Over Katrien Daniels

Katrien Daniels schrijft omdat zwijgen te veel lawaai maakt.

Ze beweegt zich tussen poëzie en proza en heeft een voorliefde voor het alledaagse: keukentafels, liedjes op de radio, momenten die pas later betekenis krijgen. In haar teksten is er ruimte voor humor en rafels, voor verlangen en twijfel, voor wat schuurt en toch zacht wil blijven.

Ze schrijft over liefde in al haar onhandigheid, over wachten, missen en opnieuw beginnen. Niet om antwoorden te geven, maar om beter te kijken, langer te blijven en iets vast te houden voor het verdwijnt.

Naast het schrijven is ze actief in de culturele sector, waar ze luistert, programmeert en woorden zoekt voor wat nog geen vorm heeft.

Teksten

Babbelen, een aandoening

Ik weet dat mijn collega’s het doen. Met post-its. Stiekem. Tussen koffietassen en laptops.Kleine gekleurde briefjes die zogezegd ergens anders voor dienen. Post-its met tijdstippen.Met pijltjes. Met hoofdletters. (LIEFST VOOR 11U) Post-its met voorzorgen. Met alternatieven. Met stilzwijgende afspraken. Ik zie het voor me. Een muur. Een kastdeur. Een prikbord. Een soort commandocentrum. Plan Katrien. Want vóór elf uur in de ochtend hebben de avondmensen het zwaar. Dan krijgen ze het te verduren:  de actieven, de vroege vogels, het type mens dat al drie ideeën heeft voor er koffie is. Dan zijn ze nog niet bestand tegen enthousiasme. En al zeker niet tegen iemand die praat zoals ik. Ik geef hen mee dat ik stil te krijgen ben in twee mogelijke situaties.Ofwel ben ik de overtreffende trap van boos en dat wil je echt niet.Ofwel ben ik dood. Of ze dat willen, laat ik wijselijk in het midden. Ik weet het.Ik ben een babbelgat. Mijn mond staat nooit stil.Ik praat tegen onbekenden in de lift alsof we samen op reis zijn en niet gewoon onderwegnaar verdieping drie. Alsof we straks nog een koffie gaan drinken en elkaars levens gaan samenvatten in twee minuten en een halve spiegel. Ik praat tegen de kassierster van de GB over welke chocolade vandaag echt mee moet.Omdat ge dat voelt, hé. Dat dat zo’n dag is. Over dat ge eigenlijk maar voor twee dingen binnenkwam en nu toch weer met een kar staat waarvan ge zelf zegt: ja bon, ’t zal nodig geweest zijn. Over hoe een winkelkar altijd trekt naar de verkeerde kant, en dat dat niet uw fout is maar een fabricageprobleem. Ik praat op vergaderingen over nog te evalueren punten, over dingen die we zeker moeten meenemen, over dingen die misschien ook nog belangrijk zijn en die we dan later nog wel eens bekijken. Ik praat tijdens de middagpauze over wat ik morgen ga eten. Planning in het leven is alles.  En ondertussen denkt iedereen:Die zegt alles.Die is rechtuit.Die kan niet zwijgen. Laat ons even ernstig zijn. Dat babbelen is geen afwijking. Geen charme. Geen karaktertrek.Het is een stoornis. Een aandoening. Diagnose: subassertief (pratend zwijgen voor de buitenstaanders) Kenmerken:overmatige woordproductie,vermijden van directe benoeming,stilte ervaren als bedreigend. Onderliggende factoren:angst om te kwetsen,angst om te verliezen,angst voor wat volgtna de waarheid. Prognose: chronisch, maar sociaal aanvaard. Behandeling: zelfinzicht, en een omgeving die leert luisteren naar wat niet gezegd wordt. Mijn babbelen is geen spreken.Het is camouflage.Een rookgordijn van woorden waarachter ik netjes verberg wat ik niet durf benoemen.Mijn praten is geen lawaai. Het is oorverdovend zwijgen. Wat ik niet zeg, verdwijnt niet.Het gaat pruttelen.Sudderen.Slowcooken.En in het beste gevalbrouw ik er een schrijfsel mee,zoals nu. Dat is mijn manier van zwijgen.Maar ik ben niet alleen. Er is het zwijgen van wie alles netjes op een rij heeft. Het zwijgen dat klinkt als duidelijkheid en zich verstopt achter schema’s en rust. Het zwijgen uit beleefdheid. Dat glimlacht, knikt en later zegt: “Het was eigenlijk niet oké.” Het zwijgen uit angst. Dat bang is om iets los te maken wat niet meer terug in de doos wil. Het strategische zwijgen. Dat wacht. En timing als excuus gebruikt. Het zwijgen van de vermoeiden. Van wie geen woorden meer over heeft omdat ze te vaak niet gehoord zijn. En dan is er het zwijgen in de liefde. Dat kan sterk zijn. Zoals: wij hebben geen woorden nodig. Een stilte die draagt. Maar soms schuurt het. Dan wordt zwijgen een afstand. Een lijn. Een stil afgesproken even niet. Menselijk. Maar nooit plezant. En dan is er nog het collectieve zwijgen. Dat van veronderstellen. Van hopen dat de ander het wel weet. Van samen niets zeggen en dat zorg noemen. Soms denk ik dat het eenvoudiger zou zijn als we niet zoveel moesten raden. Stel je voor. Een ideale wereld.Een wereld waarin we allemaal rondlopen met een gedachtenscherm boven ons hoofd. Gewoon een sober venster waarop verschijnt wat je eigenlijk verzwijgt. Dan staat het er.Dan weet Tom hoe leuk ik hem vind. Dan leest Maggy wanneer ze weer aan het zagen is. Dan kan Paul eindelijk werk maken van die deo. Dan weet Els dat ik eigenlijk vind dat ze gelijk heeft. Ook al heb ik dat nog nooit toegegeven. Tak.Tak.Tak. Eindelijk alles duidelijk. Eindelijk plaatsvervangend spreken tijdens het zwijgen.  En als dan dat ene moment komt waarop ik wél stil word. Daar... bij de overtreffende trap van boos. Dan verschijnt het eindelijk op mijn scherm. Eén zin. In drukletters. In rood. PAK MIJ NU GEWOON EENS NE KEER VAST. Dat is alles. Dat is eigenlijk alles waarover ik de hele tijd aan het zwijgen was.

