Bernd Vanderbilt

Gebruikersnaam Bernd Vanderbilt

Teksten

Djoembier

    Nagels wijzen naar de lucht. Aan een tros ballonnen, kijk, het kind drijft weg en boven wacht een hemelmeer, dobbert hij, de luchtmatras het punthoofd zijn van de fakir.   Ricky wilt ook naar de top en bij het winkeltje, bij de belegde broodjes honing ooretter in potjes, daar begint het pad. Je moet eerst door het bos van de gewurgde tijd, pluk er bessen, zwammen worden best venijnig, als je zomaar stippen op de hoedjes tekent.   Ricky is een doorzetter. Nochtans. Zijn koffertje het bulkt van onheil en verlossing. Alles is geregeld. Blijf kalm! Ginds beneden achter bergkammen wacht een knalblauw busje. Op de laadvloer kan je alle knopen vinden, het tapijt is lekker hard.   Ach Ricky, de spits van de Djoembier, je bent er zo. Zotten hebben alles geplaveid, de brokken ziek geschikt en in de hut verblijven alle daders, eten er goulash met knedla. Een haardvuur knettert, kiekjes schiet je, vang het uitzicht, lach of kwetter, tongen proeven sap van zoet gelul.   Genoeg, het zal, geloof me, vriend, je hebt gedroomd van beterschap toekomst papegaaien met te grote tieten, een drol smeulde in de microgolfoven, echt waar, ik zweer het, niets is van mij, geen ene streek, het schilderij is zonder vorm, de worm wilde geen vel, appelsienen zonder schil worden gesneden voor een peuter. Zwaai niet. Ga nu. Bergaf.   Er is een kabelbaan die niet eens rammelt, Milan heeft een hendelhand, stap in, maant hij en in de gondel zit hij stil, naast die fakir met zijn een blik vol gaten. Kijk toch naar beneden!   Zonder lier en zonder kabel zouden zij nu vliegen. Over liefdeshuizen, klinieken voor abortus van de kleinigheden en in zijn tuin heeft een man, de tomaten vrolijk ingekleurd. Wat gebeuren moet vindt plaats, onder het zitje zit het spul, een paardenmiddel. Dood lust leed en wonder!   Sluit ze, Ricly, je ogen, de beelden van de smurrie, van de smeerlapperij. Zeg geen vaarwel aan uitgezongen krekels, groet de sheriff van de stoere zielen niet want alles is te moe, de lucht in de ballonnen, zelfs de melkkoe braakt oranje en de mussen mijden kruimels van het kind.   Zwijg. Het is zoals een boom. Laat los alle ballonnen en de bladeren, die snel hun groen verloren, heb je volgeschreven. Volg de takken stam en wortels, nagels bijten doet geen haan, geen kraai. Ontspan. Loop leeg. Slaapwel. De bodem wordt van jou.         uit de reeks 'Reizen met RIcky'

Bernd Vanderbilt
0 0
Tip

Schaamvissen en ochtendzweet

  Ze vogelen. Het zijn konijnen in het gras met dauw. Het nevelt en de ochtend zweet. Stil mag het niet zijn. Ik hoor de nijd, het wrochten van motoren. De echte beesten met voituren, ze sleuren zich, naar werk, fabriek of een klavier.   Aan mij ligt het. Ik ben het kwijt en blijf me maar vergissen, liefste. Zoute koffie, zoete soep en op een stoep zit ik straks, te tekenen, een maan. Dat ik het niet kan. Ze zullen lachen, kinderen hebben geluk. Dat het een banaan is met een neus en ik zie ze zwaaien, duizenden groene handen.   Een boom. Wat verder, aan diggelen gevallen uit de lucht een regenboog of zijn het bloemen en vlinders met vlekken en plekken? Het moet een droom zijn en ik heb een hart dat niet wilt slapen, een fluisterpomp die letters borrelt, prevelt dat ik het je zeggen moet, dat het niet geeft, ergers bestaat. Een vogel.   Jong was het dier en het vloog, tegen mensenglas en morgen, dan mist liefde weer een bus, valt er zwarte sneeuw en voel ik pijnlijk ijs. Omdat ik mij vergis. Altijd weer. Daarom koop ik ze morgen, zwembroeken voor schaamvissen en streel ik de netels. Omdat ze kleurrijke bloemen wilden. Omdat hem tederheid ontbreekt. Zal ik een egel kussen.   Zie, mijn schat, hoe mijn hand probeert, jou iets te schrijven, een doordrukje van hartpalaver. Lang zullen ze zijn, de brieven, te zwaar voor duiven die niet vliegen door de zure regen. Ik weet het. Alles moet lichter. Gemakkelijker. Hallo meneer de uil. Ik weet het van hem. Hij schudt zich de kop als hij mij ziet en heeft een vaste blik. Niet zoals ik.           uit de reeks  'Majnun, het gebrabbel van een gek'

Bernd Vanderbilt
30 3

Sterfoefeningen (5)

  Om dezelfde reden bestaat er liefde voor cicaden, voor de onschuld van een kikkertong. Ik zweeg. Veel hing er niet meer van af. Het was de allerlaatste date, een laatste kans, zou je kunnen denken en over de fluit kan gezegd worden dat hij groot genoeg is, over de lieve Lada Niva dat hij omnium verzekerd is (dat waren mijn woorden).   Het voltrok zich in een fonduerestaurant. Besteld was een fles water, die beloofd had zacht te bruisen. Buiten lagen de graanvelden er geschoren bij en haar vrucht was een glinsterding, een sterfoef, knipkunst en een roos was in haar vel gebrand (zo zei ze). Las ze iets van mij?   Een ober bracht een pot op poten. De olie is heet, let op (sprak hij). Daarom is het beter om nog wat rond de pot heen te draaien met de roestvrijstalen spiesen, eerst van het water, van de teleurstelling te proeven.   Gelukkig kwamen we uit hetzelfde dorp. We wisten wat te zeggen. Zij woont wel niet zo dicht bij de grens, langs de Steenweg op Neumunster. Ja. Dicht bij het onverkoopbare zelfmoordhuis (legde ze uit).   Dat het pand te kraken is, er een dompelton is, de waterleiding niet eens afgesloten sinds de feiten (ze ging maar door) en ik stak mijn spies in een tuutje merguez. Hoe ik het heb kunnen volhouden, al die tijd? Het lijkt een wonder (dacht ik).   Ik nam alvast slokken water, werd stilaan doof en het ontging mij. Dat alles eetbaar is. Onderbroeken. Pijnboomwortel. Zonnepanelen. De excrementen van de laatste ijsbeer. Leeg stond ze op tafel, een waarborgfles en ik betaalde.         uit de reeks  'Dialogen met monsters en dia's'  

Bernd Vanderbilt
0 0

Toelichting bij het recept 'Graaikraai met mispoessoep'

  Mooi mis, Maaike! Toch als U dacht dat geschonken zilver echt in de Kringwinkel terecht ging komen. Mooi mis, beste Kringwinkeldonateur! Als U met de beste bedoelingen iets waardevols aan een Kringwinkel schonk, dan is de kans groot dat Uw gouden hart nu op een schouw staat, van een employé, ja, in het huis van een Kringwinkelmedewerker. Waarom? Omdat er ongeschreven regels bestaan! Die mij uitgelegd werden en ik verzin niets. Er zijn spiegels die onthouden, geen spiegels om boos op te zijn. Misschien in een spiegelpaleis en dan nog. Je liep er zelf tegen en je neus bloedt niet eens. Het is 28 april 2017 en Pluk is mijn vriend. Het takelwagentje is zwart, niet van Pluk. Het is van mij en heeft geen zichtbare takel. Pluk weet dat, dat vrienden bestaan, dat als twee straathonden met drie poten tegen elkaar aanleunen en zo verder lopen, ze niet eens meer hinken. Dat is echt zo, net zoals mijn verhaal niet verzonnen is, maar vandaag zijn wij geen loslopende straathonden, ook geen huisdieren. Nochtans, ooit voelden wij ons echt thuis in die Kringwinkel, dat is waar, maar zoals dat gaat met mooie liedjes, het is jammer, ze duren niet lang. We zijn er weg, weggelopen, omdat zuurstof zuur werd, welzijn stof en vandaag rijden we rond, in mijn zwarte wagentje, door de ochtendstraten, oranje is de morgenzon, de zakken met textiel die zijn het ook, maar valer, als herinneringen aan een warme tijd.   Diefstal is diefstal, als gij iets meeneemt dat 50 EUR kost en gij betaalt slechts 10 EUR, dan steelt gij. Dan steelt gij 40 EUR. Zo is dat en als gij oranje zakken die op straat staan, die met liefde gevuld zijn met kinderkleertjes voor een goed doel, als gij die zakken zomaar mee zoudt nemen, dan zoudt gij nog slechter zijn. Dan steelt gij niet een deel. Dan steelt gij alles. Ik weet het, dit zou geen frisse, geen goed uitgekiende leuze zijn, om eerlijkheid in de wereld te promoten. Kringwinkels doen het beter, zij kiezen bekende koppen, fraaie woorden en het is 26 april 2017. Niet dat de tijd achteruit gaat. Op 26 april las ik een krant en vandaag op 28 april rij ik rond met Pluk, in mijn zwarte busje. Vandaag zijn wij niet bang, wij zijn zelfs zot en in een doodlopende straat rijden wij haar klem. 'Mevrouw, waarom steekt gij al die oranje zakken in Uw koffer?' ‘Euhhh…. ‘t is ook voor een goed doel, voor mijn dochter, zij heeft een kindje en de vader is van Afrika.’ 'En daarom steekt gij die zakken in Uw koffer?' Pluk kruipt in het handschoenenkastje, ook al is hij een beer van een vent. Ik kan zijn gedachten lezen, toch voor een deel, omdat hij echt mijn vriend is, omdat wij weten dat wij poten genoeg hebben, al waren het er nog minder dan drie, wij verzinnen ze wel, tot we paarden zijn, paarden met vleugels. Wij weten waar ze zijn, waar ze grazen in het meest naïeve gras. Man, man. Ja, wij zijn met twee, misschien wel politie in burger. Pluk doet teken. Dat ik zot ben! ‘Mevrouw! U hangt! Wilt U ons volgen naar de winkel, die van ons!’ En die mevrouw, ze hoeft het niet te weten, dat dat eigenlijk verleden tijd is, dat het geleden is, dat het geleden is van januari, dat we er kwamen, dat het eigenlijk een rotwinkeltje is, dat we er onderuit gehaald werden. Een paar kwezels die daar werken, wisten ons te vloeren, dachten dat het nodig was. Waarom? Ja, waarom, mevrouw de dief. Waarom moogt gij geen oranje zakken ratsen? Omdat ze bestaan, geschreven regels. Dat gij niet zult stelen. Goed en mevrouwtje bibbert, de politie komt en wij weer weg.   Terug, terug, terug naar boven, tot gans boven, hoger dan de poes van Maaike, naar het zilver en de kandelaar, naar die ongeschreven regel, die enkel Kringwinkelmedewerkers kennen en ze kennen die regel allemaal. Dat gij, Kringwinkelmedewerker een voorkooprecht hebt. Dat voor u Kringwinkelmedewerker de prijs een lachertje zal zijn. Waarom? Omdat het een leuke bende is, daar in die Kringwinkel. Pluk, hij glimlacht, hij lacht groen en ook al heb ik niets luidop gezegd, hij weet het. Hij kent de wreedheid van die ‘leuke bende’. Wij autisten, wij zijn er weggelopen, omdat het te veel werd. Waarom? Omdat daar al te vaak weinig sprake is van een ‘zachte sector’, van ‘sociale tewerkstelling’. Pluk en ik, wij zijn getuigen. Wij kunnen voelen. Wij kunnen vertellen wat gij weten moet. Was het u dan nog niet opgevallen, dat u hem er nergens zag, in geen enkele Kringwinkel, die kandelaar, of iets dat echt waardevol is. Ik kan u enkel vertellen wat ik gezien heb, hoe het er aan toe ging, dat het management eerst koos, voor een fluitje van een cent het beste ‘kocht’ (lees : ‘het verschil tussen de werkelijke waarde en de zelf bepaalde weglachprijs niet betaalde’). Helaas, ja, ik heb ze gezien, de werknemers, met in hun koffers bananendozen. Enkel het etiket ontbrak met ‘krenten uit de pap’. En zelfs, ja, ik heb haar gezien, die garage van die ‘medewerker’. ‘Gekocht in onze winkel, voor de rommelmarkt, mijn tante doet ze allemaal’. 'Gekocht, jaja, gekocht', tjilpte een echomees. Het beestje zat op de goot van die garage en had allures van een papegaai. Ik denk dat ik op een slecht moment gekomen was, dat die garage meestal mooi dicht blijft.  Soms wil je gewoon weg, lopen. Iedereen kent dat gevoel. Zeker als je ziet, hoe de zwaksten gepest worden, hoe weet-je-datjes over gevoelige, private aangelegenheden er gebruikt worden voor gemene streken. Wanneer is die week tegen het pesten? Wanneer moet Unlucky Luke de toiletten er eens NIET kuisen?   Als U er rondloopt in zo’n winkel, dan leest u de idyllische affiches over die oze wieze woze o zo goede daden die men er verricht, voor de zwakkere. Wij, Pluk, Unlucky Luke en ik Dimitri Je-Weet-Wel, wij kennen intussen die bende, die brei en de brui. Wij willen ze niet meer tegenkomen, die graaikraaien, met hun fraaie affiches en hun dekentjes over stinkende putjes en als Unlucky Luke bij mij thuis langskomt -hij fietst graag door de frisse velden- dan zeggen wij weinig. Wij autisten, wij spreken met onze ogen en hoeven aan elkaar geen woorden te verkopen. Wij weten dat het zo beter is, weg van die wereld met zijn nare winkeltjes. En over hoe het op een dag helemaal verkeerd liep, hoe Unlucky Luke meegelokt werd door een klant met bedoelingen des monsters, daar spreken we al helemaal niet meer over. Het management was allicht elders, zat in elkanders haren, te vechten om de krenten of was het thema een gestolen kandelaar? Ik roer wat door de soep, ik weet het. ‘Bovenal is de zee koude soep’ en zwijg toch, herinneringen, er hoeven geen lettertjes in de soep, niet voor Pluk, niet voor Unlucky Luke. Alleen ik de zot, die de boekjes op een rijtje zette, ik kon het niet laten, om iets te vertellen. Klare bouillon? Unlucky Luke hij knikt. En voor Maaike. Voor haar. Maak ik straks. Speciaal. Een potje mispoessoep.   So long !                                                                Bachten De Kupe, 4 februari 2018       uit de reeks 'Duim voor Dimitri'

Bernd Vanderbilt
14 0

Toelichting bij het recept 'Duif met zachtgekookte hersentjes'

Geachte Mevrouw van de Kringwinkelpersoneelsdienst,   Op 1 december heb ik U een duif gestuurd, letters uit mijn linkerhand. Het was de witste, de dapperste, de snelste van mijn duiven, want de hemel leek enkele minuten minder grauw en minder wreed. Mijn amandelkernen en rechter hersenhelft, ze lagen een dutje te doen en de linkerhelft zag haar kans. Zij dacht, zij dacht in woorden en in theorie moest er een weg zijn : een terugkeer naar de mensenwereld, een herintegratie tussen wezens zonder stoornis, want de monsters leken van de lijstjes verdwenen. Weg was mijn duif, het weer keerde gauw en het ging zes weken duren, zo liet U mij weten, voor ik haar terug ging zien mijn duif. ‘Kom het beestje halen, op 15 januari. We kunnen erover praten, misschien hebben we wel een werkje voor je, daar in het Weetjeslandse kwadrant van de zachte sector.’   Hoop is een hoop illusies uit een ludiek lyceum en op het einde van de gang is het museum, voor hen die geleerd hebben, voor geleerden in de rust, voor hen die weten dat het zinloos is. Dat is mijn rechter hersenhelft. Als ze lang genoeg durft en wakker blijft, dan gaat ze beelden scheppen, tuinen aanleggen voor bloemen en vlinders, met stippellijnen, welkomroutes voor verloren gevlogen vogels. Bezorgd worden cadeautjes, intussen en in huizen met sparren, met bollen van kerst. Nog een week of drie, wachten en verzin intussen wat, zet een zwerm woorden, gedachten op een rij, ‘s nachts, als één werelddeel slaapt, één maanhelft doezelt, minder mijn hoofd want ik droom en dat moet. Bereid je voor, zo goed je kan. Het is een ochtendgloren, dat spreekt, voor zich, zegt dat het niet goed weet wat dagen willen brengen; op een plek waar vogels te veel veren verloren, durven enkel blinde egels nog te komen. Zo is dat en toch ben ik dom, fiets ik er zelfs voorbij en zwaai naar de kraaien. Ooit is op deze hoek een ongeluk gebeurd, misschien wel meerdere en hij ligt daar, een konijn uit een oud verhaal, dat vergaat, dankzij de kraaien, die brokjes verwijderen, maar binnenkort, als de borstelmachine passeert, met aan het stuur een man van een propere stad, dan zijn de sporen weg. Nog een geluk en dan, is deze passage weer vrij, kan ik er langs. 'Binnenkort' is de buitenkant van een lange strijd. Ik droom van mijn duif. Ik denk aan het kasteel van de toekomst. Nog één nacht slapen, ik weet het intussen wel, wat er allemaal gebeuren kan, en wat ik op elke pagina van het draaiboek, antwoorden kan, als de wereld tot mij spreekt, als haar tentakels vragen lossen. Ik denk dat het goed komt. Ik zie mijn duif al, in een kooitje en na een martelpraatje kan ik weer naar huis, wetende dat ik weer welkom zal zijn, gewoon, als vlinders op bloemen, als vogels in bomen. Toch? En twijfel niet want in mijn linker vingers schuilt de logica.   Goed, goed, goed en nu is het enkel nog wachten, wachten, wachten op Godot, op t-shirts in een stof, van het zachtste geweef, in een paars bordeaux en met dat logo van een kringelwinkel. Gewoon, gewoon voor mij, ik ben gewoon, niet helemaal en toch : L en 43, voor de shirtjes en de veiligheidsschoenen. Oef, oef, oef, ik heb mijn duif terug en weet wat mij te doen staat. Ik zal uit mijn hol kruipen. Veiligheidsschoenen aan de voeten, moed in de tenen. Binnenkort. Nu kan ik rusten en slapen en dromen en na een dag of tien, landt zij in de tuin, een andere duif, haast zwart, met een boodschap van de wereld, van dat winkeltje met zijn verleden, dat donkere tijden met mij spreken willen, zo schrijft ze mij, Mevrouw van de Kringwinkelpersoneelsdienst. Wie dan, waarover, waarom? Omdat ze willen, Judas en Dolores roepen mij, dat er een matje op mij wacht, dat het matje geduld heeft, nog een dag of drie en bereid je voor, nog één keertje, Dimitri, meneertje met je geschikte en geschifte woordenrijtjes, brei alvast en tob, pieker best de ganse tijd, be prepared, je wordt verwacht, ze willen alles weten, was die duif een geschenk? Moet het echt, moeten alle graven worden omgewoeld, de bodem uitgekamd, heb je geen bommen in je zakken zitten? ‘Op donderdag 2 februari, om 13h15 wordt U verwacht!’, voor een privaat kruisverhoor met Judas en Dolores, over dat verleden en ik moet me echt goed voorbereiden, blijkbaar is een ‘zomaar welkom’ niet van deze wereld en ik weet het niet, of het eitje zal barsten. Ik heb er een gaatje in geprikt, maar de lucht wil er niet uit. Ik moet toch iets eten, niet? En zal het eitje willen zinken in het potje, zal het vuur zich kalm houden? Vier of vijf minuten. Voor lopend geel, peper voor mijn tong en zout voor de herinneringen.   Welkom, welkom, welkom. ‘Dag Daniël!’. Ik ben Dimitri, Dimitri Je-Weet-Wel, weet je nog? ‘Wij noemen je Daniël. Daniël!’ Waarom? Ik ben het, Dimitri en ze kijken serieus, als hernieuwbare monsters, als wezens uit oude, muffe lijstjes, kadertjes die niemand nog wil kopen liggen onderaan, op een vergeten schap. ‘Omdat we eerst alles van je willen weten, Daniël! Waarom je al die tijd bent weggeweest en wat je durfde, in die tussentijd.’ Wat ik durfde? ‘Ja, wat je durfde, Daniël, te denken. Zat je scheef te peinzen, miste je gewoon, gewone mensen om je heen?’ Ik wilde nooit iets, overleven is mijn wens, want ik wil dromen, slapen, in een tuin en hier, hier zette ik de boekjes netjes op een rij, van klein naar groot. Ik weet het, ‘t is onnozel, alsof gedachten stilletjes een schelf versieren kunnen. ‘Toch willen we zeker zijn, wij Judas en Dolores. Wij moeten alles weten. Ook hoe de zure oudheid in je bovenkamer leeft.’ Terwijl ik alles opgeborgen had! Zij moeten en zij willen wroeten, als mollen met een zieke gal het geel van zon en jonge kuikens nog een keer verknallen. Hier, ik heb alles voor jullie meegebracht, beste Judas en Dolores, mijn dossier, van de psychiater. Daarin staat alles, over mijn dromen, mijn syndromen, over mijn angsten en mijn laatste hoop. 'Dat zie ik graag.' Het is Dolores. Ze spreekt, als een echtewereldmens, omdat zij de regisseur wil zijn, van aards leven, van haar geestelijk theater, waarin ik een rol kom spelen. Zo denkt ze. Ik laat haar. Ik laat haar snuisteren in mijn dossier. Voor haar toneeltje, over de vermeende onschuld van de monsters, in een winkeltje, wil je geen eierkokertje kopen, een medisch vademecum, voedsel voor je hersenen en duizend boeken met veel woorden, ooit door iemand geordend, in zo'n bovenkamertje? Neen. Dacht je het dan echt, Mevrouw van de Kringwinkelpersoneelsdienst, dat ik op het matje van Judas en Dolores ging komen. Ik voel me niet geroepen en denk terug! Aan mijn vrienden! Aan Pluk! Die brave autootjes prijsde! Aan Unlucky Luke! Die jullie toiletten kuiste! Die onteerd werd toen jullie hem uit het oog verloren! Hun lot -dat van Pluk en Unlucky Luke, ze zijn haast vergaan daar in Uw winkeltje- is nu voorgoed ook dat van mij. Mij zie je niet meer! Nimmer! Nooit en thuis, daar wacht weer rust, lauw water, gebarsten is het eitje. Straks. Zonder knarsetanden zal ik eten, proberen, mijn eigen, zachtgekookte hersentjes.   Een laatste groet,     Dimitri Je-Weet-Wel Vrijwillig Halfgare                                                   Bachten De Kupe, 4 februari 2017     uit de reeks  'Duim voor Dimitri' 

Bernd Vanderbilt
1 0

Misverstand omtrent het recept ‘Konijn met pruimen, bananen en gebakken peren’

Geachte Mevrouw De Kringwinkelverantwoordelijke,   Enkele dagen geleden heb ik, Dimitri Je-Weet-Wel, U één van mijn konijnen gestuurd met een zak peren. Ik moet wel toegeven dat ik het domste van al mijn konijnen naar U zond en dat was misschien geen verstandige beslissing. Ik had het konijn tijdig wakker gemaakt en gezegd dat hij zich goed moest wassen, omdat hij nu eenmaal naar de echte wereld ging en men daar de geur van zijn lijf allicht niet gewend was. Gelukkig is het een braaf en naïef konijn dat alles doet wat ik zeg, maar het is ook een beetje een raar konijn, dat saladehoop heeft en bang is van karotten. Nu, het beestje stond klaar om te vertrekken en ik zei : 'Pas maar op in die groentenwinkel want daar staat een heksenketel!' 'Wat?” vroeg het naïve beest, “Een heksenwinkel met een groentenketel?' 'Gij dompie', antwoordde ik. 'Het was maar een grapje.' Achteraf vertelde het konijn me alles, dat hij de weg gemakkelijk gevonden had en dat hij daar stond met zijn zak peren. Aan de eerste de beste die hij tegenkwam, vroeg hij : 'Is het hier?'. 'Wat zoek je?' vroeg de vreemde. 'Een groentenwinkel', zei het konijn. 'Hahaha… ja ‘t is hier', antwoordde de vriendelijke vreemde. Toen hij binnenkwam, zag hij eerst enkel bananen en pruimen rondlopen. 'Oei, dacht het konijn. Ik ben verkeerd', maar wat verder stonden enkele bakken witloof en salade. 'Komt goed uit', dacht het konijn dat leed aan die rare saladehoopziekte. 'Wat heb jij meegebracht?' vroeg één van de rondlopende pruimen. 'Een zak peren,' antwoordde het konijn. 'Peren? Wa is da?', vroeg de pruim. 'Steek ze maar in een locker.' De zak was echter vrij groot en mijn konijn stak de peren dan maar in een bananendoos. 'Peren in een bananendoos?' prevelde het konijn en hij kon aanvankelijk nog lachen bij zo’n banale gedachte, maar toen hij wat verder kwam, zag hij de heksenketel en toen werd mijn konijn stil. 'Wat is dat voor iets?' vroeg hij aan één van de bananen. 'Een gigantische jacuzzi,' zei de banaan, 'en tijdens de pauze kruipen alle pruimen en alle bananen daar in. Het is echt supergezellig.' 'Zal wel', sprak mijn konijn, 'die het zaakje niet helemaal vertrouwde', en hij begon wat rond te neuzen. Hij zag de pruimen en bananen druk doen en bezig zijn. Ze zongen allemaal verschillende liedjes, haalden allerhande voorwerpen uit de bananendozen. De oorsprong van al die wereldse marchandise was hem een raadsel en in de verte hoorde hij hoe de heksenketel stilaan op stoom kwam. Het was een bizar toestel, met een deksel, daarop allerhande stoomfluitjes. Het ding begon te pruttelen en de fluitjes schoten in gang. Het klonk als een hels kerkorgel en echt waar : mijn konijn vertrouwde het boeltje niet meer. Hij werd er helemaal tureluurs van en het deed pijn aan zijn oren. 'Straks, dan splijt mijn kop nog… verwachten ze dat ik ook in die mega-jacuzzi kruip.' Mijn konijn heeft toen voorzichtig zijn zak peren uit die bananendoos getilt en heeft het hazenpad gekozen. Tot overmaat van ramp hield een haas hem tegen, maar het langoorbeest glimlachte en mijn konijn kon weer op adem komen. De haas wilde enkel weten wat mijn konijn op zijn pad deed. 'Weglopen,' zei mijn konijn. 'Dan is het goed', zei de haas, 'maar ben je wel zeker dat je in de juiste richting loopt?' 'Jaja', antwoordde mijn konijn, 'de weg naar mijn veilig hol, dat ken ik als de beste.' Toen mijn konijn weer thuis was, vroeg ik waarom hij de peren terug meegebracht had, want we hadden niet eens een pan om ze te bakken. 'Tant pis!' -Frans, niet uit te spreken als ‘tandpis’ - zei ik en ik stak die schone peren weer in de frigo. Om het konijn weer volledig kalm te krijgen, heb ik het dier naast mij gezet, in bed. Het beestje heeft zich deze morgen toch deftig gewassen, zo dacht ik. Daarna nam ik het fameuze boekje van mijn grootvader. Het is een boekje van het jaar stilletjes. Ik heb het ooit meegenomen uit zijn naar sigarenrook riekende bureau en het nooit meer teruggegeven. Dat kon na vele jaren ook niet meer, omdat men hem onder de zoden had gestoken. U kent het boekje ongetwijfeld ook, 'Les Fables de la Fontaine' en achterin steken intussen al vele kleine papiertjes met daarop zelfverzonnen verhaaltjes, maar mijn konijn wil alleen the real stuff horen en ik sloeg het boekje open op een willekeurige bladzijde. Het was iets met een wolf, een uil en een ezel. Ik begon te lezen en keek opzij. Het konijn lag al te slapen, was allicht doodmoe.   Met vriendelijke groet,     Dimitri Je-Weet-Wel                                         Bachten De Kupe , 23 november 2015     uit de reeks  'Duim voor Dimitri'

Bernd Vanderbilt
0 0

FAF Kitona (slot)

                          To the boldly, go where no man has gone before…       Een kist hoort te blinken en vier Harvards staan keuring opgesteld op het vliegveld van Kitona, alle zijn ze shine and bright, de H-23, H-35, H-202 en de H-210. De piloten staan rond een vijfde kist, een kist van hout, gelakt, wit met een blauwe glans.   Twee dagen voordien hebben wij, dat zijn mama Roos en ik, Jim in de kist gelegd. Zijn pilotenoverall zit nog steeds als gegoten, en wie zijn vader, zijn grootvader eert, die schrikt er niet voor terug om hem zelf klaar te maken voor die laatste vlucht.   Met liefde hebben we Jim gewassen en gekleed. Tiptop is hij nu, al is dat nu niet meer te zien. De lijkkist is gesloten en het deksel zal geen vin meer van zijn plaats verroeren.   Jim vloog meestal met de H-23, het oudste toestel. De beide stoelen zijn nu uit deze Harvard T-6A verwijderd en één canopy section* is er afgehaald.   Foto’s worden levend en ik herken de vier mannen, één voor één, Baudouin Carpentier de Changy, Guy Depypere, Jo D’Hert en Wif De Brouwer. Het is juli 1960 en ze staan in correcte, serene houding. Stil. Zoals de tijd is blijven staan. De mannen tillen de kist op en hijsen mijn grootvader, Jim Kilroy, in de Harvard.   Etienne, de ancien van Wereldoorlog II vijst de canopy weer dicht en stapt van de vleugel, geeft eerst Baudouin een schouderklopje en schudt dan de hand van een zwarte gedaante.   Een te warme luchtstroom, een kleine wervelwind raast voorbij. Heel even zien we niets en wanneer het stof opklaart, zien we de zwarte schaduw, aan de controls van de H-23.   De vier mannen salueren. Etienne is naast mij komen staan. Wij groeten ook. De top van de rechter wijsvinger tegen de rechterslaap, terwijl marie-Rose een zakdoek  drenkt, in tranen. Intussen taxiet hij, Jim stijgt op en verdwijnt, naar oorden zonder angst.           *canopy section = deel van de glazen beschermkamp van de cockpit ____________________________________ Bronvermelding : Dit kortverhaal is gebaseerd op 'Dagboek van een FAF piloot', Wilfried De Brouwer, 2007 Foto's : belgian-wings.be  

Bernd Vanderbilt
0 0

FAF Kitona (6)

                                                       Live long and prosper       Wij eten mals, mager en magisch lekker. Ik ruik het al. Elf uur is het en varkenswangen zwemmen in een milde saus. Aardappelen worden geschild.   Ik hoor enkel patatteschillen vallen, aardappelen in water plonsen. Op het vliegveld van Kitona is het muisstil. Alle zielen lijken geëvacueerd en ook Fats zal de ganse dag in zijn hoezen slapen. Er zal geen When my dreamboat comes home klinken.   Jim weigert vandaag zijn middageten en ik zit naast moeder aan de keukentafel. Haar portie aardappelen heeft ze niet gewogen, maar ze weet dat het ongeveer driehonderd gram is en dat ze dan 12ml insuline dient te spuiten. Ze lijdt aan diabetes type 1, al jaren. Ze leeft en eet precies. Als een hamster die van wiskunde houdt, in een Zwitserse klok woont, de valse koekoek verjoeg. De hamster telt elk etmaal zijn nootjes, verorbert er elke dag even veel, niet te veel, precies genoeg om een ganse winter te kunnen overleven.   Mama roos wil niet dat iets of iemand lijdt. Dat voel je. Dat zie je. Aan de manier waarop ze aardappelen schilt, waarop ze vlees snijdt, borden afwast en zich de vingers inwrijft met crème.   In denk dat er stilaan een dikke laag ijs op het dak ligt. De kristallen woekeren als een winterziekte. Straks zijn er geen uitwegen meer in opwaartse richting, moeten alle Harvards aan de grond blijven, al is er weer eentje minder vliegklaar, want ook de H-210 is intussen gecrasht. Luitenant Baudoin de Changy is niet meer.   Het is het trauma van vele Congopiloten, de angst neergeschoten te worden en dan gekeeld, verminkt te worden door wreedaardige zwarten. Het lot van Luitenant de Changy wordt gelukkig niet dat van mijn grootvader Jim Kilroy maar het is te voelen, dat ook zijn einde nadert.   Een stille week zal nog passeren. Opa eet niet meer, weigert water en pillen, ijlt veel minder en zijn geest lijkt beetje bij beetje te verdwijnen, in het Kivumeer, langzaam, als de licht romp van een koppige Harvard die niet zinken wil maar toch moet, omdat er natuurwetten zijn.       Ik weet niet of moeder hem een overdosis insuline toediende die nacht. Feit is dat hij niet meer leefde de morgen van 6 januari 2005.   Een dichte mist hing over de velden achter het huis en mama Roos zei dat hij niet geleden had, wel meer dan normaal gezweet, dat hij een fel licht moet gezien hebben en dan niets meer.        

Bernd Vanderbilt
0 0

FAF Kitona (5)

                                        How do I feel? I feel old — worn out.                            Then let me show you something that will make you feel…                                         young — as when the world was new.       Zoals het is en het doet pijn. Er wordt heftig gelezen in de levende bibliotheek maar de staat van de boeken lijdt eronder. Er is geen sprake van ezelsoren maar van doorweekte alinea’s.   Mama Marie-Rose heeft de gordijnen geopend en mij naar de keuken gestuurd. De chocoladebeer heeft de ochtend niet gehaald. Hij werd gisterenavond met zorg onthoofd en we hebben geproefd. De kop is intussen op. Er is niet één beer meer over om broodje te smeren. Jim Kilroy is niet een man die als beer aanzien wil worden en zelf probeer ik het ook, om een man te worden.   Naar het schijnt wordt men pas man, als men iemand vermoord heeft. Er ligt een mes op de keukentafel, in de kast wacht het brood, staat een pot confituur voor de zure momenten. Rabarber met winterfruit, vers en nieuw, van mama, niet van Materne.   Margarine laat zich gewillig smeren op drie helften en drie boterhammen plooien zonder weerstand, één voor Jim en twee voor mezelf. Terwijl ik ze op een bord schik, hoor ik hem overvliegen. Luitenant Baudoin de Changy est un homme d’honneur en over de VHF klinkt een zwarte muiter, ik hoor het aan zijn Frans : “Avions au dessus de Matadi, sur ordre du gouvernement Congolais, vour devez atterir!” en dan weer de mayday van Eerste Sergeant Guy Depypere.   Ik ken de afloop. Daarom kan ik met een gerust hart het bord naar de voutekamer brengen. Baudoin heeft intussen de H-202 van Guy gelocaliseerd en vliegt nog een tweede keer over om een geschikte landingsplaats te zoeken, dan duikt hij eerst als een aalscholver om dan te landen als een vliegende hond.   Zijn wingman leeft nog. Geradbraakt is zijn rug door de crash. Dat is alles. Hij is niet gelyncht door een bende losgeslagen Hutu’s of Tutsi’s. Zware kneuzingen allicht, dat wel, maar ze kregen de kans niet om zijn lichaam volledig te mutuleren, dat stelletje ongeregeld en dan volgt mijn vaste frase : “Je l’ai, je l’ai pris, il est dans mon backseat!”   Waarmee onze Guy alweer gered is en ik de boterham voor Jim in twee kan snijden. Een ochtendzon moedigt altijd alles aan, planten om zich klaar te maken voor de groei, dagvlinders om te verschijnen en motten om te verdwijnen.   Fats moet in zijn hoes. Een langzame kant met daarop My Blue Heaven is de ganse nacht in zijn laatste groef blijven draaien en een wolfspin zoekt zijn weg omhoog over de zuidelijke muur.   Een rilling gaat over mijn rug als ik zie hoe bleek Jim geworden is. De boterham rust in zijn hand en een hap schuift richting maag.        

Bernd Vanderbilt
0 0

FAF Kitona (4)

                                                             Admiral?                                                          All my hopes.                                 ...The men shimmer into light and then vanish...         Bartje is altijd zeer duidelijk, als hij tegen zichzelf spreekt, en als het van hem afging, zou er geen sprake zijn van FAF : “Wa’s me dat… Fire Assistance Flights?” Van Appui Feu Aérien nog minder, “Vuursteunvluchten, mijn jongen !” en hij zou me aan de oren trekken, zeggen dat men in der Vlaemschen literatuur ook gewoon Vlaemsch zout moeten spreecken.   In ieder geval -en Bartje vergist zich doorgaans- is het beter dat men het gangbare taalgebruik aanhoudt : Mayday is mayday en geen meidag!       Het is vandaag 11 juli 1960. Grootvader Jim is net zoals de andere piloten altijd vroeg uit de veren, want je weet hoe dat is, elke nacht op een veldbed slapen, een evacuatie aanhoren die dag en nacht doorgaat, een luchthaven die ronkt, nooit slaapt en er zijn de vele voetstappen, van ontzette blanke mannen die aan je tent passeren terwijl ze hun verkrachte vrouwen proberen te kalmeren, hun kinderen aan de arm meesleuren.   Het maakt de job van een FAF-piloot er niet gemakkelijker op en Jim zegt dat bevelhebber te Kitona, Majoor Bruneau met zijn 4de Bataljon Commando, niet goed wijs bij zijn hoofd was.   “De opdracht is om bij onlusten, tussen blanken en zwarte muiters, tussen Hutu’s en Tutsi’s, vlaag over te vliegen, te intimideren en in het slechtse geval een schijnaanval uit te voeren. De menigte zal wel uiteen vlieden.”   Majoor Bruneau heeft gesproken met de stembanden van mijn grootvader Jim, die er niet in slagen streng genoeg te klinken. Ze haperen als een sprekende kolanoot die niet barsten wil, die nooit meer bitter wil zijn.   “Majoor... in een kist die nog geen 120 knopen vliegt, zijn we als vogels voor de kat!”   Ik was heel even Flight Commander Jo D’Hert die Bruneau vigoreus reposteerde en we keren hem de rug toe, samen met de andere drie piloten van ons squadron, maar veel verder dan de bedrand geraken we niet. Mama Roos komt binnen, zegt dat ik in de keuken boterhammen moet smeren, voor opa en mezelf, terwijl daar niet eens tijd voor is want een mayday mag in geen geval genegeerd worden. De H-202 is down en als we niet snel zijn, wordt Guy straks gelyncht door die negers.      

Bernd Vanderbilt
0 0

FAF Kitona (3)

                              What am I, a doctor or a moon-shuttle conductor?       Hij komt, hij komt… “Be serious!” maant Nyota. “Your grandfather is very ill. There is no cure for this kind of traumas.”   Ik heb enkel wat chocolade gekocht. Niet eens in de vorm van een vliegtuigje. Het is een beer en mijn grootvader wijst naar het mes. Ik snijd zijn kop er af en hij wijst nog een keer. Het stuk met de berenlach is nog te groot, ik zet het mes dwars, scheid linker- van rechteroog. Jim opent de mond, ik stop er een deel van de kop in en hij knipoogt, hij knabbelt.   Straks komt hij wel degelijk en dokter McCoy is het niet. Wel een man van de oude leer, die niet snel beslissen zal over leven en dood. Hij zal geen extracten van de Horta toedienen. “Tot het zure eind dan”, zegt mama stil.     Buiten vriest het. De winter wil de nieuwe knoppen testen, maar de hortensia’s weten het : de laagste knoppen zijn het dapperst en moeder legt een blok hout op het haardvuur. Dokter X schrijft intussen een voorschrift uit, voor Xanax, tabletten van 2mg, zoals gewoonlijk. “In te nemen vóór het slapen.” Dat weten we en mama betaalt hem. “Bedankt voor de visite”, zegt ze en hij verdwijnt in de nacht.   Ik zet drie stappen op drie treden, open de deur van de voutekamer. Water schenk ik in en druk een Xanax uit haar blistertje, leg de pil op zijn tong en bied mijn grootvader het glas aan. Hij is recht komen zitten, neemt het doosje vast en zegt : “Wist je dat er aluminium in zit?”   Mijn hoofd schudt van neen en ik spreek stil : “Vliegeniers weten dat ze op hun aluminium kunnen vertrouwen.” Hij glimlacht, houdt nu het blistertje in de hand en zegt dat de kogels er zo door vlogen.   “Beter plakband dan pleisters. Toe drink nu”, fluister ik. Ik trek mijn pilotenoverall uit en kies een pyama die past bij koude sterren.        

