Tip van de week

17/06: 'Ik beken: ik heb een man' van Katrien Daniels.

Jan Ducheyne is een manusje-van-alles. Zo is hij dichter, schrijver, performer, muziekselecteur en presentator. Hij heeft meer dan 20 jaar podiumervaring in binnen- en buitenland. Jan is geen zolderkamerdichter: hij staat midden in het leven en wil een chroniqueur van zijn tijd zijn. Hij is o.a. host van De Sprekende Ezels in Brussel. 

Jan Ducheyne tipt deze week 'Ik beken: ik heb een man' van Katrien Daniels

"Om de zoveel tijd word ik door Creatief Schrijven verzocht om een tekst die mij aanspreekt op AzertyFactor uit te kiezen. Dan hanteer ik altijd dezelfde werkwijze bij het selecteren. Ik lees, en ik blijf lezen, tot ik effectief aangesproken word door wat ik lees.

Ik kwam tal van gedichten tegen die ik mooi, of net onbegrijpelijk, hermetisch of net te eenvoudig vond.

Ik dien ook eerlijk te zijn, ik blijf minder haken aan verhalen en poëzie over pijn en trauma. Dat ligt volkomen aan mezelf. Ik ben zo empathisch dat het mij soms teveel wordt, zo kijk ik ook niet naar allerlei gruwelbeelden over oorlogen, of pakweg anderen in elkaar slaande meutes, of kinderen. Zeker met de social media van tegenwoordig kun je al eens in een loophole belanden waarvan je je achteraf afvraagt wat je nu eigenlijk zitten bekijken hebt. Ik tracht mezelf dus wat te beschermen, mij te hoeden voor teveel heftigheid, negativiteit of - als ik eerlijk ben - een overvloed aan tristesse of uitzichtloosheid.

En zo scrolde ik door de teksten op Azertyfactor. Ik bleef haken aan een zin, verpoosde even op 'Perron 5', maar vond dat ik toch niet opnieuw voor de geweldig schrijvende Lennart Vanstaen kon kiezen, wiens nieuwe teksten ik sinds mijn keuze trouw blijven lezen ben, elke keer er een nieuwe in mijn mailbox belandt.

En ik las verder, niet vluchtig, wel snel klikkend. Van tekst naar tekst.

Tot ik de zin las: ‘’Ik beken, ik heb een man.’ En ernaast, op een mooie, eenvoudige afbeelding het volgende: ‘Wat de liefde draagt, is nooit een last.’

Ik was getriggerd. En ik begon te lezen.

Meteen trof de humor mij. De schrijfster, Katrien Daniels, schrijft: ’Ik moet iets bekennen, ik heb een man. Zo. Het is eruit. Niet dat de politie mij zocht, of er een persconferentie nodig was. Maar toch. Ik heb een man.’

Een eenvoudig, doch kernachtig begin, waarna je niet anders kunt dan verder lezen. Hier wil een mens het fijne van weten.

Een collega had de lont aan het vuur gestoken, door te opperen dat het vrij ongelofelijk was dat Katrien géén man had. Waarop zij antwoordde: ‘maar ik héb een man.’

Dat was blijkbaar de eerste keer dat ze hem zo benoemde.

Vervolgens beschrijft Katrien haar gevoel. Ze gebruikt hier de mooie metafoor van de jas. Dat je je jas aanhoudt als je denkt niet lang te blijven. En dat ze vaak nog het gevoel had, ondanks allerlei andere, veel positievere en duidelijke gevoelens, dat ze haar jas nog aan had.

Er is volgens mij één heel klein foutje in de tekst geslopen, Katrien schrijft op een bepaald moment: ‘Maar ergens staat die jas nog altijd klaar.’ Een jas staat niet. Een jas hangt, ligt of vliegt door de lucht, maar een jas die staat, dat is ofwel een heel bijzondere jas, ofwel een jas… die nood heeft aan een wasbeurt. Haha. Maar goed, de zin is figuurlijk bedoeld, dus het kan eigenlijk gewoonweg wél dat ‘de jas’ als kapstok om de twijfelende gevoelens aan op te hangen, klaar staat als redmiddel tegen de aanhoudende onzekerheid. De zekerheid dat er altijd nog een jas is die niet uitgetrokken worden kan, wat synoniem staat voor het schild dat mensen vaak optrekken, of hanteren in nieuwe relaties.

