Teksten

Patatten met snottebellen

Een man van pakweg zeventig jaar, al kan het ook een jong uitziende tachtiger zijn, speurt in een taverne naar een vrijstaande tafel. In zijn kielzog schuifelen twee jongemannen. "Opa met zijn kleinzonen", zeg ik. Het koppel naast ons zwaait naar de man. De vrouw maakt daarbij ietwat overdreven lipbewegingen, zonder een geluid voort te brengen. "Wij vertrekken zo", liplees ik. "Dat is vriendelijk", zegt de man. Ik begrijp dat ze net voordien samen een grote militaire begraafplaats bezocht hebben. De kleinzonen zijn onder de indruk. "Opa heeft nog gezien dat ze de stoffelijke resten van de soldaten met vrachtwagens tot hier brachten", zegt hij. Grootouders spreken vaak in de derde persoon over zichzelf. "Misschien vertellen zijn kleinkinderen dat verhaal volgende week wel in de klas", fluister ik. "Of hij kan het er beter zelf vertellen. Een verhaal uit eerste hand blijft altijd meer hangen." De oudste van de twee kleinzonen heeft de leeftijd om een pintje te bestellen. Opa knikt goedkeurend. Als hij even later een foto neemt van zijn kleinzonen, zegt de oudste dat hij die maar niet naar hun papa moet sturen. Aan hun accent hoor ik dat de kleinkinderen aan de andere kant van het land wonen. De jongste heeft onlangs een voetbalwedstrijd in de streek van Brugge gespeeld. Op een slecht veld. "Een patattenveld dus", zegt opa. Waarna hij moet uitleggen waar die naam vandaan komt. "Alsof ze net aardappelen hebben uitgedaan op het veld", verklaart hij. "Ik heb vroeger vaak op echte patattenvelden gezeten", zeg ik tegen mijn vrouw. "De aardappelen gerooid in de tuin of op het veld. Op onze knieën. Onze pa met de riek en ons ma met een rode doek op haar hoofd. Ik zie ons nog zitten. Met de ijzeren mand om de aardappelen in te doen. Het leek wel eens scène uit een oud schilderij. Op zich leuk om te doen, maar af en toe graaf je een rotte aardappel op. Behoorlijk vies, zoals snottebellen." "Zeg, we gaan dadelijk wel eten", zegt mijn vrouw. "En als je dan 's avonds in bad ging", ga ik verder alsof ik het niet gehoord heb, "zag het water achteraf zo zwart als de nacht. Precies alsof er inkt in plaats van water in het bad zat. Het groene schuursponsje lag klaar, samen met de gele bus Cif, om achteraf het bad terug netjes te maken. Drie dagen later kwam er nog zand uit mijn neus." "Jij moet later ook van die verhalen vertellen", zegt mijn vrouw. "Opa heeft vroeger nog veel patatten geraapt, kan je dan zeggen." Net op dat moment brengt de ober ons eten. "Inderdaad", zeg ik. "Patatten met snottebellen."

Rudi Lavreysen
5 0

Het is rap gebeurd

Zondagavond in de wachtzaal van de spoed. Ondanks de urgentie van sommige letsels is iedereen er gelijk voor de wet. Wachten tot je aan de beurt bent. Er komen extra stoelen. "We hebben een tweede urgentie-arts opgeroepen", komt de eerste zeggen. Wegens de onvoorziene drukte. Voor ongevallen tijdens sportwedstrijden, zoals onze voetballer en zijn knie. Hij is niet alleen. Nog een voetballer en twee handballers hebben ook iets … aan de hand. En accidenten tijdens feestjes. Een man komt met een zwaar bebloede keukenhanddoek tegenover me zitten. De handdoek krijgt het bloed niet geabsorbeerd. Er vallen druppels op de vloer. Zijn gezicht ziet zo wit als de handdoek ooit geweest is. Ze laten hem gelukkig snel binnen. Was het een mes? Glas? “Het is rap gebeurd”, zegt een mevrouw. Het tv-toestel aan het plafond staat aan, maar het ruist en kraakt. Alsof het sympathiseert met de gewonden. Later op de avond zitten we in een nieuwe wachtzaal. Een man leunt tegen de deurstijl. “In het ziekenhuis kom je maar voor één ding voor je plezier. Als er iemand bevallen is”, zegt hij. Waarna hij zelf naar zijn buik kijkt. “Nee, het lijkt zo, maar ik ben nog niet zover”, lacht hij luid. Een andere man vertelt honderduit over de kwetsuur aan zijn voet. Hoe hij de hele week heeft rondgelopen met een dikke enkel. En dat ze allemaal niet zo flauw moeten doen. Later zien we in de deuropening een voet in het plaaster voorbijkomen. Vervolgens de praatjesman met een bedrukt gezicht en dan zijn vrouw die hem voortduwt in de rolstoel. “Nu heeft hij het niet zo druk”, lacht de man die nog altijd tegen de deurstijl leunt. Als we later met slecht nieuws over de voetballersknie naar huis vertrekken zie ik dat de tv in de eerste wachtzaal nog altijd kraakt.

Rudi Lavreysen
7 0

Tuimelientje - Hoofdstuk 14 (slot)

De lente Die laatste zin van de papa van Lientje was de perfecte slotzin voor het nachtelijk bezoek aan het museum. In de auto op de terugweg naar het ziekenhuis waren Lientje, Rik en Benny heel stil op de achterbank. Het wonderbaarlijke, of toch alleszins speciaal, was dat het gesneeuwd had tijdens hun bezoek aan het museum. Zo kreeg de nacht nog een andere kleur. Alsof de weergoden dit speciaal voor Benny hadden gedaan. De sneeuw lag al behoorlijk dik op het wegdek. Het kraakte terwijl ze over het verse sneeuwtapijt reden. Zoals alleen sneeuw kan kraken. Op de een of andere manier voelde het aan alsof er iets nieuw begon. De winter natuurlijk, maar ook de belofte op iets nieuw. Omdat ze zo traag moesten rijden, duurde het lang vooraleer ze terug in het hospitaal waren. Maar dat vonden ze niet erg. Ze genoten van de stilte. Ze genoten van elkaars aanwezigheid. De volgende dagen hadden ze in het ziekenhuis nog vaak over hun nachtelijk bezoek aan het museum. Maar niet over nieuwe namen. Ze hadden alle drie een tweede naam en dat vonden ze prima. Alsof hun verblijf in het ziekenhuis toch ook iets goed had opgeleverd. Ongeveer een maand later mocht Benny beetje bij beetje terug in het daglicht komen. Elke dag een half uurtje, maar nog steeds met die zonnebril op zijn neus. Daarna mocht hij naar huis. De benen van Rik bleven broos. Ze zouden altijd gevoelig blijven om te kraken. Met zijn nieuwe naam dacht hij er wel twee keer over na, als hij zin had om te voetballen. Lientje moest van hun drieën het langst in het ziekenhuis blijven. In de lente mocht ze eindelijk voor lange tijd het ziekenhuis verlaten. En natuurlijk heeft ze in het hospitaal meer meegemaakt dan enkel het avontuur met de nieuwe namen en het bezoek aan het museum. Ze moest ook allerlei vieze spullen innemen om het bolletje in haar hoofd klein te krijgen. En daar was ze telkens ontzettend ziek van. Soms mocht ze een paar dagen naar huis. Maar dan moest ze weer terug. Maar jullie begrijpen wellicht dat het avontuur met Rik en Benny leuker was om te vertellen.   Het belangrijkste was dat het uiteindelijk beter ging met de drie nieuwe vrienden. De turnmeester, jullie kennen hem nog van in het begin van het verhaal, had voor Lientje nog een leuke verrassing toen ze terug naar school ging. Hij had op woensdagnamiddag een tuimelwedstrijd georganiseerd. Op het pleintje achter de school lag een berg, of meer een heuvel. “Deze tuimelwedstrijd organiseren we ter ere van Tuimelientje”, vertelde hij. “Om te vieren dat Lientje terug in de klas is. Wie het eerst beneden is, krijgt een leuke verrassing. En er is voor iedereen een ijsje.” Het was een perfecte namiddag. Lientje tuimelde wel vier keer van de berg. Met een helm op haar hoofd natuurlijk. En weet je wie er stond te kijken? Rik en Benny. Kapitein Kraak en Zorro de Snorro. De kapitein was uit het gips, maar stond nog op krukken. En hij had met zijn stift een perfect snorretje getekend onder de neus van Benny. “Kijk, daar tuimelt Lientje”, hoorde Lientje Rik roepen. Benny keek helemaal naar de verkeerde kant. Hij gaf Rik een por met zijn elleboog. “Dat kan ik toch niet zien, kapitein van mijn voeten.” Lientje tuimelde al lachend van de berg af.  Een nieuwe lente tegemoet.   einde

Rudi Lavreysen
4 0

Tuimelientje - Hoofdstuk 13

Het zotte geweld Benny had de tijd van zijn leven in het museum. De papa van Lientje had enkele werken uitgezocht die Benny mocht aanraken. Natuurlijk kon dat niet met alle schilderwerken. Maar waar hij niet met zijn vingers over het schilderij, of over een beeld mocht wrijven, vertelde haar papa wat de anderen zagen. Hij was de ogen van Benny in het museum. In één van de zalen stond een beeld met de naam “Het zotte geweld”. De papa van Lientje legde uit dat de kunstenaar altijd zijn vrouw uitbeeldde op beeldhouwwerken en schilderijen. De mevrouw van het beeld was naakt en ze danste op één been. Of ze deed alleszins heel gek. Ze zag er wel gelukkig uit. Lientje begreep meteen waar de naam ‘Het zotte geweld’ vandaan kwam. Ze bleek Nel te heten en de kunstenaar was Rik Wouters. “Straffe gast, die Rik”, knipoogde Rik. “Hier word je toch vrolijk van hè jongens”, zei de papa van Lientje. Benny mocht het beeld aanraken. “Ik denk dat onze Nel hier geen kleren aanheeft. Nu snap waarom je daar vrolijk van wordt”, lachte hij. De papa van Lientje vertelde er in zijn enthousiasme ook bij dat de kunstenaar jong gestorven was. En dat hij  blind was aan één oog. Zuster Monique gaf hem een por toen hij dat vertelde. Maar het bleek Benny niet te storen. In dezelfde zaal zagen ze een zelfportret van de kunstenaar, waarop hij een ooglapje droeg. “Zelfportret met een ooglapje”, zei de papa van Lientje. “Zo heet het werk. We zien dat de kunstenaar angstig is. En omdat hij maar door één oog zag, had hij geen dieptezicht meer. Maar je ziet, ook dan kan je prachtige kunstwerken maken.” Dit werk mocht Benny niet aanraken, maar de manier waarop haar papa het vertelde, was prima voor Benny. Zijn humeur werd er trouwens nog beter op, toen de papa van Lientje in een andere zaal, waar een werk van Van Gogh tegen de muur hing, vertelde dat er heel wat beroemde kunstenaar zijn, of waren, met een oogziekte.  “Als je naar een kunstwerk kijkt, zie je altijd door de ogen van de kunstenaar”, vertelde hij. Precies de woorden van Benny. Lientje knipoogde naar hem, niet beseffend dat hij dat niet zag. “Het feit dat sommige kunstenaars een oogziekte hadden, maakt hun werk nog interessanter. Zo krijgen we een wereld te zien, die wij niet zien”, zei de papa van Lientje. “Van Gogh zag op het einde van zijn leven allesbehalve perfect. Toch maakte hij toen zijn mooiste werken. De verf waarmee kunstenaars werken, is niet goed voor de ogen. Zeker niet het lood dat in verf aanwezig is. En altijd dat kijken, of staren, doet ook geen goed voor de ogen.” Zo werd het een schitterende nacht in het museum. En toch bijna zoals de film ‘Een nacht in het museum’. De kunstwerken leken allemaal tot leven te komen. Niet in het minst voor Benny. In één van de laatste zalen stond een schilderwerk van de Spaanse kunstenaar Salvator Dali. “Een surrealist”, stak de papa van Lientje meteen van wal. “De werken zijn meestal abstract. Dat betekent dat ze niet de werkelijkheid tonen. Maar een soort van droom.” Benny luisterde geboeid naar de uitleg. Lientje meende te zeggen dat Benny ook wellicht de wereld zag als een surrealist. God weet hoe zie ik eruit, dacht ze, door de ogen of in de verbeelding van Benny.  “Dali was een maf figuur”, ging haar papa verder. “Hij stond ook bekend omdat hij een enorm gekke snor had. Het was een dun snorretje dat helemaal de hoogte in ging.” “Nu ga je misschien lachen”, zei Benny. “Maar ik heb nog nooit aan een snor gevoeld. Ik weet wel wat het is, zo een borstel onder je neus, maar gevoeld heb ik het nooit. Papa heeft geen snor. En mama gelukkig ook niet”, lachte hij. “Zeg zuster, jij hebt toevallig niet een potlood bij”, vroeg Rik aan zuster Monique. “Euh, ja, eigenlijk wel, en een stift. Zeg maar wat je wil hebben. Waarvoor heb je het nodig?” “Heel simpel”, zei Rik. “We zorgen er toch gewoon voor dat onze Benny hier vandaag met een snor naar buiten gaat.” Waarna hij meteen met de stift naar Benny stapte. “Stil blijven staan vriend. Dan weet je meteen wat een snor is.” Van zodra Rik de snor begon te tekenen, begon Benny luid te lachten. “Stop”, riep hij. “Dat kriebelt ongelofelijk.” Door het lachen kon Rik maar een klein snorretje tekenen. Maar wel een fraaie snor, dat moet gezegd. “Zo lijk je wel een beetje op Zorro”, zei Lientje. “Met die donkere bril en dat snorretje. Nu nog een platte hoed en een cape en je bent het helemaal.” “Zeg, wacht eens even”, zei Rik. “Wacht eens even allemaal”, waarna hij zijn notaboekje uit zijn achterzak haalde. “Ik denk dat ik het heb.” “Wat heb je”, vroeg zuster Monique. “De naam voor Benny natuurlijk”, zei Rik. “Ik ben al een tijdje aan het zoeken naar een juiste en grappige naam voor hem. Ik heb er duizend opgeschreven en opnieuw geschrapt in mijn boekje. Het was nooit echt goed. Niet zo grappig als Kapitein Kraak.” Benny keek reuze benieuwd naar Rik. “Ahum”, bouwde Rik de spanning nog wat op. “Wat denk je van Zorro de Snorro?” Benny schaterde het uit. “Goed gevonden kapitein”, lachte hij. “Die nemen we. Voortaan ben ik Zorro de Snorro. Maar dan moet ik wel een snorretje beginnen te kweken. Want altijd met die stift op mijn lippen, dat hou ik niet vol.” “Trouwens, weet je wat grappig is”, zei de papa van Lientje. Ze voelde meteen dat er opnieuw een weetje in de lucht hing. “Weet je waar de naam Zorro vandaan komt?” Hij wachtte niet eens het antwoord af. “Zorro betekent vos in het Spaans.” Alle vier keken ze hem aan met een blik van ‘Ja, en?’ “Jullie weten toch dat een vos speciale ogen heeft”, ging hij verder. “Als je ‘s nachts met de autolichten naar een vos schijnt, dan worden zijn ogen helemaal oranje. Als een reflector. Dat komt omdat hij aan de binnenzijde van zijn oog een reflecterende laag heeft zitten. Hij is altijd ‘s nachts op pad, de vos. Vraag het maar aan de kippen, die weten er alles van. Dankzij die speciale ogen kan hij in het donker zien. Net zoals Benny vannacht een beetje in het donker heeft gezien.” Naar hoofdstuk 14

Rudi Lavreysen
7 0

Tuimelientje - Hoofdstuk 12

Op weg naar het museum “Je gaat zeker graag met Rik en Benny naar het museum?”, vroeg de papa van Lientje een dag later. “En wellicht ‘s nachts, omdat Benny nog een tijd geen daglicht verdraagt.” Lientje keek hem een paar seconden aan vooraleer ze antwoorde. Hij leek wel een waarzegger met een glazen bol. Ze was totaal verrast, want ze wist nog niet van de radertjes die aan het werk waren gegaan. Hij vertelde wat hij gehoord had van Benny’s papa. De rest had hij zelf ingevuld. “Dat gaat niet eenvoudig zijn Lien.” Alleen bij een moeilijk gesprek sprak hij zijn dochter niet aan met Lientje. “Ik vind het niet het beste idee. Dat van die nieuwe namen leek me veel beter. Je kan ook gewoon wachten tot Benny zijn donkere kamer mag verlaten. Dat is al over enkele maanden, heeft dokter Luc me verteld." “Dat is wel echt nog lang papa. Benny zit al een tijdje op die kamer. Hij wil ook wel eens andere lucht opsnuiven. Maar begrijp ik dat goed? Heb je het er al met dokter Luc over gehad?” “Ja, maar nog niet over jullie nachtelijke plannen”, zei hij. “Hij heeft me wel een en ander over van Benny verteld. Plus hoe Benny als jonge gast, van vaak binnen te moeten blijven, bijna een depressie had. Daarom vond de dokter het goed dat jullie met hem gingen praten.” “Voilà”, rondde Lientje het gesprek af. “Reden te meer dat we eropuit trekken. Als je het met zijn ouders kan regelen, of dat iemand van hen meegaat, moet het toch lukken. Benny weet trouwens heel wat van kunst. Hij leest er veel over, of hij luistert ernaar. Gesproken boeken, weet je wel?” Dat Benny geïnteresseerd was in kunst, wist haar papa nog niet. Hij dacht dat het maar een avontuurlijk plannetje van zij dochter was. Zoals de film "Nacht in het museum", waarbij de beelden tot leven kwamen. Maar daar ging het helemaal niet over. Voor Lientje toch niet. Zeker niet voor Benny. “Oké Lientje, ik ga kijken wat ik kan doen. Maar nog niet te veel hoop hebben. Ik moet het eerst met de directeur van het museum bespreken. En dan met de ouders van Benny. Maar allereerst met dokter Luc. Als hij zijn zegen niet geeft, vergeet het dan maar."  Dat laatste bleek nog de gemakkelijkste stap te zijn. Althans, dokter Luc gaf nogal snel zijn goedkeuring. Vooral omdat het de laatste tijd beter ging met Benny. Dit kon hem misschien helemaal uit die depressie houden. Als het voor de ouders van Benny tenminste in orde was. Ook zou er nog iemand van het ziekenhuis meegaan. Hijzelf of iemand anders.  Zo was het plannetje van Lientje en Rik om de kinderen of jonge mensen in het ziekenhuis een andere naam te geven, uitgedraaid op totaal iets anders. Zuster Monique zou namens het ziekenhuis meegaan. En zowel de ouders van RIk als van Benny vonden het oké. De overtuigingskracht van haar papa had wonderen gedaan. Op een winternacht trokken ze naar het museum. Ze waren alledrie al een tijdje niet meer buiten geweest en ze rilden van de kou in de auto. De papa van Lientje reed met de auto en zuster Monique zat naast hem. De drie avonturiers zaten met zijn drieën op de achterbank. Zuster Monique had extra dekentjes meegebracht, zodat ze het zeker niet ijskou zouden hebben. Rood met zwart geruit dekentjes. Het zag er zowaar gezellig uit. Bovendien waren ze ingepakt als eskimo’s. Met dikke winterjassen, sjaals en mutsen. Maar ze bleven het koud hebben. “Zeg Benny, ik weet niet of je het weet, maar de zon schijnt niet hè. Het is midden in de nacht”, zei Rik. Het was inderdaad een gek zicht. Benny met die zonnebril. Het was net alsof hij ging skiën, met die winterkleren aan. Zuster Monique keek over haar schouder naar Rik, maar Benny zelf schaterde het uit. “Dit is één van je betere grappen Kapitein Kraak”, zei Benny. “Je leert het nog, hahaha.” Kortom, de sfeer zat er goed in. Die werd nog beter in het museum. Het licht mochten ze niet aanknippen. Daarom had de rest van het gezelschap een nachtkijkersbril op hun neus staan.  “Als dit een film was, gelooft niemand er wat van”, zei de papa van Lientje. Naar hoofdstuk 13

Rudi Lavreysen
0 0

Tuimelientje - Hoofdstuk 11

Kom maar binnen Op een gegeven moment, na zeker twintig keer voorbij zijn kamer te zijn gepasseerd, stond Lientje toch op het punt om op de deur van Benny’s kamer te kloppen. Net toen kwam zuster Monique de hoek om gestapt. “Wat ga je doen Lientje?”, vroeg ze vriendelijk. Lientje keek er een beetje van op. Ze was inderdaad vriendelijk. Misschien had ze die eerste keer op hun kamer gewoon een slechte dag. Dat kan. Lientje had zelf ook al eens een slechte dag. “Benny heeft nog een paar keer naar jullie gevraagd. Hij heeft toch wel genoten van jullie bezoekje. Hij praat over niets anders dan over een bezoek aan het museum. Maar ik heb geen idee wanneer hij dat gaat doen, want hij moet nog een tijdje in het ziekenhuis blijven. Was je trouwens van plan om binnen te gaan bij Benny?” “Euh, nee, ik euh..was eigenlijk, euh...” Er kwam geen eind aan haar gestamel. “Klop maar gerust aan hoor. Hij geeft je wel zo een speciale bril. Ik kwam er gisteren bijna mee binnen op de volgende kamer”, lachte ze terwijl ze verder ging. “Dag Lientje”, riep ze nog.  Ze twijfelde. Zou ze kloppen of niet? Net terwijl ze haar wijsvinger in de klopstand plaatse, klopte er plots iemand op de andere kant van de deur. Ze schrok zich rot. “Is daar iemand?” Het was duidelijk de stem van Benny. “Euh, ja, het is Tui.. euh Lientje.” “Wacht Lientje, ik verdwijn terug achter het gordijn. Dan kan jij binnenkomen.” Ze wachtte drie tellen, nog zolang het duurde om ‘Tui-me-lientje’ uit te spreken en ze klopte voor alle zekerheid opnieuw op de deur. “Oké, kom maar binnen Lientje.” Ze rolde met haar rolstoel opnieuw de donkere kamer binnen. Eerst in de wachtruimte. Ze trok de deur achter haar dicht en daarna ging het gordijn open. “Wacht, ik geef je meteen de bril, zodat je ziet wat je zegt”, lachte Benny. Lientje was benieuwd hoe Benny er in kleur zou uitzien. In de kamer van Benny was alsof je naar een oude zwart wit film op tv keek. Of een documentaire over de tweede wereldoorlog. Toen ze klein was dacht ze dat de wereld vroeger niet uit kleuren bestond. Alsof die pas later uitgevonden waren. Papa moest ermee lachen, toen ze het vertelde. “Fantasie heb je genoeg”, zei hij. “Je moet later maar een boek schrijven.”  Even dacht ze eraan om het ook aan Benny te vertellen. Maar misschien moest ze daar nog even mee wachten. “Je bent zo stil, waar denk je aan?”, vroeg hij. “Euh, over kleuren eigenlijk”, zei Lientje. “Oké, dat begrijp ik als je in deze kamer bent”, zei Benny. “Het ziet er wellicht een beetje uit alsof je in een zwart-wit film bent zeker? Al weet ik zelf niet goed wat ik me daarbij moet voorstellen. Maar dat vertellen veel mensen toch, als ze hier binnenkomen en ze die bril opzetten. Ik heb al eens naar een zwart-wit film geluisterd. Misschien weet ik dan wat ze bedoelen, dacht ik bij mezelf.” Het was best een goede grap. Ze moesten er allebei mee lachen. “Weet je”, zei Lientje, "toen ik klein was dacht ik dat de wereld vroeger niet uit kleuren bestond, omdat papa dikwijls naar oude zwart-wit films keek op tv.” Er verscheen een glimlach op het gezicht van Benny. “Dat is op zich wel goed gevonden”, zei hij. “Dat moet je onthouden. Misschien kan je het nog ooit gebruiken voor een boek.” Ze zei maar niet dat haar papa hetzelfde had geantwoord. “Maar zeg Lientje”, zei Benny. “Ik heb eigenlijk zitten denken. Misschien is die nieuwe naam toch wel leuk. Hebben jullie er nog over nagedacht?” “Euh, eigenlijk niet nee. We dachten dat je niet zo gelukkig was met het idee.” “Nee, dat is het niet”, zei hij. “Ik was totaal verrast. Zoiets komen ze je ook niet elke dag vertellen.” “Dat besefte ik achteraf ook”, antwoordde Lientje. “We hebben ons wellicht laten meeslepen door ons enthousiasme. Papa had me allerlei zaken over voornamen verteld. Over Romeinen, Chinezen en wat weet ik allemaal. Daar heb ik me wellicht door laten meeslepen. En onze Kapitein Kraak weet helemaal niet van ophouden.” “Op zich wel schitterend. Een maf idee, maar daarom niet minder geslaagd. En het bezoek aan het museum. Denk je dat het gaat lukken? Ik zie het al helemaal voor me.” Daarna wachtte hij even. Toen snapte Lientje het pas en lachte ze voorzichtig. “Zeg Lientje, je mag gerust lachen als ik zo’n mop vertel. Op de duur zie je ze trouwens wel aankomen”, grijnsde hij. "Is er trouwens nog nieuws over het bezoek aan het museum?" “Euh, eerlijk gezegd niet”, zei Lientje. “Of ik bedoel, ik weet het nog niet. Ik moet het er nog met papa over hebben. Maar papa zal wel een oplossing vinden denk ik.” Lientje besefte toen nog niet hoezeer dat klopte. Want op de achtergrond, buiten het ziekenhuis, of toch buiten hun kamers, gingen er allerlei radertjes aan het werk. Zoals een fietsketting. Je geeft een duw op de trappers en je fietst vooruit. Maar eigenlijk doen de schakels van de ketting al het werk. Benny had tegen zuster Monique iets gezegd over een bezoek aan een museum. Zuster Monique zei er iets van tegen de papa van Benny, al wist ze niet helemaal wat de bedoeling was. En zijn papa was op papa van Lientje gebotst in de cafetaria van het ziekenhuis. Blijkbaar kenden ze elkaar. Ze hadden nog ooit samen in hetzelfde jaar op school gezeten. De papa van Lientje had direct begrepen waar zijn dochter met het idee naartoe wilde. Kort van het bezoek van Lientje aan de kamer van Benny vroeg hij ernaar. Trouwens, Lientje is nog een uurtje op de kamer van Benny gebleven. Het was best gezellig. Ze voelde zich allesbehalve zoals een wesp bij een barbecue. Meer een welgekomen gast. Benny had haar nog een glas limonade uitgeschonken. Zonder te morsen, waar ze zelf zelden in slaagde. En ze hebben honderduit gebabbeld over school, muziek en kunst. Benny bleek er heel wat van te kennen. “Het is de ultieme droom”, zei hij. "Eerst de wereld door mijn eigen ogen zien. En dan de wereld zien zoals anderen die waarnemen. Dat is toch kunst, niet?” Lientje kon het alleen maar bevestigen. Al had ze er zelf nooit zo over nagedacht. Nu begreep ze waarom hij zo graag naar het museum wilde. Hij wilde zich al voorbereiden, op die ultieme droom van hem. De kunstwerken zien was nog niet mogelijk, maar door ze te voelen, kwam hij toch al een beetje in de richting. Naar hoofdstuk 12

Rudi Lavreysen
0 0

Een misvatting

"Het is een misvatting", zeg ik tegen mijn vrouw. "Een wijdverspreid misverstand. Dat oudere mensen door hun leeftijd langzaam stappen. Dat het met de jaren allemaal wat trager gaat. Zeker bij mensen die alleen zijn." We zitten aan de enige tafel van het gezellige koffiehuis waar je rechtstreeks op de straat ziet. De andere mensen in de zaak moeten langs onze hoofden proberen te kijken, vooraleer ze een glimp van buiten opvangen. Het is een tafel waarvoor gevochten wordt. Op straat zien we de man langzaam stappen. "Ik ken hem via zijn vrouw”, vervolg ik. “Door het vrijwilligerswerk dat ze deed. Hij is nu een paar jaar weduwnaar. Ik herinner me dat ze vertelde dat haar man ziek was. Vrij ernstig. Toch is zijn vrouw nog eerder gegaan. En hij is goed hersteld. Je ziet hem nu dikwijls ergens alleen een koffie drinken." "Het is niet hun leeftijd. Of hun fysieke toestand. Ze stappen langzaam om de tijd te vertragen. Met elke stap die ze buiten zetten, moeten ze binnen niet voor de tv zitten. Daarom bewegen ze zich, misschien onbewust, traag voort. Ik begrijp het wel. Ik zou mijn pas ook inhouden. Zeker tijdens de donkere wintermaanden, als je om vijf uur de afstandsbediening naar de beeldbuis richt. Alsof je een knop indrukt om de dag af te sluiten." We zien de man net halt houden bij een kennis, vooraleer hij uit het zicht verdwijnt. Terwijl ik bij een lang durende straatbabbel nadenk over wat er nog te doen valt, en al eens op mijn telefoon durf kijken alsof er een bericht binnenkomt, maar eigenlijk is dat om te zien hoe laat het is, neemt hij er zijn tijd voor. Met de handen op de rug. En maakt hij geen aanstalten om op zijn horloge te kijken of om er een smartphone erbij te nemen. Slim.  

Rudi Lavreysen
7 0

Tuimelientje - Hoofdstuk 10

Een wesp op de barbecue Na het verlaten van Benny’s kamer hadden ze het er niet meer over. Rik was duidelijk ontgoocheld dat hun plannetje mislukt was. Lientje begreep Benny wel. Je kiest nooit je eigen naam. Ze had het geluk dat haar ouders er over nagedacht hadden. En ze was best tevreden was met haar naam. De afgelopen dagen had ze zich in haar bed geamuseerd met het opzoeken van de meest bizarre namen. Zoals ‘Alles’. Stel je voor dat je met een meisjesnaam als ‘Alles’ door het leven moest. Ze hoorde het de meester in de klas al zeggen. ‘Dag Alles, alles goed?” Net als een jongen die de naam ‘Adonis’ meekreeg van zijn ouders. Je kon maar best mooi zijn. Ondanks zijn ontgoocheling, zag Lientje dat Rik het plan niet volledig liet rusten. Ze had het vermoeden dat hij snel aan dokter Luc zou vragen of we iemand anders mochten bezoeken. Aan de deur van hun kamer had hij een bordje onder de foto’s gehangen. Met daarbij hun nieuwe namen: ‘Tuimelientje’ en ‘Kapitein Kraak’. Lientje zat er een beetje mee in, met wat ze Benny beloofd had. Naar het museum gaan zodat hij een schilderij zou kunnen voelen. Zodat hij het kon zien met zijn handen. Het was misschien niet het slimste idee. Zo eenvoudig was het niet. Je kan niet zomaar de deur van het ziekenhuis achter je dicht trekken in het midden van de nacht en even snel een museum bezoeken. Daarbij moest haar papa het ook nog geregeld krijgen. Dat hij ‘s nachts - want overdag verdraagden de ogen van Benny geen licht - een bende kinderen rondleidde in het museum. Daarom wilde ze het nieuwe plan ook even laten rusten. Niets forceren. Dat is nooit een goed idee in het ziekenhuis. Terwijl Rik in zijn bed lag en allerlei zaken in zijn notaboekje schreef, trok Lientje er af en toe op uit in het ziekenhuis. Wat Rik in zijn boekje schreef en daarna weer doorstreepte, vertelde hij niet. “Niets belangrijk”, zei hij als Lientje ernaar vroeg.  Sommige kamers, waarbij die van Lientje en Rik, hadden gewone muren. Maar bij de kleine kinderen kon je naar binnen kijken. Er hingen wel gordijnen, om die ‘s avonds dicht te trekken, maar overdag keek je gewoon naar binnen. Het leken wel aquariums.  Op die trektochtjes door het ziekenhuis kwam ze ook telkens langs de kamer van Benny. Op de een of andere manier werd ze door zijn kamer aangetrokken. Zoals de wespen naar het eten van de barbecue in de zomermaanden. Je kon nog zo hard zwaaien of meppen naar die wespen, ze kwamen telkens terug. Niet dat er iemand naar haar mepte, maar ergens had ze het gevoel dat Benny haar zou vragen om de kamer te verlaten. Omdat ze een ongewenste gast was. Zoals de wespen op de barbecue. Naar hoofdstuk 11

Rudi Lavreysen
0 0

Tuimelientje - Hoofdstuk 9

Een nieuw plan Het bleef even stil in de kamer van Benny. Dit voorstel had hij niet verwacht. Hoe zou hij ook. Wie denkt er nu dat er twee jonge mensen in een rolstoel de donkere kamer ingerold komen om je een nieuwe naam te geven.  “Hoezo een nieuwe naam? Is er iets mis met mijn naam?”, zei hij. “Natuurlijk niet”, zei Rik, “maar we dachten dat het je misschien zou opvrolijken. Toen Lientje het ziekenhuis in kwam en ze nog altijd tegen de grond tuimelde, zei haar papa plots ‘Tuimelientje’ tegen haar. Geef toch, toch een geweldige naam. Diezelfde papa van Tuimelientje bezorgde mij ook een nieuwe naam. Ik ben niet langer Rik maar wel Kapitein Kraak.” Benny keek in hun richting. Hij zag hen natuurlijk niet, maar toch voelde het voor Rik en Lientje alsof hij hen aankeek. Tegelijk fronste hij met zijn wenkbrauwen, alsof hij met twee pannenkoeken in de kamer zat die in een psychiatrisch ziekenhuis thuis hoorden. Lientje kon het wel begrijpen. Het is niet omdat zij het een leuk idee vonden, dat andere mensen er zaten op te wachten. Een beetje kinderachtig misschien ook. Een stomme ingeving, vond Lientje plots.  Haar papa had Lientje ergens doen inzien dat haar echte naam iets bijzonders betekende. Met het verhaal over de lotus. En die nieuwe naam, Tuimelientje, klonk misschien sprookjesachtig. Meer was het niet. Wat ben je met een nieuwe naam als je blind bent. Dan heb je andere kopzorgen. “Tja, wat moet ik hierop zeggen? Jullie willen natuurlijk weten of ik dat zie zitten? Zien, snap je? Enfin. Ik ben een beetje verrast. Dit had ik niet verwacht. Euh, laat me dit zeggen. Het stond niet bovenaan mijn lijstje. Mijn ouders hebben me de naam Benny gegeven. Oké. Dat is het. Niet het slechtste, niet het beste. Maar als ik iets zou veranderen, zou het natuurlijk eerst mijn ogen zijn. Dat ik jullie kan zien. Dat ik naar televisie of naar een film kan kijken in plaats van er naar te luisteren. Dat ik een schilderij kan zien. Of er eentje kan maken. Hoe zal ik het zeggen? Zien is ook gezien worden. Weet je wel?” Lientje wist niet meteen wat hij ermee bedoelde, maar gelukkig verklaarde Benny zelf zijn woorden. “Misschien is dat wel de betekenis van mijn naam. ‘Benny. Of Ik ben er nie’. Ik voel me soms onzichtbaar. Mensen zien niet wie ik ben. Ik ben vooral dat blind zijn. Mensen zien dat ik blind ben als ik over straat loop. Met die stok en die zonnebril in het midden van de winter. Ocharme den Benny. Maar ik ben meer dan dat blind zijn.” Dokter Luc had gezegd dat ze voorzichtig moesten zijn. Dit was misschien wat hij daarmee bedoelde. Lientje besloot het over een andere boeg te gooien. Want ze had ook de echte betekenis van zijn naam opgezocht. Benny betekende zoveel als ‘zoon van het geluk’. Misschien moesten ze dat vertellen, want dan zou een andere naam niet slecht uitkomen. Maar plots viel haar een ander idee te binnen. “Zeg Benny. Je zei daarnet toch dat je graag eens een schilderij zou zien. Misschien kan ik dat wel voor je regelen.” “Hoezo dat kan je regelen?”, zei Benny nogal bars. “Ga je me naast een nieuwe naam ook nieuwe ogen geven? Heb je die ergens op je kamer liggen? Moet je gewoon een schuif opentrekken?” Lientje voelde dat de toon van hun gesprek alsmaar grimmiger werd. Het zou niet lang meer duren of hij zou de brillen afnemen en hen naar buiten schoppen. “Nee, serieus Benny”, antwoordde Lientje. “Mijn papa werkt in een museum. Hij kan geweldig vertellen over die schilderijen. Als kind mocht ik ooit voelen aan bepaalde schilderwerken. Hoe dik de verf erop lag of zo. Daar vertelde hij dan van alles bij. Wat ik nu allemaal vergeten ben”, lachte ze. “Maar op zich wel interessant. Wat denk je? Je ziet het schilderij natuurlijk niet, sorry voor de uitdrukking, maar zoals papa erover vertelt, voelt het misschien wel zo. Zal ik het hem eens vragen?” In plaats van Benny gaf Rik een antwoord. “Zeg Tuimelientje. Nu wil ik de pret niet drukken, maar hoe denk je dat te kunnen regelen? Benny mag met zijn ogen niet in het daglicht komen. Jij bent ook nog niet topfit. Ik vrees dat dokter Luc ons niet meteen een briefje gaat geven. Verlaat het ziekenhuis zonder te betalen.” Tja, daar zou Rik wel een punt kunnen hebben, dacht Lientje. Het ziekenhuis verlaten was zo goed als onmogelijk. Maar ook al had hij een punt zo scherp als een pas geslepen potlood, toch wilde Lientje het nieuwe plan doen slagen. Naar hoofdstuk 10

