Over Katrien Daniels

Katrien Daniels schrijft omdat zwijgen te veel lawaai maakt.

Ze beweegt zich tussen poëzie en proza en heeft een voorliefde voor het alledaagse: keukentafels, liedjes op de radio, momenten die pas later betekenis krijgen. In haar teksten is er ruimte voor humor en rafels, voor verlangen en twijfel, voor wat schuurt en toch zacht wil blijven.

Ze schrijft over liefde in al haar onhandigheid, over wachten, missen en opnieuw beginnen. Niet om antwoorden te geven, maar om beter te kijken, langer te blijven en iets vast te houden voor het verdwijnt.

Naast het schrijven is ze actief in de culturele sector, waar ze luistert, programmeert en woorden zoekt voor wat nog geen vorm heeft.

Teksten

Spaghetti voor vijftig

Er zijn mensen die mediteren om tot rust te komen. Ik schil patatten. Geef mij een keuken vol damp, een industriële pot soep en vijftig jongens in rode Chiro T-shirts en ik ben content. Echt content. Ik denk dat ik daarom zo graag kookmoeke ben. Die schaamteloze zomerdagen waarop ik mag moederen over een halve Chiro. Over dorpskerels tussen vijf en vijfentwintig. Kleine mannen met snottebellen, slungels die plots okselgeur ontwikkelen en leiders die zichzelf volwassen noemen maar nog altijd hun onderbroek vergeten. Daar leef ik van op. Van om zeven uur opstaan om de koffie al te laten doorlopen voor de bende wakker wordt. Van een stille kampplaats die nog ruikt naar nat gras en bier van gisterenavond. Van roze teenslippers die na vijf dagen kamp niet meer roze zijn maar een soort triestig campinggrijs. Van de geur van zweet en vet en look. Veel look. Want ge kookt niet voor vijftig man met een bescheiden teentje look. Ik schud hoeveelheden voor recepten uit mijn mouw alsof het hogere wetenschap is. “Hoeveel spaghetti voor vijftig man?”Simpel.Wat ge voor een gezin van vier maakt, maal twaalf en een half.En dan nog een beetje. Want er is altijd wel ergens nen achttienjarige die eet alsof hij zich voorbereidt op een overwintering in Siberië. Ik schil patatten alsof mijn leven ervan afhangt. Ik maak van spaghetti koken hogere wiskunde. Ik heb een eigen filosofie ontwikkeld over hoeveel keer ge een maaltijd moogt opwarmen zonder dat iemand eraan sterft. Ik geloof rotsvast dat melk in soep soms een uitstekend idee is. Dat zelfgemaakte andalouse saus een vorm van beschaving is. En dat ge nooit — maar dan ook nooit — een deftige barbecue hebt zonder perziken uit blik. Dat laatste klinkt absurd. Tot ge het proeft. En dan die saus. De lekkerste saus van het kamp. “Sex on a plate” Het zijn ook de dagen waarop Yevgueni door een krakende box schalt terwijl wij de afwas doen. Als ze lacht. En wij meebrullen alsof we zelf terug twintig zijn en straks nog een pint gaan drinken op de parking van de parochiezaal. De dagen waarop de kookmoekes elke avond eindigen rond een gammele campingtafel met gezelschapsspelletjes waar wij elk jaar beter in worden. Vals spelen een gave is die met de leeftijd komt. Er wordt gelachen tot iemand bijna stikt in een chipke. Tot de leiding komt vragen of het misschien iets stiller kan omdat de klein mannen slapen. Ik doe dat graag. Misschien té graag. Ik ben al eens met pensioen gegaan. Officieel gestopt. Maar blijkbaar kunt ge uzelf ook terugroepen. Niet door een tekort op de arbeidsmarkt, maar door een diepgeworteld “het niet kunnen laten”. Er volgde een stilzwijgende overeenkomst met de leiding: ge gooit me maar buiten als ik écht te oud geworden ben. En eerlijk?Ik hoop dat ze dat nog efkes uitstellen. Want daar, tussen de kookpotten en de afwasbakken, wordt het leven opvallend simpel. Stress herleidt zich tot de vraag hoeveel kilo wortelen er juist in de soep moeten. Nachtrust wordt relatief. En liefde krijgt een totaal andere vorm. Want die is daar.In alles. In een snelle “merci, moeke”.In een jongen van zes die nog een nachtzoentje komt vragen.In een leider van drieëntwintig die spontaan een apero uitschenkt voor de moekes na een dag van zevenhonderd boterhammen smeren.In een keuken waar iedereen plakt van het zweet en de mayonaise en toch niemand weg wil. En zo reigen we de zomers aan elkaar. Met liefde en herinneringen. Met te veel look en te weinig slaap. Ondertussen loopt mijn huis stilaan leeg. Mijn zonen bouwen hun eigen leven bijeen. En binnenkort zal mijn kookpot zich waarschijnlijk beperken tot hoeveelheden voor één persoon. Dat is dan wat ge voor een gewoon gezin maakt.Gedeeld door vier.   

Katrien Daniels
55 5

Failliet

Ik reed gisteren voorbij mijn favoriete delicatessenzaak. Enfin, gewezen delicatessenzaak. Want de winkel is failliet. En ik vind dat erg. Eerst en vooral voor mezelf, als ik eerlijk ben. Want nergens anders was het kaasassortiment zo uitgebreid, de thee van net dat juiste merk en de broodjes zo rijkelijk belegd dat ge er bijna een kleine familietafel voor nodig had. Maar ook voor hem. Ik kende de man zijn naam niet, maar Georges zou hem absoluut niet misstaan, dus we noemen hem Georges. Georges was een gepassioneerde foodie die zijn zaak bestierde alsof het een klein culinair koninkrijk was. Altijd tijd voor een babbel over een Franse schimmelkaas, een goeie olijfolie of gewoon over het leven. Een mens die wist wat lekker was. Dat is een gave, hoor. Failliet gaan. Dat woord heeft iets vuils. Alsof ge niet alleen uw zaak verliest, maar ook ineens een stuk van uw naam. Uw gevel. Uw waardigheid. Uw routines. Uw morgens. Het doet me denken aan een scheiding. Dat is eigenlijk ook een soort faillissement. Ge verliest geld, liefde, meubels waarvan ge dacht dat ge ze samen oud ging laten worden. En daarna moet ge ergens in uw eigen hol gaan nadenken over hoe het anders had gekund. Maar goed. Het ging over Georges. De man van de uitermate goed belegde broodjes. Misschien té goed belegd. Dat wou ik hem soms zeggen. Dat er op één broodje genoeg krabsalade lag om een klein vissersdorp door de winter te helpen. Dat die tomaten daar precies gratis werden uitgedeeld. Maar ik deed het niet. Uit beleefdheid. Of lafheid. Dat ligt dicht bij elkaar. En nu heb ik daar schuldgevoelens over. Omdat ik denk: misschien had wat minder tomaat zijn zaak gered. Misschien was het verschil tussen overleven en failliet gaan gewoon drie schellen mozzarella minder per sandwich. En ik weet het, zo simpel is het natuurlijk niet. Maar toch. Ge begint terug te tellen. Naar alle keren dat ge iets dacht en zweeg. Zoals die avond dat ge wist dat dat feestje ging ontsporen. Of die keer dat ge wist dat ge taart met echte boter moest maken en niet met die margarine uit promotie. Vroeger zei ik dat soort dingen nog. Nu niet meer. Ik heb mezelf afgeleerd om mij te moeien. Omdat mensen daar zelden dankbaar voor zijn. Omdat iedereen liever elegant kopje-onder gaat dan gered wordt door een bemoeial. Dus ik zwijg tegenwoordig. En rij voorbij. De delicatessenzaak ligt er plots verlaten bij. Leeggehaald. Een vrouw draagt een roestig rekje naar buiten. Drie maanden geleden stonden daar nog cuberdons en nonnenbillen op. En die vrouw lacht. Een gewone lach. Een mens-lacht. En ik zie: die vrouw is nooit failliet geweest. Sommige mensen hebben nog nooit echt iets verloren. Geen zaak. Geen liefde. Geen huis met de stilte er nog in. Ik denk aan Georges, de kaasman. En ik zou eigenlijk naast hem willen gaan zitten. Zonder oplossingen. Zonder analyses over krabsalade of kostenstructuren. Gewoon zeggen: sorry dat ik zweeg. Of misschien gewoon: welkom. Bij de club van de mensen die ooit iets zagen instorten waar ze van hielden. De meeste mensen gaan ooit failliet. En de rest koopt roeste rekjes.

