Over Katrien Daniels

Katrien Daniels schrijft omdat zwijgen te veel lawaai maakt.

Ze beweegt zich tussen poëzie en proza en heeft een voorliefde voor het alledaagse: keukentafels, liedjes op de radio, momenten die pas later betekenis krijgen. In haar teksten is er ruimte voor humor en rafels, voor verlangen en twijfel, voor wat schuurt en toch zacht wil blijven.

Ze schrijft over liefde in al haar onhandigheid, over wachten, missen en opnieuw beginnen. Niet om antwoorden te geven, maar om beter te kijken, langer te blijven en iets vast te houden voor het verdwijnt.

Naast het schrijven is ze actief in de culturele sector, waar ze luistert, programmeert en woorden zoekt voor wat nog geen vorm heeft.

Teksten

Bekentenis van een overlijdensberichtlezer

Ik wil iets bekennen: ik lees graag de overlijdensberichten in de krant.Niet vluchtig. Echt lezen. Met aandacht. En ik vraag me soms af of ik de enige ben. Ik hoop van niet. Want het zou toch wat gênant zijn als ik de enige trouwe lezer van die rubriek ben. Dus bij deze een kleine outing. Mocht uw oog daar ook altijd eerst naartoe glijden: ge zijt niet alleen. Waarom ik dat doe, weet ik eigenlijk niet goed. Misschien uit dezelfde reflex waarmee we de rest van de krant lezen: om te weten wat er gebeurt in de wereld. Alleen gaat het hier niet over files of ministers die weer iets verkeerd gezegd hebben, maar over levens die afgerond zijn. Ik herinner me dat ik ooit het overlijdensbericht zag van mijn professor psychologie uit het eerste jaar van de sociale hogeschool. Een bijzondere mens. Hij kon een aula van honderd studenten stil krijgen met iets dat begon als droge theorie maar eindigde als een blik op het leven zelf. Over Freud bijvoorbeeld. Over het ES dat alles wil. Het ICH dat probeert te schipperen. En het ÜBER-ICH dat streng in een hoek zit te fluisteren dat we ons toch wat beter moeten gedragen. Of over Maslow en zijn piramide. Eerst eten en veiligheid, daarna liefde en erkenning, en helemaal bovenaan: zelfontplooiing. Het idee dat een mens zijn leven eigenlijk te herleiden is tot een piramide. Toen ik zijn overlijdensbericht zag, bleef ik even hangen. Hij werd ergens in de tachtig. Dat stelde me vreemd genoeg gerust. Mooie mens, mooi leven. Zijn piramide was top. Een andere keer zag ik het bericht van een kotgenoot van vroeger. We waren geen dikke vriendinnen geworden. We hadden gewoon een paar jaar dezelfde gang gedeeld. Dezelfde keuken. Dezelfde geur van pasta, toast en een pan die altijd nét te lang op het vuur en de week daarna bij de afwas stond. En toch was het vreemd. Het idee dat iemand die letterlijk een tijd mijn pad kruiste er plots niet meer was. Alsof er ergens in de wereld een deur dichtvalt waar ge ooit gedachteloos door gelopen zijt. Dat doet een mens nadenken. Over wat geweest is. Over wat nog moet komen. En dat we het leven misschien toch wat steviger moeten vastpakken. Misschien is dat ook waarom ik die rubriek lees. Een soort generale repetitie. Niet voor mijn eigen overlijden, maar voor die momenten waarop het leven plots beslist dat er iemand vertrekt. Want dan moet er ineens veel beslist worden. Veel te snel. Dan moeten er versjes gevonden worden, foto’s gekozen, woorden gezocht voor iets waar eigenlijk geen woorden voor bestaan. En als ge dan al een tijdje die rubriek leest, komt ge toch niet helemaal onbeslagen in zo’n verhaal terecht. Ge weet een beetje hoe mensen afscheid nemen. Wat er kan. Wat er soms staat. En wat ook niet. Ik lees die berichten ook om te kijken hoe families in elkaar zitten. Wie er genoemd wordt. Wie vooraan staat en wie ergens op het einde. Hoe mensen hun geliefde omschrijven. “Zijn geweldig lief.” Dat is toch iets anders dan “echtgenoot van”. Soms kunt ge een heel leven voelen in een paar woorden. Ik kijk ook altijd naar de jaartallen. Dan maak ik onbewust een soort schaal van ernst. Hoe ouder de overledene, hoe meer ge dat kunt lezen met iets als volbrachtheid. Een lange tocht die afgerond is. Ge denkt bijna: goed gedaan, mens. Hoe dichter de geboortedatum bij de mijne komt, hoe ongemakkelijker het wordt. En iedereen die jonger is dan ik vind ik gewoon oneerlijk. En nog iets waar ik altijd op let: de namen van de kinderen. Dat is eigenlijk een klein sociologisch onderzoek op zich. Als er Lou of Georges staat, weet ge meteen dat dat nog kleine mannen zijn die ergens met een loopfiets rondrijden. Terwijl een Ewoud of een Michiel gegarandeerd al boven de twintig is en waarschijnlijk ergens probeert uit te rekenen hoe ge een appartement betaalt. Ik kijk ook altijd naar de foto’s. Dat is misschien nog het meest ontroerende onderdeel. Sommige mensen kiezen een jonge foto. Een zomerjurk. Een brede lach. Alsof ze willen zeggen: zo wil ze herinnerd worden. Anderen kiezen een recente foto. Met rimpels, een bril, een gezicht waar het leven duidelijk overheen is gegaan. Dat vind ik misschien nog het moedigst. Alsof iemand zegt: dit was ze, helemaal. En dan zijn er nog de kleine symbolen. Het kruisje. De duif. Een korenaar. Soms een hartje. De dood heeft al lang zijn eigen emoji’. Daarna komen vaak de zinnen. Die klassieke zinnen die generaties lang lijken mee te reizen van afscheid naar afscheid. “Hij heeft een steen verlegd in een rivier op aarde.” “Wat je in je hart draagt, raak je nooit meer kwijt.” “De hemel is een engel rijker, wij zijn er een kwijt.” Zinnen die misschien al duizend keer zijn gebruikt, maar die toch elke keer opnieuw proberen te zeggen wat eigenlijk niet te zeggen valt. Ik lees ook hoe er afscheid genomen wordt. “In intieme kring, volgens de wens van de overledene.” Dan denk ik soms: is dat wel echt zo? Of hadden de nabestaanden gewoon geen zin in een zaal vol mensen die allemaal beginnen met “weet ge nog dat hij toen…” Of er staat dat het leven gevierd zal worden. Dan stel ik me een zaal voor met foto’s, muziek, wijn die iets te snel wordt bijgeschonken en verhalen die steeds een beetje mooier worden naarmate de avond vordert. En ergens tussen al die gedachten heb ik ooit beslist dat ik een bruine envelop in een lade ga leggen. Met een paar richtlijnen. Misschien een liedje. Misschien een paar zinnen. Eén spreuk weet ik al: “Wat de liefde draagt, is nooit een last.” Tegelijk besef ik dat dat ook een tikkeltje arrogant is. Doe ik dat echt om hen te helpen? Of ben ik ook na mijn dood nog altijd een eigenwijze moeial die zich met alles wil bemoeien? Misschien willen mijn kinderen het net kort en eenvoudig houden. Terwijl ik daar dan lig met een draaiboek van tien pagina’s. Met muziek uit La La Land en The Greatest Showman. Met zonnebloemen overal: ja, dat is zo 'ik'. Met een powerpoint die blijft doorgaan tot zelfs de nonkel op de derde stilletjes vraagt of hij nu al om een prentje mag gaan naar voor. Misschien zelfs met grote schermen buiten, voor het geval er zoveel volk komt dat niet iedereen binnen kan. En dan hoor ik ze al denken: mama, ge hebt het weer wat te groot gezien. Misschien heb ik daar eigenlijk geen recht op. Misschien mag ik alleen hopen dat er op een dag ergens staat: We nemen afscheid van Katrien Daniels. En dat ze zich nog herinneren dat ik alles met passie deed. Dat ik mijn familie graag zag. Mijn vrienden ook. En tegen dan hopelijk ook mijn zes kleinkinderen. En dat er misschien ook ergens staat: ze had haar kuren, maar het was wel een goeie. Maar het liefst van al hoop ik dat er nog één zinnetje staat: 'Het zotte lief van…' En dat hij dan denkt: wat een geluk dat die madam ooit op mijn pad kwam. 

Katrien Daniels
20 1

Diepvrieszakjes, tandenstokers en aluminiumfolie

Een eenvoudig bericht op Smartschool van de juf was voor mij vroeger altijd reden tot lichte paniek. Volgens de juffen zijn dat heel normale vragen. “Graag morgen een wit T-shirt meegeven.” Of: “Wie nog een foto heeft van zijn kind als baby…” Heel gewone dingen, vinden zij. Maar voor ouders zijn dat regelrechte aanslagen op een toch al broze work-life-balans. Want waar, vraag ik u, haalt een mens op een woensdagavond om 21u37 nog een wit T-shirt vandaan dat niet 1) te klein is, 2) een vlek heeft of 3) ergens onderaan een stapel ligt waarvan ge niet meer weet of die proper of vuil is. En die babyfoto. Alsof wij hier een schuif hebben met afgedrukte foto’s. Ik denk soms dat juffen ervan uitgaan dat mama’s een soort kastsysteem hebben. Een schuif met witte T-shirts. Een schuif met witte lakens. (Echt. Serieus. Wie heeft er een schuif met witte lakens?) En ergens ook een schuif met afgedrukte foto’s uit de kindertijd. Zo van die perfect gesorteerde herinneringen. Gelabeld. Per schooljaar. Dat soort schuldgevoel — dat ge niet zo’n goed voorbereide moeder zijt — ligt gelukkig al een tijdje achter mij. Ik hoef het lot niet meer te misleiden met extra zwembroeken in mijn handtas of met duizend plannen B in mijn hoofd. Allemaal om er uit te zien als die ontspannen moeder die alles onder controle heeft. Maar toch. Soms overvalt het mij nog. Mijn zoon vraagt: “Hebt ge elastiekjes?” En ge weet hoe dat gaat. Ge staat aan een kast. Ge trekt een lade open. Ge kijkt naar wat daar allemaal ligt en plots beseft ge: ik heb daar geen schuif voor. Geen elastiekjesschuif. Ik vind elastiekjes trouwens een vies uitgevonden ding. Ze hebben zo’n kleur die nergens echt bij past. Zo’n vuil beige dat eruitziet alsof het al een leven achter de rug heeft nog voor ge het gebruikt. En ze plakken een beetje. Altijd een beetje. En vroeger — toen we ons haar nog in een staart probeerden te trekken met zo’n ding — wist ge één ding zeker: tegen de avond had ge een paar haren minder. Elastiekjes zijn kleine martelwerktuigen met een huishoudfunctie. Maar terwijl ik daar zo in die lade sta te kijken, zie ik wel wat er wél ligt. Diepvrieszakjes bijvoorbeeld. Met zo’n zipsluiting van de Zweedse meubelreus. Dat voelt georganiseerd. Alsof ge iemand zijt die dingen bewaart voor later. Dan ook tandenstokers. Die koopt ge één keer in uw leven en daarna liggen die daar. In een verpakking zo groot dat ge zou denken dat ge elke vrijdag een afterwork organiseert op uw privéterras. Ik in ieder geval niet. En als ge ze nodig hebt — bij de apero bijvoorbeeld — dan zijn ze plots onvindbaar. Dan ligt ge daar olijven te serveren en legt ge uiteindelijk maar vorkjes bij de glazen. Omdat niemand zin heeft om met zijn vingers in een schaaltje te gaan vissen. Tandenstokers zijn zo’n product dat altijd bestaat in theorie, maar zelden op het moment dat ge ze nodig hebt. En dan aluminiumfolie. Ook een moeilijk product eigenlijk. Mag dat nog, in het kader van het milieu? Een bewuste vriendin zei mij ooit: “Weet gij hoeveel energie dat kost om dat te maken?” Sindsdien koop ik aluminiumfolie met een klein schuldgevoel. Maar het blijft wel gemakkelijk. Voor een halve citroen. Voor een stuk kaas. Voor een potje dat ge nog snel moet afdekken. Of voor boterhammen, wanneer de Zweedse diepvrieszakjes op zijn en ik alweer de derde brooddoos op mijn werk heb achtergelaten. In de keuken heb ik zo’n schuif dus niet. Maar ergens anders misschien wel. Eentje met diepvrieszakjes. Om herinneringen in te steken. Van die met een zipsluiting, zodat ge ze voorzichtig kunt dichttrekken. Niet te bruusk. Gewoon zachtjes. Klik. Dicht. Dat ze nog even goed blijven. Dat ze niet uitdrogen of verkruimelen. Dat ge ze later nog eens kunt bovenhalen, openritsen, en kijken of ze nog hetzelfde smaken als toen. Dan ook tandenstokers. Voor de kleine dingen. Om iets weg te pulken dat blijft hangen. Of om, heel precies en beleefd en hygiënisch, dat stukje salami te nemen van het leven waar ge zin in hebt. Niet het hele bord. Gewoon dat ene stukje dat ge gezien had en waarvan ge dacht: ja, dat wil ik. En dan aluminiumfolie. Zo’n rol zilver die ge rond iets legt wanneer ge wilt dat het warm blijft. Of vers. Of beschermd tegen wat er van buiten komt. Ge pakt dat vel, ge plooit dat er rond en ineens is alles een beetje veiliger. De lucht blijft buiten. De warmte blijft binnen. Soms denk ik dat ik dat ook zo doe. Dat ik ergens een stuk aluminiumfolie heb klaarliggen voor mijn hart. Niet om het te verstoppen. Maar om het te bewaren. Voor onderweg. Voor later. Voor wanneer het nog even moet meegaan zonder te verkruimelen. Heel zorgvuldig ingepakt. Niet te strak. Gewoon genoeg om het warm te houden. Tot iemand zegt: "Kom, dit hebt ge niet meer nodig. Geef het maar hier. Ik haal het er wel af. Ik hou het warm. Ik geef het lucht. Dat het kan ademen." Dat zou schoon zijn...  Maar elastiekjes?  Nee. Ik heb geen elastiekjes.  Diepvrieszakjes, tandenstokers en aluminiumfolie heb ik wel. Maar elastiekjes? Nee, die heb ik niet.