Katrien Daniels
62 1

Zorgen

Wat is dat eigenlijk: zorgen? Zorgen begint klein. Met pampers en sussen. Met lange nachten en roze wolken. Met wiegen en fluisteren en doen alsof ge het allemaal onder controle hebt, terwijl ge eigenlijk gewoon moe zijt. Daarna worden het koekjes in de brooddoos, boterhammen met een hoek af, plakkende briefjes en sokken die altijd verdwijnen. Zorgen groeit mee. Het wordt huiswerk en oudercontact, turnpantoffels die ineens vandaag nodig zijn, onderhandelen over hoe laat ze thuis moeten zijn van een fuif. Het wordt hobby’s en engagement, leren hoe ge met mensen omgaat, hoe ge ruzie maakt zonder te breken, hoe ge vriendschappen onderhoudt zonder uzelf te verliezen. Dat is zorgen in zijn eerste, pure vorm: nabij zijn, voordoen, vasthouden. En dan, onvermijdelijk en ook gelukkig,  wordt zorgen loslaten. Vogels laten vliegen. Stilletjes bidden dat ze hun vleugels niet bezeren. Doen alsof ge niet wakker ligt. Zorgen door ruimte te maken. Door niet te bellen. Door wel te luisteren. Door te vertrouwen, zelfs als dat voelt als springen zonder vangnet. Ge denkt: nu ben ik uitgezorgd! Maar dat is niet waar. Nog voor er een eerste kleinkind wordt aangekondigd—nee, wees gerust, ik heb geen nieuws te melden—komt die andere zorg. De zorg voor zij die voor u gezorgd hebben. En dat is een zorg waar ge geen rekening mee hield. Die stond niet in de handleiding. Vroeg of laat is er die ouder die niet meer kan. En dan wordt ge een zorgende dochter voor een moeder. Dat is zorgen met weerhaken. Met goede bedoelingen die botsen op weerstand. Met echt wel willen, maar op één of andere manier niet kunnen. Met liefde die niet altijd dankbaar wordt ontvangen. Zorgen wordt dan iets ingewikkelds. Ge schuift papieren. Ge herhaalt. Ge onderhandelt. Ge zwijgt. Ge zet door. Ge gaat naar huis met vragen die geen antwoord willen. Ik denk vaak terug aan die korte tijd dat ik in ‘de zorg’ werkte. Animatie in een rusthuis. Een vreemd woord eigenlijk, animatie, alsof ge leven kunt opwekken met een sjoelbak en een cd-speler. Dat rusthuis was een wereld op zich. Mensen die hun dagen kleiner zagen worden tot ze pasten in één kamer. Een kamer die meer weg had van een ziekenhuis dan van een thuis. Een bed, een nachtkastje, een stoel die te recht stond om comfortabel te zijn. Foto’s aan de muur die fluisterden dat er ooit iets anders was geweest: een trouwdag, een zee, kinderen in korte broek. Het rook er altijd hetzelfde. Een mengeling van te lang gekookte spruiten, amoniak en mottebollen. Een geur die zich vastzet in uw kleren, in uw haar, in uw hoofd. Alsof ouderdom zelf een geur heeft. Tijd die te lang heeft staan pruttelen. Ik zag handen die niet meer wisten wat ze moesten vasthouden. Mensen die boos werden om niks en verdrietig om alles. Vragen die telkens opnieuw gesteld werden, niet omdat ze het antwoord wilden, maar omdat ze bang waren voor de stilte die daarna kwam. Sommigen wilden naar huis, terwijl ze al thuis waren. Anderen wachtten op mensen die al jaren dood waren. En toch: tussen dat alles door zat leven. Een lach bij een vals gezongen lied. Een hand die even de uwe zoekt. Ogen die oplichten bij een stukje cake op zondag. Zorgen in zijn meest rauwe vorm: traag, onhandig, confronterend. Na de legerplicht pleit ik trouwens voor een 'zorgplicht'. We zouden allemaal een half jaar verplicht in de zorg moeten werken. Om te relativeren. Om dankbaar te leren zijn. Om te begrijpen hoe fragiel gezondheid is en hoe relatief tijd wordt als ge oud zijt. En ook om te zien hoe we het anders kunnen doen. Hoe we toch allemaal verlangen naar meer dan platgekookte broccoli. En ondertussen zorgen we verder. Voor geliefden, natuurlijk. In ziekte en in gezondheid — dat zeggen we zo vlot, alsof het een belofte is die zichzelf wel zal uitleggen. Maar wat als ziek zijn écht ziek zijn wordt. Niet grieperig. Niet een paar dagen onder een deken. Maar ziek als in: het lichaam dat zijn eigen plannen begint te maken. Als in: afspraken die verdwijnen, woorden die halverwege blijven steken, vermoeidheid die niet meer slaapt. Zorg is thee zetten die koud wordt omdat ge eerst nog iets anders moet doen. Het is fluisteren: ‘het is niet erg’ terwijl ge niet weet of dat waar is. Het is lachen om dingen die eigenlijk niet grappig zijn, omdat lachen soms het enige is dat nog werkt. Zorg is ook ontzorgen. Liefdevol kunnen zeggen: ik zal dat wel doen. Blijf maar zitten. Drink uw kopje koffie. Zorg is ook absurd. Onderhandelen met het leven.  Prijzen vergelijken van incontinentiemateriaal alsof het over wijn gaat. Trots zijn op een goede dag alsof ge samen een marathon hebt gelopen. Zorg maakt klein en groot tegelijk. Ze schuurt uw grenzen af en rekt ze uit. Ze leert u dat liefde niet altijd mooi is, maar wel volhardend. En soms, heel soms, is zorg gewoon samen zwijgen. Omdat er niets meer uit te leggen valt.  Zorg is tanden op elkaar en toch zacht blijven. Elkaar wassen zonder erotiek, maar met vertrouwen. Sokjes aantrekken. Een jas dichtdoen. De hand vasthouden terwijl ge eigenlijk nog duizend andere dingen moet doen. Uiteindelijk is zorg pure liefde. Het is naast iemand gaan zitten, niets oplossen, een kopje koffie inschenken, en blijven. Ook als die koffie koud wordt.

Katrien Daniels
50 4

John en de Heksen

Laten we hem John noemen. Hij heet niet John, maar hier volstaat het voor de heer in kwestie. Eerlijk: soms heb ik een hekel aan hem. Hij stelt vragen die niemand graag krijgt, en hij geniet ervan. Dat irriteert mij mateloos. En net daarom heb ik hem graag. Op een dag vroeg hij waarom ik geen horror schreef.“Alles bij u is zo… chiromeisjes-achtig,” zei hij. “Happy endings. Kussen in de sneeuw. De liefde die wint. ‘You don’t put Baby in a corner!’ en hup: iedereen naar huis met warme voeten en een crush op Patrick Swayze, en die is al dood!” Ik haatte hem op dat moment een beetje. Omwille van dat van Patrick Swayze en ook omdat hij gelijk had en dat is ambetant.  Chiromeisjes hebben geen messen; wel een alcoholstift en grote roze kauwgum in de zakken van hun korte rok. We schrijven onze namen op T-shirts en armgipsen, niet in mensen. Als ik dan toch horror zou schrijven — ik zeg als — zou het iets zijn zoals de heksen van Roald Dahl. Niet één heks, maar een hele lobby vol. Een hotel dat naar stofzuigerzakken en zeewater ruikt. Vrouwen die u aankijken alsof ze net beslist hebben wat ze met u gaan doen,en het antwoord is nooit: thee met melk. Ze dragen nette schoenen, hebben gelakte nagelsen weten perfect hoe ge iemand kunt doen verdwijnen zonder dat ge bloed moet zien.Zo’n soort kwaad. Onderkoeld, beleefd, systematisch. Het soort dat applaudisseert voor uw ondergang. Maar misschien bedoelt John dat niet. Misschien wil hij het soort horror waar de soundtrack uit vioolsnaren bestaat en waar het bos altijd te donker is voor het uur van de dag.Waar niemand ooit het licht aan doet omdat anders de film gedaan is en waar mannen denken dat ze onsterfelijk zijn zolang er ergens nog een kettingzaag in de kelder ligt. En misschien moet ik mij gewoon afvragen waarom mensen horror kijken.Is het om demonen te verjagen? Is het om angst te onderzoeken zonder dat iemand echt gewond raakt? Om te voelen dat ons eigen leven eigenlijk beter meevalt dan dat van het meisje dat binnen acht seconden door een heks onthoofd wordt?Is het om te oefenen in bang zijn? Om de donkere kant van het leven te zien zonder er zelf in te wonen? Ik versta dat niet. En daarmee leg ik — trefbal-meisjeschirogewijs — de bal alweer in het kamp van John. Niet bij de heksen in de lobby, maar bij de mensen die kijken en denken:“Ooooo jaaaaa!” Dat soort horror ga ik niet schrijven, John. Maar stel dat horror niet per se bloed hoeft te zijn. Stel dat het gevaar veel dichter zit. In iemand die zegt dat hij dringend met u wil praten, maar de telefoon nooit opneemt.In vrienden die bestonden en dan plots niet meer. Niet boos, niet luid, gewoon weg.In mensen die sterven zonder spektakel en zonder dat iemand het moment noteerde. Of kinderen die je de ene moment nog in slaap sust en twee knippers met je ogen in pakweg Madrid wonen. Of wakker liggen omdat zekerheden wegglippen en je niet meer weet in welke wieg je precies geboren bent.  Gemorste koffie, te veel stilte tussen twee zinnen en dingen die in een deuropening blijven hangen maar nooit binnenkomen: dat zijn de kettingzagen en de heksen van alle dag. En als ge dat allemaal samen duwt —de beleefde lobbyheksen,de telefoons die zwijgen,de verdwijners en de sterfelijkerds —dan begint het pas echt te schuren. Dan begint het te spannen.Niet door bloed, maar door tijd: doorgaan zonder bewijs dat het ooit anders was, leven zonder aftiteling. Dat, John. Dat is mijn horror. En het ergste is: ge verlaat de zaal zonder te weten dat het gedaan is.

