Over Katrien Daniels

Katrien Daniels schrijft omdat zwijgen te veel lawaai maakt.

Ze beweegt zich tussen poëzie en proza en heeft een voorliefde voor het alledaagse: keukentafels, liedjes op de radio, momenten die pas later betekenis krijgen. In haar teksten is er ruimte voor humor en rafels, voor verlangen en twijfel, voor wat schuurt en toch zacht wil blijven.

Ze schrijft over liefde in al haar onhandigheid, over wachten, missen en opnieuw beginnen. Niet om antwoorden te geven, maar om beter te kijken, langer te blijven en iets vast te houden voor het verdwijnt.

Naast het schrijven is ze actief in de culturele sector, waar ze luistert, programmeert en woorden zoekt voor wat nog geen vorm heeft.

Teksten

Septembermensen

Stel u voor: Freddie Mercury, Agatha Christie, Sophia Loren, Leonard Cohen, Roald Dahl, Karl Lagerfeld, Tolstoj en ik zitten samen aan tafel. Freddie zorgt voor ambiance. Agatha onthoudt wie er van welk glas gedronken heeft. Sophia hoeft alleen maar te zitten. Leonard filosofeert over schoonheid. Karl zet zijn zonnebril op en Tolstoj is nog bezig aan zijn antwoord op de vraag hoe het gaat. Ik zit naast Roald Dahl. Dat heb ik zo geregeld. Het is mijn column en hij is mijn idool. Ik hoor u al mompelen: waarom dat zootje bij elkaar? Dat is duidelijk: het zijn septembermensen. Allemaal. Wat zijn septembermensen en wat drijft hen? Tijd voor een grondig, geheel onafhankelijk onderzoek. Onder leiding van mezelf. Ik ben er zeker van dat gij er ook minstens één kent: Ge ging maar een halfuur blijven. Twee uur later zit ge er nog, weet die mens iets wat ge eigenlijk niet ging vertellen en ligt er thuis iets in de diepvries dat al lang in de oven had gemoeten. Uw jas hebt ge ondertussen uitgedaan. Zo iemand. Volgens mij hebben die mensen iets meegekregen van hun maand. September is de maand waarin zomer en herfst elkaar de hand geven en dan nog even blijven staan praten. Ze hebben geen haast. De ene heeft nog van alles te vertellen, de andere moet zijn jas nog niet uitdoen. Er wordt nog gezwommen, maar het bos wordt alweer herontdekt. Aan de achterdeur staan slippers naast bergschoenen. Ge vertrekt met blote benen en een pull over uw arm, die ge overdag overal laat liggen en ’s avonds dankbaar over uw hoofd trekt.  Het licht wordt zachter. Het strijkt langs gevels, blijft hangen in kruinen en valt schuin over een tafel waaraan ge eigenlijk allang had moeten opruimen. Zelfs de kruimels liggen daar schoon. De zon moet niet meer bewijzen dat ze de hele wereld kan platleggen. Ze verwarmt uw knieën, uw gezicht, dat stukje nek boven uw kraag.  En dan die geur. Die rijpe, zwoele geur van september, alsof de wereld zelf op zijn zondags is. Gewassen, maar nog warm van het slapen. Ergens hangt was buiten, ergens staat een raam open waaruit de geur van gestoofde appels komt. Onder de bomen ligt fruit in het gras. Sommige appels zijn opengebarsten, wespen zitten met hun hele lijf in het zoet. Ge ruikt aarde, vochtige bladeren, warm gras en iets dat bijna te rijp is. Een geur waar ge trager van gaat lopen, zonder goed te weten waarom. De natuur is hoogzwanger. Alles hangt, zwelt en weegt. Takken buigen onder hun appels, pompoenen liggen breeduit in de moestuin alsof ze daar betaald worden per ingenomen vierkante meter. Ge kunt nauwelijks ergens op bezoek gaan of er moet iets mee naar huis. Courgettes, peren, een zak appels. "Neemt nog wat. Echt, wij krijgen dat niet op." In keukens staat confituur te pruttelen en op aanrechten wachten potten waarvan de etiketten niet helemaal zijn losgekomen. Daar gaat straks de zomer in. Ondertussen geeft september orde. Na twee maanden waarin ‘we zien wel’ een volwaardige dagindeling was, kopen we een schrift. Een agenda. Een balpen die schoon schrijft. We gaan weer koken, op tijd slapen en mails beantwoorden voordat de afzender vraagt of we zijn vorige mail goed ontvangen hebben. Buiten barst alles uit zijn voegen, binnen steken wij papieren in mapjes. Dat vind ik schoon aan september: dat ge nog gulzig aan het leven kunt zitten en tegelijk denkt dat ge het dit jaar misschien eens georganiseerd krijgt. Misschien zit het daarin, bij die septembermensen. Dat ze weten hoe fijn het is als er nog iets bij kan. Nog een uur buiten. Nog iemand aan tafel. Nog een verhaal terwijl de koffie eigenlijk al op is. Ze schuiven wel wat op. Er is genoeg. Dat ik zelf op zestien september geboren ben, maakt mij uiteraard bijzonder geschikt om dat allemaal vast te stellen. Ik zeg ook nergens dat ik al die kwaliteiten voortdurend ter beschikking heb. Er zijn openingsuren. Bovendien heb ik mijn onderzoek uitgebreid naar mensen van wie ik wél weet of ze na het feest de stoelen helpen stapelen. Mijn lievelingschiroleiders: in elke generatie is er zeker één. September. Van die mensen aan wie ge een bende kinderen toevertrouwt en denkt: dat komt goed. Er gaat misschien een schoen verloren, maar iedereen zal mee zijn. Mijn favoriete vriendin? September. Mijn lievelingsverkoopster van jeansbroeken? Ook september. Onderschat dat laatste niet. Iemand aan wie ge uw achterwerk onder tl-licht toevertrouwt, staat behoorlijk hoog in de hiërarchie van de liefde. Mijn schrijfjuf? Ja hoor. Zij ook.  Dat ik uitsluitend mensen heb geselecteerd die ik graag zie, lijkt me geen bezwaar. Ge moet ergens beginnen. In Touché hoorde ik Guido Belcanto zeggen: ‘De twee belangrijkste dagen in je leven zijn de dag dat je geboren wordt en de dag dat je te weten komt waarom.’ Misschien weten andere mensen dat tweede soms eerder dan gijzelf. Die Chiroleider is allang vergeten wat hij voor dat ene kind gedaan heeft. Dat kind weet het nog. Mijn vriendin neemt haar telefoon op. Voor haar is dat gewoon haar telefoon opnemen. Voor mij kan het precies zijn wat die dag nog nodig had. Ik zie die septembermensen zo graag. Ge komt thuis en iets zit wat losser. Ge hebt uzelf horen lachen. Op het aanrecht zet ge een pot confituur die ge bij het vertrekken in uw handen geduwd kreeg. Er zijn ongetwijfeld ook fantastische mensen uit andere maanden. Die mogen mij altijd overtuigen. Ik wil daar gerust eens een halfuurtje voor langskomen.

Katrien Daniels
45 5

Slecht in overgangen

Hij zegt dat ik slecht ben in overgangen. Overgangen? Ja, blijkbaar kan ik dat niet. Ik had dat nog nooit zo gezien. Er had mij ook nog nooit iemand dat gezegd. Ik wist zelfs niet dat het iets was waarin ge slecht kon zijn. Hoofdrekenen: ja. Achteruit inparkeren: absoluut. Een hoeslaken opvouwen: dat ook. Maar ... Overgangen, dat wist ik niet.  Ik ben slecht in de overgang van wakker worden naar opstaan. Van ontbijten naar kleren aandoen. Van aangekleed zijn naar vertrekken. Vooral die laatste blijkt een dingetje. Ik kan volledig klaarstaan, schoenen aan, handtas gepakt, jas binnen handbereik, en dan zie ik de vaatwasmachine. Nu kunt ge natuurlijk vertrekken en die vaatwasmachine daar gewoon laten staan. Kan. Maar ge kunt hem ook uitladen. Of ik bedenk dat ik vandaag eigenlijk beter voor de dag zou komen met dat nieuwe geurtje waarop ik mezelf zaterdag getrakteerd heb. Waar staat dat eigenlijk? Boven. En als ik toch boven ben, kan ik evengoed andere oorbellen aandoen. Die met dat groen passen eigenlijk beter. Onderweg zie ik dat mijn bed nog openligt. Dat is nu ook geen zicht. En als ik dan toch bezig ben, kan dat kussen ook eens goed liggen. “We moeten vertrekken.” Ja. Dat weet ik. Ik ben bezig. Traagheid, noemt hij het. Ik vind dat een zwaar woord. Ik word wakker maar vind dat nog geen reden om meteen op te staan. Eerst moet ik even bekomen van het feit dat er alweer een dag begonnen is zonder dat iemand mij daarin heeft gekend. Na het ontbijt hetzelfde. Koffie op, bord leeg. In principe is het volgende agendapunt: aankleden. In principe. Er staat ook nog een stoel. En koffie. En niemand is ooit gestorven omdat hij om 8.17 uur nog geen broek aanhad. Denk ik. “We moeten vertrekken.” Voor hem is dat een mededeling. Voor mij de start van een proces. Het vreemde is dat niemand mij traag vindt. Integendeel. De meeste mensen kennen mij als een Duracellkonijn met een lichte afwijking. Ik werk snel, praat snel, denk snel. Ik kan op één dag werken, schrijven, koken, boodschappen doen, een film bekijken, drie mensen bellen, een crisis oplossen die er een uur eerder nog niet was en tussendoor beslissen dat de living anders moet. En uitvoeren. Dat laatste is belangrijk. Maar ergens tussen al die bedrijven door zit een vrouw in een badjas die nog niet van plan is haar sokken aan te doen. Ik mag haar wel. En sinds hij het gezegd heeft, zie ik ineens dat het niet alleen over sokken gaat. Verdomme. Ik ben altijd al slecht geweest in overgangen. Ik vond het bijvoorbeeld behoorlijk ingewikkeld om ineens een werkende mens te zijn. Het ene moment zijt ge iemand die op woensdagavond pinten drinkt en donderdagvoormiddag twee Dafalgans als ontbijt beschouwt, het volgende hebt ge een agenda, een loonbrief en iemand die vraagt of ge dat verslag tegen vrijdag kunt bezorgen. "Tegen vrijdag? Oké, dan". Moeder worden was nog zoiets. Het ene moment zijt ge zelf nog een beetje aan het puberen, het volgende geven ze u een kind mee naar huis. Gewoon mee. Hier. Van u. En vanaf dan zijt gij dus de verantwoordelijke. Ik vond dat een bijzonder gewaagde beslissing. Plots krijgt ge een kind mee naar huis. Succes ermee. Ik heb lang gedacht dat er op een dag een soort definitieve volwassenheid zou intreden. Dat ik wakker zou worden en spontaan zou weten wanneer een brandverzekering betaald moet worden, hoeveel groenten een mens nodig heeft en waarom ge in godsnaam de meterstand van uw water moet doorgeven. Die dag is nooit gekomen. Er kwamen wel kinderen, werk, rekeningen, huizen, verantwoordelijkheden en mensen die mij dingen kwamen vragen alsof ik daar verstand van had. Dus deed ik mee. Vrij overtuigend zelfs. Dat is misschien volwassen worden: lang genoeg doen alsof tot niemand nog vragen stelt. Met mensen heb ik het ook. Daar ben ik misschien nog slechter in overgangen. Ik kan niet zo goed uit een verhaal stappen terwijl het in mijn hoofd nog bezig is. Als iets voorbij is, is het voor mij niet noodzakelijk voorbij. Onpraktisch. Mijn hoofd kent geen aftiteling. Dat blijft nog wat napraten, scènes opnieuw spelen, zinnen herschrijven. Denken aan wat grappig was, wat schoon was, wat anders had gekund, wat ik nog had moeten zeggen. Vooral dat laatste. Drie dagen later heb ik soms een fantastisch antwoord. Daar hebt ge dus niks aan. Ik blijf nog even in het verhaal terwijl de andere personages hun jas al aan hebben. Sommige mensen kunnen een deur dichtdoen. Ik blijf nog even in de gang staan. Niet omdat ik terug naar binnen wil, gewoon omdat ik nog niet helemaal buiten ben. Sinds hij mijn overgangen ontdekt heeft, is hij eigenlijk medeplichtig. Had hij er niks van gezegd, dan was ik gewoon blijven denken dat ik ’s morgens graag koffie drink en soms dringend mijn vaatwasmachine moet uitladen op het moment dat we al vijf minuten weg hadden moeten zijn. Maar nee. Hij moest er een naam aan geven. Overgangen. En nu ik weet dat ik ze heb, koester ik ze. Nog één koffie. Nog twee minuten in bed. Nog even in de auto blijven zitten als ik ergens aankom. Een liedje uitluisteren, ook al staat de motor al af. Een gesprek nog eens door mijn hoofd laten gaan. Nog even blijven waar ik eigenlijk al weg ben. Kleine gestolen stukjes tijd waarin het ene nog niet helemaal voorbij hoeft te zijn en het volgende nog niet begonnen. Mijn tussenverdieping. Ik woon daar blijkbaar. Er staat een stoel. En koffie. De dag is alweer begonnen, misschien moet ik daar maar eens werk van maken. Maar niet nu. Ik moet nog even. Wacht.

