Over Katrien Daniels

Katrien Daniels schrijft omdat zwijgen te veel lawaai maakt.

Ze beweegt zich tussen poëzie en proza en heeft een voorliefde voor het alledaagse: keukentafels, liedjes op de radio, momenten die pas later betekenis krijgen. In haar teksten is er ruimte voor humor en rafels, voor verlangen en twijfel, voor wat schuurt en toch zacht wil blijven.

Ze schrijft over liefde in al haar onhandigheid, over wachten, missen en opnieuw beginnen. Niet om antwoorden te geven, maar om beter te kijken, langer te blijven en iets vast te houden voor het verdwijnt.

Naast het schrijven is ze actief in de culturele sector, waar ze luistert, programmeert en woorden zoekt voor wat nog geen vorm heeft.

Teksten

De Katrienen

Ik ben van 1977. En blijkbaar was dat hét jaar waarin half Vlaanderen dacht: we noemen ons dochter Katrien. Gevolg? Al mijn vriendinnen heten Katrien. Dat is gemakkelijk. Ge kunt u eigenlijk nooit verspreken. Maar tegelijk is het ook ongelooflijk verwarrend. Ik heb het altijd over een Katrien. En dan volgt er een onderschrift. Katrien van Wijnberg. Katrien van de Chiro. Katrien van op kot. Katrien van Antwerpen. Katrien van de lagere school. Katrien van het werk. Katrien de buurvrouw. Het is precies alsof ik een abonnement heb. De Katrienen, ze weten dingen. Ze hebben me ooit op een bijzonder elegante manier uit mijn hoofd gepraat om mijn eerste zoon François te noemen. Achteraf bekeken: waarvoor eeuwige dank. Ze vinden het ook perfect normaal dat ge in een kledingwinkel niet wacht tot het paskotje leeg is. Dan trekt ge die broek toch gewoon in het midden van de winkel aan. Wat gaan ze doen? Ze lopen een winkel binnen, zien ergens een compleet over the top bloesje hangen en zeggen: "Katrien, uw naam staat daarop." En meestal hebben ze gelijk. Ze weten dat ge van porto heerlijke sangria kunt maken. En dat is écht waar! Ze weten dat ge een hele maand kunt verkondigen dat ge absoluut nog eens naar de Opaalkust wilt, om uiteindelijk met veel enthousiasme een hotel in Namen te boeken. Omdat dat op dat moment ook een uitstekend idee leek. Ze weten dat ge tijdens een uitstap ergens in de namiddag een pannenkoek moet eten. Niet omdat ge honger hebt, maar omdat het anders voor niemand nog gezellig wordt. Ik ga geen namen noemen.  Ze waren erbij toen ik dacht dat ik misschien zwanger was. Ze bladerden mee door de lijstjes met babynamen alsof zij uiteindelijk ook een stem hadden. Ze waren erbij toen we op kot de vrolijke poetsvrouw weer eens in een deuk lieten liggen. En toen ik trouwde, maakten ze achter mijn rug een geheime fotoreportage. Niet van de officiële foto's. Wel van de blikken, de slappe lach, de gênante momenten. De echte trouw, eigenlijk. Elke Katrien haalt een andere versie van mij naar boven. Bij de ene geloof ik plots in tarotkaarten. Niet omdat ik erin geloof, maar omdat zij de kaarten legt. Met een andere laat ik mij zonder morren meesleuren naar cafés, pleintjes en verborgen hoekjes waar het leven net iets lekkerder smaakt. En in de buurt van nog een andere blijk ik ineens sportiever te zijn dan ik mezelf ooit zou omschrijven. Ze kennen allemaal de volledige Katrien. Met mijn enthousiasme, mijn chaos, mijn gepieker, mijn drama's en mijn eeuwige "wat gaan ze doen?". Ze kennen de versie die ik vandaag ben, maar ook degene die ik dertig jaar geleden was. Ze herinneren zich verhalen die ik zelf vergeten ben en weten soms al wat ik ga zeggen nog voor ik mijn zin heb afgemaakt. Ik gun iedereen een paar Katrienen in het leven. En misschien moeten we afspreken dat de Jannen zich gewoon aan de Jannen houden. De Patricken aan de Patricken. De Liesjes aan de Liesjes. Dat maakt het leven een pak overzichtelijker. De Katrienen zijn mijn vuurtorens omdat ze, als het op mijn zee wat woeliger wordt, me moeiteloos weer naar de kust leiden. Niet met grote levenswijsheden. Wel met een koffie, een wandeling, een tarotkaart, een pannenkoek of gewoon de woorden: "Kom, we zijn weg." Een vuurtoren neemt de storm niet weg. Hij zorgt er alleen voor dat ge, hoe hoog de golven ook zijn, altijd weer weet waar de kust ligt. Ik heb geluk met de Katrienen aan mijn kustlijn. 

Katrien Daniels
77 1

Voor vorst, voor vrijheid en voor recht

Ik ben geen voetballiefhebber. Nooit geweest. Sterker nog: het geluid van een voetbalwedstrijd op televisie behoort voor mij tot de top drie van de auditieve foltertechnieken. Een commentator die moeiteloos tweeëntwintig namen uit zijn mouw schudt alsof hij met al die mannen samen op internaat heeft gezeten. Die typische voetbalintonatie waarbij zelfs een inworp klinkt alsof de wereldvrede ervan afhangt. Op de achtergrond tienduizenden supporters die al negentig minuten dezelfde klinkers staan uit te rekken. Er zijn maar twee geluiden die ik nog erger vind: een Formule 1-race op televisie en een jengelend kind op een vlucht van drie uur na een veel te korte nacht. Voetbal is dus, laat ons zeggen, niet mijn habitat. Behalve tijdens een WK. Dan gebeurt er iets vreemds. Plots heb ik een mening over een gele kaart voor Brazilië. Maak ik me zorgen over de blessure van een middenvelder van wie ik vijf minuten eerder het bestaan niet kende. Ik zeg zinnen als: "Die had hij toch moeten laten staan." Alsof bondscoaches al jaren op mijn analyse zitten te wachten. Ik blijf op om "de Belgen" te zien, ook al moet ik de volgende ochtend gewoon werken. Ineens weet ik tegen wie we beter wel of beter niet uitkomen in de volgende ronde. Ik betrap mezelf erop dat ik "we" zeg, terwijl mijn grootste sportprestatie van de voorbije maand erin bestond de trap op te lopen zonder mijn boodschappentas neer te zetten. Een WK doet rare dingen met een mens. Zelfs met een cultuurmens. Misschien hou ik uiteindelijk zelfs niet het meest van het voetbal. Misschien hou ik van alles errond. Van pleinen die vollopen. Van cafés die ineens vreemden samenbrengen. Van buren die elkaar plots high fives geven terwijl ze de rest van het jaar niet verder komen dan een beleefd knikje. En vooral van de volksliederen. Het kippenvelmoment van de match.Geef mij maar die paar minuten voor de aftrap. De Spaanse hymne, die het zonder woorden moet doen en daardoor misschien net alles zegt. De Marokkaanse, waardig en ingetogen. En dan de absolute klassiekers: de Marseillaise, God Save the King en The Star-Spangled Banner. Liederen die zelfs zonder stadion al iets groots oproepen. En dan ons eigen volkslied. Voor Vorst, voor Vrijheid en voor Recht. Ik zing nooit verder dan die ene regel. Omdat ik de rest niet ken. Zoals de helft van het land, vermoed ik. Misschien is dat ook het mooie aan een WK. Dat ge een maand lang ergens bij hoort zonder dat ge de spelregels helemaal begrijpt. En dat zelfs mensen zoals ik, die elf maanden per jaar zweren dat voetbal hen koud laat, zich ineens luidop afvragen of de bondscoach niet beter wat vroeger had gewisseld.

Katrien Daniels
40 1

Het heeft een naam!

Ik wist het niet, maar dat kleine steentje dat af en toe nog eens tegen mijn hart tikt, heeft blijkbaar een naam. Ik las het in de Flair. Ik geef toe: niet de eerste plek waar ik levenswijsheid verwacht. Tussen de zomerjurken, hydraterende serums en de vraag welk type barbecuegezel ik ben, stond ineens een woord waarvan ik dacht: verdorie... dat ken ik. Vriendschapsverdriet. En plots viel er van alles op zijn plaats. Ik dacht altijd dat dat gewoon hoorde bij ouder worden. Dat er onderweg mensen uit uw leven verdwijnen. Niet omdat ze sterven. Niet omdat ge hen niet meer graag ziet. Maar omdat ge elkaar ergens, tussen een misverstand en een stilte, gewoon bent kwijtgeraakt. Maar dat waren geen gewone mensen. Dat waren die twee handen op één buik. Mensen die wisten waar ge uw reservesleutel verstopte, hoe ge uw koffie dronk en waarom ge nooit een Viennetta kon laten liggen. Mensen die ge om drie uur 's nachts mocht bellen zonder eerst te beginnen met: "Sorry dat ik stoor." Mensen die zagen dat het niet goed ging nog voor ge zelf wist waarom. Met wie ge de chronische aandoening FOMO bestreed door gewoon overal samen naartoe te gaan. We zongen liedjes die veel te luid klonken. We deden zatte handenstanden tegen een muur. We verbeterden de wereld tussen twee pinten door alsof iemand daarop zat te wachten. We lachten tot onze buik pijn deed. Het leken toen gewone avonden. Maar het waren liefdesverklaringen. Niet de romantische soort. De andere. En dan wellicht één verkeerde zin. Ge zei net iets te eerlijk wat ge van zijn nieuwe job vond. Of hij maakte een opmerking over uw kinderen waarvan ge dacht: dat had ge echt niet moeten zeggen. Ge wordt boos. Ge zwijgt. Ge denkt: dit waait wel over. Hij belt wel. Of ik bel morgen wel. Ge kent elkaar al zo lang. Dit kan toch geen einde zijn? Maar dagen worden weken. Weken worden maanden. Maanden worden jaren. En op een bepaald moment is er geen ruzie meer. Alleen stilte. Laatst zag ik hem terug. Ik herkende hem meteen. Nog altijd dezelfde geruite hemdjes. Nog altijd een pet op zijn hoofd. Hij was wat uitgezet. Maar wie is dat niet op onze leeftijd? Zijn lach was nog exact dezelfde. Hij zag mij ook. En dat was het. Terwijl ik eigenlijk wilde vragen hoe het nu met die nieuwe job ging. Of die dakgoot eindelijk vervangen was geraakt. Dat zal ondertussen wel. Dat is intussen vijf jaar geleden. En leeft uw dikke, stinkende schildpad eigenlijk nog? En hoe het met de liefde ging, dat ook.  Ik wilde vertellen dat ik nog altijd dezelfde ben. Of toch bijna. Dat de scherpe kantjes wat afgesleten zijn. Dat de nachten minder wild zijn geworden. Dat mijn chronische aandoening FOMO nog af en toe de kop opsteekt. En dat ik soms nog aan ons denk. Aan hoe vanzelfsprekend wij waren. Hij verdween weer tussen de mensen. Ik bleef nog even staan. Ergens tussen de muziek, de pinten en de gesprekken liep een leven dat we ooit samen hadden. We schrijven romans over de liefde. We maken films over de liefde. We zingen over de liefde. We verklaren de liefde. We vieren de liefde met bloemen, ringen en trouwfeesten. Over vriendschap zijn we opvallend zuinig. Terwijl sommige vrienden langer blijven dan geliefden. Terwijl ze mee aan uw bed zitten na een operatie, uw verhuis helpen doen, uw kinderen zien opgroeien en zonder veel woorden weten wanneer het niet goed gaat. Vriendschap is een bijzondere manier van iemand graag zien. Misschien beseffen we dat pas wanneer er een stoel leeg blijft aan tafel waarvan niemand ooit had gedacht dat die leeg zou komen te staan. En, nog altijd, als ik in de diepvries een Viennetta zie liggen, denk ik aan hem. En blijkbaar bestaat daar dus een woord voor.