Rudi Lavreysen
6 1

Tuimelientje - Hoofdstuk 8

Pikdonker Terwijl Rik op de deur klopte, vond Lientje het best spannend. Wat op zich vrij onnozel was, want meer dan een bezoekje was het niet. Maar ergens had ze het gevoel dat het niet zou verlopen zoals Kapitein Haak en zij in gedachten hadden. “Binnen”, zei een stem aan de andere kant van de deur. Wat ze binnen zag, of beter wat ze niet zag, had Lientje totaal niet verwacht. Het was er pikdonker. Ze zag geen hand voor haar ogen. Zoals een donkere grot die je binnenkomt en waar je vuur moet maken om iets te zien. Ze kwamen nog niet meteen in de kamer. Eerst moesten ze langs een soort gordijn passeren. En Lientje was amper binnen of ze botste met haar rolstoel al tegen kapitein Kraak. Er was nergens een streepje licht te zien. “Wacht, ik leid jullie de weg”, zei de stem. Wellicht die van Benny. Lientje voelde dat iemand haar rolstoel verder duwde. Een korte draai en ze stond stil. Ook in de kamer was het helemaal stil. Niemand zei een woord. Het was Rik die het ijs brak. “Euh, jongens, het is hier donker.” Tja, Rik, dat hebben we allemaal gezien, dacht Lientje. Hij zei het alsof hij in de koelkast gekropen was en niet wist dat het lampje uitging als de deur dicht ging.   “Maar goed dat we je foto gezien hebben Benny, anders zouden we niet weten hoe je eruit ziet”, lachte Rik. “Jongens, ik heb het nog nooit zo donker gezien. Of gevoeld. Of hoe zeggen ze dat? Ik zie werkelijk niets. Maar dan ook niets hè.” "Ik ook niet", zei Benny. "Maar wacht. Ik ga jullie helpen." Ze hoorden hem een lade opentrekken en vervolgens zocht hij op de tast naar Lientje en Rik. Hij duwde iets in hun handen. "Zet die maar even op. Dat gaat helpen." Het waren brillen. Best een zware bril, vond Lientje.  "Wel voorzichtig, want ze zijn nog verschrikkelijk duur", zei Benny. "Onze pa heeft ze gekregen via een kennis die een hoge pief bij het leger kent. Het zijn brillen met een  ingebouwd nachtzicht. Zoals een nachtcamera. Waarmee ze 's nachts dieren filmen. Of camera's die ze aan een huis plaatsen, om het te beveiligen." Het was inderdaad net alsof ze van die nachtbeelden zagen. Zoals op tv. De kamer was nog donker, maar niet meer zwart. Meer grijs. Waar Rik zat, lichtte het op, zag Lientje. Ze zwaaide naar hem, maar hij had zijn bril nog niet op. Aan de andere kant zat Benny. Hij had geen bril op zoals die van hen. Meer een zonnebril. Hij zwaaide ook niet terug.  “Whaha hahaha”, klonk het scherp naast Lientje. Ze zag Benny schrikken. Ocharme, hij dacht wellicht dat er een meeuw in zijn kamer zat. “Wat gebeurt er?”, vroeg hij angstig. Hij zwaaide zelfs met zijn armen. Om die meeuw weg te jagen. Nu moest Lientje toch ook lachen. “Geen paniek Benny. Het is Rik maar. Hij heeft een lach uit het dierenrijk. Alle meeuwen zijn naar het schijnt stikjaloers. Als hij lacht klinkt hij als een lachmeeuw. En als hij gaapt is het net een zilvermeeuw.” “Dit is vet. Echt vet man”, zei Rik dolenthousiast. “Hè, waarom draag je zelf een andere bril? Is dat een zonnecamerabril?”  “Ik zie zowiezo niets”, zei Benny. “Met of zonder camerabril. Stekeblind is de diagnose.” “Maar waarom dan de zonnebril?”, vroeg Lientje. “Mijn ogen verdragen momenteel geen licht”, antwoordde hij. “Daarom is het in de kamer aardedonker. Ik ben pas geopereerd.” “Laat ik jullie maar meteen het hele verhaal vertellen”, ging hij verder. “Ik ben geboren met een oogziekte. Een ziekte met een verschrikkelijk moeilijke naam. Als baby zag ik een beetje, daarna minder en op de duur niets meer. Toen ik naar de kleuterklas moest, zag ik dat niet zitten. Hahaha. Snap je? Ik zag het niet zitten", herhaalde hij al lachend. "Oké, ook goed", ging hij verder. "Daarna zijn er heel wat operaties geweest. Dit moet zowat de vierduizendste zijn. De hoop is dat ik nu opnieuw het verschil tussen licht en donker kan zien. Maar ik moet eerst nog bekomen in deze donkere kamer, vooraleer mijn ogen licht kunnen verdragen. Hier ontwikkelden ze vroeger foto's denk ik." "Maar vertel eens, waar heb ik dit hoog bezoek aan te danken? Zuster Monique heeft me iets verteld, maar niet veel." "Oei, de boze zuster", zei Lientje.  "Hoezo boos?", antwoordde Benny meteen. "Hier is ze altijd vriendelijk."  "Ja, maar ze kijkt altijd zo boos", was haar antwoord. "Dat zie ik dus niet hè", zei Benny. Ze kon zich wel voor het hoofd staan. Hoe stom kan je zijn. "Voor alle duidelijkheid, ik zie geen boze gezichten", ging Benny verder. Hij stoorde zich niet aan haar opmerking. "Ik krijg misschien een andere zuster Monique te zien. Of te horen. Ze heeft een aardige stem. Zo voelt het toch aan." Lientje besloot het maar snel een ander onderwerp op tafel te gooien. Rik had hetzelfde idee. “We komen je een nieuwe naam geven Benny”, zei hij. “Dat is ons plan. Als je dat oké vindt natuurlijk.” Naar het hoofdstuk 9

Rudi Lavreysen
4 1

Tuimelientje - Hoofdstuk 7

De kamer van Benny Hoe hij het alleen voor elkaar had gespeeld wist Lientje niet, maar Kapitein Kraak zat ‘s morgens kraaknet in zijn rolstoel. Nu zag ze pas dat Rik niet van de grootste was. Klein maar dapper, precies zoals zijn naam. Met zijn twee benen in het gips recht vooruit. Zo kan hij wel makkelijk de deuren openduwen, dacht ze.  Als ze het zou zeggen, zou hij het nog doen ook. Het leek wel alsof hij aan de start van een autowedstrijd stond. Nog een helm en een leren pak en het plaatje zou compleet zijn. Zijn handen zaten stevig rond zijn wielen. "Zeg, meneer de formule 1 piloot. Hou maar even een pitstop. Ik ben nog niet klaar. Geduld is precies geen sterke eigenschap van jou."  “Dat klopt”, grijnsde hij. “Dat is een kenmerk van alle formule 1 piloten. We worden daar op geselecteerd.” Lientje liet de grapjes nog even aan de startlijn vertrekkensklaar staan, terwijl ze zich opfriste en een boterham naar binnen speelde. Ze moest toch wat kracht in haar benen hebben, om bij Benny op bezoek te gaan. Alhoewel, benen. Omdat ze nog zo draaierig was als een hoelahoep, liet ik ze zich maar voor alle zekerheid toch in een rolstoel liet zakken. Klaar om samen te racen.  In die paar dagen dat Lientje ondertussen in het ziekenhuis lag, moest ze soms aan het woonzorgcentrum denken, waar haar oma verbleef. Het rook er hetzelfde en in het kinderziekenhuis werden de foto’s van de patiënten naast de deur gehangen, net als in een bejaardentehuis, zodat bezoekers meteen weten van wie de kamer is. Je moet dan niet kamer 135 ofzo moeten onthouden.  Maar weet je wat Lientje stom vond? Ze namen die foto toen ze amper een dag in een ziekenhuis was. Helemaal topfit was ze niet. Waarom kom je immers naar het ziekenhuis? Op de foto zag ze eruit alsof ik net uit het griezeligste spookhuis van de kermis kwam. Lijkbleek en klaar om in tranen uit te barsten. Misschien moest ze vragen of er een nieuwe foto genomen kon worden? Rik daarentegen zag eruit alsof hij klaar stond om in de botsauto’s op de kermis te gaan. Een grote smile en hij knipoogde zelfs op de foto.  “Hey, schoonheid, klaar om te vertrekken in onze formule 1 wagens?” Verhip, dacht Lientje, nu begon die foto zelfs te praten. Ze zaten toch niet in een Harry Potter boek? “Hallo, hier is het te doen Tuimelientje. Ik vind het fijn dat je zo naar mijn foto kijkt, maar in het echt zie ik er nog beter uit.” Toen ik ze zich omdraaide, begon hij luid te lachen. Daar was de lachmeeuw opnieuw. Onmogelijk om na te bootsen. “Omdat jij absoluut zolang in je bed moest blijven liggen, ben ik voormiddag al even langs de kamer van Benny gereden.” Hij zei het alsof hij snel naar de winkel was geweest met de auto. “Ik weet de weg. Al wie mij volgen wil, zal wreed hard moeten lopen”, begon hij plots te zingen. Lientje vond het een kunst om goedgeluimd in het ziekenhuis rond te lopen. Of in hun geval: rond te rijden. Kapitein Kraak was er een meester in. Hij moet toch ook ooit pijn hebben, aan die broze botten van hem, dacht Lientje vaak. Zoals zij ooit barstte van de hoofdpijn. Ze waren snel bij de kamer van Benny. Zeker met het tempo van de kapitein. Benny droeg op de foto aan de deur een donkere zonnebril en hij keek totaal niet naar de fotograaf. Er viel geen lach te bespeuren op zijn gezicht. “Kom prinses, in het echt is Benny ongetwijfeld veel interessanter.” Normaal gezien had zuster Monique het Benny verteld, dat ze langs zouden komen. Maar omdat ze nog steeds hun beste vriendin niet was, hadden ze geen idee op welke manier ze de boodschap doorgegeven had.  Naar hoofdstuk 8

Rudi Lavreysen
0 0

Tuimelientje - Hoofdstuk 6

Nomen est omen. Of zoiets. Nog dezelfde dag, terwijl Rik bezoek had van zijn ouders, waren de mama en papa van Lientje ook op bezoek. Ze vertelde hen over het plan met de nieuwe namen. Dat ze eerst geen toelating kregen maar daarna wel. “Ik vind het geen slecht idee”, zei haar papa. “Maar je moet wel voorzichtig zijn. Namen lijken onschuldig, maar ze zijn het niet altijd. Stel je dat je iemand een naam geeft op basis van zijn of haar uiterlijk, en iedereen begint die naam te gebruiken, dan is dat heel pijnlijk voor die persoon. Dat mag je nooit doen.” Lientje vertelde maar niet dat ze dit al gedaan hadden bij zuster Monique. En dat dokter Luc er niet mee kon lachen. “Bovendien hebben echte namen hebben een betekenis. Het is zelfs zo dat je naam iets over je toekomst zegt.” Hoezo? Je toekomst? Haar papa praatte nog maar eens in raadsels. "Je naam is toch gewoon door je ouders gekozen. Toch, mama?"  "Gewoon gekozen zou ik niet meteen zeggen. Toen ik zwanger was van jou en we op zoek gingen naar een naam, kwam papa met 'Lien' op de proppen. Weet je waar die naam vandaan komt?” “Ik veronderstel dat het gewoon een naam is die jullie graag hoorden. Misschien van de een of andere beroemde Lien.” “We hoorden het graag, maar het is een naam met een betekenis”, antwoordde haar mama. “Lien is afgeleid van Lotus. Van de lotusbloem. Een redelijk mysterieuze bloem en voor sommige mensen zelfs een heilige bloem. Ze groeit in moerasachtige grond, maar de blaadjes zijn nooit vuil. In Europa komt de bloem bijna niet voor. Ons klimaat is er niet voor geschikt. Het is een bloem die zich dus zelf kan reinigen. Maar hoe ze dat doet, is nog altijd een mysterie. De bloem sluit zich bij zonsondergang en als de zon opkomt, gaat de bloem terug open. Zoals een mens.” "Daarom is het voor de boeddhisten en hindoeïsten een heilige bloem", ging haar papa verder. "Ze nemen als mens een voorbeeld aan de bloem. De lotusbloem is een wonder van de natuur. Wij wilden je een naam geven die eruit afgeleid is, omdat je ook een wonder van de natuur bent. Zoals elke mens. En nu denken we, met die stomme ziekte, dat je ook jezelf kan reinigen. Voor een stukje toch. Al klinkt dat misschien gek.” Lientje wist eigenlijk niet wie die mensen waren, de boeddhisten en de hindoeïsten, maar ze vond de uitleg wel mooi. Vertederend mooi. Haar papa had altijd van die verhalen, over andere volkeren enzo. Of over schilderijen met een betekenis. Hij bracht ze mee van zijn werk uit het museum. Maar of ze haar zelf kon reinigen, was nog maar de vraag. Ze had toch graag dat de dokter een handje zou toesteken. “De Romeinen hadden er zelfs een spreekwoord voor”, ging haar papa gewoon verder. Lap, dacht Lientje. Hij haalt er opnieuw wat onbekend volk bij. Als hij eenmaal op gang kwam, was hij niet meer te stoppen. “Nomen est omen, zeiden de Romeinen. Dat is Latijn en het betekent dat je naam je lotsbestemming is. Daarom zei ik daarnet dat je naam iets over je toekomst zegt. Persoonlijk denk ik dat er een grond van waarheid in zit. Wist je trouwens dat de naam van je nieuwe vriend ook een speciale betekenis heeft? En dan bedoel ik Rik, zijn echte naam. Niet Kapitein Kraak. Rik is afgeleid van dapper. Daarom past Kapitein Kraak trouwens prima bij hem”, lachte haar papa. “In China is het dan weer helemaal anders”, ging hij verder. Nu was er geen stoppen meer aan. Als je hem niet tegenhield ging hij heel de wereld af. “Daar geven hun ouders een voornaam die met de geschiedenis van het land te maken heeft. Heel wat jongens hebben de naam ‘Jianguo’. Dat betekent ‘stichter van de natie’. Tijdens de Olympische Spelen in China werden er veel kinderen geboren met de naam ‘Aoyun’. Dat staat voor ‘olympisch’. Het nadeel is wel dat er heel veel mensen met dezelfde naam rondlopen. Toch gek allemaal hè, wat mensen in de wereld met namen aanvangen.” “Papa, stop even, het is allemaal Chinees wat je daar vertelt”, onderbrak Lientje. Daar moesten haar mama en papa hartelijk mee lachen. Van al hetgeen dat haar papa vertelde, had Lientje vooral onthouden dat je best niet lichtzinnig te werk gaat met het geven van een nieuwe naam.  Je draagt die naam tenslotte je hele leven mee. Daarom vond ze het plan om de kinderen van het ziekenhuis een nieuwe of tweede naam te geven, plots een moeilijk plan. Maar dokter Luc vond het goed, dus waarom niet? Naar hoofdstuk 7

Rudi Lavreysen
14 1

Roger that

Als hij met zijn auto stopte, riepen we om ter snelst 'Roger that'. In een Amerikaanse film hadden we gezien dat een soldaat het tegen zijn walkietalkie zei. “Oke, begrepen”, lazen we in de ondertiteling. We vonden het geweldig grappig om te zeggen als nonkel Roger achterom kwam.  We zagen hem thuis vier keer passeren. Hij moest langs de vier vensters. Het grote raam aan de voorzijde van het huis, drie tellen later het raam bij de tv en dan bij het hoge raam aan de schouw, waar pa altijd zat. Het vierde raam was dat van de keuken, waar we hem opwachtten.  Eenmaal binnen kwamen de verhalen op tafel. Net als vlaai en koffie. En niet lang daarna een flesje bier voor nonkel Roger, dat ik mocht opendoen. Voor onze pa een borrel. Het leek alsof hun mond telkens wat breder werd. Van het lachen. Of van de vlaai. Hij kwam graag en wij zagen hem graag komen. Hij en onze pa waren twee handen op één buik. Ze hadden trouwens dezelfde buik.  Soms zie je het aan het gezicht dat mensen familie zijn. Soms hoor je het aan hun stem. Soms zie je het aan hun buik. Ik moet aan die bezoekjes denken, als ik hem zie zitten op het verjaardagsfeest van ons ma. Zichtbaar vermagerd. Hij is net voor me gearriveerd, terwijl ik naar de slager was. Het is barbecue vandaag. “Ha, ge komt toch nog. Ik dacht, die zit zeker al op hete kolen", lacht hij als ik me aan tafel zet.  Al snel ligt de jaarlijkse verjaardagszin op de tuintafel. “Och, een jaar is niks”, zegt de jarige. “Het vliegt voorbij.” “Nee, twintig jaar is niks”, zegt nonkel Roger. “Ik herinner me nog, toen wij klein waren, dat mensen van 80 jaar stokoud waren. Nu ben ik zelf bijna zo oud. Het is niet te geloven”.  Er is iets van. Je ziet jezelf nooit zo oud als je bent. In je hoofd zit nog die dertigjarige. Zo is het ook bij nonkel Roger. Op zijn 75e kreeg hij een hartaanval. Hij is er goed doorgekomen, maar hij loopt er sindsdien ontzettend verkrampt bij. Meestal met zijn armen gekruist over zijn borst.  Alsof hij tijdens die hartaanval alles wou vasthouden zoals het was. Alsof hij niets wou loslaten.  Zoals dansen, zijn passie. Bij elk feest droeg hij witte schoenen. Meteen klaar om een dansje te placeren. “Nee, dat dansen gaat nu niet meer”, zegt hij. “Ik ga nu elke week petanquen. Dat lukt nog. Daar laat ik de ballen maar wat dansen.” Als hij later op de avond naar huis vertrekt zie ik hem door de weerspiegeling van het keukenraam naar het gezelschap kijken.  Hij merkt dat ik hem zie en hij knipoogt. Roger that.  

Rudi Lavreysen
11 0

De vraag

Iets wat grootvader vrijwel elke dag deed, was de stenen van de schouw tellen. Het was misschien een vorm van geheugentraining. Al heb ik dat nooit gevraagd. “Zijn het er nog evenveel als gisteren?”, vroegen we wel eens. Ook zie ik hem nog wakker worden, in diezelfde stoel, na een middagdutje. “Welke dag is het vandaag feitelijk?”, vroeg hij dan. Het leek alsof hij de vraag aan niemand in het bijzonder stelde. Of aan zichzelf. Of aan zijn geheugen. We konden dat vroeger niet begrijpen, dat de dagen op elkaar leken. Want als je naar school gaat, weet je welke dag het is. Zeker als je niet naar school moet. Misschien deed hij dat om te testen of hij zich de dag van gisteren nog kon herinneren. Maar ook dat heb ik hem nooit gevraagd. Nu, zoveel jaren later, word ik wel eens wakker met dezelfde gedachte. “Welke dag is het vandaag feitelijk?” Grootvader liep altijd naar de keuken, om op de scheurkalender te kijken of ons antwoord wel klopte. Of we hem niets op de mouw spelden. Tegen dat ik ’s morgens in de keuken ben, is het in mijn hoofd meestal uitgeklaard welke dag het is. Al een geluk, want een scheurkalender hebben we niet meer. Bij het slapengaan verwijderde hij de afgelopen dag van de scheurkalender. Ook dat heb ik hem nooit gevraagd. Waarom hij de dag er al afscheurde, terwijl die nog niet helemaal voorbij was. Het was alsof hij de tijd een stapje voor wilde zijn. Morgen staat klaar. Gisteren is afgescheurd. Er kan me niets gebeuren. Laat gisteren maar liggen. De grap op de achterzijde van gisteren las hij bij het ontbijt van morgen. Eerst in stilte voor zichzelf. Dan luidop voor ons. Daarna de uitleg, waarom hij het altijd grappig vond. Ook dat hebben we nooit gevraagd. Ik had het moeten vragen. Ik had de tijd een stapje voor moeten zijn.  

Rudi Lavreysen
2 0

Tuimelientje - Hoofdstuk 5

Goedgekeurd En gelijk had hij. Dokter Luc uitte eerst hetzelfde bezwaar als zuster Cruella. Haar echte naam was trouwens Monique, zo vertelde de dokter. Rik had in zijn enthousiasme verteld dat ‘zuster Cruella’ het plan had afgewezen. Echt lachen kon hij daar niet mee. Maar hij luisterde wel geduldig naar het idee van Rik. “Hm, een nieuwe naam voor de zieke kinderen, zodat ze zich beter voelen. Op zich geen slecht idee Rik. Niemand wil hier echt zijn. Met een nieuwe naam of een sprookjesnaam kunnen ze hun gedachten wat verzetten. Wat ik er goed aan vind is dat jullie met de andere kinderen babbelen. Vraag de andere kinderen bijvoorbeeld wie en wat ze leuk vinden. Waarom ze hier zijn. Praten helpt altijd.” “Maar je mag in geen geval een naam gebruiken die op de een of andere manier beledigend is. Wat ik daarnet hoorde van zuster Monique, kan echt niet door de beugel.” “En als de kinderen het liever niet hebben, die bijnaam of nieuwe naam, moet je niet aandringen. Ik stel voor dat jullie bij Benny beginnen. Hij zou dit wel eens kunnen gebruiken. Waarom dat zo is? Dat merk je zelf, als je bij hem bent. Maar wel voorzichtig op zijn kamer. Het is een iets andere kamer dan de andere kamers”, sprak hij mysterieus. “Trouwens, niet meer dan één kamerbezoek per dag, want er is ook nog zoiets als school.” Tijdens hun verblijf in het ziekenhuis moesten ze niet naar hun eigen school, maar drie keer per week kwam er een juf of meester op bezoek. Er was een klein klaslokaal ingericht, waar de kinderen die zich goed voelden, aan het werk konden. “Wanneer bezoeken we Benny?”, vroeg Rik, toen dokter Luc de deur uit was. Hij had duidelijk zin om er meteen aan te beginnen. Zeker nu het een ‘speciale’ kamer was volgens dokter Luc.  “Wat denk je van morgen, beste Kapitein Kraak? Dan probeer ik vandaag nog wat te lezen en te rusten. Goed voor jou?”, zei Lientje. Het was een beetje met tegenzin. Maar hij stemde toe. De dag erna zouden ze Benny bezoeken. Die ze totaal niet kenden. Net zomin als ze wisten waarom hij in het ziekenhuis lag. Naar hoofdstuk 6  

Rudi Lavreysen
3 0

Tuimelientje - Hoofdstuk 4

Het idee van Kapitein Kraak Zijn idee kwam er op neer dat ze alle kinderen in het ziekenhuis een nieuwe naam zouden geven. Zodat ze er net als Lientje en Rik een goed gevoel aan over zouden houden. Het gevoel van een prinses te zijn, of een sterke kapitein, die je niet kan kraken. Hij had het plan die nacht bedacht.  Maar waar hij niet aan gedacht had, was dat ze ook het aan hun ouders of aan de dokter moesten vragen. Sommige kinderen zaten misschien niet te wachten op een nieuwe naam.  Terwij Lientje er nog over nadacht, zag ze de deur van hun kamer open gaan. Een stel verpleegstersbenen stapte hun kamer binnen. Maar het waren niet die van zuster Ann. Deze hadden ze nog niet gezien. Het hoofd dat erbij hoorde ook niet. Een hoofd dat duidelijk niet op de lachstand stond. Ze zei niets, maar keek alleen maar op het klembord dat ze bij zich had. Lientje vond dat ze een beetje op Cruella uit 101 Dalmatiërs leek, maar dan in een verpleegster uniform.  Nee, hier moest Rik zijn plan maar niet aan voorleggen. “Zeg zuster, wij hebben een geweldig plan”, zei Rik. Lientje sloeg haar linkerhand voor haar ogen en schudde met haar hoofd. Nee, Rik, waarom zeg je dat nu. Ze geloofde haar oren niet. “Wat denkt u ervan als we alle kinderen in het ziekenhuis een nieuwe naam geven? Wij zijn alvast begonnen. Ik ben bijvoorbeeld Kapitein Kraak en dat is Tuimelientje.”  De nieuwe verpleegster keek naar Lientje. Ze zag de verpleegster bijna denken: “Ocharme, dat meisje heeft ze net als de jongen niet allemaal op een rijtje. Daarom natuurlijk dat ze samen op een kamer liggen.” “Er krijgt hier niemand een nieuwe naam en jullie gaan nergens naartoe. Jullie zeggen wat jullie willen tegen elkaar, maar de andere kinderen laat je gerust. En jullie zouden beter zelf ook wat rusten. Zeker…” Hierbij moest ze op het papier van het klembord kijken. “Zeker Lien niet. Zij gaat nergens naartoe. En zelf ben je ook niet meteen de meeste mobiele persoon in het ziekenhuis. Jij moet ook het bed houden…” Weeral keek ze op het klembord. “Rik. Dadelijk komt dokter Luc om jullie even te onderzoeken. Hebben jullie voor de rest nog iets nodig?” “Is zuster Ann er vandaag niet?”, durfde Lientje te vragen. “Nee en morgen ook niet. Net als overmorgen. Zuster Ann ligt er een tijdje uit. Duidelijk? Oké, blijven liggen nu. TV kijken mag, lezen ook. Lien mag zeker geen videospelletjes spelen. Dat is niet goed voor haar hoofd. En nu rusten.” Videospelletjes? Lientje speel helemaal niet graag videospelletjes. Stond dat ook op haar papier? Ze deed Lientje nu nog meer aan Cruella uit 101 Dalmatiërs denken. Ken je die scène uit de film, waarbij één van de honden in de schouw van de open haard kruipt als Cruella arriveert? Lientje zou de volgende keer ook onder haar bed willen duiken, als ze de nieuwe verpleegster hoorde aankomen. “Zeg slimme. Moest je nu echt tegen zuster Cruella je plannetje vertellen? Dat zag je nu toch ook, dat het geen gemakkelijke tante is.”  “Zuster Cruella. Hahaha haha haha haha”, lachtte Rik. Met van die korte lachjes. Nu klonk hij opnieuw zoals een meeuw. Maar dan een lachmeeuw. Mocht je je afvragen waarom Lientje zo vertrouwd was met het geluid van meeuwen, het antwoord is eenvoudig. Ze had vorig schooljaar een spreekbeurt gegeven over meeuwen. En ze had vooraf allerlei geluidjes verzameld een meegebracht naar de klas. Want geen enkele meeuw klinkt hetzelfde. Een lachmeeuw maakt een ander geluid dan een zilvermeeuw, die we op het strand zien. Of Of een prairiemeeuw klinkt weer anders. Er zijn ontzettend veel soorten meeuwen. Ze had de leerlingen van de klas het geluid van enkele meeuwen laten nabootsen. Het was toen wel rumoerig in de klas, maar ze had goede punten gekregen van de juf. Voor interactiviteit. ‘Omdat je de andere leerlingen bij je spreekbeurt betrekt’, had de juf uitgelegd. Rik deed het perfect na. Zonder dat hij het wellicht zelf besefte. “Zeg, jij bent ook goed in het verzinnen van namen", zei Rik. "Och, maak je maar geen zorgen. We vragen het wel aan dokter Luc. Komt allemaal dik in orde.” Naar hoofdstuk 5  

Rudi Lavreysen
0 0

Tuimelientje - Hoofdstuk 3

Nog een nieuwe naam Het was nog maar kort na het middageten toen Lientje als een blok in slaap viel, maar ze werd pas de volgende ochtend wakker. Rik zat rechtop in bed. Klaar om aan te vallen, zo leek het wel, met een spervuur aan verhalen. Maar het enige wat hij zei was dit: "Hij is er al." Met haar slaapogen keek Lientje rond om die ‘hij’, wie het ook was, te zien. "Wie?", was het enige wat ze kon uitbrengen, met een stem als het geluid van een muskaatnoot op een rasp. Ze moest hoesten om verstaanbaar te klinken. "Wie is er?", vroeg ze. "Mijn nieuwe naam natuurlijk", zei Rik. "Jouw papa heeft me gisteren geholpen. Hij is nog even aan je bed blijven zitten. Toen hebben we al fluisterend mijn nieuwe naam verzonnen." Ondanks een licht misselijk gevoel, had Lientje toch een beetje honger. En ze wilde eigenlijk naar de badkamer, maar Rik was niet te stoppen. “Jouw papa heeft me eerst gevraagd wie ik leuk vind. Iemand uit een boek, of een film. Of een voetballer. Misschien kunnen we daar iets mee, zei hij." "Eerst heb ik aan heel wat bijnamen van voetballers zitten denken. Zoals de Vlo, een Argentijn en de beste voetballer aller tijden. Je kent hem toch, hij speelt bij Barcelona. Een bijnaam van een voetballer zou wel knap zijn.” Lientje wist helemaal niet of wat de Vlo was, maar ze besloot om er niet naar te vragen. Het zou anders een lang verhaal worden. “Of Patje Boem Boem. Of Mega Toby”, ging Rik enthousiast verder. Die laatste kende ze wel, maar van een kinderserie op tv. Ze ging er niet verder op in. Lientje vroeg zich af hoeveel bijnamen van voetballers hij kende. Waarschijnlijk allemaal. “En is het een voetballer geworden?”, vroeg ze maar vlug. Het zou anders blijven duren. “Nee. En ook geen wielrenner. Zoals De Kannibaal. Die ken je toch? Het is de bijnaam van Eddy Merckx. De beste coureur aller tijden. Hij at al zijn tegenstanders op. Bij wijze van spreken natuurlijk. Nee, het is geen bestaande bijnaam, maar een volstrekt originele.” Lientje haalde opgelucht adem. Ze dacht even dat er nog een ploeg met wielrenners zou komen. Gelukkig, hij kwam aan zijn nieuwe naam. “Nu moet je weten dat ik altijd een fan van Peter Pan ben geweest. Van het boek en de film. Zelf kunnen vliegen, het moet toch magisch zijn. Maar om een lang verhaal kort te maken…” “Dat zou fijn zijn Rik”, onderbrak Lientje, “want ik moet dringend naar het toilet”. Hij leek haar niet te horen. “Via Peter Pan zijn we op mijn nieuwe naam gekomen. Ahum ahum”, hoestte hij. “Tuimelientje, hier zit voor je, de enige echte …”, waarna hij even wachtte, alsof hij de spanning wilde te bouwen. “Kapitein Kraak!”, schreeuwde hij uit.  “Vanaf nu ben ik Kapitein Kraak. Ah ja. Van Kapitein Haak natuurlijk, maar omdat mijn benen snel ‘kraken’, mag iedereen me nu aanspreken met Kapitein Kraak. Goed hè.” Lientje wist eerlijk gezegd niet of ze het zo geweldig vond. Maar als Rik gelukkig was, vooruit dan maar. Kapitein Kraak. Met die naam werd hij er nog meer aan herinnerd hoe ‘broos’ zijn benen waren, dacht ze. Hoe snel ze kraakten. “Ik zie je denken”, zegt Rik met een glimlach op zijn gezicht. “Dat dacht ik eerst ook. Maar jouw papa heeft het me uitgelegd. “Kraken” betekent nog iets anders. Met die broze benen van mij, is het niet onlogisch dat ik mentaal ‘kraak’. Mentaal is alles wat er zich in je hoofd afspeel, zei je papa. Zoals gedachten. Met een naam als Kapitein Kraak ben ik me ervan bewust dat ik niet mag ‘kraken’. Dat ik me sterk moet houden.” “En nog iets”, ging Rik verder. “Ik heb een geweldig idee. Je gaat het fantastisch vinden.”   “Stop, Rik. Time-out”, zei Lientje. “Het is niet te bedoeling dat mijn hoofd kraakt. Ik ben net wakker. Geef me een half uurtje en dan kan je dadelijk verder vertellen.” Hij had er duidelijk moeite mee, de nieuwbakken Kapitein Kraak, om te zwijgen. Hij zat met een ei dat bijna op barsten stond. Ook Lientje was benieuwd, op welk idee hij zat te broeden. Naar hoofdstuk 4

