op tv, toen ze nog lange blonde haren had. Maar dit was nog mooier. Zoiets mooi had Balthazar nog nooit gezien. “Ik geef jullie eerst een rondleiding”, zei Balthazar. “Dit zijn mijn kippen. Die daar is Eddy. En daarachter Joop. En dat is Wilfried, die is altijd het snelst als ik eten breng. De schavuit.” “Wat een bijzondere namen”, zei Veroniek. “Ja, het zijn allemaal namen van wielrenners”, zei Balthazar. “Wielrenners van vroeger. Omdat ik zelf nog heb gekoerst vond ik dat wel leuk. Op de een of andere manier passen hun namen bij de kippen.” 14. Net toen Balthazar en Veroniek zich aan tafel hadden gezet, en ze amper een eerste hap van de quiche hadden genomen, begonnen de kippen plots te kakelen. Allemaal tegelijk, zeer luid en in dezelfde toon. Ook Veroniek had het gehoord. “Zeg Balthazar, dit is voortreffelijke quiche”, zei ze. ”Dat heb je in je brief niet geschreven, dat je ook lekker kan koken.” “En wat kakelen je kippen toch mooi”, zei ze. “Precies allemaal in dezelfde maat. Zoiets mooi heb ik nog nooit gehoord. Het lijkt wel een liedje. Heb jij ze dat geleerd? Ik val van de ene verbazing in de andere.” Maar de kippen kakelden niet zomaar. Ze hadden iets voorbereid.  15. Balthazar herkende het meteen. Ze kakelden op de toon van het liedje dat hij de laatste tijd altijd zong. “Veroniekske, Veroniekske, jij ben mijn lievelingskiekske.” Hij kookte meteen van woede. Zijn hoofd was als een ballon die ontplofte. Alleen vlogen er gelukkig geen stukjes neus of oren in het rond. “Verdomde kippen, ik doe ze in de soep”, grommelde hij. Omdat hij nog op een stukje quiche aan het knauwen was, verstond Veroniek niet wat hij zei. Maar er vlogen wel stukjes prei en paprika uit zijn mond. “Pardon, excuseer me even”, zei Balthazar met een rood aangelopen hoofd. Dat verstond ze wel. 16. Hij bulderde als een woeste stier naar buiten en rende recht naar het kippenhok. Hij liep zelfs met zijn hoofd naar beneden, net zoals een stier dat doet als hij aanvalt. “Waar zitten jullie? Dekselse kippen”, riep hij. Hij zag geen enkele kip. Maar toch hoorde hij ze nog kakelen op de toon van het liedje. Eigenlijk had hij totaal geen reden om zo naar buiten te stormen, want Veroniek vond het prachtig. Zingende kippen. Wie had dat ooit gehoord? Balthazar moest wel een echte bijzondere boer zijn, dat hij hen dat had geleerd.  Haar hart klopte alsmaar sneller voor Balthazar. Maar daar dacht Balthazar niet over na. Want hij meende dat de kippen hem een hak probeerden te zetten.  Daar had hij gelijk in. En daar had Eddy ook op gerekend. Ze had een plannetje beraamd waarbij het etentje met Veroniek vast en zeker zou mislukken. Als wraak voor al die keren dat hij ‘domme kippen’ had geroepen en naar hen had getrapt met zijn koersschoenen. 17. Eddy stond samen met de andere kippen en de haan achter het kippenhok opgesteld. Net zoals de kippen in de kermiskoers, waar Balthazar jaren geleden over was gevallen met zijn koersfiets, kwamen ze plots tevoorschijn. Heel stilletjes, zonder te zingen. Ze vlogen vooruit. Zoals echte renners in de sprint van een koers. Eddy op kop, daar achter Joop, Wilfried en alle anderen. Ze liepen zo snel dat Balthazar ze niet had gezien. Ze kwamen uit het niets tevoorschijn en Balthazar nam een tuimel zoals je nog nooit een turner heb zien doen. Hij maakte wel drie salto’s. Maar zijn landing was niet zoals een turner. Hij zou er geen punten voor krijgen. Hij landde niet op zijn voeten, maar plat op zijn buik, volop in de kippenstront. De kippen hadden dat allemaal mooi bij elkaar gelegd. Dat was ook een heel werk geweest. “Eendracht maakt macht”, zei Eddy. “En een heleboel stront”, voegde Wilfried er nog aan toen, die altijd in was voor een grapje.  18. Zijn gezicht, het mooie pak, zijn schoenen, alles hing vol kippenstront. De kippen keken er even naar en verdwenen, terwijl ze opnieuw ‘Veroniekske, Veroniekske’ kakelden, terug in het kippenhoek. Je kan je wel voorstellen hoe Baltazar de keuken in kwam.  De geur was niet te harden.  Veroniek sloeg meteen haar handen voor haar haar mond en meteen snel naar haar neus. Wat een stank. De kippen waren buiten ondertussen opnieuw aan het zingen. Ze kakelden zo luid dat de buren opnieuw kwamen kijken. “Wat is er toch bij Balthazar aan de hand?”, zei de buurvrouw. “Het lijkt wel of de kippen zingen en er staat een tv-ploeg voor de deur.” 19. Balthazar had zich ondertussen wat gewassen en zette zich terug bij Veroniek aan tafel. De quiche was ondertussen koud geworden.  “Zal ik deze even voor jou opwarmen?”, vroeg Veronique. “Nee, laat maar”, antwoordde Balthazar. “Mijn honger is over.” “Maar dan moet je me wel even vertellen wat er daarnet is gebeurd”, zei Veronique. “Waarom werd je zo kwaad op de kippen, terwijl die toch fantastisch mooi kakelen. Het lijkt wel een liedje.” 20. En Balthazar begon te vertellen. Over zijn jongensdromen, dat hij altijd wielrenner had willen worden. Dat hij het niet onaardig deed bij de wedstrijden voor de jeugd, dat hij echt gebeten was door de wielersport, maar ook dat hij tijdens een kermiswedstrijd heel erg was gevallen, over de kippen die de straat overstaken en dat hij daarna niet meer op de weg durfde te fietsen.  Dat hij dan maar ambtenaar in de hoofdstad was geworden, maar dat hij nog altijd een passie voor wielrennen had. En dat hij thuis veel fietste op de rollen en naar de wedstrijden op televisie keek. En dat hij de kippen namen van wielrenners had gegeven. “Maar dat had ik je al verteld”, zei hij. 21. En daarna brak Balthazar. Niet in twee, zodat er twee Balthazars waren, maar hij brak van spijt en verdriet. Hij barste in tranen uit. Hij legde zijn hoofd op tafel en hij begon te snikken. De camera bleef ondertussen maar draaien, want ze wisten dat ze nu wel een heel bijzondere aflevering aan het opnemen waren. Maar dat was zonder Veroniek gerekend. Ze vroeg aan de regisseur om naar buiten te gaan. “Dit moeten jullie niet opnemen”, zei ze. De regisseur protesteerde nog. “Maar wacht eens even Veroniek”, zei hij. “Wij maken hier het programma, en ik vind dat we dit ook moeten opnemen. Dit staat zelfs in het contract.” “Contract of niet, zonder mij heb je helemaal geen programma”, zei Veroniek fel. “Het stopt hier. Ik roep wel als jullie terug binnen mogen.” 22. Daar zaten Veroniek en Balthazar. Hij had ondertussen zijn tranen afgeveegd en Veroniek had haar hand om zijn arm gelegd. “Ik vrees dat jouw val van vroeger in de kermiskoers toch iets meer teweeg heeft gebracht dan je zelf denkt”, zei ze. “Onbewust was je al die jaren heel erg kwaad op de kippen. Ook al denk je zelf misschien van niet. Omdat je de kippen van die kermiskoers niet meer ziet, verplaats je je woede op je eigen kippen. Misschien is het zelfs beter dat je geen kippen houdt. Want die beestjes kunnen er niets aan doen”, zei ze. “Misschien heb je wel gelijk”, zei Balthazar. “Misschien …” “Misschien moet jij eens een keer bij mij op bezoek komen”, zei ze. “En laat ons die hele tv-uitzending maar vergeten.” “Misschien is dat wel het beste”, zuchtte Balthazar. “Misschien moeten we dat doen.” 23. En zo gebeurde het. Veroniek stuurde de tv-ploeg naar huis. Er waren immers altijd reserveboeren die ze konden opbellen. Wat er allemaal was gebeurd, kon niet uitgezonden worden. De tv-zender wilde het juist wel uitzenden, want zoiets lokte veel kijkers. Maar voor Veroniek was het welletjes geweest. Balthazar was duidelijk nog gekwetst van het voorval met de kippen in de kermiskoers. Niet gekwetst aan zijn knieën of schouders, maar wel in zijn hoofd en aan zijn hart.  Diep vanbinnen was hij dat nooit vergeten en nam hij het de kippen kwalijk dat ze zijn koersambities hadden gedwarsboomd.  24. “Veroniekske, Veroniekske, jij bent mijn lievelingskiekske”, zong Veroniek in haar tuin. De kippen kakelden vrolijk mee op de melodie. Het waren trouwens heel wat kippen die het liedje kakelden. Wel een stuk of dertig. Ook Eddy, Joop, Roger, Wilfried en alle andere kippen van boer Balthazar scharrelden er rond. Ze waren niet langer bij Balthzar, want op een dag had hij ze meegenomen naar Veroniek. Na de mislukte tv-opnames waren ze elkaar blijven zien en een tijdje later werden ze de beste vrienden. Veroniek had aan het programma geen ‘vaste boer’ overgehouden.  Wel een goede vriendschap met Balthazar, waarmee ze alsmaar beter kon opschieten. Ze keek er telkens naar uit als hij had laten weten dat hij naar de boerderij van Veroniek kwam. Als Balthazar bij Veroniek met zijn rennersfiets achterom kwam gefietst, begonnen zijn kippen spontaan het liedje te kakelen. Ze waren hem niet vergeten. Veroniek wist dan dat Balthazar was gearriveerd en ze zong vrolijk mee. Balthazar had haar immers na een tijdje wel verteld over het liedje en Veroniek vond dat geweldig grappig. Als Balthazar de kippen het liedje hoorde zingen, moest hij zelf ook lachen. Het hele voorval met de kippen tijdens de opnames van het programma was hij zo goed al vergeten. Ook aan de val over de kippen tijdens de kermiskoers dacht hij nog maar zelden. Eddy, Wilfried en de andere kippen renden meteen naar het hek van het kippenren als ze hem zagen. Alsof ze hem wilden begroeten.  “Dag Eddy”, zei Balthazar dan. “Hoe gaat het met jou?” Einde