Katrien Daniels
139 4

Ik beken... ik ben een romanticus.

Ik beken. Ik ben een volbloed romanticus. Geef mij Tom Cruise. Richard Gere. De jurken van Sisi. Een paar rozenblaadjes. Een viool op de achtergrond. En voor ge het weet, heb ik in mijn hoofd al drie kinderen, een labrador en een gezamenlijke hospitalisatieverzekering. Zo erg is het. Ik geloof in grote liefdes. In blikken die alles zeggen. In handen die vanzelf in elkaar passen. In kussen waarbij ge heel even vergeet dat ge morgen gewoon weer moet gaan werken. Ik ben opgegroeid met Pretty Woman en An Officer and a Gentleman. Met films waarin het huwelijksaanzoek het einde was. De kus. De muziek. Richard Gere die glimlacht. Aftiteling. En ze leefden nog lang en gelukkig. Tenminste... dat dachten we. Want stel. Ge hebt een lief. Een goeie mens. Zo maken ze ze niet veel meer. Hij is lief, zorgzaam en attent. Hij belt om te vragen of ge veilig thuis zijt. Hij kent uw favoriete liedje. Hij onthoudt dat ge koriander lust. Hij zet de verwarming een graadje hoger nog voor ge zelf beseft dat ge het koud hebt. Ja, hij bedoelt het goed. Heel goed zelfs. Op een dag zegt hij dat ge een weekendje naar Parijs gaat. Gewoon met twee. Romantischer wordt het niet. Tot ge aan de trappen van de Sacré-Cœur komt. Daar staat een witte vleugel. Uw favoriete lied wordt gespeeld. Uw drie beste vriendinnen blijken ineens ook in Parijs te zijn, allemaal in een roze kleed. Er zijn bloemen. Champagne. Een fotograaf. Toeristen die spontaan beginnen te applaudisseren. En dan gaat hij op één knie. Ja, dat is schoon. Ja, zo maken ze ze niet meer. Ja, hij heeft weken, misschien maanden, aan dat ene moment gewerkt. Treintickets geboekt. Uw vriendinnen mee in het complot gekregen. Een witte vleugel geregeld. Ik krijg al stress van een barbecue voor acht man georganiseerd te krijgen. Maar nee. Hij mist dat ene. Dat je-ne-sais-quoi. En nee, dat zijn geen grote dingen. Hij gaat niet vreemd. Hij drinkt niet. Hij is gewoon een heel lieve mens. Maar hij kan gerust een halfuur bezig zijn over de voedingsstoffen in Nutella alsof hij een documentaire presenteert. Zijn ideeën over de klimaatopwarming zijn ronduit dom. Hij corrigeert de ober als die de naam van de wijn verkeerd uitspreekt. Hij spoelt de borden af vóór hij ze in de vaatwasser zet "omdat dat properder is". Hij leest luidop de ingrediënten op een pot confituur. Dat zijn geen redenen om iemand niet graag te zien. Maar misschien wel om er niet mee te trouwen. En daar staat ge dan. Met een witte vleugel achter u. Met drie vriendinnen die al aan het snotteren zijn. Met een fotograaf die klaarstaat voor hét beeld van de avond. Met een man die zijn hele hart voor uw voeten legt. En in uw hoofd klinkt maar één zin. Ja... Maar nee. En plots besef ik dat zo'n huwelijksaanzoek misschien helemaal niet romantisch is. Niet omdat hij slechte bedoelingen heeft. Die heeft hij niet. Hij doet alles uit liefde. Hij wil u verrassen. Hij wil u gelukkig maken. Hij wil u een verhaal schenken dat ge over veertig jaar nog altijd vertelt. Maar hij stelt u wel de belangrijkste vraag van uw leven op de enige plek waar ge ze onmogelijk eerlijk kunt beantwoorden. Want ge zegt niet alleen nee tegen hem. Ge zegt nee tegen Parijs. Nee tegen de witte vleugel. Nee tegen uw drie beste vriendinnen die speciaal de trein hebben genomen. Nee tegen de fotograaf. Nee tegen de toeristen die al staan te applaudisseren. Nee tegen een avond waar maanden werk in zit. Eigenlijk vraagt hij niet alleen: "Wil je met mij trouwen?" Hij vraagt ook: "Wilt ge alsjeblieft deze perfecte avond niet kapotmaken?" En dat is een heel andere vraag. In Hollywood is een huwelijksaanzoek het einde van de film. Kus. Fade out. Richard Gere glimlacht. Aftiteling. In het echte leven begint de film dan pas. Met hypotheken. Met schoonfamilies. Met vaatwassers. Met elkaar soms niet kunnen uitstaan. Met elke dag opnieuw kiezen. Ge trouwt uiteindelijk niet met de man die u op de trappen van de Sacré-Cœur ten huwelijk vraagt. Ge trouwt met de man die dertig jaar later nog altijd naast u zit aan de ontbijttafel. Misschien is een huwelijksaanzoek pas echt romantisch als het eigenlijk overbodig is. Omdat ge al honderd keer ja hebt gezegd. In de kleine dingen. In de afwas. In de stiltes. In de dinsdagen. Nog voor er ook maar een halve witte vleugel in beeld is gekomen. Want als ge na al dat spektakel nog altijd niet zeker zijt, dan is "ja, maar..." gewoon een nee.

Katrien Daniels
46 2

De geheime afspraak

Ik denk dat gepensioneerden een geheime afspraak hebben. Niet op papier. Er wordt geen brief gestuurd en ge zult er ook geen WhatsApp-groep van vinden. Maar ik ben er zeker van dat iemand u op uw laatste werkdag even apart neemt. "Nog één ding," fluistert hij. "En ge houdt dit onder ons. Zeg het vooral niet tegen de werkende mensen. Laat hen maar denken dat de zomer in juli begint. Maar de hele maand juni... is de zee van ons." Sinds ik dat weet, kan ik het niet meer níét zien. Terwijl de rest van Vlaanderen zich nog een ongeluk werkt om alles afgewerkt te krijgen voor het bouwverlof, studenten blokken of net bekomen van hun examens en gezinnen aftellen naar de grote vakantie, hebben de gepensioneerden de kust al lang ingenomen. Niet luid. Niet opvallend. Gewoon. Ik ontdekte het per ongeluk. Een paar dagen Middelkerke in juni en meteen had ik het gevoel dat ik ergens was binnengelopen waar ik eigenlijk geen lid van was. Niemand stuurde me weg, maar iedereen leek de spelregels te kennen. Ze wandelen zonder bestemming. Ze kiezen altijd een tafeltje met zicht op zee. Ze bestellen zonder op de klok te kijken. En een aperitief om elf uur? Dat blijkt gewoon een uur te zijn. Daar zit Rosa. Naast Herman. Herman morst zijn fruitsap. Twee keer. Rosa schuift zwijgend een servetje naar hem toe. Ze kijkt niet eens op. Ge ziet dat liefde na vijftig jaar misschien niet meer bestaat uit grote verklaringen, maar uit weten waar de servetten liggen. Een paar tafeltjes verder zit Denise. Lippen gestift, haar alsof ze straks op televisie moet komen. Nog altijd even kwik als vroeger. Alleen wordt ze wat spraakzamer na haar aperitief. Maar dat is haar gegund. Misschien is dat wel het mooiste aan ouder worden. Dat ge eindelijk moogt uitweiden. Dat niemand nog zegt dat ge moet afronden omdat de volgende vergadering begint. En dan André en Willy. Ze kijken naar de zee. Of toch... dat denk ik. Misschien kijken ze wel gewoon naast elkaar. Zoals mensen die al zo lang samen zijn dat stilte geen leegte meer is, maar een taal. Er is iets raars met tijd aan zee in juni. Ze gaat er niet trager. Ze wordt gewoon minder belangrijk. Niemand zegt dat hij nog snel ergens naartoe moet. Misschien is dat wel wat pensioen echt is. Niet stoppen met werken, maar stoppen met haasten. Ik zat daar tussen hen en besefte plots dat ik niet naar oude mensen zat te kijken. Ik keek naar later. Naar ons. Ik probeerde ons uit. Zoals ge een zetel uitprobeert in een meubelwinkel. Zouden wij ook al om elf uur aperitieven? Zou jij nog altijd beweren dat de garnaalkroketten hier beter zijn dan elders? Zou ik nog altijd zeggen dat ik geen honger heb om vervolgens de helft van uw bord leeg te eten? En zouden we nog altijd discussiëren over mijn haar? Ge vraagt nu al geregeld wanneer ik het nog eens blond ga kleuren. Ik antwoord steevast dat ik dat niet ga doen. Ik vermoed dat we die discussie tegen dan nog altijd voeren. Alleen zal het ondertussen nog grijzer zijn. Ik hoop dat ik dan nog altijd even koppig ben. En gij ook. Dat ge nog altijd dezelfde mop vertelt waarvan ik de clou al ken nog voor ge eraan begint. Dat ik eerst met mijn ogen draai. En vijf minuten later toch weer lach. Dat we met onze rollators veel te fanatiek over de dijk racen en valsspelen in de bochten. En dan komt er, heel even, een gedachte binnen die ik liever niet heb. Want statistisch gezien is er een kans dat één van ons daar alleen zit. Dat ik uw naam zeg. En even naar de hemel kijk. Of gij de mijne. Dat kan ook.  Ik laat die gedachte niet lang blijven. Wij zitten daar samen. Met twee lichtblauwe windbrekers. Een aperitief om elf uur. En alle tijd van de wereld. Misschien is dat uiteindelijk wat liefde is. Niet dat ge elkaar jong houdt. Maar dat ge oud genoeg moogt worden om elkaars gewoontes, koppigheden, verhalen en rimpels te verzamelen. Tot ze allemaal deel worden van wie ge samen zijt. En ergens, op een terras in Middelkerke, midden in juni, kijkt ge plots naar mij. Naar wie ik ooit was. Naar wie ik geworden ben. En zegt ge: "Schat... ge zijt beeldig met grijs haar."