Katrien Daniels
45 2

Team Bus

Tom en ik, we noemen onszelf Team Bus. Hij langs de kant van de busplanning. Ik langs de kant van de uitstapplanning. En ergens tussen vertrekuren, parkeerplaatsen, zieke chauffeurs en “oei, dat is precies verkeerd doorgegeven”, vinden wij mekaar regelmatig. Normale dingen regelen we via mail. Dat hoort zo. “Beste, graag een offerte voor twee bussen richting Oostende.” Dat soort dingen. Maar als er ergens een schoolgroep staat te blauwbekken in de regen of een chauffeur plots in Dendermonde blijkt te zitten terwijl hij eigenlijk in Asse moest zijn, dan bellen we. Dan komen de echte gesprekken. “Wacht hè Katrien, ik ga eens kijken.”“Ah nee, dat is den anderen bus.”“Ge zijt zeker?”“Tiens. Da’s wel speciaal.” Zo van die gesprekken. En het vreemde is: ik heb het gevoel dat Tom stilaan een vriend aan het worden is. Zo iemand waarvan ge denkt dat ge hem eigenlijk al jaren kent. Dat we misschien samen op school hebben gezeten. Dat we mekaar ooit halfdronken zijn tegengekomen in een bruin café ergens naast een biljarttafel. Dat hij mij ooit al eens een sigaret heeft gegeven op een parking van een fuif in 1998. Soms voelt het alsof wij al een heel traject samen afleggen. Alsof wij collega’s zijn in een kleine oorlog tegen verloren chauffeurs, dubbele reservaties en kinderen die dringend moeten plassen net wanneer de bus de autostrade opdraait. Ik hoor zijn stem vaker dan die van sommige echte vrienden. Wij maken mini-crisissen mee samen. Kleine rampen die altijd dringend lijken maar achteraf geweldige verhalen worden. En elke keer opnieuw lossen wij dat op. Tom aan zijn kant van de dispatching. Ik aan mijn kant van de chaos. Terwijl ik hem eigenlijk niet ken. Ik weet niet hoe hij eruitziet. Ik heb nog nooit met hem aan een tafel gezeten. Geen koffie gedronken. Geen pannenkoeken gegeten. Niets. Maar in mijn hoofd bestaat Tom heel duidelijk. Tom is groot. Niet dik dik, maar zo’n geruststellend buikje van iemand die graag eens een goed stuk vlees eet en daar een Duvel bij drinkt. Hij heeft een stoppelbaard. Draagt jeans. Altijd jeans. En van die blauwe River Woods-truien over een hemd. Geen modieuze sneakers maar degelijke schoenen waar ge desnoods ook ne keer een camion mee kunt lossen. Enfin. Zo ziet Tom eruit in mijn hoofd. Ik zou hem kunnen googelen. Maar dat gaat nu niet meer. Het beeld is af. Het decor staat recht. En ik ben bang dat de realiteit het gaat verpesten. Want stel u voor dat Tom eigenlijk klein is. Smal. Blond. Dat hij beige geruite hemden draagt en een klein beetje naar natte boekentas ruikt. Dat zou verschrikkelijk zijn. Dan zou geen enkele buscrisis nog hetzelfde voelen. Dat had ik vroeger ook met stemmen op de radio. Michel Follet bijvoorbeeld. Man man man. Ik hoorde die op Radio 2 en in mijn hoofd was dat een soort filmster met charisma tot tegen de muur. Tot ik hem ooit zag in de TV Story. Ik was oprecht ontgoocheld. Niet omdat hij lelijk was. Maar omdat hij niet klopte met mijn versie van Michel Follet. Of die vrouw van het circus waar ik maanden telefoons mee deed. Ik zag een warme, donkere, voluptueuze zigeunervrouw voor mij. Veel armbanden. Grote rokken. Zware parfum. Maar toen kwam ze toe en bleek ze blond, klein en Duits-modern-jaren-tachtig te zijn. Zo iemand die waarschijnlijk kiwi in blokjes snijdt bij het ontbijt. Dat was lastig. Dus misschien moet ik Tom gewoon laten bestaan zoals hij nu bestaat. In die gezellige parallelle werkelijkheid waar hij nog altijd groot is, lichtjes naar Duvel ruikt en met één hand een busprobleem oplost terwijl hij met de andere een broodje préparé vasthoudt. En wie weet hoe Tom mij ziet. Misschien denkt hij dat ik slank ben. Dat ik lang blond haar heb dat altijd goed ligt. Dat ik zo’n vrouw ben die zelfs tijdens een crisis nog elegant klinkt aan de telefoon. Zo iemand die rustig “dat komt wel goed” zegt terwijl achter haar een school vol kinderen collectief in paniek staat. Misschien denkt hij dat ik met een zonnebril op in een cabrio rondrijd tussen culturele uitstappen door. Dat ik nooit vloek. Dat ik georganiseerd ben. Zo’n madam met kleurcodes in haar agenda en muntthee in een thermos. Of misschien ben ik voor hem een soort deftige mevrouw in een lange beige jas die proper “goeiedag” zegt en naar lavendel ruikt. Iemand die nog nooit een préparébroodje boven een stuur heeft gegeten onderweg naar een schoolvoorstelling. En eerlijk? Ik hoop het een beetje. Want zolang wij mekaar niet echt kennen, mogen wij nog vanalles zijn. Dan blijft Team Bus iets schoon. Twee mensen die mekaar eigenlijk alleen kennen in stresssituaties, omringd door zwetende chauffeurs en kinderen met fluohesjes, maar die intussen wel een volledig personage van mekaar hebben gemaakt. Dus nee. Ik ga Tom niet googelen.

Katrien Daniels
42 2
Tip

Barry White en de geur van vergeten

“I never take pain for granted, only a fool takes things for granted.” Zo begon het. Dat liedje van Barry White.Onze mannen hadden achter de rug van de andere collega’s om, zendtijd geregeld in een radioprogramma. “Topteam van cc Nova". Eric droeg het nummer op aan “zijn vrouwtje”. Zo noemde hij haar altijd, met die glimlach alsof hij zelf niet goed wist hoe hij zoveel chance had gehad. Nu, jaren later, kan ik dat nummer niet meer horen zonder aan hem te denken. Eric.De immervrolijke collega. De man van de kleine kwinkslag, de mop die altijd nog ergens in zijn jaszak zat, de handen vol goede bedoelingen. Ik weet zelfs niet meer exact welk jaar het was. Maar ik weet nog wel dat er plots een bom ontplofte in ons leven en dat ik een maatje kwijt was. En het absurde was: terwijl wij hem verloren, speelde er zich buiten een aflevering van Fata Morgana af. Dorpse gekte. Vlaggen. Ambiance. Mensen die pinten dronken op pleinen en bezig waren met spektakel terwijl ergens tussendoor een leven wegviel. Ik herinner ik het me daarom nog zo scherp. Omdat verdriet zich altijd afspeelt terwijl de wereld compleet ongepast gewoon verder feestviert. Zo voelt verlies achteraf ook vaak: alsof ge uit een scène stapt terwijl de rest van het decor gewoon doorspeelt. En toch verdwijnen mensen nooit helemaal. Dat is het vreemde aan herinneringen. Ge denkt dat ge verder zijt gegaan. Dat het stof erop ligt. Dat het leven er ondertussen andere lagen overheen heeft gelegd. Tot daar ineens een liedje is. Of een geur. Of een plek waar het licht toevallig hetzelfde valt als toen. En hop. Daar staat iemand weer voor u. Soms twintig jaar later. Een paar noten van Barry White en Eric staat terug tegen een toog geleund, monkelend alsof hij iets weet dat de rest nog moet ontdekken. Een vleugje parfum in de gang en ge zijt weer twintig. Een geur van koffie en iemand zit opnieuw tegenover u alsof die nooit is weggeweest. Zo dragen mensen elkaar mee zonder dat ze het beseffen. Niet in grote monumenten of indrukwekkende speeches, maar in kleine absurde dingen. In een nummer op de radio. In een scène uit Notting Hill. In Roxette op een verkeerd moment in de auto. In de geur van een septemberochtend. In koffie die net op tijd gekomen is. Misschien is dat wat liefde uiteindelijk doet. Ze verstopt mensen in details zodat ze nooit helemaal weg kunnen. En gisteren dacht ik daar opnieuw aan. Aan afscheid nemen. Aan hoe ge soms met twee volwassen mensen tegenover elkaar zit terwijl ge allebei weet dat ge elkaar moet lossen en geen van beiden daar eigenlijk talent voor heeft. Hoe ge probeert flink te klinken. Redelijk. Bijna modern in het loslaten. Terwijl er onder tafel nog duizend dingen naar elkaars hand grijpen. En ik vroeg me plots af: wat blijft er eigenlijk hangen van een breuk? Niet de grote gesprekken, denk ik. Niet wie gelijk had of wie te laat beseft heeft wat er op het spel stond. Misschien blijven mensen uiteindelijk plakken in de kleinste dingen. In een geur van koffie die net op tijd gekomen is. In een ochtend in september. In een nummer van Roxette dat onverwacht opduikt in een supermarkt. Of in die ene scène uit Notting Hill die ge nooit meer gewoon kunt bekijken. Misschien zit ge ooit jaren later ergens in de file en hoort ge toevallig een nummer dat ge al eeuwen niet meer gehoord hebt. Misschien ruikt iemand naar dezelfde regenjas, dezelfde shampoo, dezelfde ochtend. En misschien denkt ge dan heel even: daar zijt ge weer, ik wou dat ik u kon vastpakken. Nog één knuffel, nog één pintje, nog één mopje. Een één moment waarop ik kan zeggen hoe bijzonder ge zijt.  En dan hoor ik Barry White opnieuw zingen dat alleen dwazen dingen vanzelfsprekend vinden. Hij had gelijk.

Katrien Daniels
111 5

Alma Mater

Mijn grootmoeder heette Alma. Wij zeiden meter, maar eigenlijk heette ze Alma. Ze haatte die naam, omdat dat volgens haar “ne naam van den Duits” was. In haar hoofd was het een vaststaand feit. Alma was geen naam voor een mens gelijk zij. En toch heeft geen naam ooit beter bij iemand gepast. Alma Mater. De voedende moeder. De moeder der moeders. Al zou ze zelf gezegd hebben: “Doe normaal, kind, en eet nog een stuk appeltaart.” Want dat was meter ook. Geen grote woorden. Wel zoete citroenthee bij griep. Extra lang op haar schoot bij een geschaafde knie. Rijstpap op vrijdag. Appeltaart op zaterdag. Rituelen waar ge als kind op vertrouwt gelijk de zon die opkomt. En katholiek dat die vrouw was. Wij moesten elke week naar de mis. Geen discussie mogelijk. Of ge moe waart, of het regende, of ge liever in uwe pyjama naar Niels Holgerson keek, deed er niet toe. God wachtte niet. Dus zaten wij daar braaf in de kerk terwijl meter ondertussen alle heiligen persoonlijk leek te kennen. Voor examens werd er gebeden. Voor een operatie werd er gebeden. Voor slecht weer op het communiefeest werd er een noveenkaars aangestoken alsof ze rechtstreeks met de hemel onderhandelde. Ik ben dat geloof onderweg ergens kwijtgeraakt. Maar nog altijd, als er echt iets is, iets groot, iets waar ge zelf geen vat meer op hebt, denk ik soms: “Almake… spreek uwe God daar eens op aan.” En eerlijk? Een stuk van mij gelooft dat ze dat doet. Bij meter thuis was het altijd warm. Letterlijk ook. Een kleine leefruimte met een kachel die precies heel de familie draaiende hield. Vijf kleinkinderen door elkaar. Een tafel vol kaarten. Beeldjes op de schouw. Mijn grootvader in zijn vaste hoek van de zetel. Mensen die luid praatten, luid lachten en soms luid ruzie maakten om daarna gewoon verder cake te eten. Daar werden liedjes gezongen over nen bleken blauwe hond alsof dat cultureel erfgoed was. Daar werd uren gekaart. En meter, die smeet haar kaarten op tafel met de grandeur van een casino in Las Vegas en riep: “Zevenen! Dat kan alleman!” waarop wij allemaal tegelijk begonnen roepen dat het ni waar was. Het was een huis van commentaar geven zonder rem. Van elkaar plagen. Van verhalen die elk jaar straffer terugkwamen. Van te luid soms zo luid dat de ramen ervan trilden. Ik heb het duidelijk van geen vreemden. Later, toen ik zelf moeder werd, veranderden onze gesprekken. Ze gingen minder over kinderknieën en meer over het grote modderen. Over hoe ge uw best kunt doen en toch soms denkt: is dit het nu? Over kinderen die moeten vliegen, terwijl ge zelf nog met hun jas in uw handen staat. Jaren later noemde ik mijn bedrijf naar haar: Huis Alma. Niet omdat ik een heilige wilde eren, maar omdat ik iets van haar wilde meenemen. Haar nuchterheid. Haar pragmatisme. Haar massa’s liefde. Haar relativeringshumor. En altijd ergens die geur van soep of versgebakken cake. Zelfs op het einde, toen wij voor haar mochten zorgen, bleef ze Alma. Kleiner misschien. Brozer. Maar nog altijd een huis. Nog altijd iemand bij wie ge dacht: hier mag ik zijn. Misschien is dat moederschap. Niet perfect zijn. Niet altijd zacht. Niet altijd geduldig. Soms kijven. Soms zuchten. Soms de verkeerde dingen zeggen en daarna toch koffie zetten. Maar vooral: een veilige haven zijn voor vogels die moeten vliegen. Een plek die zegt: het is goed. Bij mij zijt ge veilig. Gelijk wat. Ik blijf. En ondertussen modderen we allemaal maar wat aan. Met onze soep, onze kinderen, onze zorgen, onze appeltaart. Zoals meter het ons geleerd heeft.