Katrien Daniels
69 0
Tip

Wat ik later worden wil

‘Wat wil je later worden?’ Het is een van de vragen die we graag aan kinderen stellen.  Ik wilde schoonheidspecialiste worden. Geen idee waarom. Misschien omdat ik graag met potjes en crèmes speelde, misschien omdat ik het een bijzonder chic beroep vond. Ik zag mezelf later in een witte schort, met perfect gelakte nagels, in een salon waar het altijd heerlijk rook en waar vrouwen met een gerimpeld voorhoofd binnenkwamen en met een stralende glimlach weer buitenstapten. Ik zou ze allemaal mooi maken. En ondertussen hun levensverhaal aanhoren. Dat laatste zat er toen blijkbaar al in. Het is er niet van gekomen. Van die witte schort niet, van die perfect gelakte nagels evenmin.  Soms vraag ik me af hoeveel levens er eigenlijk in één mens passen. Hoeveel versies van jezelf er onderweg zijn blijven staan, met een boekentas in de hand, een schort om de nek of een diploma dat je nooit hebt gehaald. Niet omdat je er niet goed in zou zijn geweest, maar omdat je op een bepaald moment links bent afgeslagen en rechts sindsdien een doodlopende straat lijkt. Ik ben 49. Ik heb een beroep, een huis, twee volwassen zonen en een redelijk goed idee van wie ik ben. En toch betrap ik mezelf er regelmatig op dat ik in gedachten een compleet ander leven leid. Eentje waarin ik 's morgens opsta, mijn boterhammen smeer en naar een werk vertrek dat ik nooit heb gehad. Juf Katrien van het derde leerjaar, bijvoorbeeld. Dat zie ik helemaal zitten. Ik zou een juf zijn die voorleest met verschillende stemmetjes, af en toe een rekenles opoffert voor een goed gesprek over het leven en op vrijdagmiddag de bananendans doet op Chiquitita van ABBA. Achtentwintig kinderen die zich compleet belachelijk maken. Juf Katrien voorop. De inspectie mag gerust komen kijken. Ik zou ook een lievelingsleerling hebben. Dat mag natuurlijk niet, maar ik zou er wel een hebben. Waarschijnlijk het kind dat altijd zijn turnzak vergeet en bij wie thuis niet alles vanzelf gaat. Of Katrien de masseuse. Van veel te rijke vrouwen. Met een eigen praktijk waar het altijd naar eucalyptus ruikt en waar mijn klanten binnenkomen met een hoofd vol problemen die ik me niet kan veroorloven. Een aannemer die de verkeerde kleur marmer heeft geleverd. Een man die voor de derde keer dit jaar naar Dubai moet. Een dochter die haar paard niet meer graag ziet. Ik zou begrijpend knikken, wat extra olie op hun schouders gieten en ondertussen uitrekenen hoeveel massages ik nog moet geven om zelf eens naar Dubai te kunnen. Ik zou ook boerin kunnen zijn. Met een overall, een paar stevige laarzen en een erf vol dieren die allemaal een naam hebben. Ik zou met mijn handen in de aarde zitten, mijn eigen groenten kweken en iedere ochtend een vers ei rapen. Wellicht zou ik na drie dagen ontdekken dat koeien ook op zondag gemolken moeten worden en dat mijn romantische beeld van het boerenleven niet helemaal strookt met de hoeveelheid stront die erbij komt kijken. Maar ik zou wel een fantastische boerin zijn. Eentje met een grote keukentafel, een erf vol bezoek en een koe die naar mijn moeder genoemd is. Of actrice. Niet noodzakelijk een hoofdrol, maar zo'n heerlijk personage dat in drie scènes de hele film steelt. De excentrieke tante, de cafébazin met een verleden of de buurvrouw die alles weet en haar mond niet kan houden. Ik zou ook bijzonder goed kunnen sterven op een podium. Met een laatste, dramatische zucht en een hand die nog net iets te lang in de lucht blijft hangen. Applaus. Rechtstaan. Buigen. Nog eens buigen. Ik zou het allemaal heel bescheiden ondergaan. En dan zie ik mezelf soms als onthaaldame in een ziekenhuis. Niet zo eentje die zonder opkijken een nummertje uitdeelt en naar de derde verdieping wijst. Nee, ik zou de mensen zien. De man die al twintig minuten voor de ingang staat omdat hij niet durft binnen te gaan. De vrouw die haar uitslag komt halen en haar handtas zo stevig vasthoudt dat haar knokkels wit worden. Ik zou hen de weg wijzen, maar ook een beetje moed meegeven. Ook al staat dat waarschijnlijk niet in de functieomschrijving. Leidinggevende op de dienst burgerzaken lijkt me ook iets. Ik zou mensen trouwen met een persoonlijke speech en een zakdoek binnen handbereik. Bij geboortes zou ik de namen luidop uitproberen en bij overlijdens zou ik net iets langer de tijd nemen. Ik zou wel moeite hebben om professioneel te blijven wanneer iemand zijn dochter Priscilliana-Mercedes wil noemen en bij de derde echtscheiding van hetzelfde koppel. En ooit heb ik een broodjeszaak. Geen gewone broodjeszaak waar je een smos kaas bestelt en er vervolgens een halve krop sla uit moet peuteren. Nee, ik zou broodjes uitvinden. Combinaties waar mensen speciaal voor omrijden. Met namen die minstens even belangrijk zijn als het beleg. De Scheve Schaats. De Grote Verzoening. Het Laatste Woord.  En dan is er nog dat beroep waarbij je geluiden verzint voor auto's. Dat móét toch bestaan? Iemand moet beslissen welk geluid een wagen maakt wanneer je je gordel niet om hebt. Of wanneer je achteruitrijdt. Ik zie mezelf in een studio zitten met een koptelefoon op, terwijl ik voor de zoveelste keer een piepje laat horen aan een vergadertafel vol ingenieurs. Te agressief. Te vrolijk. Te veel microgolfoven. We zoeken iets dat urgentie uitstraalt, maar de bestuurder niet het gevoel geeft dat hij persoonlijk gefaald heeft. Ik zou daar bijzonder goed in zijn. Vooral in het verzinnen van het geluid dat een auto maakt wanneer je de verkeerde afslag neemt. Een diepe, teleurgestelde zucht. Het vreemde is dat ik in al die levens gelukkig zou kunnen zijn. Denk ik toch. Misschien zou ik als juf na drie weken gek worden van de ouders, als masseuse van de schijn, als boerin van de stront en als broodjesmadam van mensen die vragen of de mayonaise apart kan. Misschien zou ik op de burgerlijke stand al na twee huwelijken de bruid willen adviseren om toch nog eens goed na te denken. En misschien zou ik als actrice nooit verder geraken dan een figurantenrol als lijk in een Vlaamse politieserie. En er is het besef dat je, door één leven te leiden, onvermijdelijk een heleboel andere levens niet leidt. Dat je ergens onderweg keuzes maakt zonder te beseffen dat het keuzes voor altijd kunnen zijn. Dat is dus wat de tijd met je doet. Je slaat ergens een weg in, bouwt er een huis, krijgt kinderen, maakt vrienden en voor je het weet, ben je er thuis. En al die andere wegen? Die verdwijnen langzaam achter de bomen. Niet omdat je ze bewust hebt afgesloten, maar omdat je nu eenmaal niet overal tegelijk kunt zijn. Zelfs niet als je heel goed kunt multitasken. En toch blijven ze ergens bestaan, die andere versies van jezelf. Juf Katrien met haar bananendans. De boerin met stront aan haar laarzen. De actrice die al drie keer gestorven is en nog altijd applaus krijgt. De masseuse die inmiddels zelf een villa in Dubai heeft. Misschien open ik op mijn zestigste alsnog een broodjeszaak. Met achteraan een massagetafel, boven een klaslokaal en op de parking auto's die bij het achteruitrijden een klein, tevreden zuchtje slaken. En als iemand me dan vraagt wat ik later wil worden, zeg ik gewoon opnieuw schoonheidspecialiste. Ik ben tenslotte nog lang niet 'uitgeworden'.  

Katrien Daniels
163 5

Kampvuur in september

De zomer lag op sterven. Niet dramatisch. Geen laatste woorden, geen familie rond het bed. Gewoon nog één keer alles geven. Septemberwarmte. Rijp en zacht. Zo’n avond waarop ge zonder jas buiten kunt zitten, maar hem toch meeneemt omdat ge ondertussen oud genoeg zijt om uw eigen moeder te zijn. Er was wind. En ergens stond de herfst al achter het hoekje met haar sjaal te zwaaien. Kom af. Ik zal buiten een vuurtje stoken. Meer moet ge soms niet zeggen. Dus daar zaten we. Bij een vuur. Met wijn en appelsap. We hadden de draad ergens in februari laten liggen. Denk ik. Toen was er ook vuur, maar binnen. Een haard. Cake. Koffie. Winter. Blijkbaar hadden we toen niet alles gezegd. Gelukkig maar. Ik hou van mensen bij wie ge na een half jaar niet opnieuw moet beginnen. Geen samenvatting van de vorige afleveringen. Geen hoe is het nog met uw werk en de kinderen? Ge gaat zitten, kijkt naar het vuur en vijf minuten later zijt ge alweer vertrokken. Zijn hoofd zat vol. Echt vol. Vol dromen, idealisme, plannen en verhalen waarvan ik soms niet wist of ze al bestonden of nog moesten worden uitgevonden. Neem nu die sauna in Zweden. Ge kunt daar blijkbaar een sauna boeken zonder dat iemand u vertelt waar die precies staat. Ge krijgt coördinaten. Een wandelpad van bijna twee uur. Een kruiwagen met hout die ge zelf tot aan de sauna moet zien te krijgen. En aan het einde van dat pad wacht een desolate sauna aan een meer. Helemaal voor u alleen. Geen receptie. Geen badjassen met een geborduurd logo. Geen mevrouw die om het kwartier komt vragen of alles naar wens is. Alleen gij, dat meer, die sauna en de Zweedse wildernis. Ik zag het helemaal voor mij. De stilte. De damp boven het water. Een mens die daar na twee uur stappen zijn hout opstookt en vervolgens tot inzichten komt waar de gemiddelde psycholoog drie jaar voor nodig heeft. Dit moest wel de meest spraakmakende gebeurtenis van de reis worden. Maar het leven had andere plannen met hem. Een klapband. En voor ge het weet, staat ge ergens in Zweden langs de kant van de weg te wachten op een takeldienst die van zeventig kilometer verder moet komen. Daar staat ge dan. Met uw coördinaten. Uw innerlijke rust. Uw verlangen naar eenzaamheid en een kruiwagen hout die ge wellicht nooit zult ontmoeten. En toen kwam er een bandencentrale. En Cola Zero. En een man met wie het blijkbaar zo goed klikte dat er een nieuwe vriendschap uit ontstond. Iemand die niet alleen een lekke band ziet, maar ook de mens die hem gaat vervangen. En die daar vervolgens een verhaal van maakt. Ik vond dat schoon. Ge vertrekt naar Zweden om alleen te zijn aan een meer en ge komt thuis met een verhaal uit een bandencentrale. Probeer dat maar eens te boeken. En zo ging het verder die avond. Over het uitzicht vanop de drieëntwintigste verdieping. Over Pommeline. Over duurzaamheid en of dat allemaal wel zo duurzaam was. Over dingen die nog moesten gebeuren en dingen die misschien nooit zouden gebeuren, maar waar ge toch al eens over kon nadenken. Ik heb niet alles begrepen. Dat hoeft ook niet. Voor ge het weet, zit ge bij een vuur na te denken over Zweden, duurzaamheid, woorden, wat ge wilt betekenen en wat er nog allemaal moet gebeuren na 56. Er zijn slechtere manieren om een avond door te brengen. We spraken over taal. Over de juiste woorden zoeken voor wat ge doet. Voor wat ge wilt doen. Voor dingen die nog niet bestaan maar in uw hoofd al wel. Ik vind dat schoon. Die goesting. Om iets te maken. Iets te bedenken. Iets in beweging te zetten. En ook om soms de regie uit handen te geven en de dingen te laten gebeuren. Want ge kunt nog zo goed weten waar ge naartoe wilt, het leven heeft soms een ander idee. Ge boekt een sauna en ge krijgt een bandencentrale. Ge plant een avondje bij het vuur en voor ge het weet zit ge uren later nog altijd te luisteren. Net zoals water, zoeken verhalen altijd een weg. Misschien geldt dat ook voor ideeën. Voor mensen. Ge kunt een draad in februari laten liggen en hem in september gewoon weer oprapen. Ge kunt maanden niets zeggen en toch niet opnieuw moeten beginnen. Ge kunt denken dat iets nergens naartoe gaat en plots zit ge daar. Bij een vuur. De zomer in haar laatste stuiptrekkingen. De herfst achter het hoekje. Iemand tegenover u met een hoofd vol verhalen. Soms heeft een avond echt niet meer nodig. Een vuurtje. Een glimlach. Iemand die blijft vertellen. En ik die nog niet naar huis wil.