Rudi Lavreysen
0 0

Tuimelientje - Hoofdstuk 2

De geeuw van de meeuw De jongen sliep de hele voormiddag. Tot na het middageten. “Vind je dat niet raar papa? Een jongen en een meisje samen op een kamer van het hospitaal? Jongens en meisjes zijn toch verschillend?” “Och”, antwoordde haar papa. “Als je samen ziek bent en samen in het ziekenhuis ligt, ben je meer hetzelfde dan anders.” Daar moest Lientje toch over nadenken.  “Wat bedoel je daar eigenlijk …”, begon ze. Maar haar vraag werd onderbroken door de geeuwende jongen in het bed tegenover haar.  “Whaahhaa Whaahhaa”, geeuwde hij. Het was precies het geluid van een stel zilvermeeuwen op het strand. Lientje schrok er zelfs van. Hij sloeg het deken weg en nu kon je pas zien dat zijn beide benen in het gips lagen. “Ik denk dat hij ook tegen de grond is getuimeld”, fluisterde Lientje tegen haar papa. “Maar dan van tien meter hoog of zo.” Lientje zag dat hij ongeveer haar leeftijd had. Misschien zat hij ook in het zesde leerjaar? Maar als iemand in bed ligt, kan je niet perfect inschatten hoe groot die persoon is. Pas als je rechtstaat, zie je pas of iemand groter of kleiner is. Hij mocht er wel wezen, vond Lientje. Niet dat ze veel met jongens in haar hoofd zat. Zeker nu niet. Nu had ze andere kopzorgen. “Wie ben jij”, vroeg de jongen toen hij eindelijk stopte met de meeuw na te bootsen. “Lientje", zei ze. "Al mag je ook Tuimelientje zeggen. Dat is eigenlijk mijn echte naam." In haar ooghoek zag ze haar papa met zijn wenkbrauwen fronsen. "Tuimelientje. Hm. Die naam doet me ergens aan denken. Precies de naam van een prinses. Wel een mooie naam. Ik ben trouwens gewoon Rik."  “Dag Rik”, zei papa. “Ik ben de papa van Lientje. Ik moet je wel vertellen dat Tuimelientje niet haar echte naam is. Ik heb die naam een keer gezegd omdat ze alsmaar tegen de grond tuimelde. Het is een soort van bijnaam. Of koosnaampje. Vroeger hadden veel mensen een bijnaam. Nu hoor je dat minder.” “Tuimelientje is best een mooie naam”, zei Rik. “Ik heb zelf geen bijnaam. Mag ik vragen waarom je zo tegen de grond tuimelt?”  “Er zit iets in mijn hoofd”, vertelde ze. “En dat drukt tegen mijn hersenen. Daarom verlies ik mijn evenwicht en val ik op de grond. Maar dokter Luc vertelde dat hij het bolletje in mijn hersenen weghaalt. Het zal niet makkelijk zijn, zei hij. Maar moeilijk gaat ook. Al vind ik het best moeilijk om er over na te denken. Want stel dat het niet lukt. Dan blijf ik tuimelen.”  “En jij Rik?”, vroeg haar papa. “Hoe komt het dat allebei je benen in het gips liggen. Gebroken?” Hij probeerde snel over iets anders te praten. Dat had Lientje meteen door. Hij had niet graag dat ze haar mijn hoofd brak over dat bolletje in mijn hersenen. Want stel dat ze haar hoofd letterlijk moesten breken? “Mijn benen breken snel”, zei Rik.  “Breken, breken, alsmaar breken”, fluisterde Lientje. “Het lijkt wel alsof iedereen en alles aan het breken is.” “Ik heb de broze botten ziekte”, ging Rik verder. “Dat heeft ook een moeilijke naam, maar die vergeet ik telkens. Ik moet altijd oppassen met wat ik doe. Eigenlijk mag ik niet voetballen, maar ik heb me toch laten verleiden door mijn vriend. Ik trapte in een kuil, met dit als resultaat.” Sinds het tuimelen bij Lientje begonnen was, werken haar oren precies ook niet meer perfect. Soms hoorde ze een ruis als de wind. Door die wind kwamen de woorden anders bij haar binnen. “De boze botten ziekte”, zei ze. “Daar heb ik nu nog nooit van gehoord. Hoe kunnen je botten nu boos zijn?” Zowel papa als Rik begon te lachen. “Nee Tuimelientje”, zei Rik, “geen boze botten. Broze botten. Dat betekent dat ze heel breekbaar zijn.” De botten van Rik mochten misschien breekbaar zijn, zijn stem was dat zeker niet. Hij bleef maar praten. Het hoofd van Lientje stond op ontploffen. Papa snapte het. “Rik, als je het niet erg vindt, gaat Lientje even rusten. Ik zie aan haar ogen dat ze moe is. Is dat oké voor jou?”  “Natuurlijk”, zei Rik. ‘Maar mag ik nog één ding vragen?” Hij was werkelijk niet te stoppen. “Vlug dan”, antwoordde papa. “Ik vind die nieuwe naam van Lientje, Tuimelientje, geweldig mooi. Zou je er voor mij ook eentje kunnen verzinnen?” Lientje hoorde het antwoord van papa al niet meer. Na de vraag van Rik viel ze meteen in slaap. Van vermoeidheid, maar ook een beetje uit verveling. Want je moet weten, een verblijf in het ziekenhuis is doodsaai. Al is dat wellicht een slecht gekozen omschrijving, want er gaan soms mensen dood in een ziekenhuis. Het is er zo saai als een biljartspel, terwijl er niemand aan het biljarten is. Er beweegt niet veel in het ziekenhuis. Dat ze zo vermoeid was, kwam van al die onderzoeken die ze moest ondergaan. En de vieze medicijnen die ze moest slikken.  Maar de gesprekken, het avontuur dat ze beleefden, dat … Nee wacht. Nu gaan we te snel. Even terugspoelen naar de vraag van Rik of de papa van Lientje een nieuwe naam voor hem kon verzinnen. Naar hoofdstuk 3  

Rudi Lavreysen
12 0

Tuimelientje - Hoofdstuk 1

Een nieuwe naam Haar papa verzon op een dag in het ziekenhuis een nieuwe naam. Ze bleef ook daar tegen de grond tuimelen. “Kom hier Tuimelientje, dat ik je recht help”, zei hij. “Tuimelientje”, herhaalde het meisje. “Die naam doet me ergens aan denken. Het lijkt wel een naam uit een sprookje. Van een prinses of zo.” “Je bent toch ook een prinses”, zei haar papa. "De gevallen prinses." Dat vond hij zelf grappig.  Haar echte naam was trouwens Lien. Maar bijna iedereen zei Lientje. En nu werd het ook Tuimelientje. Het draaien en tuimelen was er plots. Samen met felle hoofdpijn. Tijdens de turnles moest de hele klas van de turnmeester twee rondjes op de atletiekpiste lopen. Het was eind oktober. De blaadjes vielen al van de bomen. Plots gingen de witte lijnen van de piste voor de ogen van Lientje op en neer als een springtouw. Ze liep zo scheef en wankel als een dronkenlap. Maar ze kon er niets aan doen.  “Stel je niet zo aan Lien”, riep de turnmeester. Hij zei zelden Lientje. “Je bent toch geen clown.” Lientje wilde zeggen dat ze eerder een goochelaar was, maar plots lag ze op haar rug op het rode asfalt. Ze keek naar de lucht en zag enkele klasgenootjes roepen. Maar ze hoorde de andere kinderen niet. Het leek wel een stomme film. Zo een film zonder geluid.  Al was het ook een echte stomme film, want Lientje vond er niets aan. Ze wilde daar helemaal niet liggen. Ze zag enkel een blaadje van een esdoorn naar beneden dwarrelen. Het cirkelde naar omlaag als een helikopter. Precies zoals ze zich voelde tijdens het vallen. Een helikopter die tegen de grond gaat. Daarna moest ze naar het ziekenhuis. In bed en anders in een rolstoel, zodat ze niet meer tegen de vlakte ging. Het was een plek waar ze niet wilde zijn, het ziekenhuis. Wie wel natuurlijk? Als Lientje al eens in het ziekenhuis kwam, op bezoek bij een ziek familielid, moest ze altijd aan het Monopoly spel denken. Aan het veld met de gevangenis. Als je er gewoon toevallig terecht kwam, was je ‘slechts op bezoek’. Maar als je er door een slechte kaart naartoe moest, kwam je er niet zomaar uit. Dan had je geluk nodig. Nu had ze een slechte kaart getrokken. Nu moest ze er een tijdje blijven. En kwamen de andere mensen slechts op bezoek. Zoals de turnmeester op woensdagnamiddag. In die donkerblauwe jogging die hij altijd tijdens de turnles droeg. “Sorry dat ik zo tegen je riep op de atletiekpiste”, zei hij tegen Lientje. “Ik heb voormiddag trouwens een tuimelles gegeven. Bij sommige sporten is het belangrijk dat je weet hoe je moet vallen.”  Vooraleer ze iets kon zeggen, rolde verpleegster Ann een bed naar binnen. Ze was de liefste van alle verpleegsters die je maar kan inbeelden. Ze gaf je het gevoel dat ze tijdelijk je echte mama verving. Je hoorde haar ook nooit horen roepen. Wellicht was ze daar niet toe in staat, met haar zachte stem. In het bed lag een slapende jongen.  “Dan ga ik maar”, zei de turnmeester. “Dag Lientje.” “Dag meester”, zei Lientje. Maar wacht even. Hij zei Lientje. Dat deed hij nooit. Ze wilde dat ze ‘dag meestertje’ had geantwoord. Ze was precies altijd te laat met zoiets. In het ziekenhuis leek het wel alsof haar verstand nog trager werkte dan haar mond. "Het is niet gebruikelijk om jongens en meisjes op dezelfde kamer te leggen, maar er zijn helaas bedden tekort. Vind je het erg dat Rik een tijdje op deze kamer ligt?", vroeg Ann op een manier waarop het meteen niet zo erg was. Naar hoofdstuk 2

Rudi Lavreysen
7 0

De rollator in het café

Tijdens een wandeltocht zie ik door het raam van een café een rollator bij de toog staan. Op zich geen abnormaal gegeven, maar het café is gesloten, dus iemand is die rollator vergeten.  "Die heeft iets straf gedronken", zeg ik tegen mijn vrouw. "Na een paar glazen was de rollator niet meer nodig. Of de persoon heeft iets anders voorgehad.” Nu moet u weten dat ik op zich niet nieuwsgierig ben, maar ik weet graag veel. Daarom stap ik de volgende dag het café binnen. Ik zet me aan een tafeltje en bestel bij de patron een tas koffie.  Dan pas zie ik dat er op de rollator een papier hangt. "Van Jos. Laten staan."  "Jos kwam hier al jaren", leest de cafébaas mijn niet uitgesproken vraag. Ik ben wellicht niet de eerste die ernaar kijkt. "Ik herinner me nog de dag dat hij voor het eerst binnenkwam. Een man op leeftijd die niet meer goed te been was. Telkens rond 10 uur. Hij droeg altijd een grijs kostuum en zat meestal aan het tafeltje waar jij nu zit. Met zijn rollator naast hem. Hij bestelde gewoon een koffie. De eerste keer vroeg hij of er een borrel bij kon. " "De volgende dag kwam hij terug en was het een koffie met een knipoog. Daarna wist ik het. Hij was geen grote prater. Een stille genieter. Hij vertelde me dat hij eigenlijk geen borrels meer mocht drinken. Op advies van zijn dokter en nog meer van zijn vrouw. Telkens als hij zijn borrel leeg had, haalde ik die snel op. Een stilzwijgende afspraak tussen ons. Alsof we het bewijsmateriaal meteen moesten opruimen.” “Een paar maanden geleden liep het fout. Jos zette na zijn knipoog de borrel aan zijn lippen en net op dat moment kwam zijn vrouw binnen. Ik schrok nog harder dan Jos. Er was geen tijd om het bewijsmateriaal op te ruimen. Zijn vrouw plaatste zich naast hem. Toen ik haar aankeek maakte ze een nee-schuddende hoofdbeweging. Alsof ze Nee, ik moet niets hebben wilde zeggen. Of misschien was de betekenis Nee, Jos mag eigenlijk geen borrel." "Even later waren ze samen weg. Toen pas zag ik dat de rollator van Jos er nog stond. En hij staat er nu nog. Voor als hij terugkomt. Omdat ze er 's avonds ooit mee rondhossen in het café, jonge gasten met iets te veel bier in hun lijf, heb ik er dat blad op gekleefd. Hij heeft die rollator nodig, want zonder geraakt hij nog geen tien meter ver.” “Maar die avond is hij toch ook zonder rollator vertrokken?”, zeg ik. “Inderdaad”, zegt de cafébaas. “Dat begreep ik ook niet goed. Zijn vrouw was wellicht met de auto en had misschien voor de deur geparkeerd. Ik heb er eerlijk gezegd niet op gelet. Van het schrikken wellicht. Of ik al gebeld heb? Nee, zijn vrouw kan opnemen. Dat kan ik best niet doen. Dan mag hij zeker niet meer komen.” Ik bedenk me plots dat de patron die geschiedenis verzonnen zou kunnen hebben. Een rollator met een blad in het café en je hebt een verhaal.  Het zou zomaar kunnen.

Rudi Lavreysen
10 0

Bij oma op de koffie

Pralinewinkels? Ze zijn onweerstaanbaar. Bij het binnengaan van een chocolaterie gaat mijn neus open zoals sluisdeuren bij hoogwater. De chocoladegeur stroomt naar binnen. Het verleidende aroma heeft ook meteen een effect op mijn koopgedrag. Een klein doosje wordt al snel 'nee, doe toch maar een grotere doos'. Of 'doe nog maar een extra doosje, maar dat is een cadeautje'. Alsof de verkoopster dat niet door heeft. Het inpakpapier haalt meestal het einde van de straat niet. In de Nederlandse zaak waar we ons bevinden is het niet anders. Terwijl we onze beurt afwachten concentreer ik me op de afgebroken stukken chocolade die zich op de toog bevinden. Om te proeven. Welk stuk is het grootst? "Is het een cadeautje?", vraagt de vriendelijke verkoopster aan de man die net samen met zijn zoon een bestelling heeft afgerond. "Neeeeej", klinkt het op zijn Brabants. "Het is gewoon voor dadelijk, bij oma op de koffie." "Ooooh, gezellig", klinkt het aan de andere kant van de toog. Wat het ongetwijfeld ook is. Onze noorderburen verstaan de kunst om hun meest gebruikte woord in de praktijk om te zetten. Na het afronden, 'doe maar pinnen' is de gebruikelijke term in Nederland, krijgen de man en zijn zoon een mooie afscheidszin mee. "Nou, veel plezier nog bij oma ", zegt de verkoopster bij het overhandigen van het tasje met pralines. Alsof ze de oma in kwestie hoogstpersoonlijk kent. Alsof het haar eigen oma is. Geef toe, ze zijn er bedreven in, onze vrienden van over de grens. Het komt even in me op om te vragen of ik mee mag naar oma, om van die gezelligheid te proeven. En van die pralines. Maar dat zou een beetje gek zijn. Maar ik smelt er wel van. Onze pralines krijgen even later die kans niet.

Rudi Lavreysen
7 0
Tip

Het kappersritueel

“Doe maar hetzelfde als de vorige keer.” Het is altijd de openingszin bij de kapper. Met mijn kapsel ga ik niet te veel avonturen aan. Hij weet hoe het moet. Laat sommige zaken maar onveranderd. Het is zoals de zondagse tomatensoep van moeder. Die mocht ook altijd dezelfde voortreffelijke smaak hebben. Ons gesprek gaat vervolgens over voetbal, werk en de kinderen. Tot er twee jongemannen binnenstappen. Ze gaan een gesprek aan met de tweede kapper, waarbij de twee hun smartphone tonen. Ik zie het in de spiegel voor me. Daar zie ik ook dat mijn kapper zijn hoofd naar het duo draait. Gelukkig staat zijn schaar in de pauzestand. “Het is nooit helemaal hetzelfde”, zegt hij. Hij weet duidelijk waar het over gaat. “Elk hoofd en elk kapsel is anders.” Nu begrijp ik het. De twee heren laten een foto zien en wensen dat hun coiffure dezelfde vorm krijgt. Ze overleggen een moment en vertrekken dan naar buiten. “Sommigen komen hier zelfs met een foto van Brad Pitt”, gaat mijn kapper verder. Ik denk eraan dat ik in mijn jonge jaren ooit hetzelfde deed. Met een foto van een popster uit een jongerenblad. Toen ik thuiskwam leek ik meer op de presentator van het journaal dan op de popster. Plots komen de twee terug binnen. Ze besluiten om er toch voor te gaan. Ik ben benieuwd welke foto ze hebben getoond. Ik gok op een beroemde voetballer. De kapper verwijdert mijn kappersschort, schudt het uit en neemt het borsteltje. Het doet me altijd denken aan de borstel waarmee ik champignons schoonmaak. Hiermee verwijdert hij de resterende haartjes uit mijn nek. “Nog wat gel?”, vraagt hij. “Zeker, dat mag”, zeg ik. Ook die zinnen maken deel uit van het kappersritueel. “Is het goed zo?”, vraag hij tenslotte. “Helemaal Brad Pitt”, lach ik.  

Rudi Lavreysen
37 1

Met spoed

Het was een dringend geval. Een gekwetste in de familie die we met de auto moesten ophalen. Een paar dorpen ver. Met spoed naar de spoed. Nu moet u weten dat mijn familieleden zeggen dat ik in de auto een stresskonijn ben. Waar ze dat vandaan halen weet ik niet. Natuurlijk moeten ze niet overdrijven, die andere chauffeurs. Of de overige mensen en zelfs dieren die op de openbare weg komen.   Maar laat me bij het begin beginnen. We waren amper een dorp verder en we hadden al een file op onze nek. Honderd meter voor ons zagen we een zwaailicht van de politie. Een ongeval dacht ik, maar het bleek een groep wandelaars te zijn die door de politie begeleid werd. Op de openbare weg, terwijl het voetpad zo breed was dat je er makkelijk een Formule 1-wedstrijd zou kunnen organiseren. In mijn achteruitkijkspiegel zag ik dat de automobilist achter mij zich zo aan het opjagen was dat hij bijna zijn voorruit bij elkaar geklopt had. Dat verbeterde niet toen er plots een boer met een twintigtal koeien de straat overstak. Ik verzin het niet. Op een zondag. Ik meende dat één van de koebeesten me zelfs grijnzend aankeek. Mijn idee om een binnenweg te nemen loste niets op, want ik kwam in dezelfde file terecht. Zelfs achter de auto met de gebroken voorruit.   Na eindelijk onze gekwetste opgepikt te hebben, kreeg ik het idee om terug te rijden via een andere weg. Dat ging vlot, tot er plots een hele weg afgesloten was. "Stom kalf", riep ik vooral tegen mezelf. "Dat heeft in de krant gestaan." Het was een protestactie van buurtbewoners omdat het verkeer daar niet vooruit gaat. "Nu zeker niet", schreeuwde ik door het openstaande autoraam. Mijn gezicht had ondertussen de kleur van een gegrilde paprika. "Op de spoed gaan ze denken dat gij iets gekregen hebt", zei mijn vrouw. Het bleek te kloppen. De spoedarts had zijn stethoscoop al in de aanslag. Hij was me bijna aan het onderzoeken. Tot ik de echte gekwetste aanduidde. Nog een geluk dat ik altijd kalm blijf.   

Rudi Lavreysen
0 1
Tip

Twee kijkers

Ze zijn geoefend in het kijken. Ze staan stil en kijken naar wat er gebeurt. Toch zie je deze kijkers niet meer zo vaak als vroeger. Meestal zijn het mannen. Ze zitten op de vensterbank van het huis en ze kijken naar wie voorbijkomt. Te voet, op de fiets of in de auto. Afhankelijk van de snelheid van het vervoermiddel zijn de passanten herkenbaar. Af en toe steken ze hun hand op naar voorbijgangers. Bij passerende auto's is het alsof ze een tennismatch gadeslaan. Dan gaat hun hoofd van links naar rechts. Of andersom. Al zittend op hun vensterbank lijken ze te revolteren tegen de jachtige mens die hen voorbijraast.Ik zie eind september twee kijkers aan de rand van het maïsveld op hun fiets zitten. Ik stop even verder. Als kijker naar de kijkers. Ik denk niet dat ze elkaar kennen. Ze zitten op ongeveer honderd meter van elkaar. Heel behendig balanceren ze op de bagagedrager van hun fiets, die licht overhelt. Het is wellicht een trucje van de ervaren kijker. Op die manier gaat hun tweewieler niet tegen de vlakte. Fiets en kijker houden elkaar in evenwicht. Ook daar moet je geoefend in zijn. Mocht ik het proberen, ik ging meteen tegen de aarde. Wat ook kijkers zou opleveren. Daarom heb ik mijn fiets veiligheidshalve op de staander geparkeerd.De twee mannen aanschouwen de maïsoogst. Ik geef ze geen ongelijk. Het is een mooi spektakel. De oogst vliegt van de maaidorser in de oplegger, die er met de tractor naast rijdt. De twee voertuigen houden gelijke tred. De oogst wordt op het einde van de zomer met een lichte boog in de laadbak gekatapulteerd.   Alsof het een seizoen is dat verdwijnt. De afgelopen zomer die meteen fijngemalen wordt. Alsof de tijd vliegt.   Wat niet eens gelogen is.  

Rudi Lavreysen
26 1

Niet russen

Het is 8 uur in de ochtend en de bakker stelt mijn karakter en mijn nuchtere maag serieus op de proef. Als proevertje serveren ze stukjes frangipane en appel nougatine taart met slagroom. Ik ben niet de enige in de rij met een gebrek aan weerstand. Een jongen heeft vooral oog voor de slagroomtaart. Zijn oma glimlacht. "Nee, die niet", zegt zijn mama. "Ge gaat smossen op uw nieuwe jas."   Het lijkt alsof kinderen tegenwoordig altijd een nieuwe jas dragen. Vroeger hadden we vesten waarop morsen toegelaten was. Tegenwoordig hangen er geen smosjassen meer in de kleerkast. Zonder dat zijn mama het ziet, kijkt de jongen heimelijk naar zijn oma, die al glimlachend haar goedkeuring voor het stuk slagroomtaart geeft.   Och, wie morst er nooit? In onze familie zit het in ons DNA. Dat hebben we officieel vastgesteld. Ik herinner me een familie-uitstap naar een steakrestaurant. De soep was amper geserveerd of alle familieleden hadden hun hemd met tomatensoep geverfd. "Nee, niet russen" (uit te spreken met een doffe 'eu', niet zoals de mensen in het land van Vladimir Poetin), zei mijn vrouw, terwijl ik aanstalten maakte om met mijn zakdoek over de grote vlek te wrijven, die eruitzag als de wijnvlek op het hoofd van de Russische oud-president Gorbatsjov. "Anders blijft het een plek."   Ze had natuurlijk volkomen gelijk, maar je probeert te vermijden om met die plek aan de saladebar te verschijnen. Wat uiteindelijk toch gebeurt, want hoe hard je 'rust' of de vlek nat maakt, het helpt geen zier.    Het jongetje staat ondertussen buiten bij de bakker en heeft warempel een toef slagroom op zijn nieuwe jas gemorst. "Wat heb ik nu gezegd?", vraagt zijn mama. "Vooral niet russen", fluister ik.   

Rudi Lavreysen
0 0

Den Tommy

Maak je dat ooit mee? Dat ze je naam verkeerd schrijven? Waarschijnlijk wel. Alles is natuurlijk afhankelijk van de moeilijkheidsgraad die in je naam verscholen zit. Op dat gebied heb ik echt alles mee. Van de i in mijn voornaam maken ze acht keer op tien een ypsilon. En de ypsilon in onze familienaam wordt meestal een lange ij. Ze schrijven het zo vaak fout, dat ik het op de duur zelf niet meer weet.  Maar weet je wat nog erger is? Dat mensen je aanspreken met een andere voornaam. Ken je dat? Of maak ik dat alleen mee? Echt waar, niet gelogen, een oude kennis lapt het elke keer. Het straffe is, ik kom hem alleen maar tegen als hij op de fiets zit. “Hey Tommy”, roept hij dan. Tommy begot. Echt ongelofelijk. De laatste keer was mijn vrouw getuige van het Tommy verschijnsel. "Waarom zeg je niet dat het Rudi is”, zei ze. "Het gaat niet”, antwoordde ik. “Je ziet dat toch. Het gaat te snel. Hij is zo gepasseerd. Ik heb geen tijd om te zeggen dat het Rudi is. En niet Tommy.” Het gevolg is natuurlijk dat hij me met Tommy blijft aanspreken. Ik moet er toch iets aan doen, anders begint het een eigen leven te leiden, met die naamsverwarring. Ik kan me al een gesprek voorstellen waar hij bij aanwezig is. “Heb je het gehoord van dinges van Lavreysen?” “Van wie? De Rudi?” “Nee nee, niet de Rudi. Den Tommy.” “Den Tommy, die ken ik niet. Is er dat ook ene van die familie?” “Tja, dat weet ik ook niet. Ik ken alleen den Tommy. De Rudi ken ik niet zo goed.”   Afijn, ik ga hem tegenhouden als hij de volgende keer op de fiets passeert. Dinges, dju, hoe heet hij toch ook al weer?  

Rudi Lavreysen
4 1

De zin van de zomer

Terwijl ons thuisstadje met de jaarlijkse kermis de zomer uitzwaait, waaien we uit aan de kust. We stappen richting Brasserie Du Parc, vlakbij het casino in Oostende, tegenover de tramhalte aan het Marie Joseplein. Op het terras zit je aan stijlvolle Parijse terrastafeltjes. Het art deco interieur van de brasserie is ongewijzigd sinds 1932. “Aan deze tafels hebben heel wat artiesten gezeten”, vertel ik als we binnenkomen. “Zoals de schrijvers Stefan Zweig en Joseph Roth. Beide van Joodse komaf. Op de vlucht in die verschrikkelijke jaren ’30 van de vorige eeuw. Zweig heeft het treffend neergeschreven in ‘De wereld van gisteren’, een boekje dat je voor amper 6 euro in de boekhandel koopt. Elke jongeren zou het moeten lezen. In de brasserie hangt nog een foto van de twee. Roth leefde in hotels en vertoefde al te vaak in drankgelegenheden. Meer dan goed voor hem was. Toen Zweig een keer vroeg waarom hij niet in de zee zwom, antwoorde Roth dat het eenvoudig was. De vissen komen toch ook niet in het café, vertelde hij droogweg. Maar van droog gesproken, ik zal even naar de garçon zwaaien.”   Na drie pogingen en met bijna een lamme zwaaiarm krijgt hij ons in de gaten. “Ik had u wel gezien meneer”, zegt hij op redelijk norse toon. Ook zijn kostuum lijkt niet ongewijzigd sinds 1932. Hij draagt een deftige zwarte broek met bijpassende gilet en een strak wit hemd. Klassevol, maar ik zou me er de pleuris in zweten. We bestellen beide een dagsoep en ik geef het Oostendse streekbier het voordeel van de twijfel. Even later is hij terug. “Helaas meneer en mevrouw”, zegt hij nu vriendelijk. “Geen bloemkoolsoep meer. Enkel seldersoep.”   Wachtend de soep, geven we onze ogen de kost. Het valt me op dat er in de zomer aan de kust zoveel mensen een blauw-wit gestreepte sweater of t-shirt dragen. Helemaal in marinestijl, alsof ze klaar zijn om in te schepen. Als de tram passeert, waan ik me even in de jaren ’30. Maar een mevrouw met haar telefoon op speaker, haalt me uit die droom. Het is toch soms een vervelend ding, dat beltoestel.   De soep smaakt voortreffelijk. Terwijl we die zo stil mogelijk oplepelen en het Oostendse streekbier alsmaar meer voordeel krijgt, kan ik niet anders dan enkele flarden van het gesprek volgen van het jonge gezin dat achter ons zit. Het zoontje, ik schat hem zes of zeven, heeft geen zittend gat. Geen enkel kind van die leeftijd. Het is een kostelijk manneke. “Dat is er eentje om op te eten”, lacht mijn vrouw. “Ja, maar we hebben de soep nog”, knipoog ik. Waarna de jongen werkelijk de mooiste zin van de zomer uitspreekt. "Ook als ik niet bij jullie zou wonen, dan kwam ik nog bij jullie wonen”, zegt hij tegen zijn ouders. Van pure blijdschap zwaai ik met mijn andere arm naar de garçon. Het lijkt alsof hij ook plots goedgemutst is. Het zal de zomer zijn.  

Rudi Lavreysen
0 0

Bij de bakker

Er staat een lange rij wachtenden bij de bakker. Exact 15 gele hesjes. Ik heb tijd om ze te tellen, want ze rekenen elk afzonderlijk af. Mocht u zich afvragen wat de gele protestbeweging bij de bakker doet, kan ik u geruststellen. Het is een groep met verkeersveilige meisjes van de jeugdbeweging.  Een van de meiden heeft een oude fietspet op haar hoofd. Ze lijkt op een wielersupporter uit mijn jonge jaren. Misschien is de pet nog van haar vader geweest. De klep van haar petje staat omhoog, zoals de echte wielerfans dat deden. De naam van de renner, die ook op de onderkant van de klep staat, komt dan beter in beeld. Ik had er vroeger eentje van Lucien Van Impe en een van de Boerenbond, maar dat was eigenlijk geen echte wielerpet. Die durfde ik tijdens officiële wedstrijden met de jongens uit de buurt niet opzetten. Op de toonbank staat een schotel met proevertjes. In stukken gesneden koffiekoeken. Een slimme zet van de bakker om het hongerig gevoel van de klant te versterken. Vandaag zijn het stukjes van een eclair, van een rozijnenkoek en van een glaceeke. Genoeg voor alle gele hesjes. Al maken ze geen aanstalten om er eentje te proeven. Misschien durven ze niet. Een van de meisjes wel. "Is dat om te proeven?", vraagt ze. "Zeker", lacht de bakkersvrouw. "Neem maar. Het staat ervoor."  Die komt er later wel. In de school vertelde een leraar vroeger dat we een mond hadden gekregen om vragen te stellen. "En om te eten", antwoordde ik ooit. Het waren de jaren waarin je altijd honger leek te hebben.    Ondertussen hebben de gele hesjes afgerekend en ben ik aan de beurt. Er liggen nog een paar stukjes. Och, waarom niet?  

Rudi Lavreysen
0 0

Frisse lucht

"Hittegolf." Het enige woord dat bleef hangen van het weerpraatje op de radio. "Ze voorspellen tot 37 graden. Pfff, dat wordt puffen", zei ik. "Je puft nu al", zei mijn vrouw.     "We zetten de ventilator aan”, vervolgde ik. "Al helpt dat niet veel. Want je verplaatst alleen lucht. Maar een fris gevoel is toch al iets. Trouwens, heb ik je al verteld van mijn collega? Wat hij 's nachts doet als het warm is?"   "Ik weet niet of ik dat wil weten", antwoordde ze. "Nee, zoiets is het niet", zei ik. "Hij vertelde het onlangs. Omdat het 's nachts te warm was, sliepen ze zoals veel mensen met het slaapkamerraam open. Er kwam wel tocht naar binnen, maar omdat zijn hoofd ver van het raam lag, voelde hij niets. Hij besloot dan maar om zich om te draaien en met zijn hoofd aan de andere kant van het bed te gaan liggen. Daar voelde hij wat frisse lucht naar binnen komen. Het gevolg was natuurlijk dat zijn voeten zich aan de andere zijde bevonden, waar eerst zijn hoofd lag. Dus op het kussen naast zijn vrouw. Zij had het aanvankelijk niet gemerkt, maar toen ze wakker werd, schrok ze zo hard van die voeten naast haar, dat ze er een mep op gaf. Waar hij op zijn beurt zo hard van schrok dat hij uit het bed donderde."   "Daarna had hij zijn vrouw nog voorgesteld om ook met haar hoofd aan de andere kant te gaan liggen, zodat er geen ongelukjes meer konden gebeuren. Gij zijt op uwe kop gevallen zeker, vroeg ze. Ja, daarnet nog, had hij geantwoord.”   “Volgens mij heb je dat laatste gewoon verzonnen”, zei mijn vrouw. Ik kon het niet  ontkennen. Vrouwen hebben het snel door, als je met hun voeten speelt.  

Rudi Lavreysen
0 0

De veiligheidscontrole

U kent ze wel. De vrienden die tijdens een zomerse barbecue met hun verhalen en anekdotes de avond nog smakelijker maken. Ze zijn zoals de barbecuesaus die voor wat pittigheid zorgt. Ergens hebben ze het talent van een echte acteur. Ze spelen een rol, maar toch blijven ze zichzelf. Het is de gave van geloofwaardigheid.   Tijdens een verblijf aan het stukje kust in Frankrijk, waar 75 jaar geleden de bevrijding van Europa werd ingezet door de geallieerden, kwam ik een dergelijke acteur tegen. De Nederlandse man van middelbare leeftijd stond voor me in de rij bij een Normandisch oorlogsmuseum, waar we een veiligheidscontrole kregen die zo scherp was als op de luchthaven. Portefeuille, horloge en telefoon moesten in een bakje dat achter de scanner mocht passeren. Vervolgens ging de veiligheidsman met een scantoestel zorgvuldig aan de slag. De handscanner had veel weg van een stofborstel, maar dan eentje die piepende geluiden maakt. Hij begon bovenaan ter hoogte van de schouder, waarna er meteen een luide 'bliep' weerklonk. "Hebt u daar metaal zitten?" vroeg de veiligheidsbeambte vriendelijk. "Ja, daar zit inderdaad wat metaal na een operatie", lachte de Nederlander. Aan zijn andere schouder klonk dezelfde bliep. "Ook daar ben ik geopereerd." Bij het scannen van zowel zijn linker- als rechterknie ging het toestel opnieuw af. "Ja, ook daar zitten stukjes metaal."   De brave man was een attractie voor de rij wachtenden. Hij piepte zoals een videogame uit de jaren 80. Hij onderging het geduldig. Zijn vrouw die even verder stond te wachten, had een rode kleur gekregen die duidelijk niet van de zon was. Toen er ter hoogte van zijn onderbuik opnieuw een piepend geluid weerklonk, keek de veiligheidsman bezorgd. "Daar heb je toch geen metaal zitten?" "Nee," lachte de man, "dat is gelukkig mijn riem maar."   Toen hij eindelijk binnen was, zei hij iets tegen zijn vrouw dat ik niet kon verstaan, omdat ik zelf onder de CT-scan moest. Wellicht was het zoiets als: "Dit verhaal wordt straks een knaller op de camping."  

Rudi Lavreysen
0 0

De supporter

Sommige mensen vergeet je niet snel. Ook al heb je ze maar een half uur gekend. Hij was een gast, net als wij, voor een bed en een ontbijt in de stad. De gastvrouw gaf hem 's morgens een vriendelijke 'goodmorning', die wij even voordien ook hadden ontvangen. "Oh, het is in het Engels vandaag", zei hij. "Geen probleem." Waarna hij naast ons aan de ontbijttafel ging zitten.   Het is opvallend, niet alleen onze woordenschat, zoals de afkorting B&B, maar ook de gesproken taal in het hotel- en logeerwezen vertoont almaar meer sporen van ververengelsing.    Een voetbal- en wielerfan was hij. Voor het tweede was hij in de stad. "Ze rijden vandaag een belangrijke wedstrijd. Het is de koers voor de tricolore trui", verduidelijkte hij. "De nationale titel. Ik ben altijd grote supporter van Claude Criquelion geweest. In 1990 werd hij Belgisch kampioen. Daar was ik bij." "Hij heeft in de Tour heel wat top 10-plaatsen behaald", zei ik. "Vijf keer, met een vijfde plaats in 1986. Veel ritten gezien in Frankrijk. Eigenlijk had hij twee keer wereldkampioen moeten worden. Ik was erbij in 1988, in Ronse, toen die Canadees hem dat lapte in de sprint."   Hij vertelde het zichtbaar ontroerd. Toen hij vermeldde dat zijn held veel te vroeg overleden was, klonk het alsof hij ook daar bij aanwezig was. Toevallig op dat moment veegde hij een kruimel uit zijn mondhoek en meteen snel iets uit zijn oog.   Ondertussen supporterde hij al jaren voor een andere coureur. Alsof een mens zonder helden toch maar alleen is. Net als de renner zonder supporters. Echt mooi dat sommige mensen goed zijn in het bewonderen.   "Je hebt zijn naam niet gevraagd", zei mijn vrouw achteraf. "Klopt", antwoordde ik. "Maar misschien vindt hij het niet erg dat we hem herinneren als Claude.  