Bernd Vanderbilt
0 0

FAF Kitona (2)

                               You knew enough — to tell Lieutenant Saavik                                                 that how we face death                                  is at least as important as how we face life.     Er zijn geen vaste dagen, maar vandaag ben ik geen luitenant en ik luister niet naar de naam Saavik. Als “Shoot to kill” klinkt, dan ben ik Kolonel Nithelet, dan sta ik op een landingsbaan in Ndjili en fluister ik, tussen de tanden, want het is geen officieel bevel.   Ik kan me inleven als een kameleon in zijn kleuren en daarom ken ik de volle betekenis van die drie woorden. Als je muiters beschiet die optrekken in de richting van Belgische troepen of landgenoten, zorg dan dat ze niet kunnen wegvluchten, anders verspreid het nieuws van onze aanval zich als een lopend vuurtje en staat binnen de kortste keren gans Neder-Congo in de fik.   Mijn grootvader Jim herinnert het zich maar al te goed. De para’s hadden het luchthavengebouw van Ndjili in handen gekregen en samen met Baudoin vloog hij patrouille in de omgeving, Baudoin in de H-35 en Jim in de H-23. Een camion met zwarte muiters reed in de richting van het vliegveld en als deze scene zich voordoet, zwijgen we allebei. We horen de mitrailleurs van de beide Harvards, maar ze missen doel en de vijand kan vluchten.   We landen en inspecteren onze toestellen. Dan is het altijd enkele seconden wachten. Grootvader kruipt in zijn schelp en ik word de razende Brigadier Generaal Gheysen die ons vuren hoorde. Schreeuwen doe ik niet, maar ik leg de nodige colère in mijn stem en zeg : “Espèces de couillons, vous allez mettre le Bas-Congo en feu et flammes.”   Die nachten slaapt Jim niet goed, niet de nacht 13 juli 1960 en ook niet deze nacht, die van 4 december 2004. We dromen allebei, maar mijn grootvader zweet daarbij aanzienlijk meer, en Bartje, die denkt het te weten waarvan ik droom : luitenant Saavik ontmoet haar. Eindelijk. Het is een buitenaardse wezen en heeft twee benen, drie schroeven.      

Bernd Vanderbilt
0 0

FAF Kitona (1)

Als er ergens een rode draad loopt, dan is hij meer dan vijftig meter lang, blauw als een veld met baby-ogen en met wat geluk keert de rust terug, komt er een einde aan de zoveelste oorlog.   Het is pas When The Saints Go Marchin’ In dat er echt te veel stof aan de naald hangt en ik blazen moet. Ik dep daarna de zweetdruppels die op zijn voorhoofd staan en ik vraag of hij recht wilt zitten, of ik water inschenken mag, maar hij reageert niet en het zal pas tien minuten later zijn, bij I Want To Walk You Home, dat hij zijn hoofd naar links beweegt, de ogen opent, dat hij een hand op mijn onderarm legt en uitputting een zucht vindt.   Fats Domino is geen piloot van een T-6A en weegt, voor hij een noot speelt, niet eerst af welk geschut hij zal inzetten, mitrailleurs met kaliber punt driehonderdendrie, één of meerdere van de zes rockets of de general purpose bommen. Zijn vingertoppen glijden over de onschuldige toetsen. Tonen komen uit zijn hart gestroomd, noten met een drive vol vrolijkheid. Zijn muziek heelt, probeert het tenminste. Ik ken vele frases uit het hoofd en dan bedoel ik die van mijn grootvader, Jim Kilroy. Zegt hij : “Diving sixty degrees, standing on the rudder pedals, pointing the nose on the target and...”, dan vul ik altijd aan met : “Shoot to kill!”   Nochtans heeft hij geen van deze woorden zelf uitgesproken, toen in 1960. De technische uitleg betrof het gebruik van de raketten en kwam uit de mond van Etienne, een ancien van de Tweede Wereldoorlog. De kortere citaten laat hij meestal aan mij over en soms gebruik ik zelfs afkortingen, zeg ik enkel “S-T-K!”. We hebben een taal ontwikkeld die enkel wij twee volledig begrijpen. “Yes! S-T-K!” herhaalt hij en als ik op een dwaze dinsdag zeg dat het niet staat voor Steve Kirsch of Satellite Tool Kit, dan glimlacht hij voorzichtig, dan verwijt hij mij geen gebrek aan respect. Hij sluit de ogen en probeert in te slapen.   De lakens waarin hij ligt zijn lichtgrijs omdat er weinig licht is in de kamer. Ik weet dat ze het proberen, om wit te zijn, maar de rode draad is dus blauw! Zoals het hoort. Hij loopt door twee levens, die van mijn grootvader, Jim en van mijzelf, Jonathan Van Hyfte. Door het het leven van mijn vader, Franky Van Hyfte, loopt de draad niet. Dat was niet zo en dat kan nu ook niet meer. Mijn moeder Marie-Rose Kilroy kent de draad wel maar hij loopt over haar buik. Ze weet hoe de garens voelen, maar kent niet de vele frases, noch de vele details van alle nare dromen, want mama slaapt in een kamer boven de living. Ik daarentegen slaap in grootvaders kamer, in onze kamer, een voutekamer boven een kruipkelder.   Zelf zal ik nooit alleen slapen, en piloot worden, dat wil ik niet, maar ik weet hoe het voelt, om een vliegend doelwit te zijn, om na de landing het aantal gaten in de romp te tellen. Ik weet precies hoe veel er zijn en ik ken zelfs het geluid dat het aluminium maakt als ik met de onderkant van de linkervuist onze Harvard T-6A een klopje geef, uit dank. Hij heeft ons teruggebracht en we leven nog.        

Bernd Vanderbilt
0 0

De wraak van het kleine (slot van deel 6)

          Niets brandt beter. Dan frietkoten. De leegte van de hemel. Goden in de hel.       Ik feliciteerde Alfred, met zijn culinaire creativiteit. De groentenburger was groener dan het vel achter mijn oren en dat wil iets zeggen.   Ik feliciteerde hem ook met zijn frietkot, dankte hem voor zijn vriendschap, voor de openheid die hij getoond had, toen hij voorgelezen had uit zijn ‘Wimpie in Wonderland’.   Ik stond op het punt om ook Igance te bedanken, maar zo ver kwam het niet. Een witte sleurbak kwam het grint voor het frietkot opgevlamd, trok de handrem en parkeerde zich tussen twee slakken.   “Wat krijgen we nu?” riep Alfred en we haastten ons naar buiten. Ze stapte uit, zonder rijbewijs, zomers gekleed (ook al was het februari) en stak twee handen in de lucht, maakte tekens van victorie en blijdschap.   “Wat een coole kar, Lotje”, zei ik, “waar heb je die gekocht?”   Het was oldtimer, een witte Golf GTI en ze gooide drie spuitbussen, één in de richting van Ignace, één naar mij en een kleiner model in de richting van Alfred.   “Ik wil een rode streep in het midden. Het moet een Poolse tweekleur worden”, riep ze en haalde plakband uit de koffer.   Wij zijn brave jongens en gehoorzamen. Na een half uur was het klusje geklaard en ze vloekte : “Cholera! Dat is niet rood! Dat is oranje!”   Ik probeerde haar te kalmeren en te troosten : “Dat komt vast door dat rare licht van de zon vandaag. Ze straalt beige, als mayonaise. Of het is die gele glans van de laffe mensheid.”   “Foert”, zei ze en we gingen samen het frietkot binnen.   “Dit is de laatste dag”, sprak Alfred weinige ogenblikken later. “De tragiek van deze plek leefde al in de naam van mijn friterie,” en we hieven blikjes. We aten de laatste groetenburgers op en verscheurden één en ander.   “Wat ik nog wilde weten, Ignace”, vroeg ik, “als die Florimond Wittebolle de nonkel is van Wimpie en Roeland Wittebolle jouw neef… dan ben jij ook de neef van Wimpie?”   Ignace knikte en zei : “Ik moet ervandoor” en hij knipoogte naar Lieve Lotje die hem aan de arm trok, hem meezoog in haar witoranje GTI. Ze startte de motor en weg waren ze.   “Allicht naar een Delhaize”, zei Alfred. “Zeg, Alfred”, ik wilde het weten, “is het goed afgelopen met Wimpie?” “Wim is groot geworden, ligt minder wakker dan Ignace, jij of ik... al dreigde het twee jaar geleden verkeerd te lopen.”   “Hoezo?” vroeg ik. “Als hij op een dag erachter kwam dat Walter Remysen in Zeebrugge een appartement had… Hij stond daar. Op een vrijdag in januari. Aan die voordeur. Met een mes in de hand.”   “En toen?”   “Ignace kwam net op tijd, nam het mes uit zijn hand en zei : ‘Ik weet het, Wim, het was niet zomaar een hond, niet zomaar een kat, maar ga alsjeblieft naar huis’, en Wim keerde terug op zijn stappen.”   “En die nonkel Wittebolle?” vroeg ik. “Die leeft ook nog”, zei Alfred. “Over het lot van Florimond beslist enkel Roeland.”   Ik zweeg en hielp. We goten jerrycans leeg. Benzine. Staken het frietkot in de fik. We stonden nog even te kijken, Alfred en ik.   Ignace… die was zijn stiften vergeten, maar ze gingen niet op in die vlammen. Ze zaten in mijn plastiek zak en ik was al onderweg, naar het zuiden.   En Alfred frietkabouter, hij lag daar goed, in diezelfde plastiek zak. Hij sliep. Op een zacht inlegkruisje.                                       met dank aan Lotje voor het inlegkruisje                    ook een grote merci aan Bartje voor de vele illustraties           laatste bladzijde van  'De wraak van het kleine' (zesde en laatste deel van mijn e-boekje 'Twankie Twankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

De wraak van het kleine (2)

                     Ik slaap nergens graag. Niet in een smulbox. Niet in een kooi.       Alfred bracht me een smulbox. “Heb ik niet besteld”, zei ik hem. Mijn stem klonk allicht nog wat geërgerd. Ik had zo veel uren gestoken in het oplossen van dat enorme anagram, en nu… nu leek het een mengeling van halve waarheden en verzinsels.   “Van het huis”, zei Afred en ik deed het doosje open. “Een nieuwigheidje van me. Eigen preparaat. Een groentenburger. Proef tenminste.” “Ook bedankt voor het potje zure uitjes”, antwoordde ik.   “Denk je nog steeds dat er veel rammelt aan het anagram?” vroeg Ignace. “Eerlijk, Ignace, ik weet niet wat ik moet denken.”   “Feit is wel dat Walter Remysen op 9 januari 2015 een kogel door de kop kreeg. Officieel was het zelfmoord. Maar daar geloof ik niets van.” zei Ignace. “Wat denk je dan dat er gebeurd is?” wilde ik weten. “Men vreesde een lek… hij was uiterst labiel geworden. Daarom… voor de zekerheid… een eeuwig zwijgen.” beweerde Ignace. “Wat zou hij dan lekken?” vroeg ik. “De grootste dofpotoperatie van de twintigste eeuw,” zei Ignace. “Voor de dioxinecrisis zag veel het daglicht nooit.”   “Ik kreeg een eerste vermoeden,” zo ging hij verder, “toen mijn neef, Roeland Wittebolle, vertelde, dat zijn vader, die Florimond, die noodslachter uit Dudzele, maanden lang, elke nacht weg was, met zijn Magirus, dat hij hoorde, hoe het werk verdeeld werd, over de telefoon. Duizenden varkens met de ziekte van Aujezski moesten zo snel als mogelijk verwerkt worden. Ze werden ‘s nachts door mannen als Florimond opghaald.”   “’Noodslachters’ is een groot woord”, zei Ignace. “Het waren zelfstandigen met een vrachtwagen, een stok, wat touwen en een mes. De zieke beesten voerden ze naar kleine slachthuizen, zoals die van Van Hoornweder in Sijsele. Daar werden ze dezelfde nacht in worst gedraaid, in koteletten, in filets gesneden.”   “En mensen werden er niet ziek van”, merkte ik op. Ignace knikte en legde verder uit : “Dat herhaalde zich. Enkele weken was het iets rustiger, zei mijn neef Roeland, en toen begon het weer, nacht na nacht. Enkel varkens.”   Ik proefde van de groenteburger.   Tegen Ignace zei ik nat twee happen : “Alleen een hond stierf er aan, aan die varkensjeukpest, zo nu en dan, en als men in de supermarkt of bij een slager zijn beklag ging doen, dan trok men de schouders op, zei men allicht : Het kan van overal komen.”   “Er moeten wel supermarkten geweest zijn die hun leverancier daarover aanspraken”, vermoedde Ignace en zei dat de hoeveelheid besmet vlees die in omloop was, gigantisch moet geweest zijn, “Jaarlijks worden meer dan tien miljoen varkens geslacht in België. Eén procent daarvan zijn er al honderdduizend, of zesduizend ton.”   “En in die jaren was het allicht meer dan één procent” was mijn commentaar.   Ignace knikte en ik vroeg naar het anagram : “Wat met die Delhaize, Noppen en Vermassen?”   Hij antwoordde : “Die Vermassen was allicht slechts een verwijzing.” “Naar wat?” vroeg ik. “Naar de Bende van Nijvel natuurlijk” en Ignace legde verder uit dat die ‘Bende van Nijvel’ een fabeltje was. “Voor dergelijke misdrijven, waarvan de ware toedracht in de doofpot gestopt werd, moest toch iet of wat van uitleg verzonnen worden.”   “Een soort van bliksemafleider?” vroeg ik. Ignace nam een zuur uitje uit mijn potje en hij knikte : “Winkelketens die al te mondig dreigden te worden, werden gewaarschuwd, of denk je het toevallig was, dat alle aanslagen in supermarkten gebeurden, of op hun parking.”   “En die echte Reus,” wilde ik weten, “die van Aalst?” “Die was één van de hanglangers van Remysen.” “En Karel Van Noppen?” vroeg ik door. “Die werd vermoord omdat hij voor zijn schoonbroer, die Walter Remysen, altijd een oogje dichtkneep, als controleur. Maar bij vetmesters die niet tot de clan Remysen behoorden, deed hij dat niet zo gemakkelijk en werd toen omgelegd.”   Ignace nam een tweede uitje.       pagina twee van "De wraak van het kleine' (zesde en laatste deel van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

De wraak van het kleine (1)

                       Mensen zijn zwijnen. Varkens dieren. En Wimpie een jongen.     “Dan staat jouw blog vol met fake news!” zei ik tegen Ignace. Boos werd hij niet, hij glimlachte en antwoordde : “Ik schreef een dierenfabel, maar dan omgekeerd en gebaseerd op waargebeurde feiten.”   Hij nam nog een slok van zijn fanta en ging verder : “Het vleeswarenwinkeltje was een afvalcontainer bij de Fish Bone in Zeebrugge. Naast Noordzeekreeft met noedels serveerden ze daar Vlaamse klassiekers, zoals koteletjes met gekookte patatten en bloemkool in bechamelsaus. Als Wimpie zijn kat en hond niet vond, dan wist hij wel waar ze uithingen.”   En dat was rond die afvalcontainer van restaurant de Fish Bone. Twankie Wankel, de kater met twee achter- en één voorpoot, sprong erin, graaide er wat graten en botten uit en ze aten daar, kat en hond samen, van de restjes.   Later, op een doemdag, lag Twinkeltje daar, op de mat bij de De Wandelaeres. Ze had koorts, krabde zich het lijf haast stuk en nonkel Wittebolle, Florimond, noodslachter van beroep, de Beul van Dudzele, kwam langs, zei tegen vader De Wandelaere dat het duidelijk was. Varkensjeukpest! Hij nam een mes en sneed zonder pardon de hond de keel over.   “Dat spaart een rekening van de veearts”, zei nonkel Wittebolle en Wimpie liep weg.   Toen Florimond het huis van de De Wandelaeres, in de Noordhinderstraat te Zeebrugge verliet wond Twankie Wankel zich nog rond de rechterlaars van Florimond. Nonkel Wittebolle gaf het beestje een schop en het vloog op de straatstenen. Een Mercedes 300S kon niet op tijd remmen… Ook voor Twankie Wankel was het die dag ‘over en uit’.   Dat Wimpie niet dom was, dat wist men op school. Hij las in een bibliotheek alles over varkensjeukpest, vond de varkensbotten bij de container, wist hoe laat het was en hij wachtte. Zo vaak als hij kon hing hij daar rond, in de buurt van het restaurant, tot op een dag… Het was een witte vrachtwagen met rode letters. Vlees kwam de chauffeur leveren. Geen vis. Dat maakte het opschrift op de Scania meer dan duidelijk en toen vroeg hij het aan de chauffeur :   “Kan ik bij U ook koteletten kopen voor mijn mama?” De man in het wit wreef hem door de haren en sprak : “Mijn jongen, in één bak zitten er honderd. Dat is allicht wat te veel. Het vlees van Walter is niet voor Jan met de pet.”   “Ze heeft een restaurant!” Wimpie bleef aandringen. De chauffeur gaf hem een visitekaartje en zei : “Dan moet je mama Walter bellen.”   ‘Walter Remysen’, stond op het visitekaartje, daaronder ‘vlees van de beste varkens’, ook nog een adres en een telefoonnummer.   Wimpies onderzoek was nu compleet. Hij kende ze nu allebei. Florimond Wittebolle en Walter Remysen. De moordenaars van zijn Twankie Wankel, van zijn Twinkeltje.       eerste pagina van 'De wraak van het kleine' (zesde en laatste deel van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Rafeltjes en fabeltjes (slot van deel 5)

           Wees op je hoede. Frietkotslak. De gang is lang en droog. Zo sprak de haas.       Er was veel dat niet klopte. Geen specht op de bast van een zilverberk. Geen hamer op het aambeeld van een ijzervogel en evenmin het anagram, het rammelde.   Want de wapens klopten niet. Walter Remysen kreeg een kogel door de linkerslaap. Dat is een feit. Een mes? Een wiel? Elke brave ziel kon zien dat er iets scheef zat, dat het rechte pad niet naar de waarheid leidde. Bovendien, wat de moord op Twinkeltje betrof, was ik geen sikkepit wijzer geworden en waarom Twankie Wankel niet meer leefde, dat wist ik alsnog evenmin.   Ik dronk een Pale Ale, peuterde kruimels uit de plooien van de zetelstof, probeerde in te slapen, maar het lukte niet. Er waren nog drie flesjes nodig om mijn hoofd te doen verlangen naar een sober bed.     Te lang slapen doet de troost op kerkhoven. Het was elf uur en ik stond op. Poetste mijn tanden en twee schoenen. Ik vertrok weer richting noord. Het pad was nauwer dan voordien, te klam de lucht.   “Het klopt niet, Ignace!” waren mijn woorden toen hij binnenkwam. “Een mes? Een wiel? Daarmee werd Walter niet vermoord! Er zat een gat in zijn kop! Van een kogel!”   Ignace reageerde niet, bestelde geen 7up meer, vroeg een fanta en ook Alfred keek me aan alsof ik een schaatsenrijder was die de dikte van het ijs niet vertrouwde.   “Alles klopt”, zei Ignace, “alleen ben je er nog niet. Je vergeet te veel de kleinigheden. Heb je alle mieren op je pad geteld? Heb je geluisterd naar de adem van de kikkers in het winterbos?”   Ik schudde het hoofd. Ignace bestelde een 7up voor me, trok een stoel aan zijn tafeltje achteruit. Hij zei : “Zet je neer, jongen uit het blinde zuiden.”   Ik zat daar, mijn handen plat op de tafel, de vingers gespreid als poten van spinnen die zich strekken in een web dat niemand ziet. Ignace klopte met zijn linkerhand op de rug van mijn rechterhand en zei :   “Twankie Wankie was een kater, had drie poten. Twinkeltje, dat was een hond. Ik noem het maar een meisjeshond, omdat ‘teefje’ anders klinkt.” “Van wie?” vroeg ik. “Van Wimpie”, zei Alfred die bij het tafeltje was komen staan. “Het waren de ouders van Wimpie, van Wim De Wandelaere. Zij waren het die wel eens een grapje maakten toen ze de hond en de kater niet op hun matje zagen liggen. Dan vroeg Wimpies vader : ‘Waar hangt hij nu weer uit, onze Antoine De Wandelaere?’ Mama Lippens voegde er dan altijd met een glimlach aan toen : ‘en waar loopt zij nu rond, onze Wilhelmina Lippens?’, waarmee ze Twankie Wankel en Twinkeltje bedoelden.”   “Een hond en een kat?” en ik trok ogen als een vuurvlieg die verrast werd door een zon. “Een hond en een kat”, herhaalde Alfred die naar zijn kuipjes liep. Twee kaaskroketjes werden bruin.   “En de kat heeft de hond vermoord met een mes en een wiel?” vroeg ik vol ongeloof.   Ignace schudde het hoofd en nam een slok van zijn fanta.       derde en laatste bladzijde van 'Rafeltjes en fabeltjes' (deel 5 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Rafeltjes en fabeltjes (2)

                                     Groen mos lijkt geel. Voor gouden vogels.                                Gouden kanaries lijken groen. Voor gele parkieten.       “En?” vroeg Ignace ‘s anderendaags om twee na twaalf. Ik glunderde. De dader was komen bovendrijven, had een schotwonde, maar was het zelfmoord? “Die Y hielp me meer dan ik aanvankelijk verwachtte”, zei ik.   “Wie is het?” vroeg Alfred, die vleesblokjes op een stokje stak.   Fier als een gouden pauw sprak ik ; “Die ZUS is de zus van Karel Van Noppen... en ik zag het op Google Street View. Ze woont in een villa met naast de deurbel, bij die poort, dat naambord 'Familie REMYSEN' en dan hield ik nog over : G L D W A T E R O. Gold en Water zijn geen voornamen. GOD ook niet, maar WALTER wel!”     Thuis, ik had een Mort Subite uitgeschonken in een helder glas en gelezen had ik. Veel. Op het internet. Dat Walter Remysen de schoonbroer van Karel Van Noppen was. Dat die Walter een notoir crimineel en vetmester was, of beter : geweest, want hij stierf in de nacht van vrijdag 9 januari 2015, in zijn appartement te Zeebrugge.     “Ik denk dat de spilfiguur Walter Remysen is,” zei ik tegen Ignace. “Hij pleegde zelfmoord, twee jaar geleden.”   “Ja, en duidelijke sporen van inbraak of ander geweld waren er niet geweest. Hij lag daar, in zijn zetel met een gat in de linkerslaap”, sprak Ignace die het onderste lijntje woorden volledig maakte :    V E R M A S S E N    J E Z U S   W A P E N    J E U K P E S T    M E S T    W I E L   D E L H A I Z E    N O P P E N     Z E E     W A L T E R    R E M Y S E N     G O D   “Die ZEE verwijst naar Zeebrugge en die GOD staat voor spilfiguur!” verduidelijkte Ignace.   “En Vermassen denkt dat hij een Messias is. Mest verspreidde de jeukpest… maar dat wiel... dat begrijp ik niet.” zei ik.   “De betekenis van dat wiel begrijpt je onderbewustzijn wel”, zei Ignace en Alfred knikte.   Lieve Lotje kwam binnen, met een schat van een muts op haar hoofd en in haar Poolse armpjes droeg ze een kattenjong.   “Weggelopen!” zei ze. “Allicht voor een hond.”       tweede pagina van 'Rafeltjes en fabeltjes' (deel 5 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Rafeltjes en fabeltjes (1)

                                   Blijdschap is een vloed. Van zonnetranen.       12h00 en ik was blij. Toen hij kwam binnengestapt. “Dag Ignace”, zei ik. De fameuze B3 werd weer op het tafeltje gekleefd. “Heb je goed geslapen?” vroeg ik en Ignace antwoordde : “Als brokken na een donderslag. De maan heeft me gelijmd.”   Alfred bakte voor Lotje eerst een curryworst speciaal en bracht ons daarna twee 7ups.   L R L E E P H I N A Z S Y G E D E E L D E W I N O P E N W A T E R M O Z E S   “We hebben er nog altijd achtendertig over”, zei ik tegen Ignace. “Suggesties?” vroeg Ignace. “Ik ben niet zeker of er maar één wapen is” opperde ik. “Wat voor wapen dan?” wilde Ignace weten.   “Een WIEL!” riep Lotje. “Wielen zijn verschrikkelijke moordwapens!"” Lotje speelde de curryworst binnen, ze trok haar geelgroene sokken op en zei : “Ik heb een droge keel. Ik ga elders vodka kopen.” Ignace schudde de kop, maar schreef toch op : WIEL   “En wat nog?” vroeg hij me. “Bij VERMASSEN dacht ik direct aan de Bende van Nijvel, maar we hebben geen B”, zei ik “En ook geen C voor Colruyt”, was de reactie van Ignace. “Doe dan DELHAIZE", was mijn voorspel en hij schreef op : DELHAIZE   “Eén ding begrijp ik niet”, zei Ignace, “waarom kozen ze altijd een supermarkt uit. Hoeveel mensen lopen daar rond, in een grote supermarkt misschien honderd, in een kleine twintig. Waarom ze geen doel kozen dat echt symbool stond voor links, of een groter doel, een luchthaven bijvoorbeeld. Er moet ook een link zijn met die supermarkten.” Ignace klonk overtuigd.   “Welke link dan?” vroeg ik. “Denk na!” zei Ignace. “Wat wordt in een supermarkt verkocht dat gelinkt kan worden aan een criminele organisatie?” Ik trok ogen als een struisvogel en kon niet antwoorden. “Vlees!” zei De Reus. “Jij had toch Aujezsky opgezocht, niet? Las je toen niet dat de mens er weinig last van krijgt, als hij vlees besmet met de varkenspest eet?” “Klopt!” en ik stelde voor in die richting verder te zoeken… “Dan moet inhet anagram toch iets staan dat te maken heeft met die vleesmaffia.” “Proberen we KAREL VAN NOPPEN?” stelde ik voor. “We hebben geen K en ook geen V meer”, zei Ignace en hij schreef op, in het rood : NOPPEN. “En wat doen we met die OPEN WATER MOZES?” vroeg Ignace. “Aan RODE ZEE dacht ik, GOD misschien.” “Beide tegelijk kan niet. Bij NOPPEN gebruikten we de voorlaatste O. Er is er nog maar één over.” “Dan doen we enkel ZEE”, stelde ik voor en Ignace schreef op : ZEE   Met een zwarte stift vulde De Reus van frituur De Bosbrand het rijtje met woorden waarvan we dachten dat ze tot de oplossing behoorden, verder aan :   V E R M A S S E N     J E Z U S    W A P E N     J E U K P E S T    M E S T    W I E L  D E L H A I Z E    N O P P E N     Z E E   Wat we nog overhielden was :   R S Y G E E L D W A T E R M O S   “Geel water mos”, zei ik. “Die volgorde is toevallig”, sprak Ignace. “Betekent vast niets.” “Ignace, de naam van een spilfiguur moet nu toch stilaan zichtbaar worden.” “Misschien,” zei hij. "Kijk hier, in het anagram stond WANT ZUS SVEN MARS... zus van Vermassen?” “Het kan de zus van eender wie zijn,” sprak Ignace. “We laten het voorlopig zo.”   ‘Geel water mos’, herhaalde mijn hoofd en Lieve Lotje kwam het frietkot binnen, met in de linkerhand een fles Belvedere-vodka. Haar haren hingen als gouden dweilrafeltjes over haar schouders. Er vielen heilzaam veel druppels, meer dan een regenputje slikken kan.       eerste bladzijde van "Rafeltjes en fabeltjes' (deel 5 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Wimpie in Wonderland (slot van deel 4)

                 Niets gaat trager. Dan het sterven. Van een levendige pijn.       Ze leek nijdig maar was mild, het Poolse meisje van zestien. Neen, van haar zoveelste kippenschnitzel wilde ik geen stuk.   Ignace lag thuis knock-out en Alfred, hij mocht fier zijn op zijn oeuvre, zijn verhaaltje klonk me in de oren als een vliegtuig zonder roest.   Lieve Lotje uit het dorpje Leba aan de Poolse kust was naast me komen zitten. Vier van onze oren hadden geluisterd naar Alfred die voorlas uit zijn tekstjes op dat onbevlekte frietpapier.   “Gelukkig. Het is kalm vandaag!” zei Alfred, want het was weer zo’n dag die een gans volk hypnotiseren kan. Alle schermpjes aan voor een man of elf. De knop in het hoofd staat bij de meesten dan op vaderland zonder fabeltjeskrant, en dan lijkt het alsof dat echt kan bestaan een natie, alsof ik me echt ergens anders moet voelen als ik één stap over een krijtlijn zet die iemand ooit getekend heeft, ergens tussen Eede en Strobrugge.   ‘Mijn god, wat ben ik blij dat ik dít landje hier gevonden heb, die paar vierkante meter, binnenin een frietkot, waar geen vlag hangt en geen geur van onderscheid tussen de kleuren van een kop of wimpel’, dacht ik bij mezelf.   “En hoe eindigt het met Wimpie?”, vroeg Lieve Lotje. “Ik weet het nog niet?” zei Alfred. “Veel gaat snel voor velen, traag de tijd voor anderen en tragisch is het ook voor blinden. Enkel zij die ogen sluiten, schijfjes bloedworst op de lenzen kleven, denken zo, dat het echt kan, om weg te kijken.”   “En hoe verging het Wimpies hond en kat? Vertel het, mily gnom!” wilden Lotjes ogen.   “Wat ik weet...” en Alfred vertelde, dat alles groeit, omhoog, opzij, opzij, zelfs in een poppenstoet groeien reuzen met de tijd, want nat papier-mâché het zwelt, hun kop wordt dikker en dikker en met de tijd barst alles.   Wimpies hondje stierf al na een jaar of twee. Meneer Wittebolle zei : zo gaat dat, man. En ook de kat, helaas, die leeft niet meer. Een baan is soms te breed, een wiel te snel en Wimpie nam een schop. Dat rood moet van de weg, zei mamalief.   Er zijn nu putten overal, ook in die tuin, met kruisjes, scheefgezakt.       Alfred zweeg, vouwde zijn frietpapieren dicht en legde ze onder een veel te grote pot met zure uitjes.   Hij sneed wat hartjes uit patatten en we aten samen, met ons drie. We dachten aan Ignace terwijl een voetbal rolde, ergens op het gras.       derde en laatste bladzijde van 'Wimpie in Wonderland' (deel 4 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Wimpie in Wonderland (2)

                                  My dear dodo. Wake me up. Before you go-go.       Er gebeurde niets. Alfred zei : “Hier zijn je kroketjes. Ik wist dat je ze ging vragen. Ze lagen al in een mandje.” “Te bronzeren. Dank je”, zei ik en hij las verder over Wimpie, “dat het al gauw krioelde rondom Wimpie, van de beestjes en de animale wonderen.   Als ik begin vanuit de grond, dan zijn het zachte mollen, visjes in een regendruppel, gouden, zwarte exemplaren, rare evers, roze kevers in een pantser van plastiek. Je weet niet wat je ziet, noch wat een mens onthouden kan, diep in dat gat van de vergane tijd kropen er wormen, darmenloze kleine wezens keken door hun bolle ogen naar de lucht waarin ze vlogen, vogels slank en breed, sneller dan een pijl, die ene trager dan een slak. Hij valt. Denk ik. Die reiger heeft te lange poten want het water is niet diep. Ik loop er zomaar door. De kikkers ze geloven niet dat ik niet zwemmen kan. Neen want straks. Dan leer ik het, van een gewone dikkop die zijn staart schenkt aan een lam dat zo graag kwispelt.   Ik wil een hond die naast een kat wil slapen en ze kwamen, afgelopen, remden net voor ik ze vangen ging, mijn armen stonden open om te vliegen. Molshopen zijn bruine duinen, wist je niet dat er in deze gaten pijltjes zijn getekend, in de wand gekrast zijn de symbolen, heel eenvoudig, door een kind als ik is dat in één twee drie ontcijferd en ik weet het waar ze wonen, al mijn dromen schuilen in een nest diep in de grond.   Ik streel mijn hond, ik aai mijn kat, omdat mijn handen niets vergeten, weten waar waar het kriebelt bij die beestjes, als ze sterven wordt het stil, soms veel te stil, maak ik een kruisje met twee stengels van een plant die vond dat al dat groen te zwaar geworden was.         pagina twee van 'Wimpie in Wonderland' (deel 4 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Wimpie in Wonderland (1)

                        Elk jaar wordt het maart. Is er taart met februarilijkjes.     De tijd staat niet stil. Soms wilt hij vooruit en op een dag, dan valt hij een diepe put. 'Unten im Loch der Zeit' is er een tunnel, die alles terugvoeren kan. Afvalwater, verdwaalde regendruppels, lange seconden en malle uren.   “Dit voorspelt narigheid”, merkte ik op. “Hou je snavel, grijze kinkelkraai”, zei Alfred op dezelfde verteltoon waarmee hij begonnen was.   Wimpie is het. Vaak verstrooid. Heeft wel duizend schrammen van het vallen, probeert het en soms lukt het, kan hij zich vasthouden aan de lianen van vergeten braamstruiken.   Roodsel. Dat is er genoeg in huis en hij wordt vaker dan je denkt een indiaan. Het bruin komt van de zoon, het rood, dat is gewoon ontsmetting uit een flesje met pipetje. Het is mercurochroom en hij loopt, blijft het proberen, op de klinkers van de paden.   Wegeltjes kronkelen tussen, tuintjes zijn het van die keuterboertjes en hij kent de kleuren. Wimpie weet het. Rechtsaf bij de roodpaarse kolen, links bij die groenrode stengels van rabarber, rechtdoor bij het wuivend loof van wortelen, twee keer links, zo rond de bonenstaken en dan altijd maar, nog verder, nog, tot aan tomaten rood als bloed en in de verte rijdt het, als een monster op ijzeren wielen, een treinding op een berm waarachter ze verdwijnt. Die zon. Ze doet het elke dag.   En je weet hoe dat gaat. Er wordt een tuinbadje gekocht, een fototoestel, de slang is voor het water en ijsjes druipen over bovenlichamen van kinderen, mijn god, ik wil het, werd het maar weer zomer, zo’n zelfde oude zomer als weleer.   Dan komt het. Het wordt maart. Hazen graven nieuwe holen, dieven van de winter nieuwe gangen voor het koude zilverwerk en Wimpie groeit. Je ziet het. Alle foto’s worden groter, lenzen, messen scherper. Wimpie snijdt zijn eigen brood en vingers bloeden zelden langer dan één zielige minuut.   Er zijn vaders en er zijn moeders. Je hebt er die dingen kopen, je hebt er die onzin verkopen, je hebt er die beesten verzamelen, een kuikentje voor Wimpie, gansje wit voor moeder en de papa wilde altijd al een echte bok met horens lang, krullend haar tot op de grond.     “Geen frietjes vandaag”, onderrbak ik. “Doe mij vandaag liever van die ronde kroketjes. Zijn er nog?” “Hou toch je kop”, zei Alfred. “Ik ben aan het voorlezen.” “Voor straks, een partijtje croquet spelen, op dat lapje daar, in dat verloren gras.”   Hij kwam naar me toe en ik dacht : nu gaat het gebeuren. Eindelijk. Word ik de nek omgewrongen. Door een getuige van de onschuld.         eerste bladzijde van 'Wimpie in Wonderland' (deel 4 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Uit te lezen vlees (slot van deel 3)

                       Als het regent. Wassen zelfs de slakken zich. In onschuld.       Intussen had ik een iets groter schriftje, een B5, waarin ik honderden woorden opschreef, alle met letters uit die resterende zesenzestig letters.   Ik schonk me thuis een gordon scotch in (later nog een paar). Ze kwamen van bij de Colruyt, vijf euro vierennegentig cent voor zes flesjes. Na vier flesjes en vierhonderd worden gaf ik er de brui aan en kroop in mijn nest   Morgen. Eerst het vaste wandeltochtje langs slakken en kruipplanten, een kleintje met mayonaise bestellen, ook een 7up en dan zie ik wel. Wat we nog uit die letterreeks kunnen peuteren.   Mijn ogen waren lam van de letters en wilden zo snel mogelijk slapen.     En omdat de zon het wilde, werd het weer licht. Ik stond op, zette de lege Gordon Scotch-flesjes in de wachtende bak van plastiek, at een boterham met muizenstront en kleedde me aan. Ik had me overslapen en het was al kwart na elf. Het is een half uur stappen naar de frituur van Ali F.!   Ik was er om vier voor twaalf, trok het deurtje open en groette Alfred. Hij beet op een balpen, schreef even later iets op een vel frietpapier en legde de stilo weg. Hij bracht me alvast mijn 7up.   “Ik wist niet dat je schrijver was”, vroeg ik hem en hij grinnikte. “Verhaaltjes.” Meer zei hij niet. Het werd twaalf uur. Twee na twaalf. Twaalf na twaalf.   “Hij komt niet elke dag”, zei Afred, “soms heeft Ignace het lastig.” “Waarmee?” vroeg ik. “Hoe zal ik het zeggen…. Soms flipt hij.” “Wordt hij dan gevaarlijk?” Toen ik het gezegd had, voelde ik het al.   “Hahaha… gevaarlijk! Dan wil hij alleen maar in de grond kruipen. Hij heeft me het ooit eens verteld. Dat hij zichzelf dan een spuit geeft, knock-out gaat en een dag of twee niet uit zijn bed komt.” Ali schepte mijn portie frieten, draaide wat aan de knop van één van de kuipen en liet een mandje zakken.   “En dat schrijven van je, Alfred… wat schrijf jij dan?” vroeg ik. “Curieuzeneuze-en-vragesterretjes” was zijn antwoord en hij lachte weeral. “Horror? Porno?” Ik daagde hem wat uit en hij zei : “In ieder geval geen kinderkutverhaaltjes.” “Gij zwanzer”, reageerde ik en toen ik mijn bakje frieten van op zijn kleine koeltoog nam, griste ik het vel frietpapier mee waarop hij geschreven had.   “Ze zijn goed gebakken. Zo heb ik ze graag”, zei ik, “en Wimpie? Wat bestelt hij normaal?” “Gij smeerlapje”, riep hij toen hij zijn geschrijf onder mijn bakje frieten zag liggen. “Wimpie is de zuiverste ziel van de ganse zuivelwereld”, zei Alfred. “Is zijn vader dan melkboer”, vroeg ik. “Wimpie heeft geen vader”, en Alfred zweeg.   Ik ging niet verder in op ‘Wimpie’ en vroeg enkel nog hoe het schrijven vlotte.   “Als inktslakken die verdwalen bij motregen. Nog beter als het begint te gieten. Dan valt er al na een kwartier niets meer te lezen.”   Dat waren de woorden die hij sprak terwijl hij vleesblokjes, ajuin en paprika (alles zat op een stevig stokje) voorzichtig in een mandje legde. Het was voor een mankende man.     derde en laaste bladzijde van 'Uitgelezen vlees' (deel 3 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Uit te lezen vlees (2)

s Anderendaags zaten wij daar weer, in frituur De Bosbrand. Ik kwam altijd uit het zuiden toegestapt en Ignace uit het noorden.   Ik zorgde ervoor dat ik er altijd om vijf voor twaalf was en Ignace moest ergens onderweg zijn stappen tellen en de snelheid aanpassen want hij kwam altijd precies om twaalf uur door de deur.   We plakten de fameuze B3 met plakband vast aan het tafeltje en staarden eerst samen naar de zesenzestig letters.   “En?’ vroeg Ignace. “Iets gevonden gisterenavond?” “Eén instinker, één ziekte en een moordwapen”, antwoordde ik. “Welwel… en dat is al?” Ik trok een dwaze kop en ging twee 7ups bestellen. Alfred zei dat het de laatste waren, dat we daarna frieten moesten drinken.   “Wat gaan we dan eerst schrappen?” zei Ignace. “Wat je zei, toen we die ‘die hete dieetmest uit Gdansk’ ontcijferd hadden… dat ze niet van Mars kwamen. Dus Sven Mars is niet van Mars en Vermassen ook niet.” “Dus SVEN MARS wordt VERMASSEN”, stelde ik voor. “Oké, als we die extra E elders halen, kan het.” zei Ignace. “Dat is dan toch al iets. Wat nog?” vroeg hij. “Dat het moordwapen een mes was, en dat hebben we afgeleid uit ‘dieetmest’.”   WAPEN – MEST, schreef Ignace op.   “En AUJEZSKY heb ik opgezocht… de ziekte van AUJEZSKY is de VARKENSJEUKPEST.” “Dan hebben we een probleem”, zei Ignace, “er is maar één K” “Ook andere dieren kunnen het krijgen, heb ik gelezen.” “Dan schrijf ik op JEUKPEST” en Ignace nam een rode stift. “En die jeukpest wordt allicht ook verspreid via de mest… dan moet MEST zeker in de oplossing staan!” besliste Ignace. “JEZUS heb ik ook gevonden”, zei ik, “want GEDEELDE WIJN staat er”   Alfred schoot in de lach : “Eindelijk bekeerd!” en tegen hij het Poolse meisje (ze bleef maar terugkomen) zei hij : “Neen, mijn schat, inlegkruisjes verkoop ik niet”, waarna ze een kippenschnitzel bestelde. “Ik dacht dat je vegetarisch was”, zei Alfred tegen het popje met de witrode kousen. “Ty naiwnie gnom” zei ze, “en rol hem eerst goed plat, die lap vlees, zoals we dat in Polen doen.” Alfred had geen deegrol noch hamer en gebruikte dan maar zijn vuisten om dat lompje vlees in paneer op een vleespannenkoek te doen lijken. “Goed zo?” vroeg hij en het Poolse Lotje knikte.   Intussen had Ignace een zwarte stift genomen en begon een nieuwe rij woorden, onder die van het anagram.   V E R M A S S E N   J E Z U S  W A P E N    J E U K P E S T    M E S T    Diezelfde letters schrapte hij in de oorspronkelijke letterrij en we hielden over :   L R L E E P H I N A Z S Y G E D E E L D E W I N O P E N W A T E R M O Z E S   Ik haalde mijn TI-30G boven en berekende hoeveel mogelijkheden er nog overbleven. “Nog achtendertig letters te gaan en faculteit achtendertig is ...euh... meer dan een septiljoen”, zei ik “Toch al iets minder dan die vijfhonderdvierenveertig quindeciljoen”, en Ignace gaf me een schouderklopje.   “En hoeveel frieten willen de Einstein Brothers vandaag?” vroeg Alfred. “Ook zoveel?”   “Frietpaviljoen is geen getal”, zei Ignace.       pagina twee van 'Uit te lezen vlees' (deel 3 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Uit te lezen vlees (1)