Katrien Daniels
54 2

Blijven staan

‘Komt allemaal naar hier, vrouwen. Medea is zot geworden. De duvel is in haar lijf gekropen en spreekt door hare mond.’ Zo begon het. Of toch ongeveer. Na bijna dertig jaar zitten die woorden nog altijd ergens in mijn hoofd. Ik was negentien en ik was Medea. Allez. Ik speelde Medea. Ik kende mijn tekst. Mijn wereldproblemen waren nog bijzonder overzichtelijk. Een jongen die niet keek wanneer ik wilde dat hij keek. Een examen waarvoor ik te laat begonnen was. Een moeder die lastig deed. Een broek waarin mijn gat er dik uitzag. Een puist die altijd een uitstekend gevoel voor timing had. En daar stond ik dan, in de toneelklas, een vrouw te spelen die door haar man verlaten was voor een jongere vrouw en die van verdriet, vernedering en razernij zo ver buiten zichzelf trad dat ze bereid was het ondenkbare te doen. Haar kinderen vermoorden. Wist ik veel. Op je negentiende weet je inderdaad niet veel. Je denkt nog dat de wereld min of meer logisch in elkaar zit. Dat wie goed doet, goed ontmoet. Dat grote liefdes groot blijven. Dat mensen die zeggen dat ze blijven, blijven. Dat volwassenen weten waarmee ze bezig zijn. Dat ouders altijd ouders zijn. Dat vriendschappen niet breken. Dat als je iemand je hart geeft, die mens daar toch op zijn minst niet mee gaat voetballen. En vooral: je denkt dat je zelf ongeveer weet wie je bent en hoe je in bepaalde situaties zou reageren. Ik zou nooit. Dat zeggen negentienjarigen nogal gemakkelijk. Ik zou nooit bij iemand blijven die mij pijn doet. Ik zou nooit liegen. Nooit iemand haten die ik ooit graag gezien heb. Nooit jaloers zijn. Nooit wraak willen. Nooit iets zeggen alleen omdat je precies weet waar het bij de ander pijn doet. En dan begint het leven, in beetjes. Een kras. Een barst. Een deur die dichtgaat. Iemand die vertrekt. Iemand die blijft maar er eigenlijk al lang niet meer is. Liefde die niet genoeg blijkt. Een leugen recht in je gezicht. Een afscheid waarvoor je nog niet klaar was. Onrecht waar geen mooie oplossing voor bestaat. Je kinderen die pijn hebben en jij die ontdekt dat moederliefde dan wel enorm is, maar helaas geen superkracht. Je leert dat goede mensen soms rotte dingen doen. Dat mensen van wie je houdt je kunnen verwonden. Dat je iemand tegelijk kunt missen en naar de maan wensen. Dat verdriet niet altijd waardig is. Dat woede soms onder je vel kruipt en daar dagen blijft zitten. En dat je zelf ook niet altijd die redelijke, zachte, verstandige mens bent die je dacht te zijn. Ergens onderweg zit die Medea. Niet de kindermoordenares. Maar de vrouw ervoor. De vrouw die roept: kijk dan wat ge met mij gedaan hebt. De vrouw die niet onmiddellijk wil verwerken, helen, loslaten, verbinden of dankbaar zijn voor de lessen die het universum haar alweer cadeau heeft gedaan. Fuck de lessen van het universum. Soms ben je kwaad. Razend kwaad. En ik weet nu dat de ergste woede soms heel stil is. En dan moet je gewoon gaan staan. Staan. Er staan. Niet flink. Niet geheeld. Niet met een of andere kutquote over loslaten op Instagram. Gewoon recht. Met uw verdriet. Uw woede. Uw goesting om iemand zijn kop tegen een Griekse zuil te kloppen. Met alles wat niet netjes, vrouwelijk, redelijk of vergeven is. Met de duvel in uw lijf gekropen is. Blijf staan. Medea. Staan. ‘Dag Jason. Wat een schoon gedacht van u om naar hier te komen en uw schone jonge bruid achter te laten... Onnozelaar! '

Katrien Daniels
56 3

Start to zetel

Evy Gruyaert is nogal ne keer een patéke. Vroeger leerde ze ons lopen. Heel Vlaanderen hing hijgend aan haar stem terwijl zij opgewekt meldde dat we nog één minuut moesten volhouden. Ik heb meermaals gedacht dat mijn linkerlong langs mijn neus naar buiten zou komen, maar Evy bleef kalm. Goed bezig. Niet opgeven. Nog dertig seconden. Daarna leerde ze ons luisteren. Naar ons hoofd, ons lichaam, onze ademhaling en vermoedelijk ook naar organen waarvan we voordien niet wisten dat ze inspraak hadden. Tegenwoordig analyseert ze op Instagram of we wel genoeg in verbinding staan met onszelf en de wereld. Ik zag het passeren terwijl ik in de zetel koffie zat te drinken, met één oog op mijn gsm en het andere op een boek dat al drie dagen op dezelfde bladzijde lag. Ik dacht dat ik wat zat te niksen. Bleek dat ik tegelijk aan het vertragen, ontprikkelen, opladen, mindful lezen en qualitytime met mezelf aan het doen was. Ik was niet lui. Ik zat midden in een traject. Een mens mag tegenwoordig niet meer gewoon moe zijn. Ge zijt overprikkeld. Ge moogt niet in de zetel liggen, ge moet uw zenuwstelsel reguleren. Ge gaat niet met vakantie, ge gaat herbronnen. En als ge na vier dagen terugkomt zonder iets te hebben losgelaten, geheeld of gemanifesteerd, hebt ge uw verlof eigenlijk verkeerd gedaan. Mijn laatste vakantie bestond uit zetelhangen, vrienden zien, koffiedrinken en boeken lezen. Vroeger heette dat vakantie. Vandaag is dat een holistisch vierdaags programma rond vertraging, verbinding, verstilling en persoonlijk herstel. Had ik één keer op blote voeten in het gras gestaan, dan mocht ik er vermoedelijk ook een factuur voor maken. Een halve dag in de zetel liggen is decompressie. Een boek lezen is bewust offline gaan. Koffie drinken is een mindful ritueel en een vriendin zien is qualitytime. Als ge ondertussen over andere mensen praat, is het geen roddelen maar samen emoties verwerken. En als ge na de vierde koffie hartkloppingen krijgt, is dat uw lichaam dat eindelijk iets probeert duidelijk te maken. Ik woon alleen, dus volgens de huidige terminologie baat ik een permanent me-timecentrum uit. Toch ziet het er minder chic uit dan op Instagram. Er staan geen geurkaarsen naast mijn bad. Ik eet soms een sneetje kaas recht uit de verpakking terwijl de koelkastdeur nog openstaat. Dat voelt niet onmiddellijk als selfcare, maar leg diezelfde kaas op een keramieken bord, strooi er twee walnoten naast en noem het intuïtief eten en ge kunt er zestig euro voor vragen. Me-time was vroeger trouwens gewoon: “Ik wil vanavond niemand zien.” Uw sociale batterij was niet leeg. Ge kondt gewoon geen volk verdragen. Ge hoefde daar geen infographic over te delen. Ge deed de gordijnen dicht, nam uw telefoon niet op en als iemand de volgende dag vroeg waar ge waart, zei ge: “Thuis.” Dat was een volledig antwoord. Dan hebt ge nog de mentale detox. Ik lees dat hardnekkig als metalen detox en zie dan iemand met een grote magneet alle paperclips, bh-beugels, winkelkarmuntjes en oude gourmetvorken uit mijn hoofd trekken. Maar een mentale detox betekent blijkbaar dat ge even geen nieuws leest en niet op sociale media zit. Daar moet ge dan wel eerst een foto over plaatsen op sociale media. Meestal twee blote voeten aan een zwembad met daaronder: Even helemaal offline. En vervolgens om de drie minuten kijken hoeveel hartjes uw offline zijn al heeft opgebracht. Mijn favoriete modewoord blijft verbinden. Op mijn werk hoor ik het zo vaak dat ik voortdurend zin krijg om een verlengkabel te halen. Alles moet verbinden. Een voorstelling mag niet gewoon mooi, ontroerend of plezant zijn. Ze moet mensen samenbrengen, bruggen slaan, dialoog creëren, talent laten groeien en de sociale cohesie duurzaam versterken. Vroeger ging ge bij iemand langs. Die zette koffie. Geen zorgvuldig geselecteerde boon die met de hand gemalen werd tijdens een ademhalingsoefening. Gewone koffie. Uit een machine, zo èèn met een papieren filter en gemalen koffie. Er kwam een doos koekjes op tafel die al drie regeringen had meegemaakt. Ge praatte over de kinderen, uw werk, uw rug en die ene mens die op het rondpunt zijn pinker niet had gebruikt. Iemand zei: “Allez, nog eentje dan”, en schonk voor de vijfde keer bij. Tegen die tijd was de koffie een beetje bitter geworden. Drie uur later ging ge naar huis. Niemand zei bij het afscheid: “Wat fijn dat wij vandaag zo authentiek hebben mogen verbinden.” Ge zei: “We moeten dat meer doen.” Ook vakantie is intussen een opdracht met eindtermen geworden. We moeten vertragen, opladen, loslaten en dichter bij onszelf komen. Alsof we onszelf ergens onderweg aan een tankstation hebben achtergelaten. Mensen komen vermoeider terug van hun ontspanning dan ze vertrokken zijn. Ze hebben bij zonsopgang yoga gedaan, lokaal brood gebakken, in een bos gebaad, hun dankbaarheid opgeschreven en tijdens een stiltewandeling ruzie gekregen omdat iemand te luid ademde. Ik heb dat allemaal niet gedaan. Ik heb in de zetel gelegen. Ik heb koffie gedronken. Ik heb vrienden gezien. Ik heb een boek gelezen, ben na zes bladzijden in slaap gevallen en wakker geworden met de hoek ervan in mijn gezicht. Ik heb niets gemanifesteerd, behalve misschien een zak chips. Ik ben niet dichter bij mijn kern gekomen. Mijn kern lag mee onder het fleecedeken en had kruimels tussen haar borsten. En daarom stel ik voor dat Evy een nieuw programma maakt: Start to Zetel. We beginnen voorzichtig met tien minuten en bouwen in tien weken tijd op naar een volledige namiddag. Met Evy in onze oren. “Ontspan uw schouders. Negeer de deurbel. Reik rustig naar de chips. Nog negen minuten blijven liggen. Ge doet dat goed.” Ik schrijf mij onmiddellijk in.