Rudi Lavreysen
0 0

Al die patatten

De weermannen en weervrouwen voorspellen tropische temperaturen. Er lijkt elke dag een graad bij te komen. "Het wordt bakken en braden", vertelt een collega. "Je kan een ei op de motorkap bakken. Wel oppassen met peper en zout, dat is niet goed voor de carrosserie", lacht hij. De mannen thuis heb zelfs in deze hitte graag gekookte aardappelen. Onze jongste ziet het zweet van mijn voorhoofd druppelen bij het afgieten van de patatten. Op elke schouder hangt een handdoek. Een voor het zweet en een voor de aardappelen. "Ik heb iets voor u", zegt hij. Even later komt hij naar beneden met een kleine ventilator. "Je kan deze wel niet in het stopcontact steken", lacht hij. Het hengeltje waar je aan moet draaien lijkt op dat van de grote potloodslijper die de meester vroeger aan de rand van zijn lessenaar had vastgemaakt. Je moest het vragen, als je wou slijpen. Maar ik ben alleszins blij met de ventilator. Misschien net zo blij als de meester met zijn potloodslijper.Na het opruimen maken we een wandeling. Bij het buitenkomen ligt de handdoek nog steeds op mijn schouder. Mijn voorstel om hem gewoon mee te nemen haalt het niet. "Weet je nog dat ik naar de bakker liep met het zakje vuilnis", vertel ik. We kunnen er mee lachen. Verstrooidheid is mijn tweede naam. “Ik kan geen patatten meer zien of horen”, zeg ik.   Als we even later aan een tafeltje zitten voor een koffie, heeft een jongeman naast ons het over zijn voetbalwedstrijd. “Het was een patattenveld”, zegt hij tegen zijn vriendin. “Hoezo een patattenveld”, vraagt ze. “Hebben ze daar dan…” “Nee”, onderbreekt haar vriend. “Een patattenveld zeggen ze tegen een slecht veld. Alsof ze de patatten net uitgedaan hebben.”    Onder de luifel komt gelukkig een andere tafel vrij. Met al die patatten.  

Rudi Lavreysen
0 0

Chips en oortjes

In de trein had ik de deur van het toilet al vier keer dichtgedaan toen het meisje naast ons kwam zitten. De ene na de andere onverlaat weigerde om de deur te sluiten na een bezoek aan het rijdende kleinste kamertje. Ik keek telkens op de toiletpot die eruitzag als een exemplaar uit de gevangenis. “Daar zit je toch ook niet op je gemak”, zei ik tegen mijn vrouw. De grap werd met een licht grijnzen onthaald.    Het meisje droeg oordopjes die men in de volksmond gemakshalve dezelfde naam geeft als het lichaamsdeel waar men ze insteekt. Oortjes. Deze kenmerkten zich omdat ze zonder draad met haar telefoon verbonden waren. Het blijft een gek zicht. Och, als men over pakweg tien jaar een exemplaar draagt met draadjes, heeft men ook bekijks. “Het kan verkeren”, fluisterde ik tegen niemand in het bijzonder.   Het meisje zat amper toen ze een grote zak chips uit haar rugzak haalde. De combinatie van de oortjes en het eten zorgden voor een waar klankspel. Want als je het gehoor uitschakelt, ga je automatisch luider spreken. En eten. "Waar zijn die oortjes als je ze nodig hebt", zei ik.    Bovendien was ze snipverkouden. "Wist je dat een neus vroeger bekend stond als een snotkoker", probeerde ik tevergeefs de aandacht af te leiden. Na een tiental keer zeer luid het neusvocht terug op haar plaats gebracht te hebben, greep ze eindelijk naar enkele papieren zakdoekjes. Er volgde een trompetgeschal waar menig klaroenblazer jaloers op was geweest. "Het ergste moet nog komen. Doe het alsjeblieft niet", zei ik. Mijn smeekbede leidde tot niets. Ik had mijn hoofd veiligheidshalve omgedraaid, maar in de weerspiegeling van het treinraam zag ik het meisje toch naar het resultaat van haar gesnotter in de papieren zakdoekjes kijken.   Gelukkig stond de deur van het toilet open.  

Rudi Lavreysen
0 0

Allemaal hupkes

Op een vrije dag zit ik met onze oudste zoon op een terras aan een voorjaarskoffie te nippen. We hebben het over voetbal en andere koetjes en kalfjes. Al kunnen we het beter over honden hebben, want die zijn alomtegenwoordig.  De eerste is een grijze poedel, door zijn baasje losgelaten en tussen de tafels snuffelend, waarbij hij de vriendelijke uitbaatster voor de voeten loopt als ze met een volle plateau passeert. “Pas op hupke”, zegt ze tegen de viervoeter. "Ik dacht dat ze het tegen u had”, lacht onze zoon. Toegegeven, ik ben niet de grootste. De mannen plagen me er soms mee. Maar je weet wat ze over plagen zeggen.    Plots komt er een kinderwagen aangereden. De mama duwt. Als ze zich aan de tafel naast ons zet, zie ik dat er geen kleuter in de buggy zit, maar een hond. Een chihuahua. "Dat is pas een hupke", zeg ik tegen onze zoon. "De kleinste hond ter wereld en genoemd naar de plek in Mexico waar het ontdekt werd. Een Mexicaanse man stond er naar verluidt bijna met zijn sandalen op."    Het lijkt wel nationale hondendag. Een vrouw met een hond aan de leiband stopt aan de tafel. Ze lijken elkaar te kennen. De dames, niet de honden. "Hoe was de reis?", vraagt ze. "Hebben ze zich geamuseerd?" Ik denk dat ze de kinderen bedoelt, maar dat blijkt niet zo te zijn. "Absoluut", antwoordt de andere. "Er zaten meer chihuahua's dan mensen op de bus." "Wij zijn naar de kapper geweest", zegt de nieuwe vrouw. "En de nageltjes laten knippen. Dat deed wel een beetje pijn hè vriend." Bij dit laatste neemt ze het hupke in haar armen.   Ik kijk naar het Mexicaanse hondje in de buggy en hoor hem precies “olé” zeggen. Maar dat zal wel aan mij liggen.    

Rudi Lavreysen
0 0

Lekkers van letters

Dit is het verhaal van meneer en mevrouw Letters. Tussen hen in staat hun kleindochter en oogappel Sofie. En weet je wat? Nu zijn ze terug gelukkig. Waren ze dan ooit ongelukkig? Ja, maar om dat uit te leggen, moeten we heel wat jaren terugkijken. Kijk, zo zagen ze eruit toen ze jong waren. Amper 20 jaar en dolverliefd. Ze wilden altijd bij elkaar zijn. Daarom hadden ze het plan opgevat om een winkel te beginnen. “Wat zullen we verkopen?”, vroeg meneer Letters aan zijn kersverse echtgenote. Ze dachten er lang over na en toen kwam hij op een idee. “We gebruiken gewoon onze naam”, zei hij. “We verkopen letters. Dan hebben we meteen een slogan. Letters van Letters.” Zo gezegd, zo gedaan. Ze maakten en verkochten chocoladeletters, letterkoekjes, letters voor in de soep en zelfs gebak in de vorm van letters. Allemaal lekker om op te eten, maar ook leuk om ze naast elkaar te leggen en er woorden van te maken. Alleen in de soep bleven de letters niet zo goed liggen. Op het uitstalraam van de winkel verfden ze een nieuwe slogan. “Lekkers van letters” Meneer Letters had telkens nieuwe plannen. Zo zocht hij groenten in de vorm van letters. En aardappelen. Hij maakte frietjes en kroketten die eruit zagen als letters. Heel het land was verzot op wortelpuree met de nieuwe letterworst. Maar niet alles was een succes. De nieuwe letters die hij uit zijn mouw schudde, verkochten voor geen meter. Logisch, want met onbestaande letters kan je geen woorden maken. Zijn fantasie kende geen grenzen. Zo begon hij op een dag zinnen te maken voor zijn klanten. Persoonlijke zinnen voor een geliefde, als er een baby geboren werd of bij een andere speciale gelegenheid. Hij schreef ze op een kaartje of werkte ze uit met letterkoekjes. “Mensen zijn altijd op zoek naar de juiste woorden”, zei hij tegen zijn vrouw. Ze waren perfect gelukkig. Ondertussen hadden ze ook een zoon en dochter op de wereld gezet. Hun leven leek op de slotzin van een sprookje. Ze hadden 'een lang en gelukkig leven' voor de boeg. Jarenlang werkte hij dag en nacht. Woorden verzinnen voor mensen die niet op de juiste woorden kwamen, maar ook de chocoladeletters, de soepletters en al het andere ging nog steeds als zoete broodjes over de toonbank. Ondertussen verkocht hij ook letters in het buitenland. Niet makkelijk, want in andere landen zien die er soms anders uit. Eigenlijk werkte hij te hard. Op een dag was hij helemaal overletterd. Hij kon geen letter meer zien. Hij lag boven in bed. Zelfs het dekbed met letters kon hij niet verdragen. En als zijn vrouw soep met lettertjes bracht, duwde hij die van zich af. ‘s Nachts droomde hij dat de letters hem aanvielen als draken. Met meneer Letters in bed, kwamen er geen verse letters in de winkel. Omdat mevrouw voor hem moest zorgen, kon ze amper in de winkel staan. Er waren bovendien nog hun kinderen, waar ze ook voor moest zorgen. Ze besloten om de winkel te verkopen. Mevrouw Letters ging in een andere winkel werken en meneer zorgde zo goed en kwaad als hij kon voor het huishouden. Kan je dan nu nergens meer verse letters kopen? Jawel, er zijn vast en zeker nog andere letterwinkels. Want mensen zijn altijd op zoek naar de juiste woorden. Weet je nog? In het begin van dit verhaal? Dat ze nu terug gelukkig zijn? Dat heeft alles met hun kleindochter Sofie te maken. Want toen die op de wereld kwam, was het een groot feest. Meneer Letters begon al snel verhaaltjes voor te lezen aan Sofie. Zo kreeg hij terug zin in letters. Ondertussen schrijft hij zelf verhaaltjes voor Sofie. En raad eens hoe zijn eerste verhaal begint. “Dit is het verhaal van meneer en mevrouw Letters.”

Rudi Lavreysen
0 0

De superheld

Ik wandel door de winkelstraat en voor me stapt een gezin. Of tenminste enkele leden uit een gezin. De mama en de ongeveer tienjarige dochter lopen hand in hand. Het meisje huppelt zoals alleen vrolijke kinderen dat kunnen. De jongen heeft een meter voorsprong en draagt een pak van Spiderman. Hij is de kleinste van het gezelschap, maar van huppelen is er bij hem geen sprake. Hij stapt stoer vooruit. Alsof hij wil zeggen: "De papa is er niet bij, die moest werken, maar ik bescherm ons gezinnetje vandaag tegen boosaardige boeven en ander gespuis."   "I'm Batman", zegt plots een stem mijn hoofd. Het is de stem van onze jongste. Het kostuum van Spiderman doet me aan onze favoriete superheld denken. Na het voor de zoveelste keer bekijken van een Batmanfilm zeggen we het nog dagenlang. “I’m Batman”, met die typische zware stem, zoals die van een verstokte roker. Nee, verkleden als Batman doen we ons niet. Maar er totaal in opgaan, ook al kennen we de films uit het hoofd, dat wel. Al blijft het een jongensding. Als ik tegen mijn vrouw “I'm Batman” zeg, zie ik ze denken: "Ja, het zal wel, kuis het bad dan maar uit, gij badman."    Net als ik in winkelstraat op mijn bestemming wil afslaan, gaat de kleine Spiderman tegen de vlakte. Hij zet het op een huilen, want een val op die harde straatstenen doet ook bij superhelden pijn. Het troosten is voor mama. Ze kunnen dat op een manier waarbij het heldendom zelfs bij een wenende Spiderman overeind blijft. Hij plakt aan haar zoals de echte Spiderman dat in de film doet, maar hier tegen een schouder in plaats van tegen een gebouw. Ik zie hem nog net wat tranen en snot aan mama's schouder vegen. De held.  

Rudi Lavreysen
0 0

De boekenverkoper

Ik heb een vaste boekenverkoper op de zondagsmarkt. Natuurlijk is hij ook een boekenkoper. Omdat ik zelf een boekenkoper ben, is dat praktisch. Wacht, ik leg het u uit. Hij verkoopt boeken, maar hij koopt ze ook, op allerhande boeken- en tweedehandsmarkten. Als hij daar iets ziet waar zijn klanten naar op zoek zijn, schaft hij het aan. Dat bespaart ons, boekenkopers, een hoop tijd.   "Jij bent toch die Carmiggeltman", zegt hij me tijdens de eerste markt van het jaar. "Klopt. Heb je nog iets?" Meteen heb ik spijt van mijn vraag. We hebben thuis afgesproken dat ik wat minder doe met boeken, wegens plaatsgebrek. Maar het is een beetje als roken. Op de duur doe je het stiekem. Zeker bij de uitgave van Carmiggelt die mijn vaste boekenverkoper me laat zien.   "Je zocht toch nog iets?", vraagt hij. "Ja, je mag van dinges altijd iets mag meebrengen", antwoord ik. Met de beste wil van de wereld kan ik niet op de naam van de Japans-Engelse auteur komen. "Die Nobelprijswinnaar", vervolg ik. "Ja, daar zijn er veel van", lacht hij. "Je weet wel, het boek met de butler en zijn vader, op het Engels platteland, tijdens de Tweede Wereldoorlog." "Inderdaad", zegt hij. "Het is verfilmd, met Anthony Hopkins. The remains of the day."   Mezelf vervloekend dat ik niet op de naam van de schrijver kom, begeef ik me terug huiswaarts. Plots schiet het me te binnen. “ISHIGURO”, roep ik luid. Als in een kramp. Ik schrik er zelf van. Net als de verkoper van tweedehands gereedschap, waar ik langs sta. Hij denkt wellicht dat ik een klap van de hamer heb gekregen, die voor hem ligt.   Ik besluit snel om te zwaaien, alsof ik mijn vriend Ishiguro in de verte zie. Maar ik denk niet dat ik ermee weg kom.  

Rudi Lavreysen
0 0

Hemelse klanken

We staan op het dak van het MAS en kijken over Antwerpen. "En die kerk met de gekke toren, welke is dat?", wijst mijn Nederlandse compagnon. "Dat is de Sint-Jacobskerk", antwoord ik. "Ze hadden eeuwen geleden het plan om de hoogste toren van Antwerpen en ver daarbuiten te bouwen, maar dat is nooit gelukt. Daarom hebben ze nu die platte toren." "Ze hebben dus een beetje hoog van de toren willen blazen", lacht hij.  We delen een voorliefde voor spreekwoorden. En voor de koekenstad, al is hij er voor het eerst. Als ik vertel dat Rubens in die kerk begraven ligt, wil hij er meteen naartoe. Aan de kerk is de inkom bijna versperd door een bestelwagen van de nationale omroep. “We zijn nog maar een half uurtje open”, fluistert de man aan de inkom. “Daarom is het maar € 2 inkom”. Hij zegt het zo stilletjes dat ik het bijna niet hoor. Maar zo hoort het natuurlijk in een kerk. “Weet je trouwens waar de uitdrukking ‘rijke stinkerd’ zogezegd vandaan komt?”, vraagt mijn metgezel als we aan de grafkapel van Rubens staan. Ik knik bevestigend, maar hij vertelt het toch. “Vroeger werden de arme mensen buiten aan de kerk begraven. De rijke mensen hadden een plaatsje binnen gereserveerd. Maar dat gaf op de duur een geurtje. Hier liggen ze dan, de rijke stinkerds, zeiden de mensen.”    Even later zien en horen we wat de studiowagen van de nationale omroep aan de Sint-Jacobskerk doet. “Een Portugees koor voor de opnames van Klara Live”, zegt de man aan de inkom. “Blijf maar even luisteren”, voegt hij er aan toe. We worden er zowaar nog stiller van. “Dank je wel. Wat een hemelse klanken”, fluister ik. Hij knikt alleen maar. Al meen ik hem ook een moment naar boven te zien kijken.  

Rudi Lavreysen
0 1

Slaapwel

Het laatste wat ik wil, beste lezer, is u vervelen met mijn kwaaltjes. De rug, nek en schouders, de knieën, het geheugen. En dan vergeet ik er nog een paar. Maar omdat het rechtstreeks te maken heeft met dit stukje, wil ik het u niet onthouden. Ik ben geen al te beste slaper. De laatste jaren manifesteert het zich meer en meer. Het begint met het in slaap vallen voor de tv. Kent u dat? Plots wakker worden en dan Goedele Wachters opnieuw zien, die het nog altijd over hetzelfde nieuwsitem heeft. Je denkt dat je even ingedut bent, maar er zijn ondertussen vijf herhalingen van het laatavondjournaal gepasseerd. Een blik op de keukenklok leert je dat het ondertussen twee uur ’s nachts is. Als je dan in bed duikt, staan je ogen net zo ver open als je mond tijdens de jaarlijkse controle bij de tandarts. Van slapen lijkt er niets meer in huis te komen.   Zoals nu. Het is weer zover. Ik lig klaarwakker in bed. Ik herinner me plots een interview met Louis Paul Boon, de schrijver. Hij legde ’s nachts wel eens een biefstuk in de pan als hij niet kon slapen. Straf dat hij die altijd in huis had, denk ik nu. Bij mij zou het een rolmops worden. Maar die doet, ook na het opeten, niets dan zwemmen in het midden van de nacht. Trouwens, bij het bakken van een biefstuk moet je de dampkap opzetten. Of de afzuigkap, in mooi Nederlands. Dan maak je iedereen wakker.   Van mooi Nederlands gesproken. Met een Nederlandse vriend vergelijk ik wel eens woorden uit ons dialact met dat van hem. Hij woont net over de grens, in Valkenswaard. Altijd lachen. Nog meer als ik in een zin het woord ‘eng’ laat vallen. “Eng? Rudi, dat is niet eng”, zegt hij dan. “Mijn schoonmoeder in een badpak, dat is pas eng.” Het doet me midden in de nacht luidop lachen. Naast me lijkt er iemand wakker te worden. Ik kan beter even stil zijn. Ik neem mijn e-reader, zodat ik het nachtlampje niet moet aandoen. Het is een geweldige uitvinding, dat digitaal boek. En je moet je vingers niet natmaken, bij het omslaan van een bladzijde. Maar het zit me niet mee. De batterij laat het plots afweten.   Opladen aan de laptop maar. Och, dan kan ik evengoed dit stukje schrijven. En de krant lezen. De digitale krant, want die komt rond 3 uur ’s nachts online. Daar kan geen postbode tegenop. Maar eigenlijk hoort een mens dat niet te weten, wel? Afijn, ik laat het hierbij, als u dat niet erg vindt. Ik ga het nog even proberen, om de slaap opnieuw te vatten. Slaapwel. En als u ook niet kan slapen, leest u dit stukje maar even opnieuw. En opnieuw.  

Rudi Lavreysen
0 0

De vallingman

"De plaatsen zijn duur", zegt de man tegen zijn vrouw. Ze speuren op het terras naar een vrijstaand tafeltje dat er niet is. Ik bezet op een zonnige dag een tafel met vier stoelen. "Stoort het als we hier aanschuiven?” vraagt hij. “Natuurlijk niet”, zeg ik. In een trein is het normaal dat mensen bij elkaar gaan zitten. Op een terras is het dat nog niet.Aan het tafeltje naast ons zegt een man tegen zijn tafelgenoot: “Heb ik nu toch geen valling zeker.” Ook zonder dat hij het expliciet zegt, is het te horen. Zijn nasale stem klinkt als die van de actrice uit The Nanny, de tv-serie uit de jaren ’90. Ik hoor het hem al bijna zeggen: ‘Oh Mr. Sheffield...’ “Dat is met de verandering van het weer”, zegt de man naast hem. Het is wellicht zijn dokter. Hij heeft meteen een diagnose klaar. “Maar goed dat de zon schijnt”, gaat The Nanny verder. “Dat is goed voor mijn valling.” Zijn dokter spreekt het niet tegen. Maar eigenlijk is het fout. “Dat is goed tegen mijn valling”, zou het moeten zijn. Plots krijgt de vallingman een oproep op zijn smartphone. Het geluid is dat van een oude telefoon. Het klinkt zo luid als het toestel dat we vroeger in huis hadden. Als pa achteraan in de tuin aan het werk was, hoorde hij het nog. En hij hoorde niet al te best. De persoon aan de andere kant van de lijn heeft moeite om hem te verstaan. “Nee, ik heb een valling”, zegt de man. “Het ligt niet aan de lijn.” Omdat hij die zin nog een paar keer herhaalt, telkens luider en luider, kan iedereen op het terras en in de nabije omgeving hem horen.   “Het is inderdaad een slechte lijn”, gromt hij tenslotte. “Ik bel wel terug.”  

Rudi Lavreysen
0 0

Wielerhoogdagen

Een hoogdag. Ze nemen dat woord nogal snel in de mond als er zich een belangrijke wielerwedstrijd aandient. Voor ons is de zondag een wandelhoogdag. Op de ochtend van een voorjaarsklassieker steken heel wat wielertoeristen ons voorbij. Ik vertel mijn vrouw het verhaal van een vriend, die elk jaar bij de Ronde van Vlaanderen een vaste afspraak heeft. “Ze maken ’s morgens zelf een ritje, daarna vlug een douche en dan installeren ze zich op een caféterras. In het café staat de tv afgestemd op de Ronde. Af en toe glipt er iemand naar binnen om te kijken wie er op kop hangt. Vorig jaar hebben ze de finish gemist. Wegens te gezellig op het terras.”   Even later passeert ons een man. Hij fietst voorovergebogen, want op zijn gewone herenfiets heeft hij een koersstuur gemonteerd. Hij draagt een beige colbertjasje en hij heeft opvallende rode schoenen aan. Een liedje van Elvis Costello komt spontaan in me op. “And I won't get any older. Now the angels wanna wear my red shoes”.    “Dat deden wij vroeger ook”, vertel ik. “Een ander stuur op onze fiets zetten. In het begin was het een koersstuur, maar toen we bij E.T. zagen dat BMX fietsen de lucht in gingen, werd het een hoog stuur. Op de bergjes van ons zelf aangelegd crossterrein probeerden we in de lucht te blijven hangen. Zoals Elliot en E.T. in de film. In ons hoofd reden we op een BMX. Tot één van de vrienden op een dag met een echte kwam aangereden. We stonden erbij en floten ernaar. Ik zie ons nog staan. Met de handen in onze zakken.” Het waren mooie dagen. De liedjes van Elvis Costello kende ik toen nog niet. Nu durf ik ze regelmatig neuriën. “And I won't get any older, hmm hmm hmm.”  

Rudi Lavreysen
0 0

Optellen en aftellen

We zitten in de stad. Letterlijk. Na de boodschappen verzoekt een vrijstaande terrastafel ons om te gaan zitten. We luisteren graag, want de hoge tafel met twee taboeretten is de enige die nog vrij is. De eerste lentezon heeft flink wat mensen gelokt. Als bijen naar een honingpot. Na het brengen van de consumpties, rekenen we meteen af bij de ober. Hij wil de prijs van de twee drankjes optellen, maar geraakt er niet meteen uit. De eerste zon wellicht en de drukte die het met zich meebrengt. Even later komt hij met de rekening. We moeten  5 euro en 60 cent betalen en de vriendelijke man denkt zichtbaar na over wat hij moet teruggeven van het briefje van 10. “Optellen”, wil ik helpen. “40 cent erbij is zes en vier euro erbij is tien euro.” Meestal gevolgd door een ‘geweest’, waarna het briefje in een dikke portefeuille en vervolgens in de schort van de ober verdwijnt. De lentezon duikt ondertussen achter een gebouw. Maar de ervaren terraszitters weten nog een zonnige plek. Tafels en stoelen verschuiven tegelijkertijd. Het lijkt wel een ballet. Als de zon zich even later definitief dreigt te verschuilen, zijn we de enigen met nog een streepje zon. Dankzij onze barkrukken zitten we hoger. Ik zie meteen enkele jaloerse blikken. We wenken naar de ober. Om het hem niet nodeloos ingewikkeld te maken, bestellen we hetzelfde. De vorige rekening ligt nog op tafel. Aan de tafel achter ons leest een man zijn krant. Als hij plots vrij luid gaapt, kijk ik om. “Dat zal de eerste lentezon zijn”, zegt hij. “Ze zeggen dat je daar moe van wordt.” Ik knik bevestigend en wil vragen of hij dat in de krant gelezen heeft, maar ik geniet nog even van de ondergaande zon. Nog goed twee minuten denk ik. We kunnen al aftellen.  

Rudi Lavreysen
0 0

Duur haar

Al jaren kom ik in dit kapsalon. Al jaren is het dezelfde kapper.  Maar vandaag is het iemand anders. De nieuwe kapper draagt een leren kappersschort, wat er zeer professioneel uitziet. "Hetzelfde als vorige keer" kan ik hem niet zeggen, maar de jongeman begrijpt meteen wat ik bedoel met "niet te lang en niet te kort."   Als hij met zijn kam moeilijk door mijn nogal wilde haarbos geraakt, zie ik hem door de spiegel een lichte grimas maken. "Dat kan van de gel zijn", vertel ik hem. “Misschien”, zegt hij, “maar je hebt ook duur haar.” Ik kijk hem vanuit de kappersstoel in de spiegel niet begrijpend aan. Wat bedoelt hij met ‘duur haar’. Dat hij niet in ons stadje of land is opgegroeid, had ik al begrepen. “Ik kom uit Irak”, vertelt hij even later, waarna we het over zijn vlucht naar ons land hebben. En over zijn familie en kappersdiploma. “Echt duur haar dat jij hebt”, zegt hij voor de tweede keer. Ik weet nog altijd niet wat hij ermee bedoelt.    Als ik na de knip- en scheerbeurt aan de toonbank vraag hoeveel ik hem schuldig ben, kijkt hij nog even naar mijn fris geknipt kapsel en glad geschoren kin. Dat gaat me hier wat kosten, met dat duur haar van mij. Maar als het te duur is, kan ik het misschien mee terug naar huis nemen.    Tot ik later thuiskom en het opzoek. ‘Dure’ betekent ‘taai’ in het Frans. Och ja. Een kleine en begrijpelijke verspreking. En wondermooi eigenlijk. Dat moet ik straks opschrijven.   Maar kijk, ik heb dus taai haar. Dat heeft me nooit iemand verteld.  Ik kom nochtans al jaren in dit kapsalon.  

Rudi Lavreysen
0 0

De buil

Wellicht moet ik me bij de jongeman van de supermarkt verontschuldigen over wat er op carnavalszondag aan de kassa gebeurde. Het begon al met het slechte weer. Terwijl het de week voordien nog ‘kortebroekenweer’ was, stonden met carnaval de hemelsluizen open. Ondanks de regen stapten we net voor de middag naar de supermarkt. We waren er de dag voordien al geweest, maar je kent dat, er is altijd iets dat je vergeet. Ik zeg wel eens dat ze me daar missen als ik er een dag niet geweest bent. "We hebben de Rudi vandaag nog niet gezien. Hij zal toch niet ziek zijn?"   We stapten naar de supermarkt met een paraplu en een tasje om de boodschappen in te doen. "Met deze ‘buil’ denken de mensen dat we al karamellen gaan rapen met carnaval", zei ik lachend. Een 'buil' betekent in ons dorp zoveel als een draagtasje. Het is kort voor een ‘buidel’. Met het hondenweer waren we blij dat we in de supermarkt arriveerden. Daar hadden we snel meer winkelspullen ingeladen dan voorzien en bleek ons tasje bij het afrekenen niet groot genoeg te zijn. "Heb je misschien nog een buil?" vroeg ik de jongeman aan de kassa. Hij wreef over zijn hoofd om te voelen of er daadwerkelijk een buil op zijn voorhoofd stond. “Of ik wat heb?” vroeg hij. Ik meende aan te vullen met “een zak”, maar mijn vrouw gaf me een stomp op mijn arm en antwoordde gelukkig met: “Of u nog een tasje voor ons hebt?”    Na ons bezoek aan de supermarkt gingen we een koffie drinken. Terwijl ik van de koffie nipte, arriveerden de eerste carnavalisten. Een man in een astronautenpak verzette aardig wat pintjes. "Van dat drinken moet je toch veel naar het toilet”, zei ik tegen de cafébaas. “Dat zal niet gemakkelijk zijn met zo’n kostuum.” “Nee”, antwoordde hij. “En Neil Armstrong heeft precies geen ritssluiting.” “Och”, zei ik. “Misschien hebben ze daarvoor in hun kostuum wel een buil hangen.”  

Rudi Lavreysen
0 0

Tienduizend stappen

"Dat geven ze in Nederland altijd bij de erwtensoep", zei mijn vrouw. We hadden er in een Belgisch-Nederlands grensdorp net een fikse wandeling op zitten. "Nu toch iets om te knabbelen." We zeiden het bijna tegelijkertijd.    Vooral omdat we net voor het einde van de tien kilometer lange wandeltocht een kasteel annex deftig restaurant doorkruist hadden. De geur die uit de keuken kwam, geen erwtensoep wellicht, scherpte onze honger nog wat aan. "We zijn niet meteen gekleed voor de gelegenheid", zei ik terwijl we over het binnenhof banjerden. “Er hangt wellicht meer klei aan onze schoenen dan er in het hele grensgebied te vinden is.” Twee uur lang hadden we de wandelpalen met een kruisje gevolgd. Een landbouwer had één van de paaltjes na het ploegen van zijn veld plat op de aarde gelegd. "Nu weten we van geen hout pijlen maken", kwam in me op. Het dorp was nog niet in zicht. Gelukkig kozen we de juiste richting.   In het dorp stapten we de eerste beste taverne binnen. Al bleek het ook een hotel en restaurant te zijn. De uitbaatster gebruikte meer dan één woord om ons welkom te heten. “Hoi hoi hoi. Goedemiddag”, zei ze vriendelijk. Vier woorden maar liefst. Wij hadden er tienduizend stappen op zitten. Zij telt op het einde van de dag wellicht tienduizend woorden.  Mijn vrouw ging voor de erwtensoep. Of snert. Naast het bord soep lag een bruine boterham met een lapje spek. Een traditie over de grens, zo blijkt. Ik had tomatensoep, maar bij het zien van de snert - de soep is beter dan het woord - toch ook spijt dat ik die keuze niet had gemaakt. Op mijn telefoon zag ik dat de foto’s omwille van de ochtendmist grotendeels mislukt waren. Maar het was geen snertdag. Nee, dat zeker niet.  

Rudi Lavreysen
0 0

Radio Vingt-et-un

Als ik alleen thuis ben, durf ik er naar luisteren. Maar als de mannen binnenkomen is het van: “Pa, heb je die Franstalige zender weer opgezet?”  Die zender is Radio 21. Radio Vingt-et-un. Ik vermoed dat de naam gekozen werd om luisteraars het gevoel te geven dat ze ergens altijd eenentwintig blijven. “Ge verstaat toch niet veel van wat ze vertellen”, zegt onze jongste. “Niet alles, maar dat moet niet”, antwoord ik. “De reclame is niet zo vervelend als op de Nederlandstalige zenders en dat Frans geeft me wat vakantiegevoel”. Ze kijken me niet-begrijpend aan. Ik heb niet veel nodig om me in Brussel of Parijs te wanen.    “Jullie zijn niet te beklagen. Vroeger moesten we soms naar de Duitse tv kijken. Moeten ja. Want er was maar één tv-toestel in huis. Nu hebben we meer tv-toestellen in huis dan er kamers zijn. En dan tel ik de laptops nog niet mee.”   Het ging van carnaval in Keulen tot Duitse schlagermuziek. Ik droom er soms nog van. Mijn vrouw schrikt zich te pletter als ik ’s nachts een lied van Heintje aanhef. Te begrijpen natuurlijk.    “Het ergste waren de films op de Duitse zender”, ga ik verder. “Die werden gedubd. Dan zag je in een western de cowboy plots ‘Hände hoch!’ zeggen in plaats van ‘hands up!'. Aan zijn lippen zag je bovendien dat de man eigenlijk iets anders zei. En als we cowboy en indiaantje speelden moest er altijd iemand de Duitse cowboy zijn.”    Dat laatste verzin ik ter plekke, maar ik zie toch al een glimlach verschijnen bij onze jongste. Die glimlach wordt een grijns als er plots een bekende stem op Radio 21 weerklinkt. “Je suis Donald Muylle”, horen we de stem zeggen. Donald Muylle begot. “Wat zei je ook alweer van die reclame, pa?”   Tja, daar sta je dan.  

Rudi Lavreysen
0 1

Mosselen

Ken je dat? Je ziet iemand iets eten en denkt: dat had ik ook moeten nemen. De man met de witte pet en de witte oortjes stond aan een ton voor de visspeciaalzaak in Antwerpen. Ik wachtte op mijn sardienen en hij begon smakelijk aan zijn mosselen. Ze werden geserveerd in een kleine mosselpan en hij at er een stukje brood bij. 'Die bestel ik de volgende keer', zei ik.    Die volgende keer bood zich aan. Eerst had ik een bezoek aan het Mayer van den Bergh museum op het programma staan. Voor de Dulle Griet van Breughel, die na twee jaar terug thuis was. En voor Jeroen Olyslaegers, de Antwerpse auteur, die een rondleiding gaf in het museum. Ik zag prachtige kunst en hoorde Jeroen het museum en de kunst tot leven brengen. Maar wat ik ook zag? Mosselen. Bijvoorbeeld op ‘Boerengezelschap bij de haard’ van Pieter Aertsen. Naast mosselen was op het werk een vogelkooi te zien. “De vogelkooi op het schilderij betekent dat het huis er eentje van lichte zeden is”, hoorde ik Jeroen Olyslaeghers in het audiotoestel vertellen. Nooit geweten.    Na het museumbezoek was er geen houden meer aan. Ik meende de mosselen al te ruiken. Meteen naar de visspeciaalzaak op de Grote Markt. Om er sneller te zijn had ik een stadsfiets gereserveerd.  Daar aangekomen waren, u raadt het al, de rolluiken naar beneden. Een inderhaast opgehangen papiertje, meer plakband dan papier, vertelde dat ze er even tussenuit waren. Nog drie dagen waren ze gesloten. Te lang om te wachten wellicht. Alhoewel. Mijn luide vloek deed niemand omkijken. In de stad doen ze dat niet zo snel vermoed ik. Daarom vloekte ik maar een tweede keer. In de verte meende ik de man met de witte pet en de witte oortjes opnieuw te zien. Van de honger wellicht.   

Rudi Lavreysen
0 0

Het is veel waard

“Och, jullie moeten niet ongerust zijn.” Dat zei onze jongste, na een gesprek over zijn weekendje weg met de vrienden. “Dadelijk is het weer van: wacht maar tot ge zelf kinderen hebt, dan begrijpt ge het wel.” Ik zag mijn vrouw een zin inslikken. Ik meende te zeggen dat wij op die leeftijd, zelfs jonger, al een reis naar het buitenland hadden gemaakt. En bij ons zelfs in het pre-gsm-tijdperk. Zou het kunnen dat de voortdurende bereikbaarheid de ongerustheid doet toenemen? Omdat het toen niet mogelijk was. Ouders dachten: het zal wel in orde zijn. Ze moesten vertrouwen hebben.   Zo gaf een meester van onze lagere school, een voetballiefhebber, regelmatig de opdracht om een voetbalkrantje te gaan halen bij een man, die 200 meter van de school woonde. “Bel maar aan en hij geeft het wel.” De herinnering is vaag, maar ik stel me voor dat je dan nog even langs het raam passeerde en je naar de anderen kon zwaaien, die in de klas moesten blijven. Als een ontsnapte gevangene. Nee, beter als een koning. Want je mocht die dag iets meer dan de anderen.   Je zou het nu moeten proberen. De leraar werd publiekelijk gelyncht. Hoe durft hij het? Een kind alleen op pad sturen? Maar misschien wist hij wel exact hoelang we zouden achterblijven? En zou hij ons na tien minuten achterna gekomen zijn. Niemand waagde het om een omweg te maken. Misschien was het wel afgesproken met de man en was het wekelijks hetzelfde krantje. Niemand van de klas die het ooit bekeken heeft. Misschien wilde hij ons die tien minuten en dat vertrouwen geven. Misschien ook niet.   Maar het is een goed gedacht. En je weet wat ze daarvan zeggen.  