Katrien Daniels
57 4

WhatsAppBitches

Bzzt. Bzztbzzt. 47 nieuwe berichten. Kent ge dat? Een ontplofte gsm... En elke keer denk ik: Er is iemand gestorven. Een kind kwijt. Een affaire ontdekt. Een staatsgreep in Haaltert. Maar nee. Het is gewoon Silke die een foto gepost heeft van haar nieuwe puppy. En dan begint het. ❤️❤️❤️ “Oooohhhhhhh!” “SMELT 😍” “Die pootjes!” “Welkom liefjeeee 🐶” Sticker van een hond die “hiiiiiiiii” zwaait. Nancy stuurt: “Dat snoetje 🥹” Binnen de vier minuten zitten we aan 83 berichten en is die puppy emotioneel belangrijker geworden dan de NAVO. Op mijn gsm staan WhatsAppgroepen zoals bij mijn moeder vroeger plastic potjes in de keukenkast stonden: ge houdt ze allemaal bij omdat ge denkt dat ze ooit nog van pas gaan komen, ook al ontbreekt al jaren het juiste deksel en weet niemand nog wat erin zit. “Topteam 🔥” — collega’s die elkaar in het echt amper goeiedag zeggen aan het koffieapparaat maar online veranderen in motivational speakers met emoji-verslavingen. “Ladies only ❤️” — vrouwen die zogezegd eerlijk alles tegen elkaar zeggen maar eerst nog apart naar Cindy sturen: “Zeg gij… vond gij dat van An ook een beetje raar?” “Enfin de vrouwen alleen” — ontstaan na een etentje waarop de mannen zogezegd “toch alleen maar over koers bezig waren”. “Zonder Magda want die is eruit gestapt” — een groepsnaam die tegelijkertijd informatief, dramatisch en licht bedreigend is. “1977 — meisjes van de lagere school ❤️” — een digitale reünie waar trauma’s van de turnles en gestolen fluostiften nog verrassend vers blijken. “BBQ Kim & Stef” — een groep die eigenlijk al drie jaar dood is maar waar niemand durft uit te stappen uit schrik dat Kim dat persoonlijk neemt. WhatsAppgroepen zijn een wonderlijk vrouwelijk ecosysteem. Een digitale zusterkring waar emoties worden uitgewisseld via gifjes van puppy’s in dekentjes en vrouwen elkaar moed inspreken alsof iedereen permanent op weg is naar een halve marathon of een burn-out. Maggy stuurt: “Ik moet zaterdag werken.” En dan begint het. 💪❤️✨ “Gogogo meid!” “Sterkte topper!” “Queen!” Sandra stuurt haar vaste sticker van een vrouw met een glas cava en een bontjas. Nancy kiest voor een babyotter die applaudisseert. Els gooit er standaard drie rode hartjes tegen alsof Maggy zonet een nier aan haar buurvrouw heeft afgestaan in plaats van rekken te vullen in den Aveve. Of in “Weekend Ardennen.” Dat moest gewoon dienen om af te spreken wie kaas meebrengt. Drie dagen later: 642 berichten. Een discussie over quinoa. Karine die vraagt of “matching pyjama’s mss grappig zouden zijn 😂” Iemand die een Pinterestbord deelt genaamd: “Forest girl autumn vibes 🍂” En ergens tussen al die berichten één compleet verloren man: “Moet ik nog hout meenemen?” Niemand antwoordt hem ooit. En toch verwijderen we die groepen niet. Omdat ergens tussen de cava-gifjes, de spierarmen, de slechte memes en de passief-agressieve duimpjes soms iets oprechts zit. Een klein digitaal kampvuur. Iemand die om 22u43 schrijft: “Pff. Lastige dag.” En vijf vrouwen die antwoorden: “Komt goed schat ❤️”

Katrien Daniels
69 2

The queen of Zaventem

Het meisje van onder de kerktoren neemt het vliegtuig naar Madrid. Dat klinkt groter dan het is, maar ook kleiner. Want mensen bekijken mij soms als een vrouw van de wereld. Ik die moeiteloos tussen terminals beweeg met zo’n handbagage op wieltjes die nooit omvalt. Ik die gewoon op luchthavens thuis hoor. Maar ergens, diep vanbinnen, ben ik nog altijd dat meisje dat denkt: paspoort mee? Gate juist? Niet te laat? Niet kwijtspelen. Niet panikeren. Luchthavens zijn eigenlijk gigantische middelbare scholen voor volwassenen. Overal mensen die doen alsof ze exact weten wat ze aan het doen zijn, terwijl de helft stiekem ook maar gewoon bordjes volgt en hoopt dat iemand “final call” niet met hun naam combineert. Een maat van mij — laat ons hem Dieter noemen, een naam van een echte dertiger — heeft een grondige hekel aan vliegen. “Brakke zetels, te dicht op elkaar, te veel kinderen die aan staan, onnozele films, eten dat smaakt naar karton en daar hangt altijd een geur van fastfood en nog niet gewassen zweet,” zegt hij dan. En dan komt steevast het punt waarop hij luid uitroept: “En ge moogt daar niet roken!” En dan weet ik het weer. Dieter is geen dertiger. Dieter is een blanke midlifer with an attitude. Een man die geboren is om kwaad te zijn op luchthavenbroodjes van twaalf euro en boardingprocedures. Soit. Ik probeer mij niet te laten meeslepen door Dieters tirade en ook niet door het kerktorenmeisje in mij dat bij grote mensenmassa’s spontaan heimwee krijgt naar een boterham met préparé in een vertrouwde keuken. Ik geef Katy D het heft in handen. Katy D is de versie van mezelf die zonder verpinken “window or aisle?” beantwoordt. Gulzig. Vrolijk. Zelfverzekerd. Check-in? Check. Gate? Check. Taxfree? Why not. En voor ik het weet zit ik op het vliegtuig met The Beautiful South in mijn oren, een liedje dat zingt over schone ogen en rimpels vol betekenis. Daarna stuur ik nog snel een laatste boodschap naar mijn geliefden. Zo één die half grap is en half testament. “Weet dat ik u graag zag. En als ik neerstort: geen koffiekoeken op mijn begrafenis. Pannenkoeken en préparé. En uiteraard Als Ze Lacht van Yevgueni.” Dat is het rare aan vliegen. Ineens wordt ge een beetje dramatisch. Alsof ge elk moment in een documentaire van National Geographic over menselijke kwetsbaarheid kunt belanden. Terwijl ge eigenlijk gewoon onderweg zijt naar gate B14 met een veel te dure fles water. Ik mag in het midden zitten. Dat is de sociale huurwoning van het vliegtuig. Langs de ene kant een man die precies al sinds Kinshasa onderweg is. Moe en waardig. Alsof hij ondertussen al drie continenten en twee existentiële crisissen heeft overleefd. Aan de andere kant een meisje met een iPad. Ze kijkt een Aziatische film met ondertitels die eruitzien alsof iemand per ongeluk een sudoku over het scherm heeft gegooid. Geen van ons spreekt met elkaar. Maar in mijn hoofd worden wij vrienden. Ik denk dan: straks delen wij hier emoties, levenslessen en misschien een zak paprika chips. Terwijl ge in werkelijkheid drie uur zwijgend naast elkaar zit te ademen als kamerplanten met handbagage. Maar toch vind ik dat schoon aan vliegen. Dat ge even dicht tegen andere levens zit geplooid. Mensen die ergens vandaan komen en ergens naartoe gaan. Mensen die iemand gaan missen of net proberen vergeten. Mensen die onderweg zijn naar werk, liefde, verdriet of gewoon zeven dagen all inclusive en sangria uit nen dispenser. En ik? Ik ben onderweg naar Madrid. Een beetje bang. Een beetje blij. Met Katy D aan het stuur en dat meisje van onder de kerktoren nog altijd ergens in de handbagage. Wanneer het vliegtuig landt, knik ik nog even naar mijn tijdelijke medereizigers. Alsof wij samen iets hebben meegemaakt wat niemand ooit nog gaat kunnen uitleggen. De man uit Kinshasa. Het meisje met de iPad. De zwijgende gemeenschap van stoel 14 A tot C. Ik zet mijn gsm terug aan en stuur een berichtje naar huis: “Geland. De préparé zal nog niet voor direct zijn.”

Katrien Daniels
27 3

Messias

“Wil er iemand mijn messias zijn?”, zingt Bart Peeters. En vroeger dacht ik: ja. Absoluut. Liefst eentje met brede schouders, emotionele intelligentie en een goed hemd. Maar ouder worden is beseffen dat ge eigenlijk helemaal geen Messias wilt. Ik hoef niet gered te worden. Echt niet. Ik kan zelf rijden. Zelf een kast van de Ikea in elkaar vloeken. Zelf mijn belastingen te laat indienen. Zelf huilen in de Colruyt tussen de ravioli en de kattenbrokken. Dat lukt allemaal prima. Nee, wat ik wil, is een Messias, maar dan anders. Geen heilbrenger. Eerder een "Matthias". Of een Jan. Of een Piet. Iemand waarvan ge denkt: ah ja… misschien gij. Iemand die komt, die blijft en misschien veel te luid ademt in zijn slaap. Dat wachten op mijn “Matthias” houdt een mens gaande. Het voedt mijn innerlijke pelgrim. Dat deel in mij met versleten wandelschoenen en veel te veel geloof in wegwijzers. Zo iemand die altijd denkt dat er achter de volgende bocht misschien iets groots wacht. Of iemand. Die "Matthias" zorgt ervoor dat ge plots terug goeie onderbroeken aandoet “voor het geval dat”. Dat ge een berichtje krijgt en direct rechter gaat zitten. Dat ge op de trein een boek leest alsof iemand misschien onder de indruk gaat zijn van uw intellectuele diepgang, en niet van het feit dat ge al drie haltes aan een stuk met een chipke aan uw trui hangt. Ik heb daar ooit over geleerd, in een les geloof en maatschappij. Zo’n vak dat ergens zweefde tussen godsdienst, levensvragen en leerkrachten met sandalen. We leerden over rituelen, over religies, over mensen die hun hele leven bouwen rond iets wat ze nooit echt gezien hebben, maar waar ze toch rotsvast in blijven geloven. En daar zat dat idee van de Messias in. Vooral binnen het Jodendom: het geloof dat er ooit iemand zal komen die alles anders maakt. Niet vandaag. Misschien morgen. Misschien binnen honderd jaar. Maar ooit. En hoe langer ik daar nu over nadenk, hoe meer ik besef dat dat eigenlijk geniaal gevonden is. Een geloof dat blijft bestaan bij gratie van het wachten. Van het onderweg zijn. Van de hoop die zichzelf altijd nét ver genoeg vooruit schuift om te blijven leven. Want eens hij arriveert, is het verhaal eigenlijk gedaan. Misschien bouwen we allemaal kleine privéreligies rond mensen die nog moeten komen. En soms komen ze ook effectief.. maar blijken het  foute generale repetities te zijn. Zoals Dirk bijvoorbeeld. Die ontplofte bij een verkeerde opmerking, alsof ik per ongeluk een nucleaire code had ingetoetst in plaats van te vragen of hij de vuilbak buiten wilde zetten. En toch dacht ik dan: maar hij weet tenminste wat hij voelt en hij kan dat authentiek uitdrukken. Peter dan weer. Zo’n man met een agenda waar ge moe van wordt. Etentjes. Projecten. Mensen die hem “een vrije geest” noemen, terwijl hij eigenlijk gewoon niet kan kiezen. En ik hing daaraan gelijk een toerist aan een trein die al vertrokken is. En dan die derde soort. De mannen met een “ooit”. Ooit gaan we eens echt tijd maken. Ooit komt het goed. Ooit gij en ik. “Ooit” is eigenlijk het kleinste vakantiehuisje van de hoop. Ge kunt daar niet wonen, maar ge blijft wel teruggaan. En toch denk ik niet dat ik echt wacht op een man. Ik wacht op beweging. Op het gevoel dat het verhaal nog niet af is. Dat er nog iemand op een perron kan staan. Dat er nog een bericht kan komen waardoor ge plots uw haar wast op een woensdag. Want stel u voor dat de puzzel klopt. Dat hij er écht is. Een man die blijft. Die koffie brengt. Die zegt: “ik ben onderweg”, en dan effectief aanbelt. Die samen met u naar de wekelijkse markt gaat en discussieert over tomaten alsof dat normaal gedrag is. Dan gebeurt misschien het ergste van allemaal. Dan wordt die innerlijke pelgrim plots een vrouw met een klantenkaart van Aveve en geplande weekends in een bungalowpark. Met grind voor de deur. Een mapje met wandelroutes. Een barbecue om zes uur. En etentjes met bevriende koppels. Help. Want wat als ik daar zit, met lasagne in de oven en iemand die mij echt graag ziet, en ik plots niks meer heb om naar uit te kijken? Maar misschien begrijp ik het verkeerd. Misschien is wachten niet hetzelfde als missen. Misschien gaat het niet over gered worden. Misschien gaat het gewoon over geloven dat er nog iets onderweg is naar u. Een Matthias. Of een Jan. Of een Piet. Niet om mij compleet te maken. Maar om mij zachtjes te laten landen en te zeggen: het is goed zo.