Katrien Daniels
192 10

De Pelgrim

Ik ben voor een paar dagen in Frankrijk. In het noorden. Een beetje vakantie, een beetje vriendendienst en een beetje retraite. De precieze verhoudingen durf ik niet te zeggen. Sommige dagen voelen voor zeventig procent als vakantie, andere vooral als vluchten met een cultureel verantwoord excuus. En ik heb ze zo graag, die dagen waarop ik helemaal alleen op stap ben. In een land waar de taal tegelijk klinkt naar romantiek en chagrijn. Waar zelfs een parkeerverbod klinkt alsof iemand u eerst nog even in de nek zal kussen. Een land waar ze gul water en brood op tafel zetten nog vóór ge beslist hebt of ge de formule du midi zult nemen. Waar de bebouwde kom echt bebouwd is en dan ook ineens gedaan. Gewoon: huizen, een bord met een rode streep erdoor en daarna velden. Uitgestrekt, glooiend en leeg genoeg om uw hoofd eindelijk eens zijn mond te laten houden. Ik had de dag doorgebracht zoals een cultuurmens dat doet: met een bezoek aan een museum. Ge kunt mij drie dagen vrij geven en toch zal ik op een bepaald moment vrijwillig voor een schilderij gaan staan met mijn handen op mijn rug. Daarna was ik gaan cruisen door de velden. Raampje open, muziek aan en wegen volgen waarvan zelfs Google Maps leek te denken: als gij het echt wilt. Later bracht ik nog een bezoek aan Saint-Quentin. Gezellig. Mooi zelfs. Maar verwacht niet te veel. Dat is trouwens een uitstekende levenshouding, niet alleen voor Saint-Quentin. Voor de nacht had ik een kamer geboekt ergens in een gat met een naam die alleen door mijn gps werd onthouden. Zo’n plek waar rust nog gewoon rust is, gastvrijheid gastvrijheid en een badkamer iets wat ge deelt met mensen van wie ge hoopt dat ze ongeveer dezelfde normen hanteren als gij. De bedden piepten, de vloer ook en vermoedelijk had zelfs het nachtkastje iets te vertellen wanneer ge er een glas water op zette. Het fijne aan alleen reizen zijn de ontmoetingen. Alleen zijt ge beschikbaar voor de wereld. En ik geloof niet dat toeval bestaat. Dus zat daar die avond, aan de boord van een kanaaltje, bij een ondergaande zon die overdreven haar best deed, een Nederlander op mij te wachten. We waren allebei bijna kinderlijk blij dat we onze eigen taal konden spreken. Na een paar dagen Frans wordt een mens al gelukkig van iemand die zonder aarzelen begrijpt wat ge bedoelt met “amai”.  Hij was muzikant. Dat hielp. Voor we goed en wel wisten hoe de ander heette, hadden we al professioneel en cultureel een paar raakvlakken gevonden. We praatten over muziek, over jonge talenten en over hoe het is wanneer iemand op een podium nog niet heeft geleerd om zich kleiner te maken dan hij is. Over mensen die iets kunnen maar nog niet helemaal weten wat ze daarmee moeten aanvangen. En waarschijnlijk ook een beetje over onszelf. Want er komt blijkbaar een leeftijd waarop ge de dingen eens moet kunnen overschouwen. Niet omdat alles voorbij is, maar omdat er al genoeg achter u ligt om eindelijk een uitzicht te hebben. Ge kijkt naar wat ge hebt gedaan, wat ge nog wilt doen en welke stukken van uw leven ondertussen vooral bestaan uit veel lawaai en weinig muziek. Hij had beslist om dat nu te doen. Een paar maanden niets. Hij had zijn gitaar ingeruild voor een fiets. Amsterdam voor de onvoorspelbare wegen van de Camino. Optredens, afspraken en vertrouwde straten voor iedere ochtend opnieuw vertrekken zonder precies te weten wat de dag hem zou brengen. Geen strak schema. Geen agenda. Geen applaus. Alleen een fiets, een weg en Santiago ergens ver voor hem. En vertragen. Dat was toch de bedoeling. Hij was een week onderweg en dat laatste moest hij nog een beetje leren. Want ge kunt uw gitaar thuislaten, uw agenda leegmaken en Amsterdam achter u laten, maar uw eigen tempo fietst gewoon mee. Ge stapt niet op een fiets en wordt bij het eerste Franse dorp plots een zacht glimlachende pelgrim die bij iedere zonnebloem de zin van het leven begrijpt. Sommige mensen beginnen zelfs aan onthaasten met een strak dagschema. Ik vond dat geruststellend. We maken van vertrekken graag iets groots en zuivers. Alsof ge bij het overschrijden van een grens automatisch alles achterlaat wat zwaar is. Maar zo werkt het niet. Uw twijfels reizen gratis mee. Uw onrust hoeft geen kamer te boeken. Uw gedachten zitten achterop en vragen om de paar kilometer of het nog ver is. Misschien is dat net de Camino. Niet de weg naar Santiago, maar de afstand die ge nodig hebt om eindelijk wat trager te worden dan uw eigen hoofd. Ik keek naar hem en voelde iets wat verdacht veel op bewondering leek. Misschien ook een beetje jaloezie. Niet op de kilometers, begrijp me niet verkeerd. Mijn spirituele ontwikkeling kent grenzen en zadelpijn hoort daar voorlopig niet bij. Maar wel op de eenvoud. Eén weg. Eén richting. Een paar maanden waarin ge niet voortdurend iets moet beantwoorden, organiseren of uitleggen. Een pelgrim hoeft ’s morgens niet te beslissen wie hij wil zijn. Hij moet alleen vertrekken. Hij zou de volgende ochtend opnieuw op zijn fiets stappen. Altijd in dezelfde richting, dichter bij Santiago. Hopelijk ook een beetje dichter bij het tempo waarnaar hij op zoek was. Ik zou mijn gps aanzetten en verder rijden naar plekken waarvan ik de naam niet kon onthouden. Een beetje vakantie, een beetje vriendendienst en een beetje retraite. Zonder fiets, zonder schelp aan mijn rugzak en voorlopig ook zonder maandenlange sabbatperiode. Maar wel met een ontmoeting die daar volgens mij niet toevallig aan dat kanaaltje zat. Misschien hoeft een pelgrim niet altijd naar Santiago. Misschien is het soms al genoeg dat ge vertrekt. Dat ge alleen door vreemde velden rijdt, met iemand praat die ge gisteren nog niet kende en onderweg even stilstaat bij waar ge vandaan komt.  

Katrien Daniels
119 9

De geur van een Palaroid

Cadzand is altijd een goed idee. Als ik het gevoel heb dat de wereld precies een spelletje speelt waarvan iedereen de regels kent, behalve ik. Als ik weer dat kind ben dat op de speelplaats net iets te laat vraagt of het nog mag meedoen. Of wanneer alles zo hard begint te roepen dat ik mezelf niet meer goed hoor. Dan rij ik naar Cadzand. Daar kunt ge ademen. Echt ademen. Er zijn polders, fietspaden, duinen en van die houten palen op het strand die daar al decennialang staan. Wind? Prima. Storm? Ook goed. Hoogwater? Kom maar op. Ze lijken zich nergens druk om te maken. Alsof ze willen zeggen: Rustig maar, meisje. De zee heeft al erger gezien. Daarom hou ik zo van Cadzand. Maar er is meer. Tussen die duinen en die polders ligt een heel album vol Polaroids van mijn kindertijd. Van die foto's met afgeronde witte randjes, waarvan de kleuren stilaan zijn vervaagd. Waarop ik rondloop met een blond vlaskopje, een sponsen shortje, een Mickey Mouse T-shirt en knieën die nooit helemaal genezen zijn. Foto's waarop de zon altijd schijnt, vakanties eindeloos duren en niemand ooit op de klok kijkt. Op camping De Hoogte. In een stacaravan. Bij bomma en bompa. Daar hoefde ge nooit te vragen of ge mocht meedoen. Ge pakte uw fiets en tegen dat ge aan het einde van de camping waart, waart ge alweer iemand tegengekomen. We reden urenlang rondjes zonder bestemming, gewoon omdat het kon. Tegen de avond verzamelde iedereen zich aan de petanquebaan. De volwassenen gooiden met bloedernstige gezichten metalen ballen naar een klein houten balletje. En wij stonden erachter alsof België elk moment olympisch goud kon winnen. Ge had niet veel nodig in de jaren tachtig. Als het donker werd, doken we ergens een caravan binnen om Super Mario Bros te spelen. Of te kijken hoe iemand anders speelde. Dat weet ik eigenlijk niet meer.  Dat was vakantie. Maar van al die Polaroids is er één die altijd scherper is gebleven dan de rest. Die van de ochtenden. Elke ochtend stond bompa als eerste op. Hij bakte spek. Nog voor mijn ogen goed open waren, kroop die geur al door de caravan. Een mengeling van een beslapen hoofdkussen, warme caravan, koffie en spek dat lag te sissen in een pan waarvan geen enkele cardioloog vandaag nog de inhoud zou goedkeuren. Mijn zus en ik kwamen dan in ons zomerslaapkleedje aangeschuifeld. Bompa keek naar de pan. Dan naar ons. Wij naar de pan. Hij schoof de pan een beetje dichterbij en zei samenzweerderig: "Dopt er maar eens in." Alsof hij ons zojuist had ingewijd in een geheim genootschap. Wij pakten onze boterham en dopten die schaamteloos in het warme spekvet. Bompa keek goedkeurend toe. In de jaren tachtig bestond cholesterol volgens mij gewoon nog niet. Vandaag is Cadzand veranderd. Veel zelfs. Er zijn prachtige appartementen gekomen. Mooie restaurants. Strandpaviljoens waar ge dingen kunt bestellen waarvan mijn bompa waarschijnlijk eerst drie keer zou gevraagd hebben wat het precies was en daarna toch gewoon een koffie zou genomen hebben. Wanneer ik daar ben, stop ik nog altijd aan camping De Hoogte. Ik parkeer mijn auto en loop een beetje verlegen de camping op. Alsof iemand elk moment kan vragen wat ik daar eigenlijk kom doen. En eerlijk? Ik zou het antwoord niet goed weten. Even kijken. Even ruiken. Want het vreemde is: het ruikt daar nog altijd naar vroeger. De beits van de grote schuur wanneer ge binnenkomt. Het rubber van de banden aan de speeltuin. De caravans die warm worden in de zon. Gras. Polder. Een beetje zee. En ergens tussen al die geuren.. het spek van bompa. Geuren zijn vreemde dingen. Ze trekken zich niets aan van tijd. Ze sleuren u zonder waarschuwing veertig jaar terug. Plots zijt ge geen vrouw meer die met een hoofd vol zorgen naar Cadzand is gereden. Ge zijt weer dat meisje met een blond vlaskopje, een sponsen shortje en een Mickey Mouse T-shirt. En ge zit met een stuk brood in uw hand te wachten tot bompa heel even glimlacht en de pan naar u toe schuift om te doppen. Bompa zei eigenlijk nooit dat hij ons graag zag. Dat deden mannen van zijn generatie niet. Die bakten spek. Die repareerden uw fiets. Die wachtten tot iedereen aan tafel zat. Die legden zonder iets te zeggen het beste stukje op uw bord. En die keken. Met zo'n blik waarvan ge als kind nog niet wist dat ge hem later uw hele leven zou proberen terug te vinden. Misschien rij ik daarom nog altijd naar Cadzand. Niet voor de zee,  maar omdat daar nog altijd een klein stukje wereld bestaat waar ze niet zeggen dat ze u graag zien. Ze bakken spek en ze schuiven de pan een beetje dichterbij.

