Sinds het overlijden van zijn dierbare moeder woonde Eddy alleen in de ouderlijke woning. Nu hij zich niet langer gesteund voelde door de aanmoedigende woorden van zijn mama, kostte de dagelijkse routine hem steeds meer moeite. Beiden, zowel Eddy als zijn huis, vertoonden hierdoor steeds meer tekenen van verval.

 

Terwijl hij aanvankelijk vooral droefenis had gevoeld, was hij zich de laatste tijd steeds bozer gaan voelen om de eenzaamheid die hem te beurt was komen vallen. Op een dag besloot hij verhaal te gaan halen bij God.

 

Na een voettocht van zes uur tot in Scherpenheuvel, knielde Eddy neer voor het Christusbeeld in de zijbeuk van de basiliek. Hij vouwde zijn handen vroom tezamen en fluisterde: “Heer duizend maal excuus dat ik U stoor, maar mogelijks is er een vergetelheid geslopen in uw onmetelijke voorzienigheid?”

 

“Wat grieft er U mijn zoon?” vroeg de Heer.

 

“Ik voel mij zo verschrikkelijk eenzaam,” sprak Eddy. “Ik bid elke avond dat ik een lief wijfke mag ontmoeten die bij mij wil komen wonen, maar elke ochtend word ik weer alleen wakker. Mijn boterhammen smaken niet meer als ik ze alleen moet opeten. Mijn leven heeft geen zin meer als ik het met niemand delen kan. Dan maak ik er nog liever een eind aan.” Zijn gemoed schoot vol en zijn kinderlijke gejank galmde door het godshuis.

 

“Verman u mijn zoon! En zeg mij wat voor wijfke gij wenst.” zei de Heer.

 

Eddy twijfelde geen seconde. “Eentje met wit krullend haar. Zoals ons moeder zaliger.”

 

“Uw gebeden worden verhoord. Morgenvroeg zult ge krijgen waar gij zo sterk naar hebt verlangd. Droog nu uw tranen en ga naar huis. En twijfel nooit meer aan mijn goedheid!” beval de Heer.

 

Eddy snoot luidruchtig zijn neus en haastte zich toen naar buiten. Toen hij thuis kwam was het al donker. Hij ging meteen naar bed en viel in een diepe slaap.

 

De wekker schelde zoals elke dag om kwart voor zeven. Eddy schoot wakker en stormde de trap af. Pas halverwege realiseerde hij zich dat dit geen gewone ochtend was. Nerveus keerde hij terug naar boven. Voor het eerst sinds jaren nam hij uitgebreid de tijd om zich te wassen en te scheren. Hij trok zijn grijze kostuum aan, blonk zijn schoenen, kamde zijn haren en poetste voor de zekerheid twee keer zijn tanden. Toen daalde hij de trap af, met trage, plechtige stappen.

 

Hij hoorde gestommel in de voorste kamer. Zijn hart bonsde in zijn keel. Hij sloot zijn ogen en duwde de deur voorzichtig open.

 

“Mèèèèh!”

 

Eddy opende zijn ogen. Voor hem stond een jong schaap met een schitterend witte, krullende vacht.

Geschreven door Roel Nijleend op 29/01/2017 - laatst aangepast op 24/10/2017

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home