Ze vogelen. Het zijn konijnen in het gras met dauw. Het nevelt en de ochtend zweet.

Stil mag het niet zijn. Ik hoor de nijd, het wrochten van motoren. De echte beesten met voituren, ze sleuren zich, naar werk, fabriek of een klavier.

 

Aan mij ligt het. Ik ben het kwijt en blijf me maar vergissen, liefste.

Zoute koffie, zoete soep en op een stoep zit ik straks, te tekenen, een maan.

Dat ik het niet kan. Ze zullen lachen, kinderen hebben geluk. Dat het een banaan is met een neus en ik zie ze zwaaien, duizenden groene handen.

 

Een boom. Wat verder, aan diggelen gevallen uit de lucht een regenboog of zijn het bloemen en vlinders met vlekken en plekken? Het moet een droom zijn en ik heb een hart dat niet wilt slapen, een fluisterpomp die letters borrelt, prevelt dat ik het je zeggen moet, dat het niet geeft, ergers bestaat. Een vogel.

 

Jong was het dier en het vloog, tegen mensenglas en morgen, dan mist liefde weer een bus, valt er zwarte sneeuw en voel ik pijnlijk ijs. Omdat ik mij vergis. Altijd weer. Daarom koop ik ze morgen, zwembroeken voor schaamvissen en streel ik de netels. Omdat ze kleurrijke bloemen wilden. Omdat hem tederheid ontbreekt. Zal ik een egel kussen.

 

Zie, mijn schat, hoe mijn hand probeert, jou iets te schrijven, een doordrukje van hartpalaver. Lang zullen ze zijn, de brieven, te zwaar voor duiven die niet vliegen door de zure regen. Ik weet het. Alles moet lichter. Gemakkelijker. Hallo meneer de uil. Ik weet het van hem. Hij schudt zich de kop als hij mij ziet en heeft een vaste blik. Niet zoals ik.

 

 

 

 

 

uit de reeks  'Majnun, het gebrabbel van een gek'

 

Geschreven door Bernd Vanderbilt op 29/06/2018 - laatst aangepast op 17/08/2018

  • poëzie

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home