Rudi Lavreysen
0 0

Vergeetwoorden

Ik zit aan onze eettafel en blader door een boek met ‘1000 vergeetwoorden om te koesteren’. Het zijn woorden als pertang, schielijk, schobbejak en bijkans. De bijhorende beelden komen als vanzelf. "Ik had pertang goeien troef", hoor en zie ik grootvader aan de ronde keukentafel in het ouderlijk huis zeggen.  Deze dopen ze op vrijdagavond om tot kaarttafel. Ze zitten er met zijn vieren. Het is een beeld van lang geleden. Hij werpt zijn twee resterende speelkaarten theatraal op tafel, waarbij ze een paar keer rond hun as draaien. Het spel kunnen ze niet meer winnen. De overige troeven zitten bij de tegenpartij. Hij gooit zoals een lassowerper, maar dan met speelkaarten in plaats van met een touw. De teleurstelling van het verloren spel dikt hij hierdoor nog wat aan. Alsof het een staatszaak is.  “We hebben toch bijkans acht slagen”, vervolgt vader troostend. Hij is in dit spel de compagnon van grootvader. En dat hij maar drie troeven had, maar wel goede ‘speelkaarten’, waarna hij de zeven gerangschikte stapeltjes met telkens vier kaarten nog maar eens natelt. Alsof het er plots acht zouden zijn. Grootvader vervolgt dat hij ook geen ‘vluchthand’ had. En de nonkel die met vijf troeven durft te passen, is volgens hem een schobbejak. Het is taal en kaarterstaal die je nog zelden hoort.   Tussen het kaarten door vertellen ze verhalen, over de een of andere kennis die schielijk gestorven is. Waarna grootvader ongeduldig vraagt of er nog gekaart wordt. Want met al dat gepalaver komt er van kaarten niets in huis. Gepalaver. Wie gebruikt het nog? Ook dat staat in het boek van niet vergeten woorden en niet vergeten mensen.  

Rudi Lavreysen
0 0

Nieuwjaarsbrief aan mijn tv-provider

Geachte heer, mevrouw   Ik maak er een gewoonte van om in het begin van het jaar enkele nieuwjaarsbrieven te schrijven. Voor mijn familieleden en vrienden, maar ook naar enkele instanties om geheel vrijwillig mijn diensten aan te bieden. Dit jaar viel de keuze op uw firma. Ik weet niet of u zich nog herinnert dat een bepaalde minister op een gegeven moment het kijk- en luistergeld heeft afschaft. "Het is niet meer van deze tijd, een belasting heffen op tv-kijken", verklaarde de minister. De commerciële tv betaalde zichzelf immers al met met reclame en de overheidszender kreeg een jaarlijkse dotatie. Ik kan me niet meer voor de geest halen hoeveel het kijk- en luistergeld exact was, maar het moet zo ongeveer in de richting gaan van het bedrag dat we nu maandelijks betalen voor uw diensten inzake digitale televisie, telefoon en internet. Het moet natuurlijk allemaal betaald worden, dat hoort u me niet zeggen. We kunnen bovendien tal van tv-programma's opnemen met onze digicorder of TV decoder, om ze op een later tijdstip te bekijken.   Alhoewel, daar zit eigenlijk het probleem. Tijdens de eindejaarsperiode zijn er op de nationale zenders heel wat mooie programma's te zien. Nieuwe series, jaaroverzichten, conferences, klassieke films en meer. Het toestel draait overuren. Maar telkens als we meer dan twee programma's tegelijk willen opnemen, krijgen we de boodschap dat er een conflict is. Ik begrijp dat niet. Enerzijds zou het mogelijk moeten zijn, maar ook het woord stoort me. Want meteen verplaatst het conflict zich naar onze huiskamer. Ruzie, omdat iemand zijn of haar geliefde programma moet schrappen.   Daarom stel ik voor om enerzijds de mogelijkheid te voorzien om minstens vijf programma's tegelijk te kunnen opnemen. Voor het bedrag dat we jaarlijks aan uw firma betalen, zou dat toch een optie moeten zijn. Anderzijds geef ik u graag een alternatief voor de term 'conflict'. Dat ligt nogal zwaar op hand. Het betekent letterlijk een 'strijd'. Want denkt u van een 'dilemma'? Dat is 'een keuze tussen twee of meer alternatieven'. Beter, niet? En zachter. Mocht u zich hier in kunnen vinden en het daadwerkelijk gaat toepassen, mag u als tegemoetkoming altijd een bedrag naar keuze aftrekken van mijn maandelijkse factuur. Indien u niet meteen een bedrag kan verzinnen, wil ik dat graag in uw plaats doen.   Steeds tot uw dienst en alvast een vreugdevol 2019.   Met vriendelijke groeten Rudi Lavreysen

Rudi Lavreysen
0 0

De kalender

Ze zijn sneller uitverkocht dan andere jaren. De reden? Ze liggen een paar weken vroeger in de krantenwinkel. Net van kalenders zou je verwachten dat ze op een vast tijdstip verschijnen. We hadden het zelfs op de kalender van dit jaar (die dus vorig jaar bij het boekje zat) genoteerd. Ik krijg de opdracht om bij enkele lokale en bovenlokale krantenventers te informeren. Of er geen exemplaar onder de toonbank ligt. Helaas. Lichte paniek in huis, want geen enkele kalender is beter geschikt om werk- en schooluren op te noteren. De vakantie, afspraken bij de kapper of dokter en wat weet ik allemaal. De vakjes hebben de ideale grootte. Vier regels. Meer kan of mag er op een dag niet gebeuren. De dagen krijgen al een beetje vorm dankzij de kalender aan de keukenmuur. Ik moet toegeven dat het mezelf rust geeft. De dingen zijn geregeld. Het is goed zo. Dat gaat dit jaar dus niet gebeuren. Ik heb al een andere kalender gekocht, maar die blijkt niet hetzelfde te kunnen. Tot er plots het verlossende bericht komt. Er is een uitgave van twee tijdschriften gespot, in een plastiekje, inclusief kalender. Wat een geluk. Het eindejaar kan niet meer stuk. Excuseer me voor de rijmelarij, maar dat is het gevoel.Wat ik me afvraag. Wij noteren op de kalender bij elke dag onze eigen kleine wereld. Zouden de mensen met een iets grotere wereld dit ook doen? Hangt er bij Donald en Vladimir ook eentje in de keuken? Stel dat Melania en Ljoedmila in een vakje bij een bepaalde dag iets noteren als “Babbelen met Assad. De mensen hebben er honger.” Och nee. Wat zou het.Maar kijk. Onze kalender hangt. Voorlopig nog onder die van het oude jaar. Maar hij hangt. Het nieuwe jaar staat klaar. Nu wij nog.   

Rudi Lavreysen
0 1

Van katoen geven

“Buitenlanders vinden hier nooit het toilet”, zeg ik. “Het bordje met ‘koer’ boven de toiletdeur zal niet veel helpen.” Als het ons lukt, trekken we zaterdag- of zondagvoormiddag eropuit voor een fikse wandeltocht, waarna mijn vriend en ik soms in dit etablissement belanden. We laten er de voormiddag in de namiddag glijden, met een klassieke filterkoffie voor onze neus. “De tijd gaat snel, gebruik hem wel”, zeggen we soms tegen elkaar.    Diezelfde tijd heeft geen vat op de zaak gehad. De bierglazen hebben er nog dat gouden randje. Het toilet is nog altijd de koer. “Ik ga zelf eens kijken of ik nog een jongen ben”, zegt mijn compagnon terwijl rechtstaat. “Vanaf nu kan je op het toilet van katoen geven”, zegt hij even later, terwijl hij zich terug neerzet. Ik kijk hem niet begrijpend aan. “Er staan zakjes met verse katoen in het kleinste kamertje”, vervolgt hij. “Om een aangename geur te verspreiden wellicht. Op het zakje staan twee regels uit die mooie song van Billie Holiday. “Summertime, and the livin' is easy. Fish are jumpin' and the cotton is high.” Hij zegt het al zingend.   “Weet je trouwens waar de uitdrukking ‘van katoen geven’ vandaag komt?”, vraag ik hem. Hij trekt zijn wenkbrauwen omhoog maar zegt niets. “Als ze vroeger de petroleumlamp feller wilden laten branden, moesten ze de katoenen lont verlengen. Daarom zeggen we nu nog altijd ‘van katoen geven’ om buitengewoon je best te doen.”  “Gij bakt ze toch bruin met uw spreekwoorden”, lacht hij. “Van bruin gesproken, weet je trouwens waar het spreekwoord ‘dat kan mijn bruine niet trekken’ vandaan ko…” wil ik vragen, maar hij laat me niet uitspreken. “Nee, ik wil het ook niet weten. Drinkt gij maar eens van die koffie”, lacht hij. “Ik krijg dorst van uw bruin spreekwoorden.”

Rudi Lavreysen
0 0

Het kleine geluk

“Ik zou twee keer willen krabben”, hoor ik de man zeggen. Hij staat voor me in de rij bij de krantenwinkel. Hij doet me schrikken. Maar wat een geluk. Hij heeft het tegen de winkeljuffrouw. Nog gelukkiger voor haar, gaat het over een Win for Life, waarop hij twee keer wil krabben. Zijn vraag nodigt uit om een opmerking over te maken. Maar er schiet me niet meteen iets te binnen als ik aan de beurt ben. “Je hebt hem niet laten krabben”, zou wellicht fout overkomen. Daarom betaal ik gewoon mijn krant en wens de winkeljuffrouw nog een fijne dag.    Al dat oefenen in mijn jonge jaren, om meteen een antwoord klaar te hebben, heeft blijkbaar niet veel geholpen. Want na de woensdagtraining had ik wel eens een afspraak met de badkamerspiegel  in de rol van Jan Wauters of de jonge Frank Raes. De radio speelde op de achtergrond. Een haarborstel deed dienst als microfoon. Europese voetbalwedstrijden werden toen nog alleen op woensdag gespeeld.  Als de sportjournalisten een voetballer van Anderlecht, Brugge of zelfs Waterschei voor de microfoon haalden, nam ik het wel eens over van Vandenbergh, Ceulemans of Clijsters.  “Ja Frank, het was een prachtig doelpunt. Daar heb je gelijk in. Er was een beetje geluk mee gemoeid, maar dat moet je soms ook afdwingen.” In het echte leven ben ik nooit tot bij de microfoon van Wauters of Raes geraakt. Het is bij de badkamerspiegel gebleven. Het voetbalgeluk ging later over in andere zaken. Och, het geluk zit in kleine zaken. In kleine dagen. Al moet je je soms wel eens op het hoofd krabben. Zelfs twee keer, zoals de man in de krantenwinkel.  Want je krijgt het niet op een briefje. Zelfs niet op een Win for Life.  

Rudi Lavreysen
0 0

Het lekkerste

“Die zijn voor onderweg”, voegde ik er aan toe. De mevrouw van de broodjeszaak lachte vriendelijk. De twee frikandellen moesten de grote honger stillen, terwijl we naar huis stapten met onze broodjes. Bovendien is het buitengewoon gezellig. Maar spreken met een hete frikandel in je mond is niet het beste idee. ‘Eigenlijk is dit nog het lekkerste’, probeerde ik te zeggen. Het kwam er uit als 'eiheheh ih di no he hehhehe'. Toch had mijn vrouw me verstaan. ‘Ha ih ho’, antwoordde ze. ‘Dat is zo’, had ik begrepen.    “Weet je nog?”, vroeg ik. “Toen we frieten gingen halen en we niet konden wachten.” U kent het wellicht. Met de geur van verse frieten in de auto moet je karakter hebben om er af te blijven. Dat heb ik niet. Maar na één frietje komt een tweede en voor je het weet, scheur je de zak open. Met mijn ogen op de frieten, lette ik minder op de weg. Ik moest plots stoppen en de rest kan u zich inbeelden. De frieten lagen overal behalve in onze mond. En de frietgeur hing nog weken in de auto.   Maar meestal gaat het goed. Alhoewel. De mannen hadden laat op de avond nog een hongertje. Pa zou wel naar de afhaalzaak rijden. Ze hadden me thuis gezegd dat je de bestelling voortaan aan een praatpaal moest doorgeven. Maar daar aangekomen reed ik er voorbij. De macht der gewoonte wellicht. Pas toen ik de paal passeerde dacht ik eraan. In mijn achteruitkijkspiegel zag ik een auto aankomen. Achteruit rijden ging niet meer. Daarom stapte ik uit en gaf al staande, lichtjes door de knieën gebogen, aan de praatpaal mijn bestelling door. De mensen in de auto kwamen niet meer bij van het lachen. Wat te begrijpen valt. Ik stond er mooi voor paal.  

Rudi Lavreysen
0 0

De hotelgast

"Kan ik hier even bellen mevrouw?" Kijk, dat hoor je niet meer vaak, dacht ik meteen toen de pas binnengekomen jongeman deze vraag aan de uitbaatster van de taverne stelde. "Ik logeer in het hotel vlakbij", ging hij verder. "Ik ging nog even naar de nachtwinkel voor een kleine snack en ik heb mijn gsm in de hotelkamer laten liggen. Bij het terugkomen geraakte ik nog in de hal, maar ik kwam met mijn badge niet voorbij de tweede deur. Dus ook niet bij mijn kamer. En hier zag ik nog licht branden. Ik dacht, misschien kan ik er de uitbater van het hotel bellen, want daar is 's nachts niemand aanwezig."    Nu weet u meteen dat we op een niet al te christelijk tijdstip in die taverne vertoefden. We hadden die avond een speelfilm bekeken in onze bioscoop. Dat filmverhaal moest nog geëvalueerd worden. Tussen ons gezegd en gezwegen is dat een belangrijk aspect van het speelfilmgebeuren. En die nabespreking wil al eens uitlopen. Al weet ik daar thuis meestal een draai aan te geven. Dat de ondertiteling niet startte en daarom de film langer duurde. Wat als eens echt gebeurd is, maar dat kan je natuurlijk niet elke keer vertellen, want dan is je geloofwaardigheid naar de haaien.   "Vroeger, toen de mobiele telefoons nog niet bestonden, gebruikte iedereen het telefoontoestel van het café", vertelde ik aan de vrienden rond de tafel. "En als de cafételefoon rinkelde, kon je er gif op innemen dat het merendeel van de late bezoekers 'ik ben er niet' tegen de cafébaas zou zeggen. Of 'zeg maar dat ik net naar huis ben'. Je kan daar nostalgisch over doen, maar nu kan je tenminste verklaren dat je het bericht op je gsm niet gezien hebt. Of dat de batterij leeg was. Kortom, we gaan er op alle vlakken op vooruit."   De onfortuinlijke hotelgast had ondertussen een paar keer getracht om de hoteluitbater te bereiken, maar dat lukte vooralsnog niet. We waren dus genoodzaakt om de arme man een handje toe te steken en een oplossing voor hem te zoeken. Waardoor het nog later werd. De volgende ochtend kreeg ik op het thuisfront de vraag voorgeschoteld of er 'toevallig' weer iets aan de hand was met de ondertitels van de film. "Nee, totaal niet", antwoordde ik. "Maar we hebben een hotelgast uit de nood moeten helpen, daarom is het wat uitgelopen. Dat klinkt misschien ongeloofwaardig, maar het is echt gebeurd."   Totaal naar de haaien natuurlijk.  

Rudi Lavreysen
0 0

De koffiesopper

Het klinkt u wellicht bekend in de oren. U bestelt een koffie en iemand van het gezelschap is als de wiedeweerga met uw koekje weg. Voor u iets kan zeggen zit het in hun mond. Of u bestelt een biertje en één van de tafelgenoten zit, nog voor uw potje met noten of chips op tafel staat, er al met zijn vingers in. Op zich kan ik daar mee leven. Samen eten is ook samen delen. Ik durf mijn vork wel eens in het bord van een disgenoot plaatsen en achteraf pas vragen of ik mag proeven.   Maar een oud-collega maakte het geweldig bont. We werkten samen op een bureau en terwijl ik een koffiedrinker ben, hield hij het bij een kopje thee. “Ik drink geen koffie”, vertelde hij ooit. Maar als er iemand met speculaas trakteerde, lapte hij het telkens om met zijn koek in mijn koffie te soppen. “Héla, gij lust toch geen koffie”, riep ik. “Nee, dat heb ik niet gezegd. Ik drink geen koffie. Soppen is niet drinken”. Altijd had hij een antwoord klaar.   Hij was trouwens enorm inventief. Een professionele koffiesopper als het ware. Dan kwam hij met zijn armen op de rug naar me toe gestapt, met zogezegd een vraag waardoor ik op mijn computerscherm moest kijken en nog voor ik er erg in had, dompelde hij zijn speculaas in mijn koffiekop. Zijn vrouw vertelde me eens dat ze thuis altijd een schaaltje van filterkoffie op hun tas legden, om zijn soppen te vermijden. Het is immers verre van aangenaam drinken, met die klonters speculaas in je kop koffie.   Het zou nog een idee voor een hippe koffiezaak zijn. “Geen koffiedrinker? Maar wel een liefhebber van gesopte speculaas? Hier staat altijd een kopje sopkoffie klaar.” Ik ken alvast iemand die interesse heeft.  

Rudi Lavreysen
1 0

Aangeschoten

Ik schrok ervan, toen ik het krantenartikel over het failliet van Würst las, het hotdogrestaurant dat indertijd opgericht werd door Jeroen Meus. Vooral omdat hotdogs me zeer genegen zijn. De geur van zuurkool en gebakken ajuin die zich in je neus nestelt. Hemels gewoon. Jeroen Meus verstond de kunst om er met zijn "haute dogs" een extra toets aan te geven.   De tweede reden waarom het artikel opviel, was het gebruik van enkele aan voeding gerelateerde spreekwoorden. Ik wil u graag een plezier doen en de betekenis van deze zegswijzen toelichten. U kan dit wellicht ooit gebruiken tijdens een familiefeest, als u om een wist-je-datje verlegen zit. Wanneer diezelfde oom of schoonbroer met zijn flauwe moppen opnieuw met alle aandacht gaat lopen.   "Würst zit in de puree", was de kop van het artikel. "In de puree zitten" is verwant met "in de rats zitten". Rats is soldatentaal en je kreeg dat bij het door elkaar koken van groenten en aardappelen. Zie ook het Franse ratatouille. Iets verder in het stuk las ik dat "het vet van de soep" was bij Würst. Dat is dan weer familie van "het vet is van de ketel". Als het beste of het meeste voordeel weg is, wanneer de room van de melk geschept is. Kijk, daarmee komt u behoorlijk intelligent over, als u dat aan tafel vertelt.   Maar u kan nog verder gaan. U kan zeggen dat de hotdogs bij Würst "peperduur" waren. Die uitdrukking herinnert aan de tijd toen peper zo duur was dat de korrels als betaalmiddel werden gebruikt. Of je zegt dat Würst niet langer "zelfbedruipend" was. Dat komt oorspronkelijk van dieren, die in hun eigen vet gebraden werden. Daarna werd het gezegd over mensen die in hun eigen onderhoud voorzien, zonder steun van anderen.   Nadat u deze wetenswaardigheden bij het kerstdiner hebt verteld, zijn uw familieleden van ellende en jaloezie ongetwijfeld in de drank gevlogen. Dat is het moment om te vertellen dat u weet waar de uitdrukking "aangeschoten" vandaan komt. Het is eigenlijk een jagersterm. De jagers gebruikten het woord "aanschieten" als ze het wild met een schot raakten, maar het dier nog wankel op zijn poten kon staan. Later is men dat woord ook beginnen gebruiken voor mensen die iets te diep in het glas hadden gekeken en even wiebelig op hun benen stonden.   Beste lezer, als u dat allemaal uit de doeken doet tijdens het familiediner, beschouwt men u voortaan als de intellectueel van de familie. Het voordeel is trouwens dat u elk jaar dezelfde weetjes kan vertellen. Want na al die glaasjes herinneren ze zich dat toch niet meer.  

Rudi Lavreysen
0 1

Alleen maar Engels

“Ze spreken daar alleen maar Engels”, zei mijn collega. Hij had het over de Nederlandse stad waar ze hem niet begrepen. Ik kon het enkel bevestigen. Al is ‘alleen maar’ lichtjes overdreven. Maar in het Rotterdamse hotel waar we verbleven maakten we hetzelfde mee. “Het mag in het Nederlands, wij komen uit België”, glimlachte ik aan de receptie. Maar het hielp voor geen meter. De receptioniste ging vrolijk verder in het Engels.  Op het strand van Scheveningen was het van het zelfde laken een pak. Ik meende me aan de Hollandse geplogenheden aan te passen en bestelde een pilsje aan de jongedame van het strandcafé. “A beer for you sir?”. Dat pilsje was haar bekend. Iets later (het was nogal warm die dag) vroeg ik naar een ‘pintje’, maar dat kende ze niet. Het was die namiddag op het strand dat ik aan onze pa moest denken. Hij zou nog eens moeten terugkomen. En verbazend vaststellen dat niet alleen het dialect verdwijnt, maar ook stilletjes aan het Nederlands. Zo vertelde hij vaak die anekdote over de ingenieur in het fabriek waar hij portier was. Die belde met de vraag of hij samen met zijn collega kon langskomen. Ze gebruikten toen nog uitdrukkingen in het dialect die je vandaag niet meer hoort. Om te zeggen dat je ‘dadelijk’ kwam, klonk het zoveel als “ik kom bè djème”. Het lag op zijn lippen om het op die manier tegen de van oorsprong Franstalige ingenieur te zeggen, maar hij kon zich net inhouden. Hij vroeg aan zijn collega hoe je dat alweer in het Nederlands zei. Het eerste wat bij hem opkwam was ‘ik kom bij demen’.     Och, het verandert allemaal. Dat kan op zich geen kwaad. Maar dat terugkomen, dat zou toch eens moeten lukken. Al is het maar voor één keer.

Rudi Lavreysen
0 0

Profiteren

"We zullen er maar van profiteren", zeg ik op het terras, waar we zicht hebben op de zondagse rommelmarkt. "Het is misschien de laatste keer dit jaar", voeg ik er aan toe. Al besef ik meteen dat we dit de afgelopen weken al een paar keer gezegd hebben. Het mooie herfstweer blijft maar duren. "De bladeren vallen van de bomen omdat ze droog zijn. Niet omdat het herfst is", zegt de uitbater, terwijl hij onze drankjes op de terrastafel zet. Het moet gezegd, het zijn voortreffelijke terrastafeltjes. Ik weet niet of u ooit in Parijs geweest bent. Daar zie je dat soort ronde tafels overal. Ze staan dan ook bekend als Parijse terrastafels. In de lichtstad staan ze soms mooi op een rij, op het terras van een bistro.    “Zal ik de patron nog eens roepen?”, vraag ik iets later aan mijn vrouw. “Hoezo, de patron”, antwoordt ze. “Je kent toch zijn naam.” Ik wil zeggen dat ik me helemaal in Parijs waan, met die typische terrastafeltjes. En dat onze pa vroeger ook altijd patron zei. Maar mijn oog valt plots op de man die voor ons zit. Hij draagt een roze hemd met korte mouwen, een korte jeansbroek en gele gympies. “De weersomstandigheden laten het toe, maar met die vestimentaire combinatie doe je zelfs het voortreffelijke weer geweld aan”, zeg ik. Op de stoel naast hem zit zijn hond. Zijn kop steekt net boven de tafel uit. Hij kijkt alsof hij op een drankje wacht. Bovendien zit hij er zonder kussentje of deken. Nu ben ik geen viespeuk, maar daar ben ik geen absolute voorstander van. Het is misschien een gekke vergelijking, maar we hebben het er wel eens over als we wielertoeristen na een tocht van een paar honderd kilometer op een terras zien zitten. Met die bezwete koersbroeken. Ze kunnen toch eerst thuis een douche nemen. Maar dan ga je wellicht deur niet meer uit. Dat snap ik. Dan is de gezelligheid weg. Of ze mogen van moeder de vrouw niet meer weg. Dat snap ik ook. Soms moet je ervan profiteren.  

Rudi Lavreysen
0 0

Iedereen zijn geluk

“Je krijgt nooit de regel te zien, altijd de uitzondering.” Het was Rob Wijnberg, een fijne Nederlandse journalist die het ons in de krant vertelde. “Als het bloedt, haalt het de voorpagina”, voegde hij er aan toe. “Terwijl je nooit iets ziet over wat goed gaat. Op die manier maakt nieuws de mensen pessimistischer.” Hij haalde me de woorden uit de mond. Geen wonder dat de angst regeert. Gelukkig ontdek je in de kleine artikels af en toe nog een “man bijt hond” verhaal. Zo las ik het artikel over de Boeddha die ze in Hasselt over de daken zagen zweven. De Limburgse provinciehoofdstad was bijna het Banneux of Lourdes voor de boeddhisten.   Achteraf bleek het geen verschijning te zijn. Een Chinees restaurant had een 4 meter grote en 250 kilogram zware Boeddha besteld en die kregen ze met de aanhangwagen niet op het terras. Er moest een kraan aan te pas komen. Maar goed dat ze op bol.com geen lachende Boeddha besteld hadden. Dat zijn immers de dikbuikige Boeddha’s en dubbel zo zwaar.   Ik ga u het verschil tussen de Boeddha’s besparen, maar het was zowaar op een feestje dat ik met ze in aanraking kwam. Afijn, niet met de dikbuikige Boeddha’s op zich. Laat me u gewoon het verhaal vertellen. Ik vond dat één van de aanwezigen op het feest me een beetje aanstaarde en vertelde dat later ook tegen mijn vrouw. “Ge weet toch uit welk land die mevrouw komt”, antwoordde ze me. Het bleek dat ze in een land woont waar het boeddhisme de belangrijkste religie is. “Als ze over de buik van Boeddha wrijven, brengt dat geluk. Ze had wellicht een keer graag over uw buik gewreven”, plaagde ze me. Enig zoekwerk leerde me dat een ronde buik voor de boeddhisten inderdaad symbool staat voor geluk en rijkdom. “Aai hem één keer per dag over zijn buik en je kansen op fortuin worden groter”, las ik. Mijn antwoord was dat mijn buik helemaal niet zo dik is. Wel had de mevrouw een keer mogen wrijven, op die buik die helemaal niet zo dik is, want ik gun iedereen zijn geluk.   

Rudi Lavreysen
0 0

Geen kans op verveling

Ik sta te wachten. Op een parking in Neder-Over-Heembeek bij Brussel. Een boek van Murakami houdt me aangenaam gezelschap. Het moet meer dan 25 jaar geleden zijn, dat ik iets verderop in het Militair Hospitaal binnenstapte. Ongeveer zo oud als onze mannen nu zijn. Waar zijn ze inderdaad naartoe, al die jaren. Aan de receptie van het hospitaal zaten een vijftal miliciens. Ik zie ze nog zitten. Ik vroeg hun de weg naar de een of andere afdeling waar ik moest zijn. Ze maakten het onnodig ingewikkeld en ik liep hopeloos verloren. Toen ik terug aan de balie kwam proesten ze het uit. Het was wellicht hun ontspanning tijdens de vervelende uren aan de balie. Het doet iets met een mens. Verveling.   Op de parking waar ik nog altijd wacht, amuseert een juf haar leerlingen. Ook zijn moeten wachten. Op een bus die even later verschijnt. Ze laat de kinderen zingen, springen en dansen. De jongens en meisjes amuseren zich geweldig. Wat natuurlijk beter is dan aan elkaars jassen trekken. Ze heeft dat goed bekeken, de juf.  Ze geeft de verveling geen kans. Ik betrap mezelf ondertussen dat ik op het autostuur op de maat van het liedje tokkel, dat de kinderen aan het zingen zijn.   Iets later leg ik mijn boek toch aan de kant om de benen te strekken. Een man passeert me en zegt vriendelijk ‘bonjour’. Ik wens hem ook een goede dag. Wat klinkt dat toch altijd goed. Beter dan ‘hoi’, ‘hey’ of ‘hallo’. Goeiendag, goedemorgen. Ik neem me voor om het daar voortaan bij te houden. Even later is het wachten voorbij en rijden we huiswaarts. Daar aangekomen roep ik blij ‘bonjour’, maar niemand antwoordt. Ze zijn allemaal het huis uit. Och, ook geen probleem. Dan kan ik straks nog eens roepen, als ze thuiskomen.   

Rudi Lavreysen
0 0

Kermisdinsdag

Voor de mensen die niet van ons stadje zijn, is het misschien een raar gegeven, maar op kermisdinsdag trekken onze stadsgenoten ’s morgens al naar de kermis. Sommigen kan je dan vroeg op de dag in één of andere drankgelegenheid treffen. De kermisjaarmarkt is niet meer dan een excuus. Ze duiken er fris in, maar ze komen er later op de dag iets minder fris uit. Want op kermisdinsdag mag het.   Zelf doe ik aan die kermisvoormiddagvreugde iets minder mee. Maar ik kuierde die dag al wel vroeg naar de krantenwinkel. Op de terugweg hoorde ik twee jongedames op leeftijd een gesprek voeren voor de deur van een taverne. Ze stonden op het punt het etablissement binnen te stappen met hun rollator. De ene mevrouw wees naar het stuur van haar looprekje. “Mijn handvatten zijn precies toch meer versleten dan die van u”, zei ze tegen haar vriendin. “Ik heb er waarschijnlijk meer mee gereden”. Ik overwoog nog even om halt te houden, mijn krant open te vouwen en te horen wat de andere mevrouw zei, maar dat leek me ongepast. Grappig was het alleszins. Het leken wel twee jonge patsers die bluften over de maximum snelheid van hun pas aangeschafte tweedehands brommer. Het was niet de enige vermakelijke conversatie waar ik op kermisdinsdag getuige van was.   Later op de middag stond ik onze gezamenlijke gang te poetsen. Een huishoudelijke taak die ik wel eens voor mijn rekening neem. Ik was het laatste stukje aan het opdweilen toen er twee kermisgangers passeerden. Of beter: kermisgangsters. Opnieuw jongedames op leeftijd, maar niet dezelfde als die van de voormiddag. “Kijk Maria, zie je dat, dat is nu de moderne man. Die moet ook kunnen poetsen”, hoorde ik één van de dames zeggen. Waarop de andere zei: “Ja, Louisa, maar misschien staat hij er alleen voor. Dan moet hij wel.”   Het deed me ’s avonds nog een paar keer gniffelen. Toen deze moderne man languit in de zetel lag met zijn krant.  

Rudi Lavreysen
0 0

Een zomerse afwijking

"Noem het een afwijking", zei ik tegen mijn vriend op het terras van het café. Het was één van die eerste warme dagen. Overdag was het zo warm geweest dat ik 's avonds mijn korte broek nog aan had. Het leek wel alsof het volop zomer was. Ik vertelde verder over mijn zogenaamde afwijking op basis van het artikel dat ik die dag in de Nederlandse krant had gelezen. "Lees je nu ook al Hollandse gazetten?" onderbrak hij me. "Ja, maar laat me eerst over die afwijking vertellen", zei ik beslist. "Het is bijna zomer en in die krant stond een artikel over Zwarte Piet. Over dat voorval met die protestbeweging. Noem ze maar de pro-pieten. Die hielden op de autostrade een andere beweging tegen. Dat waren eigenlijk de anti-pieten en die wilden in de stad tegen Zwarte Piet betogen. Volgens de rechtbank mocht de ene groep de andere niet tegenhouden en nu moeten de pro-pieten voor het gerecht komen." "Ik ben benieuwd waar dit naartoe gaat", zei mijn kameraad, terwijl hij een flinke slok van zijn pilsbier nam.   "Kijk", ging ik verder, "ik kan er gewoon niet tegen dat ze het nu, toch bijna zomer, in de krant over winterse toestanden hebben. Dat rijmt niet. Ik wil nu niets over Sinterklaas lezen. Dat is voor na de zomer. Wacht, nog een voorbeeld. Ik verdraag in de zomer ook niet dat ze op tv een winterse serie uitzenden. Ze moeten een beetje respect voor de seizoenen hebben. Nu wil ik op tv mensen met een t-shirt zien, of personen die zoals ons buiten op een terras zitten." Mijn vriend had ondertussen een nieuw rondje besteld. Voor hem was het een koffie. "Of wintergroenten", ging ik verder. "Die eet je toch ook niet in de zomer." "Tja, ik ben daar eigenlijk niet zo mee bezig", antwoordde hij, terwijl hij zijn handen aan zijn tas koffie opwarmde. "Ik eet gewoon waar ik zin in heb. Maar wat ik wel weet", zei hij op zijn beurt beslist, "is dat ik het aardig fris begin te krijgen. Volgens mij komt dat van jouw winterse verhalen. Je kan misschien beginnen met minder Hollandse gazetten te lezen. Daar word je precies niet vrolijk van." Ik zag nu ook dat de zon al achter de huizen was gezakt. Op mijn blote benen begon ik kippenvel te krijgen. En mijn glas bier voelde ijskoud aan. Gelukkig was er binnen nog plaats. Naast de verwarming.

Rudi Lavreysen
0 0

De fietsers

Ik had ze bijna niet opgemerkt, deze bijzondere groep fietsers. Er passeren je tijdens het wandelen immers veel mensen op een tweewieler. Wielrenners met kleurige pakjes en veel elektrische fietsers op leeftijd, die je tegenwoordig bijna sneller voorbij racen dan de kleurige koersmannen. Of gezinnen met kleine kinderen, waarbij de rechterhand van papa of mama op de schouder van de nog maar pas zonder wieltjes fietsende zoon of dochter ligt. Wat ze met elkaar gemeen hebben, naast het fietsen natuurlijk, is het babbelen. Er zijn weinig fietsers die niet aan het kletsen zijn. Het gekke is, hoe harder ze fietsen, hoe luider ze praten. Let er maar eens op bij de wielrenners. Die hoor je al van ver roepen. Alsof ze met de snelheid van het geluid moeten rekening houden.    Omdat je dus zoveel fietsers ziet, had ik deze groep op een haar na gemist. Het waren in totaal zes fietsen, maar ze vervoerden twaalf mensen. Tandems inderdaad. Aan de blik van de achteraan zittende passagiers, kon je zien dat ze niets voor niets op die tweede zadel hun plek hadden. Ze waren allemaal blind of hadden een visuele beperking. Hun ogen hielden ze grotendeels gesloten. Maar ze luisterden geconcentreerd naar de geluiden van de omgeving en naar de stem van de man of vrouw vooraan op fiets. Die vertelde wat hij of zij wel te zien kreeg. Zo hoorde ik een man tegen zijn bijzit zeggen dat ‘het eerste groepje nu net achter de bocht verdwijnt. We halen ze zo wel in.’    Het moet een aparte ervaring zijn, dat je de wereld door de ogen van anderen te zien krijgt. Hoe geef je de wereld immers beeld? Als je die nooit gezien hebt? Hoe vertaal je de wereld, als je de ogen van iemand anders bent? Misschien wel mooier.  