Katrien Daniels
58 5

Meisje van bijna 50

Ik vraag me al een tijdje af op welk moment, welk exacte moment een mens oud wordt. Niet écht oud. Dat is nog een ander hoofdstuk. Ik bedoel het moment waarop de buitenwereld stilletjes beslist dat ge niet langer bij de jonge mensen hoort. Ik dacht eerst dat het mijn haar was. Dat wordt grijs. Ik probeer dat sportief op te nemen. Echt waar. Ik heb helemaal niets tegen grijs haar. Bij andere mensen vind ik dat zelfs mooi. Karakter. Ervaring. Charme. Alleen heb ik precies het soort grijs haar waardoor mensen spontaan beginnen te vragen hoe lang het nog duurt voor mijn pensioen. En dan trekt het laatste kind het huis uit. Plots woonde ik alleen. Geen geroep meer dat de shampoo op was. Niemand die om tien uur 's avonds nog bitterballen in de airfryer gooide. Geen schoenen meer midden in de gang. Dacht ik. Tot ik na drie dagen besefte dat die schoenen... van mij waren. Blijkbaar was ik al die jaren zelf de huisgenoot waar ik me mateloos aan kon ergeren. Misschien begint ouder worden daar. Wanneer ge ruzie krijgt met uzelf. Vorige week kreeg ik op de Lokerse Feesten het volgende signaal. Ik keek rond en dacht: Amai... wanneer zijn al die oude mensen hier binnengeraakt? Overal mannen met bierbuiken die eruitzagen alsof ze al vijftien jaar gingen beginnen lopen. Van die indrukwekkende grijze baarden waardoor ge spontaan "meneer" zegt. Mensen die niet meer dansen, maar voorzichtig meebewegen. Niet op het ritme van de muziek, maar op het ritme waarop hun knieën het nog net verantwoord vinden. Er liepen opvallend veel mensen rond met een trui rond hun middel. Niet omdat dat plots weer mode was, maar omdat ge weet dat het na tien uur fris wordt. En de vrouwen... die hadden allemaal een handtas mee waar ge zonder problemen een klein Decathlon-filiaal mee kunt openen. Een regenjas. Een leesbril (uiteraard! Een leesbril!). Lippenbalsem. Een powerbank. Pleisters. Een Dafalgan. Waarschijnlijk ook nog een pepermuntje. Vroeger zocht ik op een festival de toog. Nu betrapte ik mezelf op de gedachte: "Amai... die toiletten zijn hier eigenlijk proper." En toen hoorde ik mezelf ook nog zeggen: "Zullen we stilletjes vertrekken? Dan zijn we de file voor." Dat was het moment waarop ik besefte dat ik niet naar oude mensen stond te kijken. Ik was één van die oude mensen.  Maar de echte genadeslag kwam deze zomer op kamp. Ik stond aardappelen te schillen toen een jongetje van zes naast mij kwam zitten. Kinderen zijn fantastische wezens. Ze zeggen altijd de waarheid. Ook wanneer niemand daarom gevraagd heeft. Hij keek een hele tijd naar mij. Heel aandachtig. En vroeg toen: "Jij bent al zestig, hè, moeke?" Ge kent dat gevoel dat uw hart heel even stopt, terwijl ge tegelijkertijd al uw rimpels voelt? "Nee hoor," zei ik. "Bijna vijftig." Hij dacht daar misschien drie seconden over na. "Da's eigenlijk bijna hetzelfde." Er zijn discussies die ge niet kunt winnen. Ik heb hem nog een extra worst gegeven. Niet omdat hij gelijk had, maar omdat ik op mijn leeftijd geleerd heb dat zwijgen goud is. Misschien is dát ouder worden. Niet dat ge u oud voelt. Maar dat ge steeds vaker mensen tegenkomt die u eraan herinneren. Al moet ik eerlijk toegeven... Ik word nog altijd verliefd alsof ik zestien ben. Ik zet de radio nog altijd veel te luid. Ik ga nog altijd naar de Lokerse Feesten. Alleen kom ik tegenwoordig thuis met twee conclusies: Het is goed waar de toiletten proper zijn en dat manneke, die krijgt volgend jaar spruiten.

Katrien Daniels
57 1

Viswijven

Op kot leert ge al snel dat er twee soorten mensen bestaan. Mensen die hun leven op orde hebben. En mensen zoals ik. Els hoorde zonder enige twijfel bij de eerste categorie. De kamer recht tegenover de mijne. Zij had een bed dat opgemaakt was. Ik had een bed waarvan ge soms niet meer wist welke kant boven lag. Zij had yoghurt in de koelkast die niet over datum ging. Ik had vooral goede bedoelingen en een collectie koffietassen met een biologisch experiment onderaan. Els kon zonder moeite een weekmenu maken. Ik leefde volgens het gastronomische principe: we zien wel. Wij hadden een waterdicht plan voor als onze studies grandioos zouden mislukken. Wij gingen surimi, garnalen en wulken verkopen aan de kaai van Oostende. Niet zomaar een viskraam. Wij gingen de twee gezelligste viswijven van de kaai worden. Mensen zouden eigenlijk geen garnalen komen kopen. Ze zouden blijven plakken voor de sfeer. Voor een babbeltje. Voor een gratis levensadvies tussen de wulken. Achteraf bekeken hadden we geen flauw idee hoe ge een viskraam runt. Maar we waren er wel rotsvast van overtuigd dat we fantastische viswijven zouden zijn. Het is er nooit van gekomen. Wij konden uren praten. Over alles en niks. En vooral over dingen die een normaal mens nooit bedenkt. Toen mijn goudvis stierf, vonden wij dat een begrafenis op zijn plaats was. Niet zomaar een minuut stilte boven de wc-pot. Nee. Een plechtigheid. Met speeches. En omdat een goede uitvaart ook een koffietafel verdient, aten wij achteraf fishsticks.  En dan was er het Songfestival. Volgens Els en mij is het nog altijd een schande dat de finale geen officiële betaalde feestdag is. Ge kunt toch niet verwachten dat mensen de dag nadien productief zijn nadat ge tot één uur 's nachts hebt gediscussieerd over de puntentelling van Moldavië?  Dat soort avonden. Van die avonden die ge later onmogelijk kunt uitleggen zonder dat iemand zich zorgen begint te maken. En daarna gebeurde wat altijd gebeurt. Het leven. Voor Els ging dat wonderwel volgens plan. Ze bouwde samen met haar vriendin een warm en rustig leven uit. Zo'n huis waar ge spontaan uw schoenen wilt uitdoen. En vier prachtige dochters die het bewijs zijn dat sommige dromen gewoon uitkomen. Ik maakte van mijn leven eerder een opstapeling van plots uit een weekendfilm. Met iets te veel onverwachte wendingen, een paar personages die ge halverwege liever had herschreven en gelukkig ook af en toe een scène waarvan ge denkt: daarvoor kijkt een mens nu televisie.   En wij. Wij bleven elkaar horen. Soms zat er een paar maanden tussen. Soms nog wat langer. Maar dat bleek nooit een probleem. Een vriendschap tussen twee toekomstige viswijven heeft blijkbaar maar een halve pannenkoek nodig om opnieuw midden in een gesprek te belanden dat dertig jaar geleden even was onderbroken. Els heeft trouwens altijd volgehouden dat ze eigenlijk met mij had moeten trouwen. Dat ik ooit wel zou inzien dat mannen mij vooral veel kopzorgen hebben bezorgd en dat zij al die tijd gewoon geduldig op mij heeft gewacht. Ik heb haar beloofd dat ik haar haar zin geef. Later. In het woonzorgcentrum. Dan racen we met onze scootmobielen door de gangen, leiden we de nachtwakers af zodat we nog uren kunnen babbelen en doen we alsof we opnieuw op kot zitten. En daarna eten we fishsticks. Dat viskraam....Dat vind ik nog altijd een gemiste kans.

Katrien Daniels
114 2

Geblokkeerd!

Ik heb iemand geblokkeerd. Kijk. Het is eruit. Alleen al die zin voelt alsof ik iets moet opbiechten. Alsof ik moet toegeven dat ik ananas op mijn pizza leg. Of applaudisseer wanneer het vliegtuig geland is. Zo'n bekentenis waarvan ge weet dat de helft van de mensen u vanaf nu een beetje anders bekijkt. Ik ben namelijk helemaal geen blokkeerder. Ik ben iemand die nog zwaait naar mensen die mij al lang niet meer zien. Ik ben van "we moeten dat ooit nog eens gaan drinken", ook al weten we allebei dat dat nooit gaat gebeuren. Ik ben van recht in elkaars ogen kijken, zelfs als dat lastig is. Van deuren die zachtjes dichtvallen. Niet van diegene die ge met een stamp moet dichttrekken terwijl er langs de andere kant nog iemand roept. Ik ben zelfs slecht in WhatsApp-groepen verlaten. Ge kent dat wel. Zo'n oudergroep van de lagere school waar uw kind intussen al lang afgestudeerd is. Of de groepschat om de barbecue van de familie te organiseren. De barbecue die uiteindelijk nooit is doorgegaan omdat nonkel Jos corona had, tante Rita ruzie kreeg met de schoonzus en sindsdien alleen nog iemand "proficiat" stuurt als er een jarige is. Ik blijf daar dan gewoon in zitten. Uit beleefdheid. Alsof iemand op een dag wakker wordt en denkt: amai... Katrien heeft de groep verlaten. Dat doet toch een beetje pijn. Dat is mijn niveau van conflictvermijding. Ik geloof nogal in afscheid nemen zonder brokken. In elkaar nog kunnen groeten. In een knikje op straat. In een oprechte "zorg goed voor uzelf". Ge moet niet met iedereen vrienden blijven, maar ge moet ook niet doen alsof iemand plots nooit bestaan heeft. Dat was toch het plan. Tot mijn gsm besliste dat we een andere richting uitgingen. Ping. Een kwartier later. Ping. Nog eens een kwartier later. Ping. Op den duur begon ik mijn telefoon scheef te bekijken. Ik hoorde hem trillen terwijl hij stil lag. Fantoomtrillingen bestaan blijkbaar echt. Elke melding voelde alsof er iemand aan mijn voordeur stond die bleef aanbellen terwijl ge de gordijnen al dicht hebt gedaan, de lichten uit zijn en ge ondertussen al in uw pyjama met een zak chips in de zetel zit. Ge probeert dat eerst beleefd op te lossen. Dan duidelijk. Dan antwoordt ge niet meer. En uiteindelijk voert ge discussies met uzelf. "Misschien moet ik toch nog één keer antwoorden." "Nee, want dan begint het weer." "Ja, maar misschien begrijpt hij het nu." Dat "misschien" is trouwens een gevaarlijk woord. Er zijn relaties op gebouwd, oorlogen mee begonnen en vrouwen die daardoor om half drie 's nachts nog altijd wakker liggen. Ik heb zelfs eerst gegoogeld of iemand ziet dat hij geblokkeerd is. Niet omdat ik van gedacht wilde veranderen, wel omdat ik mij al op voorhand schuldig voelde. Dat type mens ben ik dus. Iemand die zich zorgen maakt over de gevoelens van iemand die haar al een hele nacht wakker houdt. Dus heb ik het gedaan. Ik drukte op blokkeren. Niet met veel overtuiging. Eerder met dezelfde tristesse waarmee ge eindelijk dat kamerplantje weggooit waarvan ge al drie maanden zegt: "Nee, nee... die trekt nog wel bij." Terwijl er eigenlijk alleen nog een zielige bruine stengel in de pot staat. En toen... Stilte. Het gekke is dat ik daar niet blij van werd. Eerder een beetje verdrietig. Want ik blijf geloven dat de mooiste eindes degene zijn waarbij ge elkaar jaren later nog eens tegenkomt aan de kassa van de Colruyt. Allebei een veel te grote zak kattenbakvulling in de kar. Ge glimlacht. Ge zegt "alles goed?" en ge meent dat ook. Zonder verwijten. Zonder theater. Gewoon twee mensen die ooit een stukje van elkaars verhaal waren. Maar niet elk verhaal krijgt zo'n einde. Sommige mensen blijven zo lang op uw deur kloppen dat ge uiteindelijk de bel moet afzetten. Niet omdat ge hen haat, maar omdat ge ook nog een beetje graag thuiskomt bij uzelf. 