  L E E P P E E R L E E P H I N T M E S A U J E Z S K Y G E D E E L D E W I J N O P E N W A T E R M O Z E S W A N T Z U S S V E N M A R S   Ignace ging niet eens zitten op zijn vaste stek, hij bleef recht staan aan ‘zijn’ tafeltje en nam uit zijn zak van plastiek een groter blad dan we van hem gewoon waren. Een B3! Het blad bedekte bijna het ganse tafelblad. “Zesenzestig!”, zei hij, “een anagram van zesenzestig letters. Gekregen, van Wimpie.” “Wimpie Wankie Wimpel Wanker Pamper Pilipili”, Alfred begon een liedje te zingen waar de beste rijmelaar een puntje aan kan zuigen en Ignace riep dat hij zijn muil moest houden.   Ik kwam naast Ignace, aan zijn tafeltje staan. Op dat vel papier stond een ganse rij letters. Ik telde ze. “What the fuck”, zei ik, “zesenzestig….” en ik schreef in mijn schriftje : 66!, waarbij die ‘!’ geen uitroepteken is maar staat voor 'faculteit'. Faculteit zesenzestig, het aantal combinaties met zesenzestig letters. “Hoeveel mogelijkheden zijn er dan?” vroeg ik aan Ignace. Hij wees met zijn vinger. Het stond in de linker onderhoek van het grote blad :   66! = 544344939077443064003729240247842752644293064388798874532860126869671081148416000000000000000    “Maak je geen zorgen,” zei Ignace, “ik weet dat het meer is dan een vijf met daar achter tweeënnegentig nullen, meer dus dan vijfhonderd quindeciljoen.” Alfred begon te neuriën, nam een glas, blaasde er wat kabouterdamp op en begon het glas een glansje te geven. “En jij wilt dat anagram oplossen? Uit die qui… quindeciljoen mogelijkheden de juiste vissen?” vroeg ik aan De Reus. Hij knikte. "Hoe dan? Een algoritme gekoppeld aan een woordenboek, aan een namenregister en weet ik wat nog veel?” Ignace bestelde twee 7ups. Hij die anders altijd fanta dronk, ging eens een 7up proberen en een anagram met zesenzestig letters oplossen!   Hij zei, na een paar minuten  : “Luister... ten eerste, het zijn er geen vijghonderd quindeciljoen, omdat sommige letters meerdere keren voorkomen… en denk je echt dat we een computer nodig hebben? Hoe wou je dan automatisch gaan zoeken in naam-, plaats- en ik weet niet welke andere registers?” sprak Ignace. “Google even bellen”, grapte Alfred en hij maakte een teken naar me. Met het puntje van zijn rechter wijsvinger tikte hij tegen zijn rechterslaap. “Allez… zeg het hem dan”, zei Ali me. “Wat?” vroeg ik, “...dat-ie zot is?”   Ignace lachte en beaamde het : “Ja, ik ben niet goed wijs, maar maak je geen zorgen… er zitten veel verwijzingen in de anagrammen die Wimpie maakte, grappen ook, en instinkertjes. “Wimpie? Wie is Wimpie?”, vroeg ik met luidere stem dan gewoonlijk. “Wimpie... Wimpie woont nu in Zuienkerke”, zei Ignace.   “Een waterrat en wonderboy was hij, Wimpie. In de zomer zwom hij liefst in een zwembadje vol lettertjesspaghetti” riep Alfred die patatten aan het schillen was.   Ik las de letters nog een keertje, woorden waren het, maar wist begot niet waar te beginnen en zei : “Ignace, dat lukt nooit. Al mogen het er minder zijn dan die vijfhonderd quindeciljoen, het zijn er zeker nog meer dan een deciljoen!” “Mag zijn,” was zijn antwoord, “maar wees gerust. Je brein is tot veel in staat, meer dan je denkt. Je hersenen maken ook gebruik van je onderbewustzijn. Een computer kent geen dingen als spontane associaties, onlogisch lijkende links of instinkertjes die je eerst op het verkeerde been lijken te zetten en tegelijk een lichtje doen branden in een andere gang.”   “Schrijf de reeks over, probeer het thuis.” “Ik weet het niet”, zei ik en dacht bij mezelf : had ik maar niet zo snel ‘einde’ geschreven onder mijn Zeebrugs verhaaltje met containers, straatlopers en vuilbakmiserie.   Ik wilde schrijven. Niet puzzelen.      66!  L E E P   P E E R   L E E P   H I N T   M E S   A U J E Z S K Y   G E D E E L D E   W I J N  O P E N   W A T E R   M O Z E S   W A N T   Z U S   S V E N   M A R S       bladzijde één van 'Uit te lezen vlees' (deel 3 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Geluk van ander licht (slot van deel 2)

                                        Wat echt telt. Is wat de specht vertelt.       Een spleetje moet er zijn, tussen de deksels en de wanden. Voor wat lucht. Het licht, dat deert me minder want de nacht is zwart als zakken voor de as. En er zal niet gevochten worden deze nacht! Twankie Wankel is alleen. Geen wezens zullen hun deel komen opeisen, van de resten, van wat u en ik niet kopen wilden, omdat de keus zo groot was, breed was als de eindeloze geulen die men graaft voor slachtoffers van honger, armoede en uitputting.   De landen liggen er verlaten bij. De zon heeft al zijn tol geëist, het leven des te meer. Er ligt genoeg op deze bodem. Twankie Wankel wil en zal voor haar, voor Twinkeltje iets meenemen. Zij houdt van rauw, verslindt soms als het moet de vezels van een taaie dag die maar niet sterven wil.   Zo is geschiedt, zijn hart was klaar, het scheuren stond niet ingepland. Nu is zij dood en Twankie Wankie weet het nog niet. Beterschap is voor een zieke met verkoudheid. Liefde is helaas een kanker die niet helen zal, hij snijdt alvast een stukje hier, een plakje daar. Geen ster, geen sterveling, geen ooievaar met lege bek die het verwacht, dat zij zo snel, het duurt hooguit een dag of twee, vooral alle levensjeuk haar lijf verlaat, en zij, daar in een hoekje, op een deken zonder kleur, haar laatste blik te slapen legt.   Einde.       Ik had het beloofd aan Ignace, dat hij het lezen mocht, als het klaar was. Wachten is voor mist op heldere zon en ‘s anderendaags was ik er al weer, in frituur De Bosbrand. Alles stond op stelten. Alfred toch, al de rest niet, want hij is echt klein. Als een kabouterboom met twee te lange stammen die benen voorstelden, liep hij daar rond. Dat die spinnenwebben weg moesten, dat heldere ramen beter zicht geven op de baan, op die knappe deernen die -hij hoopte het- friet noch curryworsten vreesden.   “Die hoogste webben”, vroeg hij, “doe jij die, gij lummeltje van vijf voor twaalf?” Uit een hoek plukte ik een nachtje spinnenijver. Ik wierp de spin met kruis en al de straat op. Gelukkig is het voetpad er breed en ik zag hem komen in de verte, Ignace, hij wuifde.   Enthousiaster dan ik hem ooit gezien had, kwam hij het frietkot binnen, haalde een dubbelgevouwen B4 uit zijn zak van plastiek en zwaaide ermee door de lucht.   “Hier! De sleute!” zei hij. “Eindelijk zal ik precies weten hoe Twinkeltje stierf."         vierde en laatste pagina van 'Geluk van ander licht' (deel 2 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Geluk van ander licht (3)

                Stil papier houdt zich graag schuil. Liefst in de vorm van warm karton.       Dagen schoven voorbij als plateautjes aan de kassa bij een Lunch Garden, wolken met herinneringen aan een ijslamtaart en bakjes friet verkocht Alfred met mate. Het was rustig, daar in zijn frituur, ik kwam er graag en die Ignace Somers was zo gek nog niet. Op 28 december van het jaar 2016 liet ik hem zelfs mijn recentste A7-boekje lezen.   “Ik weet het niet”, merkte hij op, “...of het een goed idee is om de personages in je Zeebruggeverhaaltje namen te geven van echt bestaande wezens.” “Twinkeltje komt er nog niet in voor”, zei ik, “enkel een Twankie Wankel.” Ignace schudde het hoofd, beet zich op de lip en zei : “Het ligt zeer gevoelig. Twinkeltje was mij dierbaar, Twankie Wankel als een thuis voor eenzaamheid, een echte vriend.”   “Twankie Wankel? Die moordenaar?”, vroeg ik. “Antoine was zo schuldig aan de moord op Twinkeltje als Lee Harvey Oswald aan het doodschieten van JFK en James Owalds’ Prayer for the Dead zal ik nooit lezen, bidden evenmin, niet voor Twinkeltje, noch voor jou of Twankie, maar ik ben het zo zeker als de zonsopgang van morgen : Antoine doet geen vlieg kwaad.” “Deed”, corrigeerde ik hem. “...en mocht je het in je hoofd halen een romance, welke dan ook te verzinnen, weeg je woorden dan goed, want ik zal het lezen en niet mals zijn als je toon me niet bevalt”, zei Ignace nog.   Die dag heb ik niets meer bijgekrabbeld in mijn boekje, toch niet toen ik daar zat, bij Alfred en Ignace. Ik ben iets vroeger dan normaal vertrokken en was van plan, om thuis Liesbeth List wakker te schudden, op een eerlijke manier.     Onderweg kom ik Twinkeltje tegen. Ik vraag haar of ze niet dood is, en ze lacht : “Meisjes zoals ik, zoals Wilhelmina Lippens zijn er duizenden. Misschien met een andere naam, net zoals sterren met verschillende korstjes op een schaafwondje.” Haar stem klinkt lief en zacht, maar ze ziet er niet uit, in die tenu van grijze lucht en gescheurde najaarswolken. Ze draagt een gehavende broek, haar blik is ijzig, als vastberaden vorst die naar niemands pijpen dansen zal, die alle bekertjes met tranen, glazen met vergeten bier tot barsten dwingen wil.   “Heb je een plaatsje voor de nacht?”, zo vraag ik haar. “De nacht parkeert zich waar hij wil. Een jonge man moet weten wat hij vragen kan aan schaduwen met pijn en diepvriesoren.” Ze slaat een steegje in, ik loop rechtdoor, verder in de richting van een straatlantaarn die zoveel a’s nooit leggen kan al is het bord zo leeg als blanco letters.   Ik kom thuis, schik wat woorden voor een nieuwe liefde. Aan een einde denk ik niet. Dat laat oik ver aan mijn boekje, aan het zwart, de inktslakken, ze kruipen al, ik zie het niet, het glinsteren van weggekropen sporen. Ergens slaapt hij al, maar moeilijk, Twankie Wankel heeft zich al gehuld, in laagjes warm karton.       derde pagina van 'Geluk van ander licht' (deel 2 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Geluk van ander licht (2)

Positief ingesteld als ik doorgaans ben bestelde ik ook vandaag weer een 7up met daarbij een kleintje met mayonaise. “Voilà zie”, zei Alfred toen mijn bestelling klaar was en hij gaf me er een gratis potje toversaus bij. “Of voor de kindjes”, voegde hij er aan toe. Ik zei dat ik geen kinderen had, alleen een moeder (ook een achtergelaten vader) en ik legde alvast mijn A7-boekje klaar op ‘mijn’ tafeltje. Al vier bezoekjes had ik inmiddels gebracht aan Ali’s friettempeltje en telkens had die ene stoel mij kunnen strikken.   “Vandaag een rijmpje voor vadertjesdag?” vroeg Ignace. “Liever niet”, zei ik, “ik tob over een verhaaltje met gesukkel in Zeebrugge, iets met containers, junk yards, schroothopen langs een kanaal, roestrode lucht en mauve wolken”       Twankie ben ik, loop maar wat te dolen en mijn loden voeten wegen zwaarder dan de poten van een havenkraan. Er is honger, lang niet meer naar liefde, heel gewoon wat restjes, ergens vinden, winkels hebben altijd achterpoortjes, weet je. Ben je blind, doofstom en ongevoelig, God wat scheelt het, ruiken kan ik, waar ik zoeken moet.   Brood van gisteren, het was eergisteren het brood van morgen en ik proef ervan. Ik scheur het open, pakje hesp, ontdaan van vet en botten, varkensvel. Het smaakt gelukkig, echt naar geen beleg van oorlogssteden, zelfs niet eens naar rottigheid en de kartonnen dozen liggen hier vanboven. Dat is fijn want niets, geen vet noch bruine saus, is uitgelopen uit een barst, de potjes zijn, ik zie het, één voor één nog ongedeerd.   Ik leef en dat, het blijft nog even zo, allicht ook weer tot morgen, goed is het, als de containers waterdicht zijn, deksels hebben, koude sterrenhemels buiten houden. Twankie Wankie hoeft geen deken met te witte vlekken, morgenvroeg moet ik er uit, dan komt hij weer, die vrachtwagen die alles moeiteloos verslindt alsof de nieuwe dag een reus is met een walvismaag.       Ik klapte mijn mini-boekje toe. De 7up was kouder dan dag. Het werd twaalf uur. Geen koekoek sprong tevoorschijn uit een rijk met messing raderen en buiten stond een glascontainer.   “Zijn ze daar nu weer!”, sprak Ignace. “Wie?” want Alfred wil het weten. “Die mannen van Standard”, zei de Ignace De Langeflap.   Ik keek nu ook door het raam van plexi. Ik zag het Poolse meisje, flessen werpen, lege potjes saus. “‘t Was voor bij de alfabetspaghetti”, lachte Ignace die het altijd beter weet en het was Alfred die zich weer liet gaan, een schunnigheid verzon : “Ik ziet het. Aan haar licht gewrongen stap. Dat ze ook vandaag weer kruiswoordraadsels uit haar kutje bloedt.”       pagina twee van 'Geluk van ander licht' (deel 2 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Geluk van ander licht (1)

                           Er zijn geen gebeurtenissen. Niets dat loszit. Valt zomaar.       “Fake news!” zie Ignace luidop. Hij zat er weer, op zijn vaste plaats, aan het tafeltje, links van de koeltoog en het was Alfreds transistorradiootje dat nieuwe feiten was beginnen uitkramen. Een radiostem had het over die nieuwe teelt, over dat organisme, dat het midden hield tussen planten en dieren, dat ontwikkeld was door de firma Sanomonto, die het catalogeerde als een omniglotoïde.   Planten kon men het niet noemen, omdat ze zich konden verplaatsen en daarbij sloot men de groep van de kruipplanten volledig uit. Ook dieren kon men het niet noemen. De omniglotoïdes beschikten dan wel over een primitief spijsverteringsstelsel en (slechts) één zintuig, dat van de reuk, hun weefsels waren voor het grootste deel plantaardig. Van een echt ‘wezen’ kon men moeilijk spreken. Ze voedden zich via hun vele tentakels, die eruit zagen als langgerekte kleine tongen. Met die tentakels konden ze zich voor lange tijd vastzetten in de bodem en de minuscule uiteindes konden voedingsstoffen opnemen uit de bodem. Wortels waren dat niet want ze verslonden ook de aarde waarop ze groeiden, waardoor er rond het organisme soms kleine verzakkingen ontstonden. Ze hadden ook een soort van strontgaatje, waaruit de verwerkte grond kwam. Hun eenvoudige spijsverteringsstelsel werkte echter niet met zuren en ook niet met bacteriën. Het was een gif dat voor de afbraak zorgde. Zelf waren ze vanzelfsprekend bestand tegen dat venijn, maar helaas niet de andere levensvormen die zich rondom de omniglotoïdes bevonden. Vele insecten, strontvliegen en kevers hadden aanvankelijk niet door dat de uitwerpselen van de omniglotoïdes giftig waren en stierven in groten getale. Of dit echt een probleem was? Sanomonto vond van niet. Het vergemakkelijkte de teelt, er hoefde niet gespoten, noch gewied te worden en het volstond om de omniglotoïdes (die gecommercialiseerd werden onder de naam Omigot) te koken om het gif onschadelijk te maken voor de mens. Je stak een portie Omigot in een snelkookpot, je voegde er wat suiker aan toe, en klaar was kees. ‘Buiten het bereik van kinderen houden’, stond op de pakjes Omigot. Gezinnen met kinderen kochten voor de veiligheid voorgekookte of reeds bereide Omigit en chef koks hadden enkel lovende commentaren. Ze spraken van ‘de truffelkaviaar van de 21ste eeuw’.   In het radioprogramma werd de vraag gesteld of in gekookte Omigot daadwerkelijk geen enkel gif meer aanwezig was. Een knappe bol kwam aan het woord en verkondigde dat hij vele tests uitgevoerd had met de omniglotoïdes van Sanomonto. Alle resultaten waren positief, in de zin dat na het koken geen enkele substantie meer aangetroffen werd in het gewas dat ook maar enigszins toxisch zou kunnen zijn en een chef-kok wist te vertellen dat Sanomonto al aan een tweede variante werkte, een Omigot 2.0 die tijdens het koken duidelijker verkleurde. Hij zei dat de kleur-na-koken nog moest gekozen worden en dat een panel van sterrenchefs inspraak ging krijgen. De kleur van een ingrediënt was immers uiterst belangrijk bij de presentatie ervan.   “Een gerecht met omniglotoïde kan het best op een vijfkantig bord geserveerd worden”, zei de presentator, “gezien de moderniteit van Omigot”, hetgeen de chef-kok beaamde met de woorden :  “Ja, zo doen we dat het best.”   “En nu is het tijd voor een plaatje”, zei de afgelikte radiostem en er weerklonk een liedje over een donker straateinde.   “Geen onaardig nummertje van Percy Sledge was dit”, besloot de stem, terwijl Percy’s laatste woorden ‘They gonna find us love someday’ uitstierven. Het leek alsof ze gesmoord werden in die miezerregen. Kleine druppels twinkelden op de golfplaten van het frietkotdak.       eerste bladzijde van 'Geluk van ander licht' (deel 2 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Over reuzen en scheve muilweters (slot van deel 1)

                               Als een haan kraait is de echo zelden van een kip     Of hij opschoot mijn speurtocht? Dat leed geen twijfel. Er was nu tenminste een vermoeden over het moordwapen (een mes) en aan de schuld van Twankie Wankel kon nu met reden getwijfeld worden.   Ik had alles genoteerd en vroeg aan Alfred om af te rekenen. “Je hebt al betaald”, zei het kleine frietbaasje. Ik stak mijn minischriftje in mijn binnenzak en maakte aanstalten om te vertrekken. “En wat krabbelt ons baasje zo allemaal in zijn boekske?” vroeg Ignace, die mij blijkbaar toch niet helemaal vertrouwde. “Eeuhhh…” aarzelde ik eerst en zei dan, “sprookjes, kinderverhalen”. “Bedoel je verhalen voor kinderen of kinderverhalen?” wilde hij weten. “Verhalen voor kinderen. Van acht tot achtentachtig.” “Gij kwast!” lachte De Reus. “En wat heb je vandaag neergeluld?” “Een rijmpje voor moederdag”, zei ik waarna hij zijn smoel scheef trok. “Zal wel… moedertjesdag… dat is zeven maand geleden.” opperde De Reus terwijl zijn kop van neen schudde. “Ja,” en Alfred ging zich moeien in ons gesprek, “een rijmpje voor de mama...? Lees het dan eens voor!”  “Voor volgend jaar is het”, maakte ik ze wijs, nam het A7-boekje uit mijn binnenzak, bladerde tot ik iets vond en begon voor te lezen :   oh hoendertje hoendertje hoendertjelief onder jouw vleugels is het fijn   oh moedertje moedertje moedertjelief ik heb voor jou iets meegebracht   ik jouw ukkie pukkie ukkepuk heb voor jou met wat geluk   het zijn er tel maar mee een stuk of acht   zoem zoem zoemzoem zoem zoemzoemzoem   ik ben zo klein ik vlieg je rond de nek en oren moet je horen   zoen zoen zoenzoen zoen het zijn geen bijtjes maar vijf kusjes   allemaal van mij ik ben het jouw kapoen     Ze begonnen allebei te klappen, Ignace iets luider dan Alfred, want ‘De Reus’ heeft immers flappen van handen en Alfred, die eerlijke smeerlap van een cervelaverkoper, brouwde er nog een vervolg aan :   ai ai ajajai mijn hoertje hoertje hoertjelief   hoe men het dan ook draait of keert ik heb te veel gezopen straks laat-ie weer een boertje boertje boe-boe-boertje   wees niet bang het is mijn beste vriend een haan vol zaad en lucht die zo graag logeert in jouw geile kiekendief     Dat Alfred gewonnen had, verklaarde De Reus en hij stond recht, zei dat hij nog commissies moest gaan doen. Hij keek eerst door het plexiglas, dan op zijn horloge en zei : “Nog een geluk. Ik geraak er nog. Zelfs droog en wel. Welke Delhaize wacht vandaag op mij?”         vijfde en tevens de laatste pagina van 'Over reuzen en scheve muilweters' (deel 1 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')  

Bernd Vanderbilt
1 0

Over reuzen en scheve muilweters (4)

           De mensheid is lomp als een walvis. De zee is gelukkig. Stukken zachter.     ...en het werd donker. Wolken schoven voorbij. De ene wachtte op de andere om een dichte deken te kunnen vormen boven een koude mensheid. Auto’s schoven ook aan want overal waren ze, niet alleen in het centrum van de welvaart, ook aan de randen stonden ze vaak bumper aan bumper.   “Maar ze stoppen verdorie niet aan mijn frietkot”, zei Alfred die naar zijn schap met voorgebakken frieten keek en toen kwam er een schoonheid binnen, met roodwitte kousen. Ze stond daar, zo ineens voor die koelbak. Haar benen leken wel twee vuurtorens die binnen de kortste keren om die ene rosse kutkuif gingen vechten.   “Wat zal het zijn voor de mannen van Standard?” zei Alfred, die nooit verstand zal hebben van vrouwelijk schoon. “Euhhh… twee vegeratische cervela’s”, was haar antwoord. Ali moest zich even in de sik krabben en sprak toen : “Die daar, en die hier ook. Die twee zijn vegetarisch. Anders nog iets?” “Nie, ty dupek… maar, za Boga, alsjeblieft niet in olie bakken waarin vleesbouletten zwommen!” “Mademoiselle de kuisvrouw uit Krakow is precies ook niet van de gemakkelijkste”, riep Ignace. “Ja,” zei ze kordaat, “ik ben dé kuisvrouw. Er is geen betere. Vraag het maar aan Magda.” “Magda wie?”, riep De Reus. “Aelvoet. De Meyer. De Block”, sprak ze krachtig en fier. “Je vergeet de helft”, zei Ignace. “In gans Europa is de vloer nu proper dank zij u. Zelfs bij Maggie McGee, Mammie Thatcher en bij Magda Goebbels!” “Ook bij Magdalena Lesniak!”, zei ze terwijl ze in mijn richting keek, 'Schrijf maar op... ty glupi kocur!'  leek ze te gaan zeggen.   Intussen was er iets ontstaan voor de frituur wat men pas echt een file noemen kan. Stapvoets verkeer van Walibi tot in het walhalla. Voituren, ottobuussen en kamions. Ook een Poolse vrachtwagen. De nummerplaat begon met 'GD' en Ignace vroeg aan dé kuisvrouw wat er op de zijkant van die kipper geschreven stond :   Ze vertaalde vlotjes : “Zeer hete dieetmest uit Gdansk”   “En gij nu”, zei Ignace tegen mij, “allez, meneer de anagramateur. Probeert een keer.” Ik antwoordde : “Gij zot, zelfs de IQ-Kwis was maar met twintig letters. Dit zijn er 25, neen, 26 letters. Dat zijn dan meer dan één triljoen mogelijke permutaties!”   Alfred schudde zich weerom kop en baard, zei tegen die Poolse Maggie McGee dat het niet ging lukken met die cervela’s, dat in elk van de drie kuipjes al iets met vlees had liggen pruttelen. “Geef me dan een red bull”, zei ze en ging weer buiten. Ze trok het blikje open en fladderde weg met de wind.   Intussen had Ignace -ging er geen eind aan komen?- weer een B5 uit zijn zak gehaald en had daarop met bruine stift geschreven :   Z E E R    H E T E    D I E E T M E S T    U I T    G D A N S K   “Allez”, zei hij nog een keer, “gij daar met uw blikske 7up. Zet het in de juiste volgorde.” “Ik pas.” antwoordde ik zonder een pokerface te trekken. Alfred legde iets groens in koelvitrine en Ignace begon ‘te goochelen met de letters’, laat ik het zo noemen.   “En op welke dag was het dat Wilhelmina haast van de stenen geschraapt moest worden?” vroeg De Reus, daarbij zijn hoofd wat omhoog knikkend. “Weet ik veel”, was mijn antwoord. “Een dinsdag, manneke!” verklaarde zijn luide stem en hij draaide zijn papier, zodat ik het onderaan op zijn met bruine letters bestrooide blad kon lezen :   E.T.    T H E E    E E R    K U T    Z I E T    M E S    D I N S D A G   “Zie je wel,” zei De Reus, “het was niet om thee te drinken dat die marsmannetjes verschenen in het winkeltje van Wilhelmina. Het was een zaak van eer en ze kwamen op een dinsdag, op 11 september 2012.” “Marsmannetjes?” betwistte Ali, “iedereen weet toch dat het Twankie Wankel was die haar ganse lijf om zeep hield die dag.” “Dat ben ik zo zeker nog niet!” sprak Ignace en hij dronk nog wat van zijn fanta.       pagina vier van 'Over reuzen en scheve muilweters' (deel 1 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
1 0

Over reuzen en scheve muilweters (3)

Ik zeg het nochtans elke keer. Tegen Willy en Willibrord. Dat ze niet met die taljoren moeten smijten. Dat zoiets geen geluk brengt. Alleen maar zeer doet. In mijn kop. Dan lachen ze. En zet ze ook niet te geweldig in de kast. Ik voel dat. Als borden mishandeld worden en daar onrustig van worden. Dan lachen ze nog meer.     De plannen van de gasnarwal met de nodige toelichtingen en technische details borg Ignace veilig op in de zak.   Wij zaten daar nu. Ignace en ik toch. Alfred stond de ganse tijd recht. Ik denk dat er achter zijn koeltoog een verhoogje gemaakt was. Of het hoog genoeg was (en is), dat betwijfel ik, zeker als er een peuter komt die een biggy burger wilt en Ali F. zich dan helemaal over die koeltoog moet plooien om het warme vleesding in de pollen van die minderjarige te steken met de woorden : “En wil je nog een snoepje?”   Dat lukt hem nooit. Hij moet zich dringend eens laten kraken en rekken bij een arrangeur van lange liedjes. Ach, frietkotgrappen…. keep it simple en bestel gewoon een kleintje met niets.     Er gleed een koets voorbij, richting Brugge, een ambulance rinchting Sint-Jan, een kind op sleepfiets, een oudere reed ervoor. “Ga toch uit de weg,” riep die kleine tegen die grijzaard, zijn bompa. Man, man... vrouwen ook, met fladderrokjes op tweewielers, en mannen die als kwezels erachteraan vlogen, maar dan op vier wielen, voor de zekerheid, auto’s van de zotste merken en met de raarste voorlichten, met de zotste golven in de portières gestanst ergens in een ver land onder een reusachtige machine. Ik wilde niet blijven kijken, maar Ignace dwong me bijna.   “Kijk daar. Een bus. Weet gij hoe gevaarlijk zo’n ding is!?” Het klonk niet echt als een vraag. Eerder als een waarschuwing. Hij haalde weer een B4 boven en deze keer een blauwe stift. Op het blad tekende bij een waterdruppel, je weet wel, die vorm van een door de lucht suizende traan. De druppel lag plat. Links was de ronde kant en rechts zat de angel. Daaronder tekende hij een pijl, ook horizontaal, met de punt aan de kant van de angel.   “Wel,” zo ging hij verder, “een bus is wat de gewichtsverdeling betreft een druppel water die horizontaal vliegt, maar dan helemaal verkeerd, achterstevoren. De zware motor bevindt zich bij die dingen achter de achterwielen, en tot overmaat van ramp vijst men er soms ook nog een bak aan met daarin een paar honderd kilogram skigerief. Als je dan te bruut stuurt, begint zo’n ding te waggelen als een dronken dodo. Daarbij, en dat kan rampzalige gevolgen hebben, is de voorkant haast zo hoekig als een antieke rubik’s cube.”   “Zoveel scheelt het!  Eén druppel water!” Hij keek me daarbij streng aan en zei : “Een bus zoals ze die vandaag maken, botst na één bruuske beweging van een indommelende chauffeur met veel kans tegen een tunnelwand. Waren die bussen gemaakt als regendruppels, maar dan druppels die door de lucht suizen als echte en in de juiste richting, dan gebeurde zoiets niet, zelfs al verloren ze een wiel.”   Alfred deed wat ketchup op een middelgroot bakje voor een snuiter die daar stond met centen van zijn moeder. Onze frietenslijter vroeg of het om mee te nemen was. “Ja, naar de Kleine Lijkstraat”, zei het gastje.   “Een lijk is een touw, Alfred,” zei Ignace de lange alweter, “het zit ingenaaid, in het boordsel van een zeil, van een windmolen.” Terwijl hij dat zei, keek hij in mijn richting, alsof ik iets met molens had.   “Boordsel?” mompelde het frietkotbaasje. “Hij spreekt als een grijs en bejaard rund", en ik krijg veel goesting om kokend ossenvet over die zijn kop te kappen, dacht Alfred.   Die kleine maakte zich rap uit de voeten met zijn avondeten, want op het kleine transitorradiootje klonk het al van "Dag vreemde man". Het duurde niet lang voor hij helemaal uit het zicht verdween, met zijn ketchup, met zijn frieten, onder dat papier met die vetvlekken in geheimtaal.       bladzijde drie van 'Over reuzen en scheve muilweters' (deel 1 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
3 0

Over reuzen en scheve muilweters (2)

  Als men de Belg wilt uithangen, dan gaat men naar een frietkot. Daarom zie je mijn vriend Bartje er nooit meer. Dat was een historische vergissing geweest van hem.     Ik bevond mij er nu wel, in zo’n kleine friettempel, Frituur De Bosbrand van Alfred en het was niet om er te belgenieren. Ik wilde en zou meer te weten te komen over die nare gebeurtenissen in Twinkeltjes vleeswarenwinkeltje. Kwestie van De Reus en Ali F. te laten zeggen wat ze moesten.   “Als het zo verdergaat,” begon Ignace ineens te verkondigen, “dan verdwalen we allemaal. Wat erger is : het draait uit op één grote verdommenis, een hellevuur met explosies en verschroeiing.” Alfred schepte mijn frieten in hun bakje en lachte : “Gij pierlewiet met uw tekeningetjes molotovcocktails en chokotoffbommetjes.”   Naar mijn genotuleer vroeg Ignace gelukkig niet, maar ging wel verder over zijn recente vindingen : “Heb je het dan niet gezien?” “Wat?” vroeg Alfred. “Dat verkeersbord, bij de ingang aan ‘t Tillegembos.” “Neen,” zei Alfred, “daar kom ik niet. Daar groeien geen champignons die giftig genoeg zijn voor uw portie herfststovers met fruits de bois.” “Houd uw muil en doet die tartaar op die frieten van dien tjoeten! Ze koelen af.” riep Ignace.   Ik deed teken met een hand die probeerde te zweven, vlak, op en neer, om wat rust met de lucht te mengen. “Langs waar!” riep Ignace. “Wat langs waar?” vroeg Alfred, die daarna tegen mij zei dat ze toch nog te waren mijn frieten.   “Ja, langs waar… ‘langs waar’ stond er op dat bord. In ‘t zwart erop gespoten.” zei De Reus en hij schoof een rode stift uit een bundeltje viltstiften. Met een rekkertje zaten alle kleuren samen en hij schreef de letters één voor één op een witte B5, rood op wit :   L A N G S W A A R   “Niet weer...” en Alfred schudde zich de kop. Zijn baard wiegde in de wind als een toef schapenvacht die aan een prikkeldraad was blijven hangen. “Het is een scrabblezot”, sprak Alfred. Hij zei dat tegen mij en vroeg me dan of er genoeg zout op de frieten was.   “ G A S N A R W A L ”, zei ik en ze zwegen die twee. “Hoe weet gij dat?” Het was de stem van een achterdochtige koekoek, van Igance die me aansprak. “Ik ben een anagramateur”, ging ik zeggen, maar Alfred sneed me de pas af met de woorden : “Nog zo’n letterfretter!” Zijn baard wimpelde daarbij heen en weer, als de supportersvlag van een bende voetbalschapen.   Ignace haalde zijn schets boven. “Wanneer het zal gebeuren, weet ik niet”, zei hij, “maar dat het zal gebeuren is zeker en waarmee ook!” “Met gasnarwallen?” vroeg Alfred. “Genetisch gemanipuleerd, met… kijk hier…. hoorns van titaan en daar een antenne. Telegeleid zullen ze zijn. In hun kop gaan ze modules steken, om ze te besturen, om sluisdeuren open te breken, vangnetten te doorboren. De buiken zullen gevuld zijn met gasballonnen en het zal geen lachgas zijn. Neen, maat. Mosterdgas. Opgevist uit de zee. ‘t Ligt daar vol met van die bommen, overschotjes van den oorlog... en Blaugas, dat ook. Eerst blijft het laag hangen en dan... BOEM, alles en overal tegelijk. Overal zal het vol liggen met stukken toerist. Overal rode vlekken, rood zal ‘t water zijn van aan de Potterie tot aan het Minnewater. Overal! En dan die stank, van verbrande chocola, van verkoolde narwal en smeulende frietkoten. Zorgt dat ge nie in ‘t Stad zijt dien dag!”   Ik zei dat het in principe zou kunnen. “Steek ze maar weg, die plannen” en ik deed teken naar zijn zak van plastiek. “Steek ze goed weg voor de terroristen. Vooral die van Gent!”   Ik klopte met de linkervuist (niet te hard) op het tafeltje want ik was content. Het was me gelukt, kontakt te leggen met die bosneukende frituuruitbater Ali F. en zijn gevaarlijkste vaste klant, Ignace S. De Reus.       bladzijde twee van 'Over reuzen en scheve muilweters' (deel 1 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Over reuzen en scheve muilweters (1)

  Ze stak geluiden in een vaatwasmachine. Met die koude handen. Harde borden. Rabarberkootjes en vingers die mij niet meer zouden beroeren. Een geklinkel was het, pijnlijker dan leisteengesplijt.     Dat was gelukkig, onhoorbaar geworden, ver weg van waar ik nu was, nog net op het droge, hier, waar prevelende bomen verschenen, waar asfalt overging in grint, grint in aarde en aarde in modder. Als een verdwaalde nagel zonder kop stond ik daar, met de voeten al in het hout van die plankenvoer. Klaar om door één of andere zot de nerven ingeklopt te worden.   “Meneer Den Dromer,” een kleine handzwaai probeerde me te wekken, “voor U, wat mag het zijn?” “Een pakske chicletten,” zei ik zonder nadenken. “Met welke saus?” vroeg Alfred van achter zijn koeltoog. “Gewone chicletten”, antwoordde ik. Alfred zuchtte, ontspande de wenkbrauwen en vroeg me vijftig cent.   Ignace kwam binnen. Ik ben op tijd gekomen, dacht ik en hij bestelde een blikje fanta. “Eén euro”, klonk het en weer keken ogen me aan me, die van Alfred, van een hoofd dat frieten wilt verkopen.   Ignatius De Reus, de langerd uit sprookjes die om opheldering vragen, had een zak neergezet. Hij was van plastiek en verborg je-ne-sais-pas-quoi. Ignace had een stoel genomen, met een servet vetvlekken van mica geveegd en zat hier nu, één tafeltje verder, op nog geen anderhalve meter van me.   Elke echte man draagt kleurstiften bij zich. Is het niet om streepjes te trekken (het aantal copulaties, centimeters op een houten lat, het weze me worst wat), dan is het om te tekenen. Geslachtsdelen, letters van vloeken, mislukte gedichten. De wc-deuren, de wanden, zij verdragen het omdat het minder stinkt dan stront.   Lang heeft niet geduurd die geheimzinnigheid. Papieren verschenen, in formaat B4. Een deel was niet gevouwen, voorzien van schetsen en gedetailleerde plannen, van vaartuigen en uitvindingen. Een andere deel was dubbel geplooid, tot boekjes met vier bladzijden. Daarop waren ze beschreven, de voorspellingen, over redding, meer nog over onheil, over verbeteringen, correcties aan soorten, verdelgingsplannen, dat kon ook. Zelf had ik geen draaiboek. Ik kauwde niet om chicletten plat te kunnen terten, jaren later terug te komen, te knielen, mijn stiftjes boven te halen en kunstwerken te maken van ongeboren bellen, grijze gom.   Al twijfelde mijn geest. Ik gooide mijn smakeloos geworden sjiek in de vuilbak en, het is doenbaar, spritesmaak mag volgen op die van pepermunt. Zenuwen hadden zich in verbinding gesteld met mijn hersenen; ik sprak :  “Geef me toch een kleintje!”   Ik stond daar weerom, voor die koeltoog met frituurwaren en voegde er aan toe : “Met tartaar, en ook een 7up.”         pagina één van 'Over reuzen en scheve muilweters' (deel 1 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')  

Bernd Vanderbilt
0 0

Twankie Wankel Twinkeltje (voorwoord)

Op 11 september 2012 beging Antoine ‘Twankie Wankel’ De Wandelaere in de kleine vleeswarenwinkel van Wilhelmina Ketels een misdaad. Ze geurde die dag niet naar parfum van meloenen en het betrof een zaak van eerroof, vilaine vianderie, lustmisbruik en smeerlapperij in het algemeen.   “En als Alfred het beaamt, geloof het dan maar. Dan is het zo!” zei Ignace, “want Alfred heeft frietkot-oren, hij weet wat waar leeft. Hij is van veel op de hoogte. Hij weet veel over afgunst in blitse eksternesten, de hoogmoed van schreeuwerige sperwers, de nijd van pauwloze keuterboeren en de geneugden in duistere bossen. Zijn kennis is haast onmenselijk onmenselijk en tot op vandaag loog hij nog nooit. Hij kan het gewoon niet, liegebeesten aaien, scheve feiten verkopen. Ik zag het ooit, op een dag met laf weer, hoe hij probeerde, eens te liegen over de volgorde van kleuren in een zieke regenboog die hij gezien had in zijn droom. Zijn smoel sloeg scheef. Eén oog trok lam. Een opstoot van snot zorgde ervoor, dat zijn aanzet tot vals gezwans bleef kleven in een fluim. Er verscheen een landjevol mieren. Vlakbij was er een nest van eerlijkheid en ijver. De beestjes liepen om de keelsnot heen, maakten een bocht, die piloten in een vleermuiskop benijden. Het leek alsof ze de omtrek van een scherpe glasscherf volgden. Ze keerden zelfs terug naar het nest om zich te vergewissen waar de waarheid lag en zich de smikkel te wassen aan de tranen van een mol die met een blind gevoel de leugens in de stem van dieren horen kon.”   Dixit Ignace en hij ging verder : “Daarna heeft Alfred, die pernukkel met zijn grijze frou-frou en zijn fraaie friterie het nooit nog geprobeerd, te liegen. Fluimen bleef hij doen en vaak. Hij dacht daarbij maar al te vaak : ‘ik doe er niet aan mee en wil er niet aan meedoen, aan bedrog en leugenbraderie, net zoals ik niet verlang naar seksverkeer met dieren, met infanten, laat staan met mensapen, al zijn ze van de geilste soort.’   Ignace sloot zijn eerste getuigenis af met de woorden : “Echt, het speeksel van die ukkepuk is eerlijk als het transparante slijm in een koekoeksei, dat naar warmte hunkert, dat verlangt gekookt te worden, want het wil en zal niet, samen met het geel en die ene rode stip verworden tot een vogel die het ganse bos bedriegt. Desalniettemin, ik zeg het zoals het was en is, ik weet niet hoe het komt, die fluimen van Alfred, ze stinken ze soms naar cellen van een kranke gnoom, aangetast door bof en pest.”   Dit verhaal handelt echter niet over zieke handelingen met spuug en speeksel. Voor Pandora telt dat niet als ziekte. Centraal staan die gebeurtenissen op 9 september 2012, de toedracht en de gevolgen. Ook probeer ik te begrijpen welke rol zij in die ganse tragedie speelden. Met zij bedoel ik vier individuen : Antoine De Wandelaere, bijgenaamd Twankie Wankel, Wilhelmina Lippens liefweg Twinkeltje. Dan is er nog Alfred, door Ignace wel eens aangesproken met Ali F.. en tenslotte Ignace 'De Reus' Somers zelf.   Het was enkel Alfred die Ignace ‘De Reus’ durfde te noemen en ik probeer het drama te reconstrueren aan de hand van de getuigenissen van die twee, Alfred en Ignace. Om opheldering vragen bij Twankie of bij Twinkeltje kan ik helaas niet. Antoine en Wilhelmina zijn niet meer in leven.   Volgens Ignace -dat ben ik later te weten gekomen- speelden ook ene Sven Mars en een jongen met de naam Wimpie geen onbelangrijke rol in de aanloop naar de feiten van september 2012, maar daarover tast ik nu nog in het duister.   Telkens ik iets te weten kom (soms verstoppen Alfred en Ignace zich voor de Overheid), breng ik bericht uit. Mijn verslagen zullen kraakvers zijn, as fresh as you can get. Er zal nooit sprake zijn van waterbuffels, die wachten, voor een opgetrokken luchtbrug.       voorwoord bij ‘Twankie Wankel Twinkeltje’ (mijn tweede e-boekje, vanaf één december te lezen op Azertyfactor.be)  