Katrien Daniels
62 4

Een Vlaamse eskimo met mediterrane ambities

Ik heb altijd kou!  Regen en wind zijn mijn natuurlijke vijanden. In de winter horen een fleecedeken en een kersenpittenkussen tot mijn basisuitrusting. Vergeet sexy lingerie. Wie mij op een koude avond richting slaapkamer ziet trekken, ziet geen vrouw maar een expeditielid. Twee lagen kousen, een pyjama, een fleecevest en een kap op mijn hoofd. Ik slaap alsof ik elk moment door een sneeuwstorm verrast kan worden. Ik droom dus al jaren van het zuiden. Van een leven op de tonen van de soundtrack van La Vita è Bella. Van linnen kleedjes. Van lange tafels onder witte schaduwdoeken. Van stokbrood, kaas uit de streek, tomaten uit de tuin en een grote schaal salade. Van rosé die koud genoeg is om kleine levensvragen op te lossen. Van droog gras, lavendel en krekels die ergens in de verte hun beste leven leiden. In mijn hoofd ben ik zo'n Italiaanse vrouw van onbepaalde leeftijd. Zo eentje die moeiteloos mooi oud wordt. Met een strohoed, bruine armen en een geheim familierecept voor limoncello. Maar dagen zoals vandaag? Dagen zoals vandaag zijn geen Toscane. Dagen zoals vandaag zijn een middeleeuwse straf. Om acht uur 's morgens heeft het al de temperatuur van een aangename fietstocht midden op de namiddag. Ge stapt buiten en het is alsof iemand een haardroger in uw gezicht houdt. Mijn huid staat drie maten te klein. Mijn bloed voelt aan als warme confituur. Ik ben ervan overtuigd dat mijn aders elk moment kunnen openspringen als overvolle tuinslangen. Mijn lichaam vraagt niet om water. Mijn lichaam vraagt om een infuus. Een baxter Aquarius citroen. Een intraveneuze Calippo. Desnoods een Raketijsje rechtstreeks in de bloedbaan. Vooral dat laatste. Mijn gedachten bestaan vandaag voor negentig procent uit Raketijsjes. Altijd al meer dan gezond was, maar vandaag in hoeveelheden die ergens tussen zwangerschap, verslaving en religieuze roeping liggen. Ik zou een diepgaand gesprek over de zin van het leven onderbreken voor een Raketijsje. Ik zou familiegeheimen verklappen. Mijn pincode geven. Mijn plaats afstaan in de wachtrij van de bakker. Geef mij gewoon iets met drie kleuren en een houten stokje. Wat het extra onrechtvaardig maakt, is dat er op zulke dagen nog gewerkt moet worden. Dat mensen verwachten dat ge nadenkt. Dat ge vergadert. Dat ge mails leest. Dat ge beslissingen neemt. Dit zijn geen werkdagen, dit zijn overlevingsdagen. Hitte is fantastisch als ge onder een olijfboom een salade maakt terwijl een vrolijke soundtrack speelt en iemand u een glas rosé aanreikt. Hitte is aanzienlijk minder charmant als ge een Excelbestand moet openen of een vergadering moet volgen terwijl uw hersenen de consistentie hebben aangenomen van lauwwarme pudding. Rond de middag begon ik te begrijpen waarom mensen in zuiderse landen een siësta hebben uitgevonden. Dat is geen culturele gewoonte. Dat is een humanitaire maatregel. En ergens tussen mijn derde fles water, mijn vijfde natte washandje en mijn zevende verlangen naar een Raketijsje viel het kwartje. Misschien droom ik niet van het zuiden. Misschien droom ik van het leven dat ik met het zuiden associeer. Van traagheid. Van lange avonden. Van mensen die blijven zitten als de koffie op is. Van tomaten die naar tomaten smaken. Van tijd. Misschien ben ik helemaal geen Italiaanse. Misschien ben ik gewoon een Vlaamse eskimo met mediterrane ambities. En dat is helemaal niet erg. Zeker niet als er thuis een goede airco draait en een lange tafel staat te wachten én waar tomaten echt naar tomaten smaken.  

Katrien Daniels
52 5

Het Meirregat

Ik woon in de Berkestraat. Dat is een straat waar ge niet graag een tegenligger tegenkomt. Niet omdat de mensen hier onvriendelijk zijn, maar omdat de straat op sommige plaatsen ongeveer even breed is als een politieke consensus. Ge moet er uw plan trekken. Gelukkig hebben wij hier merregaten. Voor wie niet van den buiten is: een merregat is een uitsparing in de kant van de weg. Een plaats waar ge u even kunt inschieten zodat een tegenligger kan passeren. Letterlijk betekent het het gat van de merrie. Waarom precies, weet ik niet. Sommige woorden zijn te schoon om kapot te analyseren. Mijn tante, die ook mijn buurvrouw is, kent de straat zoals een schipper zijn rivier kent. Elke bocht. Elke haag. Elke put die al twintig jaar gerepareerd zou worden. En vooral: elk merregat. Als er een tegenligger aankomt, heeft zij de situatie al opgelost voor ik doorheb dat er een probleem is. "Die kan daar in." Of: "Nee, wacht gij maar. Verderop is er plaats genoeg." Ze zegt dat met dezelfde vanzelfsprekendheid waarmee ge zegt dat water nat is. En dan zijn er de mensen die hier niet moeten zijn. Mensen met een gps. Mensen die denken dat elke straat hetzelfde werkt. Mensen die midden op de baan blijven staan kijken alsof ze zonet in een natuurdocumentaire zijn terechtgekomen. Mijn tante krijgt daar zenuwen van. Niet omdat ze die mensen iets misgunt. Maar omdat ze de gebruiksaanwijzing van de straat niet kennen. Dat is wat een merregat eigenlijk is: een stukje lokale wijsheid. Een ongeschreven afspraak. Een manier om tegen elkaar te zeggen: ik maak even plaats zodat wij allebei verder kunnen. Hoe ouder ik word, hoe meer ik denk dat het leven vol merregaten zit. Op het werk bijvoorbeeld. Ge hebt collega's die overal rechtdoor willen. Hun idee. Hun planning. Hun waarheid. Ze rijden een vergadering binnen alsof ze een voorrangsweg hebben aangelegd speciaal voor zichzelf. En ge hebt collega's die de merregaten kennen. Die weten wanneer ze moeten spreken en wanneer ze beter luisteren. Die begrijpen dat ge niet elk gelijk moet binnenhalen om samen vooruit te geraken. Dat zijn meestal ook de mensen bij wie ge graag binnenstapt. Omdat ge weet dat er plaats is. Vriendschap werkt zo. Liefde ook. Ge leert elkaars merregaten kennen. De gevoelige plekken. De oude pijn. De onderwerpen waar ge beter wat trager rijdt. En familie misschien nog het meest: in elke familie rijdt wel eens iemand te snel door de bocht. Wordt er al eens getoeterd. Wordt er al eens achteruit gestoken waar dat eigenlijk niet meer kan. Maar de families die blijven werken, zijn vaak de families waar nog iemand weet waar de merregaten liggen. Waar nog iemand bereid is een beetje op te schuiven. Niet om te verliezen. Niet om ongelijk te krijgen. Maar omdat de relatie belangrijker is dan de discussie. Misschien is dat ook waarom mijn tante zich zo stoort aan mensen die hier niet moeten zijn. Niet omdat ze tegen vreemden is. Maar omdat ze weet wat ge alleen leert door ergens lang genoeg te blijven. Dat samenleven niet draait om wie het midden van de baan krijgt. Maar om weten waar ge een beetje plaats kunt maken. En eerlijk? Dat zouden ze niet alleen in de Berkestraat mogen leren. Ge zou ervan verschieten hoeveel miserie er opgelost raakt als mensen het merregat weten zijn.

Katrien Daniels
60 7
Tip

Ik beken: ik heb een man

Ik moet iets bekennen. Ik heb een man. Zo. Het is eruit. Niet dat de politie mij zocht of dat er een persconferentie nodig was, maar toch. Ik heb een man. Een collega van mij keek mij deze week aan alsof ik net verteld had dat ik thuis een lama houd. "Maar Katrien," zei hij, "gij hebt geen man?" Hij klonk oprecht verbaasd. "Ge zijt mooi. Ge zijt slim. Ge zijt grappig. Ik versta dat niet." En toen hoorde ik mezelf antwoorden: "Maar ik héb een man." Het was vreemd. Alsof ik het voor de eerste keer luidop zei. Alsof ik mezelf betrapte. Ik heb een man. Niet: ik date iemand. Niet: er is iemand. Niet: ik ben iemand aan het leren kennen. Niet: het is ingewikkeld. Gewoon: ik heb een man. Dat klinkt volwassen. Dat klinkt alsof ik een gezamenlijke rekening heb, een vaste loodgieter en een mening over isolatiepremies. Dat klinkt als iemand die haar leven op orde heeft. Terwijl ik vorige week nog twintig minuten gezocht heb naar mijn bril terwijl die op mijn hoofd stond. Toch heb ik blijkbaar een man. Of een lief. Of een vriend. Of een partner. Al vind ik dat laatste een verschrikkelijk woord. Partner. Dat klinkt alsof wij samen een boekhoudkantoor hebben. Of een verzekeringsmakelaar zijn. "Mijn partner en ik." Dat zijn mensen die op zondag Nordic Walking doen. Wij discussiëren nog over wie het licht in de gang heeft laten branden. Lief vind ik dan weer iets voor mensen van zestien. Vriend wordt ingewikkeld zodra ge elkaar zonder kleren hebt gezien. En meneertje klinkt alsof ik hem op de rommelmarkt gekocht heb. Dus ik weet het eigenlijk niet. Ik weet alleen dat hij er is. En dat hij geweldig is. Zorgzaam. Grappig. Slim. Lief. Mooi. Een lot uit de tweedekansloterij. Een occasieke. Een onwaarschijnlijke herkansing van het leven. Zo eentje waarvan ge denkt: allee jong, was dat nog beschikbaar? Over hem heb ik geen klagen. Integendeel. Hij is een maatje waarmee ik oud wil worden. Echt oud. Met een rollator. Compressiekousen. Een pillendoos met vakjes voor elke dag van de week. En een verpleegster van het Wit-Gele Kruis die ons allebei tegelijk komt zeggen dat we meer water moeten drinken. Dat soort oud. En toch merk ik dat ik het moeilijk vind om te zeggen: dat is hem nu. Dat is mijn man. Niet omdat ik twijfel aan hem. Maar omdat ik blijkbaar nog altijd een beetje twijfel aan het geluk. Aan het blijven. Aan het idee dat iets goeds ook gewoon goed mag zijn. Ik voel mij soms als iemand die op bezoek is en voor alle zekerheid haar jas aanhoudt. "Want ik blijf niet lang." Terwijl ik ondertussen al lang binnen ben. Ik weet waar de koekjes staan. Ik weet hoe de koffiemachine werkt. Ik weet welke films hij al tien keer gezien heeft en toch opnieuw wil bekijken. Ik weet hoe hij kijkt als hij moe is. Ik weet hoe hij lacht. Ik weet hoe hij zwijgt. Maar ergens staat die jas nog altijd klaar. Misschien is dat wat er gebeurt als ge al eens serieus zeer hebt gehad. Ge leert dat liefde niet vanzelfsprekend is. Dat mensen vertrekken. Dat verhalen eindigen. Dat ge soms heel uw hart inzet en toch verliest. En dan wordt ge voorzichtig. Niet aan de buitenkant. Daar ziet niemand iets van. Maar vanbinnen begint ge nooduitgangen te tellen. Zoals iemand in het Sportpaleis die eerst kijkt waar hij buiten kan voor hij van het concert geniet. Niet omdat hij weg wil. Maar omdat hij gerust wil zijn dat het kan. En misschien is dat uiteindelijk wat ik nog aan het leren ben. Niet hoe ge iemand graag ziet. Dat kan ik al. Maar hoe ge uw jas uitdoet. Hoe ge ophoudt met denken aan vertrekken. Hoe ge durft geloven dat ge niet zomaar op bezoek zijt in iemands leven. Ik beken: ik heb een man. En stilaan denk ik dat het tijd is om mijn jas uit te doen. 