Katrien Daniels
57 1

Over wachten

Sofie, mijn beste vriendin, wou me voor Kerst het nieuwste boek van Dirk De Wachter kopen.“Over wachten,” zei ze.Ik hoorde in haar stem iets wat ik goed ken: een lichte pedagogiek. Want Sofie weet maar al te goed hoe vreselijk ik wachten vind. Dat ik graag heb dat het vooruit gaat, dat beweging beter is dan bezinning. Dat ik de tijd ‘zijn ding laten doen’ een bijzonder overroepen concept vind. Voor Sofie is wachten iets wijs. Een uitnodiging tot stilte, tot mildheid, tot menselijkheid.Voor mij voelt wachten als strafwerk voor gevorderden. Aan de kassa wordt dat het duidelijkst. Daar staat het leven stil, maar in een tempo dat je kan horen. Zo’n trage, nare stilstand met het geluid van plastic zakjes, rinkelend kleingeld en iemand die nog net beslist om sigaretten te kopen. Altijd precies vóór mij alsof het universum wil dat ik zevenendertig seconden langer mijn eigen adem voel.Dan begint mijn hersenpan al te koken van micro-irritaties:het schijfje prei dat uit een zak valt,de kortingsbon die blijkbaar niet werkt,het loze gesprek over zegels voor pannen.Ik herbekijk daar mijn hele leven tussen kattenvoer en yoghurt. Wachten aan de kassa is de hel in fluolicht. In de dokterswachtzaal is het anders. Daar hangt het wachten in de lucht. Vochtig, traag en zwaar. Iedereen kijkt naar zijn knieën, alsof daar een antwoord verscholen ligt. In ziekenhuizen is wachten een vorm van statistiek: het beste én het slechtste scenario in één adem. Daar denkt niemand nog aan efficiëntie.Daar is wachten verlangen vermomd als angst. Aan de schoolpoort is wachten weer een ander dier. Daar wachten moeders en vaders met koffie achter hun tanden en nog een drukke avondrush voor de boeg.Wachten daar heeft niets met stilte te maken, maar met meer 'een stilte voor de storm'.  Met ouder worden ben ik dus beginnen schaken met het wachten.Als ik vermoed dat het op de loer ligt, zet ik tegenzetten in.Structureel te laat komen, bijvoorbeeld — puur preventief.Eindeloos Scrabble spelen op mijn gsm.Nog snel een was insteken.Een mail beantwoorden.Een lijstje.Een lijstje over het lijstje.Alles om niet oog in oog te moeten staan met tijd die weigert te rennen. Zo speel ik kleine wedstrijdjes met de klok. De inzet is simpel: niet gepakt worden door de stilstand. Af en toe wint de tijd. Af en toe ik. En soms is mijn omgeving het slachtoffer, want dan moeten ze op míj wachten.Maar kom. Ik vind dat eerlijk verdeeld. Het interessante aan wachten is dat je het het best verdraagt door net níét te wachten.Wachten is het meest draaglijk wanneer het zich vermomt.Als bezigheid.Als afleiding.Als vooruitgang.In de liefde noemen ze dat dan: gewoon 'leven'. Ze zeggen dat als je op de liefde wacht, ze niet komt.Daarom wacht ik daar ook niet meer op. Ik vul dat wachten op met leven.Met gulzig zijn.Met dingen doen.Met mensen zien.Met beginnen.Mijn omgeving profiteert daarvan mee. Ze krijgen een versie van mij die vooruit wil, die niet op pauze staat, die weigert om bij het loket van het lot in een rij te gaan aanschuiven. Maar wachten heeft ook een melancholische kant die ik niet graag toegeef.Wachten is verlangen in vertraagde modus. Een hart dat zegt: nog niet, maar misschien straks. En soms is een ‘straks’ voldoende om door te gaan. En toch, ergens achterin, goed opgeborgen tussen ambitie en koppigheid, bestaat er een klein stuk in mij dat stiekem hoopt dat er ooit iemand zegt:“Ik heb op jou gewacht.”Zonder drama.Zonder zuchten.Gewoon zacht, alsof vertellen dat wachten soms ook een vorm van kiezen is.En dan kust hij me terwijl het net begint te sneeuwen, want in films waarin het goed komt sneeuwt het altijd op het einde. Soms moet je wachten tot het begint te sneeuwen om te weten dat je niet voor niets gewacht hebt.

Katrien Daniels
98 1

De wet van de rek

In dit land zijn we zelden voor perfectie.Perfectie is iets voor Duitsers en Britten — landen die handboeken schrijven over hoe het leven moet, en daar vervolgens ook naar leven.Wij zijn Vlamingen. Bij ons is er altijd marge. Frictie die mag blijven liggen. Een akkoord dat nooit exact getekend wordt maar wel leeft: het is goed genoeg. Neem nu auto’s.Een Mercedes is een perfecte auto — dat voelt ge zelfs in de zetel, daar zakt ge anders in dan in een Skoda. Maar niemand sterft van een Skoda. Een Skoda brengt u waar ge moet zijn. Niet sexy, wel degelijk. Een tweedehands van vijftien jaar oud doet dat ook, en die leidt vooral niet tot ruzie met de boekhouder in huis, maar zorgt alleen maar voor je imago als je die Maggy noemt of Chantal.  Zelfde verhaal bij wellness.Een dag wellness is de absolute max:stoom, eucalyptus, een badjas die uw uitstraling opwaardeert, en een stilte die tot in uw schouderbladen landt. Maar een bad thuis na een te lange dag is ook goed genoeg.Geen detoxwater met komkommer maar kraantjeswater in een plastieken beker.Geen therapeute die uw spanning aanraakt, maar een kat die op uw schoot komt liggen.Goed genoeg. En dan kleding.Natuurlijk is Natan schoon, maar dat is voor Koningin Mathilde.Daar hangt klasse en een prijskaartje aan, dat voelt ge tot in uw vingertoppen.Een jeans van De ZEB is perfect goed genoeg voor de gewone Vlaming: comfortabel, degelijk en aanvaardbaar bij familie-feestjes.Maar of het nu alle dagen van de Zeeman moet komen — dat weet ik niet.Er is een verschil tussen goed genoeg en net iets te ver doorgeduwd in het concept. We noemen het 'De wet van de rek'.  Zo leven we: op het continuum tussen luxe en compromis, tussen ideaal en draaglijk, tussen schoon en doe-maar-gewoon.Onze volksaard is gebouwd op de zone daartussen: daar waar men tevreden kan zijn zonder zich schuldig te voelen dat men niet meer heeft nagestreefd.Dat heet maturiteit. Of luiheid.Waarschijnlijk allebei. En dan de liefde.Daar werkt het niet anders.Geen mens kiest een lief als men een Mercedes kiest: op opties, vermogen en luxe.Wij kiezen een lief volgens 'De wet van de rek'.We beseffen dat perfectie niet bestaat, dat iedereen stekels heeft en ook een handleiding- die soms in een taal geschreven is die ge niet machtig zijt. We kiezen op 'goed genoeg', niet persé op perfectie. De vraag is alleen:Hoeveel rek hebt ge?Hoeveel sokken naast de wasmand zijn aanvaardbaar?Hoeveel stilte? Hoeveel woorden?Hoeveel dromen die nooit gerealiseerd raken, plannen die nooit vertrekken, of trauma’s die meeverhuizen in dozen waar niemand nog weet wat erin zit? Mensen zijn geen wellnessdagen, geen Mercedes en geen Natan.Ze zijn eerder tweedehands, met gebruikerssporen en een verhaal.Ze zijn jeans van De ZEB met een onverwacht mooie pasvorm.Soms zelfs Zeeman, maar ge moet het kunnen dragen. Dan, zachtjes, stelt zich de echte vraag:Hoe werkt liefde eigenlijk?Is er zoiets als één perfect, of bestaan er gewoon meerdere goed-genoeg’s die elkaar op verschillende momenten van het leven kruisen?En verandert de standaard als ge ouder wordt, wijzer, moe, of simpelweg eerlijker? Liefde is geen keuze-examen met juiste antwoorden.Het is een stille wetenschap. Half psychologie, half buikgevoel.Geobserveerd in de keuken, op zondag in de zetel, in het verkeer, in een conversatie die te laat begon of te vroeg eindigde. Onder een dekentje. Of in stilte aan twee kanten van de tafel met koffie die koud werd terwijl niemand het merkte. Stille wetenschap heeft geen woorden nodig. Ze meet geen perfectie, maar compatibiliteit.Ze werkt met marges, met schroom, met het voordeel van de twijfel.Ze rekent niet in status maar in houdbaarheid. Hoe lang kunnen twee systemen samen bestaan zonder te scheuren?Hoeveel frictie kan er ontstaan zonder dat het gevaarlijk wordt?Hoeveel kleine wanverhoudingen kan een mens verdragen zonder dat hij zichzelf verliest? En misschien is liefde daarom zo Vlaams als het maar kan zijn.Omdat we het nooit helemaal op de spits drijven.Omdat we mild zijn in onze verwachtingen en hardnekkig in ons proberen.Omdat we weten dat niet alles spectaculair hoeft te zijn om waarde te hebben.Dat warmte belangrijker is dan glans.Dat de meeste dagen geen wellnessdagen zijn, maar wel badwater dat goed genoeg is. Misschien is dat 'De wet van de rek'. Dat het niet gaat over perfect, maar over blijven.Over wie met u in de zetel wil zitten wanneer ge geen Natan draagt, maar Zeeman.Over wie nog start op maandagochtend, ook al zijt ge zelf een tweedehands met kilometers op.Over wie, met alle rek die er nodig is, zacht genoeg is om u niet te breken