Katrien Daniels
133 3

De nieuwe mosselen

Ik had nooit gedacht dat ik ooit een column over mosselen zou schrijven. En toch. Niet omdat ik plots een culinaire recensent geworden ben. Wel omdat mosselen mij iets geleerd hebben over mensen. Iedereen heeft namelijk een mosselritueel. "Waar gaan jullie de eerste eten?" Dat is een volkomen normale vraag. Bij tante Roza. In 'De Gulden Draak'. Op de dijk in Nieuwpoort. Altijd dezelfde zaak. Altijd hetzelfde tafeltje. Alsof de eerste mosselen alleen officieel geopend worden als ze op de juiste plaats gegeten zijn. En dan begint de analyse. Zijn ze groot genoeg? Goed gevuld? Welke soort? Eén kilo of twee? Nonkel Marc vindt dat een kilo vooral dient om de honger wat wakker te maken, die gaat resoluut voor de twee kilo....'om mee te beginnen ' Ik kijk daar met veel bewondering naar. Want tegelijk vraag ik mij af waarom we dat met niets anders doen. Niemand zegt in april: "Waar gaan we dit jaar de eerste steak-friet eten?" Of: "Het is zover. Tijd voor de eerste vol-au-vent van het seizoen." We hebben geen vaste stoverijdag, geen jaarlijkse opening van de vidéekroketten en ook de eerste spaghetti van het jaar passeert geruisloos. Alleen mosselen krijgen een openingsceremonie. En nog eigenaardiger wordt het na die eerste pot. "Ik heb er dit jaar al gegeten." "Meer dan drie keer hoeft dat voor mij niet."."Dan is de charme eraf." Dat vind ik een wonderlijke zin. Want niemand zegt dat over frieten. Of over koffie. Of over chocolade. Blijkbaar worden mosselen alleen lekker omdat ze schaars zijn. Alsof ge ze een beetje moet missen om ze graag te blijven zien. Ik weet niet of dat waar is. Ik weet alleen dat een mossel in kokosmelk met curry ook heerlijk is. Dat ge ze tegenwoordig bijna het hele jaar kunt eten. En dat ik nog nooit iemand heb horen zeggen: "Verdorie, die was te lekker. Volgend jaar misschien maar weer." Misschien zijn wij Vlamingen gewoon bang dat overvloed iets kapotmaakt. Dat geluk minder waard wordt als het te vaak passeert. Ik geloof stilaan het omgekeerde. Misschien is iets niet bijzonder omdat het zeldzaam is. Misschien is het bijzonder omdat ge er telkens opnieuw van kunt genieten alsof het de eerste keer is. En als ge mij zoekt... ik zit waarschijnlijk ergens aan een pot mosselen. Al voor de vierde keer. Zonder schuldgevoel.

Katrien Daniels
52 2

De kunst van het loslaten

Eind juli 2002 werd hij geboren. Mijn eerstgeborene. Mijn eerste vruchtje. Mijn Betterfoodkindje. Mijn volmaakt zelfgemaakt gelukje. Meer dan vier kilo zwaar en vijfenvijftig centimeter lang. Hij was bij de geboorte precies al half vertrokken in het leven. Alsof hij onderweg gedacht had: kom, ik neem ineens een voorsprong. We gaven hem een naam die klonk als een grote, stevige beer. En dat werd hij ook. Groot. Een hoog knuffelgehalte. Geen kerel die ge zomaar omver blaast. Eerder eentje waarvan ge denkt: die trekt zijn plan wel. En dan begon het. Van wieg naar maxi-cosi. Van de kleine schuifaf in de veranda naar juf Frieda. Van een vuilgeravotte speelclubber die met grasvlekken, schrammen en modder thuiskwam, naar leider van een hele bende kinderen die nu naar hem opkijken zoals hij vroeger naar zijn leiders opkeek. En ergens tussen al die gewone dagen groeit een kind op. Dat is misschien nog het strafste van heel het verhaal. Ge ziet het niet gebeuren. Ge denkt dat ge nog alle tijd van de wereld hebt. Dat die kleine hand altijd in de uwe zal passen. Dat ge nog jaren boterhammen zult smeren, turnpantoffels zult zoeken en boterhamdozen uit schooltassen zult vissen. Tot ge op een dag beseft dat ge eigenlijk al een hele tijd naar een volwassen mens zit te kijken. Ik denk dat ik dat zelf pas voor het eerst doorhad bij de huisarts. Hij zal een jaar of veertien geweest zijn. Griep. De dokter vroeg of ik hem al een paracetamol had gegeven. "Ja," zei ik. "Een vijfhonderdje." Hij keek eens naar hem. Dan naar mij. En hij begon te lachen. "Katrien," zei hij. "Hij is ondertussen een kop groter dan gij. Ik denk dat hij gerust een duizendje aankan." Aja. Juist. Dat was dus ongemerkt gebeurd. Hij was groter geworden dan zijn moeder. En nu zijn we eind juli 2026. Net als vierentwintig jaar geleden voelt het een beetje alsof we in verwachting zijn. Niet van een baby deze keer, maar van een nieuw hoofdstuk. Plots gaat het thuis niet meer over tutjes en pampers, maar over IKEA-meubels. Over een bed en een matras. Over glazen, borden en bestek. Over handdoeken, een vuilnisbak en een droogrek. Ge staat ineens met een winkelkar vol dingen waarvan ge nooit gedacht had dat ge die ooit cadeau zou doen. Een vergiet. Een wc-borstel. Een afdruiprek. Een snijplank. Een emmer. Volgende maand trekt mijn eerstgeborene de deur achter zich dicht. Niet voorgoed, gelukkig. Maar wel om zijn eigen leven te beginnen. Ze zeggen dat opvoeden loslaten is. Ik weet eigenlijk niet of dat waar is. Ik denk dat opvoeden vooral hopen is dat ge genoeg hebt meegegeven. Niet alleen de grote dingen. Waarden en normen, liefde en respect. Maar ook de kleine dingen. Dat hij weet hoe een wasmachine werkt. Dat ge witte was niet bij rode steekt. Dat ge een pan niet met een mes uitkrabt. En voor de rest... Voor de rest trekt hij zijn plan wel. Dat deed hij eigenlijk altijd al. Ik ga mij daar ook wel in moeten oefenen.   Maar ik ga hem toch nog één keer bellen. Gewoon om te vragen of hij ook aan een pepermolen gedacht heeft.

Katrien Daniels
56 5

Lenn en zijn bord spaghetti

Ik ben op kamp. Mijn vijftiende kamp ondertussen.  Vijftien kampen, dat wil zeggen massa’s gehakt en ajuinen. Hoeveel kilo precies weet ik niet, maar vermoedelijk genoeg om een bescheiden frituur een jaar draaiende te houden. Het betekent elk jaar minstens één plakker door een iets te enthousiast mes en minstens twee brandwondjes door opspattend bakvet. Vijftien jaar ervaring heeft mij op culinair vlak veel geleerd, maar blijkbaar nog altijd niet dat heet vet echt heet is. Vijftien kampen zijn ook vijftien jaar anekdotes. Kamphuizen waarvan ge de kampbaas ondertussen kent. Kringwinkels in godvergeten dorpen waar ge binnenstapt voor iets wat ge écht nodig hebt en buitenkomt met een gordijn dat perfect dienst kan doen als tafellaken en een koffiemok met Wild Animal erop. Er zijn keukens geweest waarin ge met drie mensen tegelijk uw gat niet kon keren en toch voor een kleine volksverhuizing moest koken. Afwasbergen waarop een bekende bergbeklimmer spontaan zijn stijgijzers zou hebben aangetrokken. Regenweken, hittegolven, vergeten ingrediënten en maaltijden die door een kleine culinaire interventie plots een totaal andere naam kregen dan oorspronkelijk op het menu stond. En er waren chirojongen. Heel veel chirojongens. Sommige passeren een paar jaar door uw kampkeuken en verdwijnen daarna weer uit beeld. Andere blijven hangen. Lenn bijvoorbeeld. De grote Lenn, moet ik tegenwoordig zeggen. Hij was helemaal geen Chirojongen pur sang. Hij werd nen echten toen hij een jaar of tien was. Ik weet dat nog omdat ik hem op zijn eerste kamp zag passeren met een bord spaghetti. Dat is mijn eerste echte beeld van Lenn. Geen grootse entree. Geen tromgeroffel. Gewoon een manneke met een bord spaghetti. Later bleek hij ook nog probleemloos te geloven dat we op dag twee spruiten zouden eten. Uiteraard. Voor het slapengaan passeerde hij nog heel even stiekem op mijn schoot. Niet te lang. Ge waart tenslotte op kamp en er was een reputatie hoog te houdenm Daarna werd Lenn groter. Op een bepaald moment zat hij niet meer stiekem op mijn schoot, maar stond hij naast mij aan de afwas en keelden wij samen 'Als ze lacht'. De afwasborstel als microfoon, de kampkeuken als Sportpaleis en een publiek dat vooral niet weg kon omdat de borden nog vuil waren. Nog wat later kwamen de meisjes. En dus ook de gesprekken over de liefde. Ik leerde Lenn de geheimen ervan. Ik had daar blijkbaar verstand van. Zo leerde ik hem dat ge met schaarste ook liefde kunt oogsten. Dat hij zijn lief dus vooral niet té veel brieven moest schrijven. Doseren, Lenn. Een beetje mysterie. Ge moet een mens ook de kans geven u te missen. Ik verkondigde dat met het gezag van een vrouw die duidelijk alle geheimen van de menselijke liefde had ontsluierd en toevallig op dat moment kilo’s ajuinen stond te snijden in een kampkeuken. En nu is Lenn bijna leider. Volgend jaar. Samen met de andere lieverds van zijn groep. En dan kijk ik hier rond en loopt er ineens weer een kleine Lenn. Een andere Lenn. Op zijn eerste kamp. Hij komt zijn bord spaghetti halen en deelt mij plagend mee dat die van zijn eigen moeke lekkerder is. Uiteraard. Ik kijk naar hem en ineens zie ik ze allebei. De grote Lenn met zijn spaghetti van toen. De kleine Lenn met zijn spaghetti van nu. De ene staat op het punt leider te worden. De andere moet nog ontdekken wat kamp eigenlijk is. Hoe lang een week kan duren. Welke liedjes ge uit volle borst moet meebrullen. Welke verhalen ge later honderd keer opnieuw zult vertellen en waarom eten op kamp nooit zo lekker is als dat van uw eigen moeke. Ergens tussen die twee Lenns liggen al die jaren. De spruiten die er nooit kwamen. Een schoot voor het slapengaan. 'Als ze lacht' boven een berg vuile afwas. Liefdesbrieven die met mate verstuurd moesten worden. En heel veel spaghetti.