Katrien Daniels
243 14

Bericht verwijderd

Er zijn zinnen die ge kunt lezen zonder ze gelezen te hebben. Bericht verwijderd. Dat staat daar dan. Grijs. Onschuldig. Alsof er niets gebeurd is. Maar er is natuurlijk van alles gebeurd. Iemand heeft iets geschreven. Iemand heeft getwijfeld. Iemand heeft op verzenden geduwd en daar onmiddellijk spijt van gekregen. Of erger nog: iemand heeft drie minuten lang zitten typen. Dat ballonnetje verscheen, verdween, verscheen opnieuw en verdween weer. Ge kent dat. En dan uiteindelijk: Bericht verwijderd. Dat is gelijk een cadeau krijgen waar iemand vlak voor uw neus het papier terug rond plakt. Ik word daar ambetant van. Niet woest. Geen stoelen-gooiend kwaad. Gewoon dat klein venijnig gevoel van: zeg het dan. Of zeg het niet. Maar laat mij niet achter met een leeg vakje en een hoofd vol scenario's. Want een verwijderd bericht is nooit leeg.  Een verwijderd bericht is een misdaad zonder lijk. Een klein grafzerkje in een WhatsApp-gesprek. Hier rust een zin. Geboren om 22.14 uur. Overleden om 22.15 uur. Oorzaak onbekend. En nu zou het schoon zijn mocht ik kunnen zeggen dat ik dat zelf nooit doe. Maar dat is niet waar. Ik verwijder ook berichten. Ik heb daar zelfs regels voor. Strenge regels. Ik verwijder enkel stommiteiten. Een bericht voor de verkeerde correspondent. Een bericht dat een halve minuut te vroeg vertrokken is. Een autocorrectie die van mijn tekst een psychiatrisch verslag maakt. Een "sleutel niet mee". Lap. Toch wel mee. Dat soort dingen. Praktische ongelukken. Geen emotionele staatsgrepen. Allez ja. Dat maak ik mezelf toch wijs. Want blijkbaar vinden andere mensen mijn verwijderde berichten ook verdacht. Dan krijg ik opmerkingen. "Wat had ge geschreven?" "Waarom hebt ge dat verwijderd?" Alsof een bericht verwijderen erger is dan iets compleet scheef schrijven en dat vervolgens voor eeuwig online laten staan als digitaal bewijsmateriaal. Verwijderde berichten is  eigenlijk ongeveer een  moderne versie van belleketrek. Vroeger belde ge aan. Dingdong. En dan liep ge weg. De mens binnen hoorde de bel, legde zijn krant neer, zette zijn koffie op tafel, deed de deur open en... Niemand. Alleen wat verwarring op de stoep. Een verwijderd WhatsApp-bericht doet exact hetzelfde. Dingdong. Uw gsm licht op. Ge kijkt. Ge voelt een lichte opwinding. Een lichte ongerustheid. Misschien zelfs een klein beetje hoop. En dan... Bericht verwijderd. Niemand aan de deur. Mijn fantasie schiet dan onmiddellijk aan het werk. Een verwijderd bericht is in mijn hoofd nooit een boodschappenlijstje. Nooit: "Kunt ge melk meebrengen?" Nee. In mijn hoofd heeft iemand net zijn liefde verklaard. Of afscheid genomen. Of bekend dat hij al jaren een dubbelleven leidt als accordeonist op een cruiseschip tussen Helsinki en Stockholm. Er is minstens één geheim kind. Een onverwachte erfenis. Een kasteel in de Ardèche. Een verloren broer die na veertig jaar plots terug opduikt. Mijn fantasie geeft een verwijderd bericht altijd een budget van enkele miljoenen euro's. Terwijl de werkelijkheid waarschijnlijk luidde: "Vergeet de vuilzak buiten te zetten." Dat is het frustrerende aan verwijderde berichten. Ge krijgt nooit de ontknoping. Ge blijft achter in uw eigen scenario. Misschien zegt dat meer over mij dan over WhatsApp. Dat kan. Maar ik denk dat we allemaal een beetje hetzelfde doen. We willen graag gezien worden, alleen liefst niet té graag. We willen eerlijk zijn, alleen liefst niet té eerlijk. We willen ons hart tonen, maar liefst met een nooduitgang vlak naast de deur. Daarom bestaan verwijderde berichten. Omdat moed soms maar twintig seconden duurt. Misschien is dat wat mij zo stoort aan dat grijze vakje. Niet dat ik niet weet wat er stond, maar dat ik nooit zal weten wat iemand heel even wél durfde te zeggen. Een verwijderd bericht lijkt een einde. Maar meestal begint daar pas het verhaal.

Katrien Daniels
86 3

Spaghetti voor vijftig

Er zijn mensen die mediteren om tot rust te komen. Ik schil patatten. Geef mij een keuken vol damp, een industriële pot soep en vijftig jongens in rode Chiro T-shirts en ik ben content. Echt content. Ik denk dat ik daarom zo graag kookmoeke ben. Die schaamteloze zomerdagen waarop ik mag moederen over een halve Chiro. Over dorpskerels tussen vijf en vijfentwintig. Kleine mannen met snottebellen, slungels die plots okselgeur ontwikkelen en leiders die zichzelf volwassen noemen maar nog altijd hun onderbroek vergeten. Daar leef ik van op. Van om zeven uur opstaan om de koffie al te laten doorlopen voor de bende wakker wordt. Van een stille kampplaats die nog ruikt naar nat gras en bier van gisterenavond. Van roze teenslippers die na vijf dagen kamp niet meer roze zijn maar een soort triestig campinggrijs. Van de geur van zweet en vet en look. Veel look. Want ge kookt niet voor vijftig man met een bescheiden teentje look. Ik schud hoeveelheden voor recepten uit mijn mouw alsof het hogere wetenschap is. “Hoeveel spaghetti voor vijftig man?”Simpel.Wat ge voor een gezin van vier maakt, maal twaalf en een half.En dan nog een beetje. Want er is altijd wel ergens nen achttienjarige die eet alsof hij zich voorbereidt op een overwintering in Siberië. Ik schil patatten alsof mijn leven ervan afhangt. Ik maak van spaghetti koken hogere wiskunde. Ik heb een eigen filosofie ontwikkeld over hoeveel keer ge een maaltijd moogt opwarmen zonder dat iemand eraan sterft. Ik geloof rotsvast dat melk in soep soms een uitstekend idee is. Dat zelfgemaakte andalouse saus een vorm van beschaving is. En dat ge nooit — maar dan ook nooit — een deftige barbecue hebt zonder perziken uit blik. Dat laatste klinkt absurd. Tot ge het proeft. En dan die saus. De lekkerste saus van het kamp. “Sex on a plate” Het zijn ook de dagen waarop Yevgueni door een krakende box schalt terwijl wij de afwas doen. Als ze lacht. En wij meebrullen alsof we zelf terug twintig zijn en straks nog een pint gaan drinken op de parking van de parochiezaal. De dagen waarop de kookmoekes elke avond eindigen rond een gammele campingtafel met gezelschapsspelletjes waar wij elk jaar beter in worden. Vals spelen een gave is die met de leeftijd komt. Er wordt gelachen tot iemand bijna stikt in een chipke. Tot de leiding komt vragen of het misschien iets stiller kan omdat de klein mannen slapen. Ik doe dat graag. Misschien té graag. Ik ben al eens met pensioen gegaan. Officieel gestopt. Maar blijkbaar kunt ge uzelf ook terugroepen. Niet door een tekort op de arbeidsmarkt, maar door een diepgeworteld “het niet kunnen laten”. Er volgde een stilzwijgende overeenkomst met de leiding: ge gooit me maar buiten als ik écht te oud geworden ben. En eerlijk?Ik hoop dat ze dat nog efkes uitstellen. Want daar, tussen de kookpotten en de afwasbakken, wordt het leven opvallend simpel. Stress herleidt zich tot de vraag hoeveel kilo wortelen er juist in de soep moeten. Nachtrust wordt relatief. En liefde krijgt een totaal andere vorm. Want die is daar.In alles. In een snelle “merci, moeke”.In een jongen van zes die nog een nachtzoentje komt vragen.In een leider van drieëntwintig die spontaan een apero uitschenkt voor de moekes na een dag van zevenhonderd boterhammen smeren.In een keuken waar iedereen plakt van het zweet en de mayonaise en toch niemand weg wil. En zo reigen we de zomers aan elkaar. Met liefde en herinneringen. Met te veel look en te weinig slaap. Ondertussen loopt mijn huis stilaan leeg. Mijn zonen bouwen hun eigen leven bijeen. En binnenkort zal mijn kookpot zich waarschijnlijk beperken tot hoeveelheden voor één persoon. Dat is dan wat ge voor een gewoon gezin maakt.Gedeeld door vier.   

