Als ik er kom, moet ik altijd aan die ene foto denken. Op die foto zie je grootvader samen met twee andere mannen. Ze zitten samen op een bankje op het kerkhof. Ze zijn alle drie gekleed in een nogal donker kostuum en ze dragen een klassieke deukhoed. Nu ik eraan denk, ik heb hem eigenlijk zelden in andere kleuren dan grijs en zwart gezien. Wat ze er deden? Gewoon, naar de mensen kijken die voorbij kwamen. Ongetwijfeld namen plakkend op de voorbijgangers. “Was er dat geen van dinges?” Niet beseffend dat de mensen meteen hoorden wat ze zegden, want hij was nogal hardhorig.  


We moesten er altijd stiekem mee lachen, met die foto. Met onze fantasierijke ogen leken het er drie van de maffia. Eén van zijn maten was bovendien boomlang en had een zware snor. Hij had zo met de Godfather kunnen meedoen.


Ook als hij in het ziekenhuis lag en een verpleegster boog zich over hem, keek hij altijd sluiks naar haar gezicht, gevolgd door een vraag als deze. “Ben jij er geen van dinges? Hoe heet hij weer?” En de verpleegster zei dan altijd: “Ja, ik ben er één van ….“ “Ik dacht het wel”, vervolgde hij dan, “ik zag het op uw gezicht”. Dat laatste verzon hij ter plekke, maar hij had het gesprek toch maar mooi op gang getrokken. “Uw grootvader, die heb ik nog goed gekend”, ging hij verder. Och, ergens wel hij wel een charmeur.


Maar het was die tijd van het jaar. Begin november en bijna de hele dag mistig. Mistroostig zelfs af en toe. Mijn vrouw en ik gingen naar onze, echt wel, mooie begraafplaats. We stopten bij onze dierbaren en we vertelden er wat. Soms stil, soms luidop. En weet je wat? Het bankje, dat staat er nog altijd.

Geschreven door Rudi Lavreysen op 24/01/2017 - laatst aangepast op 24/01/2017

  • column

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home