Katrien Daniels
44 3

Bevriende koppels

Bevriende Koppels zijn een natuurfenomeen. Je zou er een documentaire over kunnen maken. Met zo’n rustige stem eroverheen. Hier zien we het koppel in zijn natuurlijke habitat. Let op hoe ze zich groeperen. Altijd in even aantallen. Nooit alleen. Ze spreken ook in een eigen taal. Een soort dialect van het samenleven. Zinnen eindigen steevast op “met bevriende koppels”. Alsof dat de soortaanduiding is. “Wij gaan eten met bevriende koppels.” “Wij doen een weekendje Ardennen met bevriende koppels.” “Wij doen eens iets met de vrouwen… van bevriende koppels.” Ik stel me voor dat daar ergens een draaiboek voor bestaat. Met hoofdstukken. De oprit en zijn klinkers. De juiste school kiezen zonder jezelf te verliezen. Het kookeiland als moreel kompas. Koppels hebben namelijk kookeilanden. En schuiven. Minstens drie. In de derde schuif zit iets dat nooit op dinsdag gebruikt wordt, maar waar wel afspraken over bestaan. De single komt in die wereld voor als een tijdelijke afwijking. Een zeldzame vogel die per ongeluk in beeld vliegt. Interessant, maar storend voor de compositie. Want koppels denken in tafels van vier. Of zes. Of acht. Maar altijd deelbaar door twee. Een single als ik is wiskundig gezien een probleem. Een rest met een komma. Ze nodigen mij soms uit. Dat wel. “Kom anders eens mee, dat is gezellig.” En dat is het ook. Tot de ober vraagt: “De rekening apart of samen?” en iedereen heel vanzelfsprekend naar elkaar kijkt en ik daar zit als een losgekomen vork.   Tafelschikking is een wetenschap. Sofie naast Tom, want die kunnen praten over hun zonnepanelen. Ellen naast Koen, want die hebben ook een jongste in het derde leerjaar. En dan ik. “Zet Katrien misschien naast Marc?” Marc knikt. Marc is sociaal. Marc vangt singles op zoals de vestiaire jassen opvangt. Er worden namen gezegd alsof het personages zijn uit een reeks waar ik één aflevering van gemist heb. “Bij Liesbeth en Pieter is dat ook zo.” “Nee, maar echt, bij An en Frederik hebben ze dat opgelost met een extra kast.” En ik knik. Ik knik altijd. Alsof ik het begrijp. Alsof ik ook een derde schuif heb. Het gaat over de aannemer van de klinkers van de oprit. Altijd die oprit. Alsof geluk begint bij rechte lijnen in steen. “Die van ons, Kevin, die was echt nog betaalbaar.” Kevin. Natuurlijk heet hij Kevin. Kevin legt niet alleen klinkers, Kevin legt ook fundamenten voor gesprekken. En dan, ergens tussen hoofdgerecht en dessert, wordt het een beetje pikant. Niet te veel. Net genoeg. “Ja, en Marc, die heeft er dan toch ne knoop in gelegd.” Gelach. Blikken. Iemand die zegt: “Amai.” Iemand die zegt: “Allê Marc, gij durft.” En Marc lacht zoals mannen lachen wanneer ze weten dat ze nog net binnen de veilige zone zitten. Ik kijk. Ik observeer. Ik maak notities in mijn hoofd. Dit is materiaal. Dit is goud. Dit is een soort volkskunde met wijn. En dan ga ik naar huis. Alleen. Zonder tafelschikking. Zonder derde schuif. Met mijn sleutels in mijn jaszak en niemand die vraagt of ik ze al gevonden heb. Bevriende koppels, zeggen de statistieken, zijn een uitstervend ras. En toch. Ze blijven bestaan. Als hoeksteen van de maatschappij. En van grillrestaurants. Voor tafels groter dan acht. Voor opritten die gelegd moeten worden. Voor gesprekken die alleen werken als iemand zegt: “Wij”. Misschien moeten we ze beschermen. In reservaten. Met voldoende parkeergelegenheid en een degelijke aannemer in de buurt. Met een kookeiland in elke habitat en een derde schuif per koppel. En ergens, aan de rand van dat reservaat, sta ik te kijken. Te denken dat ik misschien ooit één van hen zal worden. En dat ik dan, op een dag, een zin zal zeggen die eindigt op  “met bevriende koppels”. Ik weet alvast genoeg over klinkers en opritten om te kunnen meepraten.

Katrien Daniels
50 2

Eikesvandekiekskes

Ik had ze genoemd naar de vriendinnen van mijn moeder. Lucy. Rita. Monique. Goede Lieve. Vier olijke dames in mijn tuin. Altijd druk. Altijd commentaar. Altijd honger. Ik vond dat geestig. Een klein eerbetoon. Tot die vier echte dames eens langskwamen. Koffie. Cake. Ge kent dat. Zo’n namiddag waarop de tijd een beetje stilvalt en iedereen tegelijk praat en toch hetzelfde verhaal vertelt. En ik — fier, onnozel — zeg: “Ja, en mijn kippen heten dus ook Lucy, Rita, Monique en Goede Lieve.” Stilte. Lucy — de échte — kijkt mij aan. “Dat vind ik eigenlijk niet zo plezant,” zegt ze. Ik lach nog wat. Probeer te redden wat er te redden valt. “Maar allé Lucy, kippen zijn toch schoon beesten. Die geven terug. Dat is eigenlijk een compliment…” Maar ge voelt dat ge aan het zakken zijt. Sommige metaforen moet ge gewoon binnenhouden. Enfin. Ze liepen daar dus. Mijn vier. En ik had een systeem. Een geniaal systeem, vond ik zelf. Afvalverwerking èn eten. Ideaal! Maar kippen denken niet na over vraag en aanbod. Die hebben geen Excel. Geen grafiek. Geen besef van consumptie. Vier kippen is vier eieren per dag. Dat is achtentwintig per week. Dat is honderd twaalf per maand. Dat is… te veel ei voor een mens. Ge kunt uw best doen. Echt waar. Maar er zijn grenzen aan wat een lichaam aankan. Zelfs met pannenkoeken, cake en quarte quarts inbegrepen. En daar begint het. Daar is ze... De vraag: “Kundegij iets doen met eikes?” Want eieren blijven nooit liggen. Die moeten bewegen. Van mens naar mens. Van keuken naar keuken. Eieren. Dat is een project. En mijn ecologisch project draaide. Tot er op een dag… bezoek kwam. Laat ons zeggen dat de natuur ook haar eigen economie heeft. Zeven jaar later kan ik zeggen: de vriendinnen van mijn moeder zijn er nog altijd. Lucy, Rita, Monique en Goede Lieve. Ze drinken nog koffie. Ze eten nog cake. Ze kijken nog altijd een beetje streng als ge iets zegt dat ge beter niet zegt. Mijn kippenvriendinnen zijn er niet meer. Maar de eieren wel. Ze komen nu van iemand anders. Iemand met hetzelfde probleem. Te veel kip. Te veel ei. En de vraag : “Zeg, kundegij iets doen met eikes?” En voor ge het weet zit ge daar terug. Aan tafel. Koffie. Cake. Dezelfde stemmen, dezelfde verhalen die al duizend keer verteld zijn en toch blijven plakken. En ergens in die cake — zacht, boterig, een beetje te veel van alles — zit een ei. Want eikes zijn meer dan ne merci uit de poep van een kip. Het is een beweging. Van mens naar mens. Van cake naar cake. Van moment naar moment. En misschien is dat het wel. Dat die kleine, banale eikesvandekiekskes er telkens opnieuw voor zorgen dat we blijven zitten. Nog een tas koffie. Nog een verhaal dat we eigenlijk al kennen maar toch nog eens willen horen.