Katrien Daniels
109 3

Gepasseerde stations

Spijt, dat is een vreemd woord. Het spijt me. Ik heb er spijt van. Spijtig dat. Drie keer ongeveer hetzelfde en toch telkens een heel ander gewicht. Soms is spijt een station waar ge liever nooit waart uitgestapt. Een bruut woord dat eigenlijk niet gezegd moest worden. Een deur die ge iets te hard hebt dichtgeslagen. Iemand die ge pijn hebt gedaan terwijl ge die mens net graag zag. Een verdriet dat ge nooit helemaal hebt uitgepraat omdat ge dacht dat er later nog wel tijd voor zou zijn. En soms is spijt net het omgekeerde: een station waar ge níét zijt uitgestapt. Ge ziet het nog liggen als ge achteromkijkt. Dat jaar dat ge toch niet naar het buitenland ging. Die grote liefde die misschien een grote liefde had kunnen worden als ge op het juiste moment iets moediger, slimmer of gewoon minder koppig waart geweest. Dat ene grote verhaal waaraan ge nooit begonnen zijt. Ik heb van best veel dingen spijt. Ik heb  tijdens mijn dwaaltochten mensen gekwetst die ik graag zag. Niet omdat ik dat wilde, maar omdat een mens soms verdwaalt en onderweg nogal onhandig met zijn bagage tegen andere mensen hun benen botst. Daar heb ik spijt van. Dat zijn stations waar ik niet wilde zijn. Maar er zijn ook de gemiste stations. Bij mij heet er eentje: de toneelschool. Ik wilde ooit iets met theater doen. Nu klinkt dat meteen alsof ik op mijn zestiende voor de spiegel stond met een haarborstel als Oscar in mijn hand, ervan overtuigd dat de wereld eigenlijk maar één probleem had: dat ze mij nog niet ontdekt had. De grote actrice worden. Premières. Rode lopers. Interviews waarin ik ernstig zou vertellen dat ik “heel dicht bij mezelf moest blijven voor deze rol”. Een zonnebril dragen binnen. Op de cover van een tijdschrift staan met als titel: Katrien zoals je haar nog nooit zag. Mensen die fluisteren wanneer ik bij de bakker binnenkom en ik die daar dan heel naturel mee omga. Dat dus niet. Ik wilde dramadocent worden. Of dramatherapeut. Veel kleiner. Ik wilde in een lokaal staan met mensen voor wie spreken soms moeilijker was dan zwijgen. Met kinderen die zichzelf groter konden spelen dan ze zich voelden. Met volwassenen die via iemand anders misschien eindelijk iets over zichzelf konden zeggen. Ik wilde verhalen gebruiken om mensen ergens te krijgen waar gewone woorden niet altijd geraken. Dat leek mij schoon. Nog altijd eigenlijk. Ik heb het nooit gedaan. Misschien vind ik dat nog het meest spijtige: niet dat ik het niet geworden ben, maar dat ik zelfs de kans niet heb gekregen om erin te mislukken.bGe kunt dan tenminste zeggen: ik heb het geprobeerd. “Kan dat nu niet meer?” vroeg hij. Ik lachte. Nee. Ik ben bijna vijftig. Ik denk dat de grote doorbraak stilaan problematisch wordt. Niet onmogelijk natuurlijk. Straks word ik op mijn tweeënvijftigste alsnog ontdekt terwijl ik in de Colruyt sta te discussiëren over een rode prijs. Voor ge het weet speel ik de hoofdrol in een prestigieuze Netflixreeks, sta ik in Cannes op een rode loper en moet ik in De afspraak komen uitleggen hoe ik al die jaren “heel bewust uit de schijnwerpers ben gebleven”. Ge weet nooit. Maar dat was de droom dus niet. En misschien is dat precies wat er soms zo zeer doet aan gemiste stations. Dat ge het niet hebt geprobeerd. Spijt doet ons graag geloven dat treinen maar één keer passeren. Dat ge op uw achttiende had moeten weten wie ge op uw vijftigste wilde zijn. Ik weet niet wie dat spoorboekje heeft opgesteld, maar ik begin te vermoeden dat het niet klopt. Want ik schrijf. Altijd al gedaan eigenlijk. In schriftjes, op computers, in mijn hoofd, midden in de nacht, op servetten en waarschijnlijk ooit nog op de achterkant van een elektriciteitsfactuur. Ik verzin mensen. Ik geef ze woorden. Ik laat ze ruzie maken, verliefd worden, vertrekken en terugkomen.  Misschien moet ik daar eens iets mee doen. Niet omdat ik denk dat daar alsnog de grote doorbraak staat te wachten. Mijn zonnebril mag voorlopig gewoon in mijn handtas blijven. Maar omdat ik stilaan begrijp dat spijt misschien niet alleen gaat over wat achter u ligt. Soms wijst ze ook ergens naartoe. Misschien moet ge dan niet blijven staan kijken naar het station waar ge twintig jaar geleden voorbij zijt gereden. Misschien moet ge gewoon eens op het bord kijken en er voor gaan. Er vertrekken elke dag treinen.

Katrien Daniels
53 3

Een voetnoot

“Misschien ben je dan toch maar een voetnoot in mijn leven.” Of hij zei het omgekeerd. Dat hij misschien maar een voetnoot was in het mijne. Soit. Het doet er eigenlijk niet toe wie van ons precies de voetnoot was. Feit is dat het woord viel. Voetnoot. Ik vond dat geen aangenaam woord. Een voetnoot is iets kleins onderaan een bladzijde. In lettertype acht. Iets wat ge alleen leest als ge bijzonder geïnteresseerd zijt of een examen hebt. Een verduidelijking bij iets wat blijkbaar nét niet belangrijk genoeg was om in de eigenlijke tekst te staan. En ja. Dat kwam even binnen. Want uiteindelijk wilt ge dat toch graag iets als 'voor het leven'. Dat klinkt heerlijk groots. Als lang en gelukkig. Als samen oud worden, dezelfde verhalen honderd keer vertellen en op den duur allebei vergeten wie ze oorspronkelijk heeft meegemaakt. Uiteraard hoort daar ook de kleinelettertjesversie van de eeuwigheid bij. Onderhandelingen over de strijk. Over wie de vuilzakken buitenzet. Over natte handdoeken die blijkbaar volgens één van de twee perfect op de grond kunnen drogen. Over thermostaten, vaatwasmachines en de vraag waarom er naast een lege wc-rol altijd een nieuwe rol staat, maar nooit óp de houder. Niet alleen zonsondergangen, grote verklaringen en samen hand in hand richting horizon. Ook: “Als gij straks naar boven gaat, pakt ge dat dan mee?” Enfin... Als ge iemand graag ziet, wilt ge dus liefst niet ergens onderaan pagina 247 eindigen met een sterretje voor uw naam. Ge wilt een hoofdrol. Ge wilt hoofdstukken. Een verhaallijn. Karakterontwikkeling. Een beetje spanning mag. Een onverwachte plotwending hier en daar. Desnoods een cliffhanger. Maar ge wilt vooral dat de lezer denkt: die twee, daar komt nog iets van. Dus, nee...mijn lief is geen voetnoot. Ge kunt moeilijk een voetnoot zijn als ge ondertussen overal tussen de regels zit. In mijn dagen. In mijn plannen. In mijn keuken. In mijn hoofd. In kleine gewoontes die ongemerkt gewoontes van twee zijn geworden. In zinnen die beginnen met “wij zouden eens…” en waarvan niemand nog schrikt. Dat is geen voetnoot meer. Dat is een serieus aandeel in de publicatie. Misschien is hij een hoofdstuk..Een heel schoon hoofdstuk. Of misschien zijn we ondertussen aan een trilogie bezig. Dat vind ik eigenlijk nog mooier. Deel één waarin de heldin jarenlang denkt dat ze bijzonder goed weet hoe het leven werkt, terwijl werkelijk iedereen behalve zijzelf kan zien dat ze maar wat doet. Deel twee waarin zowat alles passeert wat een mens liever niet op de achterflap zet, maar waar recensenten achteraf waarschijnlijk iets pompeus over schrijven als een noodzakelijke zoektocht naar zichzelf. Terwijl het vooral veel drama was. En dan deel drie. Eindelijk. Geen grootse violen. Geen paard dat in galop over een strand komt aanzetten. Geen man die op één knie gaat zitten terwijl er toevallig 48 perfect witte duiven overvliegen. Gewoon twee mensen die elkaar gevonden hebben. Die lachen. Die soms botsen. Die af en toe iets stoms zeggen en gelukkig meestal slim genoeg zijn om daar later op terug te komen. Die stilaan hun eigen taal krijgen. Hun eigen gewoontes. Hun eigen verhaal. En als alles een beetje vanzelf blijft gaan zoals het nu gaat, misschien wordt dit dan wel het sluitstuk van een trilogie. Niet omdat we daar plechtig voor getekend hebben. Niet omdat iemand kan beloven hoe de laatste bladzijde eruitziet. Maar omdat het goed zit. Omdat mijn jas tegenwoordig gewoon aan de kapstok hangt. En omdat sommige verhalen helemaal geen spectaculair einde nodig hebben. Sommige mogen gewoon steeds dikker worden. Met ezelsoren, koffievlekken, een paar bladzijden die ge achteraf beter had kunnen schrappen en hier en daar een scène waarvan ge denkt: moest dat nu echt? Maar vooral met veel liefde. En voor één keer hoeft de schrijver niet voortdurend vooruit te bladeren om te kijken hoe het afloopt. Ze zit goed waar ze zit, midden in het verhaal.

Katrien Daniels
72 3

De Katrienen

Ik ben van 1977. En blijkbaar was dat hét jaar waarin half Vlaanderen dacht: we noemen ons dochter Katrien. Gevolg? Al mijn vriendinnen heten Katrien. Dat is gemakkelijk. Ge kunt u eigenlijk nooit verspreken. Maar tegelijk is het ook ongelooflijk verwarrend. Ik heb het altijd over een Katrien. En dan volgt er een onderschrift. Katrien van Wijnberg. Katrien van de Chiro. Katrien van op kot. Katrien van Antwerpen. Katrien van de lagere school. Katrien van het werk. Katrien de buurvrouw. Het is precies alsof ik een abonnement heb. De Katrienen, ze weten dingen. Ze hebben me ooit op een bijzonder elegante manier uit mijn hoofd gepraat om mijn eerste zoon François te noemen. Achteraf bekeken: waarvoor eeuwige dank. Ze vinden het ook perfect normaal dat ge in een kledingwinkel niet wacht tot het paskotje leeg is. Dan trekt ge die broek toch gewoon in het midden van de winkel aan. Wat gaan ze doen? Ze lopen een winkel binnen, zien ergens een compleet over the top bloesje hangen en zeggen: "Katrien, uw naam staat daarop." En meestal hebben ze gelijk. Ze weten dat ge van porto heerlijke sangria kunt maken. En dat is écht waar! Ze weten dat ge een hele maand kunt verkondigen dat ge absoluut nog eens naar de Opaalkust wilt, om uiteindelijk met veel enthousiasme een hotel in Namen te boeken. Omdat dat op dat moment ook een uitstekend idee leek. Ze weten dat ge tijdens een uitstap ergens in de namiddag een pannenkoek moet eten. Niet omdat ge honger hebt, maar omdat het anders voor niemand nog gezellig wordt. Ik ga geen namen noemen.  Ze waren erbij toen ik dacht dat ik misschien zwanger was. Ze bladerden mee door de lijstjes met babynamen alsof zij uiteindelijk ook een stem hadden. Ze waren erbij toen we op kot de vrolijke poetsvrouw weer eens in een deuk lieten liggen. En toen ik trouwde, maakten ze achter mijn rug een geheime fotoreportage. Niet van de officiële foto's. Wel van de blikken, de slappe lach, de gênante momenten. De echte trouw, eigenlijk. Elke Katrien haalt een andere versie van mij naar boven. Bij de ene geloof ik plots in tarotkaarten. Niet omdat ik erin geloof, maar omdat zij de kaarten legt. Met een andere laat ik mij zonder morren meesleuren naar cafés, pleintjes en verborgen hoekjes waar het leven net iets lekkerder smaakt. En in de buurt van nog een andere blijk ik ineens sportiever te zijn dan ik mezelf ooit zou omschrijven. Ze kennen allemaal de volledige Katrien. Met mijn enthousiasme, mijn chaos, mijn gepieker, mijn drama's en mijn eeuwige "wat gaan ze doen?". Ze kennen de versie die ik vandaag ben, maar ook degene die ik dertig jaar geleden was. Ze herinneren zich verhalen die ik zelf vergeten ben en weten soms al wat ik ga zeggen nog voor ik mijn zin heb afgemaakt. Ik gun iedereen een paar Katrienen in het leven. En misschien moeten we afspreken dat de Jannen zich gewoon aan de Jannen houden. De Patricken aan de Patricken. De Liesjes aan de Liesjes. Dat maakt het leven een pak overzichtelijker. De Katrienen zijn mijn vuurtorens omdat ze, als het op mijn zee wat woeliger wordt, me moeiteloos weer naar de kust leiden. Niet met grote levenswijsheden. Wel met een koffie, een wandeling, een tarotkaart, een pannenkoek of gewoon de woorden: "Kom, we zijn weg." Een vuurtoren neemt de storm niet weg. Hij zorgt er alleen voor dat ge, hoe hoog de golven ook zijn, altijd weer weet waar de kust ligt. Ik heb geluk met de Katrienen aan mijn kustlijn. 