Bernd Vanderbilt
0 0

Winterrust (epiloog)

  Maakt U zich geen zorgen. Dit is geen gecensureerde foto van Natascha en wilt U weten wie er nog leefde in het jaar 2022?   Quasi iedereen!   Ivan woonde nog steeds in Middelkerke, Enzo was visfileerder bij een firma in Zeebrugge en Falco trok rond met een moderne circusmaatschappij, iets met messen.   Hannelore wroette voort in haar Lapscheurse prairietuin en de vader van Ricky leefde als een kreupele Gaddafi nog steeds in datzelfde spookhuis. Naast Evangelina en enkele buschauffeurs leefden er nog ontelbaar veel figuranten, miljarden zelfs, meer dan ooit tevoren.   Wel werd Johnny’s diabetes hem fataal en Ricky’s mama stierf aan een leverfalen op 17 augustus 2021.   Ricky kon zijn einde niet zelf beschrijven omwille van de shibari. Er was een vrijwillige, koppige pen nodig om U het relaas te doen.     Een deel van het onheil geschiedde op 7 januari 2022. Ricky trok het nog twee weken en stierf vastgebonden, van uitdroging op 22 januari 2022.   Natascha Salomon werd op 6 januari 2022 opgepakt omdat ze in België verbleef zonder geldige verblijfsvergunning. Die was niet langer verlengd door de Dienst Vreemdelingenzaken en verviel op 31 december 2021. Abchazië was veilig verklaard.   Op 7 januari werd Natascha gerepatrieerd naar Abchazië. Onder de begeleiding van twee agenten vloog ze eerst van Charleroi naar Moskou en dan van Moskou naar Sochi, waar haar Indische vader haar stond op te wachten met zijn Lada Priora.   Onderweg naar Gantiadi (de woonplaats van haar ouders in Abchazië) werd de Priora klemgereden door een jeep, de strontbak van een zieke hond met witte pet.   De chauffeur van de strontbak was gemaskerd en hield de vader van Natascha onder schot terwijl de andere man (met de pet) Natascha uit de Priora sleurde en in de jeep trok. De strontbak sloeg een modderweg in met aan weerszijden een sneeuwdijk van wel één meter hoog en stopte bij een bunker naast een veld waar nooit spruitkool had gegroeid. Daar beging de man met de pet wreedheden die ik liever niet beschrijf.   Wel kan ik je zeggen dat de zieke hond met die witte pet luisterde naar de naam Ivan, een Abchaziër die als slachter werkte in Adler, niet ver van het Sochi Theme Park. Hij had Natascha, tien jaar daarvoor, twee maand voordat zij naar België vluchtte voor de atrociteiten van de Abchaziërs, ten huwelijk gevraagd, vijf weken nadat hij haar had zien zwemmen in de Zwarte Zee.   Had zij daar dan moeten op ingaan? Wat had die slachter bezield om haar, een voor hem wildvreemde jonge vrouw, de dochter van een Indiër en een Georgische, zo’n uit de lucht gegrepen aanzoek te doen? Hij had haar zien zwemmen, had naar haar gezwaaid en was via de uitbater van het strandcafé haar naam en woonplaats te weten gekomen.   Zien zwemmen! En een paar keer zien onderduiken in die bikini met dat zotte motief! Fluogele hondjes op een rode achtergrond!     Wat de lijkschouwer in Abchazië mij wel kon vertellen is dat het aannemelijk was dat haar keel overgesneden was met een vlindermes en hij bevestigde dat haar hart niet teruggevonden werd.       (met dank aan Bartje voor de vele illustraties)  

Bernd Vanderbilt
6 0

Winterrust (slot van deel 4)

  Lentes begonnen met de jaren vroeger en vroeger, als veel te ongeduldige maagden en het was op een rustige vrijdag dat zij mij het vroeg : “Ricky, het is een instrument, ik heb het geërfd van mijn grootmoeder, maar ik heb lastige buren. Mag het bij jou, boven het restaurant, ‘s avonds?” “Welk instrument”, vroeg ik haar. Een veena was het en ik zei dat het goed was. Het restaurant sloot na tien uur en als ze dan kwam mocht ze dan van mijn part spelen zo lang als ze wilde.   ‘s Anderendaags -het was een zaterdag die hemelse klanken lokte- stond ze daar in het midden van de zolderkamer. Ik keek naar het instrument. Het was een goede meter lang en telde zeven snaren. “En kan je het aardig bespelen?” was een domme vraag van me. “Bind me eerst vast”, vroeg ik. Ze legde de veena voorzichtig neer en bond me vast op een manier die ze begreep. Het was een ritueel geworden en ik was niet meer gekleed. Ze had over shibari en kinbaku gelezen en me gezegd dat het er belachelijk uitzag, als ik mijn kleren aanhield. Dat was enkele maanden geleden.   Eenmaal ik weer correct vastgebonden lag, ging ze op een krukje zitten, sloeg de benen over elkaar en legde de veena in haar schoot. Elke beschrijving van wat ik toen hoorde zal tekortschieten. Tonen kronkelden en slangen wentelden zich rond mijn lichaam. Het waren serpenten met over hun ganse lijf bloed zuigende tentakels en ze lieten me niet los. Ze maakte het zijn lichter en ik viel in een zware leegte toen ze ophield met spelen.   Ze maakt het koord dat ze me in de mond gebonden los en vroeg me of het te harden was, haar getokkel. Ik zei dat ik me niet voelde als Sisamnes, dat de ervaring omgekeerd was, dat ik eindelijk het gevoel gekregen had gevild te worden door een zachtheid, dat een mantel van harde tijden van me afgleed.   Nana zei daarop niets, ze bond me het koord weer in de mond en zei : “Tot morgen”.     Zoals je nu al weet, werden de zomers warmer en warmer. Het was heet op de zolderkamer en als ze me vastgebonden had, sprenkelde ze me water op de rug. Ze kleedde zich uit, hing alle schaamte aan een kapstok en de veena vond haar geest.   Ze speelde alsof de tonen haar vingers verlieten, als vlinders een rondje vlogen, weer terugkwamen en weer in andere formaties uit het instrument tevoorschijn kwamen gewiekt.   Rond middernacht legde ze de veena neer. Sinds die eerste noot was het instrment op de zolderkamer gebleven en ik zorgde ervoor als een fluwelen wolkendek voor een zongevoelig kind.   Ze kleedde zich weer aan, sprenkelde me nog wat water op de rug en verdween in de nacht.       negende pagina van 'Winterrust' (vierde en laatste deel van 'Ricky Minnaerts Somertijd'

Bernd Vanderbilt
0 0

Winterrust (8)

Vier dagen gingen voorbij, in stilte. We zeiden haast niets in de Twingo. Tijdens het werk wierp Evangelina af en toe een moederblik in mijn richting.   “Je staart in een kronkelend niets en je hoofd lijkt als een zolder vol met droevig stro. Je ogen zijn als luikjes die geen vogel binnenlaat om er een winternest te maken”, zei ze.   Die opmerking verdiende een glimlach en de dagen gleden verder.     Het was op vrijdag, toen we onderweg waren naar Brugge, dat Natascha eindelijk iets zei : “Het is goed, Ricky, morgen kom ik. Leg me me dan uit wat je wilt.”   Ik heb haar uitgelegd waar ik woonde en ‘s zaterdags rond elf uur voelde ik een ander hand de reling beroeren. Ik deed de lage deur open en Nana trad mijn zolderkamer binnen. Het was de eerste en is de enige ziel gebleven, van de weinige die ik vertrouwde, die ik mijn ganse binnenliet in die kamer boven dat restaurant.   Nana was niet verlegen maar ze zweeg, bekeek mijn collectie beschilderde diertjes of wat er van overgebleven was en zei dat ik geen onaardig schepper was.   “En die touwen”, zei ze, “hoe wil je dat?” Ik ging gekleed op het bed liggen, met de handen op de rug, en legde haar uit hoe ik voortaan het liefst zou slapen. “De ganse nacht?” vroeg ze en ik bevestigde. “Maak je geen zorgen”, zei ik, “ik slaap zo al jaren, om de dromen te beheersen.” “En als je naar het toilet moet?” wilde ze weten. Ik legde haar uit dat ik enkel ‘s morgens at en nooit in die mate vocht tot me nam dat ik het niet uithield tot de morgen. Daarna legde ik haar stap voor stap uit hoe ik wilde vastgebonden worden. “Dan probeer ik het alvast”, zei ze monter.   Ik ging staan en wees zolang ik kon aan welke ze koorden ze moest gebruiken. Ze bond mijn onderlichaam en daarna ook mijn bovenlichaam, het deel van mijn lichaam dat al te lang als een losse tronk vlees met botten geslapen had.   Daarna wierp ik me op het bed, op de buik. “Bind nu nog een koord rond mijn voeten, verbind het met mijn nek en span het tot ik ‘stop’ zeg.” Ze deed dit en eindelijk lag ik daar. De onmacht was eindelijk weer naar behoren vastgesnoerd. “Bind me nu nog een koord in de mond”, vroeg ik haar. Ze twijfelde eerst, durfde niet goed aanspannen, maar met mijn blik liet ik haar zien dat het goed was.   Na een minuut maakte ze dat laatste koord weer los en vroeg of ze het goed had gedaan. “Als met de handen van een licht in bange nachten” en ik zei dat ze de andere touwen ook weer mocht losmaken. We zijn die namiddag op de zolderkamer gebleven. Er was geen stad die ons riep en ze vertelde hoe ze uit Abchazië was moeten vluchten, tien jaar daarvoor en hoe die lange jaren haar pijn deden, dat ze niet durfde en ook niet wilde terugkeren, hoe gezellig het was, als één keer per jaar, met kerst en nieuw haar ouders op bezoek kwamen, dat ze moesten vliegen, eerst van Sochi naar Moskou en dan van Moskou naar Brussel, dat de tickets aardig wat kostten, tot daar aan toe, maar dat ze er voor gekozen had, om hier in België te blijven.   Die avond bond ze me vast op een manier waarvan ik hield. Voortaan ging ze me hier komen afhalen, me ‘s ochtends losmaken.   Ze parkeerde voortaan bij het oude Sint-Jan, kwam de knopen lossen en daarna, onderweg, stopten we bij een kleine supermarkt. “Eet gerust terwijl ik rijd, maar maak er geen stal van.” Dat was het enigste wat ze eiste en ze zette een cassetje op.   Evangelina bleef zoals ze was, een schat om mee samen te werken en ze zag het aan mijn ogen, dat gebroken regenbogen moeilijk waren als een kinderpuzzel met verborgen stukjes.       pagina acht van 'Winterrust' (vierde en laatste deel van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Winterrust (7)

  Op een dinsdag in februari was de hemel opengescheurd en vielen er katoenvlokken uit de mand van een goddelijke plukker.   “Kom je zaterdag niet naar het personeelsfeestje van Senioritas?” vroeg Natascha, terwijl ze aandachtig een berijdbaar spoor volgde.   “Ik denk het niet”, zei ik. “Is dat te druk voor je?”, vroeg ze en ik knikte. “Jammer. Zeg Ricky, hoe oud ben jij eigenlijk?” ging ze verder. “Er zijn stukken uit het kind gebeten, maar het is nooit groot geworden”, zei ik en mijn mondhoeken bewogen.   We stopten voor een rood licht te Zedelgem. “Neen, Natascha... 2021 min 1978… dan ben ik drieënveertig”. Ze wreef met een hand over mijn grijze stoppelkop en zei : “Dan ben je jonger dan mijn vader.” Ik vroeg haar niet hoe oud zij was, maar ik schatte negenentwinting.   “Als iets je op de maag ligt, kan je het altijd bij me kwijt”, sprak ze. Ik weet niet waarom ze dat plots zei. Ik antwoordde : “Met mijn maagsap er bij wordt de moechoedos er niet beter op.” “Moest mijn moeder je nu horen...” zei ze. Het werd groen en we reden verder.     Het hoogtepunt van het personeelsfeestje was de onthulling van een sneeuwman. Haast niet te geloven dat het in 2021 nog mogelijk was om van sneeuw een kunstwerk te maken. Het was een verrassing voor het personeel van de rusthuisbewoners. Ze hadden hem in de vroege ochtend in elkaar gerold en gezet. Een blauw dekzeil had hem eerst nog verborgen. Na tjingtjing en nog tingeling met glazen cava mocht hij onthuld worden en er verscheen een witaard met een enorme bochel, een grap van de oudjes.     Op maandagochtend speelde er geen Indische muziek in Nana’s Twingo. “Wat heb jij gedaan in ‘t weekend?” vroeg ze. “Ik ben weer begonnen met beschilderen”, antwoordde ik. “Schilderen?” “Kevers in kleurtjes steken”, zei ik, “een hardnekkige hobby.” “Wil ik wel eens zien”, sprak ze. “Maar ik ben een slechte god want de schepping van een nog mooiere Congolese juweelkever is me niet gelukt”, was een lange volzin voor mijn doen.   “Ik hoop dat je geen al te droevige kleuren gebruikt”, ze zei, “want soms lijkt het alsof er vaal regenboogverdriet uit je ogen sijpelt als de zon op je gelaat schijnt.” “Ricky”, zei ze, “als er iets waarmee ik je kan helpen, zeg het me!”   Ik twijfelde en antwoordde : “Ik slaap als een oude maan. Wil jij me beter vastbinden?” en ik deed haar mijn uitleg over de shibari, dat die houding mijn rug stilaan om zeep hielp en dat ik toch enigszins fit moest blijven, voor het werk.   “Het is niet wat ik denk”, zei ze. “Neen, dat is het niet.” Ze ging er over nadenken.         bladzijde zeven van  'Winterrust' (vierde en laatste deel van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd)

Bernd Vanderbilt
0 0

Winterrust (6)

  Na die gelukkige maandag ben ik er blijven werken in Vloethem. Evangelina stelde mijn hulp ten zeerste op prijs. Mijn woorden waren schaars en het werk deed ik secuur. Ik werkte van maandag tot vrijdag van tien tot vijf. Nooit in het weekend. Dan stonden Evangelina en ik niet in de keuken, aan die lopende band. Andere lui deden de job op zon- en zaterdag. Voor het ontbijt werd de keuken niet gebruikt. De bewoners van de woonblok van Senioritas kregen van de verplegers en verpleegsters, twee sneetjes brood, wit of bruin, naar keuze. Boter, marmelade en ander smeersel zat in van die kleine potjes, waar kabouters een maand mee voortkunnen.   Natascha had glijdende werkuren en had voorgesteld om elke dag samen te rijden. Zij woonde ook in Brugge en ik betaalde haar een deel van de benzine, hetgeen ze eerst weigerde. Voor de grap had ik gezegd : “Anders neem ik Bartjes Belbus”, en met een voorzichtige Abchazische glimlach accepteerde ze een briefje van tien euro, stak het in een groene portemonnee.   Ik zei zeer weinig tijdens de ritjes van Brugge naar Vloethem en zij was geen type dat via hoofdopeningen alles over anderen te weten wilde komen. Als het te stil werd, zette ze een cassetje op. Niemand luisterde nog naar cassettes, maar zij wel. Het waren steenoude bandjes met Oosterse muziek en ze beet zich altijd zachtjes op de lip als de muziek wat haperde. “Als het maar niet vastloopt”, zei ze met een stem die tegenslag probeerde weg te blazen en tegelijk de autoradio moed insprak.   Ik at nooit tijdens de pauze. Ik wachtte op een krukje naast Evangelina die altijd in dezelfde plastiek stoel met armleuningen zat. Op haar schoot legde ze een keukenhanddoek, opende dan de alufolie die rond haar boterhammen zat en voorzichtig speelde ze het brood naar binnen. Ze at nooit van de rusthuiskost. “Daar ben ik nog te jong voor”, zei ze, al werd ze dat jaar drieënzestig, wist ik van Natascha.   Evangelina hield ook van de stilte. “Als er geen mussen in je hoofd zitten, hoef je niet te tjilpen”, zei ze. Na de pauze sneden we gebak of taart in stukken. De porties kwamen op een honderdtal kleine borden terecht en we zorgden er voor dat ze netjes en aan een goed tempo in de muuropening verdwenen.       zesde bladzijde van 'Winterrust' (vierde en laatste deel van 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Winterrust (4)

  Hoe dieper je dromen boren, hoe gemakkelijker doodskloppertjes gaten vinden in je houten botten.   Het zou een wijze raad voor Pinokkio kunnen zijn, maar dat is het niet. Feit is dat mijn leven draaglijker werd als ik uiterst ondiep sliep, en overdag, als een afwezige reiger van normale lengte, schelpen en kevers stond te verkopen.   Daarom liet ik mezelf de ganse nacht hangen in mijn koorden, aan mijn touwen en katrollen. De pijn zij hield mij uit de slaap, ik rustte in een toestand die mij liever was en overdag, mijn god, mocht er gebeuren wat er wilde en al verkocht ik nul of dertig schelpen, leven bleef ik door twee dingen, zonnestralen en mijn passie voor het kleine, bakjes vol met resten van wat schelpen, slakkenhuizen en karkassen van insecten die vanzelf, ze lagen in de warmte en ze stierven.   Ik heb ze niet geteld en niet gemeten of een sliert met al de diertjes die ik heb beschilderd lang genoeg zou zijn van hier tot in het niets. Het antwoord is te dwaas. Ikzelf ben minuscuul en alle koorden samen veel te kort. Dacht ik dan één oogwenk van het zijn te kunnen vangen?   Ik bleef beschilderen, ik bleef leven, at nog enkel ‘s morgens. Ledig moest mijn spijsverteringsstelsel zijn om daar te hangen als een maan die niet meer schijnen wil.   Zo verliepen twintig jaren en op 17 augustus 2020  heb ik een kleine laptop gekocht. De verkoper lachte en zei : “Je kiest verdorie een model van 2017.” Hij had een kop gelijk een hoender, ik betaalde aan de kassa en Ignace zat daar, hij zei : “Je e-mailadres a.u.b.. ‘t Is voor spam en van die zever. Met zo’n ding van 2017 zit straks gans je geheugen vol met zeik.”   Ignace de klootzak! Was ik mijn roze pil vergeten die morgen? Ik ging naar huis en ik weet het, je vraagt je nu af : wat gaat een gast als Ricky Minnaert nu in godsnaam beginnen met zo’n ding voor de homo internetalis?   Niet meer dan beestjes bekijken, van de kleinste, uit de ganse wereld, inspiratie voor zijn rare kop en toen op een dag zo’n rammelkoets mijn ganse kraam in de vernieling reed, toen ben ik ermee gestopt met dat beschilderen van schelpen en van escargots, ben ik op een donkere dag naar Vloethem getrokken, met lijn 272, ben ik spruiten en saus gaan scheppen, bij die schat. Zij deed de worsten, de patatten en haar naam was Evi, in het lang Evangelina.       bladzijde vier van 'Winterrust' (vierde en laatste deel van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
1 1

Winterrust (3)

  In de zolderkamer boven het restaurant stond er geen paal.   Ik verbleef er enkel buiten de openingsuren van het restaurant. Gelukkig was het geen eet- en spreekcafé dat lang open bleef. Het ging altijd precies om elf uur open en sloot om tien uur ‘s avonds. Er kwamen enkel toeristen eten en er waren tafels genoeg zodat iedereen die beslist had om er te eten direct een plaats kreeg. Er werden geen klanten wandelen gestuurd om eerst elders flutbier te gaan drinken.   Het restaurant was trouwens niet van de meest succesvolle. Zelf at ik er nooit. Ik verliet via een metalen trap mijn zolderkamer voor elven, kwam pas terug na tien uur en nam diezelfde noodtrap, die mijn klopjes op de reling begon te kennen. Een andere toegang was er niet.   Op een tussenverdieping was een toilet gemaakt en om toch minstens twee urinoirs te kunnen hangen was de toegang naar de zolderkamer toe getimmerd. In den beginne was er op mijn zolderkamer geen wc. Eén keer heb ik het toilet van het restaurant gebruikt. Ik deed wat ik moest doen en keek waar de afvoerbuizen een gat zochten in de muur.   ‘s Anderendaags heb ik zo’n porseleinen model gekocht en die via de noodtrap naar de zolderkamer gesleurd. Met wat PVC-buizen maakte ik een verbinding met de afvoerbuizen enkele meter lager. Een waterslang verbond het zitding met een kraantje onder de pompbak.   Tijdens het klussen keek niemand toe. Ignace niet, niemand. Alleen de gedachte aan mijn vader, die meesterprutser en kampioen in destructie, spookte door mijn hoofd. Ik was minder dier dan hem en hield mijn zolderkamer kraaknet, waarmee ik niet wil zeggen dat alle dieren een smerig nest of hol hebben. De verfpotjes en spuitbussen stonden netjes gerangschikt en de touwen die ik overhield rolde ik op haspels. Ik stapelde ze als een kegel met trapjes, even cliché als een Brugse gevel, maar dan cilindrisch.   Wat de shibari betreft, waren de mogelijkheden beperkt omdat ik alleen was. Ik liet niemand toe tot mijn zolderkamer en was ook niet van plan daar verandering in te brengen. Met één katrol in het midden boven het bed maakte ik het meest eenvoudige systeem. Door het wiel liep één koord, aan het ene uiteinde zat een grote lus en aan het ander eind een haak. Beide uiteindes hingen ongeveer een halve meter boven het bed.   Eerst snoerde ik mijn benen zo hard als mogelijk samen, met een dun koord. Dan boeide ik mezelf de handen op de rug. Het waren standaardboeien, maar ik had beide helften gescheiden. Aan beide helften bevestigde ik een ring. Ik stak mijn ingesnoerde benen in de grote lus die boven het bed hing, rechtte mijn bovenlichaam zo veel als ik kon achterwaarts en de ringen visten naar de haak boven het bed.   Op die manier kwam ik daar te hangen, mijn kruis nog net tegen het bed. Het moet er van de zijkant uitgezien hebben als een maan die men met touw volledig ingesnoerd had, maar een dief was met de bovenste helft van de koorden gaan lopen en had voor de grap aan de onthulde kant een mensenkop vastgetimmerd, en ook twee armen die schuin weg naar de hemel wezen.       pagina drie van 'Winterrust' (vierde en laatste deel van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Winterrust (2)

  Naar tante Hannelore ben ik dus niet meer teruggekeerd. Ik had mijn eigen poten. We spraken soms wel eens af, meestal in Bistro du Phare, een drank- en eetgelegenheid zonder vuurtoren. Dat was ook aan de rand van de stad en daar was altijd parkeerplaats voor haar Twingo.   “Ik moet haar eens laten smeren”, zei ze op zondag 8 juni 1997. Zij had een vrouwelijk karretje, waarom ook niet, en een repliek mijnentwege in de trant van “ík wil het wel doen”, zou te onnozel geweest zijn.   Nooit zal ik een spraakwaterval zijn en ook die dag zei ik niet veel. Toen ze vroeg hoe het ging met de schelpenverkoop, antwoordde ik : “Goed genoeg om van te leven”, in de zomer toch, “dan zijn er meer toeristen”, en naïevelingen die mijn kleine tafeltje bij het sashuis aan het Minnewater voorbijliepen en drie stappen achteruit zetten omdat ze plots dat rare gevoel kregen toch iets te moeten kopen.   De zon had op ons gelaat geschenen, hetgeen deugd gedaan had en ze vroeg aan de kelner om af te rekenen. Ze betaalde en gaf me een zoen op het voorhoofd. Ik glimlachte als een kikker die geen vlieg wil lossen, aarzelde even. Ze hield het hoofd stil. Misschien verwachtte ze een zoen terug en mijn kus raakte nog net haar mondhoek. Het was op de rand van haar zachte lippen en ik ging voort, mijn ronde doen, bij een restaurant of drie, leeggevreten escargots ophalen.   In het begin keken ze raar die afwassers in die restaurants, toen ik via een achterdeur binnengekomen was, voor hen stond en vroeg of ze die lege slakkenhuizen voor mij apart wilden houden. Ik beloofde ze één keer per week af te halen. Ik maakte ze wijs dat het voor een groot kunstproject was, dat ik er een koninklijk plafond mee ging beplakken.   “In België”, vroeg één van die gasten. Ik antwoordde : “Neen, in dit land moeten het groengouden mestkevers zijn, maar die heb je vast niet.” De afwasser lachte. Het was blijkbaar een man met humor want hij gaf me toch nog een antwoord : “Ik kan vanavond mijn drol op een bord leggen en kijken of er iets uit gekropen komt.”’   Vandaag had slechts in één van de drie restaurants iemand escargots besteld. Veel kon ik er niet meenemen naar mijn zolderkamertje, waar ik ze waste en met verschillende spuitbussen en verfborstels in magische kleuren hulde. De binnenkant spoot ik steevast eerst zwart.   Twaalf escargots kreeg ik afgewerkt. In die restaurants lagen er altijd precies zo veel op zo’n hightech bord met twaalf kuiltjes voor twaalf van die doodgestoofde diertjes en zo ging het ook : in veelvouden van twaalf waste ik en beschilderde ik ze.   Meikevers kon ik meer dan genoeg vinden in het Minnewaterpark. Ze leven niet langer dan twee weken en natuurlijke vijanden hebben ze daar nog nauwelijks. Als je rondkeek in de stad, zag je het. Vervallen zoldertjes met kaduke raampjes bemerkte je nog elden. De daakjes waren opgeknapt en de vleermuizen verdreven.   De droge meikevers gaf ik altijd een laagje blinkende vernis. Ik mengde er blingblingkleurtjes door en met een klein borstel bracht ik het mengsel aan op het pantser van de beestjes. Glans verkoopt beter dan mattigheid! Al kochten de toeristen liever de grote escargots. Het is zoals mannen, als ze kunnen kiezen tussen een grote en een kleine strontbak, dan kiezen ze de grote.   Beschilderde slakkenhuizen had ik in nachtblauw met zilveren sterretjes, ook koperrode met gouden stippen en nog veel meer kleurcombinaties. Alle kregen ze een gaatje en een simpel koordje. Ik stak ze in open houten kistjes met verschillende vakjes, stapelde de kistjes en bond ze bijeen met een koord. Touwen genoeg chez moi. Die stapel kistjes waren altijd voor mijn linkerhand en onder mijn rechterarm droeg ik het klaptafeltje. In mijn oren stak ik altijd oordoppen, voor de stilte, en op mijn hoofd die ene muts, niet om herkend te worden, maar omdat ik die gemakkelijk tot over mijn oren kon trekken.   Ik deed van den domme. Als ik daar stond achter mijn tafeltje was ik doofstom. Ik deed alleen tekens met mijn handen en vingers, om geïnteresseerden op bepaalde details te wijzen of om een duim op te steken als ze iets hadden gekocht. Ik zweeg, de ganse dag.   Behalve als er een iemand op me afkwam, waarvan ik het vermoeden had dat het een controleur was. Ik was immers geen leurder, had geen bedelvergunning of welke toelating dan ook en als zo iemand dan een verdachte vraag stelde in de aard van “Wat doet U hier?” dan antwoordde ik, op een manier die men van een gestoorde stotteraar zou verwachten : “I-ik r-ruil al-leen m-maar, tee-eegen b-b-bloemen, l-l-lief-s-t va-an pa-a-pier.”       bladzijde twee van 'Winterrust' (vierde en laatste deel van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Winterrust (1)

  Dr. Geppetto was het die mij aansprak, ginds in zijn bureau, in die kliniek voor mensen zoals ik. Helaas, het was een man van hout, met weinig fantasie. “Krijg ik een nieuwe kop?”, zo vroeg ik hem. Hij lachte, gaf mij pillen en ik lachte ook : “Zijn dit de anti-Ignace-pillen?” en hij knikte.   Goed, en lang ben ik daar niet gebleven. Je weet misschien zelfs wat ik dacht : Als ik loop, dan binden ze me vast en als ik vraag om koorden, of ze willen helpen bij het binden, "God almighty neen, hier kan dat niet."   Wat moet een mens dan doen in een stad vol werelderfgoed en verweerde stenen? Ik zocht een kamer heel bescheiden, vond er één. Boven een toeristenrestaurant, waar mensen één keer komen, omdat ze denken dat er boven geesten wonen en de huurders lang geleden al gevlucht zijn voor de stank van aangebrande tijden.   Welk restaurant het was waar ik toen woonde? Neen, ik zeg het niet en bovendien,  alleen ik had de sleutel. Het slot had ik, nog toen ik klein was, al gewisseld.   Ooit heb ik het gekrabbeld, op die muur achter mijn bed, daar op die zolderkamer :      “Neen, waar ik woon, daar wil je niet eens komen, want het stinkt er naar een mensenkeuken, hoor ze, wieken van de vette geuren, het geluid van veel te veel ventilatoren, het plafond is dun, doorheen het dunne hout van pijnbomen kan ik zien, hoe ze pintelieren, discuteren over dieren, mensen, apen in een kooi, een koets op smalle wielen dendert over de kasseien, kinderen ze gooien, stukken brood en toekomst naar de zwanen, kromgenekte wijzers op een toren, chot, ze draaien zelden achteruit en morgen komt geen mens mij post bezorgen, geen reclamefolders liggen op mijn zolderkamer want ik wil en zal niet bladeren door cijfers en getallen onder dozen, pakjes, flessen, blikken van de mensen kunnen mij alleen vertellen of het koud is, warm is binnenin, daar slaapt het grootste deel, woekert hier en daar miserie en misschien, vliegt er een vlinder uit hun mond, duwden middenrif en hart genoeg omhoog en waren koorden rond de ribben eindelijk genoeg, zo hard gebonden dat een pop het leven liet, een vlinder wegen vond, omhoog, durf ik te kijken want de wolken willen weten hoe het zit, of ik nog leef ginds bij die beesten, want de meeste dingen, geesten die hier rond dit meer rondwaren, daar wordt aan geknaagd en zonder het te vragen of het goed is, gaat zij steeds weer op de zon, al is het elke dag een mager straaltje dat mijn oog bereikt, ik weet het wel, in welk verlegen kleed, zij op mij wacht, daar aan de overkant.”       bladzijde één van 'Winterrust' (vierde en laatste deel van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Hannelore en de hellehond (slot van deel 3)

  Hij zat daar in zijn boomhut. Misschien was hij op zoek naar beschutting, fierheid, trost en spitsvondigheid. Ignace kon beter tekenen dan ik, Ricky Minnaert met de onzekere handen. Hondjes zat hij daar te schetsen en te specifiëren, stukjes, slierten DNA, met stiften, pijltjes hier en daar, opmerkingen over dit en dat, het functioneren van de stoelgang, testjes moesten ook gebeuren om te kijken of het werkte en berekeningen met volumes, verhuurprijzen, een ontwerp of tien, de beste botten, poten, een contractje met de schepper, god, wat was hij weer van plan?   Zoals gewoonlijk was het hij die mij zocht en hij stond daar, met in zijn hand dé tekening, de finale versie, van een fluogele hond, halve meter hoog, een schroefdop achteraan. “Wat is dat?” vroeg ik. “Verhuurhondjes”, sprak hij. “Verhuurhondjes?” zei ik hem na. “Ja, de toekomst is dat. Money, money. Proper en inruilbaar, te verhuren aan die oudjes in die rusthuizen, aan iedereen die wilt.” “En die dop?”, vroeg ik. “Cleane beesten, een propere versie. Ze moeten zich niet bukken, stront ruiken, niets oprapen, geen vuilbak zoeken.” “Voor de hond?” lachte ik. “Voor de stront!” zei hij en met enige ergernis in de stem ging hij verder : “’s Avonds worden ze teruggebracht, naar het verhuurbureau en in een achterkamertje geledigd. ‘s Morgen weer verhuurd.” “Gij zijt zot!” zei ik tegen hem en hij liep weg.   Ik weet niet of hij mij de spot die in mijn laatste woorden geklonken had, betaald wilde zetten, maar in de namiddag was hij daar weer. Cezaar liep in het gras, temidden herfst en sprietjes. Ignace pakte de hond vast en ik voelde het, dat er iets op til was. Iets dat niet pluis was ging gebeuren en ik voelde of het mes nog in mijn zak zat. Gelukkig!   Ignace ging zitten, op zijn knieën, in oostelijke richting, draaide Cezaar met zijn kop in dezelfde richting. Hij deed zijn broek open, haalde er zijn snikkel uit en begon Cezaar zowaar in de aars te neuken.   “Gij zot!” riep ik, klikte het mes open en plantte het in de rug van Ignace, maar trof enkel een hond.   Hannelore die mijn kreet gehoord had, kwam aangesneld. Ze droeg een veel te kort tennisrokje, met zo’n clip, je weet wel, waar speelsters fluogele ballen in vastklikken, waarom? Ze haalde het mes uit de hond en riep : “In Godsnaam, Ricky, waarom?” “Het was Ignace”, zei ik en ze keek rond zich.     Diezelfde avond nog heeft ze me met haar Twingo naar Brugge gebracht, naar het Psychiatrisch Ziekenhuis Onze-Lieve-Vrouw, aan de Koning Albert I-laan.   Ze gaf me een kus op het voorhoofd toen ze wegging en zei : “Hopelijk tot gauw”.       zevende en laatste pagina van 'Hannelore en de hellehond' (deel 3 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Hannelore en de hellehond (6)

  Vrouwen met de naam Hannelore krijgen nooit genoeg van thee. Die avond zette ze alweer een kannetje en nam alvast een kalmteverwekkend zakje uit het doosje met opschrift ‘Passiebloem en Valeriaan, 20x 2g’   “Je werd er blijkbaar rustig van, van dat tochtje langs de Stinker en de Blinker”, zei ze. Daarmee bedoelde ze allicht een glimmende eikel en onwelriekend mannenzaad, en niet dat koppeltje kanalen dat temidden populieren een streep trekt van de Siphon tot in Strobrugge.   Ze vond het wel beter dat ieder zichzelf behielp. “We vinden elk wel een hoekje”, zei ze terwijl ze hete lucht wegblies. De thee was nog te warm. “Bind me liever vast”, zei ik, “als ik ergens iets beter van wordt, dan is het dat.” “Na mijn thee”, zei ze.   Op de zolderkamer bond ze me vast. “Zo hard je kan”, zei ik. Een koord schuurde over mijn lege ballen en mijn plasser, rond mijn middel en zo verder naar boven, rond borstkast, door de mond en uiteindelijk rond de nek. Met een twee touw bond ze mijn benen vast en dunner koord bond mijn voeten strak bijeen. “Tot straks”, zei ze en ging witloof stoven.   Hespenrolletjes met binnenin witloof rustten in een witte saus. De puree was zacht, wel en fijn gekruid. Cezaar lag in zijn mand en kon nog niets vermoeden. We speelden poker, de kaarten waren rood en zwart, de schelpen geld.   Ignace zat in zijn boomhut, draaide met de vingers, bootste na een koekoek, uil, een pauw en een kalkoen. Zelf gaf ik een kus aan Hannelore, dankte voor het eten, legde me te bed en sloot de ogen.     "Het wordt een zwarte L-vlinder, mijn schat, vergis je niet. Ik zei het tegen haar. Ze vloog de nacht in, landde nog een keertje op mijn schouder, keek me aan met ogen van een zacht katoen. De L, op elke vleugel één, is minuscuul en zwart, de milde vleugelvlakken bijna wit. Ik zie slechts aderen van tederheid. Er zijn geen wolken meer die dreigen. Vlagen willen in zich zure regen niet meer dragen. Vraag mij niets, waarom de tijd verglijden, onmacht aan je vleugels kleven moet. Een vlinder lijdt slechts even na de val."         bladzijde zes van 'Hannelore en de hellehond' (deel 3 van mijn e-boekje'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Hannelore en de hellehond (5)

  Cezaar vrat, het was vier uur en tante Hannelore stelde voor de delhaizethee te proberen. Ik zei dat ik daar maar weinig van geloofde. Rustgevende thee? “Drink dan een glas water”, zei ze. Ze boog zich voorover, haar koppeltje wiebelde en ze vulde een glas onder de kraan. “Ze zijn eruitgewassen”, stelde ze me gerust, “de vlekken uit je pyamabroek”. Wou ze met mij een gesprek aanknopen over propere beken en andere lozingen?   Hannelore kende weinig taboes en zei dat ze zelf ook zelfbehulpzaam was. “Het is wel veranderd sinds jij hier woont”, ging ze verder, “vroeger moest ik niet nadenken over waar en wanneer.” Ze bloosde licht en haar warme ijs smolt nu allicht iets sneller. Wat moest ik daarop zeggen? Dat ik het met de tijd normaal was gaan vinden dat iemand stond toe te kijken, als ik mezelf behielp? Neen, ik had beslist om het meer haar niet hebben over Ignace Somers.     Maandag 26 september was wel een nazomerdag. In een tuin is er altijd wel een hoekje dat wilt bloeien, dat het niet opgeeft, al wordt de bodem zuur en zijn de winters te nat. De herfstasters en het Chinese lampenpoetsersgras lieten zien waarom ze leefden en duldden die dag geen contrast met nonchalant onkruid. Mij zond ze naar boer Huppeldepup om witloof en zelf kroop ze haar tuintje in om te wieden. Ik was niet lang weg want boer Huppeldepup is een witloofboer en die doen niets anders dan in donkere koten wroeten en rondrijden met edel wit. Ik kwam hem tegen en kocht een kilo van zijn gewassen.   Ik keerde terug naar Preekboomstraat en warm herfstwindje blies me rond de oren. Hannelore was gaan kruipen en aan het wieden geslaan tussen het paars van de asters en de sierlijke grassen. Het was datzelfde septemberbriesje dat het kleedje omhoog wierp waardoor het voor een deel op haar rug kwam te liggen. Ignace sloop dichterbij, ging op zijn knieën achter Hannelore zitten. Hij opende de rits van zijn broek en wreef met zijn beste hand over haar rechterborst. Hannelore reageerde niet. Ze schrok noch glimlachte en Ignace haalde zijn stijve snikkel uit zijn broek en naderde haar muis, maar een onkruidhand verscheen tussen haar billen en leidde zijn fluit naar haar strontgaatje waarin hij verdween. Ignace bewoog heftig, Hannelore amper. Hadden ze mij dan niet gezien? En ik riep : “Tante Hannelore, hier ben ik, met de witloof.”   Het beeld stopte, tante Hannelore stond recht en veegde zich de handen af aan het kleedje. “Oei, dat was ook niet handig”, zei ze en keek me aan. “Je lijkt van slag, Ricky” Ik zei dat ik het gezien had, hoe de wind haar kleedje omhoog blies, “en alles daarna!” “Wat zag je?” vroeg ze en liet het kleine harkje vallen. “Wel… ik zag je kont, je tuin en hoe die…”   Ze legde haar rechter wijsvinger op mijn lippen en deed me zwijgen. “Wat je zag is echt, dat ben ik, dat ben ik helemaal”, en ze knoopte het witte kleedje los. Het viel op enkele sprietjes handjesgras. “Nu zie je alles,” fluisterde ze, “zo biezonder is dat niet, een vrouw in de dertig, maar wel met een nog rimpelloze buik, die nog geen kinderen baarde”, en ze legde mijn hand op haar buik. Daarna trok ze mijn short naar beneden. Ze begon mijn plasser te verwennen en ik kwam klaar op haar billen.       pagina vijf van ‘Hannelore en de hellehond’ (deel 3 van mijn e-boekje ‘Ricky Minnaerts Somertijd’)

Bernd Vanderbilt
0 0

Hannelore en de hellehond (4)