Katrien Daniels
65 4

Lavendel en stekels. wat Francis mij leerde.

We noemen hem Francis, omdat hij Francis heet.Ik leerde hem kennen in het zuiden van Frankrijk. Lavendel, lichte wind, en gezinnen die functioneren zonder dat iemand doet alsof. Francis was daar met zijn vrouw en twee kinderen, een jongen en een meisje. Ze leefden op zo’n vanzelfsprekende manier samen dat je bijna zou vergeten dat dat inspanning vraagt. Francis was leerkracht geschiedenis. Je herkent leerkrachten tijdens de vakantie aan hun uitstappen: niet naar waterparken, maar naar geschiedenis. En als de dames willen shoppen - dat mag!- dan gaat hij met zijn zoon naar een boekenwinkel.  Ik vond dat schoon, maar ook confronterend. Want oprecht functionerende gezinnen zijn voor mij altijd een beetje gruwel. Niet om hen, maar om wat ze kunnen. Ze weten hoe samenleven werkt. Hoe je ruzie maakt zonder te verdwijnen. Hoe je terugkomt zonder drama. Relationele bekwaamheid, maar dan in een beige verpakking: niet opvallend, niet luid, maar wel efficiënt. Dat is een soort luxeproduct dat je niet op Tinder kunt bestellen. Ik oefen relatiebekwaamheid via Tinder — de avondschool van de liefde voor volwassenen die geen handleiding kregen. Tinder is geen gezin, het is proefwerk. Geen eindtermen, geen klassenraad, geen titularis. Alleen swipen, koffies, hoop en bij slecht weer ghosting. Feedback zonder commentaar. Trial & error, en soms vooral error. Onlangs postte Francis iets op Facebook. Zo houden 40+ers contact na een fijne vakantie: geen brieven, geen telefoons, maar Facebookstatussen en likes op foto’s. Hij schreef: “In het zesde jaar werken we rond relaties, liefde en seksualiteit. Wat betekent het dat we relationele wezens zijn, en wat doet ‘alleen zijn’ met ons bestaan?”“Samenleven vraagt geen perfecte nabijheid, maar een juiste afstand.”“Nabijheid kan troosten, maar ook kwetsen. Afstand kan beschermen, maar ook eenzaam maken.” Hij legt dat uit met stekelvarkens. Dat die elkaar in de winter nodig hebben om warm te blijven, maar elkaar prikken als ze te dicht komen. En met Magritte’s Les Amants II: twee geliefden, heel nabij, maar met een doek over hun hoofd. Samen, maar toch niet gezien. Ik las dat en dacht: dat is onderwijs waar we later nog iets aan hebben. En dat is misschien het verschil tussen Francis en mij. Hij leerde relationele bekwaamheid in een gezin, en geeft die nu door aan leerlingen. Ik leer via datingapps. Tijdens één van die Tinder-dansen kwam hij op mijn pad. Niet Francis, maar de man aan de andere kant van de Antwerpse ring. Hij is geen case study, maar iemand die ik graag zie. Niet romcom-graag, niet bombastisch, maar met die stille warmte die je voelt in iemand die luistert en lacht op de juiste plaatsen. Iemand die boeken kan aanraden zonder uitleg, en toch precies weet welke zin voor je blijft hangen. Maar hij heeft ook stekels. Niet de agressieve soort, maar die van iemand die ooit geleerd heeft dat te dichtbij gevaarlijk kan zijn. Nabijheid ja, maar nooit zonder nooduitgang. En nog voor ik het doorheb, kan hij verdwijnen. Niet met deuren of drama, maar met stilte. Ghosting als zelfbescherming, vermoed ik. Of als vergeten vak van relationele bekwaamheid. En toch komt hij daarna weer op hetzelfde ritme terug, alsof hij nooit weg was en wij niets gemist hebben. En dat vind ik soms ontroerender dan blijven. Ik herhaal wel 'soms'.  Ik stel me voor dat ik op een dag met hem in het zuiden zou verblijven. Lavendel in juli. Boeken in augustus. Hij in een ligstoel met te veel zon op zijn schouders, ik aan tafel met een glas water waar citroen inzit. We zouden wandelen, kijken en zwijgen. Nabij genoeg om te voelen dat we bestaan, ver genoeg om niet te prikken. Warm, maar met ventilatie. Soms denk ik: misschien had hij Francis moeten kennen. Als gids. Als iemand die uitlegt dat warmte en afstand geen vijanden zijn, maar parameters. Misschien had ik Francis zijn inzichten ook vroeger moeten kennen. Maar kijk: iedereen krijgt zijn eigen handleiding.Misschien leren we graag zien zoals men in het zuiden dingen leert: door tijd, door zon, door nabijheid die niet dringt maar uitnodigt.Francis leerde het in een gezin. Ik leerde het via trail and error.  En hij, met zijn stekels, zijn pauzes en zijn zachtheid, leert het op zijn eigen tempo. En misschien is dat het enige wat telt: nabij genoeg om iemand te voelen, ver genoeg om hem niet kwijt te spelen.