Rudi Lavreysen
0 1

Vriendelijke man

Onder het motto 'ook als het niet regent kan je schuilen' stap ik met mijn krant een bruin getinte horecazaak binnen. Mijn vrouw en het gezelschap vergapen zich aan de Antwerpse uitstalramen. Terwijl ik aan de toog een artikel uit de vuistdikke weekendkrant lees, komt er een struise man in een donkerblauw kostuum binnen. Hij mankt en heeft moeite om op de kruk naast me te klauteren. Hij bestelt net als ik een koffie. Ik haal mijn beste sociale zelf naar boven en vouw de krant dicht en leg ze voor mij op de toog. De man kijkt naar de krant en wijst ernaar. Hij zegt niets maar zijn mimiek is duidelijk. Of hij die mag lezen. “Het is niet de krant van het café”, zeg ik. “Wel die van mij, maar je die mag best lezen’. Hij slaat de krant open en neemt zijn tijd voor het eerste artikel uit de weekendbijlage. Daar zit ik. De patron heeft zijn stem nog thuis liggen. Er zijn geen andere klanten en mijn buurman leest mijn krant. Op zijn dode gemak. Een stroom aan onrustwekkende gedachten stapelen zich op. Ik kan hem die krant toch niet terugvragen? Wat als mijn vrouw en het gezelschap naar mij op zoek gaan? Hij is toch maar onbeleefd. Hij heeft nog geen woord gezegd. Kijk, nu maakt hij zijn vinger nat om de pagina om te slaan. Ondertussen is er een half uur gepasseerd. Ik zit al aan mijn derde koffie. Terwijl ik hem ietwat stuurs aankijk, verorbert hij nog een artikel. Drie kwartier al. Wat een asociaal geval. Wat kan ik doen? Plots slaat hij de verlossende pagina om. “Leuke krant”, zegt hij. “En er staat veel in. Dank je wel om ze even te mogen lezen. Mag ik een pintje patron?” Vriendelijke man, dat wel.  