Katrien Daniels
30 2

Tiempo robado

Mijn jongste vruchtje woont in Madrid. Als hij voor een paar dagen in het land is, verschuift alles hier een beetje. Agenda’s worden herschikt. Vrienden sturen berichten. Zijn lief wil hem zien. Zijn oma wil hem voeden. En dat is goed. Dat is hoe het hoort. Ik vind het oprecht mooi dat zoveel mensen een stukje van hem willen. Dat hij bemind wordt. Dat hij gewild is. Dat hij ergens thuishoort waar ik niet bij ben. Hij speelt rugby in Madrid. Dat was geen plan. Dat is gewoon gebeurd. Zoals volwassen worden ook gewoon gebeurt. En dus plan ik geen strijd. Ik plan tijd. “Zeg, sauna?” Zo achteloos mogelijk. Dat is ons ding. Al sinds hij klein was. Eerst privé. Later openbaar. Gelijk de echte. Met vreemde lichamen en houten banken en stilte. We hebben zo onze ritueeltjes. We voorspellen de oneliners van het personeel nog voor ze uitgesproken zijn. Aan de inkom:“Hebben jullie alles mee?” Wij kijken elkaar aan. Wat is alles? Het is een naaktsauna. Daarna: “Eerst even het bandje scannen.” En bij het buitengaan — altijd met datzelfde floeren stemmetje: “En hebben jullie ervan genoten?”  Genoten? Zover zijn we nog niet. Binnen hebben we codes: Als hij zacht met zijn voet tegen de mijne tikt: observatie. Als hij “interessant publiek” fluistert: relatie in herstructurering. Als hij plots Spaans begint te spreken — “Madre mía…” — dan weten we: te luid gekwetter, verplaatsen. In de jacuzzi legt een jonge moeder uit dat Winter al zonder zijwieltjes fietst. “Gewoon losgelaten,” zegt ze. Losgelaten. Ik kijk naar hem.Madrid. Rugby. Schouders die breder zijn dan mijn armen ooit konden omvatten. Ik heb hem ook losgelaten. Niet dramatisch. Niet met een speech. Gewoon beetje bij beetje. Eerst zijwieltjes. Dan alleen naar school. Dan naar een andere stad. Dan naar een ander land. In de sauna zit een koppel dat hun relatie probeert te repareren. Hij zegt: “We moeten beter communiceren.” Zij knikt. Hun knieën raken elkaar niet. Zijn voet tikt tegen de mijne. Wij begrijpen het zonder woorden. Een man loopt voorbij met “Gunther” geborduurd op zijn badjas.Ik fluister: “Als ik ooit mijn naam op textiel laat zetten, mag je mij discreet uit het leven begeleiden.” Hij grinnikt. Wij zijn heerlijk spottend samen. Tijdens de opgieting: “Adem diep in.” Eucalyptus. Steranijs. Hitte die binnenkomt als een herinnering. Hij leunt achterover. Grote handen. Rugby-lijf. Een man. En toch zie ik het kind dat ooit tegen mij opklom alsof ik een boom was. Dat in mijn buik woonde. Dat dacht dat ik alles wist. Aan de balie, vier uur later:“En hebben jullie ervan genoten?” En dan volgt de opsomming. Cheesecake. Tapas. Drankjes. Altijd dat kleine biechtmoment. Ik glimlach. We hebben niet gewoon genoten. We hebben tijd gepakt, een beetje gestolen.  Niemand is van iemand. Niet kinderen.Niet liefdes.Niet moeders. We krijgen elkaar in bruikleen. En vandaag, tussen eucalyptus en Spaans gefluister, zat hij naast mij. Niet van mij. Maar even bij mij. Zo een gestolen moment. En dat is meer dan genoeg

Katrien Daniels
79 2

Lijst van dingen die de dag een gouden randje geven

De eerste hap van een warme croissant met echte boter. Frieten van de frituur met nét iets te veel zout. Een toast met préparé op zondag terwijl ge eigenlijk “licht” ging eten. Verse pannenkoeken met gesmolten suiker die knispert. Gelukkig zijn er pannenkoeken. De korst van lasagne. Alleen de korst. Met uw vinger door de saus gaan terwijl ge zogezegd aan het afruimen zijt. Chocolade die eigenlijk “voor het bezoek” was. Een raketijsje in november. Omdat het mag. A sunday in the middle of the week.  De eerste slok koffie wanneer ge al te laat zijt. Nieuwe lakens. Zon-gedroogd. Fris als een nieuw begin. Een parkingplaats vlak voor de deur. Een dutje van twintig minuten dat voelt als een wedergeboorte. Een leeg huis met uw muziek te luid. Solden waar ge 70% korting krijgt en denkt dat ge winst maakt. (Vrouwenwiskunde.) Iemand die zegt: “Ik heb gekookt.” Een hand op uw onderrug in een drukke ruimte. Lepeltje-lepeltje terwijl het buiten regent en ge nergens moet zijn. Het moment vlak voor een kus. Dat zweven. Uw hoofd op iemands borst leggen en het ritme vertrouwen. Een man die spontaan de vuilzak buitenzet zonder zucht of PowerPoint. Een berichtje dat begint met: “Ik moest aan u denken.” Uw naam horen fluisteren. Iemand die zegt: “Ik regel dat wel.” Een applaus dat nét iets langer duurt dan beleefd. De stilte na muziek waar niemand doorheen durft te praten. Een opgegroeid kind dat onverwacht uw hand vastpakt. Een volwassen zoon die plots groter is dan gij, maar nog altijd “mama” zegt met dezelfde stem. Vriendinnen voor het leven die geen cava nodig hebben, maar weten dat het vandaag koffie moet zijn. Die niet vragen “hoe gaat het?” maar zeggen: “Kom. Zitten. Vertel.” De eerste zon op uw gezicht na weken grijs. Een lege stoel die pijn doet, maar ook bewijst dat ge kunt houden. Denken dat ge het niet meer gaat doen… en het toch doen. En heel even geloven: misschien wordt het toch nog schoon.

Katrien Daniels
32 2
Tip

Verzamel ze allemaal

Ik beken. Ik was er deze middag. En ik ben door de drive-thru gereden. Ik at een kleine friet. Een cheeseburger. En water. Dat detail vind ik belangrijk. Water. Ik doe dat nooit natuurlijk. Behalve soms. Zoals vandaag. Het was geen wilde uitspatting. Geen rock-’n-roll. Gewoon een middag waarop ge denkt: vooruit, snel, efficiënt. En dan rijdt ge onder dat grote gele M-teken door, dat u ontvangt alsof ge thuiskomt in een wereld waar keuzes simpel zijn. Menu 1, 2 of 3. Groot of klein. Met saus of zonder. En toen zag ik het.Dat kon ook niet anders. In grote letters. Met kleuren die roepen. 'Verzamel de Friends-mokken.' Mokken. Ik stond daar met mijn kleine friet en mijn moreel verantwoorde water en voelde iets wat ik niet had zien aankomen: nostalgie. Want mokken doen iets met mij. Ze sleuren mij meteen naar die Smurfenmokken in de kringloopwinkel. Altijd per twee of drie. Nooit volledig. Een Brilsmurf zonder Grote Smurf. Een Smurfin die haar dorp kwijt is. En ik kan dat niet gewoon zien. Ik verzin daar levens bij. Een oma die stempels spaarde voor haar kleinkinderen. Zondagen met chocomelk. Koekjes die te lang in de tas bleven hangen en dan met een lepeltje gered moesten worden. Of een man — noemden we dat toen al een geek? Bestond dat woord in de jaren tachtig? — iemand die ze opstelde in een vitrinekast. Met spotjes. Nooit gebruikt. Want koffie in een verzamelobject, dat is heiligschennis. Of gewoon gewonnen op een quiz. Ge zijt laatste. Ge moogt nog kiezen tussen Smurfenmokken of onderleggers van de KBC. En ge kiest dan toch de mokken. Omdat dat nog het meest lijkt op een overwinning. En dan? Wordt dat uw vaste tas? Of verdwijnt die achteraan in een kast, wachtend op een betekenis die nooit meer komt? Ik ga niet sparen voor die Friends-mokken. Zeg ik nu. Ik zag die reeks trouwens niet eens zoooo graag. Die lachband was mij te veel. Dat publiek dat applaudisseert omdat iemand een kamer binnenkomt. Rustig jongens, hij komt gewoon binnen. Maar ik begrijp het wel. Het gaat niet over mokken. Het gaat over compleetheid. Over iets kunnen afvinken. Over een rijtje in uw kast dat klopt. Misschien verzamelen mensen geen dingen. Misschien verzamelen ze momenten waarop alles simpel leek. Twintig minuten. Een grap. Gelach op commando. En daarna opgelost. Ik dronk mijn water. Alsof dat iets rechtzette. En ik reed door zonder mok. Maar ik geef toe, ik heb wel even gekeken welke er allemaal waren.

Katrien Daniels
134 8
Tip

Kiezen is verliezen (maar soms ook winnen, blijkbaar)

Kiezen is verliezen, zeggen ze. Als dat waar is, wil dat zeggen dat het moment waarop ge beslist eigenlijk een rouwmoment is. Een begrafenis. Een koffietafel voor alle levens die ge niet gaat leiden. Ge staat daar met uw keuze in uw handen terwijl ergens een andere versie van uzelf zachtjes wordt dichtgeschoven. Ik zie dat voor mij. Dat vage witte tafelpapier. Niet wit, niet proper, niet hoopvol. Met kringen waarvan ge hoopt dat het koffie is maar waarvan ge weet: hier heeft al iemand anders geprobeerd het te begrijpen. De zaal ruikt nog naar het eetfestijn van de voetbal van vorige week. Frituurvet, dweilwater en de restanten van goeie moed. Er staan pistolees. Met kaas. Met hesp. En ja, er wáren er met préparé. Maar die zijn al weg. Uiteraard. De préparé is voor de mensen die durven. Voor wie niet eerst nog drie scenario’s wil doorrekenen met het universum. Twijfelaars krijgen kaas. Dat is de wet van de vooruitgang.Daarnaast koffiekoeken. Met rozijnen – wie eet dat vrijwillig? – en die met dat witte glazuur dat blinkt alsof het u persoonlijk uitlacht.En de koffie: ofwel te straf, ofwel te slap, maar nooit juist. Ik ben een kookmoeke, ik weet dat een perculator een ambacht is. Dat maakt ge met een pakske van een halve kilo, water en veel liefde.  En iedereen knikt dan. Ja. Kiezen is verliezen. Ge pakt iets vast en tegelijk voelt ge wat niet meer zal gebeuren. Het andere werk. De andere liefde. Het parallel universum waarin ge misschien spectaculairder waart. Maar soms, op dagen dat ik mild ben voor mezelf, denk ik: misschien is kiezen ook winnen. Misschien wint ge rust. Misschien wint ge een plek waar uw jas vanzelf thuishoort. Misschien wint ge het zwijgen van de eeuwige vraag: wat nu weer? Neem nu het paradijs van de beslissing. Het land zonder twijfel. Uw loon elke maand op tijd, als een golden retriever die aanbelt met zijn staart in overdrive en zegt: ik ben hier en ik blijf.Zoiets als werken bij een FOD. En ik meen dit oprecht: daar heb ik bewondering voor. Dat ge kunt zeggen: dit is goed. Dit is genoeg. Dat ge vertrouwen hebt in procedures zoals andere mensen vertrouwen hebben in sterrenbeelden. Wat moet dat zalig zijn, een hoofd dat niet elke ochtend denkt: vandaag zou ik ook kunnen verdwijnen en iemand anders worden. Ge hebt daar badgekes. Vergaderingen met water in kannen. Mensen die “goeie vraag” zeggen en het menen. Mensen die Excel openen zoals ge een raam openzet: om lucht te maken. En één keer per jaar gaan de remmen los. Dan komen de post-its. Fluo tegen de muur. Er wordt buiten de box gedacht, maar veilig, met catering.In de lente is er teambuilding. Touwen. Vertrouwen. Een facilitator die vraagt wat verbinding vandaag met u doet. En tien keer zegt iemand: zot van ons, hè. En ze hebben gelijk. Het is schoon. Mensen die samen blijven. Die niet voortdurend denken dat het leven hen ergens anders verwacht. Ik kijk daarnaar en iets in mij ontspant. Zie hoe volwassen. Zie hoe geruststellend. Zie hoe niemand hier plots naar Peru vertrekt omdat een liedje dat suggereert. En tegelijk begint er iets in mij te roepen. Want ik weet: zet mij daar neer en ik ben binnen de maand verliefd op een nooduitgang. Dan zie ik een raam en denk ik: wat als daar betere dialogen liggen? Dan voelt geluk zo definitief dat ik er bijna allergisch aan word. Dat is mijn talent. Ontroerd raken door zekerheid en tegelijk mijn loopschoenen zoeken. Dus ik kies niet. Ik hou alles open. Voor passie. Voor toeval. Voor het grote moment waarop iemand mij bij mijn kraag grijpt en zegt: gij daar, nu. Ik noem dat vrijheid. Dat klinkt beter dan besluiteloosheid. Alleen heeft vrijheid een marketingprobleem. Want vaak betekent het dat ge aan de kant staat terwijl anderen hun meubels al hebben gezet. Zij weten bij wie ze horen als het donker wordt. Zij hebben gewoontes die hen terugroepen. Ik zeg dat ik blij ben met mijn mogelijkheden. En dat is waar. Maar sommige nachten is mijn bed zo groot dat het een landkaart wordt. Ge draait u om en botst op karakterontwikkeling. Ge steekt uw arm uit en vindt persoonlijk groeipotentieel. Fantastisch gezelschap. Soms overweeg ik om er entree voor te vragen. En dan denk ik aan Margot van den bakker. Met Mike. Sinds haar vijftiende. Ze zijn samen dikker geworden, rustiger, minder verbaasd. Hun liefde zit waarschijnlijk in praktische afspraken en gedeelde boodschappen. Maar zij moet nooit alleen wakker worden in haar gekozen leven. Nooit dat moment waarop ge denkt: ah ja. Ik ben het weer. Ik en mijn schitterende opties. Ik zie hen wandelen. Niet romantisch. Gewoon onafwendbaar. Er is altijd iemand naast haar.En ik sta daar met mijn vrijheid als een dieet waarvan ik hoop dat iemand het bewondert. Dus wie kiest er uiteindelijk voor mij? Niemand. En misschien is dát het echte verliezen. Dat ge zo lang wacht op het juiste moment, tot ge beseft dat de durvers al terug aan de toog staan. Dat de toekomst verdeeld is. Dat de préparé al jaren op is. En dat iemand vriendelijk zegt: er is nog kaas. En dat ge zelfs dan nog vraagt of ge misschien eerst eens moogt proeven.Terwijl ge diep vanbinnen weet dat ge lactose-intolerant zijt voor beslissingen