Katrien Daniels
77 1

Halve verhalen / I know him so well

Het leven is een verhaal dat we schrijven terwijl we het beleven.Niemand weet hoeveel hoofdstukken er nog komen, of wat er in cursief gezet zal worden, of wat nooit voorbij de eerste zin geraakt. Ondertussen lezen anderen mee, selectief, slordig en met hun eigen interpretaties, zoals lezers horen te doen. Ik vraag me vaak af: welke hoofdstukken zien zij eigenlijk? De hoogtepunten, vermoed ik. De triomfen. Maar ook de scènewissels — vooral als ze met wat soucy details verlopen: een scheve scheiding, een veel te dramatische ziekte, een luide ruzie op het verkeerde moment. En natuurlijk de onuitgesproken familiedrama’s, verhalen waarvan iedereen alles weet maar niemand iets zegt, behalve aan de toog, in de auto of bij de afwas. En wie met wie en waarom — of waarom net niet. Het soort informatie dat altijd zonder bron, zonder nuance en zonder voetnoten de ronde doet. Want geen beter vermaak dan leedvermaak. Dat weten ze in het land van de bestsellers: het publiek leest het liefst als iemand anders op zijn bek gaat, en het liefst in kleur, geur en tijdstip. De echte aantekeningen in de kantlijn verdwijnen vaak. Die worden niet gelezen. Die leven ergens tussen het voornemen, de planning en de vergetelheid. Dan denk ik aan mijn grootmoeder.Een dijk van een vrouw. Niet door spierballen of standpunten, maar door warmte en volume. Ze was royaal in alles. Ze schepte altijd te veel eten op, ze gaf te veel kleingeld mee, ze hield de deur te lang open voor Jan en alleman. Bij haar leek niets half.Ze maakte bouillon waar drie gezinnen van konden eten.Ze vouwde lakens alsof er een militaire inspectie op de oprit stond te wachten.Ze had geen halfvol glas: ze dronk het, schonk bij of zette het weg. Doortastend. Het zit ons in het bloed.  En op vrijdag, een traditie, maakte ze rijstpap in kleine witte potjes. Eén per kleinkind.Met een dikke laag bruine suiker bovenop, als een winterdekentje dat smolt zodra het de warmte raakte. Wij aten dat op zonder er iets van te vinden en ondertussen schreef zij de eerste hoofdstukken van onze jeugdherinneringen. En toch vraag ik me af of er bij haar ook halve verhalen lagen netjes opgevouwen in de kasten waar wij niet in mochten. Misschien gebeurt dat met halve verhalen: we zien ze van een ander niet. We denken dat het een vloeiend verhaal is, terwijl het net zo gefragmenteerd is als het onze. Misschien leert ouder worden ons vooral beter verbergen. Wat zijn halve verhalen dan? Dat zijn wilde plannen voor theatervoorstellingen die nooit in première gingen, maar waarvan de titel toch al in een notitieboekje stond, omcirkeld en met uitroepteken. Dat zijn Basic-Fit-abonnementen die vooral dienen om een licht schuldgevoel op te bouwen in de boekentas.  Dat zijn vegetarische intenties die sneuvelen zodra iemand stoofvlees-friet op tafel zet “zoals de oma’s dat kunnen”, inclusief de geur van tijm en laurier. En dat zijn amourettes die alleen echt bestaan in de verbeelding: half bedachte kussen, half uitgekristalliseerde weekenden in Parijs, half uitgesproken verwachtingen die nooit verder raakten dan een glimlach, een emoji of een blik die net te lang duurde. Verhalen die begonnen zijn, maar nergens moesten aankomen om waar te zijn.Verhalen die soms liever in de coulissen blijven, gewoon omdat ze daar mooier lijken. En eerlijk: soms ook veiliger. Daar zit sowieso muziek onder. Niet in majeur, niet in refrein, maar meer als een soundtrack die zacht meeloopt. Een jaren tachtig-ballad die je niet bewust hebt gekozen, maar die toch aanslaat als je het raam een stukje laat zakken.Geen groot drama. Geen koor. Alleen een melodie die fluistert dat het had kunnen zijn — en dat dat ook een verhaal is. Misschien is dat het mooie aan halve verhalen: ze hoeven geen einde te hebben om waar te zijn. De wereld zal nooit weten dat ik steels een hartje via WhatsApp stuur als startschot van de dag. Dat ik luidkeels meezing met foute ballads op de ring. I know him so well. Dat ik op maandag hoofdstukken vol verwachting schrijf, en ze op dinsdag herschrijf omdat het zo altijd loopt. Misschien zijn we allemaal samengesteld uit halve verhalen. Misschien is niemand een afgerond boek, zelfs mijn grootmoeder niet, met haar lakens, haar bouillon en haar rijstpap met bruine suiker. Misschien zijn we eerder een verzameling onafgewerkte scènes, losse eindjes, verlangens en stiltes met een soundtrack die niet altijd op tijd valt maar toch meespeelt. Misschien is dat het hele verhaal. It was good. It was fine. En uiteraard is het madness — he can’t be mine.Maar kom: ik ken hem absoluut zeer well.

Katrien Daniels
40 1

Jurgen. Of Gunther.

Ik noem hem Jurgen.Of Gunther.Eerlijk: ik weet het niet helemaal zeker. Ik vraag me al langer af waarom die twee namen zo vaak door elkaar gehaald worden.Gunther en Jurgen.Beiden Duits.Beiden met een u en een n.Beiden klinken degelijk.Dat soort degelijk dat niet vraagt hoe het met u gaatmaar wel weet hoe je een WC ontstopt en een hallogeenschijner vervangt. Maar dus Jurgen. Dat is zachter. En dus beter passend bij hem. Jurgen draagt een werkmanspak.Oranje fluo. Niet om gezien te worden maar omdat hij anders niet gezien wordt. Op zijn hoofd een muts met een ingebouwd fietslicht.Of een wandellicht. Iets praktisch. Jurgen en ik hebben een gelijkaardige interne klok. We ontmoeten elkaar elke ochtendwanneer ik naar het werk vertrek. Altijd hetzelfde uur. Altijd dezelfde stoep. We zeggen goedemorgen. Niet groots. Niet enthousiast. Gewoon juist genoeg. Vandaag sneeuwt het. Veel. Ik wil op tijd vertrekken en net wanneer ik licht onelegant uitglijd bij het wegleggen van de PMD-zak die gisteren niet werd opgehaald, hoor ik het vertrouwde: ‘Goedemorgen’. Het is Jurgen. Vandaag praat hij wat meer dan anders. Of hij  zich afvraagt of ze vandaag wél gaan uitrijden."Gisteren niet, hé", hij schudde zijn hoofd en keek vol overtuiging naar de besneeuwde straat. Nu pas kan ik de link leggen tussen mijn PMD-zak en Jurgen zijn werkplunje. Ik zeg 'Ah nee' en wijs naar mijn PMD-zak. Dat is een kort gesprek. Maar wel eentje met inhoud. Ik zeg: “Dat zal moeten lukken vandaag, want het gaat meer sneeuwen dan gisteren." Ik vraag of ze ook meenemen zonder compensatiestickers. Want de zakken zijn duurder geworden. Er moeten stickers op. Die stickers zijn niet beschikbaar. En Dendermonde is collectief in paniek. Online lees ik meningen. Veel meningen. “Dat ze het expres doen.”“Dat het schandalig is.”“Dat iemand “zijn job niet kan”.”“Dat het vroeger beter was.”Altijd vroeger. Iemand roept dat hij zijn afval nu “in Brussel gaat dumpen”.Iemand anders zweert bij verbranding in de tuin“zoals mijn grootvader dat deed”.Er wordt gegoogeld naar wie verantwoordelijk isen meteen ook naar wie ontslagen mag worden. Ik lees dat en denk: “Amai, wat een luxe, zoveel verontwaardiging over een zak." Ik heb ook een mening. Maar ik hou die klein. Ik probeer dat toch, met wisselend succes. En ik schrijf ze niet zo snel. Liever het gesproken woord.  Jurgen geeft me een de gelijke uitleg.“Op de blauwe zakken niet. Op de gele wel. Aan de GFT-bak: ofwel drie stickers ofwel een nieuwe. PMD blijft hetzelfde." Het is duidelijke taal, zonder hashtags. Ik ben er, ondanks de sneeuw, vlot geraakt deze morgen. De banen lagen er goed bij. Terwijl ik mijn mailbox open en mezelf verder in de dag sleur, sneeuwt het onophoudelijk.  Ik denk aan Gunther. Nee... Jurgen. Ik zie hem voor me, bij hem thuis, waar dat ook moge zijn. Warme chocomelk.Een sciencefictionfilm met een te ingewikkelde titel en een einde waarbij een onbekende planeet net niet gered wordt. Ik denk aan mensen met meningen.En aan mezelf, die daar weer iets van vindt. Maar vooral denk ik: dit is hoe een jaar mag beginnen. Met iemand die gewoon elke dag zijn ronde doet speciaal voor ons (behalve als het echt te fel sneeuwt), lichtje op de muts, uitleg op zak. En dat ik hem stiekem mijn nieuwe vriend mag noemen. En dat ik voor hem maar al te graag een extra compensatiesticker plak Jurgen.Of Gunther. Ik denk Jurgen.