Rudi Lavreysen
0 0

Pingpongen

Het was een collega die het me nogal geërgerd vertelde. "En dan laten ze dat tweede woord nog goed lang doorklinken, waardoor het nog erger wordt. Ik verveeeeeel me. Aaaah, dan kan ik ze wel achter het behang plakken". Ik meende te zeggen dat er bij hem toch geen papier aan de muur hangt, maar ik besloot hem op te beuren met een verhaal uit onze jonge jaren.   "We waren in de vakantie echt kampioenen in het naspelen", vertelde ik hem. "Zeker sport. De Ronde van Frankrijk hebben we dikwijls gefietst. Met op het einde een massasprint, ook al waren we maar met drie. We hebben zelfs ooit een tennisveld aangelegd op het gras. Om een tornooi van Wimbledon te organiseren. Met een scorebord en al. Het zag er echt geweldig uit. Als ze op tv 'De sterkste man ter wereld' uitzonden, verzonnen wij de dag erna een dergelijke competitie met de jongens uit de buurt. Bij slecht weer wisten we ons binnen te amuseren. Zo speelden we 'Hoger Lager' na met een kaartspel. Ooit hebben we zelfs 'Dallas' willen naspelen." Dat laatste verzon ik ter plekke, maar ik zag al een glimlach op zijn gezicht verschijnen.   "Vooraleer we een echte tafeltennistafel hadden, waren we aangewezen op de tafel in de woonkamer. We hadden ergens een net gekocht en dat spanden we in het midden van de tafel. De vijzen maakten krassen onder de tafel, maar daar zwegen we wijselijk over. De plankjes waren nog van hout, waardoor het geweldig veel lawaai maakte als je tegen het balletje smashte. Het plastic vel met nopjes kwam op de duur los, waardoor we het met Pritt opnieuw moesten lijmen. Dat werkte natuurlijk voor geen meter. En die tafel moest nog gebruikt worden om aan te eten. Dan lieten we het net gewoon staan. Ik herinner me zelfs dat vader en moeder op een hoek van de tafel aan het eten waren terwijl wij verder pingpongden. De wedstrijd moest nu eenmaal uitgespeeld worden." Ook dat laatste aspect was nooit gebeurd, maar mijn collega begon nu al luidop te lachen. "Dan landde er wel eens een balletje tussen de aardappelen. Of in de soepkom. Ja, echt soep met pingpongballetjes." "Nu ben je aan het overdrijven", schokschouderde hij. "Maar wel een goed verhaal."  

Rudi Lavreysen
0 0

De zomerhoed

Je moet er mee staan. Met een hoed. Ik maakte me deze bedenking toen we op een terras tijdens één van die eerste versmachtende hondsdagen wat verkoeling en schaduw zochten en we de man zagen passeren die we vaagweg kenden. Al had ik hem in eerste instantie niet herkend. Gewoon omdat hij plots een zomerhoed op zijn hoofd had staan. Vestimentair kan de zomer soms rare beslissingen nemen voor een man als hij voor de kleerkast staat, dacht ik nog. Het was zo'n klassieke en blijkbaar opnieuw terug modieuze strohoed. Zo eentje die vader vroeger in de loop van juni uit de kleerkast tevoorschijn haalde en die hij tot de nazomerdagen van september op zijn hoofd hield. Overdag dan toch. Nee, het was eerder een witte maffia hoed met een zwarte band zoals we die Michael Jackson zagen dragen in de jaren ’80. Ik zag hem in mijn hoofd in het midden van de straat al een Michael Jackson danspasje ten beste geven. Maar hij stapte gelukkig gewoon verder.   Het viel me ook op dat hij in combinatie met die zomerse hoed - het was echt bloedheet - een lang geklede broek droeg. “Kijk”, zei ik tegen mijn vrouw. “Een lang geklede broek dragen en dan een zomerhoed op je hoofd. Dat staat toch als een tang op een varken. Als het zo warm is dat een hoed voor schaduw op je bol moet zorgen, is een korte broek bijna een verplichting, niet?” “Misschien moet hij wel naar een feest”, antwoordde ze. Dat zou inderdaad kunnen. De zweetdruppels op mijn hoofd zochten ondertussen een weg naar beneden. Tot mijn zakdoek ze tegenhield. “Zou het trouwens iets voor mij zijn? Een hoed?”, vroeg ik nog, al vegend mijn met zakdoek. “Nee, je moet er mee staan”, antwoordde ik maar meteen zelf.   

Rudi Lavreysen
0 0

Smakelijk eten

Het komt wellicht in de beste families voor. Bij ons kunnen ze er ook wat van. We zitten aan tafel, de gekookte aardappelen dampen dat het geen aard heeft, het vlees sist nog een beetje na in de pan en de eerste vork verdwijnt al in de kastrol met groenten. "Smakelijk eten!", roept iemand van het gezelschap. Maar dan presteert een andere om het over - laat ons maar zeggen - vieze dingen te hebben. Wat er zich in het kleinste kamertje afspeelt bijvoorbeeld. U begrijpt wellicht wat ik bedoel. Allesbehalve smakelijk dus. Ik zie het in mijn hoofd meestal meteen voor ogen. Ik heb er dan ook een verbod op uitgevaardigd. Tijdens het eten praten we niet langer over die zaken.   Maar u weet hoe dat gaat. Zo begon ik eens, toen ik voelde dat het heikele onderwerp opnieuw klaar lag om afgevuurd te worden, maar een stukje uit de krant te lezen. "Kijk", zei ik, "Hoe leuk. In de peutertuin hebben ze deelgenomen aan de modderdag. Ze laten de peuters in de modder spelen zodat ze ontdekken wat het is." Ik keek boven mijn leesbril uit en wierp een blik op de rustig verder etende familieleden. Het onderwerp boeide niet meteen. Maar op die manier was het wel mogelijk om smakelijk te eten. Ik las vervolgens nog een stukje over de dierentuin. Ik kan me niet meteen herinneren waarover dat exact ging, maar ik had het beter niet gedaan. Want door de combinatie van 'modder' en 'dierentuin' kwam er een ander verhaal naar boven. "Weet ge nog in de dierentuin pa", hoorde ik zeggen. "Bij de nijlpaarden?" Ik zag de hele scène in de dierentuin weer voor me. Tijdens een bezoek aan de zoo zagen we een nijlpaard uit de modder kruipen en die moest duidelijk zijn of haar behoefte doen. Ik weet niet of u dat ooit hebt mogen aanschouwen, maar dat is een spektakel. U kan ook maar best de nodige afstand houden. Het nijlpaard doet zijn of haar gevoeg en kliedert de uitwerpselen met de staart vervolgens alle kanten op. Meteen netjes afgeven die handel, denken de nijlpaarden wellicht.   Trouwens, ik had toen net een boterham met choco vast. U zal begrijpen dat die in de verste verte niet meer smaakte. Net als het avondeten dat toch voortreffelijk begonnen was. Ik zag enkele grijnzende gezichten aan tafel en het enige wat ik kon uitbrengen was dan ook "Ja, kak".  

Rudi Lavreysen
0 0

Zonder tegenbericht

“Tijdens de zomermaanden spendeert een mens toch wat tijd op een terras”, zei ik tegen mijn vrouw, terwijl we op een ochtend in onze vakantie vanop een terras de langzaam voorbijgaande voetgangers gadesloegen. Het was precies een vertraagde film die zich voor onze ogen afspeelde. Alsof de warmte hun voeten naar beneden drukte. Even had ik het idee om zoals juffrouw Magda in onze tweede kleuterklas ‘voeten opheffen’ te roepen, als we tijdens een wandeling met zijn allen in het zomerse zand ‘stoeberden’.    Eén van de voorbij slenterende koppels nam plaats aan het tafeltje naast ons. Ook al hadden we zelf een aardige conversatie, ik kon niet nalaten om hun gesprek te volgen. “Wat bedoelt ze daar nu mee? Op die uitnodiging”, vroeg de vrouw aan haar man. “Zonder tegenbericht staat er in de mail. Ik weet echt niet wat ze hiermee bedoelt.” Het leek me een eenvoudig gegeven en ik veronderstelde dat haar man meteen het antwoord zou geven. Of dat ze het zou opzoeken in haar telefoon die ze al een tijdje vast had. Maar de man haalde zijn schouders op. “Oei, geen idee schatje”, antwoordde hij terwijl hij verder van zijn drankje genoot. De vrouw bleef er over doorbomen. “Zonder tegenbericht. Wat bedoelt Francine hier nu mee?” Ik kon de neiging bijna niet weerstaan om te zeggen dat ze niets moet doen om op de uitnodiging in te gaan, maar de volgende zin van de vrouw deed me besluiten om het niet te doen. “Weet je wat”, zei ze. “Ik ga Francine een bericht sturen, om te vragen wat ze bedoelt met zonder tegenbericht.” “Goed idee schatje”, zei haar man. We zijn helaas niet lang genoeg blijven zitten om te horen wat Francine geantwoord had, maar het was een mooi begin van een zomerse dag. Dat wel.  

Rudi Lavreysen
0 0

De Snorrenclub

Of het een toeval is, weet ik niet. Maar de Snorrenclub van Antwerpen heeft haar clublokaal in de Adriaan Brouwerstraat. Nu moet u niet denken dat ik er lid van ben, al draag ik sinds een aantal jaren wel een snorbaard. Hun clublokaal ligt vlakbij het MAS, het Museum aan de Stroom, waar we net vandaan kwamen. De straat was verkeersvrij gemaakt want er vond een feestje plaats in en buiten “De Konincklijke Snor”. Er werd volop gedanst en gebarbecued door de snorren. “Kom, we gaan een kijkje nemen”, zei ik tegen mijn vrouw. Maar omdat één van ons twee geen snor heeft, besloten we om het vanop een afstand gade te slaan. We zagen diverse snorren. Kleine, grote en heel grote. Zo van die snorren met een krul, u kent ze wel. De dames op de dansvloer, gewoon het midden van de straat eigenlijk, waren ook niet van een snor voorzien, maar mochten gewoon mee feesten. Het bleek de jaarlijkse verkiezing van ‘Snor van het jaar’ te zijn. Wie er met de hoofdprijs is gaan lopen, weet ik niet. Ook niet wat de criteria waren of wat de hoofdprijs was. Maar het feestje was dik in orde in de Adriaan Brouwerstraat.   Juist, ik moet u nog vertellen waarom het een mooi toeval is dat ze in die straat zitten. De schilder Adriaan Brouwer, een generatiegenoot van Rubens, schilderde wel eens taferelen waarbij er een aardige pot bier gedronken werd. De meester van emoties wordt hij genoemd. En veel van de mannen op zijn schilderwerken zijn niet alleen van een gezichtsuitdrukking, maar ook van een fraaie snor voorzien. Misschien moet ik het eens gaan vertellen bij de Snorrenclub. Indien ze me ervaren als lid natuurlijk. Maar dat (ik vermoed dat u deze had zien aankomen) zit wel snor denk ik.  

Rudi Lavreysen
0 0

De tijd laten verstrijken

We zitten te wachten. Of het nu op een bus, trein of vliegtuig is, vervelend is het altijd. Jezelf vervelen of een babbeltje slaan is dan meestal de enige optie. De tijd laten verstrijken en af en toe naar de klok in de wachtruimte kijken, hoe de wijzers stilletjes verder sluipen. Iedereen zit ermee. Ook de tien meiden. Ik schat ze 14 à 15 jaar. Ze praten met een Nederlandse tongval, maar het voorval waarvan we getuige zullen zijn, kan zich bij elke nationaliteit afspelen. Eerst blijft mijn blik nog even hangen op het jeansvest dat één van de meisjes draagt. Ze heeft er zowaar het logo van The Beatles op genaaid. Een groep van lang geleden. Dan gebeurt het. De hele groep meiden krijgt de slappe lach. Ze proesten het allemaal uit. Het is wellicht een weddenschap. Plots draait één van de dames zich om en ze begint de arm te masseren van de meneer die achter hun zit. De man kijkt het meisje vol ongeloof aan, maar trekt zijn arm niet weg. Het duurt amper dertig seconden. De man lacht min of meer schaapachtig, maar zegt niets. Het meisje stopt met masseren, ze draait zich opnieuw om en ze schateren het allemaal uit. De man schudt met zijn hoofd. Hij geneert zich wellicht een beetje. Het opzet van de dames is geslaagd. Uit verveling werden ze vervelend, maar het vond een uitweg.    Dan horen we omroepen dat ons vervoermiddel eindelijk is gearriveerd. De groep zet zich in beweging. Ook de meidenbende, die hun lol nog altijd niet op kunnen. Ik draai me nog even om en zie dat het ene  meisje op haar jeansvest nog een logo heeft staan. Van AC/DC zowaar. Het schiet door mijn hoofd dat deze trip wel eens een ‘Highway to hell’ kan worden.   

Rudi Lavreysen
0 0

Het moment

Het toeval bracht ons op een vrijdagmorgen in Averbode. Of all places, zeggen ze dan. Maar wat is het er mooi. En rustig. Toch zeker op een vrijdagmorgen. Op zondag struikel je er over de ijslekkende zondagstoeristen, maar die dag viel het best mee. We waren er zelfs zo vroeg, dat de eerste ijsventers nog moesten arriveren. Dat de dreef in het bos tegenover de abdij in de volksmond de ‘lekdreef’ heet, laat weinig aan de verbeelding over. Ik weet trouwens niet of de paters er zo gelukkig mee zijn, met die ‘lekdreef’. Maar dat terzijde. Na onze wandeling in het heuvelrijke landschap, op de grens van de Kempen en Vlaams-Brabant, was het tijd voor een slok gerstenat en een stukje kaas in “Het Moment”, de taverne van de abdij. Geen slechte naam als je het mij vraagt. Vooral omdat het leven vol belangrijke momenten zit. En omdat je sommige momenten in het leven niet te kiezen hebt.   Zo bleken de kelners van “Het Moment” enkele jongens te zijn die als vluchteling hier waren verzeild. Uit diverse landen, van Syrië tot Afghanistan. Zo stond het ook in het boekje dat op tafel lag. De paters of de bewindslui van de abdij schreven dat ze nieuwe mensen nieuwe kansen willen geven. Geef toe, mooier kan je het niet zeggen. De jongeman die de bestelling opnam sprak al een aardig mondje Nederlands. Zijn collega die ons de abdijproevertjes bracht, had het nog moeilijk. Ook met die vermaledijde Nederlandse taal. De schotel met bier en kaas kwam bibberend op onze tafel terecht. Alsof hij aarzelde of zijn plaats wel hier zou zijn. Ik dacht eraan om het meteen te bevestigen. Maar ‘het moment’ ontbrak. Onderweg naar huis dacht ik nog: toch knap, dat sommige mensen niet aarzelen, om het te bevestigen.  

Rudi Lavreysen
0 0

Stapelen

Hobby's, die zijn zoals mensen. Je hebt ze in alle maten en gewichten. Af en toe kom je iets tegen waarvan je denkt: "Waar halen ze het?" Zo las ik in de krant over het Europees kampioenschap steenstapelen in Schotland. Ik had niet meteen iets van "dit wordt nu mijn hobby". Toch zag ik er wel de aardigheid van in. Volgens het krantenstuk moet het behoorlijk rustgevend zijn. De kwestie is niet om zoveel mogelijk stenen te stapelen. Zoals je ook wel eens hoort van jongelui die het stapelen van bierbakken onder de knie hebben, waarna ze nog even op de kratten moeten blijven staan. Nee, het is meer een schoonheidswedstrijd. De winnaar was een meneer uit Spanje. Hij had een beetje de look van een mediterende hippie, zoals hij met zijn benen gekruist bij die stenen zat. Met een aantal kasseien had hij een boog gebouwd (zonder cement, spuug of wat dan ook) die vervolgens netjes bleef staan. Evenwichtskunst, zo stond het in mijn dagblad.   Het deed me denken aan een kunstje dat we vroeger wel eens uithaalden. Het had ook met stapelen te maken, maar dan met muntstukken. Als ik me niet vergis zagen we het ooit in de tv-serie Happy Days, uitgevoerd door Fonzie Fonzarelli, ook bekend "The Fonz". Maar laat ons bij de zaak blijven. De bedoeling was dat je één arm omhooghield en vervolgens een aantal centjes op je ellenboog stapelde. Daarna was het de kunst om met je hand het stapeltje munten vliegensvlug op te vangen als je met die arm naar beneden zwaaide. In het begin bak je er werkelijk niets van, maar na een paar keer oefenen kan je alsmaar meer centen opvangen. Wij deden het met kwartjes of halve franken. Daar wil ik vanaf zijn. Nu zou je het met stukken van 5 cent kunnen doen.   Het lijkt me aardig om het nog eens te proberen. Wie me wil uitdagen moet maar een seintje geven. Stel je voor, misschien wordt het wel een nieuwe cafésport. En kunnen we een lokaal kampioenschap organiseren. En de winnaar mag zich een jaar lang "The Fonz" noemen. Het zou wat zijn. Of begin ik nu echt te vangen?

Rudi Lavreysen
0 0

Wat is er aan de hand?

Het lijkt alsof het alleen nog maar over handen gaat. Eerst was er die gelovige meneer die vrouwen geen hand kon geven. Een teken van respect, vertelde hij. Al valt dat misschien moeilijk te begrijpen. Een andere man uit zijn gemeenschap verklaarde het als volgt in de krant: “Het is mijn grootste verlegenheid. Verstaat u dat? Voor ons is de vrouw de belangrijkste persoon in het leven van onze gemeenschap, de queen eigenlijk.” Tja, had dat dan gezegd, dacht ik. Het is me wat met die tradities. Zelf heb ik er niet zoveel mee. Tenzij het over frieten op zondag gaat. Ook in Frankrijk hebben ze geplogenheden. De mannen geven elkaar vriendschappelijk een zoen op de wang. De president van Amerika, die naar eigen zeggen wel eens durft grijpen met zijn handen (grab them …), wist niet waar kijken toen de Franse president hem een pakkerd gaf. Dat was lachen.  Er kwamen nog handen in beelden. Die van Moon Jae-in en Kim Jon-un, hoegenaamd geen Koreaanse vriendjes. Al lijkt het wel de goede kant uit te gaan met hun vriendschap. Ze schudden elkaar op neutraal gebied de hand, die ze vervolgens niet meer losten. Zelfs tijdens het wandelen bleven ze mekaars pollen vasthouden. Twee volwassen mensen die hiertoe bereid zijn, schamen zich niet, meen ik zo. In onze jonge jaren deden we hetzelfde om terug vriendjes te worden. En om iets te beloven zeiden we ‘hand erop’.  Maar ze zijn er ook als bescherming. We kennen het allemaal, als we met de klein mannen op een drukke plek waren. Op de zeedijk, of in een winkelstraat. Schrik dat ze niet verdwaalden. Dan stelden we die ene vraag. Soms zou ik het nog wel eens willen vragen, maar daar zijn ze wellicht te groot voor. Daarom schrijf ik het even op. “Handje?”  

Rudi Lavreysen
0 0

En als de bom valt

Zaterdag 14 april 2018, 04.00 uur Welk middeltje gebruikt u om de slaap opnieuw te vatten? Schapen tellen? Of andere dieren? Bij mij werkt zoiets voor geen meter. Die nacht was het opnieuw zover. Meestal twijfel ik tussen een boek en mijn telefoon. Het boek was ditmaal een oudje van Gabriel Garcia Marquez: De generaal in zijn labyrint. Over de laatste maanden van generaal Bolívar, die in 1830 uit zijn Colombia moest vluchten. Een verhaal over wat oorlog doet met een mens. Prachtig, maar niet meteen luchtige kost voor het midden van de nacht.   Daarom zocht ik op de tast naar mijn telefoon. En toeval bestaat niet, zeggen ze, want ook daar las ik ook over oorlogstoestanden. Er waren net bommen gedropt op Syrische doelwitten, als vergeldingsactie voor gifgasaanvallen van het Syrische regime. Het is natuurlijk een schande dat chemische wapens nog altijd ingezet worden. Wat zijn we toch hardleers. Ook onze Amerikaanse vrienden hebben ze ooit gebruikt. Meer bepaald in de Vietnamoorlog, om de dichte wouden van dat land uit te dunnen, zodat de vijand zich niet kon verschuilen. Het toeval (het bestaat niet, ik zeg het toch) wilde dat ik de dag voordien een fotoreportage zag over deze ‘Agent Orange’, de naam van het chemische sproeimiddel. Mensonterend gewoon. Nog altijd, want de foto’s bewezen dat heel wat Vietnamezen, Amerikaanse veteranen en hun familie er zoveel jaren later de gevolgen nog van dragen. Die gruwelijke beelden spookten opnieuw door mijn hoofd. Slapen ging nu echt niet meer. De telefoon ging terug naast het bed.   Het was uiteindelijk een liedje dat me in slaap wiegde. U moet weten dat ik een kind van de jaren ’80 ben. De koude oorlog woedde volop in die jaren. De angst voor de bom en de rode telefoon zat nogal diep. Ik was dertien jaar toen ik voor het eerst ‘De bom’ van Doe Maar hoorde. Het is nooit meer uit mijn hoofd verdwenen. Vooral deze regels: "Laat maar vallen / want het komt er toch wel van / het geeft niet of je rent". Hoe noodlottig dat ook klonk, de bom is toen gelukkig nooit gevallen. Ik denk dat deze zinnen uit het liedje me die nacht enige hoop gaven: "Ik heb van alles, maar geen tijd / Ook niet voor heel even / Maar liever weet ik wie jij bent, voordat het te laat is". Poëzie, als wapen tegen de oorlog. Zou dat geen idee zijn? Ik zou zeggen: doe maar.

Rudi Lavreysen
0 0

Een warm dekentje

Ze zijn wellicht niet te tellen. De seconden, minuten en uren die we ooit langs de lijn van een voetbalveld en in diverse sporthallen spendeerden. Koestermomenten zijn het. Onze jongste vergezelde me onlangs op een van die late en koude winteravonden naar een uitwedstrijd van de oudste. We zijn al op veel plaatsen geweest, maar deze voetballocatie was ons nog onbekend. De man aan het loket gaf ons twee tickets. Want de tijd dat de jongste overal gratis binnen mocht, ligt al een tijdje achter ons. Hij is ondertussen de grootste van het gezelschap. Na een snelle opwarmer in de kantine namen we plaats op de bescheiden zittribune. Ik meende met mijn zakdoek over het stoeltje te vegen, maar ik ging toch meteen zitten. Een vuile zakdoek is ook niet echt proper. Achter ons hadden enkele supporters van de thuisploeg postgevat. Hun leeftijd schommelde tussen de zestig en tachtig jaar. Maar ze waren zeker niet te oud om een aantal verwensingen naar het hoofd van de scheidsrechter te slingeren. Van 'vuile zwarte' tot 'paljas' en zelfs 'schele'. De lokale harde kern wellicht. De voorsprong voor onze ploeg, vroeg in de match, was er misschien niet vreemd aan. Even later zagen we een man uit de cafetaria komen. Met in zijn handen een opvallend grote doos. Hij wandelde naar de oudere supporters achter ons en gaf ze elk een warm dekentje. Ondanks al hun geroep naar de scheids bleek het toch eerder de 'zachte kern' te zijn. Ik kreeg het er zelf bijna warm van. Op het einde van de spannende wedstrijd was de zege voor ons. Na een applaus voor de winnende ploeg, dat ons niet bepaald in dank werd afgenomen, keerden we terug huiswaarts. Terwijl de stem op de autoradio de voetbaluitslagen liet horen, vertelde ik mijn medepassagier iets van vroeger. Van toen ik nog klein was. “Het internet bestond niet. Zelfs teletekst moesten ze nog uitvinden. Als je snel alle uitslagen wilde weten, moest je op zondag wel om 17.45 uur naar de voetbaluitslagen op Radio 1 luisteren. Het was een kwestie van stil te zijn, of het was wachten tot Sportweekend en anders tot de krant van maandag.” Ik zag hem in mijn ooghoeken grijnzend naar zijn slimme telefoon kijken. Ook dat voelde aan als een warm dekentje.

Rudi Lavreysen
0 0

Op het gevoel

Het was een mevrouw, daar ben ik zeker van. En het stond in de krant. Maar wie het was, kan ik me met de beste wil van de wereld niet meer herinneren. Dat zal de leeftijd al een beetje zijn, die vergetelheid. Maar wat ze zei, weet ik nog exact. Ze vertelde dat we in het westen zo gefocust zijn op de leeftijd van de mensen. Dat je dit bijna nergens ziet. Tja, dat klopt ook wel. Niet? Kijk maar in de krant. Je kan geen interview lezen of de leeftijd van de geïnterviewde staat tussen haakjes achter zijn of haar naam. ‘Och’, denk je dan, ‘is die al zo oud?’. We vragen ook steevast aan mensen hoe ‘oud’ ze zijn. Niet dat ik de leeftijd wil ontkennen, maar het is zoals bij de temperatuur. Die zegt ook niet alles. Er bestaat zoiets als de gevoelstemperatuur. Met een beetje wind kan het kouder aanvoelen dan het werkelijk is. Zo is het ook met de gevoelsleeftijd van een mens. De ene dag voel je je dertig, maar de andere dag veertig. En hoe ouder je wordt, hoe lager je gevoelsleeftijd blijkt te liggen. Al schommelt die gevoelsleeftijd natuurlijk enorm, afhankelijk van wat je uitspookt. Een vriend van me zei het onlangs nog. ‘Er zit nog een beetje mist in mijn hoofd van gisterenavond’. Hij was behoorlijk op de lappen geweest. ‘Ik voel me precies tien jaar ouder’. Daarom is dit mijn concreet voorstel. Laat ons niet langer de exacte leeftijd van een persoon afdrukken in de krant. Enkel zijn of haar gevoelsleeftijd. Dus hoe de persoon zich voelt die dag. Zo wordt het lezen meteen wat spannender. ‘Oei, hij voelt zich oud vandaag. Wat zou er aan de hand zijn?’ En laat ik maar meteen de daad bij het woord voegen.      Rudi LAVREYSEN (39), maar morgenvroeg wellicht (55)

Rudi Lavreysen
0 0

Out of the box

Misschien is het erfelijk bepaald. De nietszeggendheden die we soms op tafel gooien. Of is dat bij jullie ook het geval? Vooral grootvader kon er wat van. Ik zie hem nog in zijn zetel zitten. Het was de tijd dat de mensen nog een eigen stoel in huis hadden. Al heb ik die onderhand ook, nu ik er over nadenk. Ik herinner me dat ze vooral tijdens stille momenten naar boven kwamen.  Meestal sprak hij eerst een langgerekte ‘Jaa, jaa’ uit. Gevolgd door een zin als ‘Het wil allemaal wat zeggen’. Ergens diep in mijn herinnering hoor ik hem ook zeggen dat het allemaal iets te betekenen heeft. Dat was formeler en misschien meer voor zondag. Maar wat die ‘iets’ was, heb ik in mijn jonge jaren nooit begrepen. Nog altijd niet trouwens. Nu betrap ik er mezelf wel eens op, dat ik een zin uitspreek als ‘Och, het is allemaal iets’. Zelfs onze jongste maakt er een sport van om na een avond plezier een cliché in de groep te gooien als  ‘dat kunnen ze ons ook niet meer afpakken’. Waarna ze wellicht allemaal de slappe lach krijgen. Och, stoplappen, het is waarschijnlijk iets van alle tijden. In de managementtaal is het dan weer bon ton om moeilijk te doen om niets. Kijk, daar was er al eentje. Want in de plaats van ‘bon ton’ kan je ook gewoon ‘in de mode’ zeggen. Woorden als ‘implementeren’, ‘stakeholders’ of ‘co-creatie’ vliegen je tijdens vergaderingen om de oren. Ik durf wel eens streepjes trekken, telkens als ik een jeukwoord hoor. Onlangs, tijdens een meeting (lap, nog eentje), zei iemand nog maar eens dat we out of the box moesten denken. Ik dacht nog bij mezelf. Maar goed dat zoiets vroeger niet bestond, want grootvader kende een 'boks' alleen als een broek. 

Rudi Lavreysen
0 0

Koning van het strand

De herfst viel vroeg dat jaar. Net als de eerste bladeren. Ons stadje veranderde langzaam van kleur. We zagen de eerste rode en bruine tinten al opduiken. Och, al die seizoensveranderingen, ze geven ons een houvast. Toch is dat vasthouden in de herfst niet zo vanzelfsprekend. Want terwijl ik door onze kleurrijke straten fietste, blies de wind me bijna van mijn tweewieler. Het deed me mijmeren naar de zomer. Meer bepaald naar onze vakantie op het strand, waar de wind altijd vrij spel heeft. Wat soms vervelend kan zijn, zeker als je een spel wil spelen. Badmintonnen op het strand is bijvoorbeeld geen optie. Net als tafeltennissen, maar die tafel is daar op zich natuurlijk al lullig. Dat jaar hadden we de oplossing gevonden in de vorm van een Kubb spel. U hebt het wellicht al gezien, het is een variant op bowling en petanque, maar dan met houten stokken. De kans dat die wegwaaien is gering. De winnaar is degene die het eerst de koning, de grootste stok in het midden, kan omgooien. Bij het lezen van het reglement bleek het toch niet zo eenvoudig. Er kwam de nodige strategie bij kijken. We besloten dan maar om de andere kubbers op het strand te observeren. Zo zagen we drie tienerjongens het spel spelen. Twee tegen één. De ene ploeg leek dus in het voordeel, maar het was eerder het tegenovergestelde. Eén van de jongens was, zo zou je het voorzichtig kunnen omschrijven, van het zenuwachtige type. Hij stond letterlijk te springen op zijn benen. Hij wachtte nergens zijn beurt af en op een gegeven moment gooide hij zelfs een stok tegen het hoofd van zijn compagnon. Ik zei meteen tegen mijn vrouw: "Hij doet me aan Eugène Van Leemhuyzen denken". U kent hem wel, hij is de gemeentesecretaris uit Samson en Gert. Je wordt al zenuwachtig als je naar hem kijkt. Na verloop van tijd hebben ze hem dan ook de stokken afgenomen. Het was dus verstandiger om zelf aan de slag te gaan met het spel. Dat bleek best mee te vallen. We hadden het Kubb spel vrij snel onder de knie en het werd nog een prachtige namiddag, zo met de mannen op het strand. Echt geluk in het spel. Och, een mens heeft niet veel nodig, om zich even koning te voelen.

Rudi Lavreysen
0 0

Een brief aan de familie Delacre

Geachte familie DelacreHet is wellicht de eerste keer dat ik een brief aan een koekjesfabrikant schrijf. Dadelijk alles over de reden van dit epistel, maar eerst moet ik u zeggen dat ik een absolute fan van jullie koekjeswerk ben. Al van kindsbeen af. Ik herinner me nog goed dat jullie koekjessigaren, ook bekend als de Russische sigaren, door ons gebruikt werden om stoer te doen. We deden alsof we rookten, maar stiekem snoepten we ze zo snel mogelijk op. Ik was ook verlekkerd - nog altijd trouwens - op de ronde koekjes met witte stippeltjes. De Biarritz voor de kenners. Maar ook op de Sprits, vooral die met chocolade, en op de Marquisettes. Om van de DeliChocs nog maar te zwijgen. U hoort het, u hebt met een kenner te maken. Mijn familie is hiervan op de hoogte. Met eindejaar krijg ik van mijn schoonmoeder altijd een grote groene 'Tea Time' doos. Nog dezelfde avond maak ik die bijna helemaal soldaat. Want als er één probleem is met jullie koekjesdozen, is dat je er niet vanaf kan blijven. Maar ik heb er iets op gevonden. Er staat op een geheime plek in ons huis altijd een reservedoos klaar, zodat ik de aangesproken koekjesdoos kan bijvullen. Maar hou het stil, mijn gezin is hiervan niet op de hoogte.   Maar nu de reden van dit schrijven. Als fan bezoek ik regelmatig uw website, om te zien of er nieuwigheden zijn, maar onlangs viel mijn oog op een foutje. Ik begrijp dat het voor jullie familie, als Franstaligen, niet vanzelfsprekend is om foutloos Nederlands te schrijven. We hebben immers niet de gemakkelijkste taal. Toch maak ik er u graag attent op. In één en dezelfde zin wordt tweemaal het werkwoord "verdelen" gebruikt en één keer staat het fout geschreven. Het voltooid deelwoord "verdeeld" is correct, maar in de derde persoon enkelvoud in de tegenwoordige tijd is het "verdeelt" en niet "verdeeld". Voila, nu kan u het aanpassen op uw website. Het is met veel plezier gedaan. U mag me als tegenprestatie altijd een grote doos Delacre koekjes opsturen. Ik ben nogal snel tevreden wat dat betreft.   Maar ik heb nog een voorstel. Ik weet dat jullie in Brussel, vlakbij Manneke Pis, een Delacre boetiek hebben. Het is voorlopig de enige Delacre shop in ons land. Hebben jullie al aan uitbreiding gedacht? Ons stadje heeft hiervoor alle troeven in huis. We zijn een belangrijke toeristische trekpleister. Heel de wereld komt hier over de vloer. Ik geef u met plezier een rondleiding in ons stadje. We vinden vast en zeker een geschikt pand. Kijk, onze samenwerking loopt nu al van een leien dakje. We bespreken het ongetwijfeld snel.   Met dank en vriendelijke groeten Rudi Lavreysen

Rudi Lavreysen
0 1

Complementen

De kalender in onze keuken is al jaren dezelfde. Natuurlijk niet exact dezelfde, want het jaar wisselt telkens, maar hetzelfde qua formaat, dat bedoel ik. Elke dag is goed voor een klein blokje. We noteren de wisselende werkuren, een verjaardag of een uitstap. Het zal wellicht herkenbaar zijn. Een scheurkalender hebben we al jaren niet meer. Het idee om er telkens een dag af te scheuren, stemde me niet vrolijk. En de moppen op die scheurkalender waren ook niet om je van te bescheuren. Nee, dat de tijd razendsnel gaat, is geen mop. Maar je kan er niet aan voorbij. Nu we het toch over dagen hebben, het lijkt wel of er telkens bijzondere feestdagen bijkomen. Zo is er eind maart een ‘Opschoondag’. Later op het jaar zowaar een ‘Verantwoordingsdag’. Nee, ik verzin het niet. En de vrijdag voor de start van de lente mogen we ook vieren. Het is de ‘Vrijdag voordat de Lente Begint’. Tja, zo kunnen we er nog verzinnen. En blijkbaar valt de ‘Complimentendag’ gelijk met de ‘Doktersassistentendag’. Hebben zij geluk. Dat de doktersassistenten van al die aandacht maar geen ‘complementen’ krijgen. Wat heb ik dat woord in mijn jeugdjaren veel gehoord. Ik hoor het grootvader nog zeggen, als er bijvoorbeeld iets te vieren viel. ‘Och, maak maar niet te veel complementen’. Gewoon doen was goed genoeg, daar kwam het op neer. ‘Al die komedie is nergens goed voor’. Die zin kwam er soms na. En iemand die teveel naast zijn schoenen liep, was zelfs een ‘complementenmaker’. Het zijn van die zinnen die ik ook aan onze mannen heb meegegeven. Af en toe herhaal ik ze, als ze een beetje streek verkopen. ‘Niet te veel complementen hè mannen.’ Nu maar hopen dat zij het ook meenemen, naar de toekomst. Van mij krijgen ze dan een compliment.

Rudi Lavreysen
0 1

Schaamnamen

Mijn vrouw en ik vinden het leven soms al zot genoeg, daarom gingen we op carnavalszondag wandelen, in plaats van ons in de carnavalsdrukte te begeven. Bij het terugkomen - we wonen vlakbij het centrum - waren de zotskappen al in zeer goede doen. Er nestelde zich meteen een carnavalsdeuntje in mijn hoofd, waar het de rest van de dag niet meer uitgeraakte. Ik geef de titel even mee, maar het gevaar is natuurlijk dat u er nu de rest van de dag mee zit. Echt waar, ik heb de hele dag ‘Er staat een paard in de gang’ zitten neuriën. Bij het slapengaan stond de knol nog altijd bij ons in de gang. “Geef me dan maar de Nederlandse zanger Tim Knol”, zei ik tegen mijn vrouw. “Hij heeft een gekke naam, maar zijn songs mogen er best zijn”. Het bracht me op het idee om na te gaan of het geen artiestennaam is. Niet dus. Wat meer is, maar liefst 5.906 mensen in Nederland hebben de familienaam Knol. Er bestaat een speciale website waar je die stamboomzaken kan opzoeken. Wist je bijvoorbeeld dat er 1.095 noorderburen zijn die ‘Pannenkoek’ heten? Op zich niet zo gek, want hier hebben we mensen met de naam ‘Struyf’. Ook de familie ‘Baksteen’ woont er. Om van de ‘Poepjes’ nog maar te zwijgen. En van het één komt het ander. Voor ik het wist botste ik op schaamnamen. Een combinatie van een bijzondere voor- en familienaam, dat een gek resultaat geeft. Ze bestaan naar verluidt echt, die mensen. Wat denkt u van meneer ‘Cor ten Broeck’? Of mevrouw ‘Conny Plassen’ en de dame ‘Anna Nas’. Veel gekker moet het toch niet worden. Al vond ik deze familienaam nog het beste. Bijna 2.000 Nederlanders dragen de naam ‘Buurman’. Je zal er toch maar naast wonen, niet?