Katrien Daniels
189 6

Valentijn voor gevorderden

Het is weer die tijd van het jaar. Etalages lopen over van rood. Lelijke harten. Rode rozen die al te ver opengebloeid zijn en eruitzien alsof ze zelf ook liever terug naar huis willen. Valentijn. De hoogmis van de liefde. Of beter: van de liefde die aftrekbaar is van de belastingen, denk ik dan. Maar vanwaar komt dat eigenlijk allemaal? Het zou begonnen zijn bij Valentinus van Rome. Een priester met een romantisch temperament in een tijd waarin keizer Claudius II Gothicus dacht dat vrijgezelle mannen betere soldaten waren. Valentinus dacht: ja maar, liefde. De keizer dacht: ja maar, kop. Nog snel een briefje – van uw Valentijn – en hop, twee millennia later staan wij te twijfelen tussen melkchocolade of puur zelfbedrog. En nu zitten wij ermee. Met beren. Met ballonnen. Met restaurants die alleen nog tafels hebben om 17u30 of ergens in april. Vandaag zijn er drie soorten mensen. Ge hebt de koppels die niet meedoen. En die doen daar ook echt niet aan mee. Die eten puree met witloof en worstjes. Zoals altijd. Dat is geen metafoor, dat is een menu. Ze zitten in de zetel. Het nieuws praat tegen niemand in het bijzonder. De man des huizes stelt zich geen vragen, want waarom zou hij. Alles is er. Het leven loopt. En zij? Zij laat een klein kiertje open. Misschien een bloem. Misschien een glas. Misschien iets dat zegt: ik zie u nog. Maar het komt niet. Geen etentje. Geen glaasje. Geen roos. Zelfs geen bibberig hartje in lippenstift op de spiegel dat ge later kunt wegvegen met teleurstelling en wat keukenrol. Officieel doen ze niet mee. Liefde zit in de dagdagelijkse dingen. In het feit dat hij de verwarming al wat hoger heeft gezet. Dat is romantiek. Vooral volgens hem. Dan hebt ge de singles. Die triestig zijn. Die voelen dat ze ergens onderweg verkeerd zijn afgeslagen terwijl iedereen precies wist waar de parking was. Die zich afvragen wat er mis is met hen. Te veel? Te luid? Te eerlijk? Had ik kleiner moeten worden? Of net groter maar met minder inhoud? Zij doen niet mee. Niet omdat ze erboven staan. Maar omdat niemand hun naam heeft geroepen. En dan hebt ge de commerce. Die tussen nieuwjaar en de lentecollectie naar het plafond staart en denkt: komaan, mensen, koopt iets emotioneels. Hier is rood. Hier is eeuwig. Hier is een doos met een strik die zegt dat ge moeite hebt gedaan, zelfs als ge dat niet hebt. En dan vraagt ge u af: wie doet daar dan wél aan mee? Awel ja. Dat is een kleine, statistisch verwaarloosbare categorie van platte vijgen. En ik? Ik kijk daarnaar en ik denk: nee. Niet met mij. Ik ben niet zielig. Ik ben niet vergeten. Ik ben gewoon slimmer dan het systeem. Als niemand mij kiest, dan kies ik zelf wanneer het feestje plaatsvindt. Flexibiliteit is macht. Dus Sofie en ik – mijn vriendin, mijn bondgenoot, partner in crime in plannen voor eigenzinnige vrouwen – wij hebben Valentijn verschoven. Naar 11 februari. Wij doen een beauty-avond. Met leuke meiden die we niet kennen maar dat ongetwijfeld zijn, want zo werkt dat wanneer ge beslist dat het zo werkt. Wij laten ons onderdompelen in eyeliner, concealer, foundation, primer. Dingen die beloven dat ge er uitgerust uitziet, zelfs als uw hart al jaren overuren draait. Wij lachen. Wij klinken. Wij zijn scherp. Wij hebben het begrepen. Wij doen niet mee. En terwijl er zorgvuldig aan onze gezichten wordt gewerkt, terwijl iemand zegt: zo, nu straalt ge, kijk ons eens stralen in de spiegel van onze zelfgekozen onafhankelijkheid, denken wij allebei exact hetzelfde. Goed dat we dit vandaag doen. Dan zien we er op 14 februari tenminste goed uit. Stel dat. Stel dat er iemand belt. Stel dat iemand plots weet wat hij wil. Stel dat wij moeten doen alsof wij totaal verrast zijn. Ge wilt op zo’n moment niet met half afgebladderde mascara staan argumenteren dat liefde een sociaal construct is. Dat is het voordeel van slim zijn. Ge ontwijkt de val. En zet tegelijk een stoel klaar. Wij verwachten niks. Maar als er dan toch iets komt, staan wij daar wel, schoon in de primer.

Katrien Daniels
71 2

Afmaken

Ik schrijf gedichten.Dat is iets wat ik doe.Dingen laten borrelen en ze met taal ergens parkeren zodat mijn hoofd niet overloopt. Soms, heel soms, zo twee keer per dag, krijgt mijn hoofd ideeën. Grote. Dan denk ik bijvoorbeeld: 'Allez vooruit. Ik maak een gedichtenbundel.' De gedichten zijn er. Ze liggen in mapjes. Sommige zelfs met een datum.Alsof ik een schrijver ben met een echt plan. Ik heb ze herlezen.Verbeterd.Nog eens verbeterd. Een komma verplaatst, wat in mijn hoofd gelijkstaat aan literaire maturiteit.Ik ben content. Trots zelfs. Maar tussen trots en doen zit uitstel.Uitstel met argumenten.Uitstel in kamerjas.Uitstel dat zegt: 'Ge zijt nog aan het groeien.' En dan zegt hij:Lieveke, wanneer ga je jezelf eens een plezier doen en die bundel afmaken? Hij kan dat zeggen. Hij zegt dat rustig.  Maar hij zegt: leg uw ei.Ik hoor: doe eens moeite. Hij zegt: ge gaat dat goed doen.Ik hoor: dit wordt gênant. Hij zegt: het mag er zijn.Ik hoor: nu gaan ze kijken. Hij zegt: het is klaar.Ik hoor: nu kunt ge niet meer terug. Want afmaken betekent ook: het uitmaken. En ja, zelfs dat andere.Afmaken zoals ge een hond af maakt. Ik weet dat ik overdrijf.Hij is zachtheid. Gelijk The Bodyguard. Ik ben rampenfilm. Ja, eerder de Titanic.  Maar die schrik is echt. Dat een bundel afmaken betekent dat hij niet meer veilig bij mij ligt.Dat ik mezelf tentoon leg.Ongefilterd.Zonder bijsluiter. Dat iemand zegt: prachtig.Dat iemand zegt: meh.Dat iemand zegt: ik snap het niet.Dat iemand het niet uitleest maar wel een mening heeft - ik weet nu al wie. En trouwens.... Voor ge iets afmaakt, vraagt ge het aan. Zo gaat dat!  Ik ben al maanden aan het aanvragen.Intern loket.Nummerke trekken.Formulier B vergeten.Terugkomen met bewijs dat ik besta. Maar afmaken? Dat is tekenen. Dat is zeggen: oké. Pak maar mee. En ik weet nog van vroeger hoe dat ging. Dan was afmaken nog intenser!  Ik was zestien. En ik ging het afmaken met Steven. Steven was al namen voor onze kinderen aan het verzinnen.Praktisch ook.Welke auto.Of de hond binnen mocht. Ik wou gewoon niet meer tongzoenen. Of ja. Misschien wel. Maar niet met Steven. En ik had niet het fatsoen om dat eerlijk te zeggen.Dus deed ik wat ik altijd doe wanneer helderheid te veel verantwoordelijkheid vraagt: ik maakte er een opera van. Ik kwam aan met een gezicht alsof ik drie landen moest ontvluchten.Zucht. Tranen die nog niet bestonden maar zich al aanmeldden.Ik sprak in metaforen.Over ruimte nodig hebben.Over mezelf zoeken.Over groei. Ik groeide vooral richting uitgang. Steven stond daar.Open.Lief. Hij vroeg: is het gedaan? En ik gaf hem mist.Bijlagen.Voetnoten. Voor mij was het al weken gedaan.Voor hem begon het gesprek nog. Dat is afmaken. En misschien is dat waarom die bundel zo weegt.Omdat ik hem eerst moest aanvragen en nu moet zeggen: hier, pakt hem maar. Ik maak daar natuurlijk een spektakel van.Wind. Muziek. Internationale aandacht en kans op een Oscar. En hij zegt dan zacht: “Als ge het niet afmaakt, blijft ge voor altijd aanvragen.”  