Rudi Lavreysen
6 0

De ladder naar de zon

Personages: Victor De laddermaker De centenpoetser De bewijzer De proever De grote letterlezer De boekenzoeker Deze personages worden enkel vermeld: De visschoonmaakster De vetervrouw De sokkenruiker De soepzever De vuile brillenpoetser De vleugelmaker 1. Victor had al veel gehoord over de zon. Iemand had hem zelfs verteld dat de zon een vuurbal was.  Dat leek hem straf. Maar misschien zou het kunnen. Hoe kon hij dat nu zeker weten?  “Ik kan naar de zon klimmen”, zei Victor. “Dan weet ik het meteen. Als ik wil weten of de pudding van mama lekker is, moet ik die gewoon proeven. Dat is ongeveer hetzelfde.” Met een lange ladder zou het moeten lukken. Want hij zag de zon met het blote oog aan de hemel staan. Maar voor een ladder heb je veel hout en spijkers nodig. Plus een zaag en een hamer. Dat had Victor allemaal niet. 2. Gelukkig was er een laddermaker in het dorp van Victor. Je had er nog meer bijzondere beroepen. Zoals een visschoonmaakster. Veel mensen eten graag vis, maar ze maken die niet graag schoon. Er was ook een vetervrouw. Ze deed de veters in schoenen, want dat is best moeilijk. Ze hielp je ook met het strikken van de veters.  Je had ook een sokkenruiker. Hij rook aan je sokken en wist dan te zeggen of ze gewassen moesten worden.  Als je in het dorp iets wilde worden, dan kon het ook.  3. “Dag laddermaker, kan je voor mij een ladder naar de zon bouwen?”, vroeg Victor.  “Heb je centen?”, antwoordde de laddermaker.  “Nee, kan ik die zelf maken?” “Nee, dat kan niet, maar je kan wel naar de centenpoetser gaan. Sommige mensen vinden het vies om geld vast te nemen, omdat het al door veel handen is gegaan. Deze mevrouw poetst de centen, maar sommige centen krijgt ze niet meer zuiver. Misschien krijg je die van haar. Voor mij is dat oké.” 4. Het gezicht van de centenpoetser zat vol zwarte vegen. Ze leek wel een mijnwerker die net uit een steenkoolmijn kwam. Ze veegde met haar hand over haar gezicht, maar toen werd het nog zwarter. “Ik kan je enkele zwarte centen geven”, zei ze. “Maar ik moet een bewijs hebben.” “Een bewijs?” “Ja, dat je ter goeder trouw bent.” “Wat betekent dat?” “Gewoon, dat ik je kan vertrouwen.” “Maar hoe kan ik een bewijs krijgen?”, vroeg Victor. Nu moest hij weer ergens naartoe.  “Ah, dat krijg je bij de bewijzer. Die kan je een bewijs afleveren.”  5. De bewijzer zat achter zijn bureau. Hij droeg een net pak en keek boven zijn bril uit.  “Je moet eerst een proef volbrengen”, zei de man met een zware stem. “Breng je die tot een goede einde, dan krijg je een bewijs. Maar daarvoor moet je naar de proever.” “De proever? Moet ik daar iets proeven?” “Dat mag ik nog niet zeggen”, zei de bewijzer. “Dat hoor je bij de proever.” 6. Bij de proever rook het lekker. Het leek wel of hij in een restaurant binnenstapte. Hij droeg een grote geruite keukenschort. “Je moet deze soep blind proeven”, zei hij. “Als je weet welke soep het is, kan je terug naar de bewijzer. Ik geef je al een tip. Het is soep met balletjes.” “Maar ik lust geen balletjes”, zei Victor. “Ah, dan moet je eerst naar de soepzever”, antwoordde de proever. “Die zeeft de balletjes uit de soep.” Victor dacht na. Misschien moet ik ze toch proeven. Dat is tijd gespaard. Wie weet waar stuurt die soepzever me naartoe? Victor kreeg een blinddoek om en hij wist het meteen. “Kervelsoep”, riep hij. “Het is kervelsoep met balletjes.” “Heel goed”, zei de proever. “Vertel dat aan de bewijzer en je krijgt een bewijs.” 7. “Hier is je bewijs”, zei de bewijzer nadat Victor had gezegd dat het kervelsoep met balletjes was. Hij plaatste een grote stempel op het document. “Dat lijkt me in orde te zijn”, zei de centenpoetser terwijl ze naar het bewijs keek. “Ik heb hier nog enkele zwarte centen liggen. Die krijg je mee.” “Zo zo, kijk eens aan, zwart geld”, zei de laddermaker. “Daarmee kunnen we een ladder bouwen.” “Mag ik helpen?”, vroeg Victor. “Nee, daarvoor moet je eerst een cursus volgen”, kreeg hij al als antwoord. “Maar je mag wel het materiaal aangeven.” 8. Een week later was de ladder klaar.  Of ze hoog genoeg was, wist de laddermaker niet. Niemand had ooit zo hoog geklommen met een ladder. Samen schoven ze de ladder uit elkaar. Victor begon te klimmen. Wat was het hoog. Hij kreeg het al warm. Maar de ladder was niet hoog genoeg. “Kom maar terug naar beneden”, riep de laddermaker luid.  9. “Het is gewoon veel te hoog”, zei de laddermaker. “Is er nog iets anders dat je wil ontdekken. Nu hebben we die ladder toch. Niet de maan ofzo, iets dat minder hoog is.” “Nee, niet echt. Maar nu weet ik nog niet of de zon een vuurbal is. “ “Misschien moet je naar de grote letterlezer”, zei de laddermaker. “Die heeft alle boeken gelezen. Of toch veel. Ze heeft vast en zeker ergens in een boek staan of de zon een vuurbal is.” “Weet je die wonen?”, vroeg Victor. “Nee, maar ik heb dat wel ergens opgeschreven. Hier is het. Wacht, ik kan het niet lezen. Mijn bril hangt vol stof en houtschilfers. Ga jij voor mij snel naar de vuile brillenpoetser?”  “De vuile brillenpoetser? Geef het papiertje maar aan mij”, zei Victor. “Ik kan het zo ook lezen.” 10. Niet lang daarna zat hij bij de grote letterlezer. Wat had ze veel boeken. “Of de maan of een vuurbal is?”, zei ze. “Dat moet ergens in een boek staan. Maar dan moet ik eerst de boekenzoeker roepen. Geen paniek. Die werkt hier.”  Ze floot luid op haar vingers. Een paar seconden later stond de boekenzoeker er. Een niet al te grote man in een korte broek met renschoenen. Alsof hij aan de start van een marathon stond. Hij had het boek supersnel gevonden. 11. “Even kijken”, zei de grote letterlezer terwijl ze in het boek bladerde.  “Nee, het is geen vuurbal. Maar het is er wel vijfduizendvijfhonderd graden warm. Dan raad ik je aan om er zeker niet dichtbij te komen. Mocht je dat van plan zijn.” Victor dacht even na over de ladder. Maar goed dat het niet was gelukt. Want stel dat je er geraakt, dan brandt de ladder meteen op. Wat een dom idee was het toch geweest. Maar wacht eens. Hij wist nu dat het geen vuurbal was, maar wat was het dan wel?  Was er geen vleugelmaker in het dorp? Nee, dat ging ook niet. De grote letterlezer had gelijk. Vijfduizendvijfhonderd graden, dat is behoorlijk warm. Een stuk warmer dan op een hete zomerdag.  “Nee, natuurlijk niet”, zei Victor. “Dat ben ik niet van plan. Daar moet je goed gek voor zijn.” “Of niet?”   (einde)