Katrien Daniels
73 7

Failliet

Ik reed gisteren voorbij mijn favoriete delicatessenzaak. Enfin, gewezen delicatessenzaak. Want de winkel is failliet. En ik vind dat erg. Eerst en vooral voor mezelf, als ik eerlijk ben. Want nergens anders was het kaasassortiment zo uitgebreid, de thee van net dat juiste merk en de broodjes zo rijkelijk belegd dat ge er bijna een kleine familietafel voor nodig had. Maar ook voor hem. Ik kende de man zijn naam niet, maar Georges zou hem absoluut niet misstaan, dus we noemen hem Georges. Georges was een gepassioneerde foodie die zijn zaak bestierde alsof het een klein culinair koninkrijk was. Altijd tijd voor een babbel over een Franse schimmelkaas, een goeie olijfolie of gewoon over het leven. Een mens die wist wat lekker was. Dat is een gave, hoor. Failliet gaan. Dat woord heeft iets vuils. Alsof ge niet alleen uw zaak verliest, maar ook ineens een stuk van uw naam. Uw gevel. Uw waardigheid. Uw routines. Uw morgens. Het doet me denken aan een scheiding. Dat is eigenlijk ook een soort faillissement. Ge verliest geld, liefde, meubels waarvan ge dacht dat ge ze samen oud ging laten worden. En daarna moet ge ergens in uw eigen hol gaan nadenken over hoe het anders had gekund. Maar goed. Het ging over Georges. De man van de uitermate goed belegde broodjes. Misschien té goed belegd. Dat wou ik hem soms zeggen. Dat er op één broodje genoeg krabsalade lag om een klein vissersdorp door de winter te helpen. Dat die tomaten daar precies gratis werden uitgedeeld. Maar ik deed het niet. Uit beleefdheid. Of lafheid. Dat ligt dicht bij elkaar. En nu heb ik daar schuldgevoelens over. Omdat ik denk: misschien had wat minder tomaat zijn zaak gered. Misschien was het verschil tussen overleven en failliet gaan gewoon drie schellen mozzarella minder per sandwich. En ik weet het, zo simpel is het natuurlijk niet. Maar toch. Ge begint terug te tellen. Naar alle keren dat ge iets dacht en zweeg. Zoals die avond dat ge wist dat dat feestje ging ontsporen. Of die keer dat ge wist dat ge taart met echte boter moest maken en niet met die margarine uit promotie. Vroeger zei ik dat soort dingen nog. Nu niet meer. Ik heb mezelf afgeleerd om mij te moeien. Omdat mensen daar zelden dankbaar voor zijn. Omdat iedereen liever elegant kopje-onder gaat dan gered wordt door een bemoeial. Dus ik zwijg tegenwoordig. En rij voorbij. De delicatessenzaak ligt er plots verlaten bij. Leeggehaald. Een vrouw draagt een roestig rekje naar buiten. Drie maanden geleden stonden daar nog cuberdons en nonnenbillen op. En die vrouw lacht. Een gewone lach. Een mens-lacht. En ik zie: die vrouw is nooit failliet geweest. Sommige mensen hebben nog nooit echt iets verloren. Geen zaak. Geen liefde. Geen huis met de stilte er nog in. Ik denk aan Georges, de kaasman. En ik zou eigenlijk naast hem willen gaan zitten. Zonder oplossingen. Zonder analyses over krabsalade of kostenstructuren. Gewoon zeggen: sorry dat ik zweeg. Of misschien gewoon: welkom. Bij de club van de mensen die ooit iets zagen instorten waar ze van hielden. De meeste mensen gaan ooit failliet. En de rest koopt roeste rekjes.

Katrien Daniels
56 4

Team Bus

Tom en ik, we noemen onszelf Team Bus. Hij langs de kant van de busplanning. Ik langs de kant van de uitstapplanning. En ergens tussen vertrekuren, parkeerplaatsen, zieke chauffeurs en “oei, dat is precies verkeerd doorgegeven”, vinden wij mekaar regelmatig. Normale dingen regelen we via mail. Dat hoort zo. “Beste, graag een offerte voor twee bussen richting Oostende.” Dat soort dingen. Maar als er ergens een schoolgroep staat te blauwbekken in de regen of een chauffeur plots in Dendermonde blijkt te zitten terwijl hij eigenlijk in Asse moest zijn, dan bellen we. Dan komen de echte gesprekken. “Wacht hè Katrien, ik ga eens kijken.”“Ah nee, dat is den anderen bus.”“Ge zijt zeker?”“Tiens. Da’s wel speciaal.” Zo van die gesprekken. En het vreemde is: ik heb het gevoel dat Tom stilaan een vriend aan het worden is. Zo iemand waarvan ge denkt dat ge hem eigenlijk al jaren kent. Dat we misschien samen op school hebben gezeten. Dat we mekaar ooit halfdronken zijn tegengekomen in een bruin café ergens naast een biljarttafel. Dat hij mij ooit al eens een sigaret heeft gegeven op een parking van een fuif in 1998. Soms voelt het alsof wij al een heel traject samen afleggen. Alsof wij collega’s zijn in een kleine oorlog tegen verloren chauffeurs, dubbele reservaties en kinderen die dringend moeten plassen net wanneer de bus de autostrade opdraait. Ik hoor zijn stem vaker dan die van sommige echte vrienden. Wij maken mini-crisissen mee samen. Kleine rampen die altijd dringend lijken maar achteraf geweldige verhalen worden. En elke keer opnieuw lossen wij dat op. Tom aan zijn kant van de dispatching. Ik aan mijn kant van de chaos. Terwijl ik hem eigenlijk niet ken. Ik weet niet hoe hij eruitziet. Ik heb nog nooit met hem aan een tafel gezeten. Geen koffie gedronken. Geen pannenkoeken gegeten. Niets. Maar in mijn hoofd bestaat Tom heel duidelijk. Tom is groot. Niet dik dik, maar zo’n geruststellend buikje van iemand die graag eens een goed stuk vlees eet en daar een Duvel bij drinkt. Hij heeft een stoppelbaard. Draagt jeans. Altijd jeans. En van die blauwe River Woods-truien over een hemd. Geen modieuze sneakers maar degelijke schoenen waar ge desnoods ook ne keer een camion mee kunt lossen. Enfin. Zo ziet Tom eruit in mijn hoofd. Ik zou hem kunnen googelen. Maar dat gaat nu niet meer. Het beeld is af. Het decor staat recht. En ik ben bang dat de realiteit het gaat verpesten. Want stel u voor dat Tom eigenlijk klein is. Smal. Blond. Dat hij beige geruite hemden draagt en een klein beetje naar natte boekentas ruikt. Dat zou verschrikkelijk zijn. Dan zou geen enkele buscrisis nog hetzelfde voelen. Dat had ik vroeger ook met stemmen op de radio. Michel Follet bijvoorbeeld. Man man man. Ik hoorde die op Radio 2 en in mijn hoofd was dat een soort filmster met charisma tot tegen de muur. Tot ik hem ooit zag in de TV Story. Ik was oprecht ontgoocheld. Niet omdat hij lelijk was. Maar omdat hij niet klopte met mijn versie van Michel Follet. Of die vrouw van het circus waar ik maanden telefoons mee deed. Ik zag een warme, donkere, voluptueuze zigeunervrouw voor mij. Veel armbanden. Grote rokken. Zware parfum. Maar toen kwam ze toe en bleek ze blond, klein en Duits-modern-jaren-tachtig te zijn. Zo iemand die waarschijnlijk kiwi in blokjes snijdt bij het ontbijt. Dat was lastig. Dus misschien moet ik Tom gewoon laten bestaan zoals hij nu bestaat. In die gezellige parallelle werkelijkheid waar hij nog altijd groot is, lichtjes naar Duvel ruikt en met één hand een busprobleem oplost terwijl hij met de andere een broodje préparé vasthoudt. En wie weet hoe Tom mij ziet. Misschien denkt hij dat ik slank ben. Dat ik lang blond haar heb dat altijd goed ligt. Dat ik zo’n vrouw ben die zelfs tijdens een crisis nog elegant klinkt aan de telefoon. Zo iemand die rustig “dat komt wel goed” zegt terwijl achter haar een school vol kinderen collectief in paniek staat. Misschien denkt hij dat ik met een zonnebril op in een cabrio rondrijd tussen culturele uitstappen door. Dat ik nooit vloek. Dat ik georganiseerd ben. Zo’n madam met kleurcodes in haar agenda en muntthee in een thermos. Of misschien ben ik voor hem een soort deftige mevrouw in een lange beige jas die proper “goeiedag” zegt en naar lavendel ruikt. Iemand die nog nooit een préparébroodje boven een stuur heeft gegeten onderweg naar een schoolvoorstelling. En eerlijk? Ik hoop het een beetje. Want zolang wij mekaar niet echt kennen, mogen wij nog vanalles zijn. Dan blijft Team Bus iets schoon. Twee mensen die mekaar eigenlijk alleen kennen in stresssituaties, omringd door zwetende chauffeurs en kinderen met fluohesjes, maar die intussen wel een volledig personage van mekaar hebben gemaakt. Dus nee. Ik ga Tom niet googelen.

