Ze ziet er sjofel uit in haar gevangenisoverall. De stof valt om haar lijf als een wijde tent en haar blik is leeg. Waar er vroeger vuur brandde in die gitzwarte ogen, zie ik nu alleen nog resten as. 

 

Ze hoeft hier niet te zitten, dat weten we allebei. Met één welgemikte ijsknal blaast ze de wanden van haar cel tot gruis en kiezels. Maar ze houdt haar handen stevig gesloten. Meer dan de muren van de gevangenis, sluit ze zichzelf op in haar eindeloze zee van spijt. 

 

Ik heb nooit veel over mijn vrouw gepraat. Dat deden kranten al genoeg in mijn plaats. Zij was Freeze, de superheldin in diepblauw en ijswit. De vrouw die explosies bevroor met één handbeweging,  branden bluste met één ademteug en iedereen vol slechte bedoelingen met een vingerknip achter slot en grendel mikte. 

Ons appartement puilde uit van de krantenknipsels en uitvergrote foto’s van spectaculaire reddingen. Zij was de publiekslieveling. Ik was de onzichtbare hulp die de brandlucht uit haar eindeloze reeks spandexpakjes waste. 

Maar hoe meer het publiek haar op handen droeg, hoe groter mijn afkeer werd voor haar. 

 

Weet je nog hoe superhelden in stripreeksen altijd een dubbelleven leiden? Daar had mijn vrouw geen boodschap aan. Ze flaneerde door de straten in haar strakke heldinnenpak. 

‘Klaar voor het onverwachtse’, zei ze altijd. 

‘Wentelen in je eigen roem’, noemde ik het. 

Hoe hoger zij vloog, des te dieper zakte ik weg. 

 

Langzaam sloop de haat ons huis binnen. ‘s Nachts rolden we elk naar het verste uiteinde van het bed, vastbesloten om zelfs geen ademteug van de ander te voelen. Telkens wanneer ik na dagen moed bijeenschrapen haar aansprak over onze relatie die verder afbrokkelde, was er altijd een ramp die ze dringend moest voorkomen. 

 

Die bewuste ochtend betrapte ze me in de gang. Zelfs op kousenvoeten ontsnap je niet aan de aandacht van een superheldin. 

‘Waar ga jij heen met die valiezen?’ 

‘Ik ga weg. Ik ben er klaar mee, Freeze. Gedaan met pakjes wassen en wachten tot de wereld eens zes seconden rustig is zodat wij kunnen praten.’

‘De wereld kan niet zonder mij’, beet ze me toe. 

‘De wereld redt zich prima zonder jou.’

‘Ik ben een superheldin!’

‘Je bent een omhoog gevallen trut met één miezerig talent. Je kan toevallig ijs afvuren. Onze buurman laat oorverdovende boeren. Zullen we hem ook in een spandexpakje steken?’

Freeze keek me ijskoud aan. 

‘Ik ga! Zoek maar een ander hulpje. Zet wel even in de vacature dat een ruggengraat en eigen wil totaal overbodig zijn.’

Woest haalde ze uit. Haar vuisten spanden zich op en ze opende haar handpalm.

‘Freeze! Niet doen’, brulde ik. Ik duwde haar hand weg en dook op de grond. Een ijskoude wind suisde over mijn hoofd. Het raam versplinterde en ik voelde het appartementsblok daveren toen haar ijsknal doel trof. 

 

Het gegil vanop straat drong langzaam tot me door. Ik keek op en zag Freeze aan het raam staan, witter dan de ijswitte schicht op haar pak.

Een schoolbus vol kinderen lag als een gebarsten ijsblok dwars over de weg. De passagiers voor altijd bevroren.
Iemand schreeuwde. Ik weet niet wie het was. Freeze of ikzelf...

 

‘De wandeling is voorbij!’, brult een barse stem.

Ik draai me weg van de afsluiting tussen de mannen- en vrouwenafdeling en sluit achterin de rij aan. Met een moedeloze tred lopen mijn medegevangenen en ik terug naar de cellen. De stof van mijn overall wappert als een te wijde tent om mijn benen.

Geschreven door KiM op 28/10/2016 - laatst aangepast op 28/10/2016

  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home