Katrien Daniels
25 3

De verdwijning van Victorie

Katten sterven niet.Katten verdwijnen. Ze zoeken een plek. Een kier waar niemand kijkt. Onder iets, achter iets, uit de weg. En daar gaan ze zachtjes dood. Dat zeggen wij, omdat sterven te groot klinkt voor iets dat zo weinig ruimte inneemt. Victorie is gisteren verdwenen. Ze had van bij de geboorte iets eigenaardigs.We denken een beperking. Ze wandelde in slowmotion, alsof de wereld altijd net iets te snel ging voor haar. Miauwen kon ze nauwelijks. Meer een poging dan een geluid. Ze was vaak afwezig, alsof ze er niet helemaal bij hoorde. Of al wist hoe je dat doet: een beetje niet hier zijn. Victorie leerde van Rudy wat het was om bij een roedel te horen.Honden weten dat. Dat je gezellig doet als iedereen er is. Dat je blijft liggen waar de warmte zit. Katten weten dat niet vanzelf. Die doen hun eigen ding. Maar zij keek naar Rudy. En leerde. Dat je op oude dagen niet verdwijnt naar boven of onder een bed, maar midden in de kamer gaat liggen. Zichtbaar. Aanwezig. Bij ons. We wisten dat het haar laatste dagen waren.2026 zou een mirakel zijn geweest. En toch: 1 januari was ze er nog. Het huis rook naar eten. Restjes. Overschot. Een beetje alles door elkaar, zoals dat gaat op nieuwjaarsdag. We waren stiller dan anders. We aten, maar keken vooral. Waar ligt ze? Ademt ze nog? Is dit het moment?Ze lag midden op de mat. Niet in de weg — dat deed ze nooit — maar ook niet verstopt. Oud. Stil. Versleten. En toch: erbij. Victorie kwam hier ooit binnen als cadeau.Eerste communie van mijn oudste zoon. Ongevraagd. Nog nooit zo kwaad geweest op iemand met een strik rond een doos.Je geeft geen levend wezen cadeau. Zeker geen kat. Zeker niet aan een kind. Maar qua return on investment: een topcadeau.Noch de fiets, noch de Nintendo — fluogroen, dat was toen mode — haalden de zeventien jaar. Victorie wel. Ze bleef. Door alles heen. Ze zag een huis dat zich vulde.Ze zag feestjes. Chaos. Lawaai.En later zag ze een huis dat langzaam leegliep.Scheiding. Pubers. Gesloten deuren. Stiltes die bleven hangen. Zij keek.Niet oordelend. Niet troostend. Katten doen dat niet.Ze registreerde. Ze was een goed doel op zichzelf. Wat mij het meest fascineert, is hoe een kat verdwijnt.Wij vinden dat zielig. Alsof ze ons achterlaten.Maar misschien is dat net de ultieme consequentie van kat zijn. Foert zeggen. Niet met drama. Niet met afscheid.Gewoon: het is goed geweest. En wat ze nalaat, is klein.Een kattenbak die er nog staat.Een leeg eetbakje.En nog voor een tijdje: zwarte haarplukjes op plekken waar ze graag lag. In een hoek. Op een trui. In het licht. Alsof ze nog even wil zeggen:ik was hier.ik heb gekeken.en nu ga ik. Zoals katten dat doen.

Katrien Daniels
55 3

Het jaar van de wortelsoep

De ochtend na oudjaar 2026. Nog wat moe. Niet alleen van het feest, maar van die innerlijke klok die na je veertigste plots vindt dat hij het beter weet dan jij. Acht uur is dag. Punt. Of het nu 1 januari is of niet. Oudejaarsavond zit nog ergens in mijn lijf. ‘Hoe heb je gevierd?’ Zo’n vraag die mensen nonchalant stellen, in de veronderstelling dat oudejaarsavond per definitie legendarisch is. Spoiler: not. ‘Bij vrienden,’ zeg ik.Dat kan van alles zijn. Dat kan klinken als een vast stramien waarin iedereen al weet wie wat maakt en hoe er altijd wel iemand dezelfde frats uithaalt. Zoals Luc, die elk jaar net iets te vroeg begint te tellen en dan verongelijkt is omdat niemand mee wil.Het kan evengoed klinken als een chic feest met pailletten, glitters en kleren waarvan ik mij elk jaar opnieuw afvraag wie daar effectief geld aan geeft. Maar goed, hé. Dat mag. Ik vind het gewoon verloren geld. Deze bij vrienden was anders. Spannend zelfs. Het was de eerste keer dat we niet met familie vierden. De kinderen vieren al lang elders. De feesttafel was jaar na jaar kleiner geworden.En laat ons eerlijk zijn: ik kan veel dingen alleen. Alleen naar de sauna. Alleen op restaurant. Alleen op citytrip naar Parijs. Prestaties die ik met enige trots op mijn palmares heb staan.Maar oudjaar… oudjaar is toch nog iets anders. Dat is geen medaille die ik per se wou binnenhalen. Ik had er met een klein bang hartje naar gekeken. Tot er een engel passeerde. Niet als een baby met vleugels, maar gewoon als iemand die op het juiste moment een simpele vraag stelt. Nona. Ik denk zelfs niet dat ze wist dat ik nog geen plannen had. Ze vroeg het gewoon. ‘Wat doe jij met oudjaar?’ Er komen nog andere vrienden, die ken je niet, maar dat klikt wel, zei ze. Salsa-dansers ook nog. Alsof dat alles verklaarde.  Iedereen bracht iets mee. Ik de dessertjes. De anderen hapjes, een hoofdgerecht, wat vis. Nona de soep. Wat ik tof vind aan Nona is dat ze altijd een beetje chaos is. Niet slordig. Gewoon… veel tegelijk. Alsof ze in haar hoofd drie dingen tegelijk aan het doen is en overal nét te weinig tijd voor heeft. Voor haar gaat de tijd sneller. Dat is geen karaktertrek, dat is een fout in de natuurkunde. Of in eender welke wet die beslist hoe tijd zich hoort te gedragen. Alles was in orde. De tafel mooi gedekt. De cava koud. Kaarsjes aan. Alleen de soep. Daar was de tijd te snel voor gegaan. En dus stonden we op oudjaar soep te maken. De toon was gezet. Geen Piet Huysentruyt-wijsheden. Geen recepten. Gewoon vier mensen die elkaar niet kennen en samen wortelsoep maken. Nona die ondertussen nog rap een extra hapje klaar stoomde en bleef jammeren dat ze er écht niets aan kon doen van die soep. Alsof het haar persoonlijk werd aangewreven. En wij die haar daar met veel plezier mee plaagden. Omdat dat kan. Omdat plagen soms gewoon wil zeggen dat je er al bij hoort. We proefden. Nog wat zout. Misschien een beetje extra curry. Of toch nog iets meer.De soep was heerlijk. Zoals eigenlijk alles die avond. Er waren kleine cadeautjes voor iedereen. Want zo is Nona ook. Altijd nog een extraatje. Alsof ze denkt: je weet maar nooit wie dat vandaag net nodig heeft. Er werd gelachen en gebabbeld. Gewoon gezellig. Van die gesprekken die nergens naartoe moeten en net daardoor juist goed zitten. Later op de avond schoof alles wat losser. Schoenen uit. Iemand op kousenvoeten. De salsa-dansers die even lieten zien dat hun lijf sneller beslist dan hun hoofd. We telden niet af maar toen was het plots middernacht. Het uur kwam langs, maar wij waren bezig met iets anders. En ergens tussen de damp, de lach en de iets te luide salsa op de achtergrond besefte ik: dit is hoe een nieuw jaar mag beginnen.Niet luid. Niet perfect. Maar met mensen die blijven roeren tot het warm genoeg is.