Katrien Daniels
47 3
Tip

Barry White en de geur van vergeten

“I never take pain for granted, only a fool takes things for granted.” Zo begon het. Dat liedje van Barry White.Onze mannen hadden achter de rug van de andere collega’s om, zendtijd geregeld in een radioprogramma. “Topteam van cc Nova". Eric droeg het nummer op aan “zijn vrouwtje”. Zo noemde hij haar altijd, met die glimlach alsof hij zelf niet goed wist hoe hij zoveel chance had gehad. Nu, jaren later, kan ik dat nummer niet meer horen zonder aan hem te denken. Eric.De immervrolijke collega. De man van de kleine kwinkslag, de mop die altijd nog ergens in zijn jaszak zat, de handen vol goede bedoelingen. Ik weet zelfs niet meer exact welk jaar het was. Maar ik weet nog wel dat er plots een bom ontplofte in ons leven en dat ik een maatje kwijt was. En het absurde was: terwijl wij hem verloren, speelde er zich buiten een aflevering van Fata Morgana af. Dorpse gekte. Vlaggen. Ambiance. Mensen die pinten dronken op pleinen en bezig waren met spektakel terwijl ergens tussendoor een leven wegviel. Ik herinner ik het me daarom nog zo scherp. Omdat verdriet zich altijd afspeelt terwijl de wereld compleet ongepast gewoon verder feestviert. Zo voelt verlies achteraf ook vaak: alsof ge uit een scène stapt terwijl de rest van het decor gewoon doorspeelt. En toch verdwijnen mensen nooit helemaal. Dat is het vreemde aan herinneringen. Ge denkt dat ge verder zijt gegaan. Dat het stof erop ligt. Dat het leven er ondertussen andere lagen overheen heeft gelegd. Tot daar ineens een liedje is. Of een geur. Of een plek waar het licht toevallig hetzelfde valt als toen. En hop. Daar staat iemand weer voor u. Soms twintig jaar later. Een paar noten van Barry White en Eric staat terug tegen een toog geleund, monkelend alsof hij iets weet dat de rest nog moet ontdekken. Een vleugje parfum in de gang en ge zijt weer twintig. Een geur van koffie en iemand zit opnieuw tegenover u alsof die nooit is weggeweest. Zo dragen mensen elkaar mee zonder dat ze het beseffen. Niet in grote monumenten of indrukwekkende speeches, maar in kleine absurde dingen. In een nummer op de radio. In een scène uit Notting Hill. In Roxette op een verkeerd moment in de auto. In de geur van een septemberochtend. In koffie die net op tijd gekomen is. Misschien is dat wat liefde uiteindelijk doet. Ze verstopt mensen in details zodat ze nooit helemaal weg kunnen. En gisteren dacht ik daar opnieuw aan. Aan afscheid nemen. Aan hoe ge soms met twee volwassen mensen tegenover elkaar zit terwijl ge allebei weet dat ge elkaar moet lossen en geen van beiden daar eigenlijk talent voor heeft. Hoe ge probeert flink te klinken. Redelijk. Bijna modern in het loslaten. Terwijl er onder tafel nog duizend dingen naar elkaars hand grijpen. En ik vroeg me plots af: wat blijft er eigenlijk hangen van een breuk? Niet de grote gesprekken, denk ik. Niet wie gelijk had of wie te laat beseft heeft wat er op het spel stond. Misschien blijven mensen uiteindelijk plakken in de kleinste dingen. In een geur van koffie die net op tijd gekomen is. In een ochtend in september. In een nummer van Roxette dat onverwacht opduikt in een supermarkt. Of in die ene scène uit Notting Hill die ge nooit meer gewoon kunt bekijken. Misschien zit ge ooit jaren later ergens in de file en hoort ge toevallig een nummer dat ge al eeuwen niet meer gehoord hebt. Misschien ruikt iemand naar dezelfde regenjas, dezelfde shampoo, dezelfde ochtend. En misschien denkt ge dan heel even: daar zijt ge weer, ik wou dat ik u kon vastpakken. Nog één knuffel, nog één pintje, nog één mopje. Een één moment waarop ik kan zeggen hoe bijzonder ge zijt.  En dan hoor ik Barry White opnieuw zingen dat alleen dwazen dingen vanzelfsprekend vinden. Hij had gelijk.

Katrien Daniels
153 7

Alma Mater

Mijn grootmoeder heette Alma. Wij zeiden meter, maar eigenlijk heette ze Alma. Ze haatte die naam, omdat dat volgens haar “ne naam van den Duits” was. In haar hoofd was het een vaststaand feit. Alma was geen naam voor een mens gelijk zij. En toch heeft geen naam ooit beter bij iemand gepast. Alma Mater. De voedende moeder. De moeder der moeders. Al zou ze zelf gezegd hebben: “Doe normaal, kind, en eet nog een stuk appeltaart.” Want dat was meter ook. Geen grote woorden. Wel zoete citroenthee bij griep. Extra lang op haar schoot bij een geschaafde knie. Rijstpap op vrijdag. Appeltaart op zaterdag. Rituelen waar ge als kind op vertrouwt gelijk de zon die opkomt. En katholiek dat die vrouw was. Wij moesten elke week naar de mis. Geen discussie mogelijk. Of ge moe waart, of het regende, of ge liever in uwe pyjama naar Niels Holgerson keek, deed er niet toe. God wachtte niet. Dus zaten wij daar braaf in de kerk terwijl meter ondertussen alle heiligen persoonlijk leek te kennen. Voor examens werd er gebeden. Voor een operatie werd er gebeden. Voor slecht weer op het communiefeest werd er een noveenkaars aangestoken alsof ze rechtstreeks met de hemel onderhandelde. Ik ben dat geloof onderweg ergens kwijtgeraakt. Maar nog altijd, als er echt iets is, iets groot, iets waar ge zelf geen vat meer op hebt, denk ik soms: “Almake… spreek uwe God daar eens op aan.” En eerlijk? Een stuk van mij gelooft dat ze dat doet. Bij meter thuis was het altijd warm. Letterlijk ook. Een kleine leefruimte met een kachel die precies heel de familie draaiende hield. Vijf kleinkinderen door elkaar. Een tafel vol kaarten. Beeldjes op de schouw. Mijn grootvader in zijn vaste hoek van de zetel. Mensen die luid praatten, luid lachten en soms luid ruzie maakten om daarna gewoon verder cake te eten. Daar werden liedjes gezongen over nen bleken blauwe hond alsof dat cultureel erfgoed was. Daar werd uren gekaart. En meter, die smeet haar kaarten op tafel met de grandeur van een casino in Las Vegas en riep: “Zevenen! Dat kan alleman!” waarop wij allemaal tegelijk begonnen roepen dat het ni waar was. Het was een huis van commentaar geven zonder rem. Van elkaar plagen. Van verhalen die elk jaar straffer terugkwamen. Van te luid soms zo luid dat de ramen ervan trilden. Ik heb het duidelijk van geen vreemden. Later, toen ik zelf moeder werd, veranderden onze gesprekken. Ze gingen minder over kinderknieën en meer over het grote modderen. Over hoe ge uw best kunt doen en toch soms denkt: is dit het nu? Over kinderen die moeten vliegen, terwijl ge zelf nog met hun jas in uw handen staat. Jaren later noemde ik mijn bedrijf naar haar: Huis Alma. Niet omdat ik een heilige wilde eren, maar omdat ik iets van haar wilde meenemen. Haar nuchterheid. Haar pragmatisme. Haar massa’s liefde. Haar relativeringshumor. En altijd ergens die geur van soep of versgebakken cake. Zelfs op het einde, toen wij voor haar mochten zorgen, bleef ze Alma. Kleiner misschien. Brozer. Maar nog altijd een huis. Nog altijd iemand bij wie ge dacht: hier mag ik zijn. Misschien is dat moederschap. Niet perfect zijn. Niet altijd zacht. Niet altijd geduldig. Soms kijven. Soms zuchten. Soms de verkeerde dingen zeggen en daarna toch koffie zetten. Maar vooral: een veilige haven zijn voor vogels die moeten vliegen. Een plek die zegt: het is goed. Bij mij zijt ge veilig. Gelijk wat. Ik blijf. En ondertussen modderen we allemaal maar wat aan. Met onze soep, onze kinderen, onze zorgen, onze appeltaart. Zoals meter het ons geleerd heeft.

Katrien Daniels
57 4

WhatsAppBitches

Bzzt. Bzztbzzt. 47 nieuwe berichten. Kent ge dat? Een ontplofte gsm... En elke keer denk ik: Er is iemand gestorven. Een kind kwijt. Een affaire ontdekt. Een staatsgreep in Haaltert. Maar nee. Het is gewoon Silke die een foto gepost heeft van haar nieuwe puppy. En dan begint het. ❤️❤️❤️ “Oooohhhhhhh!” “SMELT 😍” “Die pootjes!” “Welkom liefjeeee 🐶” Sticker van een hond die “hiiiiiiiii” zwaait. Nancy stuurt: “Dat snoetje 🥹” Binnen de vier minuten zitten we aan 83 berichten en is die puppy emotioneel belangrijker geworden dan de NAVO. Op mijn gsm staan WhatsAppgroepen zoals bij mijn moeder vroeger plastic potjes in de keukenkast stonden: ge houdt ze allemaal bij omdat ge denkt dat ze ooit nog van pas gaan komen, ook al ontbreekt al jaren het juiste deksel en weet niemand nog wat erin zit. “Topteam 🔥” — collega’s die elkaar in het echt amper goeiedag zeggen aan het koffieapparaat maar online veranderen in motivational speakers met emoji-verslavingen. “Ladies only ❤️” — vrouwen die zogezegd eerlijk alles tegen elkaar zeggen maar eerst nog apart naar Cindy sturen: “Zeg gij… vond gij dat van An ook een beetje raar?” “Enfin de vrouwen alleen” — ontstaan na een etentje waarop de mannen zogezegd “toch alleen maar over koers bezig waren”. “Zonder Magda want die is eruit gestapt” — een groepsnaam die tegelijkertijd informatief, dramatisch en licht bedreigend is. “1977 — meisjes van de lagere school ❤️” — een digitale reünie waar trauma’s van de turnles en gestolen fluostiften nog verrassend vers blijken. “BBQ Kim & Stef” — een groep die eigenlijk al drie jaar dood is maar waar niemand durft uit te stappen uit schrik dat Kim dat persoonlijk neemt. WhatsAppgroepen zijn een wonderlijk vrouwelijk ecosysteem. Een digitale zusterkring waar emoties worden uitgewisseld via gifjes van puppy’s in dekentjes en vrouwen elkaar moed inspreken alsof iedereen permanent op weg is naar een halve marathon of een burn-out. Maggy stuurt: “Ik moet zaterdag werken.” En dan begint het. 💪❤️✨ “Gogogo meid!” “Sterkte topper!” “Queen!” Sandra stuurt haar vaste sticker van een vrouw met een glas cava en een bontjas. Nancy kiest voor een babyotter die applaudisseert. Els gooit er standaard drie rode hartjes tegen alsof Maggy zonet een nier aan haar buurvrouw heeft afgestaan in plaats van rekken te vullen in den Aveve. Of in “Weekend Ardennen.” Dat moest gewoon dienen om af te spreken wie kaas meebrengt. Drie dagen later: 642 berichten. Een discussie over quinoa. Karine die vraagt of “matching pyjama’s mss grappig zouden zijn 😂” Iemand die een Pinterestbord deelt genaamd: “Forest girl autumn vibes 🍂” En ergens tussen al die berichten één compleet verloren man: “Moet ik nog hout meenemen?” Niemand antwoordt hem ooit. En toch verwijderen we die groepen niet. Omdat ergens tussen de cava-gifjes, de spierarmen, de slechte memes en de passief-agressieve duimpjes soms iets oprechts zit. Een klein digitaal kampvuur. Iemand die om 22u43 schrijft: “Pff. Lastige dag.” En vijf vrouwen die antwoorden: “Komt goed schat ❤️”