Katrien Daniels
43 1

Kruidvat

Waar liefdesverdriet precies begint, weet ik nog altijd niet. Het begint niet bij die ene zin. Niet bij “we zien elkaar beter even niet”. Dat is te netjes. Te laat ook. Dat is zoals in de geschiedenisles. Bij mevrouw Bracke. Mevrouw Bracke rook altijd naar Acqua di Giò. Fris, een beetje zwoel ook, alsof ze net van ergens kwam waar de zon scheen en de dingen helder waren. Ze stond vooraan in de klas, krijtje in de hand, en ze kon dat uitleggen alsof ze er zelf bij was geweest. Alsof ze persoonlijk had staan kijken in Sarajevo, die dag dat aartshertog Franz Ferdinand werd doodgeschoten door Gavrilo Princip. Maar ze begon daar nooit. Nee, ze begon met: “Kinderen, een oorlog begint nooit op één dag.” En dan vertelde ze over dat kruidvat. Over landen die elkaar niet vertrouwden. Over bondgenootschappen die eerder op ruzies leken. Over dingen die gezegd werden en dingen die vooral niet gezegd werden. Ze tekende pijlen op het bord. Veel pijlen. Te veel pijlen. En wij zaten daar en dachten: amai, dat komt hier niet goed. En dan, pas dan, kwam dat schot. De aanleiding. Niet de oorzaak. Bij ons was dat ook zo. Een broeiend kruidvat.Van alles wat er was maar niet gezegd werd.Halve zinnen die bleven hangen.Te lange interpretaties.Te veel gedacht vanuit ik en te weinig vanuit ons.(maar gij ook, hé. Zeker gij ook.) En dan dat kleine, bijna puberale verzet.Een beetje testen.Wat langer wegblijven.Iets “vergeten” te zeggen.Die rommel net groot genoeg maken om hem te voelen, maar niet groot genoeg om hem op te ruimen. En ergens daar, in dat spel van bijna’s en misschien’s, valt het schot. Niet in Sarajevo, maar in een berichtje.Jij die per se die andere moest kussen.Ik die daar een drama van maakte.Of die avond met te veel cava waarop ik te vaak zei dat “ze allemaal hetzelfde zijn”. En dan komt hij.De zin.Alsof hij niets met de rest te maken heeft.Alsof hij uit de lucht valt. “Misschien moeten we elkaar wat minder zien.” In een berichtje nog wel. Van u. Dat vond ik minder. Om niet te zeggen: degoutant. En nu zitten we elk op onze berg. Afstand. Even mezelf terug voelen, zeggen ze.Mijn vriendinnen knikken verstandig en zeggen dat het goed is. Dat ik beter verdien.Mijn kinderen kijken mij aan en zeggen dat ik mijn lat eens wat hoger moet leggen.Mijn zus zegt dat ik het misschien allemaal niet zo dramatisch moet bekijken.Buurman zegt dat elk einde een nieuw begin is.En de Flair zegt dat ik dringend iets moet doen aan mijn buikvet en dat ze daar een wandelapp voor hebben. Mijn kat kijkt naar mij en vraagt vooral hoe lang het nog gaat duren voor ze eten krijgt. En dat is misschien nog het eerlijkste van allemaal. Want op die berg moet ik ook eten. Zelf koken. Zelf zorgen. Zonder een berichtje dat “goedemorgen” zegt. Zonder een “x, ly” midden op de dag. Dat doet pijn. Dat is wat ze liefdesverdriet noemen. Maar het is ook gewoon dit: dat ge plots alleen zit met alles wat er daarvoor nog samen was. En soms denk ik terug aan mevrouw Bracke.Hoe ze daar stond, voor dat bord vol pijlen en spanningen en kleine dingen die te groot waren geworden. Ze heeft ons veel geleerd over oorlog. Over oorzaken en aanleidingen. Over hoe iets klein kan ontsporen in iets dat ge niet meer terug in uw handen krijgt. Maar over bergen heeft ze het eigenlijk nooit gehad. Behalve dan die ene keer, over Hannibal Barca die met olifanten over de Alpen trok. Maar dat was iets anders. Want daar ging iemand tenminste nog ergens naartoe. En wij… wij zitten gewoon elk op onze eigen berg.

Katrien Daniels
119 6
Tip

Een papa voor mij

Soms begint een verhaal met een naam die ge niet moet verzinnen. Emile. We zullen hem gewoon Emile noemen. Dat is het gemakkelijkst. Want zo heet hij ook. En zijn familienaam smaakt naar chocolade, maar als we daar nu op ingaan, geraken we nooit tot aan de bakker. Ik lag te slapen op de zetel. De avond hing nog in mijn mond. Rode wijn, een beetje te laat gaan slapen, een lichaam dat nog niet helemaal mee was met de ochtend. En dan voelde ik het. Geen geluid eerst, maar aanwezigheid. Zo’n kleine aanwezigheid die zich groot houdt. Hij kwam op zijn kousenvoeten naar mij geslopen. Half acht. En ja, het mocht. We hadden dat afgesproken. Wij twee. Naar de bakker. Zijn mama en zijn papa moesten dat niet weten. Ons geheimpje. Ik sprong recht. Jeans aan. Dikke trui. Geen spiegel, geen plan. Gewoon vertrekken. De kou in, de straat op, de Bredabaan over. Zo’n ochtend die nog niet beslist heeft wat ze wil zijn. Emile babbelde honderduit. Dat doet hij altijd. Emile heeft veel woorden. En hij deelt ze gul met mij. Over Louise in zijn klas. Over dat ze volgende week over het bos gaan leren. Over tekenen, dat hij dat graag doet, maar dat zijn zus dat eigenlijk beter kan. Dat laatste zei hij zachter. Alsof hij dat niet helemaal wilde weten. En dan werd het stil. Zijn handje in de mijne. Koude wind in ons gezicht. Auto’s die door plassen rijden. De geur van diesel in het ochtengloren zoals je dat alleen in de stad kan ruiken.  Ik voelde het nog voor hij het zei. Zo’n vraag die eerst in een lijf zit en dan pas in woorden. “Waarom heb jij geen papa, Katrien?” Het ging niet over mijn vader. Dat wist ik meteen. Het ging over een man. Over een plek naast mij. Over een leegte die blijkbaar zelfs voor kinderen zichtbaar is. “Ik had eens een papa,” zei ik.“Maar die woont nu in een ander huisje. Omdat hij me niet meer zo graag ziet.” “Ah,” zei Emile.“Oh jammer.” En we wandelden verder. Sommige dingen moet je gewoon naast u laten stappen. Hoe dichter we bij de bakker kwamen, hoe sneller hij ging. Hij geloofde volgens mij dat verdriet iets is dat ge kunt inhalen met suiker. Zijn woorden kwamen terug. Koeken met chocolade. Met crème. Met pecannoten. Hoeveel per persoon?  Of ik wel genoeg centen mee had? En of we het gingen doen zoals anders?  "Natuurlijk nemen we een geheime koek voor onszelf onderweg, Emile."  De bakkerij was warm. Vol volk. Zondagochtend in zijn meest eerlijke vorm: te veel mensen in te dikke jassen, kinderen met plakkerige neuzen, een rij die net traag vooruitgaat en veel geuren. Gelukkig kon die van 'vers gebak' die van 'nog niet gewassen' overstijgen.  Ik bestelde. En natuurlijk ook onze extra koek voor onderweg. We waren niet voor niets als eerste opgestaan. Buiten, ergens tussen deur en stoep, beet hij al zijn eerste stiekeme hap. Dat was echt ons moment.  En toen stopte hij. Hij keek mij aan. Serieus. Zoals alleen kinderen dat kunnen. Zonder ironie. Zonder reserve. “Ik vind het zo erg dat je geen papa hebt,” zei hij.“Maar weet je… als jij nu stopt met jarig zijn, en ik probeer elk jaar twee keer zo snel te groeien… dan kan ik toch jouw papa worden.” Ik zei hem dat dat misschien wel een idee was om over na te denken. Nu zijn we jaren later. De kleine Emile is verdwenen. Of nee, hij zit ergens verstopt in een jongen die plots schouders heeft. Blond. Knap. Waarschijnlijk al eens gekust. Misschien al eens zijn hart een beetje kwijtgespeeld. Ons groeiplan is mislukt. Ik ben blijven verjaren. Hij is niet snel genoeg gegroeid. Maar soms, als ik langs een bakker wandel op een zondagochtend, denk ik eraan. En vraag ik me af, heel even maar,  of hij nog altijd mijn papa wil zijn.

Katrien Daniels
168 11

Relevant

“Ik lees uw teksten, hé,” zegt hij fier. Telkens weer opnieuw, alsof het een opdracht voor hem is. Ik weet het is zijn manier om van alles te zeggen: Dat het hem boeit. Dat hij mij wil lezen. Dat ik voor hem tel. Maar hij is en blijft mijn kritisch klankbord. “Ik vind ze altijd wel heel banaal, die teksten van je. Leuk en aangenaam, maar ook banaal.” Ik denk dat hij twee keer overdrijft. Met het woord 'altijd' sowieso. Met 'banaal' ook. Toch? Wat is dat eigenlijk, banaal. Een woord dat klinkt als een verwijt, maar verdacht dicht in de buurt komt van het leven zelf. Dus goed. Ik neem de uitdaging aan. Vandaag geen banaliteit. Vandaag relevantie. Een tekst die ertoe doet. Ik denk: ik graaf eens diep. Zieleroerselen. Oude kwetsuren. Verborgen verlangens. Dingen waarvan ik wakker lig. Onzekerheden die zich ’s nachts groter maken dan ze overdag durven zijn. Onuitgesproken liefdes die ergens tussen mijn ribben blijven hangen alsof ze nog altijd een kans hebben. Goed weggestoken kinderverdriet dat zich vastgezet heeft op plekken waar ik zelf niet meer goed bij kan. Op mijn ziel geplakt, zoals van die oude stickers die ge er nooit helemaal af krijgt. Maar ik ken hem. Hij gaat dat wegzetten als te emo. Goed voor de Flair. Zweverige vrouwenpraat. Te veel introspectie. Soit. Flair 2.0. En dus even banaal als de ‘voor’ en ‘na’. Dus ik draai het om. ik ga op zoek naar de grote dingen. Dingen waar écht over geschreven wordt. Zoals in de krant. Want wat in de media komt, dat zou per definitie toch relevant moeten zijn. Daar wordt over nagedacht. Daar zitten redacties op. Mensen die beslissen: dit doet ertoe. Dus ik laat me inspireren. Dat kan niet misgaan. Het eerste wat mij aankijkt is een quote van de nieuwste liefde van een bekende Vlaming. Ze zegt dat ze zijn enige liefde is. Dat ze werken aan monogamie. En dat het een beetje jammer is dat hij ondertussen een andere vrouw zwanger gemaakt heeft. Ik blijf daar even op hangen. Omdat jammer hier een woord is dat zich uitrekt tot iets dat eigenlijk niet meer in dat woord past. En ik vind jammer sowieso een woord waarvan ik het jammer vind dat het bestaat. Maar dat verdwijnt natuurlijk in het niets bij het verhaal van het komende bastaard kind. Ik klik verder. Een titel: Alveringem grijpt in. En ik zweer het u, heel even dacht ik dat Alveringem het middelpunt van de aarde was. Een plek waar alles samenkomt. Grote beslissingen. Kleine drama’s. Een centrum van het universum waar de dingen eindelijk zo scheef lopen dat — ja — dat de overheid móét ingrijpen. Maar het gaat over een jaagpad. Te veel valpartijen. Een vrouw met blauwe plekken als bewijs dat zelfs kleine wegen pijn kunnen doen. Ik klik verder. Wereldnieuws. Oorlogen. Namen die botsen als stenen.Leiders die dingen zeggen waar geen mens iets mee kan. Een staakt-het-vuren dat geen staakt-het-vuren is. Te groot. Te ver weg. Te weinig houvast. En dat is het moment waarop ik besef: het probleem is niet dat banaliteit klein is. Het probleem is dat sommige dingen zo groot zijn dat ge er niets meer mee kunt. Ge kunt daar geen verhaal van maken. Geen zin die ergens landt. Geen gedachte die ge even meeneemt terwijl ge een boterham smeert. En dus kom ik terug waar ik altijd uitkom... Bij mijn zalige banaliteitjes. Mijn kat die van de planten glijdt, zwaartekracht als een losse suggestie. Hij kijkt zelf ook even verbaasd, alsof hij niet goed begrijpt hoe hij daar ooit op geraakt is en nu gewoon meegaat in de logica van het vallen. Een stuk kaas dat plots smaakt naar de picknick van vorige week. Waarbij ge het gevoel had dat grote verhalen op kleine momenten worden geschreven. De geur van koffie die al even staat en toch nog goed genoeg is. Een bericht dat ge nog eens opnieuw leest, niet omdat er iets nieuws in staat, maar omdat ge hoopt dat er iets nieuws in zal staan. De sokken van uw zoon die in de zetel rondslingeren en die eigenlijk gewoon zeggen: maak u geen zorgen, moeder, volgende week is hij terug. Iemand die iets onnozels zegt, u doet lachen en dat die dan zegt: “Ge zijt zo schoon als ge lacht.” Dan denk ik: "Ja. Dat dus."