  1995 was geen schrikkeljaar. Er zijn weinig jaren waaraan een wonderlijke dag toegevoegd wordt en ook geen jaren waarin lijden overgeslagen wordt.   In de derde week van september timmerde ik een kot voor Cezaar. Een najaarsbui controleerde of het dak wel waterdicht was en tante Hannelore zag dat het goed was. Door de band genomen ken ik geen afkeer voor dieren. Integendeel, hoe kleiner ze zijn, hoe meer ik ze bewonder en hoe groter mijn troost is als er kleurrijke exemplaren verschijnen in mijn verbeelding. De twee diersoorten die ik daartegen niet onbevangen kan bewonderen zijn die van de mensaap en de hond. Bij mensen zijn er grote verschillen tussen de individuen. Honden kunnen ook totaal verschillende karakters hebben, zal een hondenliefhebber nu opmerken. Let it be. Feit is dat zowel de mens als de hond soorten zijn met een gevaarlijk meutegedrag. Daarom is een hond die geen soortgenoten om zich heen heeft, doorgaans rustiger. Helaas zijn het vrij dwaze dieren en beschouwen ze vaak de mens als een soortgenoot, hetgeen, van een andere kant bekeken, dan ook weer begrijpelijk is, als ik denk aan mijn moeder. Niet dat mijn moeder ook maar één uiterlijke kenmerk had van een hond. Het zijn die vijf woorden die ze te vaak zei, die haar tekenden en die mij altijd zullen bijblijven. Ze sprak die woorden vaak tegen de keukenvloer. Het was een vloer met rode Boomse tegels en ze waren gevoegd met donkergrijze specie. Haar stoel had ze iets achteruit geschoven, op haar schoot had een wasmand gestaan. Ze had kousen twee per twee netjes in elkaar gevouwen. De mand had ze op de grond gezet, haar ellebogen rustten op haar knieën, haar radeloze hoofd op handpalmen en ze zei : “Waarom heb ik een hondeleven?”   De zak voer die Hannelore meegekregen had van Ivan, was al gauw leeg. Het was zondag 24 september en we trokken naar de Delhaize in Heist, open tot 12h00, en de kans was groot dat ze daar de juiste brokken hadden. Dichterbij was er helaas geen winkel waar ze het favoriete merk van Cezaar verkochten en “het beest moet toch eten”, zei tante Hannelore. Met haar Twingo zijn we naar Heist gereden, via de expresweg. De brug van Hoeke, over de Damsche Vaart kwam al op ons af toen een busje ons met slingervaart voorbijstak. Aan het stuur zat Ignace die blijkbaar helemaal van Lapscheure naar Brugge gestapt was om daar een belbusje te ratten. Een dagje uit aan zee? Terwijl het niet eens nazomerde, of was hij weer iets naar plan? Eenmaal ons voorbij, kwam hij voor ons rijden als een slang met nieuwe wielen en stak de linkerarm door het raam. Eerst wuifde hij gewoon, daarna werd zijn hand een revolver en schoot hij twee keer in de lucht. “Wat voor een onnozelaar is me dat?” zei Hannelore.   Ik zweeg, telde verlichtingspalen en je gelooft het niet hoeveel soorten voorgevormde hondenlekkernijen er bestaan! Een gans rek vol in die Delhaize, meer soorten hondenbrokken dan soorten rijst. “Het is me wat”, zei tantelief, “in Afrika zit er één soort rijst op een vrachtwagen van Unicef. En met wat geluk nog wat medicijnen. Hier staan twintig meter, vijftig soorten hondevoer.”   We zetten twee zakken van Cezaars merk in het karretje, Hannelore koos nog een thee uit waarvan men dan rustig zou moeten worden, ik legde er nog een netje bloedappelsienen bij en we rekenden af aan de kassa, bij een vrouw die een kapsel had als de poedel van Johnny Rotten.       vierde pagina van 'Hannelore en de Hellehond' (deel 3 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Hannelore en de hellehond (3)

  Op 13 september 1995, in de ochtend, belde Ivan met Hannelore. Ik vertik het om hem nog ‘nonkel Ivan’ te noemen en het gesprek ging over Cezaar. Ignace hield zijn linkeroor haast tegen het rechteroor van Hannelore. Enkel wat plastiek, een kleine luidspreker en draden zaten tussen hun hoofden in. Na het telefoontje zette Hannelore met diezelfde pot van op de vorige pagina thee. Ignace bracht me nog voor de thee getrokken had, volledig op de hoogte van de inhoud van het gesprek :   “Die hond van Micheline”, had Ivan gezegd, “kan jij daar wat mee? Enzo en Falco zitten nu beiden in de kleuterklas en er komt overdag geen oppas meer.” “Cezaar, bedoel je?”, had Hannelore gevraagd. “Ja, die Cezaar”, klonk het aan de andere kant. Hannelore had daarna gezwegen en Ivan was nog luider beginnen spreken : “Ben je daar nog? Is het goed?” Weer had Hannelore niet direct geantwoord, en pas na enkele seconden had ze gezegd : “Ik denk het wel.” “Oké, dan zie ik je vanavond, na zes uur. We hebben hier nog de ganse reutemeteut, een slaapmand, een deken, brokken, een leiband, kam en zelfs een zwemvest.” “Een zwemvest?” had Hannelore gezegd. “Ja, fluo-oranje”, was zijn antwoord. “Kan hij niet zwemmen?”, vroeg Hannelore. “Toch wel, maar Micheline nam hem soms mee naar Oostende. Ze zei dat hij nooit uit dat dok zou geraken mocht hij erin vallen en de kade is bij laag water wel zes meter hoog. Dat zou van akelig hoog duiken zijn en als ze het via één van die roestige ladders zou proberen, dan zou een tijdje duren om tot bij dat beest te geraken. Zo’n zwemvest zou zijn leven redden.” had Ivan gezegd en het gesprek afgesloten met : “Oké, tot vanavond dan.”   Ik dacht dat Ignace de helft van het gesprek verzonnen had. Ik kon mij niet voorstellen dat uit Ivans klep zulke volzinnen gekomen waren.   Dat ze, zij het niet met grote overtuiging, ingestemd had, klopte wel en Hannelore vroeg : “Ga je mee naar Middelkerke? Cezaar komt hier wonen.” Ik meegaan naar Middelkerke? “Liever niet”, antwoordde ik. “Dan zie je Enzo en Falco nog een keertje”, zei Hannelore. “Neen, echt niet”, zei ik, “ik ben niet zo in mijn haak vandaag.” “Dan niet."   Had ze gezegd dat een hond hier komt ‘wonen’? Normale dieren leven ergens, ze ‘wonen’ niet in een bos, een hol, of waar dan ook. “Ja,” zei Ignace, “als er één dier is dat ergens ‘woont’, dan is het dat beest in de kop van een man!”   Ik proefde van de thee. "Niet te straf?" vroeg Hannelore. "Een beetje wel", was mijn antwoord.       bladzijde drie van ‘Hannelore en de hellehond’ (deel 3 van mijn e-boekje  ‘Ricky Minnaerts Somertijd’)

Bernd Vanderbilt
0 0

Hannelore en de hellehond (2)

  ‘Het kon mij niet schelen’ zou niet correct zijn, toch niet wat de duur van het vastbinden betrof. Het mocht zolang ik kon en meestal was het niet eens ik die besliste dat het genoeg was geweest. Tante Hannelore kwam me losmaken als zij vond dat ik iets moest eten en drinken. “Ik ben niet van plan je te voederen aan die paal”, zei ze.   Toen ik losgeknoopt was, keerde ik voor een deel terug naar deze wereld, toch de wereld in en rondom het huis van Hannelore. Aan de paal was ik weg. Ik sloot de ogen en een geestelijk voorstellingsvermogen vulde de donkere ruimte, al kon het ook best aangenaam zijn om alle dimensies tot een niets te reduceren en in een leegte te verblijven, hetgeen me niet lang lukte. Al snel verscheen er een poot van een kever, ontwierp mijn fantasie de meest bizarre vlinders en bevond ik me in een tuin die geen Eva kent.   “Drink je glas water leeg. Eet een boterham,” tante Hannelore zorgde voor me als een echte moeder en ze begreep toch enigszins hoe ik me beter, of beter ‘minder slecht’ kon voelen. Ik hielp haar ook. Voor mij was lang op de knieën zitten en onkruid wieden geen hels karwei. Ik hoefde geen matje onder de knieën en was voorzichtig met de kevers en de regenwormen.   Ignace stond vaak te kijken aan de rand van den hof en maakte vaak zijn favoriete gebaar, die gekrulde duim en wijsvinger met die opgeheven, middel-, ringvinger en pink. “Ja, alles oké, everything alright, you fool”, prevelde ik en tante Hannelore begon een liedje te neuriën, van Jesus Christ Superstar. Ze glimlachte, kende zelfs de tekst van het liedje en toen ze, na nog wat ‘lalala’ stopte, zei ze dat ik zo gek nog niet was.   Ik kon de rust en relativeringskracht die in haar leefden best wel op prijs stellen. Micheline kon de liefste geiser zijn. Tante Hannelore was uit het warmste ijs gesneden. Na het wieden gingen we thee drinken. Ik had voordien haast nooit thee gedronken, maar Hannelore maakte er een aangenaam ritueel van. Ze verfriste zich eerst de oksels, waste zich daarna de handen, schudde de druppels soms in mijn richting, trok zich het kleedje recht, wreef zich over de borsten, die beduidend groter waren dan die van Micheline, en zette een kan op het vuur.   Eenmaal het water kookte -het was een kan zonder fluit- nam ze de kan van het vuur en wachtte een minuut. "Zeventig graden is ideaal." Er zat een thermometer in haar linker wijsvinger. Daarna deed ze de thee erbij en we wachtten. Spraakzaam ben ik nooit geweest, dus ik keek maar wat, naar Hannelore, hoe ze de haren die dag gevlochten had en als ik te lang naar haar kopje keek, zei ze : “Ik vlecht enkel de haren.”   Dat klopte niet helemaal. Ze vlocht ook mijn koorden. De ondeugende vraag of haar onderste haartjes daarvoor te kort waren, kwam wel in me op, maar ik zweeg. Ik had mijn fantasie en tante Hannelore een warme theepot. Ze hief het deksels op, keek even, knikte en schonk twee kopjes in.       pagina twee van 'Hannelore en de hellehond' (deel 3 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd)

Bernd Vanderbilt
0 0

Hannelore en de hellehond (1)

  Sorry Enzo en Falco, dat ik niet naar de begrafenis van jullie moeder gekomen ben, dat ik niet meer met jullie naar het gestrand getrokken ben om schelpjes met een getande rand te zoeken. Papieren bloemen zoekt en verdient men beter zelf.   In Middelkerke of Oostende ben ik sindsdien nooit meer geweest. Ik kon het niet en thuis was ik ook minder en minder, enkel nog om te slapen. Als ik er kwam, gaf ik mijn moeder een zoen op de wang en kroop mijn nest in. Als ze nog snel vroeg waar ik gezeten had, dan zei ik : “In de zon.”     Op een avond -hij stonk weer naar de grootste smeerlapperij- heb ik mijn vader stevig bij de keel gegrepen. Ignace stond te juichen, maakt een beweging met een arm, hij zwaaide ermee en bewoog dan de pols, alsof ik mijn vader met een bijl de kop in moest slaan. Ik heb zijn strot niet lang genoeg dichtgeknepen, anders was mijn moeder eindelijk bevrijd. Gevolg was wel dat ik mocht afterten. Hij smeet mijn pick-up en stapel platen door de venster*.   Waar moest ik naar toe? En moeder heeft toen tante Hannelore gebeld. Die is afgekomen met haar Twingo. Ik heb mijn platen opgeraapt en het gebroken deksel van de pick-up smeet ik tegen de façade. Gelukkig was de mechaniek zelf niet kapot. Ik stak alles in de koffer van de Twingo en we zijn vertrokken naar Lapscheure. Ze had een zolderkamer voor me en “als je maar de muziek niet al te luid zet”, mocht ik van haar draaien wat ik wilde.   Lang heb ik het niet kunnen verbergen, mijn voorliefde voor shibari. Ik was minder mezelf als ik niet af en toe stevig vastgebonden werd en toen ze me op een dag vroeg wat er scheelde, heb ik het haar gevraagd : “Bind me af en toe eens stevig vast.” Ze keek er even van op, eerder omdat ze zo’n antwoord niet verwacht had, dan omdat ze het wat al te gek vond en nadat we het nodige materiaal gekocht hadden, deed ze het ook. ‘s Anderendaags stond er een paal in de zolderkamer en als ze vroeg of ze bepaalde koorden nog harder moest trekken, dan deed ze dat ook zoals het hoorde, hard genoeg. Ze had meer kracht in de armen dan tante Micheline.   Aanvankelijk had ik steeds mijn onderbroek aangehouden, maar ze was niet van den dwaze en vroeg na enkele dagen of “die laatste vod” niet af moest. Ik knikte en stond daarna steeds naakt aan de paal gebonden. Ik dacht vaak aan Micheline en een erectie kreeg ik niet. Hannelore bond mijn fluit vast alsof het een onnozel aanhangsel was en daar valt wat voor te zeggen.   Mijn ouders zag ik niet meer. Mijn moeder geraakte niet tot in Lapscheure en zelf vertikte ik het om me nog in Huize Trammelant te vertonen. Wie ik wel meer zag, was dus tante Hannelore. Elk dag zag ik haar, maar ook Ignace. Die liet mij niet gerust. Hij moet mij gevolgd zijn en had in de buurt een boomhut gebouwd, de zot.       *West-Vlaams : venster (de, v; meervoud: vensters) _________ pagina één van 'Hannelore en de hellehond' (deel 3 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
6 0

Hemelvluchten Dereyghere (slot van deel 2)

Of ik mij schuldig moest voelen? Feit is dat niets goed afliep en dat het thuis, in Huize Trammelant, ook niet beterde. Die vader van me had ze echt niet meer goed op een rijtje en mijn moeder vond de kracht niet om hem te verlaten. Ik wel. Ik was thuis niet veel meer te zien, ofwel hing ik rond in een park met woekerende planten, zat ik in de Music Mania te snuisteren tussen het psychedelische vinyl of stond boeken te verleggen in een winkeltje op de Markt.   Bartjes Belbus bestond toen nog niet. Hij stond daar nog niet te wachten, naast Jan en Pietje, zijn banden vol met paardenstront en dat is maar best ook, want ik moet hem niet. In zijn busje stinkt het naar ondiep moeras en een mengelmoes van narigheid : zelfgedraaide Vlaemsche eenheidsworst, stremsel voor burgerkaas en rottende vooroordelen. Doe nooit uit nieuwsgierigheid één van de tupperware potjes open die hij bij zich heeft en ben je een verdwaalde toerist die per ongeluk opstapte, spring er dan uit bij het eerste café (met wc).   Over springen gesproken, met Micheline is het niet goed afgelopen en dat heeft niets te maken met die shibari. Ze vonden haar -dat is niet moeilijk in een drukke badstad- op 13 september 1994, precies vijftig jaar na de executie van Noor Inayat Khan. Ze lag op haar buik, in de Jules van Den Heuvelenstraat, bovenop een witte mercedes, een 300S. Ze had een bloedrood kleedje aan en was gevallen, niet als een meisjesicarus, ook niet als een Herman Brood, want ik geloof niet dat ze zelf sprong. Een zon verlaat niet zomaar haar stelsel!   Feit is dat ze dood was. Hoor je me? Helemaal dood! Enzo en Falco stonden daar, als kleine sterren aan het firmament, ze keken naar beneden en Ivan nam nog een slok van zijn geuze, zei tegen de politie dat ze gestruikeld was, over die bak met lavendel.   Een autopsie volgde niet. Dus, ik weet het niet, of ik vader in spe was. Ik wist wel dat er een zon gestorven was, een ijstijd aangebroken.       elfde en laatste pagina van  'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 2 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd)

Bernd Vanderbilt
0 0

Hemelvluchten Dereyghere (10)

  Bij tante Micheline had ik een minder gekwelde ik gevonden en we begrepen elkander. We hebben nooit geslachtsgemeenschap gehad in de enge zin van het woord. Haar poesje heb ik nooit rond mijn plasser gevoeld. Dat was van geen belang.   Op een maandag in augustus zaten we weer bij Marie-Claire. We hadden geen friet besteld en zeker geen zure uitjes, wel twee blikjes bier en daarna nog twee. Ik werd wat loslippig en vroeg Micheline rechtuit of Falco dan van Johnny was.   “Ben je zot?”, antwoordde ze. “Is hij dan van Neptunus?”, vroeg ik dwaas weg. “Eerder van een Cerberus”, en ze zweeg even. “Ik hou ontzettend veel van Enzo van Falco. Ik zal gans mijn leven voor ze zorgen als de zon voor de aarde, al heb ik er altijd van gedroomd een kind te krijgen van een man die echt van me houdt.”   Ik zweeg en toen onze blikjes leeg waren vertrokken we naar het winkeltje, naar het achterkantje, het bescheiden rijk van de onmacht. Zoals gewoonlijk bond Micheline me stevig vast aan de paal. Ze was daarbij ook inoxkabel gaan gebruiken die ik beter voelde. Mijn plasser bond ze die dag niet in. Ze kleedde zich uit, ging op de stoel zitten en speelde wat met haar kutje, wat niet haar gewoonte was.   Daarna kwam ze dichterbij en begon mijn fluit te verwennen. Toen ik klaarkwam ving ze het zaad op in een potje. Daarna ging ze op de grond zitten, op een handdoek met vlindermotief. Met een plastiek spuit, zoog ze het zaad uit het potje, trok de benen op en spreidde ze. De spuit stak ze in haar schede, zo diep ze kon en ze duwde de spuit leeg. Mijn zaad baande zich een weg, naar oorden waar het nooit eerder was geweest.   Ik voelde de onmacht sterker dan ooit tevoren. Micheline bleef een kwartiertje liggen en kwam toen dichterbij. Ze gaf me een kus op het voorhoofd en maakte me los. Ik ging op het aloude stoeltje zitten, liet mijn ellebogen steunen op de knieën, mijn hoofd in klamme handpalmen.   Micheline wreef me door de haren en sprak : “Als de zon voor de aarde”       bladzijde tien van 'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 2 van 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Hemelvluchten Dereyghere (9)

  Ik heb tante Micheline op tijd los gemaakt en elke maandag bonden we elkander degelijk vast, volgende regels van de kunst. Op een zekere maandag vond ze dat die onderbroek belachelijk stond en snokte hem naar beneden. ‘De stoel’ bleek ook niet helemaal mijn ding te zijn. Ik kon niet helemaal vastgebonden worden, mijn bovenbenen bleven te beweeglijk.   Bij de Werkhuizen Decloedt lieten we een paal op maat maken, met dezelfde lengte als de hoogte van de achterkamer. Aan elke uiteinde lasten ze bij Decloedt een vierkante plaat met vier gaten. Acht bouten verbonden de paal, vier de onderzijde met de vloer en vier de bovenkant met het plafond. Tante Micheline bond me steviger vast dan tevoren, rond mijn plasser reeg ze een dun koord, zodat ik in geen geval een erectie kon krijgen.   Op rustige dagen, zoals de meeste, sloot ze geregeld de winkeldeur, kleedde zich uit, ging voor me zitten en vroeg of het nog strakker moest. Meestal knikte ik. Ze kleedde zich, doorgaans na ongeveer een kwartier, weer aan en ging, ongeacht het weer, bij Georgette een ijsje kopen. Daarna keerde ze terug, knoopte me los, kleedde zichzelf weer uit, en toen was het mijn beurt om haar stevig in te snoeren. Zij hing het liefst en het vlindermes zat al die tijd in de rechter voorzak van mijn jeansbroek.     Het werd al gauw weer lente. Het was een pollenvolle dag en de deur van het winkeltje was niet op slot. Ik had al snel door dat er iets niet pluis was. In het achterkamertje heerste niet de stilte van gesmoorde onmacht. Er klonk het geluid van een beer die een zoete vlinder ging verslinden. Ik haalde het mes uit mijn rechter broekzak. Ik herkende hem. Het was de man met de oprit en zijn handelingen bevielen mij allesbehalve. Micheline probeerde hem van zich af te duwen, ik haalde het vlindermes boven, klikte het open en plantte het in zijn rug. Het duurde niet lang voor de beer bezweek en op de grond neerviel als een vlezig en bebloed ongedierte.   Micheline trok zich recht, sloot de winkeldeur en we hebben gewacht tot de duisternis viel. De opritman staken we in een grote vuilniszak, zo’n model voor wereldafval en toen de maan niet keek, hebben we hem naar buiten gesleurd, aan boord getrokken van de Oostende 82, de Antoine. We verborgen het lijk in de reddingssloep. Met een ketting en een cijferslot hebben we de sloep verzegeld.   De O.82 verging enkele dagen later voor de Kust van Calais. Er waren geen overlevenden.       pagina negen van 'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 2 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd)

Bernd Vanderbilt
0 0

Hemelvluchten Dereyghere (8)

  Nog een goed kwartier heeft ze op die stoel gezeten. Ik gaf haar een glas water en zweeg. Ze kleedde zich weer aan, nam haar sacoche en zei : “Kom, we gaan iets eten. Die inventaris doe ik zelf wel, op een andere keer.”   We zaten binnen. Voor de frituur van Marie-Claire was een afdakje gemaakt dat rondom toegetimmerd was met witte planken. Stukken plexi zorgden voor wat daglicht. Op het kleine tafeltje stond één middelgrote pak en een potje zure uitjes. Als saus had ik andalouse gekozen, Micheline wilde geen saus. Zij ging slechts wat frietjes van mij stelen, zei ze.   “Het is niet wat je denkt”, sprak ze en uit haar sacoche haalde ze een boekje : ‘Kinbaku, the Art of Rope Bondage, by Nawashi Murakawa.’ Ik nam het boekje en begon te bladeren. Een paar pagina’s verder vroeg ik : “En wie is Johnny?” “Johnny helpt mij bij de shibari.” zei ze. “Een Johnny die helpt?” en ik trok de wenkbrauwen op. “Johnny is die kerel van vrijdag, die magere, die wit koord kocht. Hij heeft suikerziekte. Toen ik deze morgen daar vijf minuten hing, zei hij : ‘Te weinig suiker. Ik ga een blikje cola kopen bij Georgette.’” “Georgette is gesloten op maandag”, zei ik. Micheline zweeg. Ik at een paar frieten, dopte ze in de andalousesaus en proefde van de uitjes.   “Ik kan het best zo uitleggen”, ging ze daarna verder, “als onmacht je kwelt, is het beter er een deugd van te maken.” “Onmacht”, zei ik. “Ja, Ricky, jij moet dat maar al te goed begrijpen” en ik dacht aan mijn vader en moeder. “Misschien is het ook iets voor jou?” voegde ze er nog aan toe. “Wat? Onmacht?” “Shibari.” Ik schudde het hoofd en keek haar daarna in de ogen.   Ze nam een paar slokken van mijn blikje fanta en vroeg : “Kom jij me maandag helpen bij de shibari? Met die Johnny loopt het ooit nog een keertje slecht af, als hij plots van zijn stokje draait.”   Op maandag zes januari was ik weer in het winkeltje aan de Baelskaai. Het licht bleef gedoofd en Micheline nam me bij de hand. Met de andere hand opende ze de deur van het achterkamertje en zette een stoel in het midden.   “Zit neer, mijn jongen. Je loog in dat frietkot, met je ogen. Ik zag wat je wilde.” Ze trok mijn shirt, jeansbroek en kousen uit. “Hou je onderbroek aan als je wilt”. Ik knikte. Daarna begon ze me vast te binden. Een koord van vlas ging eerste rond mijn hoofd, in mijn mond, maakte enkele omwentelingen rond mijn bovenlijf en de stoel. “Een keer of vijf”, zei ze, “niet meer. Dan kan ik het nog aanspannen.” Datzelfde herhaalde ze nog drie keer. Eén keer rond mijn buik en de leuning van de stoel en dan, met een fijner koord, bond ze mijn linker onderbeen vast aan de linker voorpoot van de stoel, mijn rechter snoerde ze op dezelfde manier. “Je fluit laat ik nog gespaard”, zei ze zonder echt te glimlachen, draaide zich om en ging naar het winkeltje.   Daarna kwam ze nog drie keer het achterkamertje binnen, om het half uur en vroeg telkens : “Nog strakker?” Ik knikte telkens. Ze zette een knie tegen de leuning en spande de koorden harder aan, waarbij de oude stoel aan zijn verbindingen twijfelde. Bij de derde keer trok ze een zwarte katoenen zak over mijn hoofd met slechts één kleine opening, voor mond en neus. Ze bleef toen, naar ik schat, een volledig uur weg.   Om twaalf uur ging de winkeldeur op slot. Ze maakte mij los en kleedde zich volledig uit. Hoe ik haar moest vastbinden en ophangen beschreef ze heel precies, stap voor stap. Helemaal op het einde gehoorzaamde ik niet. Ik trok mijn jeansbroek uit, daarna mijn onderbroek.   De onderbroek, die zette ik als muts op haar hoofd. Haar mond tapete ik dicht met grijze plakband, kroop weer in de jeansbroek, ging gehurkt voor haar zitten, keek haar nog eens diep in de ogen en zei : “Ik ga een blikje cola kopen bij Georgette.”       pagina acht van 'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 2 van 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Hemelvluchten Dereyghere (7)

  Op maandag 30 december kocht ik niet nog een zak chips met pickles bij Georgette, ook niet met een andere smaak. Ik was op tijd bij de winkel, die op maandag normaal gesloten was. “Dan zal niemand ons storen”, had ze vrijdag nog tegen me gezegd toen ik het winkeltje verliet. Ik keek door de glasdeur maar zag geen licht en geen Micheline, voelde aan de klink en ging binnen. “Micheline!” riep ik met een stem die ik anders veel zuiniger en stiller gebruik, maar er kwam geen antwoord.   Achterin het winkeltje was nog een deur, waarop een affiche hing, iets van een optreden. Er stond een jonge vrouw op afgebeeld die de veena bespeelde. ‘6 januari, vanaf 20h00, in zaal De Caproen, 6 EUR in vvk, 8 EUR aan de kassa’. De deur met vrouw en veena stond op een kier. Met mijn rechterhand nam ik het vlindermes vast dat in mijn rechter broekzak stak en met mijn linkerhand opende ik de deur.   Ik aanschouwde Micheline in een positie die ik niet verwacht had. Ze zat strak vastgebonden in koorden en haar mond was dichtgesnoerd. Een strook witte stof stak tussen haar lippen en was op haar achterhoofd dichtgeknoopt. Haar handen waren op haar rug gebonden. Ze zag eruit als één lange vlecht. Rood koord van vijftien millimeter begon rond haar nek, maakte vele omwentelingen rond haar lichaam en eindigde in een paar knopen bij haar enkels. Ze hing daar. Vier touwen hielden haar in de lucht, één zat rond haar nek, één rond haar samengebonden handen, de andere twee rond de knieën en de enkels.   Snel maakte ik de knoop op haar achterhoofd los en trok de witte stof uit haar mond. “Laat me alsjeblieft zakken,” zei ze. Waar moest ik de koorden het eerst losmaken? Ze mocht niet met een smak neerkomen. Je kon met je kindertalent de ruimte breder maken en de hoogte reduceren zodat ze vanzelf veilig landde, hoor ik je denken. Ik had andere zorgen en na vijf seconden nadenken, na enkele voorzichtige handelingen, lag Micheline op de vloer in het achterkamertje. Het was een hele karwei om de vlecht volledig los te knopen. Na een kwartier kroop ze recht, ging op een stoel zitten, zette de ellebogen op haar knieën, en liet haar hoofd rusten op haar handpalmen.   Ze was volledig naakt. “Waar bleef Johnny, toch?” was het enige wat ze zei, toen ze daar zat. Ze zag er uitgeput en weerloos uit.       bladzijde zeven van 'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 2 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Hemelvluchten Dereyghere (6)

  Nog welgeteld vier keer ben ik die zomer naar Middelkerke getrokken. Nog twee keer zag ik Eva op haar wolkenkrabber die mij niet meer wenkte en als ik op het terras ging zitten terwijl ze zonnebaadde, beperkte ik me tot de vraag of ik haar rug niet moest insmeren met crème solaire.   Dat mocht, ook op het strand, waar ze een gelukkige bikini droeg. Ze vroeg er zelfs naar : “Wrijf je mijn rug en schouders nog eens in?” en ging met stillere stem verder : ”maar zorg dat je hier geen stijve plasser krijgt.”   Het werd herfst, te fris op het strand en Micheline kwam eens per week naar Brugge, vaker dan ik naar Middelkerke ging. Ik kwam er zelden nog. Ze had een oppas gevonden die naast de deur woonde, een meisje van zestien, uit Georgië.   Het was midden december, koud, “koud genoeg om glühwein te maken”, zei mama en zette een pot op het vuur, goot er goedkope rode wijn in, kieperde er enkele stukken sinaasappelen bij, kneep in een citroen en voegde drie kruidnagels en een snuifje kaneel toe.   “Dat wordt lekker”, zei Micheline, die in de Noordzandstraat beige botjes was komen kopen en ze vroeg me of ik geen vakantiejob zocht, “in de kerstvakantie, de inventaris, in het winkeltje waar ik werk.” Ik zei dat het goed was en op vrijdag 27 december verwachtte ze me, in het winkeltje aan de Baelskaai, om negen uur.   Op het afgeproken uur was ik daar, zelfs iets te vroeg en wachtte voor de vitrine. In matte letters stond op het raam ‘Dereyghere’ en daaronder, in iets kleinere letters, ‘Zeebenodigdheden’. In de sobere etalage hing een duikerspak, een stuk visnet en op de vensterbank was zand gestrooid, lagen enkele grote schelpen, van Sint-Jacobs, denk ik. Twee waren felblauw geschilderd, drie paars.   “Je bent er al.” Micheline was naast me komen staan. “Heb ík geverfd,” zei ze, nam een sleutel uit haar sacoche. De sleutel hing aan een dobbertje en met haar knie duwde ze tegen het deurframe. “Anders lukt het niet.” Ze trok een gezicht als een gewichtheffer die een papieren bootje ging heffen, maar dan veel eleganter. Een glimlach deed uiteindelijk de deur open en ze leidde me de winkel binnen.   Touwen in alle kleuren, kettingen, vernikkeld en verzinkt, een rek met strakke surfpakken, bakjes met schootklemmen, sluitingen en ander roestvrijstalen spul, rollen kabels voor het want van yachten, et cetera.   Ze stak de tl-verlichting aan, zei dat we konden starten. ”Begin jij met de touwen,” en ze gaf me een blad met daarop alle diameters en kleuren. “Moet ik dan alles afrollen en meten?” vroeg ik. “Welnee, zotje, de omtrek van die grote haspels is tachtig centimeter en van de kleine vijfenveertig. Je schat het aantal omwentelingen dat er nog op zit en je vermenigvuldigt. Hier is een rekenmachientje.” Ik begon.   Rond half elf kwam er een eerste klant. Een man met een oprit, die een kunststof ketting zocht. “Met van die witte en rode schakels”, legde hij uit, “in plastiek, je weet wel.” “Sorry,” zei Micheline vriendelijk, “ik had je graag geholpen maar die hebben we niet. Misschien kan je het met een touwtje doen. We hebben er ook in fluogroen. Goed zichtbaar”, maar de man bedankte en ging weer weg.   Na de middag kwam nog een tweede man, in een naar mijn gedacht veel te strakke broek en die kocht zonder veel te aarzelen een ganse rol witte polyesterkoord van vijftien millimeter. Ik verminderde de hoeveelheid in de inventaris met honderd meter.   Dat was de enige klant die die dag iets kocht en tegen vijven hielden we er mee op, met de inventaris. Over de middag had ik wel de boterhammetjes gegeten die Micheline thuis met schouderham belegd had, maar ik kreeg al weer honger en nam afscheid.   “Kom je maandag terug,” vroeg ze, “die bakjes met het kleine gerief moeten nog geteld worden. Dat klaar je wel op een namiddag. Kom tegen één uur.” Ik zei dat het goed was, kreeg nog een kus op het voorhoofd, verliet het winkeltje en langs die kaai daar, met stapels grijze bakken, hopen netten en meeuwenkak stapte ik in de richting van de Spuikom.   Bij Georgette (de naam van het winkeltje vlak bij het tramkotje) kocht ik een zak chips met pickles.       pagina zes van 'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 2 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Hemelvluchten Dereyghere (5)

  De dag verliep zoals geen ander. Micheline ging boodschappen doen en ik keek eerst alleen verder, na een tijdje, toen ze weer wakker waren, samen met Enzo en Falco, naar de colargolfilmpjes : The Rescue, Escape to Nordine…   Micheline kwam terug, stak kiwi’s, twee passievruchten, citroenen en een mij onbekende groente in de frigo, rijst in een kast. Het stokbrood was te lang en bleef op het aanrecht liggen.   “Flinke jongens verdienen een ijsje,” zei ze en de deur ging open. Nonkel Ivan kwam thuis, haalde eerst een frisse Safir uit de koelkast, gaf een zoen op de wang van Micheline die haar ogen sloot en hij kwam naast me zitten in de zetel.   “Kom,” zei hij, “ik heb iets voor je.” Zijn scheve hoofdknik en een handgebaar deden me hem volgen en we stopten bij een kast. Je kent zo’n kast wel, altijd een familiestuk dat niet helemaal in het interieur past maar toch niet weg te denken is en waar meerdere generaties dingen in gestopt hebben die dan enige betekenis moesten hebben. Hij opende de onderste lade en haalde er een mes uit. Dit is het vlindermes dat ik later altijd bij mij zou dragen en dat mij op bange dagen altijd geholpen heeft.   “Dit is mijn jeugdmes. Neem het mee naar huis. Ik wil het niet meer. Ik wil het niet in dit huis. Falco haalt er later misschien iets mee uit of Enzo, die krijgt er misschien bewondering voor en kiest dan een vak als het mijne.” Ik accepteerde het mes, stak het in mijn sportzak, bij de pyjama, jeansbroek, onderbroeken en t-shirts.   We hebben die avond nog samen gegeten, buiten op het dakterras, gestoofde lamsschouder in citroensaus. “Zelf uitgesneden,” zei Ivan. “Zelf klaargemaakt,” zei tante Micheline, die met het topje van haar tong een druppeltje saus van haar lip wegstreelde.   Een kusttram en een trein brachten me terug naar Brugge. Ik had in Middelkerke de jeansbroek aangetrokken en het mes in mijn zak gestoken. Met vóór mij een ondergaande zon stapte ik van het station naar Huize Trammelant. De schaduw die mij achtervolgde, was langer dan mezelf. Het mes bleef de ganse weg even lang.   Het was enkele weken later, mama hield ook van martini, zoete bianco en ze vroeg : “Zijn ze lief met je, Enzo en Falco.” Ik knikte. “Twee verschillende karakters, de ene is als Beertje Colargol en de andere als Theodore Roosevelt", antwoordde ik maar moeder lachte niet.   “En tante Micheline,” zo ging ze verder, ”houdt ze het daar vol in Middelkerke?” “Met nonkel Ivan, bedoel je? En waar is papa eigenlijk?”, vroeg ik haar. “Blijf gaan, Ricky.” zei mama. “Ze is zot van je en kan je glimlach gebruiken. Ooit zal je het toch van iemand horen, dat Falco niet van Ivan is en dat Ivan je tante tijdens die zwangerschap van de trappen duwde. Ze brak een schouder, maar Falco… nog een geluk… aan hem scheelde niets toen hij geboren werd.”   Ik ging naar de badkamer, nam een douche, poetste mijn tanden, trok geen pyjama aan. Het bleef warm die nacht en ik voelde, of het mes nog onder mijn kussen lag.       bladzijde zes van 'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 2 van 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Hemelvluchten Dereyghere (4)

  Tante Micheline hield niet van lijntjes op haar rug en toen heeft het niet lang meer geduurd.   "Enzo en Falco worden moe." zei ze. "Ik geef ze thuis wat pap en dan kunnen ze weer slapen.”   Terwijl die snaakjes aten, keek ik naar Beertje Colargol. Ik had de betamaxrecorder een eind teruggespoeld en een aflevering startte : The Bear Visits the King of The Birds and Learns to Sing. Micheline keek met één oog -het andere kon ik niet zien- in mijn richting en knipoogte.   Een beer met een tasje met daarin alles, gereedschap voor herstellingen, voer- en vliegtuigen die hem tot over de hoogste bergen brachten, een heil voor elk kwaad! Enzo en Falco kregen hun fopspeen terug en sliepen al snel, als vleermuisjes zonder vrees in een onbezoedeld hol.   Ik kon niet blijven kijken naar die onstuitbare beer, want ik moest plassen en achter het grote vensterraam zag ik haar liggen als Eva op haar wolkenkrabber, zonder enige jeuk of schaamte. De ogen hield ze helemaal dicht, zo dacht ik. Moest ik direct verder stappen in de richting van het toilet? Ik kon het nog ophouden, toch?   Na een minuut of twee ging ik dan toch het toilet binnen en ging zitten, want het was niet zo eenvoudig om neerwaarts te plassen in deze toestand. Daarna zou ik uiterst langzaam terug stappen naar de zetel en verder kijken, naar Beertje Colargol, maar het raam was niet blind geweest en tante Micheline wenkte me, om dichter te komen, buiten op het dakterras.   Ik kon de erectie niet verbergen. Het zomerbroekje was van een lichte stof. “Ik hou niet van witte lijntjes en driehoekjes." zei ze. “Kom nog wat dichter.” Ze trok mijn korte broek naar beneden en begon zonder omwegen mijn stijve plasser te verwennen, zo lang als het nodig was en na een tijdje, toen ze het schokken voelde beginnen, richtte ze mijn harde pielemuis schuin naar beneden. Vaalwit sap schoot tussen haar borsten.   Ze liet me los, ik ging zitten op het bijzettafeltje naast de ligzetel. Ze richtte zich op en wreef mijn zaad over haar borsten, ze legde de handdoek beter, ging op de buik liggen en keek weg naar de andere kant, in de richting van een bak met lavendel.   Over haar rug liepen rode streepjes. Ze begonnen links boven haar magische kont en eindigden op het rechter schouderblad. Ze had daarvoor niet danig scheef gelegen op die neergeklapte ligstoel met houten latjes en ik vroeg : “Wat doet de beer met een zoete vlinder in de nacht?”   “Ze slapen beiden als het kan, mijn jongen”       bladzijde vier van 'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 1 van 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Hemelvluchten Dereyghere (3)

Tante Micheline werkte in geen viswinkeltje. Het was dus niet noodzakelijk dat zij ‘s avonds, na haar werk, haar ganse lijf en borsten waste met citroenwater. Ook de video ‘Vole petit poisson’ werd in haar appartement niet opgezet als stilhoudertje voor Enzo en Falco. Enzo en Falco waren nog als welpen die lange uren sliepen in een middagbedje zonder pampagras. Micheline werkte niet op zaterdag, zondag en maandag, Ivan, haar man, werkte in het Openbare Slachthuis van Diksmuide, alle werkdagen, en stapte na zijn werk op een bus, lijn 53 naar Oostende en daar, naast het treinstation, nam hij de kusttram naar Middelkerke. Zijn favoriete uitbeenmes bleef meestal op zijn werk liggen, in een locker die hij afsloot met een cijfercode. Ik weet het van Ignace.   En het werd zomer, ook in dat jaar. Ik zou in de herfst van datzelfde jaar zestien worden en ik mocht nog eens gaan babysitten bij tante Micheline. “Neem zondag de trein naar Oostende,” zei moeder, “veel kleren moet je niet mee doen want het wordt warm. Daar aan de kust is het gelukkig altijd te doen als er een zeewind staat.”   In die tijd nam ik nog probleemloos een trein, bus of tram. Al was ik allesbehalve contactvaardig en zeer verlegen, ik kocht kaartjes bij chauffeurs of aan loketten met spreekgaatjes zonder daarbij te stotteren. ‘Tweede klas Oostende’, ‘één ticketje tot in Middelkerke’, alles zonder struikelen, als een pientere antilope en zo kwam ik altijd wel waar ik moest zijn.   Ook die zondagavond. Nonkel Ivan zat een geuze van Boon te drinken in de zetel, terwijl Enzo en Falco tv keken. Beertje Collargol op Betamax. Tante Micheline waste boven de pompbak voorzichtig vier borden, daarna evenveel messen en vorken. Twee lepels spoelde ze waarmee ze aardappelen en groenten had geschept. Ze sloeg haar armen rond me, wat niet helemaal lukte, gaf me een kus op het voorhoofd en zei : “Wat ben jij groot en sterk geworden.”   Ik sliep die ochtend lang. Niemand had geblèrd en nonkel Ivan was al weg toen ik opstond, vertrokken naar zijn beestenboel in Diksmuide. Het appartement had geen uitzicht op zee, wel een dakterras en Micheline zat buiten aan een tafel te ontbijten, in een witte bikini. In haar bord lagen wat kruimels, allicht van een croissant want ze vroeg of ik er ook één wilde. Ik knikte en ze schoof het broodmandje met daarin nog drie croissants in mijn richting, begon met een molenmesje een sinaasappel te schillen.   Zoals het hoort in een tweederangs film spoot er wat schilsap uit de vrucht en de druppels kwamen neer in een glooiing onder haar hals. “Verdikke!” zei ze en trok een ondeugend gezicht dat tegelijk boosheid fakete alsof ze kwaad werd op de druppeltjes die haar mammeloesjes bijna hadden bespat. Met een servetje wreef ze het sap weg. Enzo en Falco kwamen het terras opgestapt met hun korte pootjes en een fopspeen in de mond. Ze werden op een stoel gezet. De fopspenen moesten eruit en ze kregen elk een croissant waarop ze mochten sabbelen.   “Straks gaan we naar het strand”, zei Micheline en zo gebeurde. Het was rond elven en ik zag ze al, de moeders met hun spruiten, die er renden, groeven en begroeven. Die mama’s in hun bikini’s, de meeste onbedrukt, ze smeerden vel en kinderen in, ze staken borsten beter op hun plaats, ze trokken hier en daar wat aan een koordje, ik mijn zwembroek recht. Ik keek rond, naar kinderen met mesjes, schelpen met een kartelrand, een handje vol. Daarmee kon men toen nog iets kopen. Bloemen van papier en warme zomertijd.       bladzijde drie van 'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 2 van 'RIcky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Hemelvluchten Dereyghere (2)