Katrien Daniels
58 1

Vluchtroutes

We gaan hem Marc noemen. Dat is veiliger. Marc is verantwoordelijk voor veiligheid in een grote eventlocatie. Dat maakt hem, per definitie, de partypoeper van dienst. Terwijl anderen denken in confetti, rookmachines en wauw, denkt Marc in doorgangen. In meters. In dingen die vrij moeten blijven. Hier geen auto. Daar geen foodtruck. Nee, ook niet “maar heel even”.Hij is degene die zegt: “Als het misgaat, moet dit leeg zijn.” En niemand wil horen over misgaan wanneer het net gezellig begint te worden. Zijn collega’s dromen van feest, entertainment en spektakel. Marc droomt van een nooduitgang die zichtbaar blijft. Van een deur die niet geblokkeerd is door een goedbedoelde plantenbak. Van pijlen die nog exact wijzen waar ze gisteren ook wezen. En net daarom vind ik hem leuk. Marc kan gepassioneerd vertellen over dingen die niemand sexy vindt. Vluchtroutes. Brandcompartimenten. Fluohesjes die op de juiste plaats hangen. Luidsprekers die het altijd moeten doen, ook als niemand ze wil horen. Tussen pot en pint vertelt hij over brandoefeningen. Over hoe nodig het is om alles opnieuw te doen. Niet omdat het spannend is, maar omdat je anders vergeet waar alles ligt en of het nog werkt. En terwijl hij praat over controleren, over eens testen, over zeker zijn, glijden mijn gedachten weg. Dat gebeurt wel vaker bij mij. Ik denk aan die one night stand van een half jaar geleden.Niet omdat hij spectaculair was.Net niet. Ik vond hem eigenlijk wel leuk. Warm genoeg om er iets bij te denken. Te warm, blijkbaar. Bij one night stands wordt het mij altijd pas de week nadien duidelijk.Nooit die nacht zelf.Altijd daarna.Op het moment dat ik, tegen beter weten in, in gedachten al mijn trouwkleed begin te kiezen.Niet eens wit. Gebroken wit. Praktisch. Met zakken misschien. En dan komt hij. De keiharde waarheid.Het was maar één keer.Eens om te kijken.Eens om te voelen of alles nog lag waar het moest liggen.Of alles nog marcheerde. Geen vervolg. Geen verhaal. Geen nooduitgang richting samen. Enfin. Een brandoefening. Marc praat intussen verder.Over procedures. Over hoe belangrijk het is dat zo’n oefening geen drama wordt, maar een test. Gewoon even nagaan of je in paniek niet verkeerd zou lopen. Ik neem een slok en denk: sommige mensen doen dat ook met anderen.Even binnen.Even voelen.En daarna weer naar buiten, alsof er niets aan de hand was. Behalve dan bij degene die dacht dat het een feest was en achteraf merkt dat het alleen maar ging om te zien of de alarmen het nog deden. Marc is een vriendwaarbij je je vanzelf veilig voelt.Niet omdat hij je vasthoudt, maar omdat hij al gekeken heeft waar je naartoe kan als het donker wordt. En misschien is dat het verschil tussen liefde en een oefening:de één blijft wanneer het alarm afgaat, de ander was alleen even aan het testen of de uitgang nog vrij was. Katrien Daniels

Katrien Daniels
86 2

Jaren luisteren

Ik maak elk jaar een playlist op Spotify.Niet omdat ik ordelijk ben - wie mij kent, weet beter - maar omdat sommige dingen anders verdwijnen. Alsof ze nooit echt zijn gebeurd. Alsof ik ze mij inbeeldde om het leven wat draaglijker te maken. Het idee leende ik ooit van een beste vriend. Zoals je de beste ideeën altijd leent en ze daarna achteloos inpakt in je eigen bestaan. Hij zei: als er iets gebeurt en er speelt op dat moment een liedje, zet dat in een lijst. De rest doet de tijd wel. Zo maak ik mijn jaaroverzichten. Geen hoogtepunten. Geen successen. Maar momenten die zich vastbijten in muziek zoals een geur in een jas die je eigenlijk had willen weggooien maar toch blijft dragen. Ik weet dat het 2017 was omdat “I Miss You” daarin staat. Dat was Steven.Liefdesverdriet heeft blijkbaar versterkers nodig. In datzelfde jaar staat ook “Lena Lena”. Omdat Rembert De Smet stierf. Ik heb daar geen datum bij nodig. Dat nummer is die dag. Zo werkt rouw: niet netjes, niet chronologisch, maar op repeat. En “Waar Jij Niet Bent”. Weer Steven. Sommige mensen verhuizen niet met dozenmaar met stilte. Ze laten een lege plek achter die je pas hoort als een lied begint. Dan plots “Love of My Life”. Van Queen. Dat moet Peter geweest zijn.Ik weet het niet meer precies. Maar mijn lijf weet het nog. Mijn lijf onthoudt dingen waar mijn hoofd liever niet meer komt. Dat lijf is een koppig archief. Zo werkt het dus. Mijn hoofd poetst weg. Mijn Spotify niet. En dan is er 2025. Die lijst begint met “Magnificent”.En dat klopt. Omdat goed soms niet jubelt maar blijft staan. Omdat niet alles een punt moet zijn. Sommige dingen mogen ook een halve zin blijven die nergens heen hoeft. Ik zette ook “Behind the Walls” van Ward D’Hoore erin .Jong. En precies daarom zo raak. Omdat hij muziek maakt die niet bewijst maar blijft.Omdat hij durft fluisteren waar anderen hun gelijk uitschreeuwen. Omdat eerlijkheid ook een vorm van lef is en je daar soms stiller van wordt dan je had verwacht. En dan “Chiquitita”. De bananendans op kamp. Omdat niets heilig is behalve samen belachelijk doen met volle overtuiging. Lachen als zorgvorm. Dat nummer ruikt naar kinderen die nog niet weten dat dit later een herinnering wordt. “Nightswimming”. Zo puur dat het schuurt. Zo zomer dat je er nat van wordt zonder ooit echt te zwemmen. Een lied waarin je mag blijven hangen zonder plan, zonder richting, zonder belofte. En ergens - als een ruggengraat die niet altijd recht staat - de soundtrack van Paris, Texas.Ry Cooder die precies daar schuurt waar je liever zou wegkijken. Liefde die wringt. Kijken zonder aanraken. Blijven terwijl je beter zou vertrekken. Niet kapot. Maar ook niet passend. Er staat ook “Feel So Different” tussen. Van Sinéad O’Connor. Een zomer. Een huid die sneller ja zei dan het verstand kon bijhouden. Een liefde zonder toekomst maar met alles wat er toen was. Warm. Helder. Maar voorbij. En “Perfect Symphony”. Een auto. Mijn twee grote zonen aan boord. Wij drieën, ramen dicht, volume belachelijk hoog, uit volle borst meezingen. Omdat het kan. En omdat we zo zijn. Nog altijd. Gelukkig. Als ik de afspeellijst van 2025 beluister, hoor ik geen drama. Ik hoor leven. In verschillende toonaarden. Met rafels. Met humor als reddingsvest. Met ademruimte en hier en daar een lichte schaafwonde. Misschien is dat de zoetheid van dit jaar: het hoefde niets te worden. Het mocht er gewoon zijn. Zoals een goed lied dat je niet begrijpt maar ook niet afzet. En helemaal op het einde staat “Jardin Secret”. Niet om iets af te sluiten. Maar om iets verborgen te houden. Een geheim. Een onbeantwoorde liefde. Iets wat nooit uitgesproken werd omdat het anders misschien zijn kracht zou verliezen. Dat nummer is geen slot. Het is een kamer waar ik soms nog binnen ga zonder het licht aan te doen. Waar iets blijft liggen dat nooit gekozen werd maar ook niet verdween. Een gevoel dat nergens heen moest om echt te zijn. Niet alles is van iedereen.Niet alles moet gedeeld.Niet alles wil opgelost.Sommige liedjes bewaar je omdat ze blijven vragen en nooit antwoorden.  