Katrien Daniels
62 1

Elk zijn goestingske

Het was laat toen we gisteren thuiskwamen. Zo laat dat ge twijfelt of het nog de moeite is om de verwarming aan te zetten. Zo laat dat uw lichaam eigenlijk al beslist heeft dat het morgen is, maar uw hoofd koppig zegt: wacht, ik wil nog even een avond. We waren allebei moe. Niet gewoon moe, maar dat soort moe dat achter uw ogen zit. “Ik heb honger,” zei hij. Dat begreep ik. Natuurlijk begreep ik dat. Honger is helder. Honger is eerlijk. Honger dat ken ik. Terwijl hij eerder iemand is die vergeet te eten als de dag hem opslokt. Dat overkomt mij zelden. Maar dat is een ander verhaal. Dus ik zeg: “Schat, dan moet je iets eten.” Ik denk dan in dingen als een boterham met kaas. Als een restje van gisteren.Of, als het echt dringend wordt, iets in de airfryer. Menselijke oplossingen. Dingen met een begin, een midden en een einde. Maar hij zegt: “Ik heb zin in cassoulet. Uit blik. Met kaas.” En toen gebeurde er iets. Mijn hoofd klapt open als een slecht gesloten brooddoos in een boekentas. Cassoulet? Uit blik? Wie bént gij? Is dat iets wat ge bewust koopt? Staat ge in de winkel en denkt ge: ja, vandaag ga ik voor de Franse stoofpot in industriële variant, geef mij maar die nostalgische blikmetaalervaring? Hoe ziet dat eruit als ge dat opendoet? Is dat vloeibaar? Vast? Heeft dat een geluid? Een plop met gevolgen? Ruikt dat naar eten? Of naar oorlog? En die bonen? Zijn dat echte bonen of van die dingen die al drie generaties lang dezelfde textuur hebben? En vlees?.Zit daar überhaupt vlees in? Of iets dat ooit een ambitie had om vlees te worden? En dan.  Kaas.  Kaas?? Is dat een suggestie? Een topping? Een daad van rebellie? Is er ergens een Franse grootmoeder die op dit moment een kruis slaat en fluistert: non? Wie heeft u dat aangeleerd? Waar is dat begonnen? Was er een kamp? Een tent. Natte sokken. Een gamel op een wiebelend gasvuurtje. Iemand die zegt: “Het is dat of niks.” En dat dat dan… iets geworden is? Of een huttentocht? Op hoogte. Te weinig zuurstof. Te veel honger. Alles smaakt naar redding? Of was het bij uw oma? Een keuken waar de tijd bleef hangen. Waar dat blik open ging alsof het een ritueel was. Warm. Zwaar. Veilig. Want misschien is dit geen goesting. Maar herinnering die zich vermomd heeft als honger. Mijn hoofd ontploft maar ik zeg: “Natuurlijk. Goed idee. Doen.” Want liefde is soms zwijgen terwijl ge innerlijk een documentaire aan het maken zijt over de grenzen van het menselijk kunnen. En terwijl hij daar zit, met zijn blik en zijn lepel en zijn volstrekte overtuiging, denk ik: uiteindelijk blijven we toch allemaal een beetje vreemden voor elkaar. Maar misschien moet ge niet alles begrijpen. Dus ge blijft zitten. Kijken. Ruiken. Aanvaarden. Ik zit daar. Te kijken naar zijn cassoulet terwijl ik om elf uur ’s avonds mijn vierde raketijsje eet.

Katrien Daniels
47 3

Vastgereden

We moeten hem een naam geven. Dat blijft helpen. Alsof ge iemand zachter kunt maken door hem te benoemen. Laat ons zeggen: Petar. Petar uit Bulgarije. Met een camion vol wortelen, ajuinen en waarschijnlijk ook een klein beetje haast. Dat zit tegenwoordig standaard mee in de cabine. Ge ziet dat niet op de vrachtbrief, maar het rijdt wel altijd mee. Hij is de derde al. De derde die zich vast rijdt in die ene venijnige bocht, hier een beetje verder. Een bocht die eigenlijk geen bocht is, maar een soort list. Aan beide kanten een beekje… de straat zegt: ge moogt hier zijn, maar ge moet wel weten hoe. Petar wist dat dus niet.Of hij wist het wel en dacht: ik doe het toch. Dat is vaak het verschil. Hij is er ingereden zoals ge soms in dingen rijdt die ge eigenlijk al voelt dat te smal zijn. Relaties. Gesprekken. Situaties waar ge uw eigen draaicirkel een beetje overschat. Nog een beetje vooruit. Nog een beetje draaien. Nog een beetje hopen dat het wel zal passen. Niet dus. Zijn camion stond daar. Scheef. Vast. Lichtjes vernederd. En Petar ook, maar dat zie je minder goed op foto’s. Want ja, hij geraakt ermee weg. Met een artikel op HLN. “Vrachtwagen rijdt zich klem in smalle straat.” Klik. Foto. Klaar. Ge ziet een camion. Ge ziet een beek. Ge ziet wat mensen die staan te kijken alsof het een zondagse attractie is. Wat ge niet ziet: de seconde waarop hij besefte dit komt niet goed. De stilte in de cabine. De vloek in een taal die wij niet begrijpen maar wel herkennen. Ik woon blijkbaar in de straat waar mannen zich vastrijden. Dat klinkt dramatischer dan ik het bedoel. Of misschien bedoel ik het wel een beetje zo. Want het gaat nooit alleen over die camion. Het gaat over denken dat ge ergens door kunt omdat een stem — een app, een baas, een idee — zegt dat het moet. Dat het sneller is. Efficiënter. Beter. Misschien is het Waze die zegt: hier langs. Misschien is het geld dat fluistert: doorrijden. Misschien is het gewoon koppigheid. Dat ook. Maar hier werkt dat niet. Hier zijn de wegen smal. Hier liggen beekjes langs beide kanten, alsof het leven zelf zegt: rustig. Hier moet ge kunnen draaien zonder te duwen. En als ge dat niet kunt, dan staat ge vast. Letterlijk. En wij staan dan te kijken. Met koffie. Met commentaar. Met een licht schuldgevoel dat verdacht veel lijkt op amusement. “Dat zou mij niet overkomen,” zeggen we. Maar we weten beter. Iedereen heeft wel ergens een bocht waar hij zich ooit heeft vastgereden. In iets dat te schoon leek om niet te proberen. Of te dringend om te laten liggen. Petar geraakt los. Uiteindelijk. Altijd. Met wat geschuif. Wat gezucht.  En een artikel dat hem herleidt tot “de Bulgaarse chauffeur”. Maar ik denk dat hij iets meeneemt. Dat gevoel van: het paste niet. En toch heb ik het geprobeerd. En ik? Ik blijf wonen in mijn straat met haar smalle wegen, beekjes, bochten die schoon zijn tot ge erin zit. Met mannen die denken dat het wel zal lukken, tot ze vastzitten. Maar ik weet soms is blijven het enige juiste manoeuvre.

Katrien Daniels
59 3

Kathy D & Godelieve De Vriendt

Ik wil je voorstellen aan twee vrouwen. De eerste: Kathy D.Kathy D is het soort vrouw dat een ruimte binnenkomt en dat ge automatisch een beetje rechter gaat zitten. Haar haar valt alsof het geoefend heeft, haar kleren zitten alsof ze ervoor gekozen hebben om haar te passen. Kathy D drinkt geen gewone koffie.Kathy D weet alles over single origin coffee. Ze spreekt dat ook zo uit. Single. Origin.Ze heeft het liefst een slow coffee met havermelk, liefst ergens waar ze het water eerst nog even laten ademen voor ze het schenken. Ze heeft geen ontbijt, ze heeft een ochtendritueel.Ze eet geen yoghurt, ze eet een “bowl”.Ze wandelt niet, ze “neemt tijd voor zichzelf”. Kathy D is niet gewoon aanwezig op sociale media. Kathy D is sociale media. Ze post dingen als: “Grateful for slow mornings” met een foto van haar koffie, haar hand, en een boek dat ze niet echt aan het lezen is. Ze lacht op foto’s alsof iemand net iets heel wijs gezegd heeft.Ze kijkt soms weg van de camera, zogezegd spontaan, maar eigenlijk perfect georchestreerd. Ze heeft meningen die klinken als inzichten en inzichten die klinken als quotes die al duizend keer bestaan hebben, maar bij haar toch weer nieuw lijken. Haar agenda is vol. Niet druk — vol.Met dingen die goed voelen. Dingen die kloppen. Dingen die gedeeld kunnen worden. Kathy D is mooi, dynamisch, zelfbewust, grappig.Maar ook… een beetje te. Ze is de vrouw waarvan ge denkt: ja… zo wil ik ook zijn.En tegelijk: amai, dat lijkt vermoeiend. En dan is er Godelieve De Vriendt. Godelieve is 1 meter 61 en weegt 102 kilo. Ze draagt een grijze rok tot over de knie, bruine Marva-kousen die halverwege de dag al beginnen te zakken, en een blouse met een lichtgele gilet zonder mouwen die al zoveel jaren meegaat dat ze bijna erfgoed is. Haar haar…Haar haar ziet eruit alsof ze elke keer aan de kapper vraagt:“Doe maar gelijk Helmut Lotti.”En dat die kapper dan denkt: meent ze dat nu?En dat ze zegt: “Ja, maar niet te modern, hè.” Haar mond ruikt een beetje naar koffie en naar commentaar dat al een paar dagen op voorhand klaar zat. Godelieve zaagt. Niet luid. Niet dramatisch. Maar constant.  Ze zaagt over de zon.Dat die altijd net verkeerd schijnt.“Te fel als ge buiten wilt zitten, en weg als ge eindelijk uw stoel gezet hebt.” Ze zaagt over de politiek.“Ja… die van Brussel allemaal zakkenvullers” Ze zaagt over de jeugd. Natuurlijk over de jeugd.“Altijd maar op hun gsm.” “En werken? Ho maar.” Ze zaagt over de supermarkt.Dat de tomaten geen smaak meer hebben.Dat ge voor een komkommer tegenwoordig precies een lening moet aangaan. Godelieve heeft geen mening. Godelieve heeft een lopende band aan bedenkingen. Ze zit. Ze kijkt. Ze zucht. En ze heeft altijd gelijk.  Godelieve is niet het soort vrouw dat een ruimte binnenkomt. Ze is het soort vrouw waarvan ge plots merkt: ah ja, die zit hier ook. Ik had ze graag aan je willen voorstellen. Of een foto van hen willen tonen. Maar eerlijk… ze bestaan niet echt écht. Ze zitten in mij. Kathy D is de versie die naar voren stapt. Die denkt: kom, nog een beetje beter, nog een beetje mooier, nog een beetje meer. Die gezien wil worden, gehoord wil worden, die haar koffie fotografeert voor ze hem drinkt. En Godelieve… Godelieve is de dag waarop dat allemaal niet moet. Niemand die denkt:“Daarover moet ik met Katrien babbelen.” Niemand die iets van mij verwacht.Geen oordeel over mijn haar.Geen mening over de psyche van het andere geslacht.Geen plannen. Geen “we moeten echt nog eens”. Gewoon ik.Mijn kat.En Netflix. En als ik dan toch iets zeg, is het waarschijnlijk om te zagen. Over de zon. Over Brussel. Over tomaten. Of over de jeugd. Iemand moet het doen.