Katrien Daniels
110 3

Voor vorst, voor vrijheid en voor recht

Ik ben geen voetballiefhebber. Nooit geweest. Sterker nog: het geluid van een voetbalwedstrijd op televisie behoort voor mij tot de top drie van de auditieve foltertechnieken. Een commentator die moeiteloos tweeëntwintig namen uit zijn mouw schudt alsof hij met al die mannen samen op internaat heeft gezeten. Die typische voetbalintonatie waarbij zelfs een inworp klinkt alsof de wereldvrede ervan afhangt. Op de achtergrond tienduizenden supporters die al negentig minuten dezelfde klinkers staan uit te rekken. Er zijn maar twee geluiden die ik nog erger vind: een Formule 1-race op televisie en een jengelend kind op een vlucht van drie uur na een veel te korte nacht. Voetbal is dus, laat ons zeggen, niet mijn habitat. Behalve tijdens een WK. Dan gebeurt er iets vreemds. Plots heb ik een mening over een gele kaart voor Brazilië. Maak ik me zorgen over de blessure van een middenvelder van wie ik vijf minuten eerder het bestaan niet kende. Ik zeg zinnen als: "Die had hij toch moeten laten staan." Alsof bondscoaches al jaren op mijn analyse zitten te wachten. Ik blijf op om "de Belgen" te zien, ook al moet ik de volgende ochtend gewoon werken. Ineens weet ik tegen wie we beter wel of beter niet uitkomen in de volgende ronde. Ik betrap mezelf erop dat ik "we" zeg, terwijl mijn grootste sportprestatie van de voorbije maand erin bestond de trap op te lopen zonder mijn boodschappentas neer te zetten. Een WK doet rare dingen met een mens. Zelfs met een cultuurmens. Misschien hou ik uiteindelijk zelfs niet het meest van het voetbal. Misschien hou ik van alles errond. Van pleinen die vollopen. Van cafés die ineens vreemden samenbrengen. Van buren die elkaar plots high fives geven terwijl ze de rest van het jaar niet verder komen dan een beleefd knikje. En vooral van de volksliederen. Het kippenvelmoment van de match.Geef mij maar die paar minuten voor de aftrap. De Spaanse hymne, die het zonder woorden moet doen en daardoor misschien net alles zegt. De Marokkaanse, waardig en ingetogen. En dan de absolute klassiekers: de Marseillaise, God Save the King en The Star-Spangled Banner. Liederen die zelfs zonder stadion al iets groots oproepen. En dan ons eigen volkslied. Voor Vorst, voor Vrijheid en voor Recht. Ik zing nooit verder dan die ene regel. Omdat ik de rest niet ken. Zoals de helft van het land, vermoed ik. Misschien is dat ook het mooie aan een WK. Dat ge een maand lang ergens bij hoort zonder dat ge de spelregels helemaal begrijpt. En dat zelfs mensen zoals ik, die elf maanden per jaar zweren dat voetbal hen koud laat, zich ineens luidop afvragen of de bondscoach niet beter wat vroeger had gewisseld.

Katrien Daniels
49 1

Het heeft een naam!

Ik wist het niet, maar dat kleine steentje dat af en toe nog eens tegen mijn hart tikt, heeft blijkbaar een naam. Ik las het in de Flair. Ik geef toe: niet de eerste plek waar ik levenswijsheid verwacht. Tussen de zomerjurken, hydraterende serums en de vraag welk type barbecuegezel ik ben, stond ineens een woord waarvan ik dacht: verdorie... dat ken ik. Vriendschapsverdriet. En plots viel er van alles op zijn plaats. Ik dacht altijd dat dat gewoon hoorde bij ouder worden. Dat er onderweg mensen uit uw leven verdwijnen. Niet omdat ze sterven. Niet omdat ge hen niet meer graag ziet. Maar omdat ge elkaar ergens, tussen een misverstand en een stilte, gewoon bent kwijtgeraakt. Maar dat waren geen gewone mensen. Dat waren die twee handen op één buik. Mensen die wisten waar ge uw reservesleutel verstopte, hoe ge uw koffie dronk en waarom ge nooit een Viennetta kon laten liggen. Mensen die ge om drie uur 's nachts mocht bellen zonder eerst te beginnen met: "Sorry dat ik stoor." Mensen die zagen dat het niet goed ging nog voor ge zelf wist waarom. Met wie ge de chronische aandoening FOMO bestreed door gewoon overal samen naartoe te gaan. We zongen liedjes die veel te luid klonken. We deden zatte handenstanden tegen een muur. We verbeterden de wereld tussen twee pinten door alsof iemand daarop zat te wachten. We lachten tot onze buik pijn deed. Het leken toen gewone avonden. Maar het waren liefdesverklaringen. Niet de romantische soort. De andere. En dan wellicht één verkeerde zin. Ge zei net iets te eerlijk wat ge van zijn nieuwe job vond. Of hij maakte een opmerking over uw kinderen waarvan ge dacht: dat had ge echt niet moeten zeggen. Ge wordt boos. Ge zwijgt. Ge denkt: dit waait wel over. Hij belt wel. Of ik bel morgen wel. Ge kent elkaar al zo lang. Dit kan toch geen einde zijn? Maar dagen worden weken. Weken worden maanden. Maanden worden jaren. En op een bepaald moment is er geen ruzie meer. Alleen stilte. Laatst zag ik hem terug. Ik herkende hem meteen. Nog altijd dezelfde geruite hemdjes. Nog altijd een pet op zijn hoofd. Hij was wat uitgezet. Maar wie is dat niet op onze leeftijd? Zijn lach was nog exact dezelfde. Hij zag mij ook. En dat was het. Terwijl ik eigenlijk wilde vragen hoe het nu met die nieuwe job ging. Of die dakgoot eindelijk vervangen was geraakt. Dat zal ondertussen wel. Dat is intussen vijf jaar geleden. En leeft uw dikke, stinkende schildpad eigenlijk nog? En hoe het met de liefde ging, dat ook.  Ik wilde vertellen dat ik nog altijd dezelfde ben. Of toch bijna. Dat de scherpe kantjes wat afgesleten zijn. Dat de nachten minder wild zijn geworden. Dat mijn chronische aandoening FOMO nog af en toe de kop opsteekt. En dat ik soms nog aan ons denk. Aan hoe vanzelfsprekend wij waren. Hij verdween weer tussen de mensen. Ik bleef nog even staan. Ergens tussen de muziek, de pinten en de gesprekken liep een leven dat we ooit samen hadden. We schrijven romans over de liefde. We maken films over de liefde. We zingen over de liefde. We verklaren de liefde. We vieren de liefde met bloemen, ringen en trouwfeesten. Over vriendschap zijn we opvallend zuinig. Terwijl sommige vrienden langer blijven dan geliefden. Terwijl ze mee aan uw bed zitten na een operatie, uw verhuis helpen doen, uw kinderen zien opgroeien en zonder veel woorden weten wanneer het niet goed gaat. Vriendschap is een bijzondere manier van iemand graag zien. Misschien beseffen we dat pas wanneer er een stoel leeg blijft aan tafel waarvan niemand ooit had gedacht dat die leeg zou komen te staan. En, nog altijd, als ik in de diepvries een Viennetta zie liggen, denk ik aan hem. En blijkbaar bestaat daar dus een woord voor.

Katrien Daniels
151 4

Ik beken... ik ben een romanticus.

Ik beken. Ik ben een volbloed romanticus. Geef mij Tom Cruise. Richard Gere. De jurken van Sisi. Een paar rozenblaadjes. Een viool op de achtergrond. En voor ge het weet, heb ik in mijn hoofd al drie kinderen, een labrador en een gezamenlijke hospitalisatieverzekering. Zo erg is het. Ik geloof in grote liefdes. In blikken die alles zeggen. In handen die vanzelf in elkaar passen. In kussen waarbij ge heel even vergeet dat ge morgen gewoon weer moet gaan werken. Ik ben opgegroeid met Pretty Woman en An Officer and a Gentleman. Met films waarin het huwelijksaanzoek het einde was. De kus. De muziek. Richard Gere die glimlacht. Aftiteling. En ze leefden nog lang en gelukkig. Tenminste... dat dachten we. Want stel. Ge hebt een lief. Een goeie mens. Zo maken ze ze niet veel meer. Hij is lief, zorgzaam en attent. Hij belt om te vragen of ge veilig thuis zijt. Hij kent uw favoriete liedje. Hij onthoudt dat ge koriander lust. Hij zet de verwarming een graadje hoger nog voor ge zelf beseft dat ge het koud hebt. Ja, hij bedoelt het goed. Heel goed zelfs. Op een dag zegt hij dat ge een weekendje naar Parijs gaat. Gewoon met twee. Romantischer wordt het niet. Tot ge aan de trappen van de Sacré-Cœur komt. Daar staat een witte vleugel. Uw favoriete lied wordt gespeeld. Uw drie beste vriendinnen blijken ineens ook in Parijs te zijn, allemaal in een roze kleed. Er zijn bloemen. Champagne. Een fotograaf. Toeristen die spontaan beginnen te applaudisseren. En dan gaat hij op één knie. Ja, dat is schoon. Ja, zo maken ze ze niet meer. Ja, hij heeft weken, misschien maanden, aan dat ene moment gewerkt. Treintickets geboekt. Uw vriendinnen mee in het complot gekregen. Een witte vleugel geregeld. Ik krijg al stress van een barbecue voor acht man georganiseerd te krijgen. Maar nee. Hij mist dat ene. Dat je-ne-sais-quoi. En nee, dat zijn geen grote dingen. Hij gaat niet vreemd. Hij drinkt niet. Hij is gewoon een heel lieve mens. Maar hij kan gerust een halfuur bezig zijn over de voedingsstoffen in Nutella alsof hij een documentaire presenteert. Zijn ideeën over de klimaatopwarming zijn ronduit dom. Hij corrigeert de ober als die de naam van de wijn verkeerd uitspreekt. Hij spoelt de borden af vóór hij ze in de vaatwasser zet "omdat dat properder is". Hij leest luidop de ingrediënten op een pot confituur. Dat zijn geen redenen om iemand niet graag te zien. Maar misschien wel om er niet mee te trouwen. En daar staat ge dan. Met een witte vleugel achter u. Met drie vriendinnen die al aan het snotteren zijn. Met een fotograaf die klaarstaat voor hét beeld van de avond. Met een man die zijn hele hart voor uw voeten legt. En in uw hoofd klinkt maar één zin. Ja... Maar nee. En plots besef ik dat zo'n huwelijksaanzoek misschien helemaal niet romantisch is. Niet omdat hij slechte bedoelingen heeft. Die heeft hij niet. Hij doet alles uit liefde. Hij wil u verrassen. Hij wil u gelukkig maken. Hij wil u een verhaal schenken dat ge over veertig jaar nog altijd vertelt. Maar hij stelt u wel de belangrijkste vraag van uw leven op de enige plek waar ge ze onmogelijk eerlijk kunt beantwoorden. Want ge zegt niet alleen nee tegen hem. Ge zegt nee tegen Parijs. Nee tegen de witte vleugel. Nee tegen uw drie beste vriendinnen die speciaal de trein hebben genomen. Nee tegen de fotograaf. Nee tegen de toeristen die al staan te applaudisseren. Nee tegen een avond waar maanden werk in zit. Eigenlijk vraagt hij niet alleen: "Wil je met mij trouwen?" Hij vraagt ook: "Wilt ge alsjeblieft deze perfecte avond niet kapotmaken?" En dat is een heel andere vraag. In Hollywood is een huwelijksaanzoek het einde van de film. Kus. Fade out. Richard Gere glimlacht. Aftiteling. In het echte leven begint de film dan pas. Met hypotheken. Met schoonfamilies. Met vaatwassers. Met elkaar soms niet kunnen uitstaan. Met elke dag opnieuw kiezen. Ge trouwt uiteindelijk niet met de man die u op de trappen van de Sacré-Cœur ten huwelijk vraagt. Ge trouwt met de man die dertig jaar later nog altijd naast u zit aan de ontbijttafel. Misschien is een huwelijksaanzoek pas echt romantisch als het eigenlijk overbodig is. Omdat ge al honderd keer ja hebt gezegd. In de kleine dingen. In de afwas. In de stiltes. In de dinsdagen. Nog voor er ook maar een halve witte vleugel in beeld is gekomen. Want als ge na al dat spektakel nog altijd niet zeker zijt, dan is "ja, maar..." gewoon een nee.

Katrien Daniels
56 2