Katrien Daniels
64 1

roxette

Listen to your heart.When he’s calling for you.   Serieus! Is dat nu een manier om mensen wakker te maken? Alsof mijn wekker denkt dat hij een life coach is. Ik luister al genoeg naar mijn hart. Meer dan genoeg zelfs. En tot nu toe heeft het mij vooral wallen opgeleverd, omwegen en een abonnement op melancholie. Geen duidelijkheid.Geen plan.Zeker geen hulpmiddel om kwart voor acht fris en monter richting werk te vertrekken.Ik druk het nummer weg net voor het refrein. Kwart voor acht. Een rit van drie kwartier én de wil om om acht uur te beginnen werken. Dat is een zelf uitgevonden wiskunde die elke ochtend opnieuw haar ongelijk bewijst. Dus: de kortste weg. Altijd de kortste. Maar wat is de kortste?  Door de stad, zeggen de apps.Alleen starten de scholen straks.Dus fluohesjes, bakfietsen, ouders met haast in de ogen en kinderen die treuzelen. Dan maar de binnenwegen.Iets langer.Meer bochten. Ik blijf even staan.Motor draait. En daar is ze.Mijn maag. Niet als fluistering.Als ultimatum. Mijn honger is geen klein ongemak.Geen oei, ik zou iets kunnen eten.Mijn honger is een karaktertrek.Een persoonlijkheidsstoornis met een agenda. Ze komt niet zacht.Ze komt niet vriendelijk vragen.Ze neemt plaats.Zet haar ellebogen op tafel.Eist aandacht. Als ik zo vertrek, zonder eten,dan word ik iemand anders. Iemand die dingen zegt die al lang gedacht zijn maar normaal netjes achter een filter blijven steken. Angela zal het voelen. Ze zal enthousiast beginnen over haar kleinkinderen. Foto’s tonen. Filmpjes. Zeggen hoe schattig ze zijn. Hoe slim. Hoe echt al zichzelf En ik zal lachen. Niet mee. Maar nét hard genoeg dat ze twijfelt. Ik zal iets zeggen als: “Ja amai… ze lijken precies allemaal op elkaar.” Luc ook. Altijd net iets te dichtbij. Zijn adem die al voor hem binnen is. Ik zal hem aankijkenen eindelijk zeggen wat al maanden klaarzit: “Zeg Luc, een deodorant is geen luxe, hè.Dat is een investering. Voor u. Voor ons. Voor de wereld.” En Ronny. Ronny zal iets laten slingeren. Papieren. Een koffietas. Zijn rommel, altijd voor straks. Ik zal niet meer wachten. Niet meer tellen tot drie.Ik zal zeggen: “Ruim het op. Niet straks. Nu. We werken hier niet in uw living.” Dat is wie ik word als ik honger heb. Niet slecht. Wel eerlijk. Te eerlijk. In het winkeltje doe ik snel ochtendgymnastiekmet vier bananen. Goudakaas ook. En ja.Een chocoladebroodje. Of twee. Dit is geen luxe. Dit is onderhoud. Terug in de auto. Acht uur. Ik start de afspeellijst nostalgie mama.Die mama ben ik. De lijst bestaat sinds 2015. Sinds de ritten naar het zuiden. Frankrijk.Vroeg vertrekken. De achterbank slapend. Dat ene uur tussen vijf en zes waarin ik de auto en de rit helemaal voor mij alleen had. Ik vond het stoer. Dat ik dat deed. Zo ver rijden. Met kinderen. Met muziek. Met péages en wegbeschrijvingen. Een ultieme manier om tegen de wereld te zeggen: Ik heb geen man nodig! Die muziek droeg mij. Gitaarintro’s die langzaam open gingen. Stemmen die bleven. Liedjes die wisten wanneer ze moesten zwijgen. Nu rijdt diezelfde playlist mee op een maandag in december. Onderweg naar the office. Naar vergaderingen en plannen. Mijn kaas rolt zich vanzelf op. De bananenschil ligt op de passagierszetel. Een lege verpakking schuift bij elke bocht tegen de deur. Buiten is het zacht. Niet wat je verwacht van een ochtend in december. De lucht is lichtblauw, wit, met een randje roze. Alsof de dag zich even vergist heeft van seizoen. Er was een tijd dat er ontbijt klaar stond.Niet groot. Maar juist genoeg om te voorkomen dat alles ontspoorde.Iemand die wist dat het anders mis ging nog voor de middag. En dan -  Lay a whisper on my pillowLeave the winter on the groundI wake up lonely… Het nummer vult de auto. Niet te luid. Net genoeg om alles wat los ligt samen te trekken. De lucht. De rommel. Mijn handen aan het stuur. It must have been love,but it’s over now. Katrien Daniels

Katrien Daniels
84 1

02/02/2022

Ik word wakker in een bed dat niet van mij is. De lakens zijn te strak. Het licht te wit.Dit is geen hotel. Geen logeerkamer. Geen vergissing. Crisisafdeling, zegt mijn hoofd. Al weet ik niet wanneer iemand dat woord heeft uitgesproken. Het hangt hier gewoon. Zoals de stilte. Zoals de vraag. Wat kom ik hier doen? Hoe is het zover kunnen komen dat ik wakker word op een plekwaar deuren zacht sluiten en niets vanzelfsprekend is? Mijn lichaam voelt ouder dan gisteren. Mijn gedachten zijn een doos waarin alles tegelijk ligt: angst, schaamte, vermoeidheid, een klein restje hoop dat zich verstopt. Ik probeer me te herinneren wat de laatste juiste beslissing was. En waar ik daarna ben afgeweken. Alsof dit een wandeling was en geen glijbaan. Dan staat er plots een verpleger in mijn kamer. Niet dreigend. Niet plechtig. Gewoon… daar. Hij vraagt of ik witte of bruine suiker wil op mijn pannenkoek. Een pannenkoek. Hier. Nu. Mijn hoofd hapert. Niet omdat ik geen zin heb. Maar omdat ik alles wil.Ik wil wit. Ik wil bruin. Ik wil niet kiezen. Ik wil vooral niet dat dit afhangt van mij. Ik zeg dat ik het niet weet. Dat ik het allebei wil. Dat ik vandaag geen beslissingen kan nemen. Hij lacht niet eens. Hij knikt. Alsof dat het meest normale antwoord ter wereld is. Later zal ik weten dat hij Davy heet en dat hij een nobelprijs verdient. Later zal ik begrijpen dat dit zorg was. Zorg in zijn zuiverste vorm: iemand die je pannenkoeken aanbiedt op het moment dat jij denkt dat alles verloren is. 02/02. Lichtmis. De dag waarop pannenkoeken traditie zijn. Voor overvloed. Voor hoop. Voor een nieuw begin. Ik wist dat toen niet.  Ik wist alleen dat er iets warms mijn dag binnenkwamzonder dat ik erom had gevraagd. Sindsdien heb ik een pannenkoeken-fetisj. Ik noem het zo, omdat het anders te groot klinkt. Pannenkoeken zijn altijd goed. Om te troosten. Om te vieren. Om een verloren dag toch te beginnen. Ze zijn rond. Vergevingsgezind. Ze laten zich omdraaien. Ze mislukken zelden definitief. Als ik geen woorden heb, maak ik pannenkoeken. Als ik iets te vieren heb, ook. En als alles op instorten staat, dan zeker. Elk jaar op 2 februari bak ik ze. Op de gezondheid van Davy.En van iedereen die ooit dacht: dit komt niet meer goed en toch iets kreeg aangereikt dat zei: je mag hier nog even zijn. Witte of bruine suiker? Vandaag weet ik het antwoord. Allebei. Katrien Daniels

Katrien Daniels
31 1