Katrien Daniels
58 3

De wet van drie, zes en negen

 Mijn vriend heeft een perfecte pelouse. Maar echt. Perfect. Geen spriet durft scheef te staan. Ge houdt uw adem in als ge er voorbij loopt. Het gras ligt zo strak dat ge het gevoel hebt dat het ’s nachts nog rechtgetrokken wordt. Het is een voortuin. Dat is belangrijk, want een voortuin is niet van u alleen. Een voortuin is een statement. Een zachtgroene mededeling aan de straat. Het bepaalt de norm.  En elke vrijdag — élke vrijdag — staat hij daar. Alsof zijn leven ervan afhangt. Alsof er een jury komt. Alsof ergens iemand met een clipboard notities maakt. Hij maait. Hij strooit. Hij kijkt. Hij stapt achteruit en dan weer vooruit. Hij buigt zich. Hij recht zich. Hij knikt soms. Naar niemand. Hij kan zorgen voor iets dat eigenlijk nooit af is. Hij blijft geloven dat perfectie bestaat.  “Drie, zes en negen,” zegt hij dan. Alsof het over iets eenvoudigs gaat. Alsof iedereen dat weet. "Drie, zes en negen maanden om uw gazon te bemesten. In maart en september ook kalk. En in die negende maand maakt ge alles klaar voor de winter." Hij zegt dat met een vanzelfsprekendheid waar ik licht ongemakkelijk van word. Maart. Ge begint. Ge strooit. Ge hoopt. Ge denkt: dit wordt schoon. Juni. Ge onderhoudt. Ge kijkt of het pakt. Of het groeit. Of ge het onder controle hebt. Spoiler: dat hebt ge niet. En dan september. Ge strooit opnieuw. Kalk. Zorg. Nog één keer alles geven. Niet om het mooier te maken — maar om het te laten overleven wat komt. Want daarna wordt het koud. Daarna groeit er niks meer. Daarna is het gewoon… wachten. Ik moest daar dus aan denken. Aan die drie, zes en negen. En aan hoe wij mensen elkaar liefhebben. Want wij doen dat ook zo, denk ik. In het begin zaaien we. We geven alles. We willen dat het groeit, dat het schoon is, dat het klopt. In het midden proberen we het gaande te houden. Water geven. Praten. Soms zwijgen. Doen alsof we weten waar we mee bezig zijn. En dan — ergens — komt er ook een september. Een moment waarop ge voelt: nu moet ik zorgen dat dit blijft. Niet dat het nog groter wordt, niet dat het nog beter wordt, maar dat het kan blijven bestaan. Dat het de winter overleeft. Misschien maken we een liefde ook klaar voor de winter. Na die negende. Niet met mest of kalk, maar met zachtheid. Met aanvaarding. Met minder eisen. Niet meer alles willen veranderen. Niet meer alles willen laten groeien. Maar gewoon zeggen: blijf maar, het is goed zo.  Mijn vriend staat in zijn voortuin. Recht. Zeker. Met zijn perfecte pelouse. Voor de straat. Voor de blikken. Voor iets dat misschien buiten hem ligt. En ik? Ik sta ernaast. Met vuile handen. Met vragen. Met iets dat lijkt op liefde. En het lichte besef dat ge sommige dingen perfect kunt onderhouden voor de buitenwereld, maar dat ge ze pas echt leert kennen wanneer niemand kijkt, het stil wordt, en de winter begint.

Katrien Daniels
82 4

Magnolia's

In de binnentuin van het oude Gasthuis staat een magnolia. Ik zie hem elke dag door de grote glazen wand van het cultuurcentrum waar ik werk. Oude muren rondom, een modern gebouw van glas en beton ervoor, en daartussen een boom die elk voorjaar roze ontploft. Vandaag staat hij in volle bloei. Bloesems groot als porseleinen soepkommen. Roze, zacht, een beetje overdreven. Alsof iemand met een brede kwast de lente op de takken heeft gesmeerd. Magnolia’s hebben weinig geduld. Terwijl andere bomen nog zitten te twijfelen — gaan we al? nog even wachten? — staat deze madam al in avondjurk. De rest van het park nog half in pyjama en zij al klaar voor het feest. Ik hou van magnolia’s. Misschien een beetje te veel. Want een magnolia brengt me altijd terug naar een andere tuin. Een klein stadstuintje van een grote liefde van vroeger. Daar stond ook een magnolia. En als die begon te bloeien, wist je: het seizoen is open. Stoelen naar buiten. Aperitieven die plots om vier uur begonnen. Een barbecue die al warm stond terwijl we nog deden alsof het maar voor straks was. Hij met een tang in zijn hand alsof hij een Michelinchef was. Ik met een glas wijn en grote theorieën over het leven. Er werd gelachen. Veel te luid. Buurmannen die over de haag kwamen hangen. Vlees dat te lang op het rooster lag omdat we weer eens een verhaal moesten afmaken. En ergens tussen een schaal sla en een aangebrande merguez zat dat grote gevoel waarvan ge denkt: voilà, zo moet het dus. Het jaar na onze breuk zag ik overal magnolia’s. Echt overal. Iemand had de stad volgezet met roze herinneringen waar ik niet om had gevraagd. Ze stonden te bloeien in voortuinen, langs straten, in parken. Roze wolken van gezelligheid waar ik niet meer bij hoorde. Dat was liefdesverdriet in de prille zon. Uitgesmeerd over een hele stad. Ik werd er kwaad van. Op die bomen. Op hun overdreven romantiek. Alsof ze mij stonden uit te lachen met hun bloesems. En dan gebeurt wat elk jaar gebeurt met magnolia’s. Eén nacht vorst. Eén. En het is gedaan. Die majestueuze bloemen vallen plots uit de lucht. Niet meer poëtisch. Niet meer zacht. Maar bruin. Vettig. Plat. Een soort slijmerige bloesemdrek die zich over de tuin verspreidt. Daar ligt dan uw romantiek. Als een nat tapijt waar ge beter niet over loopt. Ik heb ooit echt gedacht: wie zet er nu vrijwillig een magnolia in zijn tuin? Ge weet toch hoe dat eindigt. Eerst een paar dagen operette. En daarna een hoop bruine pulp waar ge met uw schoenen door moet. Gelukkig doet de tijd zijn werk. Verdriet verplaatst zich. De scherpe kantjes verdwijnen. Wat overblijft zijn de verhalen. De avonden. Het gelach. De liefde die er wél was. En zelfs die magnolia. Vandaag kijk ik opnieuw door de glazen wand naar de boom in de binnentuin van het oude Gasthuis. Hij staat daar weer schaamteloos te bloeien. Alsof hij elk jaar opnieuw denkt dat het deze keer anders zal zijn. Roze bloemen. Zon. Lente. En ik denk: ja ja. Wacht maar tot morgen.