Zeker als men al eens diepe pijn heeft gekend, zoals Katrien laat uitschijnen, dan hoedt men zich er wel voor om opnieuw in dezelfde malaise verzeild te raken door het hart te snel te open te stellen.

Maar - en dat is dan meteen de ultieme reden waarom ik dit stukje heb gekozen - Katrien ziet in dat er zoveel is dat erop duidt dat die jas al lang - al dan niet gespeeld - nonchalant over zijn favoriete stoel gezwierd wordt, waarna het thuisgevoel zich ongemerkt in haar nestelt.

De auteur van dit stukje beschrijft het zo mooi. Hoe dat gevoel dat je wilt wegvluchten omdat je niet opnieuw gekwetst wilt worden, ongezien vervangen wordt door elkaar leren kennen, waarna het elkaar zién volgt. Het weten hoe de ander in elkaar zit, althans het begin daarvan. Ze gebruikt hier mooie beelden voor. Niet vergezocht, maar wel herkenbaar, en totaal niet klef of cliché.

Het is duidelijk uit het leven gegrepen. Mijmerend tijdens het schrijven. Over zijn liefde voor films, over zijn karakter. Over hoe zij beiden duidelijk geen mensen zijn die aan Nordic Walking doen. Hoe ze oud met hem worden wil! Met rollator en steunkousen! Een brede glimlach bij het lezen van dergelijke zinnen.

Ze beschrijft nog even van waar de twijfel komt, en dan besef je nogmaals dat het hier niet om een prille twintiger gaat. Neen, dit is iemand die weet hoe het leven in elkaar zit.

Iets doet mij vermoeden dat de man in kwestie dat ook weet. In zijn plaats zou ik smelten door haar tekst, en ik ben dan ook zeker dat hij dat effectief heeft gedaan.

Het is niet zo simpel om zo’n teksten te schrijven, op een zodanige manier dat het dit effect heeft. Maar Katrien Daniels heeft met ‘Ik heb een man’ voortreffelijk gevat wat zovéél mensen voelen, met allerlei andere mannen en vrouwen.

En ze eindigt met een héél mooie eindzin: ‘Ik beken, ik heb een man. En stilaan is het tijd om mijn jas uit te doen.’

Wel, dat het hen goed moge gaan, dat Katrien blijven schrijven mag, met die zorgzame, slimme, lieve, grappige, mooie man aan haar zijde.

En doe die jas maar uit.

Aan al wie dit met zijn jas aan heeft zitten lezen, soms zit je nu eenmaal in de metro terwijl je Azertyfactor leest.

We zijn vaak onderweg, maar als we kunnen landen, dan verdienen we een zachte, perfect zittende, goed ruikende zetel in ons favoriete kleur, of toch in de buurt ervan, waar we die jas die we al jaren dragen, zonder er verder nog bij stil te staan, over kunnen zwieren.

Bij deze. Zwier & zwaai, naar Katrien en haar man, en naar u allen!"