Katrien Daniels
69 2

The queen of Zaventem

Het meisje van onder de kerktoren neemt het vliegtuig naar Madrid. Dat klinkt groter dan het is, maar ook kleiner. Want mensen bekijken mij soms als een vrouw van de wereld. Ik die moeiteloos tussen terminals beweeg met zo’n handbagage op wieltjes die nooit omvalt. Ik die gewoon op luchthavens thuis hoor. Maar ergens, diep vanbinnen, ben ik nog altijd dat meisje dat denkt: paspoort mee? Gate juist? Niet te laat? Niet kwijtspelen. Niet panikeren. Luchthavens zijn eigenlijk gigantische middelbare scholen voor volwassenen. Overal mensen die doen alsof ze exact weten wat ze aan het doen zijn, terwijl de helft stiekem ook maar gewoon bordjes volgt en hoopt dat iemand “final call” niet met hun naam combineert. Een maat van mij — laat ons hem Dieter noemen, een naam van een echte dertiger — heeft een grondige hekel aan vliegen. “Brakke zetels, te dicht op elkaar, te veel kinderen die aan staan, onnozele films, eten dat smaakt naar karton en daar hangt altijd een geur van fastfood en nog niet gewassen zweet,” zegt hij dan. En dan komt steevast het punt waarop hij luid uitroept: “En ge moogt daar niet roken!” En dan weet ik het weer. Dieter is geen dertiger. Dieter is een blanke midlifer with an attitude. Een man die geboren is om kwaad te zijn op luchthavenbroodjes van twaalf euro en boardingprocedures. Soit. Ik probeer mij niet te laten meeslepen door Dieters tirade en ook niet door het kerktorenmeisje in mij dat bij grote mensenmassa’s spontaan heimwee krijgt naar een boterham met préparé in een vertrouwde keuken. Ik geef Katy D het heft in handen. Katy D is de versie van mezelf die zonder verpinken “window or aisle?” beantwoordt. Gulzig. Vrolijk. Zelfverzekerd. Check-in? Check. Gate? Check. Taxfree? Why not. En voor ik het weet zit ik op het vliegtuig met The Beautiful South in mijn oren, een liedje dat zingt over schone ogen en rimpels vol betekenis. Daarna stuur ik nog snel een laatste boodschap naar mijn geliefden. Zo één die half grap is en half testament. “Weet dat ik u graag zag. En als ik neerstort: geen koffiekoeken op mijn begrafenis. Pannenkoeken en préparé. En uiteraard Als Ze Lacht van Yevgueni.” Dat is het rare aan vliegen. Ineens wordt ge een beetje dramatisch. Alsof ge elk moment in een documentaire van National Geographic over menselijke kwetsbaarheid kunt belanden. Terwijl ge eigenlijk gewoon onderweg zijt naar gate B14 met een veel te dure fles water. Ik mag in het midden zitten. Dat is de sociale huurwoning van het vliegtuig. Langs de ene kant een man die precies al sinds Kinshasa onderweg is. Moe en waardig. Alsof hij ondertussen al drie continenten en twee existentiële crisissen heeft overleefd. Aan de andere kant een meisje met een iPad. Ze kijkt een Aziatische film met ondertitels die eruitzien alsof iemand per ongeluk een sudoku over het scherm heeft gegooid. Geen van ons spreekt met elkaar. Maar in mijn hoofd worden wij vrienden. Ik denk dan: straks delen wij hier emoties, levenslessen en misschien een zak paprika chips. Terwijl ge in werkelijkheid drie uur zwijgend naast elkaar zit te ademen als kamerplanten met handbagage. Maar toch vind ik dat schoon aan vliegen. Dat ge even dicht tegen andere levens zit geplooid. Mensen die ergens vandaan komen en ergens naartoe gaan. Mensen die iemand gaan missen of net proberen vergeten. Mensen die onderweg zijn naar werk, liefde, verdriet of gewoon zeven dagen all inclusive en sangria uit nen dispenser. En ik? Ik ben onderweg naar Madrid. Een beetje bang. Een beetje blij. Met Katy D aan het stuur en dat meisje van onder de kerktoren nog altijd ergens in de handbagage. Wanneer het vliegtuig landt, knik ik nog even naar mijn tijdelijke medereizigers. Alsof wij samen iets hebben meegemaakt wat niemand ooit nog gaat kunnen uitleggen. De man uit Kinshasa. Het meisje met de iPad. De zwijgende gemeenschap van stoel 14 A tot C. Ik zet mijn gsm terug aan en stuur een berichtje naar huis: “Geland. De préparé zal nog niet voor direct zijn.”

Katrien Daniels
34 3

Messias

“Wil er iemand mijn messias zijn?”, zingt Bart Peeters. En vroeger dacht ik: ja. Absoluut. Liefst eentje met brede schouders, emotionele intelligentie en een goed hemd. Maar ouder worden is beseffen dat ge eigenlijk helemaal geen Messias wilt. Ik hoef niet gered te worden. Echt niet. Ik kan zelf rijden. Zelf een kast van de Ikea in elkaar vloeken. Zelf mijn belastingen te laat indienen. Zelf huilen in de Colruyt tussen de ravioli en de kattenbrokken. Dat lukt allemaal prima. Nee, wat ik wil, is een Messias, maar dan anders. Geen heilbrenger. Eerder een "Matthias". Of een Jan. Of een Piet. Iemand waarvan ge denkt: ah ja… misschien gij. Iemand die komt, die blijft en misschien veel te luid ademt in zijn slaap. Dat wachten op mijn “Matthias” houdt een mens gaande. Het voedt mijn innerlijke pelgrim. Dat deel in mij met versleten wandelschoenen en veel te veel geloof in wegwijzers. Zo iemand die altijd denkt dat er achter de volgende bocht misschien iets groots wacht. Of iemand. Die "Matthias" zorgt ervoor dat ge plots terug goeie onderbroeken aandoet “voor het geval dat”. Dat ge een berichtje krijgt en direct rechter gaat zitten. Dat ge op de trein een boek leest alsof iemand misschien onder de indruk gaat zijn van uw intellectuele diepgang, en niet van het feit dat ge al drie haltes aan een stuk met een chipke aan uw trui hangt. Ik heb daar ooit over geleerd, in een les geloof en maatschappij. Zo’n vak dat ergens zweefde tussen godsdienst, levensvragen en leerkrachten met sandalen. We leerden over rituelen, over religies, over mensen die hun hele leven bouwen rond iets wat ze nooit echt gezien hebben, maar waar ze toch rotsvast in blijven geloven. En daar zat dat idee van de Messias in. Vooral binnen het Jodendom: het geloof dat er ooit iemand zal komen die alles anders maakt. Niet vandaag. Misschien morgen. Misschien binnen honderd jaar. Maar ooit. En hoe langer ik daar nu over nadenk, hoe meer ik besef dat dat eigenlijk geniaal gevonden is. Een geloof dat blijft bestaan bij gratie van het wachten. Van het onderweg zijn. Van de hoop die zichzelf altijd nét ver genoeg vooruit schuift om te blijven leven. Want eens hij arriveert, is het verhaal eigenlijk gedaan. Misschien bouwen we allemaal kleine privéreligies rond mensen die nog moeten komen. En soms komen ze ook effectief.. maar blijken het  foute generale repetities te zijn. Zoals Dirk bijvoorbeeld. Die ontplofte bij een verkeerde opmerking, alsof ik per ongeluk een nucleaire code had ingetoetst in plaats van te vragen of hij de vuilbak buiten wilde zetten. En toch dacht ik dan: maar hij weet tenminste wat hij voelt en hij kan dat authentiek uitdrukken. Peter dan weer. Zo’n man met een agenda waar ge moe van wordt. Etentjes. Projecten. Mensen die hem “een vrije geest” noemen, terwijl hij eigenlijk gewoon niet kan kiezen. En ik hing daaraan gelijk een toerist aan een trein die al vertrokken is. En dan die derde soort. De mannen met een “ooit”. Ooit gaan we eens echt tijd maken. Ooit komt het goed. Ooit gij en ik. “Ooit” is eigenlijk het kleinste vakantiehuisje van de hoop. Ge kunt daar niet wonen, maar ge blijft wel teruggaan. En toch denk ik niet dat ik echt wacht op een man. Ik wacht op beweging. Op het gevoel dat het verhaal nog niet af is. Dat er nog iemand op een perron kan staan. Dat er nog een bericht kan komen waardoor ge plots uw haar wast op een woensdag. Want stel u voor dat de puzzel klopt. Dat hij er écht is. Een man die blijft. Die koffie brengt. Die zegt: “ik ben onderweg”, en dan effectief aanbelt. Die samen met u naar de wekelijkse markt gaat en discussieert over tomaten alsof dat normaal gedrag is. Dan gebeurt misschien het ergste van allemaal. Dan wordt die innerlijke pelgrim plots een vrouw met een klantenkaart van Aveve en geplande weekends in een bungalowpark. Met grind voor de deur. Een mapje met wandelroutes. Een barbecue om zes uur. En etentjes met bevriende koppels. Help. Want wat als ik daar zit, met lasagne in de oven en iemand die mij echt graag ziet, en ik plots niks meer heb om naar uit te kijken? Maar misschien begrijp ik het verkeerd. Misschien is wachten niet hetzelfde als missen. Misschien gaat het niet over gered worden. Misschien gaat het gewoon over geloven dat er nog iets onderweg is naar u. Een Matthias. Of een Jan. Of een Piet. Niet om mij compleet te maken. Maar om mij zachtjes te laten landen en te zeggen: het is goed zo.