  Ook al woonde ze een eind van Brugge, toch ging ik op vakantie in Middelkerke, soms enkele dagen lang, liefst in de zomer. Tante Micheline ontving me steeds met open armen. Ik was vijftien, oud genoeg om op Enzo en Falco te passen, enkele uren per dag, terwijl zij aan de slag was in een winkeltje, aan de Hendrik Baelskaai in Oostende. Een kusttram bracht haar daar heen, dezelfde tram die ik nam om tot bij het appartement te geraken in de Heuvelstraat, maar dan in de andere richting. ‘Jules van Den’ liet ze altijd weg, als ze me zag, bij ons thuis, dan vroeg ze : “Wanneer kom je nog eens langs in de Heuvelstraat?” Mijn moeder stemde daar altijd vlug mee in. “De zeelucht zal hem deugd doen,” zei ze tegen Micheline, waarna ze samen een glas van moeders medicijn dronken.     Wij waren met ons gezin (zoals dat genoemd wordt) enkele jaren voordien naar een oord aan de rand van Brugge verhuisd. Mijn vader had er rare hobby’s ontwikkeld, waar mijn moeder niet gelukkiger van geworden was. Over depressies en huwelijkstrammelant werd toen weinig openlijk gesproken. Ook met haar zussen sprak mijn moeder er haast niet over, toch voor zover mijn oren zich dat herinneren.   Drank betert niet. 'Hannelore Bedert wel' zou men heden ten dage als flauwe repliek kunnen verzinnen. Neen, er werd weinig of niet gelachen en al kwam ook tante Hannelore wel eens langs met haar funny vlechten, met haar Twingo helemaal vanuit Lapscheure, ook zij kon geen tij keren, noch de tranenvloed stillen. Het liedje ‘Janker’ bestond nog niet en het deuntje kon dus ook niet worden afgezet.   Ik, Ricky Minnaert, met die zieke achternaam van mijn vader (die dan nog als voornaam Miel gekregen had) ik werd er zelf ook niet vrolijk van, van die ganse toestand. Er woonde echt geen enkele mens sana in ons huis, enkel in getrainde lichamen, in de kop van spelers van Club Brugge.       pagina twee van 'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 2 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Hemelvluchten Dereyghere (1)

  Natascha was nog niet eens geboren en Ignace Somers zat vastgevroren, ergens in Groenland, in een vat met zuur, twee knikkers, eeuwig ijs en permafrost.   Toen had ik twee tantes, tante Micheline en tante Hannelore. Het waren voor die tijd beiden moderne vrouwen. Het leek alsof ze de hippiejaren intens beleefd hadden, al is dat moeilijk te geloven als ik je zeg dat in 1968 nog kinderschoenen droegen. Micheline was twee jaar ouder dan Hannelore en had met de jaren geen onaardige borsten gekregen. Ze stonden iets wijder dan die van Hannelore en haar tepels wezen meer naar de hemel. Mocht ik het ooit in mijn hoofd halen een naakt vrouwenlichaam te schetsen, dan zou ik toch net iets sneller het beeld van een naakte tante Micheline oproepen dan van een blote tante Hannelore, al hebben ze beiden door de gebeurtenissen in mijn leven sterke herinneringen, ik mag zelfs zeggen ‘sporen’ nagelaten. Helaas ben ik geen goed tekenaar en als ik me in een bui van tegelijk creativiteit, woede en melancholie toch aan een houtskooltekening zou wagen, dan zou ik me allicht beperken tot enkele details.   Tante Hannelore had wel een iets malsere kont dan die van tante Micheline en ze stond ook op stevigere benen. Tante Hannelore had lange haren, droeg vaak losse kleedjes en twee vlechten die elke over één sleutelbeen hingen en zo verder naar onderen een zachte borst zochten voor hun einde. Micheline had haar tot aan de schouders, met de kleur van mahonie en schminkte graag de bovenste oogleden fel hemels blauw, terwijl tante Hannelore op dat vlak veel bescheidener was.   Mocht je er zelf een beter beeld op willen plakken, dan kan ik je zeggen dat tante Micheline eerder een ‘Hanna Viek’ was en tante Hannelore een ‘Uschi Digard’. Het is niet omdat ik de lichamen van mijn tantes zo in detail probeer te beschrijven dat je moet denken dat ik dat zoveel belangrijker acht dan hun innerlijke kenmerken.   Of vind je dat ik ook het lichaam van mijn moeder moet beschrijven, hoe zij er in die tijd uitzag? Zij was de oudste, negen jaar ouder dan Micheline. Er zaten zo veel kraamloze jaren tussen omdat mijn grootvader voor een baggerbedrijf werkte en één jaar na de geboorte van mijn moeder naar Qatar vertrok. Hij bleef daar zes jaar en mijn moeder zag hem in haar kleuterjaren enkel met kerstmis, een week of drie in de zomervakantie en op begrafenissen. Mijn grootmoeder had geweigerd om mee te verhuizen naar Qatar. Ze was tegen hoofddoeken, zeker in de zomer en wilde niet weten van een dergelijke vrijwillige gijzeling omwille van de centen. Mijn eigenste moeder, wier naam er hier niet toe doet, werd een eerder gewone vrouw, toch op het eerste zicht. Haar borsten waren in vergelijking met haar jongere zussen het kleinst en haar tepels hingen het laagst, hetgeen niet bepaald is door mijn doen en laten als zuigeling, want ze kreeg al snel een ontsteking en ik de fles.   Mijn moeder vond later helaas maar weinig levensgeluk en tante Micheline woonde in Middelkerke, in de Jules van Den Heuvelstraat. Tante Hannelore leefde alleen, op een klein erf in de Preekboomstraat te Lapscheure. Tante Micheline was wel getrouwd, met nonkel Ivan en ze hadden twee zoontjes, Enzo en Falco. Cezaar was hun hond, één met korte poten, lange oren, vlekken en een staart.       eerste pagina van 'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 2 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Natascha en de pingpongspruiten (slot van deel 1)

Na die honderd taljoren vond ik wel dat Evangelina mij een uitleg verschuldigd was. “Senior Services? Zevenhonderd spruiten op borden van Senioritas. Ergens in een bunker bij Vloethem?” speelde ik haar toe.   “Het is de keuken van de blok hiernaast, mijn jongen.” legde ze uit. “Zeg maar Ricky”, zei ik. “Een rusthuis, vol bomma’s en bompa’s,” ging ze verder, “Senioritas verruurt* de kamers. De huurprijs is niet mis en met den overschot van hun pensioen betalen ze dan Senior Services, voor de verzorging en ‘t eten. Senior Services is een vzw en wij mogen met vrijwilligers werken.”   “Kom je morgen weer?” vroeg Evangelina. “Als ik alles alleen moet scheppen, moet de band veel trager en beginnen ze aan den andere kant van ‘t gat te ruttelen.”   Ik beloofde de volgende dag terug te komen : “Dan kom ik morgen met Barts Belbusje en moet ik niet met die rare 272 vol beulen en kontneukers.”   Evangelina lachte en zei : “En stap dan één halte verder af, aan de hoofdingang van Senioritas. Dan moet je niet door het slijk en vergeet niet om straks bij Nana te passeren. Een papiertje tekenen. Voor de verzekering.”   “Nana?”, vroeg ik   “Ja! Natascha. Van de personeelsafdeling. ‘t Is een beetje een zotte, maar voor de rest is er niets mis mee.”   Evangelina gaf me een schouderklopje. Ignace zag ik nergens meer.           * West-Vlaams : verruren/verruurde/verruurd ______ twaalfde en laatste pagina van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Natascha en de pingpongspruiten (11)

  De modderweg liet ons niet wegzakken als Franse paarden in een Vlaams moeras. De worstengeur werd sterker, het pad allicht groener. Nat was het gras. Dat werd je zo gewaar en na twintig stappen op loszittende tegels deed ze me stoppen. Natascha klopte op een deur. “Tel nu tot éénentwintig,” zei ze, "en neem dan je blinddoek af. Ik zet intussen binnen één en ander klaar.” Ik dacht aan worst bij kaarslicht en speelde het spel mee, telde netjes tot zelfs negenentwintig. Voor mij stond ze dan, Natascha.   “Ik ben Evangelina, welkom!” Evangelina zag er niet zo uit als ik me ‘Natascha’ voorgesteld had. Dat ze over haar echte naam gelogen had, nam ik er bij. Zelf gebruik ik nooit zo’n nickname want mijn echte naam vind ik niet slecht klinken.   “Toen ik op die paddenstoel zat, sprak je precies als een neushoorn!” zei ik. Ze lachte rondborstig, noemde me een grapjas en nam me bij de arm want er was veel werk te verrichten. Evangelina bracht me naar een ruimte waar het dampte van de kokende patatten en blancherende groenten. Wel honderd worsten spartelden in grote braadpannen. Ventilatoren zogen de aroma's de hemel in. Aan de muren hing er geen onzekere koningskop. Ik zag ook geen foto’s van leeuwenwelpen of gespierde knapen, nergens een kalender met de dagen van eenzaamheid en verwarring.   Er was slechts één klein raam. Nieuwsgierig nam ik een kijkje door het venstertje en keek uit over een veld met spruitkool. Tussen de blauwgroene planten zag ik hier en daar kleine bosjes zwarte krullen. “Wat is dat zwart?” vroeg ik en ze lachte. “Dat zijn negers, mijn jongen.” “Negers?” vroeg ik. “Ja, vorige week staken ze op een ander veld nog azalea’s in potjes voor ene Franky en nu zitten ze hier op hun knieën spruiten te trekken, voor ene Theo, een louche gast uit ‘t Brabantse.”   Ze knoopte haar keukenkiel dicht. Op het borstzakje stond een logo, maar ik kon enkel twee S’en herkennen. “Er staat SS op je schort”, lachte ik en ze zei dat ik een brilletje nodig had. “Lees ook de kleine lettertjes. Er staat Senior Services vzw”   Ik zweeg. Op mijn hoofd zette ze een wit petje van een stof dunner dan een versleten zakdoek. “Voor de hygiëne”, zei ze. Tien lege borden wachtten op een transportband en aan het begin van die band stonden nog eens drie stapels taljoren, die zich alvast opwarmden in roestvrijstalen toestellen. “Als ik op de groene knop druk, dan beginnen we.” zei Evangelina. “Ik doe de worst en de patatten en jij schept met je rechterhand op elk bord zeven spruiten. Met je linker hand doe je wat saus op de worst.”   In de muur was een gat. De transportband startte. In het begin wilde het niet altijd lukken. Soms kwamen er zes, soms acht spruiten op een bord terecht. Na een tijdje wist ik hoe ik best schepte en hoe ik een precies aantal spruiten van de grote lepel afgeschud kreeg om er zeven over te houden.   Ik weet niet of hij mij al die tijd had staan aanstaren, maar toen ik na een kwartier naar het raampje keek, zag ik de smoel van Ignace. Twintig jaar geleden heb ik hem voor het eerst gezien bij mijn tante Hannelore, achterin het veld met cosmos en herfstasters. Op een dag is hij zelfs stiekem mijn kamer ingeslopen en heeft hij op mijn to do-lijstje, gans bovenaan, geschreven : kill Ignace Somers Het is een klootzak, een beter woord vind ik er niet voor en vooral : hij is niet goed bij zijn hoofd!   Dat terzijde, maar hij stond daar toch maar weer en maakte een teken met zijn duim en zijn wijsvinger. Hij krulde beide vingers, vormde een rondje, een opening zo groot als een spruit. Dat alles onder controle was, zal hij schertsend bedoeld hebben.   En ik kreeg het ook snel onder de knie, kon het tempo van de band zonder problemen volgen. Evangelina keek goedkeurend en tegen twaalf uur waren er een honderdtal netjes gevulde borden met op rand het opschrift ‘Senioritas’ in de muuropening verdwenen.       pagina elf van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van mijn e-boekje 'RIcky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Natascha en de pingpongspruiten (10)

  Bij De Braambeier heb ik de ogen weer geopend en ben ik uitgestapt. De Kronestraat was niet lang en op het einde lag de Diksmuidse Heirweg, maar geen zebrapad voor blinden. Ik heb plaatsgenomen op het bankje bij de halte voor belbus nummer 76 die daar nooit meer zou voorbijrijden. Ik heb mezelf, zoals beloofd, een doek voor de ogen gebonden en zat daar als een koele, blinde kikker op een paddenstoel. Het zou niet lang meer duren, voor ze kwam, Natascha, om mij te kussen!   En na een tijdje wachten -het regende gelukkig al wat minder- voelde ik twee armen die zich rond mijn middel sloegen, een mond die mijn oor naderde, fluisterend vroeg waarom ik een mes bij met had en wat er in dat flesje zat. Haar stem klonk niet zoals ik verwacht had, veel nasaler, maar dat zegt weinig over iemands karakter.   “Ik draag altijd een mes bij me”, antwoordde ik, “toch als ik op een herfstdag naar een bos trek. Om kastanjes te schillen en het gif...” Ze onderbrak, gaf een kus op elke wang en vroeg mij : “Wat met dat gif?” Ik aarzelde en zei : "Ik dacht, misschien, gaan we samen, rododendrons verdelgen."  "Je liegt, gelijk een echte man, over je bedoelingen, straks ook over je dromen en de lengte van je penis", giechelde ze.    Ze nam het flesje uit mijn zak, liet het mes zitten. De blinddoek moest ik ophouden. Ik voelde haar hand in de mijne glijden. Ik moest eraf, het was geen paddenstoel voor zittenblijvers. Rond mijn as deed ze me draaien, wel een keer of drie. Daarna trok ze me voort, als een sleepbootje voor dronken schepen. Ik hoorde de modder, het stappen van mijn arendslaarzen en haar beige botjes. Het slijk was doenbaar en we stapten verder -ik nog altijd blind- over een landweg die mij niet deed struikelen. Geen enkele keer vroeg ik haar hoe ver het nog was. Misschien liepen we in een rondje, ik kon de herfst ruiken en vooral : het oerechte, natuurlijke parfum van Natascha.   Al had Franky slechter voorspelt, het was niet eens koud en het hield zelfs op met regenen, helemaal. Het werd stil. Ik hoorde enkel onze adem, laarzen lucht en modder zuigen. Er was geen ever die zich horen liet en toch, een geur dook op, onverwacht, onvoorzien, achter een bosje brem allicht, de reuk van zwijn, gebraden worst.         bladzijde tien van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Natascha en de pingpongspruiten (9)

  Ik hield een zwijgvinger voor de lippen, wilde dat hij me de uitleg bespaarde, hoe een hondje fluogeel kan zijn, waarom het achteraan geen staart heeft maar wel een schroefdop, over de geest van Noor-un-Nisa Inayat Khan die op een driearmige fietsersbrug boven de Albert I-laan stond.   Als het echt een schim van haar was, dan wachtte zij allicht op Barts Belbusje, ging zij op zijn voorruit spuwen, maar het regende alsof de hemel een badkuip was doorzeefd met menselijke geweld, onwezenlijk veel kogels en had de Chauffeur mij niet verteld dat Bartjes Belbus een andere route nam, via de Diksmuidse Heirweg. Had Noortje door dat Bart een omweg zou nemen? Was Bartjes geweten dan toch bang voor haar schaduw?   Allemaal gedachten die op dat moment gelukkig niet bij me opkwamen en de man met de pingpongogen had gezwegen toen hij mijn vinger, mijn dreigende wenkbrauwen te zien kreeg. Hij klikte wellicht met één oogwenk weg en keek nu op één netvlies naar wat horrorbeelden, op het andere naar een pornofilmpje. Er kwam kwijl uit zijn toot. Van oogwit was geen sprake meer. Het was zo rood geworden als de bloemen van Bengaalse bergamot.   Een busrit kan vermoeiend zijn. Ik sloot opnieuw de ogen, vouwde de handen. Niet om te bidden. Noem het een omhelzing van twee spinnen die elke drie poten verloren en ik verzon helderheid. Ik verlangde niet naar het licht van alle vrouwen. Stralen verschenen door een barst in een slakkenhuis en in de verte klonken de kronkels van een veena. Onder een schrandere zon dansten Natascha’s heupen, buik, armen, vingers en ogen. Ze droeg beige botjes, hield tussen rechterduim en wijsvinger een sleutel vast. Ze stond op het punt de cassettespeller af te zetten, met de elegantie van een pasgeboren wervelwind de deur te sluiten en te vertrekken in de richting van de Kroonhoek.       bladzijde negem van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
1 1

Natascha en de pingpongspruiten (8)

  De donkere figuur op de fietsersbrug leek geen gezicht te hebben en het gele hondje geen staart. Ze waren braaf op de brug blijven staan en aan de halte ‘Kinepolis’ was er niemand uitgestapt, geen kuisvrouw en geen specialist in dodelijk hoogspanning. De Kontneuker van Sint-Michiels zat vandaag niet op deze bus.   Eenmaal het ronde punt voorbij was de weg richting Loppem recht. Voor de Chauffeur lag het bochtenwerk achter de rug en ik dierf hem eindelijk vragen of lijn 72 ook aan de halte Kroonhoek stopte. “Dit is lijn 272”, antwoordde hij, “de 27 en de 72 zijn al enkele maanden samengevoegd. Vroeger was er een belbus die van het Het Zand, via de Diksmuidse Hierweg, halte Kroonhoek en zo verder naar kinderboerderij De Pierlapont reed, maar sinds de privatisering van de belbussen is dat traject geschrapt. Enkel Barts Belbusje volgt die route nog voor een deel. Het vertrekt op de Markt, bij de frituur, naast Breydel en de Coninck. Dan rijdt het via de Diksmuidse Heirweg naar de IJzertoren en van daar naar het geboortehuis van Joris Van Severen te Wakken. Daarna volgt een lange rit naar café De Kroon te Mortsel. De laatste halte is een wietveldje te Bokrijk. Onderweg kan je met geluidsoortjes naar liedjes in Vlaemsche dialecten luisteren, maar dat heeft weinig succes omdat de verschillen tussen onze taaltjes van Babelse aard zijn. Het merendeel van de passagiers bladert liever door de stapels decadente reisverhalen van Theodore Dalrymple, door Bartje himself geïllustreerd met gore tekeningen.”   Het klonk alsof hij de informatie die hij via zijn implantaat gekregen had, doorspekt had met enkele grappen. Ik had er weinig aan. Erger was dat ik misschien te laat zou komen op de plaats van afspraak. Ik vroeg de Chauffeur waar ik dan het best afstapte. “Bij de Braambeier, volg dan de Kronestraat. Steek op het einde de Diksmuidse Hierweg over. Er is daar een zebrapad voor blinden. De strepen hebben er bobbels zo groot als de eieren van een gander."   Ik zweeg en zette enkel stappen achteruit. Gelukkig zaten mijn arendslaarzen nog steeds zoals vroeger, als gegoten. Ik nam plaats naast de man met de pingpongogen. Ook hij bleek een google-implantaat te hebben, een oude versie met kinderziekten, vatbaar voor virussen. Zijn ogen en hersenen leden eronder. Ze hadden zich nooit kunnen aanpassen aan de projecties op het netvlies. Zijn blik bleef maar van links naar rechts schieten alsof hij de tekst niet kon volgen. Hij vroeg mij of ik ze ook had gezien. Ik trok ogen als een domme dodo en hij zei, nogal luid waardoor ik schrok : “Op de brug! Noor! Met dat gele beest.”       bladzijde 8 van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Natascha en de pingpongspruiten (7)

  Iets verderop, daar stond zij, nog steeds, de fabriekshal van Kinepolis, ooit wit nu grijs, een tanend walhalla van de film. Ik keek achterom, in de richting van de achterruit. De vrouw met de mond van marsepein had de aldizak naast zich gezet, als een dam tussen haar rechterbil en de monteur. De Beul van Zedelgem zat nog steeds gans achterin, op het middelste van die vijf zitjes waar schoolreiskinderen het liefst zitten, op hun knieën, achterstevoren, om naar de achtervolgende mensheid te wuiven. Zijn zak was wit gebleven, net als zijn brood in die acht sneetjes met daartussen vier lagen kop en mosterd.   “Hier worden nog maar weinig films vertoond,” zei de Buschauffeur van wie ik niet verwacht had dat hij me plots zou aanspreken. “In de namiddag brengen private belbusjes oudjes naar deze parking. Ze pikken ze op bij hun woonblokken en ze zette hier af, voor een grappige klassieker, Louis de Funez, The Naked Gun en van die dingen. Oude herinneringen blijven het best bij en dan lachen ze net iets meer. In een andere zaal speelt om twee uur ook ‘De Schat van de Zeerover’, een kinderfilm met droevig eind, maar ook met gratis drankjes of koekjes, naargelang de sponsor en ‘s avonds enkel nog ‘Pirates of Innocence’, een erotische parodie.”   Vrij veel gepraat voor een doorsnee buschauffeur. Misschien was zijn google-implantaat niet zorgvuldig afgesteld. Ik was naar zijn informatie beginnen luisteren en we naderden het ronde punt aan de expresweg. Daaronder denderden door een tunnel vrachtwagens met containers, allicht vol richting binnenland, leeg richting zee en boven het ronde punt hing een fietsersbrug met drie armen, die elkaar vasthielden in het midden. Op de arm richting Kinepolis stond een zwarte gestalte met een fluogeel hondje. Ik wees naar de donkere figuur met het reflecterende dier en wachtte op de woorden van de Buschauffeur.   “Ja, het is al gebeurd, meerdere keren zelfs, dat iemand hier van deze fietsersbrug sprong, maar de smalle brug hangt nog net boven het bloemenperkje naast het ronde punt en net niet boven de tunnel. Meestal komen ze er met wat rozenschrammen en een botbreuk van af. Blijkbaar is het nodig om je met volle kracht af te zetten en een duik vooruit te nemen om onder één van die vrachtwagens terecht te komen?”   Ik knikte en bespaarde hem mijn opmerking dat ik de hoogte kon reduceren en het ronde punt in de breedte kon uitrekken, zodat die sombere gestalte veilig van de brug kon springen. Het hondje zou volgen als een bizarre ballon aan een touwtje. Ik zweeg. De Chauffeur zou allicht geantwoord hebben dat de brug hem dan de weg zou versperren. Ik vroeg hem wel waarom die wanhopelingen niet gewoon vanop het ronde punt de tunnel insprongen.   Hij kon niet antwoorden. Zijn implantaat haperde even en hij sprak : “De balustrade is inderdaad niet echt hoog.”   De fietsersbrug was nu vlakbij en ik sloeg mijn blik nog snel even omhoog in de hoop een gezicht op de duistere gedaante te kunnen plakken. Regendruppels hinderden het zicht. Ruitenwissers wissen nooit alles en ik dacht aan Natascha, die zich thuis klaarmaakte. Voor haar was de bushalte Kroonhoek vlakbij. Zij woonde immers in het centrum van Zedelgem, boven een kruidenboetiek. Ik zag het zo voor me, hoe ze zich opfriste voor een spiegel, getooid in enkel een slipje begroeid met doornloze rozen en een beha met de maten en de letters van een barracuda (met uitzondering van de r en de u).   Natascha heeft -moet je weten want zo is het- een zuivere huid, vrij van grote moedervlekken en puisten. Er zijn geen doorboringen voor ringels of pinnen en ze heeft geen wratten. Nergens draagt ze een tattoo, niet van een koppige slang of de nummerplaat van een vrachtwagen, noch de beeltenis van een piratenschip en zeker geen naam van een overleden minnaar. Dat velletje van haar is nergens geschonden of op onnatuurlijke wijze uitgerokken door de aanwezigheid van botox of siliconen, noch in de breedte, noch in de diepte. Zij is geen hemellichaam met kunststofbergen op een ribbelige glooiing. In de verte gaapt geen mergelgrot! Neen, haar lijnen zijn zowel te midden pareltjes van ochtenddauw als bij een dronken avondschemer om te strelen en haar kontje mag dan wel iets dikker zijn dan normaal, voor mij is het helemaal goed zo. Wat is trouwens nog normaal de dag van vandaag?   De Chauffeur leek te knikken, alsof hij mijn gedachten had kunnen lezen. Verder stelde ik me geen vragen bij een fluogele hond.       pagina zeven van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Natascha en de pingpongspruiten (6)

  Voor alle zekerheid zette ik vier rechter en vier rechter stappen in de richting van de Buschauffeur. Ik kwam naast hem te staan, hij slurpte aan zijn koffiebekertje en ik sloot de ogen, echter niet als een vermoeide struisvogel die uit schrik zijn kop in een zwart gat probeert te steken. Voor de duisternis kende ik geen angst, in geen geval. Als kind was ik er al door gefascineerd, ook door begrippen als oneindigheid en het niets. Het werd zelfs een soort ritueel, een vorm van ontspanning, om na zonsondergang, als ik in bed lag, me te oefenen in de geestelijke voorstelling van deze begrippen.   Op stille avonden, wanneer de krekels zich eens niet als dolgedraaide scheidsrechters oefenden in het fluiten van een spelerloze voetbalwedstrijd en de kikkers sprakeloos de sterren telden, sloot ik mij de ogen. Ik stelde mij een vierkante opening voor, in een zwart vlak. Achter die opening scheen een fel wit licht. Door de opening uit te rekken tot een rechthoek, werd het licht minder fel en de diepte zichtbaar. Ik rok* de breedte nog verder uit tot er geen zijkanten van een rechthoek meer zichtbaar waren. Er ontstond een ruimte met een bepaalde hoogte, een onbegrensde breedte en een onzekere diepte.   Door de hoogte te verkleinen werd die ruimte samengedrukt, verspreidde het licht in de diepte, waarvan de onmetelijkheid zichtbaar werd. Na enkele seconden was de hoogte gereduceerd tot nog slechts een dunne spleet. Het licht vond haast geen uitweg meer, werd weer feller en op het laatste moment, net voor de spleet zich volledig sloot, was er die ene pîjnlijke flits van wit licht. Daarna niets meer, enkel nog een volmaakte duisternis.   Wat mij restte was eerst de boel nog negentig graden te draaien, mij een voorstelling te maken van vierkante gaten die uitgerokken* tot verticale in plaats van horizontale spleten, waarbij de hoogte oneindig werd en de breedte uiteindelijk nihil.   Daarna oefende ik mijn geest nog in de combinatie, twee dimensies, hoogte en breedte liet ik tegelijk variëren, en ik speelde met het in- en uitzoomen, had al gauw een soort geestelijk platform waarop ik objecten in een oneindige diepte kon doen verdwijnen en dat tegelijk ook diende als de tafel van een tweedimensionale microscoop waarbij ik kon inzoomen op de details van zelfverzonnen insecten.   Al bij al geen ideale geestesoefening voor iemand met agora- of claustrofobie, maar ik leed aan geen van bijna. Integendeel. Het werd voor mij een thuis zonder zorgen of verveling. De in mijn hoofd ontwikkelde microscoop mocht was dan wel slechts tweedimensioniaal zijn, toch belette mij dat niet om een complete kever te creëren. Ik schiep hem laagje voor laagje, koos de uitwendige vorm, die van de kop, de thorax, het achterlijf, een stelsel van organen, koos het aantal poten en vleugels, alles, soms in de zotste kleuren. Je kan stellen dat ik de 3D-printer decennia voor was geweest en daarbij niet beperkt was in kleuren, noch in precisie of de finesse van de vezels.   Niet dat ik de Buschauffeur nu ging lastigvallen met dergelijke prietpraat. Ik wilde hem maar één vraag stellen en ik oefende alvast in mijn gedachten, woord na woord : “Stopt deze bus ook aan de halte Kroonhoek?”       *West=Vlaams : uitrekken/rok uit/uitgerokken  __________ bladzijde zes van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Natascha en de pingpongspruiten (5)

  Exit de Waymo. Ook andere vooruitstrevende plannen kenden geen succes. “De Opruimplicht van een Ganse Levensrotzooi” (vrij vertaald) en “Verplichte Euthanasie op 65 Jaar”, twee wetsvoorstellen ingediend door de Partij van de Jongeren, haalden het niet. De Seniorenpartij was er vanzelfsprekend niet voor te vinden en de immobiliënlobby had lange armen, waarmee ze tastten konden, in de pels van zilveren luizen, in de buidels van die lamme kangoeroes met gouden vacht. De middenstand regeerde het land, had zijn geld belegd in vastgoed, woonblokken voor een grijze generatie die zich vasthield aan wat herinneringen, zich vergaapte aan dagelijkse kots, de dyslexie van papegaaien in een kooi en de kookprogramma’s van een keukenrobot.   De man met de pingpongblik rochelde alsof hij wat kleverig slijm zocht voor zijn loszittende oogbollen. We reden frietkot De Bosbrand voorbij en wat verder lag Kinepolis. Daar zou hij de sporttas met daarin de vele brillen vastgrijpen en voorzichtig optillen. Hij ging de bus verlaten, langs zijn vaste weg in de richting van de ingang stappen, zijn gruwelpasje laten zien, uit de automaat een emmer popcorn met strooizout halen en doodalleen op de voorste rij plaatsnemen. De reclamespotjes voor vermeend genot en echte zoetigheden zouden niet tot hem doordringen. Hij was immers gekomen voor de horror, zijn ogen gingen straks snelle rondjes draaien rond hun as, als twee dolle planeten, elk op een breinaald gestoken door een zot. Het oppervlak was wit, met rode rivieren dooraderd, en de grote kraters, in elke bol één, waren overspannen met een levend vlies. Op het vlies groeiden grote kolonies fotocellen die gevoed werden met het bloed van gruwelbeelden.   In mijn achterhoofd hoorde ik eerst gegrinnik dat al snel overging in spottend gelach. Toen deze geluiden tot bedaren kwamen, sprak de man mij aan : “Dacht je echt dat daar horror vertoond wordt?” en zegde droogjes : “Als iemand uitstapt aan de halte Kinepolis op maandagochtend, dan is het een kuisvrouw en in het beste geval ook die kerel daar, hij die bij De Vrese de runderen elektrocuteert. Vandaag geen wreedaardigheden. Hij heeft die kuisvrouw leren kennen op deze bus en zal haar vandaag eens goed in haar kont neuken voor dat grote scherm.”   Ik zweeg, richtte mijn blik naar beneden, op de sporttas en vroeg mij af of zijn mond werkelijk bewogen had.       bladzijde vijf van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Natascha en de pingpongspruiten (4)

  Rood, oranje, groen. Van Het Zand tot in Loppem zijn deze kleuren enkel nog ‘s zomers te bewonderen in perken en voortuintjes. Alle stoplichten op deze route zijn verdwenen, de kruispunten vervangen door ronde punten. De twee tunnels zijn gebleven, de verkeersrazernij evenzeer.   Heel even leek het een succes te worden, zelfsturende auto’s die volautomatisch reden en tegelijk, in lange slierten een veilige afstand hielden als gezinnen in een laan met Vlaams villa's.   Ikzelf heb mij nooit een dergelijke noch een degelijke auto aangeschaft. De nood aan eender welk summum van spitsvondigheid ontging mij zoals een aalput gespaard blijft van orkanen. Een rijbewijs had ik en heb ik nog altijd, maar ik huurde slechts sporadisch auto’s in landen met uitgestrekte toendra’s en steppes van verlatenheid of bij tijd en stond, telkens als het me weer eens te veel werd, kocht ik een wrak, vroeg een transit nummerplaat naar Mongolië aan en vertrok, met twee broden, vijf gedroogde vissen.   De zelfsturende automobielen (van het merk Waymo) staan nu in de musea der techniek, of zijn op schrootbedrijven samengeperst tot kubussen van onmacht. Vele ex-eigenaars van deze karretjes, de nerds van het eerste uur, zijn nog altijd in therapie. Deze vierwielers zaten vol met sensoren en camera’s, zelfs warmtegevoelige camera’s die het verschil zagen tussen een grote kei en een egel. Natuurlijk werden ze nooit geprogrammeerd om egels bewust plat te rijden en enkel grote keien te ontwijken, maar de overigen (have-nots, skinheads in kimono's, johnnies met getunede kia’s en andere spitsbroeders) kregen het al snel door, hoe de sensoren werkten en hoe ze die believers, de haves die niet meer op de weg hoefden te letten, voor de gek konden houden.   Je zag het regelmatig gebeuren. In zo’n Waymo zat dan zo iemand die ‘mee was met de technologie’. Hij zat er geconcentreerd op een schermpje te kijken, was al met zijn dagelijkse werk begonnen, dronk intussen wat koffie, at frieten met mayonaise of poetste zijn hagelwitte tanden. Een moderne vrijheidsstrijder,  stak hem wild voorbij en remde dan bruusk voor zo'n googlekarretje, waarna het abrupt stopte, gelijk een rolstoel die een stok in de achterwielen gestoken kreeg. De koffie of de mayonaise kwam op een toetsenbord terecht, de tandenborstel in een keel en de nerd kreeg door de overweldigende onmacht een psychotische aanval. Je zag zo'n Waymo dan vastgenageld staan aan het wegdek, terwijl de passagier (een bestuurder kon men het niet meer noemen) keelde achter een kunststofruit. De stemherkenning geraakte geen wijs uit het geroep en de passagier begon van woede op de ramen te bonken, terwijl de koffie, mayonaise, soms een goedkope champagne, langzaam overal binnendrong, via de randen van de toetsen f, u, c en k, tot diep in de circuits van al die elektronica.       pagina vier van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Natascha en de pingpongspruiten (3)

  Het is immer gissen en vergissen, maar mij verbergen voor de mensheid was me nooit gelukt. Overal waren er tekenen van de soort die zich over de ganse aardbol had verspreid.   Ook de kast waarin ik als kind kroop was door mensenhanden vervaardigd. Het was overal en altijd echt onmogelijk ze te ontlopen, die wezens met hun ‘beschaving’'. Nadat dat woord mij eenmaal aangeleerd was, zou ik er telkens kippenvel bij kregen als ik het hoorde, niet alleen omdat het zo breed was en ik het niet ingevuld kreeg, maar ook ook omdat het meer en meer een nare bijklank kreeg.   Een kleerkast was het geweest en ook een kleerkast van een man die de boom had omgelegd of misschien waren er meerdere nodig geweest. De timmerman, die was minder struis van postuur geweest en de chauffeur van de vrachtwagen een nog kleinere man omdat hij langs vele treden uit zijn cabine moest kruipen. Eerst trok hij zijn stofjas recht, het blauw van duiven glad en terwijl hij naar het achterberd van zijn Magirus liep, had hij een paar keer in zijn handen gewreven, alsof hij zo wat naarstigheid zou loskrijgen in armen en vingers. Hoe de kast op die zolder geraakt is weet ik niet, wel dat nu de lucht boven de bus volledig toetrok. Het werd grijs met grauwe vlekken.   Eenmaal het Psychiatrisch Ziekenhuis Onze-Lieve-Vrouw voorbij, was hij er blijven liggen, de hand van de monteur op de bil marsepein. De matte kleur van haar lippen was nog niet veranderd en toen we het donkere gat van de brug onder de spoorweg naderden, duwde ze de hand weg. Dat ze dan toch geen koppeltje waren, me dunkte, want hij trok een gezicht als dat van een zwerver die een ondankbare straathond had gestreeld.   Het was een donkere tunnel. De lichten die bij nacht van deze tunnel een gele koker maakten, sprongen niet aan bij duisternis na zonsopgang en ik had die ene kerel niet zien opstappen, die met zijn nerveuze blik. Toen we de tunnel weer uitreden, naderde hij, zette een sportzak neer.  Echt vreselijk dicht kwam hij niet, greep in de bocht de grijze buis vast waarop een blauwe drukknop met de letters ‘stop’ gemonteerd was. Hij stond daar als een kermisconducteur op een draaimolen en zijn ogen schoten van links naar rechts als bij een toeschouwer van een pingpongwedstrijd. Het leek hem blijkbaar niet te deren dat de balwisseling eeuwig zou blijven duren, terwijl er aan alle kanten niet veel meer te zien was dan geparkeerde auto’s, regendruppels op de ramen en binnenin de bus hoofden van wegkijkende wezens. In zijn sportzak staken meerdere brillen. Een duik-, een 3D-bril, één met positieve dioptrie en een vergrootglas voor het bekijken van fotonegatieven. Over de kleur van de pingpongballen moest ik nog nadenken.     derde bladzijde van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Natascha en de pingpongspruiten (2)

  Ik leek wel de enige, toen ik er stond aan het busperron bij Het Zand, daar bij die schouwburg met zijn moeilijke vormen, de enige met arendslaarzen en een ondoordringbare waxjas, de enige die een bestemming had maar het reisdoel niet kende. De anderen wisten wat hen te doen stond. Het was zeven uur drieëntwintig en bij velen kon ik zien waar ze heen gingen. Ze droegen een embleem of een plastic zak, waarop het stond : New Holland, de Aldi van Zedelgem en zij die een zak bij zich hadden die volledig wit was, werkten er in het slachthuis. Niemand zag de weggewassen bloedspatten.   Wat er die dag ging gebeuren, wist ik niet, toch niet wat mezelf betrof. De anderen gingen zonder twijfel sleutelen en monteren, karkassen scheiden en stukken wegsnijden of een boodschappenlijstje overlopen en hun kop in een diepvries steken. De Buschauffeur kwam aangereden en ik kon het zien aan zijn dode blik. Voor hem lag de route en de eindbestemming zo vast als een betonmixer vol vergeten moortel.   Om zeker te zijn stak ik mijn hand in mijn broekzak, om te controleren of het plooimes er nog in zat, om te voelen of de flacon met universeel gif niet was gaan lekken. De bus opende zich en ik kon gerustgesteld opstappen. Ik bleef rechtstaan op vijf ellen van de dubbele middendeur waarop blauwe zelfklevers prijkten met de afbeeldingen van een kinderwagen en een rolstoel.   Franky kreeg gelijk. Toen we het Vrij Technische Instituut voorbijreden en de chauffeur in die scherpe bocht een slok nam van zijn bekertje koffie, begon het pas echt goed te regenen. Mijn arendslaarzen bewogen niet. Ik was op een zucht van haar blijven staan. Zij zat op het zitje vlak boven de achterwielen. Dat was en is altijd een dubbel zitje bij dit type van autobussen en zij zit altijd op diezelfde plaats, niet aan het raam maar aan de kant van de gang met de staanplaatsen.   Elke dag scheiden slechts wat plaatstaal, mousse en de laag kunstleder van het zitframe haar kont van de groeven van de banden. Ja, ook de stof van haar broek,  een slipje en die dag ook een inlegkruisje, een ingedutte kramp. Ze had baarmoederjeuk, voelde het, dat een moederwens was blijven haperen in haar blinde darm. Kinderen had ze nog niet. Anders droeg ze geen oorbellen als een Indische pauw, best lang en van kleuren te opvallend voor ieder trekgraag kind. Natascha kon het zeker niet zijn, want haar lippen leken als van marsepein en haar vingernagels hadden de kleur van schreeuwerige anjers.   Een paar wielomwentelingen verder was ik het helemaal zeker. Natascha is anders, bevond zich niet op deze bus en er zat bovendien een man naast die vrouw met die mond van marsepein. Hij had handen groot als wafelijzers, echte pikdorspoten, waarmee hij bij New Holland de moeren aanspant die alle elementaire delen met elkaar verbinden. In zijn vrije tijd is hij keeper. Het bedrijf heeft een eigen ploeg en het is zijn taak om het doel leeg te houden.   Elke werkdag zitten ze op deze bus. Deze man naast deze vrouw en de vakbond heeft ervoor gezorgd dat hij glijdende werkuren heeft, dat hij ze kan aanpassen aan de werkuren van zijn geoorbelde partner. Zij werkt in de Aldi van Zedelgem, want haar huid is bleek en wordt dag in dag uit gespaard van zonlicht.   Het is met de palm van één van deze grote handen (de linker want hij zat rechts van haar) dat hij haar twee klopjes op de rechterdij gaf. Het waren niet de tikjes die een man geeft op de bil van zijn vrouw in een Grieks haventje, als teken dat ze dit tafeltje in het zoveelste restaurant zullen verlaten omdat ze ook daar de nodige romatiek niet konden vinden en het er niet langer zullen trekken. Neen. De tikjes die deze monteur op de dij van zijn winkelbediende gaf, waren er van moed en hoop.   Elke avond ligt deze man naast zijn vrouw in hetzelfde bed, hij links en zij eerst met haar hoofd op zijn rechter schouder. Beiden draaien zich na zowat een kwartier. Zij wendt haar blik naar de blanke muur en sluit de ogen, terwijl ze voelt hoe de onzekerheid, hoe de malchance in haar woedt. Hij draait zich ook naar rechts, een kwartdraai, waardoor hij als een pollepel tegen een soeplepel komt te liggen. Hij legt zijn linker hand op haar malse carrosserie en fluistert dat het de volgende keer wel zal lukken. Het woord ‘eisprong’ gebruikt hij niet, maar het is slechts een kwestie van wachten. Hun geduld zal met geluk beloond worden.       pagina nummer twee van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Natascha en de pingpongspruiten (1)