Rudi Lavreysen
0 0

Het pashokje

Kent u Mr. Bean nog? Dat onhandig personage van tv. Het leek alsof hij stom was, want hij zei geen woord. Bovendien haalde hij stomme stoten uit. In de kerk viel hij tegen iemand in slaap en toen hij een buiging wilde maken voor de koningin, gaf hij haar een kopstoot. Zijn ene stoot was al wat geloofwaardiger dan de andere. Maar het was een typetje. Alles wordt dan nogal uitvergroot. Net voor Kerstmis beleefde ik mijn eigen Mr. Bean moment. In de kledingwinkel vond ik een trui die me aanstond. Een blauwe met witte strepen. Soms heb ik het idee dat horizontale strepen een afslankend effect hebben, maar ik kan me vergissen. Optische illusie of zo. Je kan een trui natuurlijk in de winkel passen, maar daar pas ik meestal voor. Daarom moest ik het pashokje in. Deze winkel had er slechts twee, elk door een gordijn gescheiden. Was het onhandigheid van mijn kant? Verstrooidheid? Of kwam het door de drukte? Ik weet het niet, maar het gebeurde. Ik trok aan het gordijn van mijn pashokje en op de één of andere manier - vraag me niet hoe - trok ik het gordijn van het andere pashokje weg. Daar stond iemand te passen. Ik hoorde een gil en ik besefte meteen dat die mevrouw er wel eens zonder kleren zou kunnen staan. Ik zei meteen iets van ‘oei’ en ‘sorry’ en meende het gordijn terug te geven, maar dan zou ik moeten kijken, dus dat deed ik maar niet. Ook mijn vrouw had het gehoord en vroeg wat ik allemaal aan het doen was. De mevrouw naast me had ondertussen haar gordijn teruggeschoven en zei dat ze gelukkig kleren aan had. Waarna ze hoorbaar lachte. Mijn vrouw zei even later dat het typisch iets voor mij was. Zou het?   

Rudi Lavreysen
0 0

De kerstborrel

Ik kreeg een drankje aangeboden in de broodjeszaak. “Een borrel voor Kerstmis”, zei de uitbater vriendelijk. “Daar krijg je het warm van”. Al viel er over de temperatuur in zijn zaak niet te klagen. Plots zag ik een meisje van pakweg twaalf jaar naar me kijken. Ik herkende haar niet meteen, maar ik hoorde ze tegen haar mama zeggen dat ik op die meneer leek, die vroeger wel eens verhaaltjes voorlas in de bib. Ik lachte vriendelijk terug. Het klopte wat ze vertelde. Maar het leek een eeuwigheid geleden. Plots moest ik opnieuw aan die ene rondleiding denken. Het was een klasbezoek zoals vele anderen. We lazen verhaaltjes voor en we speelden boekenspellen. Eén van de prentenboeken was ‘De jongen en de zee’. Over de jongen die vanuit zijn bed naar de zee kijkt, maar het einde van de zee niet kon zien. “Kennen jullie nog iets wat oneindig lijkt?”, gooide ik in de kleutergroep. “De lucht”, antwoordde een meisje meteen. Een ander meisje stak ook haar vinger op. Mijn collega en ik hadden haar antwoord niet zien aankomen. “Ons mama haar achterste”, zei ze. “Want onze papa zegt altijd dat het zo dik is dat er geen einde aan komt.” We wisten geen van allen niet waar kijken. Ik zag een jongetje proesten, met zijn hand voor zijn mond. Ik meende te zeggen dat haar papa wel eens zijn mond mocht spoelen, maar op de een of andere manier wist ik niets beter te verzinnen dan de vraag of er nog iemand een voorbeeld had. Maar dan echt.  In de broodjeszaak kon ik ondertussen -net als de jongen- een licht geproest niet onderdrukken, toen de anekdote opnieuw naar boven kwam. Al dachten de mensen die me op mijn eentje zagen gniffelen wellicht dat het de kerstborrel was, die al naar boven kwam.

Rudi Lavreysen
0 0

Bijknippen

“Nee, ze mogen nog korter”, zei de man tegen de kapper. Zelf werd ik naast hem onder handen genomen door de andere coiffeur uit het kappersteam. Ik had de indruk dat hij het vrij streng formuleerde. De kapper stond achter hem en wreef even met zijn hand over de korte stoppels. “Dat gaat toch bijna niet”, hoorde ik hem zeggen. In de spiegel keek hij zijn klant in de ogen. “Jawel hoor”, antwoordde deze. “Het moet. Ik ben militair.” Omdat mijn kapper intussen met zijn schaar akelig dichtbij mijn rechteroog zat, durfde ik niet meer naar het aangrenzende knipspektakel zien. Ik probeerde het nog even al scheel kijkend, maar mijn oog reikte niet ver genoeg en het loensen bezorgde me onmiddellijk schele hoofdpijn. Ik meende wel te horen dat de kapper zijn tondeuse bijstelde. Wellicht op de extra korte militairenstand. Voor het overige werd er niet veel geconverseerd naast mij. Daarom bracht ik het gesprek zelf maar op gang met mijn kapper. Zo kwam het woord ‘bijknippen’ ter sprake. Ik zei dat mijn vorige kapper er altijd een mopje over maakte, als hij me vroeg hoe mijn haar moest en ik dat antwoord gaf. Omdat je volgens hem er niets ‘bij’ kan knippen, maar alleen iets ‘af’ kan doen. En dat ik vervolgens het woord opgezocht had en dat het werkelijk de betekenis heeft van ‘het teruggeven van de gewenste vorm’. Ik meende nog te zeggen dat dit voor elke kapper basiskennis zou moeten zijn, maar ik besloot om dat laatste in te slikken. Met al die scharen in de aanslag kan je maar beter niemand op de tenen trappen. Wel vertelde ik dat mijn kapsel hier en daar precies begon uit te dunnen. “Ik ga ze binnenkort nog met van die lange slierten opzij moeten kammen”, zei ik al lachend. Ondertussen zag ik in de spiegel dat de militair zijn jas aantrok. Hij droeg een gewone burgerjas. Ik weet niet of hij mijn grap gehoord had, maar lachen deed hij alvast niet. Wel meende ik te zien dat hij zijn forse wenkbrauwen fronste. Het kwam even in me op om te zeggen dat hij die best ook even zou laten bijknippen, anders kon hij ze binnenkort achteruit kammen, maar dat idee verdween snel. Hij had me zomaar in de haren kunnen vliegen.  

Rudi Lavreysen
0 0

Verse kroketten

Ik zie het toestel nog staan. Het had een vaste plaats in de kelder, maar af en toe verscheen het op de keukentafel. Met het apparaat werden thuis verse kroketten gefabriceerd. Het was alleszins een opvallend ding, met die oranje kleur. In het bakje propten we de nog ietwat warme puree. Met een soort van hefboom persten we die puree door de buizen waar dan als bij toverslag lange kroketten uitkwamen. Als we braaf waren, mochten wij ze doorsnijden. Op de juiste lengte natuurlijk. Dankzij het verlangen waarmee we uitkeken naar de verse gebakken kroketten, smaakten ze later op de dag nog beter. Dat is minder het geval met een diepvrieszak die je opentrekt. De volgende stap in het artisanale krokettenmaakproces sloegen we als kind liefst over. We mochten de naakte kroketten nog door eiwit rollen. Dat leek een beetje op snot. Maar het was een noodzakelijke stap, anders kleefde het paneermeel niet. Al kenden wij het nog als chapelure.    Het doet er me aan denken, grootvader was ook dol op kroketten. Toen ze ooit op tafel verschenen, zei hij al lachend: “Hmmm, verse verketten”. Vanaf dat moment waren kroketten altijd ‘verketten’. Onze jongste maakte onlangs iets soortgelijks mee. Hij stond aan te schuiven in de rij van het schoolrestaurant. Op het menu stond ‘vol-au-vent met frieten’. De jongeman voor hem zei tegen de mevrouw achter de toonbank dat het bij hem thuis ‘vuile vent met frieten’ werd genoemd. De mevrouw kon een grijns niet onderdrukken. Tegelijkertijd hield ze een volle soeplepel met koninginnehapje al klaar voor onze jongste. Ik vermoed dat hij toen eenzelfde grijns op zijn gezicht had.    Och, die huisgebonden naam van gerechten geeft ze wellicht nog wat extra smaak. Al is het opletten geblazen, dat ik bij een volgend restaurantbezoek geen ‘vuile vent met verketten’ bestel.   

Rudi Lavreysen
0 0

Niet gepast

Wat kon ik me er aan ergeren, terwijl ik braaf stond te wachten in de krantenwinkel met nog een vijftal klanten voor me. Met die krant in mijn hand, af en naar voren kijkend, me afvragend waarom het niet sneller kon. Geduld is een schone zaak, maar het is niet mijn sterkste eigenschap. Ik kan het amper aan de dag leggen. En plots was het opnieuw zover. Ik zag het al gebeuren. Die ene oudere man kwam binnen. Het was altijd dezelfde man. Hij nam een krant van de stapel dagbladen, die toen nog vooraan in de winkel lagen, rammelde met het kleingeld in zijn hand, negeerde alles en iedereen, gooide de munten op de toonbank en zei: “Dat is gepast.” En weg was hij. Zo heb ik het een paar keer zien gebeuren. Niemand van de braaf wachtende mensen zei er iets van. Maar ik zag aan de uitdrukking op het gezicht van de winkeljuffrouw dat ze het allesbehalve ‘gepast’ vond.    Een volgende keer had de winkeljuffrouw - en niemand van ons - de moed om het tegen de man te zeggen. “Nee, Roger, dat is niet ‘gepast’. Iedereen staat hier te wachten, misschien ook met gepast geld. Zij wachten toch ook. Sommige van hen moeten nu gaan werken. Jij toch niet?” Oeps, die zat. Niet lang na dit voorval lagen de kranten plots achteraan in de winkel. Voorkruipen ging bijna niet meer. Misschien was Roger wel niet de enige die het zo lapte. Vandaar dat de kranten verhuisd werden. En Roger? Die heb ik niet meer gezien in de winkel. Misschien komt hij op een ander tijdstip. Of misschien heeft hij ondertussen een abonnement op zijn krant. En staat hij ’s morgens, uit gewoonte rammelend met het kleingeld in zijn broekzak, de postbode op te wachten. Vol ongeduld.

Rudi Lavreysen
0 0

De aanloop

Eind november, begin december. We zitten in volle aanloopperiode. Eerst de aanloop naar het sinterklaasfeest en daarna de aanloop naar Kerstmis. Waarna we in het nieuwe jaar springen. Het is niet voor niets een vermoeiende periode, met al die aanlopen. Zelfs de kinderen worden er moe van. Tijdens het wandelen zagen we een papa zijn dochtertje troosten. Tranen met tuiten en eindeloos snikken. De mamma stond even verder te wachten. Het was de dag dat Sinterklaas naar het stadscentrum kwam. Het zijn voor die kinderen ook best moeilijke dagen. Al die lijstjes, al dat geknip, al die verwachtingen. Maar het lukte de papa om dochterlief te troosten, waarna ze gedrieën hand in hand verder stapten. Bij toeval belandden we samen in hetzelfde koffiehuisje. Van verdriet was helemaal geen sprake meer. Het kan bij kinderen ook zomaar verdwijnen. Wonderlijk toch. Helemaal in orde was het toen de sint met zijn gevolg door de straat kwam gereden. De zwarte pieten, maar ook heel wat kijk- en kooplustigen. Het blijft een curieus gegeven, dat sinterklaasfeest. Want toen een zwarte piet door het raam zwaaide, zetten zelfs de grote mensen hun tas koffie neer. Allemaal vrolijk zwaaiend. Even later kwam ook het allang niet meer verdrietige meisje terug naar binnen. Geen handvol, maar twee handen vol letterkoekjes.     Niet lang daarna wandelden we huiswaarts en kwamen we een groter gezin tegen. Met twee kinderen voorop die vrolijk lachten, want de jongste van de bende, even achterop met de ouders, had al een cadeau. Het was zo een toeter die bij het WK voetbal in Zuid-Afrika opgang maakte. Een vuvuzela. Met een geluid dat je je ergste vijand niet toewenst. De papa hield zijn handen al voor zijn oren. Ik dacht nog, die hebben duidelijk een kat in een zak gekocht. En dat met Sinterklaas.   

Rudi Lavreysen
0 0

Schoenenverslijter

Het gebeurde wel eens dat de meester of juf ons vroeger vertelde dat we onze broek zaten te verslijten op de schoolbanken. Zeker als we weer eens niet aan het opletten waren. De ene leerkracht nam de zegswijze al wat vaker in de mond dan de andere. Ik herinner me dat ik de opmerking in het begin nogal letterlijk opvatte. Ik was bang dat mijn ouders voor hoge kosten inzake nieuwe broeken kwamen te staan als ik mijn aandacht niet bij het bord hield. Och, het is allemaal goed gekomen. In plaats van een broekenverslijter, ben ik eerder een schoenenverslijter geworden. Hoe dat komt weet ik niet, maar op de een of andere manier zijn die van mij snel stuk. Gelukkig is er dan de schoenlapper. Naast het feit dat de schoenmaker uit ons stadje mijn schoenen altijd voortreffelijk weet te repareren, valt er nog iets op als je binnenkomt. Je wordt er verwelkomd door de hond van de schoenlapper. Bij mijn laatste bezoek dacht ik, straf dat hij geen schoenen naar het hoofd gesmeten krijgt door mensen die niet zo tuk zijn op hondjes. Daarenboven vroeg ik me af of hij "Sloef" zou heten, want zijn naam heb ik nog niet te horen gekregen. Een mens denkt wat af, dacht ik nog, terwijl ik mijn beurt stond af te wachten. Want ik stelde me ook voor dat deze hond toch een probleem heeft als hij getraind is op het halen van schoenen of pantoffels. Keuzestress, het is een modern probleem.   Niet lang daarna was ik aan de beurt en kon ik mijn schoenenproblemen op de toonbank leggen. De herstelling was geen enkel probleem. Ik had evenwel vergeten om centen mee te nemen, want je moet er op voorhand betalen, wat niet onlogisch is. Daarom moest ik snel naar de bank fietsen. Toen ik vijf minuten later een tweede keer binnenkwam, begon Sloef opnieuw te blaffen. "Nee, die meneer ken je al", zei de schoenlapper vriendelijk lachend, maar dat maakte weinig indruk op de hond. En bij het afhalen van mijn schoenen schoot Sloef alweer uit zijn sloffen. Misschien wilde hij met zijn geblaf me iets duidelijk maken? Dat ik maar eens in zijn schoenen moest staan? Het zou best kunnen. Al moet ik het wellicht niet te ver zoeken. Hij is gewoon blij dat hij me ziet, met mijn kapotte schoenen. Al kan het ook zijn dat hij telkens met mijn voeten speelt natuurlijk.  

Rudi Lavreysen
0 0

De winkelhaak

Als ik het thuis vertel, kijken de mannen me soms verbaasd aan. Het idee dat vader ooit piepjong was en op een voetbalveld stond, gaat hun verbeelding te boven. Het waren andere tijden, dat staat vast. Zeker qua accommodatie en voetbalkledij. Eén paar voetbalschoenen, daar moest je het een seizoen mee uithouden. Het was geen kwestie van een zomer- en een winterpaar te hebben. Maar de goede herinneringen zijn er wel. Eén van onze trainers, Pierre geloof ik, was nogal inventief qua oefeningen. Zo hing hij wel eens een fietsband in de winkelhaak van het doel. Wie het vaakst zijn bal erdoor kon trappen verdiende een extra consumptiebon. Omdat ik toen vooral met scoren bezig was, en minder met woorden, vroeg ik me niet af waar die ‘winkelhaak’ vandaan kwam. Maar stel dat ik het wist en ik zou tijdens een training geroepen hebben: “Zeg jongens, weten jullie waar het woord winkelhaak vandaag komt?” Ik zou het nogal te horen gekregen hebben. Of misschien een welgemikte bal op mijn voorhoofd. Dat gevaar is geweken, daarom geef ik het nu maar even mee. ‘Winkel’ komt rechtstreeks van ‘wijken’ of ‘zijwaarts gaan’. Kortom, een hoek maken. Een winkel, zoals wij die kennen, betekent dus een hoekhuis, omdat een zaak op de hoek van de straat het best was voor de verkoop. En een winkelhaak is eenvoudig een haak met een rechte hoek.   Och, af en toe kon ik de bal wel eens in de winkelhaak trappen, maar of ik veel consumptiebonnen opstreek kan ik me eerlijk gezegd niet meer herinneren. Ondertussen beperkt het voetbalgebeuren zich tot het kijken naar wedstrijden van onze oudste. Aan de zijlijn vertellen we dat het vroeger allemaal beter was (niet dus) en geven we af en toe de nodige commentaar op de scheids. Al hou ik me ver van roepen en tieren. Daar kon ik vroeger al niet tegen. Bij één van die wedstrijden bakte de oefenmeester van de tegenpartij het wel echt bruin. Zijn kritiek op de scheidsrechter bleef maar duren. Tot de man in het zwart het voor bekeken hield. Hij stapte naar de coach en trok -echt gebeurd- zijn shirt uit. Hij was niet aangesloten bij de club van magere mensen, dus het was eigenlijk geen gezicht. Bovendien had hij geen ‘marcelleke’ aan. De coach wist niet waar kijken. Ook niet toen de referee tegen hem zei: “Als je het beter kan, mag je ook mijn shirt hebben.” Een mens maakt wat mee aan de zijlijn. Maar die arbiter? Daar was toch een hoek af als je het mij vraagt.

Rudi Lavreysen
0 0

Allemaal helden

Je kan maar één keer jong zijn. Al blijven die jonge jaren altijd ergens in je hoofd zitten. Af en toe steken ze de kop op. Dan zie je jezelf terug als jonge held. Maar dan kijk je in de spiegel en die spreekt dat onmiddellijk tegen. Je bent zo jong als je jezelf voelt, zeggen ze dan. Tja, vertel dat vooral tegen die spiegel.  Maar die spiegel, dat kunnen ook mensen zijn. Bijvoorbeeld de twee jongemannen tegenover me in de trein. Zelf was ik een boek aan het lezen, maar hun verhalen waren even interessant. Ik hield de schijn hoog door af en toe een bladzijde om te slaan. De ene jongeman vertelde over zijn vakantiejob in het stadhuis. Daar moest hij identiteitskaarten uitreiken, maar op een dag, na een volledige nacht stappen, had hij vrijwel meteen vanuit het café zijn werkplek opgezocht. Dat werkte natuurlijk voor geen meter. Hij had dan maar geruild voor een taak achter de schermen. De andere vertelde het verhaal van een vriend. Die had een vakantiejob als poetsman in het ziekenhuis. Ook hij had een nachtje doorgedaan en de lege bedden werkten voor hem als een rode lap op een stier. Tijdens zijn pauze was hij even gaan liggen, maar er was iets dat hij niet had opgemerkt. De chef vertelde het later. “Zeg jongeman, als je nog eens een dutje wil doen, kies dan een kamer waar geen camera’s hangen”. Ik meende te zeggen, maar goed dat hij een leeg bed had gekozen, maar ik besloot wijselijk om nog een bladzijde om te slaan. Och, wie heeft er geen fratsen uitgehaald? We waren allemaal helden in onze tijd. Het is een kwestie van de verhalen te blijven vertellen. Ze houden ons jong. En die spiegel? Och, die kan toch niets terugzeggen.  

Rudi Lavreysen
0 0

De perforator

Het moet ergens begin jaren 2000 geweest zijn. Onze mannen waren nog klein en je moest ze voortdurend in de gaten houden.  Of je dat nu wilde of niet. Maar meestal wilde je dat wel. Want ze zijn toch zo snel groot, zegt het cliché dat gelijk heeft. Datzelfde cliché zegt ook dat een ongeluk in een klein hoekje zit. De oudste had tijdens het spelen zijn kin al eens opengehaald aan een plastic vrachtwagen. Toen de dokter het moest hechten gaf hij, als stoere vrachtwagenchauffeur, geen kick.    Niet lang daarna was het opnieuw zover. We hadden even niet gekeken en onze jongste had het gepresteerd om zijn vingertje tussen de perforator te steken. Je weet wel, zo een gaatjesmachine waarmee we vroeger confetti maakten. Misschien waren ze treintje aan het spelen en had de ene de rol van gaatjesknipper op zich genomen. De kleine vinger was er niet tussenuit te krijgen. We zagen het ijzer van de gaatjesmaker in zijn vinger zitten. En wringen durfde ik niet. Dan maar naar de spoed. Met het hele gezin en met de perforator aan die kleine vinger.  De vraag van de verpleger 'wat heeft hij nu aan de hand', was eigenlijk best grappig, maar mijn aanstalten tot lachen werd op een boze blik onthaald. Ik zag mijn vinger ook al tussen die perforator zitten. Ter plaatse werd het snel opgelost. Zijn vinger was niet tot confetti gemalen en het gaatje was achteraf snel genezen. Maar de perforator kreeg thuis een geheime plek. Net als in de klas trouwens, nadat we het verhaal aan de juf hadden verteld. Misschien maakt het nu nog altijd indruk. Als er een kleuter naar de perforator vraagt en de juf het verhaal vertelt van de jongen die met de perforator aan zijn vinger naar de spoed moest.  

Rudi Lavreysen
0 0

Het nieuwe roken

“Naar wat smaakt dat nu?”, vroeg de man. Wijzend naar het toestel waarmee de andere man op het caféterras aan het roken was. Het was zo een e-sigaret. Ingewijden in het nieuwe roken zeggen er ook wel een ‘vaper’ tegen. “Deze smaakt naar koffie. Maar soms rook ik met cappuccinosmaak”, antwoordde de man terwijl hij een wolk uitblies waar een opstijgend vliegtuig niet voor moet onderdoen. Ik moest met mijn handen zwaaien om de damp weg te krijgen, zodat ik mijn vrouw terug naast me zag zitten. “Tja, dat zet de deur natuurlijk open voor andere smaken”, zei ik tegen haar. “Persoonlijk zou ik dan kiezen voor witloof met hesp en kaassaus of aspergesoep.” Het zal er wellicht nog ooit van komen. “Vroeger heb ik gewone sigaretten gerookt”, ging de conversatie tussen de twee verder. “Maar mijn vrouw en ik wilden er vanaf. Helemaal stoppen ging niet. Ik kan het trekken niet laten”, lachte hij.    Die laatste zin had ik eigenlijk niet willen horen, maar het blijft op de één of andere manier een raar zicht. Roken met zo een toestel. Mijn theorie hierover? Dat komt omdat we nog geen acteurs in films of series zien met het apparaat. De gewone sigaret of sigaar was alomtegenwoordig in de bioscoop.    Dat je in cafés en restaurants niet meer mag roken is vanzelfsprekend een zegen. Geen stinkende kleren meer. Geen volle asbakken op de toog. Zo moest ik ooit iets bestellen in een café waar de muziek nogal luid stond. Het was me niet opgevallen dat ik boven een volle asbak aan het roepen was. Door mijn geroep en geblaas kreeg de cafébaas een volle lading sigarettenas in zijn gezicht. Achteraf kon hij er mee lachen. Al heb ik bij mijn bestelling toch die ene zin toegevoegd. “En pak zelf ook iets.”   

Rudi Lavreysen
0 0

Een blokje om

Om het avondeten te laten zakken proberen we na die laatste hap nog een blokje om te gaan. Al is het eigenlijk niet onmiddellijk na het eten, maar na de onvermijdelijke afwas. We rapen onze moed bij elkaar en we gaan de deur uit, om toch maar die 10.000 stappen per dag te halen. Dus in feite om die al even meedogenloze weegschaal ’s morgens te vriend te houden. Al wil dat wel eens tegenvallen. Net als die afwas. Maar kom, we waren bijna thuis, toen we uit een garage een fiets zagen komen. Een jongen van pakweg 10 jaar duwde die vooruit en niet lang daarna kwam zijn -wellicht- zusje ook naar buiten met haar bloemenfiets. U hebt ze ongetwijfeld al gezien, zo een fiets met een hele reeks bloemen aan het stuur. De jongen sprong als een volleerd ruiter op zijn kleine stalen ros en zijn zus, het bloemenmeisje, had moeite om hem te volgen. We hoorden hem roepen. “Kom, snel, wij fietsen langs hier, hun hebben denk ik de andere richting genomen. Dat is grappig.”    Nu moet u weten, even voordien was ons al een vrolijke bende fietsende kinderen voorbijgestoken. Waarbij die niet toevallig naar dat huis keken, waar broer en zus even later buiten kwamen. Hij wilde ze dus tegemoet rijden, maar koos toch dezelfde richting. Ze fietsten dus in de achtervolging. Met andere woorden, zijn grappig plannetje zou mislukken. Ik meende nog te roepen. “Nee, ze zijn ook die kant uit. Jullie fietsen ze nu achterna.” Maar ik besloot om het niet te doen. Laat hem maar fietsen, dacht ik. Dan had hij het maar moeten zeggen dat “zij” de andere richting hadden genomen. In plaats van die tenenkrullende ‘hun hebben’. Het zal hun leren.    Juist is juist. Dat zegt mijn weegschaal trouwens ook altijd.  

Rudi Lavreysen
0 0

Vliegen

Het was de tijd van het jaar. De tijd voor onze jaarlijkse uitstap naar de kust. Het was maar voor een paar dagen, maar toch probeerden we de dagen niet te tellen. Aan de krant, die we ’s morgens beurtelings doorbladerden, zagen we welke dag van de week het was. Op de tweede dag trokken we naar die grote stad aan zee met de viskraampjes aan de haven. Onze oudste had de trip van een jaar eerder duidelijk nog niet verteerd. Het voorval kwam dan ook meteen ter spraken toen we het station uit wandelden, waar we de vis al roken en de eerste kraampjes in ons gezichtsveld opdoken. Vorig jaar bestelden we er maatjes en kibbeling. “Pas op voor de meeuwen”, waarschuwde de visverkoper ons toen. Onze oudste had het niet gehoord -of niet geloofd- en stapte met de portie kibbeling in zijn hand moedig de weg over. Een meeuw had hem evenwel in de smiezen en dook rakelings over zijn hoofd, waarbij ze bijna een gratis lunch te stekken had.   “Nee nee nee’, zei hij dit jaar, met een blik op de meeuwen die op de kramen zaten. Hij dacht wellicht dat de beesten hem nog herkenden. “We kopen zeker niets aan die viskramen.” We besloten dan maar om langs de kustlijn een hapje te eten. We stapten een restaurant binnen, duidelijk buiten de meeuwengevarenzone. Een jonge medewerker wees ons naar een tafel. Hij was er één van het enthousiaste type. Een felle. Dat zagen we meteen. En zijn enthousiasme werd er allesbehalve minder op. Toen mijn vrouw een bruiswater bestelde, gebaarde hij zoals kinderen tijdens een cowboyspel wel eens doen als ze met hun vingers een revolver uit een denkbeeldige holster trekken. Hij draaide zich om en beide wijsvingers schoten naar de kust. “Als u bruiswater wenst, moet u daar zijn mevrouwtje. Het zeetje is volop aan het bruisen.” Waarna hij in een lachsalvo schoot, alsof hij de mop voor het eerst vertelde. Iets in me zei dat dit zeker niet het geval was. Even later kwam een andere medewerker onze maaltijd brengen. De felle kregen we niet meer te zien. Plots, bij het afrekenen, vloog er zowaar een duif door de open deur naar binnen. “Die zien we hier bijna elke dag”, vertelde de medewerker. De kinderen waren al achter de rug van mijn vrouw gedoken.  Ze dachten dat het een meeuw was, maar de man stelde hen gerust. “Nee, meeuwen komen hier niet binnen”, zei hij. “Maar deze duif zien we hier elke dag wel eens naar binnen vliegen.” Ik meende nog iets te vragen over de andere medewerker, of hij ze ook zag vliegen, maar ik zag hier toch maar van af. De rest van het gezin was al naar buiten gevlogen.  

Rudi Lavreysen
0 0

Drie tramverhalen

1.Een groep voetballers stapte op de kusttram. Het was een uitgelaten voetbalbende, allemaal rond de twintig jaar oud. Geen profs, maar voetbalvrienden, die er tijdens hun voetbalkamp aan zee geen Spartaans leven op hadden nagehouden. Dat meende ik toch te kunnen vaststellen, gezien de verhalen die ik hoorde. Heel wat jaren geleden, toen ik zelf nog voetbalde, maakten we op 16-jarige leeftijd met de club een trip naar Duitsland. De combinatie van grote Duitse pinten en voetballen bleek niet zo succesvol. Eén van de jonge voetballers zette zich naast me en viel bijna meteen in slaap. Dezelfde combinatie wellicht. Na een paar haltes stapten ze af. De jongeman naast me lag nog te dutten. Geen enkele van zijn vrienden maakte hem wakker. Ik besloot hem toch maar stilletjes aan te stoten. “Uw maten stappen af hè”. Hij keek beduusd om zich heen. “Wat, oei, en die maken mij niet wakker? Fraai maten zijn dat”, waarna hij recht stond. “Merci hè”, riep hij nog na. We zagen hem nog samen met zijn vrienden naar de plaats van bestemming wandelen. Zijn bal al kunstig de lucht in gooiend. Duidelijk uitgerust voor een nieuwe avond in Oostende.   2. We hadden die dag een tentoonstelling bezocht in Oostende. Nog aan het nakeuvelend over de muurschilderingen die indruk hadden gemaakt, wachtten we op de tram aan het Marie-Joséplein, genoemd naar de dochter van Koning Albert I. Die Marie-José heeft trouwens het één en ander meegemaakt. Ze mocht ooit 33 dagen koningin van Italië zijn en ze had nog een affaire met Mussolini. Maar dat is een ander verhaal. We stonden er niet alleen. Drie wielertoeristen stapten samen met ons op. Hun racefiets ging mee de kuststram op. Bleek dat ze van Brussel naar Koksijde wilden fietsen, maar ze hadden beslist om dat laatste stukje toch maar gemotoriseerd af te leggen. Wegens totaal afgepeigerd. Eenmaal op de tram ging ik op een bank zitten waar nog drie, nu ja, oudere vrouwen zaten. De mevrouw naast me belde even met haar man op het thuisfront en vroeg wie de rit van de Tour gewonnen had. Omdat de verbinding tamelijk slecht was, kon ze haar echtgenoot nogal moeilijk verstaan. En moest ze vrij luid spreken. “Nee, laat maar”, zei ze in dat smakelijk West-Vlaams. “Ik kijk het straks wel op tv. Naar Vive Le Vélo.” Eén van de drie wielertoeristen keek om en glimlachte. Ik kon eenzelfde glimlach niet onderdrukken.   3.  We lazen de krant op de tram. Onze jongste had één katern vast, ik de andere. Tijdens de vakantie gaat de gazet door heel wat handen. Dan hebben we de tijd. De gesprekken die erop volgen zijn wellicht nog interessanter dan de artikels die we net gelezen hebben. Die papieren krant blijft toch altijd interessant. Je kan ze delen, maar je blijft ook gespaard van al de meningen en opmerkingen, die je op social media tegenkomt. Een man naast ons zat niet op een bank, maar op een verhoog waar je eigenlijk niet hoort te zitten. Maar och, veel kwaad kan het niet natuurlijk. Hij keek onze jongste aan. “Mag ik eens iets vragen?”, zei hij. Onze zoon knikte. “Gelooft ge alles wat daar in staat?”, vroeg hij, wijzend naar de krant. “Ik niet hoor”, voegde de man er zelf meteen aan toe. Ik meende nog te zeggen, ‘niet geloven wat hij zegt’, maar onze jongste gaf zelf het perfecte antwoord. “Het meeste toch”, antwoordde hij, lichtjes grijnzend. Ik meende er nog een ‘daar heb je niet van terug’ aan toe te voegen, maar besloot het er maar bij te laten. Soms kan zwijgen ook best slim zijn.  

Rudi Lavreysen
0 0

Dan was het zomer

En dan vertrek je op vakantie. Pas op, het is meer dan 10 jaar geleden. De mannen waren nog klein mannen. Dan heb je eindelijk beslist welke korte en lange broek en welke schoenen je meeneemt, naast degene die je aan hebt want die moet je ook meetellen, en dan zwijg ik nog over de spullen van de mannen die mee op de achterbank moeten. Elk hun koffertje. Het ene koffertje was oranje met Winnie de Poeh op. Toch gek dat je sommige zaken niet vergeet. Dan vertrek je voor een rit van bijna 1000 kilometer. Met de wagen die toch al wat jaren had. “We wagen het er op”, zeiden we als grap, dat weet ik ook nog.   Niet lang nadat je Brussel gepasseerd bent, verdwijnt Studio Brussel van de radio. En dan moet je ook door Parijs. “Op de Périphirique”, hadden ze me gezegd, “wil het wel eens druk zijn”. Tja, het was inderdaad met geen enkele ringweg te vergelijken. Dan is die van Brussel een gewestweg. Dan ben je daar eindelijk door en dan rij je fout. Op die honderd kilometer zal het wellicht ook niet steken. We waren al blij dat Parijs achter ons lag. Later zouden we daar nog wel eens naartoe rijden. Gewoon, naar de lichtstad. Nu lachen we daar een beetje mee. “Weet je nog, toen we hier voor eerst door moesten?”   Dan kom je op de plaats van bestemming en dan verschijn je even in het leven van de mensen ter plaatse. En dan begint de dag met de vraag: “Wat zullen we straks eten?” En dan bezoek je marktjes en doe je eigenlijk niet veel en dan heb je het wel goed. Met dat boek aan het water, maar toch moet er ook wat animatie zijn voor de mannen. En dan denk je stiekem toch ook al aan die terugtocht, waar je een beetje tegenop ziet. Opnieuw 1000 kilometer. Opnieuw die Périphirique. Ondertussen kan je het al foutloos schrijven.   De tijd vliegt, zeker op vakantie, en dan ben je ondertussen opnieuw door Parijs en dan zie je “Bruxelles” terug op een bord verschijnen. Nog eens 350 kilometer en dan kan je Studio Brussel ontvangen. “Dat is toch altijd een beetje thuiskomen”, zeiden we altijd. Maar dan hoor je één van de klein mannen op de achterbank zeggen. “En wanneer gaan we nu naar de zee?” Tja, dan zou je toch. Niet?