Katrien Daniels
89 4

Bekentenis van een overlijdensberichtlezer

Ik wil iets bekennen: ik lees graag de overlijdensberichten in de krant.Niet vluchtig. Echt lezen. Met aandacht. En ik vraag me soms af of ik de enige ben. Ik hoop van niet. Want het zou toch wat gênant zijn als ik de enige trouwe lezer van die rubriek ben. Dus bij deze een kleine outing. Mocht uw oog daar ook altijd eerst naartoe glijden: ge zijt niet alleen. Waarom ik dat doe, weet ik eigenlijk niet goed. Misschien uit dezelfde reflex waarmee we de rest van de krant lezen: om te weten wat er gebeurt in de wereld. Alleen gaat het hier niet over files of ministers die weer iets verkeerd gezegd hebben, maar over levens die afgerond zijn. Ik herinner me dat ik ooit het overlijdensbericht zag van mijn professor psychologie uit het eerste jaar van de sociale hogeschool. Een bijzondere mens. Hij kon een aula van honderd studenten stil krijgen met iets dat begon als droge theorie maar eindigde als een blik op het leven zelf. Over Freud bijvoorbeeld. Over het ES dat alles wil. Het ICH dat probeert te schipperen. En het ÜBER-ICH dat streng in een hoek zit te fluisteren dat we ons toch wat beter moeten gedragen. Of over Maslow en zijn piramide. Eerst eten en veiligheid, daarna liefde en erkenning, en helemaal bovenaan: zelfontplooiing. Het idee dat een mens zijn leven eigenlijk te herleiden is tot een piramide. Toen ik zijn overlijdensbericht zag, bleef ik even hangen. Hij werd ergens in de tachtig. Dat stelde me vreemd genoeg gerust. Mooie mens, mooi leven. Zijn piramide was top. Een andere keer zag ik het bericht van een kotgenoot van vroeger. We waren geen dikke vriendinnen geworden. We hadden gewoon een paar jaar dezelfde gang gedeeld. Dezelfde keuken. Dezelfde geur van pasta, toast en een pan die altijd nét te lang op het vuur en de week daarna bij de afwas stond. En toch was het vreemd. Het idee dat iemand die letterlijk een tijd mijn pad kruiste er plots niet meer was. Alsof er ergens in de wereld een deur dichtvalt waar ge ooit gedachteloos door gelopen zijt. Dat doet een mens nadenken. Over wat geweest is. Over wat nog moet komen. En dat we het leven misschien toch wat steviger moeten vastpakken. Misschien is dat ook waarom ik die rubriek lees. Een soort generale repetitie. Niet voor mijn eigen overlijden, maar voor die momenten waarop het leven plots beslist dat er iemand vertrekt. Want dan moet er ineens veel beslist worden. Veel te snel. Dan moeten er versjes gevonden worden, foto’s gekozen, woorden gezocht voor iets waar eigenlijk geen woorden voor bestaan. En als ge dan al een tijdje die rubriek leest, komt ge toch niet helemaal onbeslagen in zo’n verhaal terecht. Ge weet een beetje hoe mensen afscheid nemen. Wat er kan. Wat er soms staat. En wat ook niet. Ik lees die berichten ook om te kijken hoe families in elkaar zitten. Wie er genoemd wordt. Wie vooraan staat en wie ergens op het einde. Hoe mensen hun geliefde omschrijven. “Zijn geweldig lief.” Dat is toch iets anders dan “echtgenoot van”. Soms kunt ge een heel leven voelen in een paar woorden. Ik kijk ook altijd naar de jaartallen. Dan maak ik onbewust een soort schaal van ernst. Hoe ouder de overledene, hoe meer ge dat kunt lezen met iets als volbrachtheid. Een lange tocht die afgerond is. Ge denkt bijna: goed gedaan, mens. Hoe dichter de geboortedatum bij de mijne komt, hoe ongemakkelijker het wordt. En iedereen die jonger is dan ik vind ik gewoon oneerlijk. En nog iets waar ik altijd op let: de namen van de kinderen. Dat is eigenlijk een klein sociologisch onderzoek op zich. Als er Lou of Georges staat, weet ge meteen dat dat nog kleine mannen zijn die ergens met een loopfiets rondrijden. Terwijl een Ewoud of een Michiel gegarandeerd al boven de twintig is en waarschijnlijk ergens probeert uit te rekenen hoe ge een appartement betaalt. Ik kijk ook altijd naar de foto’s. Dat is misschien nog het meest ontroerende onderdeel. Sommige mensen kiezen een jonge foto. Een zomerjurk. Een brede lach. Alsof ze willen zeggen: zo wil ze herinnerd worden. Anderen kiezen een recente foto. Met rimpels, een bril, een gezicht waar het leven duidelijk overheen is gegaan. Dat vind ik misschien nog het moedigst. Alsof iemand zegt: dit was ze, helemaal. En dan zijn er nog de kleine symbolen. Het kruisje. De duif. Een korenaar. Soms een hartje. De dood heeft al lang zijn eigen emoji’. Daarna komen vaak de zinnen. Die klassieke zinnen die generaties lang lijken mee te reizen van afscheid naar afscheid. “Hij heeft een steen verlegd in een rivier op aarde.” “Wat je in je hart draagt, raak je nooit meer kwijt.” “De hemel is een engel rijker, wij zijn er een kwijt.” Zinnen die misschien al duizend keer zijn gebruikt, maar die toch elke keer opnieuw proberen te zeggen wat eigenlijk niet te zeggen valt. Ik lees ook hoe er afscheid genomen wordt. “In intieme kring, volgens de wens van de overledene.” Dan denk ik soms: is dat wel echt zo? Of hadden de nabestaanden gewoon geen zin in een zaal vol mensen die allemaal beginnen met “weet ge nog dat hij toen…” Of er staat dat het leven gevierd zal worden. Dan stel ik me een zaal voor met foto’s, muziek, wijn die iets te snel wordt bijgeschonken en verhalen die steeds een beetje mooier worden naarmate de avond vordert. En ergens tussen al die gedachten heb ik ooit beslist dat ik een bruine envelop in een lade ga leggen. Met een paar richtlijnen. Misschien een liedje. Misschien een paar zinnen. Eén spreuk weet ik al: “Wat de liefde draagt, is nooit een last.” Tegelijk besef ik dat dat ook een tikkeltje arrogant is. Doe ik dat echt om hen te helpen? Of ben ik ook na mijn dood nog altijd een eigenwijze moeial die zich met alles wil bemoeien? Misschien willen mijn kinderen het net kort en eenvoudig houden. Terwijl ik daar dan lig met een draaiboek van tien pagina’s. Met muziek uit La La Land en The Greatest Showman. Met zonnebloemen overal: ja, dat is zo 'ik'. Met een powerpoint die blijft doorgaan tot zelfs de nonkel op de derde stilletjes vraagt of hij nu al om een prentje mag gaan naar voor. Misschien zelfs met grote schermen buiten, voor het geval er zoveel volk komt dat niet iedereen binnen kan. En dan hoor ik ze al denken: mama, ge hebt het weer wat te groot gezien. Misschien heb ik daar eigenlijk geen recht op. Misschien mag ik alleen hopen dat er op een dag ergens staat: We nemen afscheid van Katrien Daniels. En dat ze zich nog herinneren dat ik alles met passie deed. Dat ik mijn familie graag zag. Mijn vrienden ook. En tegen dan hopelijk ook mijn zes kleinkinderen. En dat er misschien ook ergens staat: ze had haar kuren, maar het was wel een goeie. Maar het liefst van al hoop ik dat er nog één zinnetje staat: 'Het zotte lief van…' En dat hij dan denkt: wat een geluk dat die madam ooit op mijn pad kwam. 

Katrien Daniels
36 2

Diepvrieszakjes, tandenstokers en aluminiumfolie

Een eenvoudig bericht op Smartschool van de juf was voor mij vroeger altijd reden tot lichte paniek. Volgens de juffen zijn dat heel normale vragen. “Graag morgen een wit T-shirt meegeven.” Of: “Wie nog een foto heeft van zijn kind als baby…” Heel gewone dingen, vinden zij. Maar voor ouders zijn dat regelrechte aanslagen op een toch al broze work-life-balans. Want waar, vraag ik u, haalt een mens op een woensdagavond om 21u37 nog een wit T-shirt vandaan dat niet 1) te klein is, 2) een vlek heeft of 3) ergens onderaan een stapel ligt waarvan ge niet meer weet of die proper of vuil is. En die babyfoto. Alsof wij hier een schuif hebben met afgedrukte foto’s. Ik denk soms dat juffen ervan uitgaan dat mama’s een soort kastsysteem hebben. Een schuif met witte T-shirts. Een schuif met witte lakens. (Echt. Serieus. Wie heeft er een schuif met witte lakens?) En ergens ook een schuif met afgedrukte foto’s uit de kindertijd. Zo van die perfect gesorteerde herinneringen. Gelabeld. Per schooljaar. Dat soort schuldgevoel — dat ge niet zo’n goed voorbereide moeder zijt — ligt gelukkig al een tijdje achter mij. Ik hoef het lot niet meer te misleiden met extra zwembroeken in mijn handtas of met duizend plannen B in mijn hoofd. Allemaal om er uit te zien als die ontspannen moeder die alles onder controle heeft. Maar toch. Soms overvalt het mij nog. Mijn zoon vraagt: “Hebt ge elastiekjes?” En ge weet hoe dat gaat. Ge staat aan een kast. Ge trekt een lade open. Ge kijkt naar wat daar allemaal ligt en plots beseft ge: ik heb daar geen schuif voor. Geen elastiekjesschuif. Ik vind elastiekjes trouwens een vies uitgevonden ding. Ze hebben zo’n kleur die nergens echt bij past. Zo’n vuil beige dat eruitziet alsof het al een leven achter de rug heeft nog voor ge het gebruikt. En ze plakken een beetje. Altijd een beetje. En vroeger — toen we ons haar nog in een staart probeerden te trekken met zo’n ding — wist ge één ding zeker: tegen de avond had ge een paar haren minder. Elastiekjes zijn kleine martelwerktuigen met een huishoudfunctie. Maar terwijl ik daar zo in die lade sta te kijken, zie ik wel wat er wél ligt. Diepvrieszakjes bijvoorbeeld. Met zo’n zipsluiting van de Zweedse meubelreus. Dat voelt georganiseerd. Alsof ge iemand zijt die dingen bewaart voor later. Dan ook tandenstokers. Die koopt ge één keer in uw leven en daarna liggen die daar. In een verpakking zo groot dat ge zou denken dat ge elke vrijdag een afterwork organiseert op uw privéterras. Ik in ieder geval niet. En als ge ze nodig hebt — bij de apero bijvoorbeeld — dan zijn ze plots onvindbaar. Dan ligt ge daar olijven te serveren en legt ge uiteindelijk maar vorkjes bij de glazen. Omdat niemand zin heeft om met zijn vingers in een schaaltje te gaan vissen. Tandenstokers zijn zo’n product dat altijd bestaat in theorie, maar zelden op het moment dat ge ze nodig hebt. En dan aluminiumfolie. Ook een moeilijk product eigenlijk. Mag dat nog, in het kader van het milieu? Een bewuste vriendin zei mij ooit: “Weet gij hoeveel energie dat kost om dat te maken?” Sindsdien koop ik aluminiumfolie met een klein schuldgevoel. Maar het blijft wel gemakkelijk. Voor een halve citroen. Voor een stuk kaas. Voor een potje dat ge nog snel moet afdekken. Of voor boterhammen, wanneer de Zweedse diepvrieszakjes op zijn en ik alweer de derde brooddoos op mijn werk heb achtergelaten. In de keuken heb ik zo’n schuif dus niet. Maar ergens anders misschien wel. Eentje met diepvrieszakjes. Om herinneringen in te steken. Van die met een zipsluiting, zodat ge ze voorzichtig kunt dichttrekken. Niet te bruusk. Gewoon zachtjes. Klik. Dicht. Dat ze nog even goed blijven. Dat ze niet uitdrogen of verkruimelen. Dat ge ze later nog eens kunt bovenhalen, openritsen, en kijken of ze nog hetzelfde smaken als toen. Dan ook tandenstokers. Voor de kleine dingen. Om iets weg te pulken dat blijft hangen. Of om, heel precies en beleefd en hygiënisch, dat stukje salami te nemen van het leven waar ge zin in hebt. Niet het hele bord. Gewoon dat ene stukje dat ge gezien had en waarvan ge dacht: ja, dat wil ik. En dan aluminiumfolie. Zo’n rol zilver die ge rond iets legt wanneer ge wilt dat het warm blijft. Of vers. Of beschermd tegen wat er van buiten komt. Ge pakt dat vel, ge plooit dat er rond en ineens is alles een beetje veiliger. De lucht blijft buiten. De warmte blijft binnen. Soms denk ik dat ik dat ook zo doe. Dat ik ergens een stuk aluminiumfolie heb klaarliggen voor mijn hart. Niet om het te verstoppen. Maar om het te bewaren. Voor onderweg. Voor later. Voor wanneer het nog even moet meegaan zonder te verkruimelen. Heel zorgvuldig ingepakt. Niet te strak. Gewoon genoeg om het warm te houden. Tot iemand zegt: "Kom, dit hebt ge niet meer nodig. Geef het maar hier. Ik haal het er wel af. Ik hou het warm. Ik geef het lucht. Dat het kan ademen." Dat zou schoon zijn...  Maar elastiekjes?  Nee. Ik heb geen elastiekjes.  Diepvrieszakjes, tandenstokers en aluminiumfolie heb ik wel. Maar elastiekjes? Nee, die heb ik niet.

Katrien Daniels
45 2