  Soms gaat het erg langzaam, soms pijnlijk snel of misschien is het een spel. In elk geval moest ik mezelf blinddoeken, zo stond in de e-mail. Op maandag, om 10 uur moest ik er zijn. Neen, ze had het veel preciezer omschreven : ik moest plaatsnemen op het blauwe bankje en mezelf een doek rond het hoofd en voor de ogen snoeren, in de bushalte 'Kroonhoek' van buslijn 79.   Via de website vrijwilligerswerk.be was ik met haar in contact gekomen. ‘Lieve groetjes van Natascha’, zo had ze het bericht beëindigd. Afzender :  natascha.salomon@hotmail.com en gans onderaan, waar ze met haar voornaam geëindigd had, stond nog : Coördinator Natuurpunt Zedelgem, maar verder geen telefoonnummer, straat, noch huisnummer.   De e-mail had ik op vrijdag gekregen en tijdens het weekeinde had ik me goed voorbereid. Ik stak enkele keien in mijn arendslaarzen (van het merk Aigle), vulde het bad met dertig centimeter koud water en liet mijn olijfgroene botten er voorzichtig in zakken. Enkele minuten heb ik gewacht en dan gecontroleerd of ze nog volledig waterdicht waren.   In de kast hing nog de waxjas, die ik vroeger droeg, toen ik nog echt van honden hield. Een nieuw laagje wax kon de jas wel gebruiken. Ik bracht wat parafinne aan op de taaie stof en de oude kreuken. Zo werd dat ding weer degelijk waterdicht. Verder kon ik niet veel doen. Ik wist immers niet welke taak Natascha voor mij in petto had. Ik wist alleen, van een weerman die ik met de jaren Franky ben gaan noemen, dat het haast zeker ging regenen op maandag, hoogst waarschijnlijk één ganse dag lang.   Waarom ik mezelf moest blinddoeken, was mij een raadsel, net zoals ik me nooit een bevredigende voorstelling heb kunnen maken van de oneindigheid van het heelal. Was ze te lelijk om aan te zien? Zou ze me naar een geheime plek brengen? Naar de broedplaats van de laatste kermisgans zou het allicht niet zijn, want het was november, bijna wapenstilstand en voor zover ik weet zijn er geen vogels die nog broeden in november. Turkse tortels die misschien wel nog, of parkieten op een verwarmde zolder.   Ik ging ervan uit dat ze niet aartslelijk was. Ze was en is immers een natuurmens, krijgt snel rode wangen als ze door beukenbossen gaat wandelen. Fijne vingers heeft ze waarmee ze de kleinste nootjes kan openpeuteren. Op haar frisse tochten draagt ze een haarband van zacht beige fleece, die haar lange kastanjebruine lokken samenhoudt en ze is regelmatig gids, spreekt nooit met een scherpe stem om geen dieren weg te jagen, heeft ogen die mooi en goed genoeg zijn om de meest prachtige bosflora te spotten en als ze zich dan hurkt, dan spant haar bruine ribbelbroek zich telkens strak rond haar kontje, terwijl ze met die fijne vingertoppen van haar (ongelakt zijn haar nagels) voorzichtig de stippen op het dak van een giftige paddenstoel telt.   Zo’ n onvolledige en uiterst naïve voorstelling had ik me van haar gemaakt. Verder was ik niet geraakt.       bladzijde één van 'Natascha en de pingpongspruiten'  (deel 1 van mijn e-boekje met de titel 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Eeuwenveel meeuwen

    Altijd en met duizenden komen ze, aangevlogen, vrij doelloos, als een witte vlek uit een buis, uit dat donkerroze zieleëind. Ongedierte is het, pettefletmiserie! Ze morren vaak. Soms hoor je fel geschreeuw. Ze morsen met het leven en ik denk dat die beesten in elke vuilbak zullen blijven zoeken tot iemand hun kop er afknalt. Chot, ik houd van dat gevoel.   Heel even toch. De zwarte egels liggen op hun bodem en terwijl de snelwegen hun doden nog eens tellen, spartelen er dikkopjes in eigen sap. Bergafwaarts gaat het. Hoge duinen heersen over strand en Duivelland. Al mijn cellen rollen naar die lippenzee met korte sprietjes en ze streelt mijn hoofd, met slechts één vinger, weet dat ik een kind was, dat ik zocht.   En ik vond ze ook. De haaien, tanden, hete vrouwen lagen in de zon als blanke kippen zonder olie, zonder braadspeer door hun lijf en zij ook, ze wreven door mijn jonge kruin, gaven me tikken op de kont alsof ik groeien moest om snel een knaap te worden, die verdwaald mocht rennen door hun natte serres.   Vleesetende planten groeien daar tot door de dakramen. Ze wachten op de meeuwen en mijn voeten dromen, dat ze verder moeten, hollen door het zand waarvan ik voel dat het ooit schelpen waren. Slijmerige wezens kleefden, aan de binnenkant is niet te zien hoe hard een sluitspier alles dichthield, als het nodig was, bij ebbe meeuwen overvlogen, soms voor eeuwig, soms voorgoed en weet je wat het is?   Ze schijten de balkons echt overal vol, met zelfbewustzijn, witgewassen geld, kak genoeg voor negen wereldlagen en het was in Knokke, dat ik haar heb leren kennen, toen ik daar nog liep tussen de bentley's en kokhalzende meeuwen, tussen porsches en gepoch, achter één blitse vuilkar. Aan de Place M’as-tu-vu verkocht ze bolletjes op hoorntjes aan valse lucht en vele mensen. Jan-van-genten aten alle resten. Het was een donderdag.   Ik weet het nog. De wolken werden even zwart, het leek wel lood. De zakken waren zwaar, mijn armen langer dan normaal, gewoon, om haar te grijpen, rond haar nek hing er geen kruis dat iets weerhield. Ik zoende haar. Niet zoals de zee de kust maar veeleer als een branding die verstilt en proeft, hoe zoet het vuur kan zijn.         uit de reeks  'Hormonoloog'  

Bernd Vanderbilt
0 0

Soetekijn en de zuurling

    Soetekijn zij waagt en durft het altijd. Hinken tussen mijnen, zelfs met halve benen van een arme, yep zij kan het, met één kwinkslag heupbeweging alle dollars van een afgesnedenpiemeljood versieren om ze te verwedden op tweekleurenpony's of één kreupel paard.   Het is lang geleden dat ie haar nog zien mocht in het echt, maar als zij komt, dan jubelen de pruimen in de bomen, in de schappen van een Spar. Naast het verlegen zwart, een bak vol aubergines ligt het zure groen, nog verder de citroenen, drie limoenen uit Peru.   Hij denkt nog vaak. Eraan en ook terug. Het was een trein naar Lima vanuit Märklin, de couchette klein, het land met kloven nauw, flanken en ravijnen eerlijk, van een soort die men vertrouwen kan. Hij voelt nog steeds, die tong van haar, het merg in hem mist het gekriebel.   Chot, waar zijn ze dan? De sparren, frisse naalden en die blik van Soetekijn prijkt nergens op verpakkingen van blinde vinken. Het kan nooit! Onvindbaar zijn de borrelnoten met dezelfde kleur als haar kronkelogen, waarmee ze horizonten uit hun radeloze lijnen redden kan.   Of toch, misschien achter dit rek, het veld met achillea, voorbij een grens, een Koreaanse Kim hij wuift, zijn newwavekapsel, kop en pruik ze hangen aan een haak, naast de wc-borstels voor arschlöcher met draken van een gat.   En als het van Unilever afhing, dan zou hij de niertjes van Soetekijn nooit meer mogen masseren. Eerst zou hij een karretje vol moeten kopen, wasverzachter vooral, boter voor magere monden en de droge ingang van een ziekewereldkont.   Ach en onderweg loopt hij te kauwen. Scherp is de smaak, de tong. Soetekijn probeert het in zijn oor en als hij aan de kassa komt, staat zij daar. Niet Soetekijn. Veeleer een groengrijs jonk, dat met haar barcodespel boerenworsten niet eens strelen durft   Ze spreekt. Het jonk zegt dat ze het boven, op dat scherm, wel gezien hebben, hoe hij vrat van de zurkel, zuurkool uit een potje kneep. Soetekijn, zij voelt het, komen, grinnikt en haar manen glimmen van plezier, nu de zuurling zich weer steken gaat, een middelvinger in de keel.   Het zuur en de zeik van zeven levens dweilen zich een weg over de vloer, omhoog, doorheen de zolen, dringen zich in witte kousen van vermeende onschuld, in de kleren, stengels en de poten van het starend suikerriet.         Uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'  

Bernd Vanderbilt
0 0

Tom Van de Tomatenautomaat

    Tettersmet en Tom Van de Tomatenautomaat, ze zijn bezeten door één waanzin en het kost wat lef om deze wereld te trotseren. Soms dan stappen ze, soms lopen ze doorheen de bossen, spotten roestvogels. Ze pikken er, in avocado’s, mensenvet en noten van een bitter lied (denkt Tom).   Zijn hoofd zit vol. Revolvers. Geweren en weerloze wolven. Hij hoort ze vaak, die ratelslangen, stekelvarkens, het geluid van meevallers en eigenlijk wilt hij niet liever dat hij sterft, die Tettersmet. Doch, dat is onzeker als het grijs van deze bergen die het zwart van elke nacht vergeven.   Verder. Straks en op dat strand. Onder zand zullen ze wachten in eieren, hoop en embryo’s van schilpadden. Je denkt misschien een ‘d’ te missen of een dode moeder die voor jou veel lekkernijen bakt.   Het deeg ligt elke dag weer op het aanrecht, braaf te wachten om uiteengerukt te worden, in bolletjes met fouten om nog eens plat en dan zo heerlijk wijd gerold te worden, als een platte wereld door de lucht te suizen.   Met goudvissen en zilversprot! De ober lacht, voorzichtig, het is Tettersmet, de vriend van Tom, die iets bestellen wil. Weet je wat het is? In elke grot schuilt er wel één! (zegt Tom Van de Tomatenautomaat); ze kijken weldra in het zwarte gat.   No way! en met zijn hanennek, zijn hoofd als van een slak, komt hij gekropen uit zijn vaste stek, het tolhuisje. Te voet door tunnels mag echt niet en ze staan daar. Tom hij peinst, hij trekt zijn wenkbrauwen omhoog tot ver voorbij de grens van groene onschuld, waar geen pijnbomen meer groeien en het duurt, niet lang. Na het voorbijdrijven (een wolk of twee) komt het geluk.   De lift is van een mooie krullenvrouw, een ferme prent, die tepels heeft zoals een ooi met zonnebril en ze rijdt. Ze brengt hen vlak tot bij het beest. De muil staat open klaar gesperd. Njam-njam-njam, men eet er brood, here only cash! Echt geen geruil tegen een onvangbare vis, hetzij gekuis van scheepsclosetten.   Terwijl men verderkauwt en zoekt, wilt het dat het druppelt. Briljantine uit de haren van een kapitein die als een aal door rats en rotsen sturen zal, een uur lang en Tom voelt het. Griekse onrust, donkerblauw, een vlot dat langzaam vergaat aan de havenrand.   In zijn hoofd zijn ze er. Zinkende verwachtingen vals geld kermisjetons herinneringen aan een meifoor van weleer en het is Tettersmet die nog iets vindt, een briefje grijs en vuil. Vijf euro is genoeg en ze betalen de twee kaartjes naar Lefkimmi.       uit de reeks  'Dialogen met monsters en dia's'  

Bernd Vanderbilt
0 0

Uilemuil en Snottegot

    Zot zijn Uilemuil en Snottegot. Ze lopen langs de vloedlijn, op een strand en met de moed van een Griekse frigo zetten zij hun stappen in de richting van geen ene horizon.   Daar zien ze in de verte drijft een zeeboot. De romp zit van onderen vol, begroeid is het ding met slijm waterwezens wukkels stekels des te veel karakollen zonder ogen (durft Snottegot te denken).   Dichterbij een Serviër, die van achter zijnen zonnenbril tevoorschijn gekropen komt, een sigarettenpeuk in de richting van een beest gooit. Het is een zeeslak (volgens Snottegot, die het beest een kei vindt) en het zit op een kei in deze branding, droomt allicht van vinnen duizend poten of rupskettingen om door alle slijken heen te kunnen ploeteren.   En zij moet dan zijn wat de ganse weg naast hem zatt, rechts, in de stuurloze helft van hun voertuig met SRB-sticker (vermoedt Uilemuil). Een serviëtje overloopt haar wang. Ik denk dat de façade van haar schminkkop begint te smelten in de zon (mompelt Uilemuil). Straks zien we of ze echt is, wat voor een tronie ze verbergt en of de draak nog te houden is, als hij éénmaal rechtstaat op haar vel van vleesgeworden appelsienen. Nu is hij nog vastgebonden, met dat ene koord van haar bikinibroek.   Ik denk dat haar onderkant hem niet eens interesseert! en Snottegot probeert Uilemuil in de richting van de lucht te doen kijken. Hij bedoelde haar onderbewustzijn, daar waar het sap zo zijn geheimen heeft.   Zo dweilen zij verder, voorbij een aangespoeld kind, een leeg blik, door al het gebrokene heen, golven die verdwijnen in geruis, enkele scherven van flessen zonder boodschap of liefdesverklaring, hand in hand (met nog steeds diezelfde moed, die van dat dappere Griekse koelschrijn).   Verfrissing is hier kostbaar, het zeewater lauw als frieten met wat zout onder papier, om mee naar huis te nemen, noem het heimwee (lult Uilemuil uit zijn rode nek) en vermoedelijk staat hij straks ook recht de Serviër, die beroerde bommerloender, om een kipsoeflaki te bestellen in het buffet.   Weet je wat het is? Goede idioten maken betere kip, kip met kam en kop en lellen terwijl de vogels hier zonder twijfel op de vlucht zijn, de leegte boven de zee eens wilden proberen.   Ik weet het niet (zegt Snottegot). Misschien dat ik het volgend jaar nog eens probeer. Op een motor door een land vol oregano. En drie druiven. Aan een tros bij een afgrond. Bij de zee. Met een zon. Die verdraaid en nog eens opgaat. Voor wat kiezels.       uit de reeks  'Dialogen met monsters en dia's'  

Bernd Vanderbilt
1 0

Julie's blues

  terwijl de wind de granen streelde hebben ze mij gevonden in een koekoeksnest   ze hebben mij meegenomen als een reuzengnoom voor een hottentottenkinderboerderij   gejaagd door hun tijdelijke kerstboombossen mijn veren en mijn kleren behangen   met hun herinneringen vogel- griep misschien ik was kapot ik sliep levend beefde nog   heel even zag ik twee konijnen in een pijp gevangen werd ik wrang genepen in een bocht   ze hadden steden wrede wasem veelvraatstank en smog hing rond de dichtgegroeide oren   af te tellen dagen vroegen om een einde sneltreinwielen om wat plat te rijden   ik denk nog vaak terug aan Gordon the moron die me duwde op die derde donderdag van   september de septische put zat vol met dolle aaltjes weet je dat ik graag zwem in open water   veel later en nog steeds was ik niet losgelaten door die mensen met hun brij my sweet Julie heeft nog lang gehuild   ik zat daar voorbarig mezelf bijna van kant te maken onder een niets vermoedende zon als een zondaar   zonder schuld snippers kanttekeningen betrappen konden ze mij niet zij daar met hun lelijke weelde   levereendjes lelijke ploezes sandwiches bouwkranen sanitaire stank en krankenhuizen het was   die rauwe lust hun rechte wortelen in folie gewikkeld werd een laatste wens de witte pens van een dakloze   lag in het gras wat wel meeviel was dat ik haar ooit gevonden had zij met haar meesterlijke krullen   behaard was de poes met een geitebaard wij zijn het echt dachten we zo vrij als eendjes van plastiek   drijvend in een vijver of een navel- putje ik ging naar de vleesbiecht in haar schoot kon ik dacht ik   mij verbergen lichtjaren eenzaamheid vergeten de jonge merels zaten op een draad vol stroom en de   ontlading stierf in stilte heeft ze die ochtend bij die verse dageraad de cellen koel ontboden   zich niet langer nog te splitsen nam om kwart voor zes   een mes om mij te doden         uit de reeks  'Waanhoop'  

Bernd Vanderbilt
1 0

Opstijgend vocht uit onnoemenswaardige bron (6)

  Nog wat geduld. De boel zou zeker in orde komen en zeker als hij eenmaal met pensioen zou zijn. De aangesleurde paletten zouden ideaal brandhout zijn. De maîtresses zouden vanzelf afhaken wegens dreigende impotentie en andere doembeelden.   Met zicht op dit alles, op die gezuiverde toekomst, was het alvast niet nodig om de chauffageketel te laten repareren. Een extra kachel kwam er, met een glazen deurtje. Je kon vlammen zien flakkeren, wankelend geel met blauw-en-rode schijn; een poes die Poezie heette, lag braaf tussen retrievers op een strook tapijt.   Voor mijn plechtige communie een nieuwe fiets, een Locomotief en al veel eerder kreeg ik aangeleerd hoe ik op een zaagmachine van het merk Robland paletten kon verzagen. Hij heeft het nooit gezegd, maar het werd mijn taak. Hij had het druk: werk, en dan nog voor al die beesten zorgen, ‘s ochtends vroeg, ‘s avonds laat, in het donker, nog wat extra stro bijgooien in het kot.   De dieren sliepen na een tijdje op een dikke warme laag en het werd zomer. Roeien, ik wilde meer spieren, sterk worden, leerde lassen, reed rond. Het was een Massey Ferguson. Om die kleine tractor aan de gang te krijgen, spoot je best met die spuitbus, met Snelstart in het kanaal voor de luchttoevoer naar de injectoren.   Een vlam drong zich uit het gat, blauwe rook uit de uitlaat. Je gaf wat meer gas, met de hendel onder het stuur en er kon weer gewerkt worden. Paletten ordenen, met een kar naar het veld rechts van de vijver, wat groen, gras, rapen, maïs erin kieperen en naar het kot voeren. Geitenstaarten kwispelden en een vlinder durfde het aan om op de trillende achteruitkijkspiegel te landen.       Vlammengekwispel  deel 6 van 'Opstijgend vocht uit onnoemenswaardige bron' uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
0 0

Opstijgend vocht uit onnoemenswaardige bron (3)

  Over de weg in het kapbos, tussen eiken, zieke ratelberken en het fluthout van vlieren kwam hij opgereden tot bij het kot. Rond tienen was het, bij lichte nevel en ikzelf zat tussen de frambozenstruiken. Ze woekerden daar aardig in die zandgrond, op die oever.   De beestenwagen had een vuilwitte cabine en een groot achterberd werd neergelaten. Achterwaarts werd een knol uit het vehikel gedreven. Ik denk dat het beest de ganse weg met zijn kop naar beneden moet hebben gestaan om zijn oren en kop niet te stoten tegen het ijzeren dak.   Vier witte kousen, een nerveuze mond en de ogen van een hengst waren het die eerst in mijn richting keken en dan naar het kot, waar Loulou stond. Ze werd naar de plaats van de daad gebracht; ook moeder keek toe, door het keukenraam, met natte wangen.   Ajuin! Denk. Gerust. Later zou ik dromen. Dat ze niet ophield bij het einde van die wortel. Dat ze door bleef snijden, vingerschijfjes. Rood, het vermengde zich met het oranje van de schillen. Ook later, samen met wat resten brood dat sporen droeg van ketchup. Voor een grote pony of een kleine paard?   Ik weet het niet, wat de bedoeling geweest was en handen, dezelfde die daarnet nog het stuur vasthielden, tilden nu de paardenpenis op, brachten hem in onze Loulou. “Grappig gezicht,” zei mijn vader, eenmaal alles voorbij was en terwijl hij rond de middagstond puree in zijn bord schepte.   Aardappelen, dat waren het geweest. Geen ajuinen noch wortelen waren kleingesneden en "die hengst kon gewoon op zijn voorpoten steunen terwijl ze gedekt werd,” ging zijn enthousiaste mond verder.   “Moest dat?” Moeder sprak en ze vroeg of hij ook aan de geboorte van dat te grote veulen gedacht had. Mijn vader sneed door het vlees, vlak naast het bot van de varkenskotelet.       Little horse on the prairie deel 2 van 'Opstijgend vocht uit onnoemenswaardige bron' uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
0 0

Opstijgend vocht uit onnoemenswaardige bron (2)

  Aan mijn eerste levensjaar werden twee fotoalbums gewijd. Ze zijn genummerd B1 en B2. Op pagina drie van B3 word ik twee jaar. Een nieuwe, donkerrode plastiek tractor heeft daar één voorwiel met lichtblauwe pedalen en twee achterwielen.   Toen bewoonde het gezin nog een voor die tijd modern huis, niet ver van de Buffelbrug, op circa honderd meter van een berm. Noteer dat het eerste door mij uitgesproken woord “trein” was. Hij reed op die berm. Wat er zich achter die berm bevond heb ik nooit geweten. Ervoor, tussen het thuis en die ijzerweg lagen volkstuintjes.   Het zijn mijn eerste herinneringen, hoe ik van huis wegliep, verder en verder, over een pad, over grote betonklinkers met langs de ene kant stengels prei en de andere kant bonenstaken, om bij een tuinbouwerskotje halt te houden, na te denken, en dan toch maar terug te keren.   Daar, in dat moderne huis was ook een kelder, een donkere kelder, zagen foto’s het licht, al zijn de meeste kiekjes in album B3 kleurenfoto’s, sta ik er bruin en zomerblond op. De hoorns van Hamlet zijn nog kort. "Een angorabok" werd aan nieuwsgierigen uitgelegd, maar recent opzoekwerk wijst eerder op een landgeit uit Bornholm.   Zijn Deense prinsenkop werd later opgezet. We woonden toen al in het andere huis. Op die doening met drie hectare tuin had Hamlet op een verstrooide dag het loodje gelegd.   Hij werd opgehangen, zijn imposante kop. Als je die deur achter die driewieler binnengaat, dan kan je hem, zonder tijfel, nog steeds in de ogen kijken. Hij kijkt nooit terug.       De kleine prins deel 2 van 'Opstijgend vocht uit onnoemenswaardige bron' uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
0 0

Opstijgend vocht uit onnoemenswaardige bron (1)

  Aanvankelijk werd er niet eens gevloekt. Ik stond onder een onschuldige tuindouche. Op een andere foto drink ik cola met een rietje, aai ik een geit of zit een kuiken op het blad van een kinderstoel.   Jaren gingen voorbij, wezens kwamen langs, gisteren nog mensen om een aaibeest te bestellen, “liefst een reutje met een mooie kop” en tante zwom vorige zondag met Liesje, Loesje en drie kinderen in de vijver waarrond er brem en wilgen groeiden.   Ze graasden intussen, pikten wormen, zochten zaden, sliepen in hoekjes, tegen kantjes in een hok dat opgetrokken was uit hardhouten paletten, platen en asbestgolven op het dak waaronder een bok aan een ketting lag die zichzelf op de kop piste.   “Zolang hij vastligt, ben ik niet bang,” zegde moeder en vader had niet liever dat alles zich probeerde voort te planten. Voor de pony had hij nog geen oplossing gevonden.   Altijd leuk. Een veulentje op de kleine prairie. Heuveltjes lagen rond de vijver. Donkere aarde had men ooit afgegraven in een zoektocht naar rein zand en dat was er zowaar ook.   Een rustig wateroppervlak dreef daar, met eronder ondiep water, ontelbare kikkers, nog meer kikkervisjes in de late lente en een blauwe sproeimachine kwam wel eens haar tank reinigen.   Op die plaats, waar het ding zijn slang in de vijver legde, was alles dood. Geen kruid groeide er. Op die kale plek verried geen bloem de dader en ik was aan het graven.   In de aarde was het fris. In een heuvel zou een gang naar een ondergrondse verbergplaats leiden. “Zorg dat het niet instort,” zegde moeder terwijl ze de soep inschepte met volledige vingers.       Fingerspitzengefühl deel 1 van 'Opstijgend vocht uit onnoemenswaardige bron' uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
0 0

Billy Sønderland (slot)

  Vrijdag is het, 5 december.   Gisteren heb ik aan de Scheldedijk te Zwijndrecht, in het hoofdkantoor van DEME, mijn ontslagbrief afgegeven en daarna, in de namiddag, een eigen zodiac gekocht bij Marina Yachting te Oostende.   Deze ochtend ben ik bij het krieken en het kraaien van een kerkhaan, de haven van Oostende uitgevaren, naar Zonderland, het eiland bij de noordelijke top van de Noordhinder dat ik het mijne mag noemen.   De zee is rustig en een zon blakert op de golven. Ik zie uit de richting van Oostende de Vlaanderen XX dichterbij komen. Hij brengt me de containers, de reddingssloep en de kottermast. De zuigerhopper nadert en op het dek staat ze. Doesjka. Met haar jonge handen ondersteunt ze een zwangere buik. Ze laat de rechterhand los en zwaait naar me.   Een kraan laat de reddingssloep zakken. Daarna volgt de kottermast. Een koord en een boei zitten eraan bevestigd. De kottermast verdwijnt onder het wateroppervlak, de boei laat niet los en dobbert als een roze kop, ginds, op een boogscheut van mijn eiland. Ernaast drijft alsnog de reddingschuit.   Billy roept mij op door de VHF: “Die containers. Dat zal niet lukken. Ik kan niet dicht genoeg komen.” Hij zegt nog dat “hij vertrekken moet, met de Vlaanderen XX. Naar Qatar. Hij is verkocht.” Een halfuurtje later zie ik ze wegvaren, Billy en Doesjka, samen in de stuurhut van dat groene schip, in de richting van het Kanaal.     Het is Natasha die haar hand op mijn schouder legt. “Breng ik vóór ik sluit nog een Mort Subite? Je zat te weer te dromen.”   Er zit een natte plek op haar négligé. Mijn tranen zijn het niet en ik kijk door het raam, naar de roeste kotter die aan de overkant, aan de kade van de vismijn aangemeerd ligt.   “Neen, Natascha. Dank je. Ik ga zwemmen. In de Noordzee. De winterwind en het zout proeven,” en ik vraag of ik mijn gerief bij haar mag laten, een grote zak, met daarin een schriftje met op de kaft ‘Bagger’ en twee legodozen, nummer 4999 (Vestas Wind Turbine) en nummer 6270 (Forbidden Island). Wat jammer is: een wiek ontbreekt. Ook de kop. Van die ene piraat.         De laatste gueuze slot van het historische kortverhaal ‘Billy Sonderland’ uit de reeks ‘Waanhoop’

Bernd Vanderbilt
0 0

Billy Sønderland (9)

Het is de natte droom van elke Vanderbilt -ikzelf ben wat rest van dat Wulpse geslacht- om weer op een eiland voor de Vlaamsche kust te wonen, met enkel een meisje en uitzicht op de zee, om op zondag de Sincfal weer over te zwemmen, om daar aan de overkant in een duinpaviljoen bier te drinken en dan die wrede mensheid weer te verlaten, terug te keren naar de bedkast, naar een zwangere Doesjka.   Het is ook de droom van elke De Cloedt om voor de Vlaamse kust een eiland op te spuiten, maar dan om er geld uit te slaan, of een schiereiland met lagune voor de kust van Heist en Knokke, met nog meer beton, windmolens, appartementen. Nog meer winst voor de bedrijven DEME, De Cloedt, Durco, Versluys en co.   Of een afvaleiland. Ik las het in artikels van 1981 en 1999 waarin de baggerbazen Van De Cloedt lieten optekenen dat “de creatie van een stort in de Noordzee onontbeerlijk is om de stijgende berg industrieel afval en baggerslib te kunnen bergen.”     Eén jaar lang werk ik nu al voor Offshore & Wind Assistance. Van Doesjka geen spoor meer. Op nog zo’n quade saterdach werd ik wakker. Alles was verdwenen: de zwarte opblaaskroon, haar zotte kleertjes, glimlach en die bruisende gedachten.   Ik blijf de molens nazien en toekijken hoe meer en meer slib op de Noordhinder gespoten wordt. De zuigerhoppers van DEME en De Cloedt Dredging komen er hun baggerspecie dumpen en stilaan verrijst er een eiland, vijftien mijl ten noorden van de Thorntonbank, net buiten de Belgische territoriale wateren.   “Hij zal straks wel weten waar naartoe met zijn veertig polopaarden en drie ezels,” zeg ik op een dag tegen Billy. “Polopaarden, ezels, van wie?”, vraagt Billy. “Van Gery De Cloedt. Zijn Hedwigepolder wordt binnenkort onder water gezet,” want hij moet er weg met zijn ganse hebben en houden. Hij zou er een postbus kunnen plaatsen, op dit nieuwe eiland, offshore leven op zijn eigen belastingsparadijs.   Hetgeen mij op een idee brengt en op 30 november 2017 neem ik het vliegtuig naar New York en begeef me op die koude dinsdagochtend van 1 december naar 760 United Nations Plaza. Aan de ingang van het hoofdkantoor van de Verenigde Naties word ik gefouilleerd en moet ik door een metaaldetector.   Op de zevende etage is het loket ‘Micronaties : registratie en erkenning’. Het lijkt wel een oudere zus van Doesjka. Ze zit achter een glazen wand met luistergaatjes en draagt een trui met memorabele strepen: paars, oranje, rood. Ze vraagt wat ze voor me kan doen    “Ik kom voor de registratie van mijn eiland,” zeg ik haar en ze neemt een formulier. “Naam?” “Billy Sønderland, neen, Jan Zonder Land”, antwoord ik. "Geeft U mij Uw identiteitskaart a.u.b.," zegt ze en ze noteert : Bernd Vanderbilt. “Naam van het eiland?” “Zonderland.” “Vlag?” “Paars, oranje, rood, horizontale strepen,” en ik overhandig haar een recente satellietfoto, ook een schets met daarop de exacte coördinaten. Dan moet ik enkel nog het formulier ondertekenen.   “Dat was het,” zegt ze en ze steekt mijn formulier, netjes alfabetisch in een kaft met daarin alle andere microstaten. Helemaal achteraan zit nu Zonderland, achter Zimlandia. "U kunt dit eiland nu de facto als het Uwe beschouwen," hoor ik haar nog zeggen, "U was de eerste om het op te eisen. Op een erkenning hoeft U verder niet te wachten."   Terwijl ik naar Zaventem terugvlieg, maak ik alvast concrete plannen. Wat ik van mijn vader erfde, zal goed besteed worden, aan de bouw van een stevige sokkel met daarop een cilindervormige woonst (met een diameter van zes meter) en een kegelvormig dak, zonnepanelen voor de LED-verlichting en stroom voor een koelkast, een aanlegsteiger voor radioschepen, een speelduin en een lichtmast met een kraaiennest.   Daags nadien, in The Old Steamer, trakteer ik een fles champagne. Maar nog steeds geen Doesjka, niet tegen mijn dij, noch aan de horizon. Nergens een teken van frivool leven.   Van Natascha krijg ik drie dikke zoenen en Billy zegt dat hij alvast twee zeecontainers naar mijn eiland kan brengen. “De Baelskaai in Oostende moet opgeruimd worden. Er ligt ook nog een achtergelaten reddingssloep. En de mast van kotter. Die kan ook mee.”       Zonderland deel 9 van het historische kortverhaal 'Billy Sønderland' uit de reeks  'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
0 1

Billy Sønderland (8)

Om kwart voor zes, op donderdag 1 december, sta ik op de kade in het Brittaniadok. Doesjka is stilzwijgend met me meegereisd naar Zeebrugge. Ze draagt een versleten hoity-toity-jasje en een Wally-in-Space-broek met zilveren ruiten die als schubben strak rond haar benen zitten.   Billy komt aan wal over de ijzeren loopplank. “Of ik ook kaarten meegebracht heb?” vraagt hij. “Ja, een kaart met allemaal klaveren, molentjes erop,” antwoord ik. “Of ze mee mag?” en Billy knikt. Een half uur later varen we de haven uit en op één mijl van de eerste windmolen laat hij de zodiac naar beneden. “Ik zal dan met Doesjka moeten kaarten”, zegt hij plagend.   Doesjka buigt zich over de railing, haar novemberhanden zwaaien naar me, terwijl ik de Evinrudemotor start en in de richting van de molen vaar, die op mijn kaartje aangeduid staat als Senvion n° 7.   Ik klauter eerst op het platform en klim dan tot hoog in de gondel. Een checklist moet ik daar overlopen, een paar manipulaties met het controlebord uitvoeren, de smering van de tandwilekast controleren and that's it.   Als ik door het luik op het dak van de gondel kruip, schittert de winterzon over de Noordzee. In de verte zie ik de eerste toren van het nieuwe Manhattan van Oostende staan, op de Oostoever, waar Vande Lanotte met zijn kameraden Bart Versluys en Jean De Cloedt samen hoog ingezet hebben, de vissers van de Baelskaai weggejaagd hebben, Jan, Piet, Joris en Corneel onteigend, om vele duiten en stuivers te kunnen opstrijken met de bouw van luxeappartementen.   Ten noorden van de Northonbank vaart een hopperzuiger van De Cloedt Dredging, het bedrijf van Gery. Hij komt er slijk uit de haven van Vlissingen dumpen op de Noordhinder, net buiten de Belgische territoriale wateren.   Dichterbij vaart Billy. Hij manoeuvreert de Vlaanderen XX tussen de Gootebank en de Thorntonbank, baggert er en spuit het zand dan op de Thorntonbank. "Om te voorkomen dat de molentjes wegspoelen”, zegt hij tegen Doesjka, die naast hem staat, zonder veel te zeggen. De hartenkoning heeft ze deze ochtend van de keukendeur getrokken en zit nu warm opgeborgen, onder de voering van haar jasje.   De glinstering die ik op het dek van de Vlaanderen XX zie, moet van Doesjka’s broek zijn. Met de elegante beweging van een dolfijn, duikt ze het water in en zwemt in mijn richting met de snelheid van een zwaardvis. Als ze aan de voet van de molen is, steekt ze een arm uit het water en doet teken naar me, alsof ik springen moet, duiken vanop de gondel, om samen met haar naar ons nieuwe eiland te zwemmen.   Ik dagdroom. Billy roept me op via de VHF. “Ze heeft me afgemaakt bij het kaarten,” zegt hij en dat hij over een uur terug zal zijn op diezelfde plaats, één mijl ten zuiden van de eerste molen.   Als ik terug aan boord kom van de Vlaanderen XX, opent Doesjka een flesje Gentse Strop voor mij. Haar wangen blozen. “Komt door de koude wind, ik stond aan dek, met een verrekijker, maar kon je nergens zien, enkel je zodiac, bij één van de molens.”   Ook Billy’s tong is wat losgekomen en hij vertelt, over het drama van 1984. Grote transformatoren met toxische olie erin stonden klaar op de kade in Oostende, bij de Werkhuizen De Cloedt. Ze werden die nacht aan boord van de Vlaanderen XVIII gebracht, om op de Gootebank gedumpt te worden.   “Het is verdomme goed fout gegaan die nacht,” zegt Billy. De zware transformatoren kwamen op mosterdgasbommen terecht. Niemand die nog wist waar ze lagen, want op de Paardenmarkt, de zandbank voor Knokke en Heist waren in 1971 enkel de gifgasbommen teruggevonden.   “Zware brand op de Vlaanderen XVIII,” schreven de kranten toen, maar Billy weet meer. Zijn moeder vertelde het, toen hij zeven was: “De zware brandwonden kwamen door het mosterdgas.” Billy lag die nacht thuis te blèren en moeder ververste zijn pamper; op zee stierven zijn vader en grootvader, Jens en Erik Sønderland.        Over mosterd en molentjes deel 7 van het historische kortverhaal ‘Billy Sønderland’ uit de reeks ‘Waanhoop’

Bernd Vanderbilt
1 0

Billy Sønderland (7)

  We zijn die nacht straalbezopen doch levend thuisgeraakt. Ook tijdens onze wandeling op het strand van Heist is ons niets overkomen. Het strand is daar aan het verzanden. De stroming is er sterk vermindert sinds de uitbreiding van de haven. Meer en meer zand zet zich daar jaar na jaar af. Je moet er al een heel eind wandelen om tot bij de branding te komen en er als een kind over de eerste golfjes te kunnen springen.     350.000 ton munitie ligt daar, gestort net na de eerste wereldoorlog. Dat was snel in een achterkameterje van de senaat bedisseld tussen de toenmalige liberale Minister van Oorlog Fulgence Masson en diens partijgenoot en senator Emmanuel De Cloedt.   Men noemde het een grote verrassing in 1971, toen duikers van Baggerwerken De Cloedt het ‘vergeten’ bommenkerkhof aantroffen voor de kust van Heist en Knokke. Laten liggen (lees: Laten doorroesten) was de oplossing, vonden de Ministers van de Noordzee (Etienne Schouppe in 2010 en Vande Lanotte in 2013) in antwoord op kritische vragen van de pers.   Een fluitje van een cent wordt het straks om een paar van die gifgasbommen te laten exploderen. Elke terrorist in spe kan er dan met een metaaldetector het strand oplopen, bij de eerste ‘piep’ een put van een meter diep graven en er een paar laten ontploffen, vlak naast het dichtbevolkte Heist, naast een schooltje jonge tongen en de gasterminals van Fluxys. Laten liggen dus!     Ook wij blijven deze ochtend liggen. De laatste modetrends in de nachtkledij volgt Doesjka niet en naakt ligt ze naast me in de twijfelaar, op een laken met schelpenmotief. Mijn arm glijdt tussen haar benen, als een pieterjan die door de schorre zich een weg baant naar de open zee. Ze duwt mijn hand weg als een waakzame wachter in het Zwin en de telefoon rinkelt.   De persoonsverantwoordelijk van DEME, een oud lief van Gert De Cloedt, is aan de lijn en zegt dat “ik morgen aan de slag kan bij OWA (Offshore & Wind Assistance), voor het onderhoud van de windmolens op de Thorntonbank.” Ik moet me aanmelden in Zeebrugge, bij de Vlaanderen XX, die in de buurt van de Thorntonbank baggert en daar een zodiac voor me zal neerlaten. Elke dag zal ik één van de molens inspecteren, volgens een bepaald schema.   "Goed," zeg ik en Doesjka draait zich op haar zijde. Haar heupen zijn mooier als de mooiste glooiing in een duin en haar toefje helmgras verbergt het wilde konijntje amper. Ik ga een bad nemen!   Onderweg val ik bijna over die blauwe trein naar Genua. Ik draai de kranen open, om straks languit te liggen weken. Verlangen zal zich van mijn vel losmaken, een eend zal over golfjes dobberen en het zal in dit bad krioelen van de kwallen, die als onzoenbaar, pasgeboren eiwit zullen rondzwemmen.         Het gif der kwallen deel 7 van het historische kortverhaal 'Billy Sønderland' uit de reeks  'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
0 0

Billy Sønderland (6)

En of ze zwanger was, Doesjka, in die zomer van 1334? Neen, overmatig had ze zeevruchten genuttigd. Ze moest dan toch overgeven. Ik veegde de kots van haar kinnebakje. Daags nadien hebben we gewoon weer vlas geoogst bij Remboudsdorp op het eiland Wulpen en enkele maanden later ging alles naar de Filistijnen.   De Clemensvloed van 23 november 1334 overspoelde de velden en zette het erf voorgoed onder water. De familie Vanderbilt was nog net op tijd naar Nieuwvliet gevlucht maar landerijen hadden ze niet meer en vader Berend Vanderbilt (°1294 - 1357) trok met vrouw en kroost naar Brugge om zich daar te vestigen als vlashandelaar.     Er is weinig volk in de Old Steamer en Serge Gainsbourg zingt in een luidspreker een liedje over komen en gaan.   “Billy blijft de ganse week op zee,” zegt Natascha me, terwijl ze Doesjka aankijkt, die met haar smartphone zit te prutsen. “Voor mij een oude gueuze van Boon,” en Doesjka bestelt een Bloody Mary. Teleurgesteld is ze. The suicide king of hearts zal ze vandaag niet ontmoeten. Het kaartenspel zal onaangeroerd achter de toog blijven liggen.   Achter in het etablissement beweegt iets, een donkerrood gordijn. Een man komt uit een donker gat tevoorschijn. Een deerne met rood haar klampt zich rond zijn arm. Ze is lang niet zo jong als Doesjka, haar ogen zijn wat gezwollen en ze bestelt een Safir, om zich de mond te spoelen.   Als de man ons tafeltje nadert, herken ik hem. Het is Joachim Coens. “Dat moet verzekers tien jaar geleden zijn dat ik U nog zag.” Joachim kijkt mij verwonderd aan. “Bernd, van ‘t college, in Assebroek”, zeg ik en zijn lichtje gaat branden. “Mò got, dat ik U hier moet tegenkomen. Wat doet gij tegenwoordig nog?”   “Niets, nog niets nieuws gevonden na het faillissement van Windstar.” "Ook niet gezocht,” maar dat zeg ik er niet bij. Hij laat zijn ogen op Doesjka vallen, die aan haar cocktail zit te slurpen, door een zwart strootje, daarna wat bellen onder het ijs blaast om de lucht wat te koelen.   “Ik zal kijken wat ik voor je kan doen,” belooft Joachim, “morgen zie ik Gery De Cloedt, al is die de laatste tijd niet welgezind. Zijn Hedwigepoldertje zal onder water gezet worden en hij weet niet waar naar toe met zijn veertig polopaardjes en drie ezeltjes.”   Doesjka verslikt zich, omdat de gedachte aan een polopaardenlul in een ezelfoef gegiechel in haar opwekt. Ik geef Joachim een bierviltje met daarop mijn telefoonnummer, druk hem de hand, vóór hij vertrekt met Mevrouw Safir, die in een jas van wit en krullend schapenbont gekropen is.   Ik neem nog een slok van de oude Boon, een paprikanootje verdwijnt in mijn mond en ik wrijf zacht over de wreef van Doesjka’s hand, over de littekens op haar onderarm.         Polopaardengelul deel 6 van het historische kortverhaal 'Billy Sønderland' uit de reeks  'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
1 0