Rudi Lavreysen
0 0

Met vier in het bedje

Ik weet niet of u ze al gehoord hebt, maar het begint op te vallen. Ik heb de indruk, al is het eigenlijk meer dan een indruk, dat de mensen meer en meer verkleinwoorden gebruiken. Als je erop begint te letten, is het echt opvallend. U moet bijvoorbeeld tijdens de vakantie eens naar het tv-programma “Met vier in bed” kijken. Hierin bezoeken uitbaters van B&B’s elkaars pension en ze geven dan hun mening over bijvoorbeeld de inrichting en de gastvrijheid. Het begint meestal met het springen op de matras om te zien of die wel hard genoeg is, waarna ze op zoek gaan naar een millimeter stof zodat ze daar later iets van kunnen zeggen. Maar we wijken af. Verkleinwoorden, daar hadden we het over. Nee, wacht. Eerst dit. Ik vraag me ook af waar ze die B&B’s toch blijven halen? Het programma loopt nu al enkele jaren en ze blijven maar komen. Goed nieuws voor het toerisme, maar te veel aanbod is toch niet opportuun voor de klandizie, wel?   Maar laat ons bij de zaak blijven. De verkleinwoorden. U moet er echt eens op letten. Ik heb me met een blocnote voor mijn tv gezet en ik ben beginnen te noteren. Ik som het even op: gerechtje, pareltje, activiteitje, koppeltje, eitje (maar die zijn meestal inderdaad wel klein), champignonnetje, huisje, badkamertje (dat was ook aan de kleine kant), nachtje. En toen ben in gestopt met noteren. Ze bleven maar komen, die verkleinwoorden. Je zou zeggen dat het een programma voor kleine mensen is. Trouwens, op het einde van de show moeten ze elkaar punten geven. En dat doen ze met bedjes, echt waar. Het hield niet op. In diezelfde uitzending heb ik een West-Vlaamse uitbater de namen van een ander koppel horen uitspreken als Karientje en Geertje. Ze waren nochtans best groot, die twee. Bovendien moest deze brave West-Vlaming het woord hygiëne uitspreken. Heen hemakkelijke opdracht voor hem.   Maar blij ben ik niet met deze evolutie. We moeten het toch allemaal niet kleiner maken, wel? Het is natuurlijk zo dat je niet verplicht bent om naar dat programmatje kijken. Je kan ook op een ander knopje drukken. Dat heb ik vervolgens ook gedaan. Ik heb maar op het uitknopje gedrukt. Ons tv’tje ging op zwart en ik heb een boekje genomen. Maar de lettertjes waren me echt te klein en toen heb ik mijn brilletje opgezet. En meteen kreeg ik een ideetje. Misschien is het wel goed voor een stukje in de krant.

Rudi Lavreysen
0 0

Dansen

Jarig zijn in de zomer. Op zich verschilt het niet veel van een verjaardag in de winter. Alleen ga je dan minder snel buiten zitten om te feesten. Op een vroege zomeravond heeft tante Frieda ons uitgenodigd voor haar verjaardagsfeest. Ze wordt 69 jaar. Vol ongeduld zit ze in haar tuin te wachten tot we opduiken. Ik heb mijn mopje thuis al voorbereid: “Dag Frieda, ge zit al op hete kolen zie ik.” We wisten immers dat ze voor een barbecue gezorgd had. Ondanks de getelefoneerde grap wordt er toch mee gelachen. Ze gaan van heel jong naar redelijk tot echt oud, de mensen rond de tafel. De kleinkinderen spelen het spek en de satés vliegensvlug naar binnen en wapenen zich meteen met een aantal waterpistolen. De oudere generatie moet er aan geloven. De barbecue wordt bijna geblust. Na enkele terechtwijzingen verhuizen de kinderen met hun wapens voldoende ver van de feesttafel.   Al snel komt die ene verjaardagszin op tafel liggen. “Och, een jaar is niks”, zegt de jarige. Er bestaat geen verjaardagsfeest waarbij die vijf woorden niet uitgesproken worden. Het hoort erbij zoals de cadeautjes en de barbecue in de zomer. Meestel gevolgd door “ja, zeg dat wel, het vliegt voorbij”. Deze keer volgt er een andere zin op. “Nee, twintig jaar is niks”. Het is nonkel Roger die het zegt. “Ik herinner me nog, toen wij klein waren”, gaat hij verder, “dat mensen van 80 jaar stokoud waren. Wij vonden die alleszins stokoud. Dat waren echt heel oude mensen. Nu ben ik zelf bijna zo oud. Het is niet te geloven”. Er is iets van natuurlijk. Je ziet jezelf nooit zo oud als je bent. In je hoofd zit nog die dertigjarige, die volop kan dansen. Zo is ook het bij nonkel Roger. Op zijn 75e heeft hij een hartaanval gehad. Hij is er goed doorgekomen, maar hij loopt er ontzettend verkrampt bij. Alsof hij tijdens die hartaanval alles wou vasthouden zoals het was. Niets willen loslaten. Zoals dat dansen, zijn passie bij uitstek. Ik heb hem altijd gezien met nette witte schoenen. Meteen klaar om een dansje te placeren. “Nee, dat dansen gaat nu niet meer”, zegt hij. “Ik ga nu wel elke week petanquen. Dat lukt nog. Daar laat ik de ballen maar wat dansen.” Het is wellicht de mooiste zin van het verjaardagsfeest. Maar dat zeg ik hem niet. Hij weet het trouwens zelf. Zijn verkrampte lach bewijst het.

Rudi Lavreysen
0 0

Samen op de trein

Er heerst examenstress in huis. Het begint al voor het krieken van de dag, met de  geur van koffie die door de kamers trekt. Het pepmiddel om meteen van start te gaan met de leerstof. Alles nog even goed nakijken, want je weet natuurlijk nooit. Als ze vertrekken wensen we ze tot drie maal toe succes. En als ze thuiskomen, moeten ze altijd diezelfde zin aanhoren. “En? Hoe is het geweest?” Het maakte me vroeger wel eens zenuwachtig, als ik die vraag kreeg, want je kon het minstens twee keer vertellen. Straks, bij de diploma-uitreiking, kijken we terug. Naar die vorig proclamatie. Dan gaat het van “Weet je nog? Toen hij van het middelbaar afzwaaide?”. Toen keken we ook terug, naar de lagere school. Het leek een geweldig grote stap, maar dat is het natuurlijk altijd. Maar ook op dat moment blikten we terug, naar de kleuterklas, toen ze voor het eerst mochten afzwaaien. Met een echt hoedje zelfs. Och, dat op een rijtje zetten, doe je natuurlijk automatisch. Net als in het leven zit je samen op die trein die maar voortdendert. Je stapt van de ene trein op de andere en telkens moet je dat bewijs laten zien. Die Go Pass. Het bewijs waarop geschreven staat waar ze naartoe willen. Er is een deuntje dat ik wel eens neurie, uit een plaat van Tom Waits. Misschien niet toevallig over een trein. "The downtown trains are full with all those Brooklyn girls. They try so hard to break out of their little worlds." Zo is het ook met de mannen. Ze willen zich natuurlijk losmaken, losbreken, zoals wij dat ook ooit deden. En weet je wat? Ze hebben hun bestemming op die Go Pass al ingevuld, maar ze laten het ons nog niet zien. Het is hun Letgo Pass.

Rudi Lavreysen
0 0

De ghs

Afgelopen weekend vond in onze stad een internationale en driedaagse wedstrijd oriëntatielopen plaats. Het evenement bracht heel wat volk op de been. Mocht het u nog niet bekend zijn, geef ik u graag de belangrijkste kenmerken van deze sport. Slechts gewapend met een kompas en een kaart moeten de deelnemers op een bepaald terrein een aantal controlepunten passeren. Wie het snelst alle controlepunten in de juiste volgorde kan afleggen, mag zich de winnaar van de oriëntatieloop noemen. Het is dus verboden om digitale hulpmiddelen te gebruiken, zoals een smartphone of een gps.   Ik wil u trouwens graag van het feit op de hoogte brengen dat ik volop aan het brainstormen ben voor een bijzondere versie van de gps. Meer bepaald de ghs. Vooraleer ik u meer details geef, vertel ik u graag hoe ik op het idee kwam. Met het verloren lopen of de weg kwijt geraken valt het wel mee. Daar hebben we natuurlijk die gps voor. Maar wat ik wel regelmatig kwijt speel, zijn allerlei spullen. Zo gebeurt het wel eens dat we thuis de afstandsbediening van de tv kwijt zijn. Even later blijkt die dan op mijn nachtkastje te liggen. De avond voordien gewoon mee naar boven genomen. Wegens een beetje verstrooid. Zo zijn er tal van voorbeelden, waarbij die verstrooidheid de kop opsteekt. Het hoogtepunt, of beter het dieptepunt, speelde zich op straat af. We gingen een stukje wandelen en we waren een paar honderd meter ver toen ik vaststelde dat ik een zakje met keukenafval in mijn handen had. Ik had het uit de keuken meegenomen om het naar de grote vuilnisbak in het schuurtje te doen. Maar mijn gedachten waren snel afgedwaald en ik was me niet meer bewust van het feit dat ik een doorschijnend zakje vol aardappelschillen en allerlei etensresten vasthield. Het is trouwens geen nieuw verschijnsel. Als kind en jongere kreeg ik wel eens de aanspreking "verstrooide professor" naar mijn hoofd geslingerd.   Daarom kwam ik onlangs op het idee voor dat nieuwe toestel. Geen Globaal PositioneringsSysteem (gps), maar wel een Globaal HelderheidsSysteem. Kortom, de ghs. Het kan een toestel worden waardoor je een bepaalde prikkel krijgt bij acties die je vooraf kan instellen, waarmee de verstrooidheid verdwijnt en je terug helder denkt. Het hele project staat natuurlijk nog in zijn kinderschoenen, maar ik zie het helemaal zitten. Wat meer is, ik kan er mijn gedachten niet van afhouden. Laat ons maar hopen dat ik er niet door verstrooid geraak.

Rudi Lavreysen
0 0

Geluk en toeval

Toevallig was ik op een zaterdagmiddag op het terras van café De Kroon beland. Al moet ik daar thuis niet mee afkomen, met dat woord toevallig. Even toevallig kwam ik er een oude klasgenoot tegen. Alhoewel het woord ook daar overdreven is, want Ronny zit er wel vaker. Aan de kaarttafel, waar ze wiezen of zetten. Of hij kijkt er naar het voetbal op tv als de andere ploegen spelen. Naar zijn eigen ploeg kijkt hij in het stadion.Op het toilet konden we snel enkele woorden wisselen. Hij was nog altijd de spraakwaterval die hij vroeger was. Ook met die andere -letterlijke- waterval moest het vooruit gaan. "Ik moet nog naar een feest", zei hij. "Een kameraad is zes jaar getrouwd. Daar geeft hij een feest voor. Kunt ge dat nu geloven? Een feest omdat hij zes jaar getrouwd is?" Er valt iets voor te zeggen natuurlijk. Maar ik had niet meteen de indruk dat hij er tegenop zag. Maar de redenen om te feesten zijn in de loop der jaren inderdaad wel wat gewijzigd. Onze oudste mocht een feestje bouwen omdat zijn ploeg net niet degradeerde. Ook daar kan ik me wel iets bij voorstellen. De opluchting, het geluk, je mag er op zijn minst voor juichen. Het mag wel eens meezitten. In het spel, in de liefde, in het leven. Ronny spoedde zich ondertussen naar de kaarttafel, want alle kaarten waren nog niet geschud en gelegd. Het spel moest uitgespeeld worden vooraleer hij naar het feest kon vertrekken. Er moet een winnaar zijn. Alhoewel dat kaartspel voor hem toch ook een feest is, daar twijfel ik niet aan. Ik vroeg hem of hij nog altijd voor dezelfde voetbalclub supporterde. Hij keek me aan met een gezicht van "wat voor een vraag is dat". Natuurlijk deed hij dat. Achteraf gezien was het ook een vraag die nergens op sloeg. Dat had ik moeten weten. Hij gelooft in eeuwige trouw voor zijn club. Ik zou hem nog wel eens willen vragen hoe het feestje afgelopen is. Dat van het zesjarig huwelijk. Maar dat is iets voor de volgende keer, als ik er toevallig nog eens beland.

Rudi Lavreysen
0 0

Brillenland

Ik stond te kijken van deze titel in de krant. “Het is oorlog in brillenland”. De aanstokers van de rellen? De vrije markt, want de concurrentiestrijd is meedogenloos. We maken vandaag trouwens een aanslag op onze ogen mee, las ik nog. De tablets, smartphones en andere lichtgevende schermen doen onze ogen niet veel goed. Kortom, de brillenmarkt is booming. Het deed me denken, hoe het hulpmiddel geëvolueerd is. Van een levens- of zichtnoodzakelijk iets tot een modeverschijnsel. Zeker bij de zonnebrillen is het niet langer een kwestie van te zien, maar van gezien te worden. Terwijl ik me uit mijn lagere schooltijd herinner dat iemand met een brilletje wel eens voor ‘vieroog’ uitgescholden werd. Jawel, het ging er hard er toe, in die jaren ’70. Enig zoekwerk leert me dan weer dat Simon Carmiggelt, de grote columnist, dat scheldwoord in de jaren ‘40 introduceerde.   Het woord ‘bril’ vindt zijn oorsprong dan weer in ‘beril’, het mineraal waar de eerste brillen van werden gemaakt. Het deed me afvragen, hoe die andere bril, de wc-bril, aan zijn naam kwam. Heel eenvoudig, want het werd zo genoemd omdat je er ook door kan kijken. Opvallend is dat onze taal hierin uitzonderlijk is. In het Engels is het een ‘toilet seat’ en in Noorwegen ga je op een ‘toalettsete’ zitten. Maar er is nog één land waar het ook een wc-bril is, namelijk Zuid-Afrika. We hebben immers een gelijklopende taalgeschiedenis. Geheel toevallig zag ik in het Afrikaanse woordenboek ook de woorden ‘windop’ en ‘windaf’ staan. Mooie woorden, die wij ook gebruiken, maar geen correct Nederlands.     Nog straffer is hoe we plots van een wc-bril tot bij wind gekomen zijn. Meestal is het andersom, niet? Maar als u het niet meer weet, moet u deze column nog maar eens nalezen. Op het gemak natuurlijk.

Rudi Lavreysen
0 0

De knop omdraaien

Je weet toch wat ze zeggen van de krant? Morgen schillen ze er de aardappelen op. Zelf doe ik daar niet aan mee. De aardappelschillen gaan rechtstreeks de vuilbak in. Een krant is na een paar dagen nog altijd lezenswaard. Natuurlijk gaat het in de krant meestal over gisteren, ook de toekomst is een interessant gegeven. Zoals de nieuwste technologische snufjes. Kennen jullie bijvoorbeeld Alexa al? Ze ziet er uit als een ovalen luidspreker. De kleine versie heeft de vorm van een blik Nivea. Je kan het op de salon- of eettafel zetten en allerlei commando’s geven. Je kan bijvoorbeeld vragen om het licht te dimmen of om de tv op een andere post te zetten. Opvallend is dat de toestellen, ook de soortgelijke toepassing op de smartphones, allemaal vrouwennamen en vrouwenstemmen hebben. Daar komt nog wel eens een rel van. Het is ook vervelend dat je tegen de meeste toestellen in het Engels moet praten. En je moet goed articuleren. Met een boterham in je mond ga je rare resultaten krijgen.   Maar we worden er alleszins een stuk luier van. Ik vertel aan de kinderen wel eens dat in onze jonge jaren  de afstandbediening niet bestond. Je moest naar de tv stappen om de post te verzetten. In mijn allervroegste herinnering was het een soort van knop aan de rechterzijde van het toestel. Om kwart voor acht moest Top-Pop af, want dan begon het journaal.  De mannen kunnen er zich weinig bij voorstellen. Al die onnodige verplaatsingen. Toen ik onlangs aan de jongste vroeg om boven iets te gaan halen, en hij wat tegenpruttelde, zei ik nogal clichématig ‘Allez vooruit, gij hebt nog jonge benen’. Zijn antwoord? Zonder een knop te moeten omdraaien. “Kunnen we die van jou dan niet eerst opgebruiken”? Waarna hij al lachend naar boven spurtte.

Rudi Lavreysen
0 0

Het kan 's avonds nog fris zijn

Het was onmogelijk om het gesprek niet te volgen. Al had ik het begin van de conversatie niet helemaal meegekregen. In mijn hoofd zat ik nog bij het gevecht met mijn broek van even voordien. Wacht, ik verklaar me nader. Het was één van die eerste uiterst zonnige dagen. We besloten een terrasje te doen.  De dag voelde zo warm aan, dat het dragen van een korte broek zich min of meer opdrong. Ik had al even buiten gepiept, maar zag toch nog altijd heren met een lange pantalon. En als je dan toch besluit om die korte broek te dragen, welke schoenen passen er dan onder? Toestanden dus. Maar na de nodige twijfel hadden de korte pijpen het pleit gewonnen. We zaten net aan tafel, met mijn hoofd nog bij die broekenkwestie, toen het gesprek van het gezin aan de tafel naast ons begon op te vallen. Een jongedame belde met haar opa. ‘Heb je dorst, opa?’, hoorde ik haar zeggen. Dat heb je dus met mobiele telefoons. Je hoort niet alleen het gerinkel en de ringtones die af en toe behoorlijk op de zenuwen werken, maar je kan volledige gesprekken volgen. Opa woonde blijkbaar dichtbij, maar hij kwam beslist geen glas drinken. Hij volgde het wielrennen op tv. Het was de Ronde van Italië als ik me niet vergis. Een bergrit zelfs, meende ik te kunnen opmaken. Ik zou eerlijk gezegd niet twijfelen als mijn -  latere - kleindochter me zou uitnodigen. Maar ik kon anderzijds zijn beslistheid ook wel respecteren. Opa twijfelde duidelijk niet. Iets later gingen we terug huiswaarts. Daar heb ik de tv nog even opgezet. De renners waren de finish net gepasseerd. Niet lang daarna heb ik mijn lange broek terug aangetrokken. Want het kan ’s avonds nog best fris zijn, vertelde ik tegen mezelf.

Rudi Lavreysen
0 0

Allemaal bonnetjes

“Bon”, zeggen ze in het Frans, als iets “goed” is. Onze Nederlandstalige variant van het woord is niet zo goed. Wat meer is, ik kan het woord “bon” of “bonnetje” nog amper horen. Ik ga u dadelijk zeggen waarom, maar eerst dit. Zonder overdrijven mag ik zeggen dat ik de nieuwe technologie echt omarm. Het leven kan er alleen maar beter en eenvoudiger op worden, niet? Dat je bijvoorbeeld nooit meer de weg moet vragen, omdat die extra mevrouw in de auto het allemaal perfect weet. En de telefoon die we altijd bij ons hebben is echt slim. Toch is er één plek waar het blijft zoals het was. Dat is de supermarkt. Nee, wacht, ik weet wat u denkt. Ik herinner me het ook nog, toen de caissières alle bedragen moesten ingeven. Of ze moesten die zelfs uit het hoofd kennen. De barcode en de scanner maken het gemakkelijker. Zelfs van thuis uit boodschappen doen is mogelijk. We doen er vrolijk aan mee. Niet alleen een maaltijd, maar de hele mikmak. Ze leveren het thuis netjes af. Maar soms kan het niet anders, dan moet je er fysiek naartoe. Een mens moet immers eten. Ik moet toegeven, het is niet mijn favoriete bezigheid. Het eten wel, maar naar de supermarkt gaan niet. Zeker omwille van -nu zijn we er- de ‘bonnetjes’. Die zijn nog altijd zoals vroeger.   Ja, ik weet het, je krijgt dan iets gratis, of korting, dus klagen mag je eigenlijk niet. Maar je moet die spullen dan nog vinden. Net als de overige spullen in de supermarkt. Daar moet toch iets op te vinden zijn? Een mevrouw of meneer, net zoals in de auto, die me helpt om het allemaal te vinden. “De volgende rek Rudi, aan je linkerzijde. Nog drie stappen en je bent er.” Nu moeten we de medewerkers altijd lastigvallen. Ik zie trouwens veel mensen met bonnetjes verdwaald rondlopen in de winkel. We zeggen ondertussen al goedendag tegen elkaar, de bonnetjesmensen. Net zoals motorrijders en buschauffeurs doen. Het schept een band.   Nee, och, thuis zeggen ze dat ik als een brompot van de supermarkt terugkom. Mijn excuses daarvoor. Ook moet ik de mensen van de supermarkt nog bedanken, omdat ze me altijd vriendelijk de weg wijzen. Maar mag ik de uitbaters toch vragen om te blijven innoveren met nieuwe technologie? Als de app met een supermarkt-gps of met gepersonaliseerde automatische digitale bonnetjes niet lukt, dan misschien toch een afzonderlijk bonnetjesloket in de winkel?   Zo, ik moest het even van me afschrijven. Maar bon, ik ben het kwijt.

Rudi Lavreysen
0 1

Het kleinste kamertje

Het blijft één van de gekste zaken die we ooit tegenkwamen. Het speelde zich af tijdens een lang weekend in Amsterdam. We waren met vrienden al de hele dag op pad en op het Museumplein besloten we een drankgelegenheid binnen te gaan. Voor een koffie en een dringend bezoek aan het kleinste kamertje, dat zich beneden bevond. Daar zagen we iets dat onze mond letterlijk deed openvallen. De deuren van de toiletten waren transparant. Echt waar, je kon er zo doorheen kijken. In Amsterdam kom je natuurlijk wat tegen, maar dit. Gezien de hoogdringendheid besloten we het toch maar even te testen. Bij het binnengaan zorgde een sensor of een mechanisme ervoor dat je aan de buitenzijde niet langer door de deur kon kijken. Iets met een folie of zo. Maar aan de binnenkant zie je dat niet. Ik heb echt nog nooit zo snel, hoe zal ik zeggen, het nodige gedaan. Het koud zweet brak me uit, toen ik daar zat. Voor alle zekerheid heb ik nog even gezwaaid naar een man die zijn handen stond te wassen, maar gelukkig zag hij me niet. Terug boven gekomen, hadden we bij ons gezelschap natuurlijk wat te vertellen.   Eenmaal buiten, nog altijd wat nagniffelend, moesten we de stadskaart bovenhalen om onze volgende bestemming te zoeken. Een man passeerde op de fiets en sprak ons aan: “Can I help you?”, vroeg hij. Ik antwoordde meteen “Yes, we are looking for…”. Maar toen zag ik het maffe daarvan in. “Wij spreken ook Nederlands”, vervolgde iemand uit ons gezelschap. “We komen uit België”. “Ooh, sorry”, zei de man. “Met al die toeristen zijn we hier gewoon om altijd Engels te spreken. Je ziet het aan de buitenkant natuurlijk niet altijd”. Op de één of andere manier konden we de slappe lach maar net onderdrukken

Rudi Lavreysen
0 1

We gaan fietsen

“De zon schijnt er is geen reden / met rotweer en harde wind / we gaan fietsen met het kind”, zongen we altijd. Fout natuurlijk, want Boudewijn De Groot had het niet over ‘we’, maar over ‘te’. Maar we vonden het beter klinken. Bij het minste mooi weer trokken we er samen op uit. Op de hoes van die plaat zie je Boudewijn ook fietsen met zijn kind. Met net zo’n fietsstoeltje op de buis zoals vele vaders die hebben. Of gehad hebben. Het is dan ook met bijna niets te vergelijken. Samen ga je de wereld ontdekken, de kleine zit van voor, op de belangrijkste plaats, maar toch bepaal je zelf waar je samen naartoe gaat. Je zit nog even aan het stuur. Misschien is dat een beetje te filosofisch, maar toch. Bovendien gebeurde het regelmatig dat ze in slaap vielen, vooraan op de fiets. Zo gerust waren ze. We hadden dan ook altijd een handdoek bij om op het stuur te leggen.   Toen ze zelf al konden fietsen, maar het nog niet veilig was om dat alleen te doen, fietsten we regelmatig samen van school naar huis. Achter elkaar, want in die straat kon je niet naast elkaar fietsen. Ze vertelden dan honderduit over de kleine avonturen die ze beleefd hadden op school. Maar op die kasseiweg en met de auto’s die voorbij reden, verstond ik meestal niet wat ze vertelden. Ook al riep ik telkens ‘Wacht even, ik versta je niet”, toch bleven ze dat telkens doen. Waarschijnlijk omdat die verhalen dringend verteld moesten worden. Ik denk trouwens dat ze het met opzet deden, zodat ze die verhalen thuis opnieuw konden vertellen. Ondertussen zijn die kasseinen weg en ook het fietsstoeltje staat niet meer op mijn fiets. Maar ik moet het nog ergens hebben liggen. Dat wel.

Rudi Lavreysen
0 1

Het bankje

Als ik er kom, moet ik altijd aan die ene foto denken. Op die foto zie je grootvader samen met twee andere mannen. Ze zitten samen op een bankje op het kerkhof. Ze zijn alle drie gekleed in een nogal donker kostuum en ze dragen een klassieke deukhoed. Nu ik eraan denk, ik heb hem eigenlijk zelden in andere kleuren dan grijs en zwart gezien. Wat ze er deden? Gewoon, naar de mensen kijken die voorbij kwamen. Ongetwijfeld namen plakkend op de voorbijgangers. “Was er dat geen van dinges?” Niet beseffend dat de mensen meteen hoorden wat ze zegden, want hij was nogal hardhorig.   We moesten er altijd stiekem mee lachen, met die foto. Met onze fantasierijke ogen leken het er drie van de maffia. Eén van zijn maten was bovendien boomlang en had een zware snor. Hij had zo met de Godfather kunnen meedoen. Ook als hij in het ziekenhuis lag en een verpleegster boog zich over hem, keek hij altijd sluiks naar haar gezicht, gevolgd door een vraag als deze. “Ben jij er geen van dinges? Hoe heet hij weer?” En de verpleegster zei dan altijd: “Ja, ik ben er één van ….“ “Ik dacht het wel”, vervolgde hij dan, “ik zag het op uw gezicht”. Dat laatste verzon hij ter plekke, maar hij had het gesprek toch maar mooi op gang getrokken. “Uw grootvader, die heb ik nog goed gekend”, ging hij verder. Och, ergens wel hij wel een charmeur. Maar het was die tijd van het jaar. Begin november en bijna de hele dag mistig. Mistroostig zelfs af en toe. Mijn vrouw en ik gingen naar onze, echt wel, mooie begraafplaats. We stopten bij onze dierbaren en we vertelden er wat. Soms stil, soms luidop. En weet je wat? Het bankje, dat staat er nog altijd.

Rudi Lavreysen
0 0
Tip

Beestjes vangen

Om te lezen heb ik tegenwoordig enige versterking nodig. Het is een gewone zwarte leesbril, maar af en toe is het toch leuk om de wereld ook door een roze bril te bekijken. Want naast dit fenomeen kan je gewoon niet kijken. Je moet zelfs uitkijken of ze botsen tegen je op, de Pokémonjagers, omdat ze al wandelend naar hun smartphone turen. Tijdens onze vakantie verpoosden mijn vrouw en ik op een terrasje. Achter ons hadden vier jonge gasten postgevat. We hadden al snel begrepen dat ze het nieuwe populaire virtuele spel speelden. In het midden lag een extra externe batterij en de rare namen en punten vlogen door de lucht. Net als de beestjes, want af en toe trok er een gast op uit omdat er in de omgeving eentje werd gesignaleerd. Waarbij ze onze glazen bijna van de tafel stootten, want het moest snel gaan om het ding te vangen. De vier jongens waren duidelijk van het gamerstype, als ik dat mag zeggen. Zo hadden ze alle vier een nogal bleke huidskleur. Van meestal aan die pc te zitten natuurlijk. Daarom alleen was het goed dat ze een keertje buiten kwamen. De ene jongen had het nog gedurfd om een korte broek aan te trekken. Zijn benen mochten ook dat kleurtje krijgen. Zo trok ik zelf een keer nogal vroeg op het jaar met korte broek naar het containerpark. Daar kreeg ik te horen dat mijn tl-buizen niet in de container mochten. Een geslaagde grap, dat wel. Afijn, we hebben met veel plezier naar de Pokémonjacht zitten kijken. Zoals zij ook plezier hadden. Kortom, iedereen content. Maar waar ik aan dacht, die namiddag op dat gezellige terras. Mochten de mensen van ‘toen’, van voor het internet, nog eens terugkomen en dit fenomeen aanschouwen, ze zouden zeggen: ‘ze vangen’.

Rudi Lavreysen
0 0

Het bakske

Het was een eindejaarsdag. We zaten in een fijne zaak voor een koffie en een kerstbier. Toen plots mijn telefoon rinkelde en nogal lawaai maakte. We hadden bekijks. Dju toch, vergeten op stil te zetten natuurlijk. Aan de tafel achter ons zaten een man en een vrouw een smakelijke verse kop soep te eten. De man zag dat we allebei tegelijk op onze telefoon iets aan het intypen waren. Hij zei halfluid tegen zijn partner, zodat wij het ook hoorden, het volgende: “Amai, dat moet plezant zijn, allebei zo’n bakske om mee te spelen. Geweldig sociaal contact hebben die met elkaar.” En hij ging verder met zijn soep. Ik keek hem even aan,  maar ik had niet zo één-twee-drie een antwoord klaar. Eenmaal thuisgekomen zat mijn niet-gezegde antwoord helemaal in mijn hoofd. U kent dat gevoel ongetwijfeld. Ik heb het voor de gelegenheid dan maar even opgeschreven:“Akkoord meneer, wij waren inderdaad daarnet allebei met onze smartphone bezig. Maar ik moet u toch even iets zeggen. Ik ben misschien niet de oudste, maar ook niet meer de jongste. Ik heb het nog meegemaakt dat er van een smartphone, of internet, geen sprake was. Wat een vooruitgang toch. Ik herinner me nog een anekdote van vroeger. We waren niet zo ver van huis aan het voetballen en ik moest rond etenstijd thuis zijn, maar ik was de tijd uit het oog verloren. Toen plots mijn broer afkwam met een walkie talkie in zijn hand. Hij had met ons ma afgesproken dat ze op de knop moest drukken en ‘Rudi, nu naar huis komen’ in de walkie talkie moest zeggen. Echt gebeurd en geweldig goed gevonden. Maar ik wil toch niet meer terug naar de tijd zonder gsm. Ik moet u ook zeggen dat we allebei een voltijdse job hebben. En ja, als je dan niet aan het werk bent, praat je normaal met elkaar. Wees gerust, we doen dat ook. Maar iedereen is met dat bakske altijd dichtbij. Als de mannen thuis iets moeten hebben, of ze zijn niet thuis, is dat bakske echt wel een oplossing of een geruststellend instrument. En ik kan op dit bakske altijd mijn krant lezen. Toch ook gemakkelijk. Wist u trouwens dat een smartphone voor vluchtelingen een ontzettend kostbaar goed is? Enkele gasten op het Lommelse Parelstrand hebben het me zelf verteld. Het is hun telefoonboek, fotoalbum en veel meer. Bij de overtocht steken ze de telefoon in een plastic zak zodat deze bestand is tegen het water. Ik weet niet of u ooit die ene foto gezien hebt? Ze won een World Press Photo Award. Je ziet op de foto een aantal mannen in het donker. Ze staan aan de kust van een Afrikaans land te zwaaien met hun telefoon om het gsm-signaal van de overkant op te vangen. Vooral de opgelichte schermen van hun telefoon vallen op. Alsof het een lichtpunt in hun leven is. Dus ik vind het eigenlijk wat denigrerend als u over dat bakske spreekt, waarmee we zogezegd spelen. We zijn echt geen pokémons of zo aan het vangen hier.”Afijn, dat was mijn antwoord. Maar ik heb het dus niet gezegd. Toch spijtig.

Rudi Lavreysen
1 0

In het ziekenhuis

1 Ik lag enkele dagen in het ziekenhuis. Afgelopen vrijdagavond, bij uitstek de gezelligste samen-voor-en-thuis-op-de-buis avond, ging ik drie keer van mijn stokje. Tegen de muur en de grond op. Mijn vrouw, de zonen en mijn vriend/buurman houden me recht. Het gebeurde allemaal in flitsen. De binnenzijde van een ziekenwagen ken ik alleen van tv. Daar had het bij mogen blijven. Als een volleerd acteur beantwoord ik de vragen van de ambulanciers. Wat ik weet en wat ik niet weet. Al kan je dat laatste natuurlijk niet vertellen, of je zou het wel weten. Door de grote poort de spoed binnen. De hectiek van E.R. of Grey's Anatomy is er niet. Ook dokter House heeft verlof. In tegenstelling tot verpleger Eddy. Hij doet niet alsof. Net zomin als mijn persoonlijke verpleegster. Liefde is... de ambulance inhalen. Misschien is ze geflitst. Een foto om op te vragen. Ik zie ook flitsen. Van gemis, naar huis, naar flarden van geluk. De man die naast me ligt is helaas dementerend. Ooit was hij een begenadigd voetballer. Net vanavond is er geen Stadion op tv. Maar hier ligt hij nu, zegt zijn dochter vol liefde. Getackeld door het leven. Wie geven we de rode kaart? 2 Het is mijn eerste verblijfservaring in een ziekenhuis. Het hamert er wel in. Mijn buurman is verhuisd naar een vrijgekomen éénpersoonskamer. Iedereen weet dat ziekenhuiskamers maar om twee redenen vrijkomen. Zijn onrustige bewegingen zouden me uit mijn slaap kunnen houden, vertelt men. Ik antwoord dat hij ook wel last zou kunnen hebben van mijn gesnurk, dat we in hetzelfde bedje ziek zijn, maar het baat niet. De Zevende Dag staat op. Ook geen wondermiddel tegen latente hoofdpijn. Terwijl de nieuwbakken ministers hun pensioenplannen verduidelijken, komt de verpleegster opnieuw bloed prikken. “Ze zeggen dat we tot 67 moeten werken”, zeg ik. “Oh ja”, antwoordt ze, waarna ze een pleister van mijn arm ritst. Ik wil het uitschreeuwen, maar deel haar stil protest. Waarna, opnieuw, goede zorgen. Ik leg de tv het zwijgen op en neem de krant. Op een West-Vlaams veld hebben onbekenden 400 witte stenen geplaatst. Als grafzerken. Hetzelfde aantal jongeren pleegde sinds 2000 zelfmoord in die provincie waar keihard werken geen tegenspraak duldt. Eén om de tien dagen. Een stille herdenking voor een stille oorlog. De kamer wordt er nog stiller van. Ik wil maar zeggen. Het leven is ons hoogste goed. We moeten er goed zorg voor dragen. 3 In tegenstelling tot wat ik eerder zei, was Dr. House wel aanwezig in het ziekenhuis. Ik citeer een verpleegster. “Hij is zo slim. Als andere dokters het niet meer weten, gaan ze bij hem te rade.” De verpleegster komt zeggen dat ik tot bij hem mag komen. Onze oudste zoon duwt de rolstoel voort in de gang van het ziekenhuis. De gang van het leven zeker? Bovenal een geruststellend gevoel. Ze staan klaar voor een duwtje in de rug als het nodig is. De dokter heeft een imposante boekenkast. Maar bovenal een begrijpbare conclusie voor mijn herhaaldelijk flauwvallen. Hij doet er niet flauw over. Ik mag naar huis, op voorwaarde dat ik even rust neem. Mijn vrouw is net als ik verrast dat ik al naar huis mag. Maar we zeggen er niet nee tegen. In de auto moet ik nu geen vragen beantwoorden. We weten allebei dat het antwoord thuis op me wacht. Met onze jongste kijk ik op YouTube naar enkele ziekenhuisscènes uit Fawlty Towers. “Raak me niet aan”, zeg Basil Fawlty tegen een verpleegster. “Ik weet niet waar je aangezeten hebt.” En meer van die gein. Lachen doet gelukkig geen pijn. Daar is het antwoord al. Gelukkig. (een 3x 200 woorden column)

Rudi Lavreysen
0 0

Opleiding

Werkt als communicatiedeskundige
Werkte als bibliothecaris
Copywriting
Masterclass copywriting na deelname aan de wedstrijd www.verkoopeenwerkloze.be

Publicaties

Columns op www.internetgazet.be en in Het Belang van Limburg
Prentenboek: Tuur en de Tutterweg
Reveil Verhalenboek 2017: Het Bankje
Reveil Verhalenboek 2018: De Kapelletjesmevrouw
Reveil Verhalenboek 2019: Roger that

Prijzen

Geen