Katrien Daniels
47 3

Babbelen, een aandoening

Ik weet dat mijn collega’s het doen. Met post-its. Stiekem. Tussen koffietassen en laptops.Kleine gekleurde briefjes die zogezegd ergens anders voor dienen. Post-its met tijdstippen.Met pijltjes. Met hoofdletters. (LIEFST VOOR 11U) Post-its met voorzorgen. Met alternatieven. Met stilzwijgende afspraken. Ik zie het voor me. Een muur. Een kastdeur. Een prikbord. Een soort commandocentrum. Plan Katrien. Want vóór elf uur in de ochtend hebben de avondmensen het zwaar. Dan krijgen ze het te verduren:  de actieven, de vroege vogels, het type mens dat al drie ideeën heeft voor er koffie is. Dan zijn ze nog niet bestand tegen enthousiasme. En al zeker niet tegen iemand die praat zoals ik. Ik geef hen mee dat ik stil te krijgen ben in twee mogelijke situaties.Ofwel ben ik de overtreffende trap van boos en dat wil je echt niet.Ofwel ben ik dood. Of ze dat willen, laat ik wijselijk in het midden. Ik weet het.Ik ben een babbelgat. Mijn mond staat nooit stil.Ik praat tegen onbekenden in de lift alsof we samen op reis zijn en niet gewoon onderwegnaar verdieping drie. Alsof we straks nog een koffie gaan drinken en elkaars levens gaan samenvatten in twee minuten en een halve spiegel. Ik praat tegen de kassierster van de GB over welke chocolade vandaag echt mee moet.Omdat ge dat voelt, hé. Dat dat zo’n dag is. Over dat ge eigenlijk maar voor twee dingen binnenkwam en nu toch weer met een kar staat waarvan ge zelf zegt: ja bon, ’t zal nodig geweest zijn. Over hoe een winkelkar altijd trekt naar de verkeerde kant, en dat dat niet uw fout is maar een fabricageprobleem. Ik praat op vergaderingen over nog te evalueren punten, over dingen die we zeker moeten meenemen, over dingen die misschien ook nog belangrijk zijn en die we dan later nog wel eens bekijken. Ik praat tijdens de middagpauze over wat ik morgen ga eten. Planning in het leven is alles.  En ondertussen denkt iedereen:Die zegt alles.Die is rechtuit.Die kan niet zwijgen. Laat ons even ernstig zijn. Dat babbelen is geen afwijking. Geen charme. Geen karaktertrek.Het is een stoornis. Een aandoening. Diagnose: subassertief (pratend zwijgen voor de buitenstaanders) Kenmerken:overmatige woordproductie,vermijden van directe benoeming,stilte ervaren als bedreigend. Onderliggende factoren:angst om te kwetsen,angst om te verliezen,angst voor wat volgtna de waarheid. Prognose: chronisch, maar sociaal aanvaard. Behandeling: zelfinzicht, en een omgeving die leert luisteren naar wat niet gezegd wordt. Mijn babbelen is geen spreken.Het is camouflage.Een rookgordijn van woorden waarachter ik netjes verberg wat ik niet durf benoemen.Mijn praten is geen lawaai. Het is oorverdovend zwijgen. Wat ik niet zeg, verdwijnt niet.Het gaat pruttelen.Sudderen.Slowcooken.En in het beste gevalbrouw ik er een schrijfsel mee,zoals nu. Dat is mijn manier van zwijgen.Maar ik ben niet alleen. Er is het zwijgen van wie alles netjes op een rij heeft. Het zwijgen dat klinkt als duidelijkheid en zich verstopt achter schema’s en rust. Het zwijgen uit beleefdheid. Dat glimlacht, knikt en later zegt: “Het was eigenlijk niet oké.” Het zwijgen uit angst. Dat bang is om iets los te maken wat niet meer terug in de doos wil. Het strategische zwijgen. Dat wacht. En timing als excuus gebruikt. Het zwijgen van de vermoeiden. Van wie geen woorden meer over heeft omdat ze te vaak niet gehoord zijn. En dan is er het zwijgen in de liefde. Dat kan sterk zijn. Zoals: wij hebben geen woorden nodig. Een stilte die draagt. Maar soms schuurt het. Dan wordt zwijgen een afstand. Een lijn. Een stil afgesproken even niet. Menselijk. Maar nooit plezant. En dan is er nog het collectieve zwijgen. Dat van veronderstellen. Van hopen dat de ander het wel weet. Van samen niets zeggen en dat zorg noemen. Soms denk ik dat het eenvoudiger zou zijn als we niet zoveel moesten raden. Stel je voor. Een ideale wereld.Een wereld waarin we allemaal rondlopen met een gedachtenscherm boven ons hoofd. Gewoon een sober venster waarop verschijnt wat je eigenlijk verzwijgt. Dan staat het er.Dan weet Tom hoe leuk ik hem vind. Dan leest Maggy wanneer ze weer aan het zagen is. Dan kan Paul eindelijk werk maken van die deo. Dan weet Els dat ik eigenlijk vind dat ze gelijk heeft. Ook al heb ik dat nog nooit toegegeven. Tak.Tak.Tak. Eindelijk alles duidelijk. Eindelijk plaatsvervangend spreken tijdens het zwijgen.  En als dan dat ene moment komt waarop ik wél stil word. Daar... bij de overtreffende trap van boos. Dan verschijnt het eindelijk op mijn scherm. Eén zin. In drukletters. In rood. PAK MIJ NU GEWOON EENS NE KEER VAST. Dat is alles. Dat is eigenlijk alles waarover ik de hele tijd aan het zwijgen was.

Katrien Daniels
66 1

Zorgen

Wat is dat eigenlijk: zorgen? Zorgen begint klein. Met pampers en sussen. Met lange nachten en roze wolken. Met wiegen en fluisteren en doen alsof ge het allemaal onder controle hebt, terwijl ge eigenlijk gewoon moe zijt. Daarna worden het koekjes in de brooddoos, boterhammen met een hoek af, plakkende briefjes en sokken die altijd verdwijnen. Zorgen groeit mee. Het wordt huiswerk en oudercontact, turnpantoffels die ineens vandaag nodig zijn, onderhandelen over hoe laat ze thuis moeten zijn van een fuif. Het wordt hobby’s en engagement, leren hoe ge met mensen omgaat, hoe ge ruzie maakt zonder te breken, hoe ge vriendschappen onderhoudt zonder uzelf te verliezen. Dat is zorgen in zijn eerste, pure vorm: nabij zijn, voordoen, vasthouden. En dan, onvermijdelijk en ook gelukkig,  wordt zorgen loslaten. Vogels laten vliegen. Stilletjes bidden dat ze hun vleugels niet bezeren. Doen alsof ge niet wakker ligt. Zorgen door ruimte te maken. Door niet te bellen. Door wel te luisteren. Door te vertrouwen, zelfs als dat voelt als springen zonder vangnet. Ge denkt: nu ben ik uitgezorgd! Maar dat is niet waar. Nog voor er een eerste kleinkind wordt aangekondigd—nee, wees gerust, ik heb geen nieuws te melden—komt die andere zorg. De zorg voor zij die voor u gezorgd hebben. En dat is een zorg waar ge geen rekening mee hield. Die stond niet in de handleiding. Vroeg of laat is er die ouder die niet meer kan. En dan wordt ge een zorgende dochter voor een moeder. Dat is zorgen met weerhaken. Met goede bedoelingen die botsen op weerstand. Met echt wel willen, maar op één of andere manier niet kunnen. Met liefde die niet altijd dankbaar wordt ontvangen. Zorgen wordt dan iets ingewikkelds. Ge schuift papieren. Ge herhaalt. Ge onderhandelt. Ge zwijgt. Ge zet door. Ge gaat naar huis met vragen die geen antwoord willen. Ik denk vaak terug aan die korte tijd dat ik in ‘de zorg’ werkte. Animatie in een rusthuis. Een vreemd woord eigenlijk, animatie, alsof ge leven kunt opwekken met een sjoelbak en een cd-speler. Dat rusthuis was een wereld op zich. Mensen die hun dagen kleiner zagen worden tot ze pasten in één kamer. Een kamer die meer weg had van een ziekenhuis dan van een thuis. Een bed, een nachtkastje, een stoel die te recht stond om comfortabel te zijn. Foto’s aan de muur die fluisterden dat er ooit iets anders was geweest: een trouwdag, een zee, kinderen in korte broek. Het rook er altijd hetzelfde. Een mengeling van te lang gekookte spruiten, amoniak en mottebollen. Een geur die zich vastzet in uw kleren, in uw haar, in uw hoofd. Alsof ouderdom zelf een geur heeft. Tijd die te lang heeft staan pruttelen. Ik zag handen die niet meer wisten wat ze moesten vasthouden. Mensen die boos werden om niks en verdrietig om alles. Vragen die telkens opnieuw gesteld werden, niet omdat ze het antwoord wilden, maar omdat ze bang waren voor de stilte die daarna kwam. Sommigen wilden naar huis, terwijl ze al thuis waren. Anderen wachtten op mensen die al jaren dood waren. En toch: tussen dat alles door zat leven. Een lach bij een vals gezongen lied. Een hand die even de uwe zoekt. Ogen die oplichten bij een stukje cake op zondag. Zorgen in zijn meest rauwe vorm: traag, onhandig, confronterend. Na de legerplicht pleit ik trouwens voor een 'zorgplicht'. We zouden allemaal een half jaar verplicht in de zorg moeten werken. Om te relativeren. Om dankbaar te leren zijn. Om te begrijpen hoe fragiel gezondheid is en hoe relatief tijd wordt als ge oud zijt. En ook om te zien hoe we het anders kunnen doen. Hoe we toch allemaal verlangen naar meer dan platgekookte broccoli. En ondertussen zorgen we verder. Voor geliefden, natuurlijk. In ziekte en in gezondheid — dat zeggen we zo vlot, alsof het een belofte is die zichzelf wel zal uitleggen. Maar wat als ziek zijn écht ziek zijn wordt. Niet grieperig. Niet een paar dagen onder een deken. Maar ziek als in: het lichaam dat zijn eigen plannen begint te maken. Als in: afspraken die verdwijnen, woorden die halverwege blijven steken, vermoeidheid die niet meer slaapt. Zorg is thee zetten die koud wordt omdat ge eerst nog iets anders moet doen. Het is fluisteren: ‘het is niet erg’ terwijl ge niet weet of dat waar is. Het is lachen om dingen die eigenlijk niet grappig zijn, omdat lachen soms het enige is dat nog werkt. Zorg is ook ontzorgen. Liefdevol kunnen zeggen: ik zal dat wel doen. Blijf maar zitten. Drink uw kopje koffie. Zorg is ook absurd. Onderhandelen met het leven.  Prijzen vergelijken van incontinentiemateriaal alsof het over wijn gaat. Trots zijn op een goede dag alsof ge samen een marathon hebt gelopen. Zorg maakt klein en groot tegelijk. Ze schuurt uw grenzen af en rekt ze uit. Ze leert u dat liefde niet altijd mooi is, maar wel volhardend. En soms, heel soms, is zorg gewoon samen zwijgen. Omdat er niets meer uit te leggen valt.  Zorg is tanden op elkaar en toch zacht blijven. Elkaar wassen zonder erotiek, maar met vertrouwen. Sokjes aantrekken. Een jas dichtdoen. De hand vasthouden terwijl ge eigenlijk nog duizend andere dingen moet doen. Uiteindelijk is zorg pure liefde. Het is naast iemand gaan zitten, niets oplossen, een kopje koffie inschenken, en blijven. Ook als die koffie koud wordt.

Katrien Daniels
65 4

John en de Heksen

Laten we hem John noemen. Hij heet niet John, maar hier volstaat het voor de heer in kwestie. Eerlijk: soms heb ik een hekel aan hem. Hij stelt vragen die niemand graag krijgt, en hij geniet ervan. Dat irriteert mij mateloos. En net daarom heb ik hem graag. Op een dag vroeg hij waarom ik geen horror schreef.“Alles bij u is zo… chiromeisjes-achtig,” zei hij. “Happy endings. Kussen in de sneeuw. De liefde die wint. ‘You don’t put Baby in a corner!’ en hup: iedereen naar huis met warme voeten en een crush op Patrick Swayze, en die is al dood!” Ik haatte hem op dat moment een beetje. Omwille van dat van Patrick Swayze en ook omdat hij gelijk had en dat is ambetant.  Chiromeisjes hebben geen messen; wel een alcoholstift en grote roze kauwgum in de zakken van hun korte rok. We schrijven onze namen op T-shirts en armgipsen, niet in mensen. Als ik dan toch horror zou schrijven — ik zeg als — zou het iets zijn zoals de heksen van Roald Dahl. Niet één heks, maar een hele lobby vol. Een hotel dat naar stofzuigerzakken en zeewater ruikt. Vrouwen die u aankijken alsof ze net beslist hebben wat ze met u gaan doen,en het antwoord is nooit: thee met melk. Ze dragen nette schoenen, hebben gelakte nagelsen weten perfect hoe ge iemand kunt doen verdwijnen zonder dat ge bloed moet zien.Zo’n soort kwaad. Onderkoeld, beleefd, systematisch. Het soort dat applaudisseert voor uw ondergang. Maar misschien bedoelt John dat niet. Misschien wil hij het soort horror waar de soundtrack uit vioolsnaren bestaat en waar het bos altijd te donker is voor het uur van de dag.Waar niemand ooit het licht aan doet omdat anders de film gedaan is en waar mannen denken dat ze onsterfelijk zijn zolang er ergens nog een kettingzaag in de kelder ligt. En misschien moet ik mij gewoon afvragen waarom mensen horror kijken.Is het om demonen te verjagen? Is het om angst te onderzoeken zonder dat iemand echt gewond raakt? Om te voelen dat ons eigen leven eigenlijk beter meevalt dan dat van het meisje dat binnen acht seconden door een heks onthoofd wordt?Is het om te oefenen in bang zijn? Om de donkere kant van het leven te zien zonder er zelf in te wonen? Ik versta dat niet. En daarmee leg ik — trefbal-meisjeschirogewijs — de bal alweer in het kamp van John. Niet bij de heksen in de lobby, maar bij de mensen die kijken en denken:“Ooooo jaaaaa!” Dat soort horror ga ik niet schrijven, John. Maar stel dat horror niet per se bloed hoeft te zijn. Stel dat het gevaar veel dichter zit. In iemand die zegt dat hij dringend met u wil praten, maar de telefoon nooit opneemt.In vrienden die bestonden en dan plots niet meer. Niet boos, niet luid, gewoon weg.In mensen die sterven zonder spektakel en zonder dat iemand het moment noteerde. Of kinderen die je de ene moment nog in slaap sust en twee knippers met je ogen in pakweg Madrid wonen. Of wakker liggen omdat zekerheden wegglippen en je niet meer weet in welke wieg je precies geboren bent.  Gemorste koffie, te veel stilte tussen twee zinnen en dingen die in een deuropening blijven hangen maar nooit binnenkomen: dat zijn de kettingzagen en de heksen van alle dag. En als ge dat allemaal samen duwt —de beleefde lobbyheksen,de telefoons die zwijgen,de verdwijners en de sterfelijkerds —dan begint het pas echt te schuren. Dan begint het te spannen.Niet door bloed, maar door tijd: doorgaan zonder bewijs dat het ooit anders was, leven zonder aftiteling. Dat, John. Dat is mijn horror. En het ergste is: ge verlaat de zaal zonder te weten dat het gedaan is.