Gerelateerd

Tip

Ik beken: ik heb een man

Ik moet iets bekennen. Ik heb een man. Zo. Het is eruit. Niet dat de politie mij zocht of dat er een persconferentie nodig was, maar toch. Ik heb een man. Een collega van mij keek mij deze week aan alsof ik net verteld had dat ik thuis een lama houd. "Maar Katrien," zei hij, "gij hebt geen man?" Hij klonk oprecht verbaasd. "Ge zijt mooi. Ge zijt slim. Ge zijt grappig. Ik versta dat niet." En toen hoorde ik mezelf antwoorden: "Maar ik héb een man." Het was vreemd. Alsof ik het voor de eerste keer luidop zei. Alsof ik mezelf betrapte. Ik heb een man. Niet: ik date iemand. Niet: er is iemand. Niet: ik ben iemand aan het leren kennen. Niet: het is ingewikkeld. Gewoon: ik heb een man. Dat klinkt volwassen. Dat klinkt alsof ik een gezamenlijke rekening heb, een vaste loodgieter en een mening over isolatiepremies. Dat klinkt als iemand die haar leven op orde heeft. Terwijl ik vorige week nog twintig minuten gezocht heb naar mijn bril terwijl die op mijn hoofd stond. Toch heb ik blijkbaar een man. Of een lief. Of een vriend. Of een partner. Al vind ik dat laatste een verschrikkelijk woord. Partner. Dat klinkt alsof wij samen een boekhoudkantoor hebben. Of een verzekeringsmakelaar zijn. "Mijn partner en ik." Dat zijn mensen die op zondag Nordic Walking doen. Wij discussiëren nog over wie het licht in de gang heeft laten branden. Lief vind ik dan weer iets voor mensen van zestien. Vriend wordt ingewikkeld zodra ge elkaar zonder kleren hebt gezien. En meneertje klinkt alsof ik hem op de rommelmarkt gekocht heb. Dus ik weet het eigenlijk niet. Ik weet alleen dat hij er is. En dat hij geweldig is. Zorgzaam. Grappig. Slim. Lief. Mooi. Een lot uit de tweedekansloterij. Een occasieke. Een onwaarschijnlijke herkansing van het leven. Zo eentje waarvan ge denkt: allee jong, was dat nog beschikbaar? Over hem heb ik geen klagen. Integendeel. Hij is een maatje waarmee ik oud wil worden. Echt oud. Met een rollator. Compressiekousen. Een pillendoos met vakjes voor elke dag van de week. En een verpleegster van het Wit-Gele Kruis die ons allebei tegelijk komt zeggen dat we meer water moeten drinken. Dat soort oud. En toch merk ik dat ik het moeilijk vind om te zeggen: dat is hem nu. Dat is mijn man. Niet omdat ik twijfel aan hem. Maar omdat ik blijkbaar nog altijd een beetje twijfel aan het geluk. Aan het blijven. Aan het idee dat iets goeds ook gewoon goed mag zijn. Ik voel mij soms als iemand die op bezoek is en voor alle zekerheid haar jas aanhoudt. "Want ik blijf niet lang." Terwijl ik ondertussen al lang binnen ben. Ik weet waar de koekjes staan. Ik weet hoe de koffiemachine werkt. Ik weet welke films hij al tien keer gezien heeft en toch opnieuw wil bekijken. Ik weet hoe hij kijkt als hij moe is. Ik weet hoe hij lacht. Ik weet hoe hij zwijgt. Maar ergens staat die jas nog altijd klaar. Misschien is dat wat er gebeurt als ge al eens serieus zeer hebt gehad. Ge leert dat liefde niet vanzelfsprekend is. Dat mensen vertrekken. Dat verhalen eindigen. Dat ge soms heel uw hart inzet en toch verliest. En dan wordt ge voorzichtig. Niet aan de buitenkant. Daar ziet niemand iets van. Maar vanbinnen begint ge nooduitgangen te tellen. Zoals iemand in het Sportpaleis die eerst kijkt waar hij buiten kan voor hij van het concert geniet. Niet omdat hij weg wil. Maar omdat hij gerust wil zijn dat het kan. En misschien is dat uiteindelijk wat ik nog aan het leren ben. Niet hoe ge iemand graag ziet. Dat kan ik al. Maar hoe ge uw jas uitdoet. Hoe ge ophoudt met denken aan vertrekken. Hoe ge durft geloven dat ge niet zomaar op bezoek zijt in iemands leven. Ik beken: ik heb een man. En stilaan denk ik dat het tijd is om mijn jas uit te doen. 

Katrien Daniels
201 14

Gepubliceerd op

17 jun 2026