Katrien Daniels
44 3

Bevriende koppels

Bevriende Koppels zijn een natuurfenomeen. Je zou er een documentaire over kunnen maken. Met zo’n rustige stem eroverheen. Hier zien we het koppel in zijn natuurlijke habitat. Let op hoe ze zich groeperen. Altijd in even aantallen. Nooit alleen. Ze spreken ook in een eigen taal. Een soort dialect van het samenleven. Zinnen eindigen steevast op “met bevriende koppels”. Alsof dat de soortaanduiding is. “Wij gaan eten met bevriende koppels.” “Wij doen een weekendje Ardennen met bevriende koppels.” “Wij doen eens iets met de vrouwen… van bevriende koppels.” Ik stel me voor dat daar ergens een draaiboek voor bestaat. Met hoofdstukken. De oprit en zijn klinkers. De juiste school kiezen zonder jezelf te verliezen. Het kookeiland als moreel kompas. Koppels hebben namelijk kookeilanden. En schuiven. Minstens drie. In de derde schuif zit iets dat nooit op dinsdag gebruikt wordt, maar waar wel afspraken over bestaan. De single komt in die wereld voor als een tijdelijke afwijking. Een zeldzame vogel die per ongeluk in beeld vliegt. Interessant, maar storend voor de compositie. Want koppels denken in tafels van vier. Of zes. Of acht. Maar altijd deelbaar door twee. Een single als ik is wiskundig gezien een probleem. Een rest met een komma. Ze nodigen mij soms uit. Dat wel. “Kom anders eens mee, dat is gezellig.” En dat is het ook. Tot de ober vraagt: “De rekening apart of samen?” en iedereen heel vanzelfsprekend naar elkaar kijkt en ik daar zit als een losgekomen vork.   Tafelschikking is een wetenschap. Sofie naast Tom, want die kunnen praten over hun zonnepanelen. Ellen naast Koen, want die hebben ook een jongste in het derde leerjaar. En dan ik. “Zet Katrien misschien naast Marc?” Marc knikt. Marc is sociaal. Marc vangt singles op zoals de vestiaire jassen opvangt. Er worden namen gezegd alsof het personages zijn uit een reeks waar ik één aflevering van gemist heb. “Bij Liesbeth en Pieter is dat ook zo.” “Nee, maar echt, bij An en Frederik hebben ze dat opgelost met een extra kast.” En ik knik. Ik knik altijd. Alsof ik het begrijp. Alsof ik ook een derde schuif heb. Het gaat over de aannemer van de klinkers van de oprit. Altijd die oprit. Alsof geluk begint bij rechte lijnen in steen. “Die van ons, Kevin, die was echt nog betaalbaar.” Kevin. Natuurlijk heet hij Kevin. Kevin legt niet alleen klinkers, Kevin legt ook fundamenten voor gesprekken. En dan, ergens tussen hoofdgerecht en dessert, wordt het een beetje pikant. Niet te veel. Net genoeg. “Ja, en Marc, die heeft er dan toch ne knoop in gelegd.” Gelach. Blikken. Iemand die zegt: “Amai.” Iemand die zegt: “Allê Marc, gij durft.” En Marc lacht zoals mannen lachen wanneer ze weten dat ze nog net binnen de veilige zone zitten. Ik kijk. Ik observeer. Ik maak notities in mijn hoofd. Dit is materiaal. Dit is goud. Dit is een soort volkskunde met wijn. En dan ga ik naar huis. Alleen. Zonder tafelschikking. Zonder derde schuif. Met mijn sleutels in mijn jaszak en niemand die vraagt of ik ze al gevonden heb. Bevriende koppels, zeggen de statistieken, zijn een uitstervend ras. En toch. Ze blijven bestaan. Als hoeksteen van de maatschappij. En van grillrestaurants. Voor tafels groter dan acht. Voor opritten die gelegd moeten worden. Voor gesprekken die alleen werken als iemand zegt: “Wij”. Misschien moeten we ze beschermen. In reservaten. Met voldoende parkeergelegenheid en een degelijke aannemer in de buurt. Met een kookeiland in elke habitat en een derde schuif per koppel. En ergens, aan de rand van dat reservaat, sta ik te kijken. Te denken dat ik misschien ooit één van hen zal worden. En dat ik dan, op een dag, een zin zal zeggen die eindigt op  “met bevriende koppels”. Ik weet alvast genoeg over klinkers en opritten om te kunnen meepraten.

Katrien Daniels
55 2

Eikesvandekiekskes

Ik had ze genoemd naar de vriendinnen van mijn moeder. Lucy. Rita. Monique. Goede Lieve. Vier olijke dames in mijn tuin. Altijd druk. Altijd commentaar. Altijd honger. Ik vond dat geestig. Een klein eerbetoon. Tot die vier echte dames eens langskwamen. Koffie. Cake. Ge kent dat. Zo’n namiddag waarop de tijd een beetje stilvalt en iedereen tegelijk praat en toch hetzelfde verhaal vertelt. En ik — fier, onnozel — zeg: “Ja, en mijn kippen heten dus ook Lucy, Rita, Monique en Goede Lieve.” Stilte. Lucy — de échte — kijkt mij aan. “Dat vind ik eigenlijk niet zo plezant,” zegt ze. Ik lach nog wat. Probeer te redden wat er te redden valt. “Maar allé Lucy, kippen zijn toch schoon beesten. Die geven terug. Dat is eigenlijk een compliment…” Maar ge voelt dat ge aan het zakken zijt. Sommige metaforen moet ge gewoon binnenhouden. Enfin. Ze liepen daar dus. Mijn vier. En ik had een systeem. Een geniaal systeem, vond ik zelf. Afvalverwerking èn eten. Ideaal! Maar kippen denken niet na over vraag en aanbod. Die hebben geen Excel. Geen grafiek. Geen besef van consumptie. Vier kippen is vier eieren per dag. Dat is achtentwintig per week. Dat is honderd twaalf per maand. Dat is… te veel ei voor een mens. Ge kunt uw best doen. Echt waar. Maar er zijn grenzen aan wat een lichaam aankan. Zelfs met pannenkoeken, cake en quarte quarts inbegrepen. En daar begint het. Daar is ze... De vraag: “Kundegij iets doen met eikes?” Want eieren blijven nooit liggen. Die moeten bewegen. Van mens naar mens. Van keuken naar keuken. Eieren. Dat is een project. En mijn ecologisch project draaide. Tot er op een dag… bezoek kwam. Laat ons zeggen dat de natuur ook haar eigen economie heeft. Zeven jaar later kan ik zeggen: de vriendinnen van mijn moeder zijn er nog altijd. Lucy, Rita, Monique en Goede Lieve. Ze drinken nog koffie. Ze eten nog cake. Ze kijken nog altijd een beetje streng als ge iets zegt dat ge beter niet zegt. Mijn kippenvriendinnen zijn er niet meer. Maar de eieren wel. Ze komen nu van iemand anders. Iemand met hetzelfde probleem. Te veel kip. Te veel ei. En de vraag : “Zeg, kundegij iets doen met eikes?” En voor ge het weet zit ge daar terug. Aan tafel. Koffie. Cake. Dezelfde stemmen, dezelfde verhalen die al duizend keer verteld zijn en toch blijven plakken. En ergens in die cake — zacht, boterig, een beetje te veel van alles — zit een ei. Want eikes zijn meer dan ne merci uit de poep van een kip. Het is een beweging. Van mens naar mens. Van cake naar cake. Van moment naar moment. En misschien is dat het wel. Dat die kleine, banale eikesvandekiekskes er telkens opnieuw voor zorgen dat we blijven zitten. Nog een tas koffie. Nog een verhaal dat we eigenlijk al kennen maar toch nog eens willen horen.

Katrien Daniels
43 1

Kruidvat

Waar liefdesverdriet precies begint, weet ik nog altijd niet. Het begint niet bij die ene zin. Niet bij “we zien elkaar beter even niet”. Dat is te netjes. Te laat ook. Dat is zoals in de geschiedenisles. Bij mevrouw Bracke. Mevrouw Bracke rook altijd naar Acqua di Giò. Fris, een beetje zwoel ook, alsof ze net van ergens kwam waar de zon scheen en de dingen helder waren. Ze stond vooraan in de klas, krijtje in de hand, en ze kon dat uitleggen alsof ze er zelf bij was geweest. Alsof ze persoonlijk had staan kijken in Sarajevo, die dag dat aartshertog Franz Ferdinand werd doodgeschoten door Gavrilo Princip. Maar ze begon daar nooit. Nee, ze begon met: “Kinderen, een oorlog begint nooit op één dag.” En dan vertelde ze over dat kruidvat. Over landen die elkaar niet vertrouwden. Over bondgenootschappen die eerder op ruzies leken. Over dingen die gezegd werden en dingen die vooral niet gezegd werden. Ze tekende pijlen op het bord. Veel pijlen. Te veel pijlen. En wij zaten daar en dachten: amai, dat komt hier niet goed. En dan, pas dan, kwam dat schot. De aanleiding. Niet de oorzaak. Bij ons was dat ook zo. Een broeiend kruidvat.Van alles wat er was maar niet gezegd werd.Halve zinnen die bleven hangen.Te lange interpretaties.Te veel gedacht vanuit ik en te weinig vanuit ons.(maar gij ook, hé. Zeker gij ook.) En dan dat kleine, bijna puberale verzet.Een beetje testen.Wat langer wegblijven.Iets “vergeten” te zeggen.Die rommel net groot genoeg maken om hem te voelen, maar niet groot genoeg om hem op te ruimen. En ergens daar, in dat spel van bijna’s en misschien’s, valt het schot. Niet in Sarajevo, maar in een berichtje.Jij die per se die andere moest kussen.Ik die daar een drama van maakte.Of die avond met te veel cava waarop ik te vaak zei dat “ze allemaal hetzelfde zijn”. En dan komt hij.De zin.Alsof hij niets met de rest te maken heeft.Alsof hij uit de lucht valt. “Misschien moeten we elkaar wat minder zien.” In een berichtje nog wel. Van u. Dat vond ik minder. Om niet te zeggen: degoutant. En nu zitten we elk op onze berg. Afstand. Even mezelf terug voelen, zeggen ze.Mijn vriendinnen knikken verstandig en zeggen dat het goed is. Dat ik beter verdien.Mijn kinderen kijken mij aan en zeggen dat ik mijn lat eens wat hoger moet leggen.Mijn zus zegt dat ik het misschien allemaal niet zo dramatisch moet bekijken.Buurman zegt dat elk einde een nieuw begin is.En de Flair zegt dat ik dringend iets moet doen aan mijn buikvet en dat ze daar een wandelapp voor hebben. Mijn kat kijkt naar mij en vraagt vooral hoe lang het nog gaat duren voor ze eten krijgt. En dat is misschien nog het eerlijkste van allemaal. Want op die berg moet ik ook eten. Zelf koken. Zelf zorgen. Zonder een berichtje dat “goedemorgen” zegt. Zonder een “x, ly” midden op de dag. Dat doet pijn. Dat is wat ze liefdesverdriet noemen. Maar het is ook gewoon dit: dat ge plots alleen zit met alles wat er daarvoor nog samen was. En soms denk ik terug aan mevrouw Bracke.Hoe ze daar stond, voor dat bord vol pijlen en spanningen en kleine dingen die te groot waren geworden. Ze heeft ons veel geleerd over oorlog. Over oorzaken en aanleidingen. Over hoe iets klein kan ontsporen in iets dat ge niet meer terug in uw handen krijgt. Maar over bergen heeft ze het eigenlijk nooit gehad. Behalve dan die ene keer, over Hannibal Barca die met olifanten over de Alpen trok. Maar dat was iets anders. Want daar ging iemand tenminste nog ergens naartoe. En wij… wij zitten gewoon elk op onze eigen berg.

Katrien Daniels
119 6