Katrien Daniels
84 2

Over wachten

Sofie, mijn beste vriendin, wou me voor Kerst het nieuwste boek van Dirk De Wachter kopen.“Over wachten,” zei ze.Ik hoorde in haar stem iets wat ik goed ken: een lichte pedagogiek. Want Sofie weet maar al te goed hoe vreselijk ik wachten vind. Dat ik graag heb dat het vooruit gaat, dat beweging beter is dan bezinning. Dat ik de tijd ‘zijn ding laten doen’ een bijzonder overroepen concept vind. Voor Sofie is wachten iets wijs. Een uitnodiging tot stilte, tot mildheid, tot menselijkheid.Voor mij voelt wachten als strafwerk voor gevorderden. Aan de kassa wordt dat het duidelijkst. Daar staat het leven stil, maar in een tempo dat je kan horen. Zo’n trage, nare stilstand met het geluid van plastic zakjes, rinkelend kleingeld en iemand die nog net beslist om sigaretten te kopen. Altijd precies vóór mij alsof het universum wil dat ik zevenendertig seconden langer mijn eigen adem voel.Dan begint mijn hersenpan al te koken van micro-irritaties:het schijfje prei dat uit een zak valt,de kortingsbon die blijkbaar niet werkt,het loze gesprek over zegels voor pannen.Ik herbekijk daar mijn hele leven tussen kattenvoer en yoghurt. Wachten aan de kassa is de hel in fluolicht. In de dokterswachtzaal is het anders. Daar hangt het wachten in de lucht. Vochtig, traag en zwaar. Iedereen kijkt naar zijn knieën, alsof daar een antwoord verscholen ligt. In ziekenhuizen is wachten een vorm van statistiek: het beste én het slechtste scenario in één adem. Daar denkt niemand nog aan efficiëntie.Daar is wachten verlangen vermomd als angst. Aan de schoolpoort is wachten weer een ander dier. Daar wachten moeders en vaders met koffie achter hun tanden en nog een drukke avondrush voor de boeg.Wachten daar heeft niets met stilte te maken, maar met meer 'een stilte voor de storm'.  Met ouder worden ben ik dus beginnen schaken met het wachten.Als ik vermoed dat het op de loer ligt, zet ik tegenzetten in.Structureel te laat komen, bijvoorbeeld — puur preventief.Eindeloos Scrabble spelen op mijn gsm.Nog snel een was insteken.Een mail beantwoorden.Een lijstje.Een lijstje over het lijstje.Alles om niet oog in oog te moeten staan met tijd die weigert te rennen. Zo speel ik kleine wedstrijdjes met de klok. De inzet is simpel: niet gepakt worden door de stilstand. Af en toe wint de tijd. Af en toe ik. En soms is mijn omgeving het slachtoffer, want dan moeten ze op míj wachten.Maar kom. Ik vind dat eerlijk verdeeld. Het interessante aan wachten is dat je het het best verdraagt door net níét te wachten.Wachten is het meest draaglijk wanneer het zich vermomt.Als bezigheid.Als afleiding.Als vooruitgang.In de liefde noemen ze dat dan: gewoon 'leven'. Ze zeggen dat als je op de liefde wacht, ze niet komt.Daarom wacht ik daar ook niet meer op. Ik vul dat wachten op met leven.Met gulzig zijn.Met dingen doen.Met mensen zien.Met beginnen.Mijn omgeving profiteert daarvan mee. Ze krijgen een versie van mij die vooruit wil, die niet op pauze staat, die weigert om bij het loket van het lot in een rij te gaan aanschuiven. Maar wachten heeft ook een melancholische kant die ik niet graag toegeef.Wachten is verlangen in vertraagde modus. Een hart dat zegt: nog niet, maar misschien straks. En soms is een ‘straks’ voldoende om door te gaan. En toch, ergens achterin, goed opgeborgen tussen ambitie en koppigheid, bestaat er een klein stuk in mij dat stiekem hoopt dat er ooit iemand zegt:“Ik heb op jou gewacht.”Zonder drama.Zonder zuchten.Gewoon zacht, alsof vertellen dat wachten soms ook een vorm van kiezen is.En dan kust hij me terwijl het net begint te sneeuwen, want in films waarin het goed komt sneeuwt het altijd op het einde. Soms moet je wachten tot het begint te sneeuwen om te weten dat je niet voor niets gewacht hebt.

Katrien Daniels
101 1

De wet van de rek

In dit land zijn we zelden voor perfectie.Perfectie is iets voor Duitsers en Britten — landen die handboeken schrijven over hoe het leven moet, en daar vervolgens ook naar leven.Wij zijn Vlamingen. Bij ons is er altijd marge. Frictie die mag blijven liggen. Een akkoord dat nooit exact getekend wordt maar wel leeft: het is goed genoeg. Neem nu auto’s.Een Mercedes is een perfecte auto — dat voelt ge zelfs in de zetel, daar zakt ge anders in dan in een Skoda. Maar niemand sterft van een Skoda. Een Skoda brengt u waar ge moet zijn. Niet sexy, wel degelijk. Een tweedehands van vijftien jaar oud doet dat ook, en die leidt vooral niet tot ruzie met de boekhouder in huis, maar zorgt alleen maar voor je imago als je die Maggy noemt of Chantal.  Zelfde verhaal bij wellness.Een dag wellness is de absolute max:stoom, eucalyptus, een badjas die uw uitstraling opwaardeert, en een stilte die tot in uw schouderbladen landt. Maar een bad thuis na een te lange dag is ook goed genoeg.Geen detoxwater met komkommer maar kraantjeswater in een plastieken beker.Geen therapeute die uw spanning aanraakt, maar een kat die op uw schoot komt liggen.Goed genoeg. En dan kleding.Natuurlijk is Natan schoon, maar dat is voor Koningin Mathilde.Daar hangt klasse en een prijskaartje aan, dat voelt ge tot in uw vingertoppen.Een jeans van De ZEB is perfect goed genoeg voor de gewone Vlaming: comfortabel, degelijk en aanvaardbaar bij familie-feestjes.Maar of het nu alle dagen van de Zeeman moet komen — dat weet ik niet.Er is een verschil tussen goed genoeg en net iets te ver doorgeduwd in het concept. We noemen het 'De wet van de rek'.  Zo leven we: op het continuum tussen luxe en compromis, tussen ideaal en draaglijk, tussen schoon en doe-maar-gewoon.Onze volksaard is gebouwd op de zone daartussen: daar waar men tevreden kan zijn zonder zich schuldig te voelen dat men niet meer heeft nagestreefd.Dat heet maturiteit. Of luiheid.Waarschijnlijk allebei. En dan de liefde.Daar werkt het niet anders.Geen mens kiest een lief als men een Mercedes kiest: op opties, vermogen en luxe.Wij kiezen een lief volgens 'De wet van de rek'.We beseffen dat perfectie niet bestaat, dat iedereen stekels heeft en ook een handleiding- die soms in een taal geschreven is die ge niet machtig zijt. We kiezen op 'goed genoeg', niet persé op perfectie. De vraag is alleen:Hoeveel rek hebt ge?Hoeveel sokken naast de wasmand zijn aanvaardbaar?Hoeveel stilte? Hoeveel woorden?Hoeveel dromen die nooit gerealiseerd raken, plannen die nooit vertrekken, of trauma’s die meeverhuizen in dozen waar niemand nog weet wat erin zit? Mensen zijn geen wellnessdagen, geen Mercedes en geen Natan.Ze zijn eerder tweedehands, met gebruikerssporen en een verhaal.Ze zijn jeans van De ZEB met een onverwacht mooie pasvorm.Soms zelfs Zeeman, maar ge moet het kunnen dragen. Dan, zachtjes, stelt zich de echte vraag:Hoe werkt liefde eigenlijk?Is er zoiets als één perfect, of bestaan er gewoon meerdere goed-genoeg’s die elkaar op verschillende momenten van het leven kruisen?En verandert de standaard als ge ouder wordt, wijzer, moe, of simpelweg eerlijker? Liefde is geen keuze-examen met juiste antwoorden.Het is een stille wetenschap. Half psychologie, half buikgevoel.Geobserveerd in de keuken, op zondag in de zetel, in het verkeer, in een conversatie die te laat begon of te vroeg eindigde. Onder een dekentje. Of in stilte aan twee kanten van de tafel met koffie die koud werd terwijl niemand het merkte. Stille wetenschap heeft geen woorden nodig. Ze meet geen perfectie, maar compatibiliteit.Ze werkt met marges, met schroom, met het voordeel van de twijfel.Ze rekent niet in status maar in houdbaarheid. Hoe lang kunnen twee systemen samen bestaan zonder te scheuren?Hoeveel frictie kan er ontstaan zonder dat het gevaarlijk wordt?Hoeveel kleine wanverhoudingen kan een mens verdragen zonder dat hij zichzelf verliest? En misschien is liefde daarom zo Vlaams als het maar kan zijn.Omdat we het nooit helemaal op de spits drijven.Omdat we mild zijn in onze verwachtingen en hardnekkig in ons proberen.Omdat we weten dat niet alles spectaculair hoeft te zijn om waarde te hebben.Dat warmte belangrijker is dan glans.Dat de meeste dagen geen wellnessdagen zijn, maar wel badwater dat goed genoeg is. Misschien is dat 'De wet van de rek'. Dat het niet gaat over perfect, maar over blijven.Over wie met u in de zetel wil zitten wanneer ge geen Natan draagt, maar Zeeman.Over wie nog start op maandagochtend, ook al zijt ge zelf een tweedehands met kilometers op.Over wie, met alle rek die er nodig is, zacht genoeg is om u niet te breken

Katrien Daniels
68 4

Lavendel en stekels. wat Francis mij leerde.

We noemen hem Francis, omdat hij Francis heet.Ik leerde hem kennen in het zuiden van Frankrijk. Lavendel, lichte wind, en gezinnen die functioneren zonder dat iemand doet alsof. Francis was daar met zijn vrouw en twee kinderen, een jongen en een meisje. Ze leefden op zo’n vanzelfsprekende manier samen dat je bijna zou vergeten dat dat inspanning vraagt. Francis was leerkracht geschiedenis. Je herkent leerkrachten tijdens de vakantie aan hun uitstappen: niet naar waterparken, maar naar geschiedenis. En als de dames willen shoppen - dat mag!- dan gaat hij met zijn zoon naar een boekenwinkel.  Ik vond dat schoon, maar ook confronterend. Want oprecht functionerende gezinnen zijn voor mij altijd een beetje gruwel. Niet om hen, maar om wat ze kunnen. Ze weten hoe samenleven werkt. Hoe je ruzie maakt zonder te verdwijnen. Hoe je terugkomt zonder drama. Relationele bekwaamheid, maar dan in een beige verpakking: niet opvallend, niet luid, maar wel efficiënt. Dat is een soort luxeproduct dat je niet op Tinder kunt bestellen. Ik oefen relatiebekwaamheid via Tinder — de avondschool van de liefde voor volwassenen die geen handleiding kregen. Tinder is geen gezin, het is proefwerk. Geen eindtermen, geen klassenraad, geen titularis. Alleen swipen, koffies, hoop en bij slecht weer ghosting. Feedback zonder commentaar. Trial & error, en soms vooral error. Onlangs postte Francis iets op Facebook. Zo houden 40+ers contact na een fijne vakantie: geen brieven, geen telefoons, maar Facebookstatussen en likes op foto’s. Hij schreef: “In het zesde jaar werken we rond relaties, liefde en seksualiteit. Wat betekent het dat we relationele wezens zijn, en wat doet ‘alleen zijn’ met ons bestaan?”“Samenleven vraagt geen perfecte nabijheid, maar een juiste afstand.”“Nabijheid kan troosten, maar ook kwetsen. Afstand kan beschermen, maar ook eenzaam maken.” Hij legt dat uit met stekelvarkens. Dat die elkaar in de winter nodig hebben om warm te blijven, maar elkaar prikken als ze te dicht komen. En met Magritte’s Les Amants II: twee geliefden, heel nabij, maar met een doek over hun hoofd. Samen, maar toch niet gezien. Ik las dat en dacht: dat is onderwijs waar we later nog iets aan hebben. En dat is misschien het verschil tussen Francis en mij. Hij leerde relationele bekwaamheid in een gezin, en geeft die nu door aan leerlingen. Ik leer via datingapps. Tijdens één van die Tinder-dansen kwam hij op mijn pad. Niet Francis, maar de man aan de andere kant van de Antwerpse ring. Hij is geen case study, maar iemand die ik graag zie. Niet romcom-graag, niet bombastisch, maar met die stille warmte die je voelt in iemand die luistert en lacht op de juiste plaatsen. Iemand die boeken kan aanraden zonder uitleg, en toch precies weet welke zin voor je blijft hangen. Maar hij heeft ook stekels. Niet de agressieve soort, maar die van iemand die ooit geleerd heeft dat te dichtbij gevaarlijk kan zijn. Nabijheid ja, maar nooit zonder nooduitgang. En nog voor ik het doorheb, kan hij verdwijnen. Niet met deuren of drama, maar met stilte. Ghosting als zelfbescherming, vermoed ik. Of als vergeten vak van relationele bekwaamheid. En toch komt hij daarna weer op hetzelfde ritme terug, alsof hij nooit weg was en wij niets gemist hebben. En dat vind ik soms ontroerender dan blijven. Ik herhaal wel 'soms'.  Ik stel me voor dat ik op een dag met hem in het zuiden zou verblijven. Lavendel in juli. Boeken in augustus. Hij in een ligstoel met te veel zon op zijn schouders, ik aan tafel met een glas water waar citroen inzit. We zouden wandelen, kijken en zwijgen. Nabij genoeg om te voelen dat we bestaan, ver genoeg om niet te prikken. Warm, maar met ventilatie. Soms denk ik: misschien had hij Francis moeten kennen. Als gids. Als iemand die uitlegt dat warmte en afstand geen vijanden zijn, maar parameters. Misschien had ik Francis zijn inzichten ook vroeger moeten kennen. Maar kijk: iedereen krijgt zijn eigen handleiding.Misschien leren we graag zien zoals men in het zuiden dingen leert: door tijd, door zon, door nabijheid die niet dringt maar uitnodigt.Francis leerde het in een gezin. Ik leerde het via trail and error.  En hij, met zijn stekels, zijn pauzes en zijn zachtheid, leert het op zijn eigen tempo. En misschien is dat het enige wat telt: nabij genoeg om iemand te voelen, ver genoeg om hem niet kwijt te spelen.