Rudi Lavreysen
0 0

De broodbotsing

Ik weet niet waarvoor ze naar de bakker ging. Kwam ze, net als ik, voor een brood? Of moest ze trakteren op haar werk en ging ze gebak en taart kopen?  Ze had haast, dat was zeker. Ze rende letterlijk naar binnen. De automatische deur had moeite om haar te volgen. Maar dat was buiten deze vroege vogel gerekend. Ik had net afgerekend en stapte naar buiten. De binnenstormende mevrouw was zo gefocust op haar toekomstige koopwaar dat ze me niet zag. Ze botste letterlijk tegen me aan. Ik kon nog net mijn 7granenbrood in bescherming nemen. Anders was het van 7 naar 3 gegaan.  “Sorry”, mompelde ze, waarna ze even gehaast verder stapte.  Wat kon er nu zo dringend zijn? Wilde ze de files in Antwerpen voor zijn? Het was half acht ‘s morgens. Een onmogelijke taak. Of moest ze onderweg iemand oppikken? Ik weet het niet.  Maar ik moet eigenlijk niet veel zeggen. “Gij hebt het geduld van een goudvis”, zegt mijn vrouw soms. Op zaterdagochtend sta ik als een springveer aan mijn brievenbus te huppelen. Kijken of de weekendkrant al is geweest.  In het huis van vroeger kwam de postbode pas tegen de middag. We woonden op het einde van zijn ronde. Terwijl er rond dat tijdstip bijna een nieuwe tourrit begon, lazen we in de krant nog het verslag van gisteren. Het leek ons niet te deren.  De bakker, de groenteboer en de soepboer kwamen in die tijd aan huis. Het waren voorlopers van HelloFresh. Ik vroeg me toen al af of de bakker overal hetzelfde praatje maakte. Het is een nobele kunst, praatjes maken. Tegenwoordig is een gesprek beginnen een kunst. Zelfs bij de dokter hadden de mensen tijd. Afspraken bestonden niet. Iedereen ziek in de wachtzaal.  Als het maar geen fenomeen wordt, die broodbotsingen.  

Rudi Lavreysen
0 0