Katrien Daniels
78 1

Halve verhalen / I know him so well

Het leven is een verhaal dat we schrijven terwijl we het beleven.Niemand weet hoeveel hoofdstukken er nog komen, of wat er in cursief gezet zal worden, of wat nooit voorbij de eerste zin geraakt. Ondertussen lezen anderen mee, selectief, slordig en met hun eigen interpretaties, zoals lezers horen te doen. Ik vraag me vaak af: welke hoofdstukken zien zij eigenlijk? De hoogtepunten, vermoed ik. De triomfen. Maar ook de scènewissels — vooral als ze met wat soucy details verlopen: een scheve scheiding, een veel te dramatische ziekte, een luide ruzie op het verkeerde moment. En natuurlijk de onuitgesproken familiedrama’s, verhalen waarvan iedereen alles weet maar niemand iets zegt, behalve aan de toog, in de auto of bij de afwas. En wie met wie en waarom — of waarom net niet. Het soort informatie dat altijd zonder bron, zonder nuance en zonder voetnoten de ronde doet. Want geen beter vermaak dan leedvermaak. Dat weten ze in het land van de bestsellers: het publiek leest het liefst als iemand anders op zijn bek gaat, en het liefst in kleur, geur en tijdstip. De echte aantekeningen in de kantlijn verdwijnen vaak. Die worden niet gelezen. Die leven ergens tussen het voornemen, de planning en de vergetelheid. Dan denk ik aan mijn grootmoeder.Een dijk van een vrouw. Niet door spierballen of standpunten, maar door warmte en volume. Ze was royaal in alles. Ze schepte altijd te veel eten op, ze gaf te veel kleingeld mee, ze hield de deur te lang open voor Jan en alleman. Bij haar leek niets half.Ze maakte bouillon waar drie gezinnen van konden eten.Ze vouwde lakens alsof er een militaire inspectie op de oprit stond te wachten.Ze had geen halfvol glas: ze dronk het, schonk bij of zette het weg. Doortastend. Het zit ons in het bloed.  En op vrijdag, een traditie, maakte ze rijstpap in kleine witte potjes. Eén per kleinkind.Met een dikke laag bruine suiker bovenop, als een winterdekentje dat smolt zodra het de warmte raakte. Wij aten dat op zonder er iets van te vinden en ondertussen schreef zij de eerste hoofdstukken van onze jeugdherinneringen. En toch vraag ik me af of er bij haar ook halve verhalen lagen netjes opgevouwen in de kasten waar wij niet in mochten. Misschien gebeurt dat met halve verhalen: we zien ze van een ander niet. We denken dat het een vloeiend verhaal is, terwijl het net zo gefragmenteerd is als het onze. Misschien leert ouder worden ons vooral beter verbergen. Wat zijn halve verhalen dan? Dat zijn wilde plannen voor theatervoorstellingen die nooit in première gingen, maar waarvan de titel toch al in een notitieboekje stond, omcirkeld en met uitroepteken. Dat zijn Basic-Fit-abonnementen die vooral dienen om een licht schuldgevoel op te bouwen in de boekentas.  Dat zijn vegetarische intenties die sneuvelen zodra iemand stoofvlees-friet op tafel zet “zoals de oma’s dat kunnen”, inclusief de geur van tijm en laurier. En dat zijn amourettes die alleen echt bestaan in de verbeelding: half bedachte kussen, half uitgekristalliseerde weekenden in Parijs, half uitgesproken verwachtingen die nooit verder raakten dan een glimlach, een emoji of een blik die net te lang duurde. Verhalen die begonnen zijn, maar nergens moesten aankomen om waar te zijn.Verhalen die soms liever in de coulissen blijven, gewoon omdat ze daar mooier lijken. En eerlijk: soms ook veiliger. Daar zit sowieso muziek onder. Niet in majeur, niet in refrein, maar meer als een soundtrack die zacht meeloopt. Een jaren tachtig-ballad die je niet bewust hebt gekozen, maar die toch aanslaat als je het raam een stukje laat zakken.Geen groot drama. Geen koor. Alleen een melodie die fluistert dat het had kunnen zijn — en dat dat ook een verhaal is. Misschien is dat het mooie aan halve verhalen: ze hoeven geen einde te hebben om waar te zijn. De wereld zal nooit weten dat ik steels een hartje via WhatsApp stuur als startschot van de dag. Dat ik luidkeels meezing met foute ballads op de ring. I know him so well. Dat ik op maandag hoofdstukken vol verwachting schrijf, en ze op dinsdag herschrijf omdat het zo altijd loopt. Misschien zijn we allemaal samengesteld uit halve verhalen. Misschien is niemand een afgerond boek, zelfs mijn grootmoeder niet, met haar lakens, haar bouillon en haar rijstpap met bruine suiker. Misschien zijn we eerder een verzameling onafgewerkte scènes, losse eindjes, verlangens en stiltes met een soundtrack die niet altijd op tijd valt maar toch meespeelt. Misschien is dat het hele verhaal. It was good. It was fine. En uiteraard is het madness — he can’t be mine.Maar kom: ik ken hem absoluut zeer well.

Katrien Daniels
40 1

Jurgen. Of Gunther.

Ik noem hem Jurgen.Of Gunther.Eerlijk: ik weet het niet helemaal zeker. Ik vraag me al langer af waarom die twee namen zo vaak door elkaar gehaald worden.Gunther en Jurgen.Beiden Duits.Beiden met een u en een n.Beiden klinken degelijk.Dat soort degelijk dat niet vraagt hoe het met u gaatmaar wel weet hoe je een WC ontstopt en een hallogeenschijner vervangt. Maar dus Jurgen. Dat is zachter. En dus beter passend bij hem. Jurgen draagt een werkmanspak.Oranje fluo. Niet om gezien te worden maar omdat hij anders niet gezien wordt. Op zijn hoofd een muts met een ingebouwd fietslicht.Of een wandellicht. Iets praktisch. Jurgen en ik hebben een gelijkaardige interne klok. We ontmoeten elkaar elke ochtendwanneer ik naar het werk vertrek. Altijd hetzelfde uur. Altijd dezelfde stoep. We zeggen goedemorgen. Niet groots. Niet enthousiast. Gewoon juist genoeg. Vandaag sneeuwt het. Veel. Ik wil op tijd vertrekken en net wanneer ik licht onelegant uitglijd bij het wegleggen van de PMD-zak die gisteren niet werd opgehaald, hoor ik het vertrouwde: ‘Goedemorgen’. Het is Jurgen. Vandaag praat hij wat meer dan anders. Of hij  zich afvraagt of ze vandaag wél gaan uitrijden."Gisteren niet, hé", hij schudde zijn hoofd en keek vol overtuiging naar de besneeuwde straat. Nu pas kan ik de link leggen tussen mijn PMD-zak en Jurgen zijn werkplunje. Ik zeg 'Ah nee' en wijs naar mijn PMD-zak. Dat is een kort gesprek. Maar wel eentje met inhoud. Ik zeg: “Dat zal moeten lukken vandaag, want het gaat meer sneeuwen dan gisteren." Ik vraag of ze ook meenemen zonder compensatiestickers. Want de zakken zijn duurder geworden. Er moeten stickers op. Die stickers zijn niet beschikbaar. En Dendermonde is collectief in paniek. Online lees ik meningen. Veel meningen. “Dat ze het expres doen.”“Dat het schandalig is.”“Dat iemand “zijn job niet kan”.”“Dat het vroeger beter was.”Altijd vroeger. Iemand roept dat hij zijn afval nu “in Brussel gaat dumpen”.Iemand anders zweert bij verbranding in de tuin“zoals mijn grootvader dat deed”.Er wordt gegoogeld naar wie verantwoordelijk isen meteen ook naar wie ontslagen mag worden. Ik lees dat en denk: “Amai, wat een luxe, zoveel verontwaardiging over een zak." Ik heb ook een mening. Maar ik hou die klein. Ik probeer dat toch, met wisselend succes. En ik schrijf ze niet zo snel. Liever het gesproken woord.  Jurgen geeft me een de gelijke uitleg.“Op de blauwe zakken niet. Op de gele wel. Aan de GFT-bak: ofwel drie stickers ofwel een nieuwe. PMD blijft hetzelfde." Het is duidelijke taal, zonder hashtags. Ik ben er, ondanks de sneeuw, vlot geraakt deze morgen. De banen lagen er goed bij. Terwijl ik mijn mailbox open en mezelf verder in de dag sleur, sneeuwt het onophoudelijk.  Ik denk aan Gunther. Nee... Jurgen. Ik zie hem voor me, bij hem thuis, waar dat ook moge zijn. Warme chocomelk.Een sciencefictionfilm met een te ingewikkelde titel en een einde waarbij een onbekende planeet net niet gered wordt. Ik denk aan mensen met meningen.En aan mezelf, die daar weer iets van vindt. Maar vooral denk ik: dit is hoe een jaar mag beginnen. Met iemand die gewoon elke dag zijn ronde doet speciaal voor ons (behalve als het echt te fel sneeuwt), lichtje op de muts, uitleg op zak. En dat ik hem stiekem mijn nieuwe vriend mag noemen. En dat ik voor hem maar al te graag een extra compensatiesticker plak Jurgen.Of Gunther. Ik denk Jurgen.

Katrien Daniels
25 3

De verdwijning van Victorie

Katten sterven niet.Katten verdwijnen. Ze zoeken een plek. Een kier waar niemand kijkt. Onder iets, achter iets, uit de weg. En daar gaan ze zachtjes dood. Dat zeggen wij, omdat sterven te groot klinkt voor iets dat zo weinig ruimte inneemt. Victorie is gisteren verdwenen. Ze had van bij de geboorte iets eigenaardigs.We denken een beperking. Ze wandelde in slowmotion, alsof de wereld altijd net iets te snel ging voor haar. Miauwen kon ze nauwelijks. Meer een poging dan een geluid. Ze was vaak afwezig, alsof ze er niet helemaal bij hoorde. Of al wist hoe je dat doet: een beetje niet hier zijn. Victorie leerde van Rudy wat het was om bij een roedel te horen.Honden weten dat. Dat je gezellig doet als iedereen er is. Dat je blijft liggen waar de warmte zit. Katten weten dat niet vanzelf. Die doen hun eigen ding. Maar zij keek naar Rudy. En leerde. Dat je op oude dagen niet verdwijnt naar boven of onder een bed, maar midden in de kamer gaat liggen. Zichtbaar. Aanwezig. Bij ons. We wisten dat het haar laatste dagen waren.2026 zou een mirakel zijn geweest. En toch: 1 januari was ze er nog. Het huis rook naar eten. Restjes. Overschot. Een beetje alles door elkaar, zoals dat gaat op nieuwjaarsdag. We waren stiller dan anders. We aten, maar keken vooral. Waar ligt ze? Ademt ze nog? Is dit het moment?Ze lag midden op de mat. Niet in de weg — dat deed ze nooit — maar ook niet verstopt. Oud. Stil. Versleten. En toch: erbij. Victorie kwam hier ooit binnen als cadeau.Eerste communie van mijn oudste zoon. Ongevraagd. Nog nooit zo kwaad geweest op iemand met een strik rond een doos.Je geeft geen levend wezen cadeau. Zeker geen kat. Zeker niet aan een kind. Maar qua return on investment: een topcadeau.Noch de fiets, noch de Nintendo — fluogroen, dat was toen mode — haalden de zeventien jaar. Victorie wel. Ze bleef. Door alles heen. Ze zag een huis dat zich vulde.Ze zag feestjes. Chaos. Lawaai.En later zag ze een huis dat langzaam leegliep.Scheiding. Pubers. Gesloten deuren. Stiltes die bleven hangen. Zij keek.Niet oordelend. Niet troostend. Katten doen dat niet.Ze registreerde. Ze was een goed doel op zichzelf. Wat mij het meest fascineert, is hoe een kat verdwijnt.Wij vinden dat zielig. Alsof ze ons achterlaten.Maar misschien is dat net de ultieme consequentie van kat zijn. Foert zeggen. Niet met drama. Niet met afscheid.Gewoon: het is goed geweest. En wat ze nalaat, is klein.Een kattenbak die er nog staat.Een leeg eetbakje.En nog voor een tijdje: zwarte haarplukjes op plekken waar ze graag lag. In een hoek. Op een trui. In het licht. Alsof ze nog even wil zeggen:ik was hier.ik heb gekeken.en nu ga ik. Zoals katten dat doen.

Katrien Daniels
59 4

Het jaar van de wortelsoep

De ochtend na oudjaar 2026. Nog wat moe. Niet alleen van het feest, maar van die innerlijke klok die na je veertigste plots vindt dat hij het beter weet dan jij. Acht uur is dag. Punt. Of het nu 1 januari is of niet. Oudejaarsavond zit nog ergens in mijn lijf. ‘Hoe heb je gevierd?’ Zo’n vraag die mensen nonchalant stellen, in de veronderstelling dat oudejaarsavond per definitie legendarisch is. Spoiler: not. ‘Bij vrienden,’ zeg ik.Dat kan van alles zijn. Dat kan klinken als een vast stramien waarin iedereen al weet wie wat maakt en hoe er altijd wel iemand dezelfde frats uithaalt. Zoals Luc, die elk jaar net iets te vroeg begint te tellen en dan verongelijkt is omdat niemand mee wil.Het kan evengoed klinken als een chic feest met pailletten, glitters en kleren waarvan ik mij elk jaar opnieuw afvraag wie daar effectief geld aan geeft. Maar goed, hé. Dat mag. Ik vind het gewoon verloren geld. Deze bij vrienden was anders. Spannend zelfs. Het was de eerste keer dat we niet met familie vierden. De kinderen vieren al lang elders. De feesttafel was jaar na jaar kleiner geworden.En laat ons eerlijk zijn: ik kan veel dingen alleen. Alleen naar de sauna. Alleen op restaurant. Alleen op citytrip naar Parijs. Prestaties die ik met enige trots op mijn palmares heb staan.Maar oudjaar… oudjaar is toch nog iets anders. Dat is geen medaille die ik per se wou binnenhalen. Ik had er met een klein bang hartje naar gekeken. Tot er een engel passeerde. Niet als een baby met vleugels, maar gewoon als iemand die op het juiste moment een simpele vraag stelt. Nona. Ik denk zelfs niet dat ze wist dat ik nog geen plannen had. Ze vroeg het gewoon. ‘Wat doe jij met oudjaar?’ Er komen nog andere vrienden, die ken je niet, maar dat klikt wel, zei ze. Salsa-dansers ook nog. Alsof dat alles verklaarde.  Iedereen bracht iets mee. Ik de dessertjes. De anderen hapjes, een hoofdgerecht, wat vis. Nona de soep. Wat ik tof vind aan Nona is dat ze altijd een beetje chaos is. Niet slordig. Gewoon… veel tegelijk. Alsof ze in haar hoofd drie dingen tegelijk aan het doen is en overal nét te weinig tijd voor heeft. Voor haar gaat de tijd sneller. Dat is geen karaktertrek, dat is een fout in de natuurkunde. Of in eender welke wet die beslist hoe tijd zich hoort te gedragen. Alles was in orde. De tafel mooi gedekt. De cava koud. Kaarsjes aan. Alleen de soep. Daar was de tijd te snel voor gegaan. En dus stonden we op oudjaar soep te maken. De toon was gezet. Geen Piet Huysentruyt-wijsheden. Geen recepten. Gewoon vier mensen die elkaar niet kennen en samen wortelsoep maken. Nona die ondertussen nog rap een extra hapje klaar stoomde en bleef jammeren dat ze er écht niets aan kon doen van die soep. Alsof het haar persoonlijk werd aangewreven. En wij die haar daar met veel plezier mee plaagden. Omdat dat kan. Omdat plagen soms gewoon wil zeggen dat je er al bij hoort. We proefden. Nog wat zout. Misschien een beetje extra curry. Of toch nog iets meer.De soep was heerlijk. Zoals eigenlijk alles die avond. Er waren kleine cadeautjes voor iedereen. Want zo is Nona ook. Altijd nog een extraatje. Alsof ze denkt: je weet maar nooit wie dat vandaag net nodig heeft. Er werd gelachen en gebabbeld. Gewoon gezellig. Van die gesprekken die nergens naartoe moeten en net daardoor juist goed zitten. Later op de avond schoof alles wat losser. Schoenen uit. Iemand op kousenvoeten. De salsa-dansers die even lieten zien dat hun lijf sneller beslist dan hun hoofd. We telden niet af maar toen was het plots middernacht. Het uur kwam langs, maar wij waren bezig met iets anders. En ergens tussen de damp, de lach en de iets te luide salsa op de achtergrond besefte ik: dit is hoe een nieuw jaar mag beginnen.Niet luid. Niet perfect. Maar met mensen die blijven roeren tot het warm genoeg is.

Katrien Daniels
58 1

Waarheid in meervoud

Van cultuurland tot woonzorgcentrum en terug Ik heb lang gedacht dat waarheid iets is wat je kan afspreken.Dat je rond een tafel gaat zitten, met contracten, clausules, handtekeningen en goede bedoelingen, en zegt: dit is waar, en hier werken we mee.Misschien is dat een beroepsmisvorming. Jaren in de cultuursector doen dat met een mens. Ik begon als programmator. Voorstellingen kiezen, lijnen uitzetten, stemmen samenbrengen. Later runde ik tien jaar lang een eigen boekingskantoor. Ik leerde onderhandelen, afwegen, vooruitdenken. Ik leerde vooral dat waarheid zelden alleen inhoud is — ze is ook positie. Waar je staat, bepaalt wat je ziet en wat je luidop mag zeggen. De cultuursector is bij uitstek een plek waar veel waarheden naast elkaar mogen bestaan. Artistieke waarheid. Publiekswaarheid. Politieke waarheid. Financiële waarheid. De waarheid van het moment en die van de affiche.Tenminste, dat is het verhaal dat we graag vertellen. In de praktijk botsen die waarheden vaak op iets hardnekkigers: ego.De waarheid van wie het luidst spreekt.De waarheid van wie zichtbaar is.De waarheid van wie zich al jaren een statuut heeft kunnen permitteren. Tijdens de coronajaren, 2020 en 2021, kwam dat allemaal samen in mijn inbox. Als boeker werd ik een scharnierpunt tussen botsende werkelijkheden. Programmatoren en gemeentebesturen wilden plots eigen clausules in artiestencontracten. Begrijpelijk. Wetgeving veranderde voortdurend, verantwoordelijkheden wogen zwaar. Hun waarheid was er een van voorzichtigheid en controle. Artiesten schreeuwden moord en brand. Ook begrijpelijk. Optredens verdwenen, inkomens droogden op, erkenning bleek broos. Maar soms, en dat voelde ik toen al, zat er onder die woede een andere waarheid:dat verantwoordelijkheid jarenlang was uitgesteld.Dat een statuut iets was wat je ooit nog wel eens zou regelen.En dat er nu weinig was om op terug te vallen. En daar zat ik.Tussen al die waarheden in. Huis Alma.Alma mater.De zorgende moeder die luistert, sust, vertaalt.Die voor iedereen probeert te zorgen — behalve voor zichzelf. Ik hield al die waarheden recht. Ik probeerde ze naast elkaar te laten bestaan, ze met elkaar te verzoenen, ze te verzachten. Maar waarheid blijkt zwaar wanneer je ze te lang draagt voor anderen. Na corona kon bijna iedereen weer aan de slag.Behalve ik. Mijn waarheid vroeg om stilte. Om afstand. Om herstel.Ik crashte. Mentaal.En ik liet de sector achter me, samen met haar luidruchtige zekerheden. Ik ging andere waarheden zoeken. Ik kwam terecht in een woonzorgcentrum. Als animator — een woord dat al schuurt, alsof een leven nog aangezet moet worden wanneer het al zo vol is geweest. Hier was waarheid minder luid. Ze hing niet aan affiches, ze stond niet in contracten. Ze zat in lichamen. Ik sprak met vrouwen over liefdes die nooit helemaal waren uitgepraat. Met mannen over werk dat hun handen had gevormd en hun rug had gekost. Over oorlog, over kinderen die weinig langskwamen, over verlangens die zich hadden verstopt achter praktische levens. Feiten liepen soms door elkaar.Jaren verwisselden van plaats.Namen verdwenen.Maar emoties deden dat niet. Verdriet herkende zichzelf feilloos.Verlangen ook.En angst. Altijd angst. Er was ook een waarheid die niemand luidop hoefde te zeggen, omdat iedereen haar kende: dit is een plek die je niet meer levend verlaat. En vreemd genoeg maakte dat sommige dingen eenvoudiger. Er hoefde niets meer te worden. Geen carrière. Geen profiel. Geen gelijk. Alleen nog: vandaag. Op een ochtend zat ik te ontbijten met een tiental hulpbehoevende bewoners. Boterhammen in stukjes gesneden, kopjes die je met twee handen vasthoudt. Stilte die nooit helemaal stil is.Er speelde muziek. André Rieu. Waarom precies dat weet ik niet meer, maar het werkte. Er kwam beweging in de kamer. Ik stond te dansen. Niet groot. Niet uitbundig. Gewoon wat wiegen. Armen die meededen. Karl liep voorbij. Karl was luid, vrolijk, toegewijd. Zo iemand die zijn werk met heel zijn lijf doet.Hij riep:‘Hé Katrien, hoe oud zijt gij eigenlijk?’ Ik zei: ‘Zesenveertig.’En meteen daarna:‘Maar in mijn hoofd zesentwintig.’ Het klopte.Of toch: het voelde waar. Ik keek naar Jeanne. Ze kon niet meer praten, maar ze keek. En ze knikte. Heel voorzichtig.In haar ogen zag ik haar. Niet zoals ze daar zat, maar als een meisje van acht. Met losse knieën. Met een lijf dat nog geen afscheid kende.In mijn verbeelding danste ze met me door de kamer. Niet omdat dat feitelijk waar was.Maar omdat het waarachtig voelde. Daar, aan die ontbijttafel, viel iets op zijn plaats. Waarheid bleek niet vast te zitten aan feiten, aan correcte antwoorden, aan wat hardop gezegd kon worden. Ze zat in herkenning. In een blik die zei: ja, ik weet wat je bedoelt. Na het woonzorgcentrum kwam ik terecht bij Raak, een organisatie in het middenveld. Verankerd onder vele kerktorens, verspreid over heel Vlaanderen. Een nationaal verhaal schrijven voor een organisatie met zoveel lokale satellieten betekent: omgaan met waarheden die elkaar niet altijd herkennen. Raak profileert zich als een luisterende organisatie. Na mijn jaren in cultuurland voelde dat nieuw. Onwennig zelfs. Luisteren naar een ander.Niet om te antwoorden.Niet om te overtuigen.Maar om ruimte te maken. Hier werd de tegenstem niet gezien als lastig, maar als noodzakelijk. Niet elke waarheid moest winnen. Niet elke spanning moest opgelost worden. Soms mocht ze blijven bestaan. Ik leerde dat je naast elkaar kan blijven staan en zeggen: we agree to disagree.Niet als opgave.Maar als volwassen vorm van samenleven. Vandaag werk ik opnieuw in cultuurland.Het is mijn thuis.Mijn passie.Mijn biotoop. Ik geniet van mooie voorstellingen. Van gesprekken met artiesten die zoeken naar woorden voor wat nog geen vorm heeft. Van overleg met techniekers, waar precisie en vertrouwen samenkomen in het donker achter de scène. Ik omarm de plek waar ik graag ben. Maar ik kijk anders.Ik kijk anders naar wie roept.Naar de waarheid die in drukletters staat.Naar zekerheden die zich groot maken om niet te moeten luisteren. Geef mij maar die waarheid van de ontbijttafel.Van een verpleger die roept hoe oud je bent.Van een vrouw die niet meer kan praten, maar wel kan knikken.Van een meisje van acht dat even mag meedansen in een oud lichaam. Daar, denk ik,is waarheid niet universeel omdat iedereen haar deelt,maar omdat iedereen haar herkent. En dat is genoeg.  

Katrien Daniels
36 0

Vluchtroutes

We gaan hem Marc noemen. Dat is veiliger. Marc is verantwoordelijk voor veiligheid in een grote eventlocatie. Dat maakt hem, per definitie, de partypoeper van dienst. Terwijl anderen denken in confetti, rookmachines en wauw, denkt Marc in doorgangen. In meters. In dingen die vrij moeten blijven. Hier geen auto. Daar geen foodtruck. Nee, ook niet “maar heel even”.Hij is degene die zegt: “Als het misgaat, moet dit leeg zijn.” En niemand wil horen over misgaan wanneer het net gezellig begint te worden. Zijn collega’s dromen van feest, entertainment en spektakel. Marc droomt van een nooduitgang die zichtbaar blijft. Van een deur die niet geblokkeerd is door een goedbedoelde plantenbak. Van pijlen die nog exact wijzen waar ze gisteren ook wezen. En net daarom vind ik hem leuk. Marc kan gepassioneerd vertellen over dingen die niemand sexy vindt. Vluchtroutes. Brandcompartimenten. Fluohesjes die op de juiste plaats hangen. Luidsprekers die het altijd moeten doen, ook als niemand ze wil horen. Tussen pot en pint vertelt hij over brandoefeningen. Over hoe nodig het is om alles opnieuw te doen. Niet omdat het spannend is, maar omdat je anders vergeet waar alles ligt en of het nog werkt. En terwijl hij praat over controleren, over eens testen, over zeker zijn, glijden mijn gedachten weg. Dat gebeurt wel vaker bij mij. Ik denk aan die one night stand van een half jaar geleden.Niet omdat hij spectaculair was.Net niet. Ik vond hem eigenlijk wel leuk. Warm genoeg om er iets bij te denken. Te warm, blijkbaar. Bij one night stands wordt het mij altijd pas de week nadien duidelijk.Nooit die nacht zelf.Altijd daarna.Op het moment dat ik, tegen beter weten in, in gedachten al mijn trouwkleed begin te kiezen.Niet eens wit. Gebroken wit. Praktisch. Met zakken misschien. En dan komt hij. De keiharde waarheid.Het was maar één keer.Eens om te kijken.Eens om te voelen of alles nog lag waar het moest liggen.Of alles nog marcheerde. Geen vervolg. Geen verhaal. Geen nooduitgang richting samen. Enfin. Een brandoefening. Marc praat intussen verder.Over procedures. Over hoe belangrijk het is dat zo’n oefening geen drama wordt, maar een test. Gewoon even nagaan of je in paniek niet verkeerd zou lopen. Ik neem een slok en denk: sommige mensen doen dat ook met anderen.Even binnen.Even voelen.En daarna weer naar buiten, alsof er niets aan de hand was. Behalve dan bij degene die dacht dat het een feest was en achteraf merkt dat het alleen maar ging om te zien of de alarmen het nog deden. Marc is een vriendwaarbij je je vanzelf veilig voelt.Niet omdat hij je vasthoudt, maar omdat hij al gekeken heeft waar je naartoe kan als het donker wordt. En misschien is dat het verschil tussen liefde en een oefening:de één blijft wanneer het alarm afgaat, de ander was alleen even aan het testen of de uitgang nog vrij was. Katrien Daniels

Katrien Daniels
87 2

Jaren luisteren

Ik maak elk jaar een playlist op Spotify.Niet omdat ik ordelijk ben - wie mij kent, weet beter - maar omdat sommige dingen anders verdwijnen. Alsof ze nooit echt zijn gebeurd. Alsof ik ze mij inbeeldde om het leven wat draaglijker te maken. Het idee leende ik ooit van een beste vriend. Zoals je de beste ideeën altijd leent en ze daarna achteloos inpakt in je eigen bestaan. Hij zei: als er iets gebeurt en er speelt op dat moment een liedje, zet dat in een lijst. De rest doet de tijd wel. Zo maak ik mijn jaaroverzichten. Geen hoogtepunten. Geen successen. Maar momenten die zich vastbijten in muziek zoals een geur in een jas die je eigenlijk had willen weggooien maar toch blijft dragen. Ik weet dat het 2017 was omdat “I Miss You” daarin staat. Dat was Steven.Liefdesverdriet heeft blijkbaar versterkers nodig. In datzelfde jaar staat ook “Lena Lena”. Omdat Rembert De Smet stierf. Ik heb daar geen datum bij nodig. Dat nummer is die dag. Zo werkt rouw: niet netjes, niet chronologisch, maar op repeat. En “Waar Jij Niet Bent”. Weer Steven. Sommige mensen verhuizen niet met dozenmaar met stilte. Ze laten een lege plek achter die je pas hoort als een lied begint. Dan plots “Love of My Life”. Van Queen. Dat moet Peter geweest zijn.Ik weet het niet meer precies. Maar mijn lijf weet het nog. Mijn lijf onthoudt dingen waar mijn hoofd liever niet meer komt. Dat lijf is een koppig archief. Zo werkt het dus. Mijn hoofd poetst weg. Mijn Spotify niet. En dan is er 2025. Die lijst begint met “Magnificent”.En dat klopt. Omdat goed soms niet jubelt maar blijft staan. Omdat niet alles een punt moet zijn. Sommige dingen mogen ook een halve zin blijven die nergens heen hoeft. Ik zette ook “Behind the Walls” van Ward D’Hoore erin .Jong. En precies daarom zo raak. Omdat hij muziek maakt die niet bewijst maar blijft.Omdat hij durft fluisteren waar anderen hun gelijk uitschreeuwen. Omdat eerlijkheid ook een vorm van lef is en je daar soms stiller van wordt dan je had verwacht. En dan “Chiquitita”. De bananendans op kamp. Omdat niets heilig is behalve samen belachelijk doen met volle overtuiging. Lachen als zorgvorm. Dat nummer ruikt naar kinderen die nog niet weten dat dit later een herinnering wordt. “Nightswimming”. Zo puur dat het schuurt. Zo zomer dat je er nat van wordt zonder ooit echt te zwemmen. Een lied waarin je mag blijven hangen zonder plan, zonder richting, zonder belofte. En ergens - als een ruggengraat die niet altijd recht staat - de soundtrack van Paris, Texas.Ry Cooder die precies daar schuurt waar je liever zou wegkijken. Liefde die wringt. Kijken zonder aanraken. Blijven terwijl je beter zou vertrekken. Niet kapot. Maar ook niet passend. Er staat ook “Feel So Different” tussen. Van Sinéad O’Connor. Een zomer. Een huid die sneller ja zei dan het verstand kon bijhouden. Een liefde zonder toekomst maar met alles wat er toen was. Warm. Helder. Maar voorbij. En “Perfect Symphony”. Een auto. Mijn twee grote zonen aan boord. Wij drieën, ramen dicht, volume belachelijk hoog, uit volle borst meezingen. Omdat het kan. En omdat we zo zijn. Nog altijd. Gelukkig. Als ik de afspeellijst van 2025 beluister, hoor ik geen drama. Ik hoor leven. In verschillende toonaarden. Met rafels. Met humor als reddingsvest. Met ademruimte en hier en daar een lichte schaafwonde. Misschien is dat de zoetheid van dit jaar: het hoefde niets te worden. Het mocht er gewoon zijn. Zoals een goed lied dat je niet begrijpt maar ook niet afzet. En helemaal op het einde staat “Jardin Secret”. Niet om iets af te sluiten. Maar om iets verborgen te houden. Een geheim. Een onbeantwoorde liefde. Iets wat nooit uitgesproken werd omdat het anders misschien zijn kracht zou verliezen. Dat nummer is geen slot. Het is een kamer waar ik soms nog binnen ga zonder het licht aan te doen. Waar iets blijft liggen dat nooit gekozen werd maar ook niet verdween. Een gevoel dat nergens heen moest om echt te zijn. Niet alles is van iedereen.Niet alles moet gedeeld.Niet alles wil opgelost.Sommige liedjes bewaar je omdat ze blijven vragen en nooit antwoorden.  

Katrien Daniels
64 1

roxette

Listen to your heart.When he’s calling for you.   Serieus! Is dat nu een manier om mensen wakker te maken? Alsof mijn wekker denkt dat hij een life coach is. Ik luister al genoeg naar mijn hart. Meer dan genoeg zelfs. En tot nu toe heeft het mij vooral wallen opgeleverd, omwegen en een abonnement op melancholie. Geen duidelijkheid.Geen plan.Zeker geen hulpmiddel om kwart voor acht fris en monter richting werk te vertrekken.Ik druk het nummer weg net voor het refrein. Kwart voor acht. Een rit van drie kwartier én de wil om om acht uur te beginnen werken. Dat is een zelf uitgevonden wiskunde die elke ochtend opnieuw haar ongelijk bewijst. Dus: de kortste weg. Altijd de kortste. Maar wat is de kortste?  Door de stad, zeggen de apps.Alleen starten de scholen straks.Dus fluohesjes, bakfietsen, ouders met haast in de ogen en kinderen die treuzelen. Dan maar de binnenwegen.Iets langer.Meer bochten. Ik blijf even staan.Motor draait. En daar is ze.Mijn maag. Niet als fluistering.Als ultimatum. Mijn honger is geen klein ongemak.Geen oei, ik zou iets kunnen eten.Mijn honger is een karaktertrek.Een persoonlijkheidsstoornis met een agenda. Ze komt niet zacht.Ze komt niet vriendelijk vragen.Ze neemt plaats.Zet haar ellebogen op tafel.Eist aandacht. Als ik zo vertrek, zonder eten,dan word ik iemand anders. Iemand die dingen zegt die al lang gedacht zijn maar normaal netjes achter een filter blijven steken. Angela zal het voelen. Ze zal enthousiast beginnen over haar kleinkinderen. Foto’s tonen. Filmpjes. Zeggen hoe schattig ze zijn. Hoe slim. Hoe echt al zichzelf En ik zal lachen. Niet mee. Maar nét hard genoeg dat ze twijfelt. Ik zal iets zeggen als: “Ja amai… ze lijken precies allemaal op elkaar.” Luc ook. Altijd net iets te dichtbij. Zijn adem die al voor hem binnen is. Ik zal hem aankijkenen eindelijk zeggen wat al maanden klaarzit: “Zeg Luc, een deodorant is geen luxe, hè.Dat is een investering. Voor u. Voor ons. Voor de wereld.” En Ronny. Ronny zal iets laten slingeren. Papieren. Een koffietas. Zijn rommel, altijd voor straks. Ik zal niet meer wachten. Niet meer tellen tot drie.Ik zal zeggen: “Ruim het op. Niet straks. Nu. We werken hier niet in uw living.” Dat is wie ik word als ik honger heb. Niet slecht. Wel eerlijk. Te eerlijk. In het winkeltje doe ik snel ochtendgymnastiekmet vier bananen. Goudakaas ook. En ja.Een chocoladebroodje. Of twee. Dit is geen luxe. Dit is onderhoud. Terug in de auto. Acht uur. Ik start de afspeellijst nostalgie mama.Die mama ben ik. De lijst bestaat sinds 2015. Sinds de ritten naar het zuiden. Frankrijk.Vroeg vertrekken. De achterbank slapend. Dat ene uur tussen vijf en zes waarin ik de auto en de rit helemaal voor mij alleen had. Ik vond het stoer. Dat ik dat deed. Zo ver rijden. Met kinderen. Met muziek. Met péages en wegbeschrijvingen. Een ultieme manier om tegen de wereld te zeggen: Ik heb geen man nodig! Die muziek droeg mij. Gitaarintro’s die langzaam open gingen. Stemmen die bleven. Liedjes die wisten wanneer ze moesten zwijgen. Nu rijdt diezelfde playlist mee op een maandag in december. Onderweg naar the office. Naar vergaderingen en plannen. Mijn kaas rolt zich vanzelf op. De bananenschil ligt op de passagierszetel. Een lege verpakking schuift bij elke bocht tegen de deur. Buiten is het zacht. Niet wat je verwacht van een ochtend in december. De lucht is lichtblauw, wit, met een randje roze. Alsof de dag zich even vergist heeft van seizoen. Er was een tijd dat er ontbijt klaar stond.Niet groot. Maar juist genoeg om te voorkomen dat alles ontspoorde.Iemand die wist dat het anders mis ging nog voor de middag. En dan -  Lay a whisper on my pillowLeave the winter on the groundI wake up lonely… Het nummer vult de auto. Niet te luid. Net genoeg om alles wat los ligt samen te trekken. De lucht. De rommel. Mijn handen aan het stuur. It must have been love,but it’s over now. Katrien Daniels

Katrien Daniels
84 1

02/02/2022

Ik word wakker in een bed dat niet van mij is. De lakens zijn te strak. Het licht te wit.Dit is geen hotel. Geen logeerkamer. Geen vergissing. Crisisafdeling, zegt mijn hoofd. Al weet ik niet wanneer iemand dat woord heeft uitgesproken. Het hangt hier gewoon. Zoals de stilte. Zoals de vraag. Wat kom ik hier doen? Hoe is het zover kunnen komen dat ik wakker word op een plekwaar deuren zacht sluiten en niets vanzelfsprekend is? Mijn lichaam voelt ouder dan gisteren. Mijn gedachten zijn een doos waarin alles tegelijk ligt: angst, schaamte, vermoeidheid, een klein restje hoop dat zich verstopt. Ik probeer me te herinneren wat de laatste juiste beslissing was. En waar ik daarna ben afgeweken. Alsof dit een wandeling was en geen glijbaan. Dan staat er plots een verpleger in mijn kamer. Niet dreigend. Niet plechtig. Gewoon… daar. Hij vraagt of ik witte of bruine suiker wil op mijn pannenkoek. Een pannenkoek. Hier. Nu. Mijn hoofd hapert. Niet omdat ik geen zin heb. Maar omdat ik alles wil.Ik wil wit. Ik wil bruin. Ik wil niet kiezen. Ik wil vooral niet dat dit afhangt van mij. Ik zeg dat ik het niet weet. Dat ik het allebei wil. Dat ik vandaag geen beslissingen kan nemen. Hij lacht niet eens. Hij knikt. Alsof dat het meest normale antwoord ter wereld is. Later zal ik weten dat hij Davy heet en dat hij een nobelprijs verdient. Later zal ik begrijpen dat dit zorg was. Zorg in zijn zuiverste vorm: iemand die je pannenkoeken aanbiedt op het moment dat jij denkt dat alles verloren is. 02/02. Lichtmis. De dag waarop pannenkoeken traditie zijn. Voor overvloed. Voor hoop. Voor een nieuw begin. Ik wist dat toen niet.  Ik wist alleen dat er iets warms mijn dag binnenkwamzonder dat ik erom had gevraagd. Sindsdien heb ik een pannenkoeken-fetisj. Ik noem het zo, omdat het anders te groot klinkt. Pannenkoeken zijn altijd goed. Om te troosten. Om te vieren. Om een verloren dag toch te beginnen. Ze zijn rond. Vergevingsgezind. Ze laten zich omdraaien. Ze mislukken zelden definitief. Als ik geen woorden heb, maak ik pannenkoeken. Als ik iets te vieren heb, ook. En als alles op instorten staat, dan zeker. Elk jaar op 2 februari bak ik ze. Op de gezondheid van Davy.En van iedereen die ooit dacht: dit komt niet meer goed en toch iets kreeg aangereikt dat zei: je mag hier nog even zijn. Witte of bruine suiker? Vandaag weet ik het antwoord. Allebei. Katrien Daniels

Katrien Daniels
83 1