Billy Sønderland (5)

Het is de eerste keer dat ze in mijn armen wakker wordt, op een zondag. We liggen in een bedkast, in een hofstede in Remboudsdorp, op het eiland Wulpen voor de Vlaamsche kust. Het is zaterdag 20 juli 1334 en ik heb de godganse dag vlas getrokken op de velden van de Vanderbilts. Mijn pollen zijn stijf. Zij heeft honderden handenvollen samengebonden, na zonsondergang mijn rug gemasseerd, met die jonge handen en wat zeehondenvet.   In de namiddag zullen we de Sincfal overzwemmen, onze kleren in de takken van een duindoorn hangen, om puur op het strand te liggen, tureluurs te volgen in hun vlucht. Dat er iets op komst is, zegt Doesjka, het meisje dat enkele weken geleden als een Russische regenboog uit de wolken kwam gevallen. Een openbaring was het geweest, die verschijning van fris en betoverend poollicht boven een hete zomerduin en hier op dit strand van Cadzand, voelen haar tienertietjes gezwollen aan. We hebben karakollen leeggepeuterd, mosselen op de tong gevoeld en oesters leeggelikt. Ik denk dat ze gaat overgeven.     Lang mag dit sprookje echter niet duren, omdat ze mijn neus dichtknijpt, ik de mond openen moet. Ik voel een ijsblok tegen mijn verhemelte, word wakker, open mijn linker oog en haar lach hangt boven mijn twijfelaar. Haar borstjes kruipen haast uit het witte XXL T-shirt dat haar deze nacht omhullen mocht en ze draagt het zwarte opblaaskroontje weer.   Ben ik iets vergeten? Haar verjaardag blijkbaar. Er knalt een kurk en een scheut champagne vloeit over mijn borst en dartele aardbeien liggen in een tupperwarepotje, te wachten op wat slagroom of een eerste beet.   “Ik neem je mee,” zeg ik haar, “over zeeën en oceanen, naar de monding van de Amazone, om er kleurrijke parkieten, kaketoes te vangen, om ze te pluimen en met hun veren een indianenjurkje voor je te maken, het over die fijne schouders van je te hangen, er je schoonheid, je onschuld mee te verbergen voor mijn dierlijke inborst.”   Ze lacht en ik geef toe dat ik lieg, “gewoon naar Heist, een avondwandeling over het mijnenstrand en dan naar The Old Steamer.”   “Ik wil hem best eens ontmoeten, die Billy,” zegt ze en met een scherp mes snijdt ze het groen van een aardbei, alsof ze een koning scalpeert en hem dan tussen haar tanden de kop leegzuigt.         Aardbeien vóór de storm deel 5 van het historische kortverhaal 'Billy Sønderland' uit de reeks  'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
1 0

Billy Sønderland (4)

Het is namiddag, rond drieën, op deze black Friday 28 november 2016 en de zon schijnt zowaar weder, zelfs op de gevel van het hoekhuis aan het begin van de Garenmarkt. Dit is het huis waar vorige generaties Vanderbilt woonden; nu ik. Er is een bistro aan de overkant van dit huis, Bistro Christophe, van Christophe, met kleine tafeltjes op het trottoir, waar ik een plaatsje vind naast enkele toeristische reizigers.   De trein heeft mij teruggebracht, de zak met de zilveren muizen die naast mijn voordeur stond, is verdwenen, ook geen Doesjka achter het raam. Onderweg lag hij voor me, op het oranje tafeltje in mijn wagon, de hartenkoning. “Heeft U ook een geldig vervoersbewijs?” vroeg de conducteur, die zijn rechter wijsvinger tegen zijn rechterslaap hield en daarbij een duim omhoog stak, alsof hij zichzelf door de kop ging schieten.   Ik toonde mijn railpass en stak de hartenkoning in mijn binnenzak, waar hij nu rust terwijl ik een Westmalle Dubbel bestel en onderweg tuurde ik in de richting van het westen, omdat die nietsvermoedende zon daar stond, boven grijze gedrochten, loodsen in de Zeebrugse achterhaven. Als mechanische everzwijnen waren ze daar in de grond aan het wroeten, kranen, bulldozers en werfwagens, die Dudzele en Lissewege onder het gras proberen te rijden, om er bredere bruggen en wegen aan te leggen, waarover ze zullen denderen, vrachtwagens met containers vol brol en biezonderheden, koelwagens met één miljoen kortharige groene kiwi’s, gele neven en nichten, ook uit Nieuw-Zeeland, of tonnen tilapia's, pangasiusvissen en lieve kleine piranha's, morsdood, onder strakgespannen folie en in weer andere dozen steken sinterklaasplastiek, hardhouten fallussen met een metalen onderkant, om flessen te openen, altijd grappig. Hier, in Brugse souvenirwinkels hangen ze, naast valse chocoladetieten en eindelijk verschijnt ze achter mijn raam op de eerste verdieping van de Garenmarkt nummer één.   Doesjka! Ik maak een scholbeweging met mijn glas en kijk toe, hoe ze de beide wreven van beide handen in beide heupen legt, trots haar jonge heupen heen en weer wiegt, een pirouetje draait. Een zwarte opblaaskroon prijkt op het hoofd van mijn teenage queen of spades, Pallas, godin van reine maagdelijkheid. Ze draagt een slobbertrui gebreid door de engelen van de wellust, horizontale strepen, paars, oranje, rood. Het zijn de kleuren van de vlag die prijken zal op ons eigenste eiland, ons nieuwe paradijs ergens in de Noordzee en haar adem blaast damp op het enkele glas. Ze tekent een hartje en ik voel. Ja, hij zit er nog! In mijn binnenzak. Met een zwaard door zijn kop.   De bodem, een slok door mijn strot en dan mijn trap op. Doesjka vleit zich neder in de sofa. Met een duimspijker bevestig ik de kaart die Natascha me toestak, aan de keukendeur. Als Doejska een hand op mijn sleutelbeen legt, een wijsvinger tegen mijn nek wrijft, zeg ik haar dat ik een zakje verse garnalen meegebracht heb, dat ik ze voor haar pellen zal, voorzichtig opbaren zal in de buik van een leeggelepelde tomaat, met wat mayonnaise, peterselie, en dat ik slechts een zoen van haar wil, alvorens ik mezelf vanavond, later, vannacht, onder een milde maan te slapen leg.         Teenage Queen of Spades deel 4 van het historische kortverhaal 'Billy Sønderland' uit de reeks  'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
0 0

Billy Sønderland (3)

De vuilniszak staat buiten en ik zelf ook. Gelukkig is er geen kat, geen kat die op de loer ligt om de zak open te scheuren, alsof er zilveren muizen zouden wonen achter het Gulden Vlies van de Heilige Maagd, en ook geen kat die weet wat er allemaal wél in steekt.   Alles wordt verbrand, bananenschillen, piep- en scheerschuim, flacons met restjes heimweewater, nageboortes van een schommelveulen, van een babydraakje, haakwerkjes, met liefde werden ze gemaakt om er een bierglas op te zetten en ze zwaait naar me, Doesjka, door het raam, onvoorzichtig, met een losse hand.   Op perron één zal hij op me wachten, de trein naar Zeebrugge-Dorp en na een kwartiertje stappen zal ik er zijn, in café The Old Steamer. Het zal een modern vehikel zijn, dat minder kabaal maakt dan de blauwe blokkentrein die even oud is als ik en van Hamburg via Basel helemaal tot in Genua kan rijden.     Als ik het etablissement achter de donkerrode gordijnen binnenstap, zie ik slechts één man zitten. Dat Marvin Gaye ooit in Oostende woonde, weet zowat iedereen, maar de kerel aan dit tafeltje daar, die woont in Zeebrugge en hij moet het zijn: B.B. King!   “Bernd Vanderbilt." Ik stel me voor, geef hem een hand, waarna hij een gebaar maakt, dat ik aan de andere kant van het tafeltje kan plaatsnemen. De dame die achter de toog twee fluitjesglazen droogde, staat intussen aan onze tafel: “Wat zal het zijn?”   Een Safir wil Billy en ik bestel een gueuze, terwijl ik met beide handen over de zachte flanelle van de zetel wrijf en wat te lang toekijk hoe ze haar boezem wat omhoogdrukt in de zwarte beha onder een spannend, synthetisch pulltje.   “Dat het geen hoerenborsten zijn,” zegt ze terwijl ze twee bierviltjes klaarlegt en een spel kaarten op tafel legt, “met de kaarten wordt hier soms gespeeld.” “Manillen,” zegt Billy, “enkel met een Engels kaartspel."   B.B. King, Billy Bagger King of Hearts, deelt de kaarten uit terwijl voor die twee onbetaalbare borsten van Natascha een kraag schuim op een glas bier verschijnt, een gueuze ingeschonken wordt. Billy vertelt over zijn grootvader, Nils Sønderland, een Deense matroos die in Zeebrugge was blijven plakken, aan het vel van Louise De Wachter, die bij de vismijn werkte en dat hij nu de derde generatie is die baggert bij Decloedt, dat het dankzij hem is dat die Chinese containerchepen binnengeraken in de haven.   Ik zie het zo voor me: Chinese mastodonten die de havengleuf zoeken en Louise, die elke avond weer zich de garnaalpelhandjes, het ganse lijf, zorgvuldig waste met citroenwater, want Nils kon elk moment thuiskomen van het ruime sop om in haar een halve aardling, de vader van Billy te verwekken.   “Dat is mijn job,” zo gaat hij verder, “elke dag weer, baggeren, in de haven, en ook buiten de haven, de vaargeul vrijhouden want op de Noordzee staat een sterke stroming, die zand meesleurt en weer afzet. Dat baggeren kost de staat jaarlijks 70 miljoen en wie gaan daar mee lopen: DEME, Decloedt, De Nul.”   Als ik hem uitleg dat ik meer te weten wil komen over het bommenkerkhof voor het strand van Heist, kijkt hij in zijn glas. “Piques troef”, zegt hij. We spelen, we drinken en telkens als hij als eerste aan slag is, legt hij, als hij kan, steevast de hartenkoning, die hij dan telkens aan mijn aas of harten tien verliest. “Merci, drie punten kado,” dank ik hem in het begin nog. Daarna zwijg ik en zegt hij dat een mens soms gewoonweg verliest, terwijl hij de mouwen van zijn hemd oprolt en ik niet vragen durf naar de littekens op zijn polsen.   Van doorvragen over die duizenden tonnen bommen komt niet veel in huis. “Wat interesseert jou dat,” is zijn antwoord en als ik hem probeer gerust te stellen, dat ik geen journalist ben, vraagt hij me: “Wat zijt ge dan wel, of leef je van de ziekenkas? Zoek toch een deftige job! Slijkspuiter of broldumper,” zegt hij smalend en staat dan recht. “Ik moet ervandoor, morgen vroeg op, weer aan de slag op de Vlaanderen Twintig,” en hij verdwijnt in het deurgat.   Ik blijf nog even zitten, raap de kaarten samen. Natascha komt afruimen, ik betaal het gelag en zij haalt de hartenkoning uit het pakje kaarten. “Neem hem mee,” zegt ze met een knipoog, “Slaap er eens over. Vergeet het niet. Engels kaarten, nooit Franse!”       King of Hearts deel 3 van het historische kortverhaal ‘Billy Sonderland’ uit de reeks  ‘Waanhoop’

Bernd Vanderbilt
1 0

Billy Sønderland (2)

  Ze moet 's avonds in een bestiaal hoofdstukje van Mieke Maaike’s Obscene Jeugd hebben liggen lezen, daar in haar nest in slaap gevallen zijn nadat de hond naarstig gelikt had, en een droom van jewelste gehad hebben.   De wind is geluwd en ze komt mijn slaap- en schrijfkamer binnen, gaat op de rand van mijn twijfelaar zitten. Zoals altijd is haar jonge lichaam bij nacht en ochtendgloren slechts in een XXL T-shirt gehuld en hangt het katoen tot net onder haar lentetuin.   Of ik het erg vind, dat ze alle potjes chocomoes alleen heeft zitten opeten? Dat er nu enkele bruine vlekken zitten op Boons bladzijden. De antwoorden kent ze. Ik zwijg eerst en vraag haar dan om de vuilnis buiten te zetten. “Vandaag ook PMD, karton en papier,” zeg ik, “maar doe het boek nog niet weg.” Aan haar blik zie ik dat er een voor-wat-hoort-wat-spel zit aan te komen.   “Alleen als ik eens warm paardenzaad, van een Arabisch volbloed mag voelen,” zegt ze zonder op haar lip te bijten, “hoe het over mijn buikje loopt en mijn kerststalletje vult.”   “Dan moet ik je teleurstellen,” antwoord ik, dat in de kelder van dit huis geen bokalen met paardenspul staan heb, dat de gleuf in de voordeur voor mensenpost is en ik niet meedoe aan dat kerstgelul.   “Kijk wat je kunt doen,” en op haar tenen stapt ze over de lege flesjes lambiek die naast mijn bed liggen, trekt haar T-shirt wat naar beneden. “Ik zet alvast koffie.”   Voor het verhaal en na lang goede-huisvader-gegoogel vindt hij die zocht: 8000 EUR voor een scheut Arabisch zaad van Quail Ridge Marc “de mooiste van Dubai”, verkrijgbaar in de stoeterij Knocke Arabians van Paul Gheysen, was in 1980 nog tuinaannemer en heeft nu een vermogen van 650 miljoen EUR, vergaard via Ghelamco, met de bouw van immense hangars in Polen, Rusland en Oekraïne. Nu richt hij zich meer op de Belgische markt, voetbalstadions, louche deals met burgemeesters, financieringen via Optima Bank en watermaatschappijen, Charleroi-aan-de-Leie, blablabla...   “Zuiver van bloed, die hengst, zoon van de merrie Sweet Dreams,” zeg ik haar. Ze is naast me komen staan. Met haar handen rond de tas geslagen, leest ze mee van mijn scherm. “Meer bonen waren er niet,” zegt ze en bladert door die Knack van 22 november, probeert nog wat stront van Daniëls knikker te krabben.   Ik klik op afsluiten, sta op, trek mijn pyjamabroek recht. Het zijn die rustige strepen, die barcode van een zebra, die mij rechthouden. Ik moest maar eens een koud bad nemen, er fris gaan uitzien als een noordzeegarnaal in februari.   “Doesjka, laat ons wachten op de winter.” “Ik weet het,” zegt ze, “dan graast hij stilletjes, hier in de tuin, ruikt hij de klokjes.” “Ja, dat ezeltje, met roze laarsjes, en sokken van een geit.”         Knikkerstront en paardenzaad deel 2 van het historische kortverhaal 'Billy Sønderland' uit de reeks  'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
0 0

Billy Sønderland (1)

Doesjka woont er nog altijd, in het zonnige achterhuis. Een hersenchirurg zou haar logeerkamer, dat bed met spiralen, dons en overtrek met oermotieven omschrijven als “een broeinest, ergens achter het gebied van Broca, een nest met kraaienkuikens, boven in de vezels van de achterhoofdskwab, waar zij te veel ziet maar zelf niet gezien wordt”, en ze roept naar me dat ik naar de Spar moet, "om drank en drugs!”   Ik zeg haar dat ze mij nooit aan de nicotine of marokkanenhennep zal krijgen en zeker niet op deze quade saterdach, want het stormt, stormwinden heersen over het land, stormschade zal er zijn, een overbelaste noodcentrale, en een eik zal ongelukkig vallen, op een krijsend wijf dat loopt te vechtscheiden in het bos. Haar man zal met zachte hand de schors, het mos en het bloed van haar gezicht vegen, haar optillen, op de achterbank van zijn leasingwagen leggen en naar een ziekenhuis voeren. Hoe het zal aflopen weet ik niet, maar Frank had gewaarschuwd: blijf binnen!   Fuck Frank!  Tegen de wind in ga ik. Bladeren, meeuwen, brokken PUR-isolatie van een in aanbouw zijnde residentie vliegen door de lucht, maar ik geraak er voorbij, voorbij de kraan en de nieuwe blok, die nog grijs is, vanbinnen en langsbuiten. Alles wacht behalve ik, rode pakken baksteen op een metser, kalende mensen op de oplevering, op die eerste druppel water uit de sproeikop van de inloopdouche met handgrepen voor wilde rimpelseks en ik hoor haar naroepen, als een echo die op een grassprietje fluit, dat ik bier moet meebrengen, spekkelbrood, kip curry, chips met paprika. “En chocomoes!”   Het moet jaren geleden zijn dat ik ze nog kocht: een flesje Piraat Tripel Hop en een tijdschrift omwille van de kop. Doch vandaag, nu al dat kwaad dreigt onder een grauwe hemel, laat ik me vangen en koop ik de Knack. Vijf euro vijftig cent voor enkele Russische callgirls. “Dat hij daar nooit voor uitgenodigd werd,” houdt de kop vol. Hij kijkt streng, de lippen op elkaar en boven zijn voorhoofd, staat het, dat Trump een fascist is, over de revolutie van de blanke merderheid, dat De Winter het weer eens gaat uitleggen waarom in een hogedrukgebied de windhozen altijd naar rechts, met de klok meedraaien.   “Het waren beschouwingen over populisme, Piet Piraat, het zwakke vlees op pagina 35 en de malse blik van de kassierster die mij aanzetten tot de aankoop van dit tijdschrift,” leg ik uit aan Doesjka, die op het aanrecht gekropen is, de benen niet stil kan houden terwijl ik het bier, de kip, curry, choco, moes in de frigo steek.   Frank heeft gelijk: binnen blijven, cocooning is in. Straks met Doesjka het bad in, schuimbellen blazen en nadat ze zich afgedroogd zal hebben, zal ze zich de mond roden, met de lippenstift een neerwaartse pijl op haar buik tekenen. Daarna en met dezelfde kleine lepel zullen we proeven uit hetzelfde potje, komen er bruine vlekken op haar warme tong, van de chochomoes.   Met haar wil ik immer, blijven leven, uit dezelfde pot eten, zoals weleer, gewoon, pap van twee broden, bouillabaisse van vijf vissen en hij kijkt toe vanuit zijn kader, de grootvader van mijn grootvader, Victor Vanderbilt, wiens foto niet vergelen wil en die me eraan herinnert: vrijdag is het zover, de ontmoeting met B.B. King te Zeebrugge.       Fuck Frank! deel 1 van het historisch kortverhaal "Billy Sønderland' uit de reeks 'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
0 0

Zondebloemen (slot)

Als ze toekomen in de bed & breakfast ‘la Femme du Couchant’ te Revogne, valt de frank van Roeland: “Dat was gedomme de Magirus van mijn vader in die bocht. Hij komt in die bossen everzwijnen laden voor Van Hoornweder!” en hij pakt de sleutels van de Simca uit Lewis’ jas.   “Ik rij wel”, zegt Lewis en ze scheuren over de N355 terug naar Daverdisse. De boswachter ligt al lang met zijn okapi in bed, maar op de bosweg richting oevers van de Lesse, schijnen ze, de koplampen van de Magirus. Een knoeste gestalte sleept spartelende wezens over een laadklep de kamion in, geeft ze met een voorhamer een klop op de kop als ze te veel tegenwerken.   Roeland zoekt en vindt een knots, een kort stuk eik, nadert de man in de rug en slaat hem de schedel in. Als Florimond na een tiental minuten geen stuip meer trekt, roept Lewis: “Hij is verdomme de pijp uit, dat vadertje van je”. In de Magirus vinden ze twee koorden, binden er één rond elke enkel en sleuren Florimond naar de Simca.   Terug in ‘la Femme du Couchant’ neemt Roeland een lange douche, stuurt Lewis een smsje naar Gladys: de dwerg is er geweest, morgen schilderen en een zoen van Roeland   Bij dageraad laten ze Revogne achter zich. Met het lijk van Florimond in de koffer rijden ze door Tilleul en nog verder, tot temidden de immense zonnebloemvelden van Beauraing. Nu nog geen kat of vogel te bespeuren is, binden ze het lijk van Florimond ondersteboven op een achtergelaten driepikkel. Enkel het geraamte staat er nog, vogels zijn met het hooi gevlogen en uit het handschoenkastje haalt Lewis een vlindermes. Het heft legt hij in de hand van Roeland.   “Als een konijn,” zegt Lewis, die een klein spieraam met doek, tubes en kwasten van onder de achterbank van de Simca haalt. Roeland aarzelt niet, snijdt Florimonds kruis eruit, haalt de ingewanden eruit, sleurt ze in een gracht en vilt zijn vader, als een tam konijn. Met een stevige draai wringt hij hem de nek om en snijdt de laatste pezen door, die de kop met bebloede ogen nog vasthouden aan de ruggegraat.   Samen met Lewis, draait hij de romp met ledematen weer met de poten naar beneden. Lewis keert terug naar zijn schildewerk en Roeland vult de romp met kruid en distels, haalt een kleurig kleed uit de tas van June Palmer die ze in de Simca vergat en verscheurt het tot wat lompen voor de vogelverschikker; haar hoed en nog meer gras maken hem compleet.   Lewis duwt wat grijs, zwart, wit en rood, de bodem uit zijn tubes en ze wachten, op de condor. Een gsm rinkelt. Die van Roeland. Gladys, en Roeland stelt haar gerust: “Ik heb er één gevonden, een konijn met rode ogen. Onderweg stoppen we nog bij een Aldi, voor bruin bier, een zakje droge pruimen.”   Vol verwachting. Ze staat. Bijna poedelnaakt. Bij de telefoon en slurpt nog wat vruchtensap uit het heldere glas. Haar lippen bijten het rietje stuk en het sap sijpelt over haar loesjes, langs haar dijen. Tot. In. Haar. Roze. Laarzen. Met print. Van dolle zondebloemen.         Zonnebloemen te Beauraing laatste deel van ‘Zondebloemen’ uit de reeks  ‘Roeland Wittebolle’

Bernd Vanderbilt
0 0

Zondebloemen (7)

Ze rekenen af, Lewis zijn ferme prenten (van Pepper Powel, Machine Gun Kelly, Winnie Garnett en Penny Page), Roeland drie exemplaren van Anneke en Teefje, gesigneerd door de the writer himself, Mike Van Hulle. Roeland had er graag ook een handtekening op gezien van de tekenaar, Benny Weensteen, maar waar Benny momenteel uithangt, weet Mike niet. “Mollen aan het vangen, in een gang onder de grond, het is nu zomer en ze leven minder diep,” zegt Mike lachend.   Ze verlaten het lugubere pand. In sommige dozen hebben ze niet eens gekeken en Lewis wil Roeland in ‘le Clocher' trakteren op een glas kabouterbier uit Achouffe om te toasten op het heengaan van de blauwe gnoom.   Terwijl de barvrouw, voozien van een klokkenspel als een zwangere okapi, met een biermes het schuim op hun glazen een kopje kleiner maakt, leest Roeland de toeristenfolder die hem in de handen gestopt werd door een man (met snor en vernikkelde brilmontuur):   geleide rondleiding in de nauwste spleten van Ham op mosselen vissen aan de oevers van de Semois gratis naailessen in de abdij van Soleilmont kinderspelletjes plus clown in de kelders van Sars-la-Buissière snorkelen bij de watervallen van Coo   “Van een flauwe plezanterik, dat foldertje,” zegt Lewis terwijl hij een peket de Namur bijbestelt en er een bordje koude bloelingschijfjes bijkrijgt, “en nu nog een plaats vinden om te overnachten.” Ze betalen het gelag en vertrekken richting Revogne. Onderweg in de bossen van Daverdisse is er een wegomleiding, en houdt een boswachter de Simca tegen: “dat ze de omleiding moeten volgen en als ze weer op de N355 komen, ze dan best niet afwijken van de hoofdweg. In de bossen van Daverdisse liggen de everzwijnen te creperen van de jeukpest!”   Lewis zet de radio op en terwijl ze luisteren naar ‘Je t’aime moi non plus’ van Gainsborug, denkt Roeland aan tante Gladys, aan de paarse bloemen van haar aubergines met die stamper als een veel te grote clitoris.   “Jeukpest is niet eens besmettelijk voor de mens,” zegt Roeland en Lewis moet fors bijsturen om in een bocht de tegenligger, een donkerblauwe Magirus, te ontwijken. “Hoe weet je dat?” wil Lewis weten. “Mijn vader vervoerde tientallen zwijnen met de jeukpest. Aan een touw rond hun achterpoot sleurden we ze in de kamion en we voerden ze naar Sijsele, waar ze gewoon in worst gedraaid werden. Van Hoornweder stond in zijn handen te wrijven. Geen cent voor betaald, geen mens die het proeft, geen mens die er ziek van wordt, zei hij tegen mijn vader.”         Geen okapi’s te Daverdisse deel 7 van ‘Zondebloemen’ uit de reeks  ‘Roeland Wittebolle’

Bernd Vanderbilt
0 0

Zondebloemen (6)

Rechts voorbij een automobielenfabriek en een gillende meisjesbus, links voorbij een pampermanufactuur en een lijkwagen met verstorven banden, dwars door een gesplitste kieskring, over viaducten, asfalt en volle strepen. Het is een bundeltje ‘best of’ dat aan Roelands voeten ligt. Eva Eden, Irma the Body, Michelle Angelo en Bambi Leigh. Pas aan het vierarmenkruistpunt, waar een stapel Smart-voituurtjes in een glazen koker het Zoniënwoud probeert te overstijgen, komen ze in een file te staan. Roeland kijkt door het raam van de Simca en alles lijkt er op een rij te staan:   Adonis op een Kawasaki Kevin op zijn driewieler plofkipsoldaten in een Unimog vijf prinsessen, tiental peertjes, glazen muiltjes in een overvolle koets moeder met een kruiwagen op het logo van een bouwbedrijf een beestenwagen met elf paarden en één dode poney   “We moeten het bord E411 volgen,” zegt Lewis. Ja de E411, de autostrade naar Stockem en Arlons, die begint na die scherpe bocht en net voorbij die blinde darm, die er als betondiarree uit de aars van Brussel begint te druipen, richting Luxemburg, waar de blanke goegemeente zich met zwart geld de reet schoonveegt.   Lewis moet er remmen, daar in die bocht bij Jezus-Eik en als hij volledig stilstaat, stapt ze in via het rechter achterportier van de Simca, gaat midden op de achterbank zitten. June Palmer herself, in slechts wat zwarte lingerie. Ze spreidt zich de benen en de bijzondere lucht van een nylon poes slaat hen rond de oren. Lewis knipoogt naar haar in zijn achteruitkijkspiegel en als ze haar onderste ledenmaten één voor één tussen de voorzetels steekt, weet Roeland instinctief dat hij die naaldhakschoentjes uit moet trekken. Hij moet aan tante Gladys denken, hoopt dat ze zich niet laat naaien bij die kunstsmid te Poperinge.   June slaakt een zucht van opluchting nu haar voetjes niet meer gekneld zitten en al gauw hangt de zwarte tule van een even donkere beha over de schouder van Lewis. Dat ze niet onderweg zijn naar een beurs voor kwekers van exotische bonen, vertelt Roeland haar, terwijl hij haar zuignapjes bewondert. Te opzichtig misschien, want het lijkt alsof ze haar handen voor de boezem brengt, om er een grote hostie te breken.   Roeland kijkt weer voor zich. De Scania voor hen vervoert varkens en een jonge beer steekt zijn kop door de opening in het achterberd, terwijl June de armen spreidt en haar vingers over de rug van de achterbank glijden, om daarna haar benen nog meer te spreiden en haar tintelteentjes onder de voorstoelen te schuiven.   Lewis rijdt een parking op (van de Aire de Services te Bierges) en tankt de Simca vol. “Rij jij maar verder,” zegt hij tegen Roeland, die uitstapt en plaats neemt achter het stuur. Lewis stapt achteraan in, via het linker achterportier en neemt er plaats naast zijn eeuwige liefde. Roeland schakelt en vindt de versnellingen. Pas als de Simca op volle snelheid is en een volgende helling afbolt, kijkt Roeland in de achteruitkijkspiegel. June en Lewis zijn verdwenen. Het is de blauwe kabouter, die al die tijd in de koffer opgesloten zat, die nu smalend naar hem lacht, zonder ogen, zonder broek. Hij zit aan zijn minipietje te trekken en naast hem liggen een zwarte beha, een ongeopend blik witte bonen (gnomenklootjes in tomatensaus) en ook een stel verleidende ogen, op de cover van Kamera n° 32, photographed by Harrison Marks, featuring June Palmer.   Een gsm rinkelt. Die van Roeland. “Hoe je het, duizend borsten en bananen, in je kop haalt om me achter te laten bij die Esso,” roept Lewis door het toestel. “Ik dacht dat je met haar op de achterbank lag,” antwoordt Roeland. “Ik op de achterbank? Met haar? Met wie? Keer terug, jij geile ukkepuk!” waarna Lewis neerlegt en Roeland naar derde terugschakelt. Via de afrit Waver maakt Roeland rechtsomkeer en als hij weer bij de Esso van Bierges is, trekt Lewis een achterportier open, grijpt de zwarte beha bij de lintjes en de kabouter bij de keel. Hij blijft knijpen en als die blauwe dwerg de pijp uit is, rolt hij hem in de beha en kiepert hem in een vuilnisbak.   “Niemand zit nog met zijn fikken aan dit stuur, behalve ik, en zeker niet zonder rijbewijs,” schreeuwt Lewis, terwijl hij met zijn linkerhand op het stuurwiel slaat, daarna een zakfles uit zijn jas haalt en wat jenever naar binnen kapt. Hij slikt, herpakt zich en zegt: “Gij dreutel, gedomme, hoe is het mogelijk?”. Hij houdt zijn vuist twee seconden lang tegen Roelands kin, start dan de Simca en ze rijden verder, richting Redu.   In Redu parkeert Lewis zijn vierwieler naast ‘Mike & Benny’, een winkeltje in een kramikkelig pand naast een poelier. In de rekken staan en liggen, hangen roze jurkjes, balletbroekjes, macaber zijn de maskers, en vooral veel brol, kettingen en nagels met een punt, zelfbouwdozen voor een spijkerbed, lederen corsetten, riemen voor een hond of elf en nog meer klit en kluwen. Het is hier een echte augiasstal, denkt Roeland bij zichzelf.   “Mein friend Lewis!” roept Mike als hij Lewis ziet en klopt hem op de schouder. “Ik wist niet dat je een soon had,” gaat hij verder. “Deze picaro is de neef van een vriendin,” zegt Lewis terwijl al in een stapeltje vergeeld naakt begint te snuisteren. “Lewis een friendin?” lacht Mike en wijst Roeland een stapel stripverhalen aan. “Hier, fripouille, van mijn hand!”   Roeland knikt en leest het voorblad : De avonturen van Anneke en Teefje, Kelderzipken en de zijnen, tekeningen van Benny Weensteen en tekst van Mike Van Hulle.         Kelderzipken shags Bambi Leigh deel 6 van ‘Zondebloemen’ uit de reeks  ‘Roeland Wittebolle’

Bernd Vanderbilt
0 0

Zondebloemen (5)

Eerst cirkelen ze nog de ijzervogels, vliedend boven het witte veld, waar in het midden kuit van felrode forellen ligt, meer dan een handvol, tussen de duizenden edelweissjes, net als een merkpunt in Japanse grinttuin, waar van onder elke kiezel een witte bloem kroop, kleurloos als de dood.   Niet Attis, maar de macabare handen van Florimond hebben er een slagnet klaargezet, de rode visparels erin gelegd en hij wacht, in een hazelstruik, tot ze neerstrijken en het net toeslaat.   Het is Chione, godin van de sneeuw, die de ijsvogels redt. Vlokken dwarrelen neer en de rode kuit verdwijnt onder een laag sneeuw. Florimond ontsteekt in woede. Furieus is hij, zijn oogaderen spatten en het bloedt druipt van zijn gezwollen kop, drupt in de sneeuw, lokt een condor, die hem als een reuzenspecht de schedel openhamert, de gruwel, zijn hersenen en de foetus van de Hydra eruit pikt en wegvliegt.   Roeland daalt en landt, stapt uit zijn kleine zeppelin. Zijn beide armen steekt hij omhoog, strekt ze in de vrieslucht en slaakt een kreet van bevrijding naast het lijk van zijn vader.   Op zijn sleutelbeen voelt Roeland een hand, van Chione, die hem sneeuw aanreikt, waarmee hij zich de geest reinigen kan en ze leidt hem mee. Hij zweeft en kleeft aan haar zuivere sluier. Verslingerd raakt hij, zoent haar in het bos van de minne.   Chione, rein en wit, hunkert naar zijn wilde kleuren, kleedt hem uit. Hij voelt haar lichaam warm worden en zijn geslacht zwelt, glijdt tussen haar dijen, eksters tikken op het raam en Roeland schrikt wakker.       Roeland laat Gladys los. Lewis werkt hier en daar het rood en het wit nog wat bij op het schilderij. “Het is geen Oidipus en Iokaste geworden,” zegt Lewis maar dat lag niet aan mij.   “Wat kan ze heerlijk fluisteren...” Veel meer kan Roeland niet uitbrengen en tante Gladys trekt wat velletjes wc-papier van het rolletje, wrijft Roelands zaadcellen uit haar rosse driehoekje en haar lippen zeggen in zijn blozende oor: “Het geeft niet, jongen, ik vergat zelf te stoppen bij het wegvliegen van de condor.”   Ze schenkt hem en Lewis nog wat jenever in. “Als mijn Simca starten wil, rijd ik zachterdag via Rochefort, helemaal tot in Redu. Misschien vind ik er nog wat exemplaren van Kamera of zit June Palmer op me te wachten in l’Auberge du Désir,” zegt Lewis.   “Redu, het boekendorp?“, vraagt Roeland. Gladys knikt en strijkt Roeland door het haar, “en June Palmer stierf tien jaar geleden,” gaat ze verder, “het is gewoon een nare necrofiel, die Lewis!”   Lewis lacht en zegt: “Rij met me mee. We kunnen er overnachten. Een weekendje uit, samen, als een klavertje drie.” Roeland knikt en Gladys vindt het een goed idee: “Neem hem maar eens mee naar die berg schimmelboeken. Zelf kan ik niet. Ik moet naar een kunstsmid te Poperinge.”   “Om haar kuisheidsgordel te laten repareren,” zegt Lewis, die zijn glas achterover kapt.         Kuit voor de vogel deel 5 van ‘Zondebloemen’ uit de reeks  ‘Roeland Wittebolle’

Bernd Vanderbilt
0 0

Zondebloemen (4)

Door het hek. Gladys roodt zich de lippen nog een keer en Lewis heeft een deur, waarop men kloppen kan, hetgeen gebeurt en Lewis is thuis, Roeland nog lang niet. Gladys vertelt Lewis iets over bloed en beuling, over schuimbrood en een brand. Ze gaat dan vlak voor hem staan, op haar tenen, alsof ze achter hem ook brandweerwagens gehoord heeft en over zijn kop wil kijken om ze te tellen. Ze geeft Lewis een zoen op het voorhoofd en een afdruk van haar mond prijkt boven zijn wenkbrauwen. Slechts vel, wat bot en een hersenvlies scheiden de rode smak van zijn frontale kwab. “En waag het af te vegen,” lacht ze de slaperige man toe, wiens huis op een volgestouwd arsenaal lijkt:   beitels, magazines, raspen duimspijkers, vingerschroeven, affiches rolletjes, kwasten en filmbanden prenten, boeken, uitgescheurde billen vijlen, velletjes en blokken hout   Krabbelpennen en een rol wc-papier liggen op een schrijfbureau; in de hoek van de enige kamer staat een ezel met een blanco doek. Overal waar Roeland kijkt hangt wel wat schaamhaar uit de stapels (op vergeeld papier); tepels en borsten hangen her en der, als te veel abrikozen in dezelfde boom, te veel bomen in hetzelfde bos. Gladys merkt dat Roeland niet weet waar eerst te kijken en zegt: “Op den duur let je er niet meer op. Hij verzamelt die dingen als reservenaalden voor die ene roze den die maar niet groeien wil.”   Roeland durft te lachen en Lewis schudt het hoofd: “dat doet ze nu elke keer, de draak steken met mijn collectie”. Hij zet een kan rozenbottelthee, en drie tassen bovenop een toren prenten en tijdschrijften, waarvan de bovenste mammeloesjes (die van Ann ‘bang bang’ Arbor) het al snel warm zullen krijgen, denkt Roeland.   “Of schenken we die knaap iets sterkers in?”, zegt Lewis. “We zien wel”, antwoordt Gladys, die Roeland op de dij klopt. De thee verdwijnt in hun keel en Lewis werpt Roeland een goedkeurende blik wanneer hij in één van de magazines begint te bladeren. Dude Magazine, March 1965, The Russian Bared or one day in The Life of Tanja Tolstoj.   Gladys staat op, zegt dat ze dringend moet, trekt wat velletjes van de rol wc-papier, verlaat de bungalow en stapt naar het vertrek op de achterkoer. Als onderweg haar hak in een verdwaalde dennenvrucht blijft steken, trekt ze het muiltje uit en slingert het naar het hoofd van de blauwe kabouter, die het projectiel niet ontwijken kan.   Twee mannen, temidden massa’s bloot en naakt. Lewis moet het kwijt aan Roeland: “Duizend borsten en granaatappelen! Dat is me wel een tantetje dat jij hebt. Dat ze al die jaren lang quasi onaangeroerd gebleven is?” “Geef mij toch maar een dreupel”, zegt Roeland, want straks komt ze terug met in haar hart de ziel van Iokaste, met een lege blaas, met niets aan en zonder muiltjes.           Duizend borsten en granaten deel 4 van ‘Zondebloemen’ uit de reeks  ‘Roeland Wittebolle’

Bernd Vanderbilt
0 0

Zondebloemen (3)

Het is als in een elektrische slow motion western. Ze springen uit de trein en komen in een dorre berm terecht met enkel grint, een poppenpoot en een halve neonbuis. Zij het dan op een druilerige zaterdag want in Amerikaanse cowboyfilms schijnt altijd de zon en tante Gladys neemt hem bij de hand, in een poging zijn aarzelende tred te versnellen.   “Niet bang zijn, Roeland. Niets staat op het spel. Ik heb al eerder voor Lewis geposeerd. Laatst schilderde hij me als Artemis temidden een toom krielkippen. ‘Breng de volgende keer een jonge knaap mee’, zei hij en ik dacht onmiddellijk aan jou.” “Is het de bedoeling dat we samen iets doen op dat schilderij?”, vraagt Roeland. “In een schilderij leeft hoogstens ongrijpbaar verlangen, maar wat Lewis precies voor ogen heeft, weet ik niet”, zegt Gladys die haast een hak omslaat op enkele grove keien. Ze stopt bij een paal die zonder geweld de bovenleiding zweven doet, neemt lippenstift uit haar handtas, zoent de lucht om haar lippen wat extra te kunnen roden en tekent daarna een even rode smiley op de paal. “Ik heb aan je moeder beloofd goed voor te zorgen, je verder op te opvoeden, ver weg van die beul,” gaat ze verder, “ik wil dat binnen enkele jaren elke vrouw van je zou zeggen: dit is nu pas een man!”   Zij kijkt hem aan, hij in haar ogen. “Ik zal straks de ganse tijd bij je zijn, lieverd, en Lewis is een vrijdenkend man. Hij heeft ook een aardige collectie oude filmpjes. Harrison Marks. Zegt dat ik de ziel van June Palmer in me draag.” “Nooit van gehoord,” zegt Roeland terwijl hij vijf cent op de sporen legt. “Ik breng je wel op tijd op de juiste gedachten,” stelt ze hem gerust, “of misschien juist op andere gedachten en fluister ik wat in je oor, misschien wel een verhaal over je vader, die zich in een hazelaar verbergt, naast een edelweissjesveld, vlakbij een kleine Noorse nederzetting met falurode huisjes. De gevels zijn er geschilderd met walvisbloed en in het witte veldje heeft hij een val gezet, met knalrode bessen erin, om een zwerm lijsters te vangen en ze daarna met blote handen één voor één de kop af te rukken.” “Niet grappig,” zegt Roeland, “maar het zou een ongepaste opwinding wel snel naar de wip helpen.” “Ongepast is relatief”, spreken haar lippen, terwijl haar duim en wijsvinger een glimlach vormen en hem bij de kin vasthouden. Ze kijkt hem opnieuw prangend aan en wanneer ze loslaat, zegt hij: “Je klinkt net als een wijze filosoof, een oude Griek met witte krullen.”   “Straks zal je wel merken dat ik geen witte krullen heb,” plaagt ze hem, “we moeten doorstappen. Hij woont ginds in een bungalow, in een naaldbos.” In de verte zien ze de dennen al. Er loopt een pad tussen stammen, hars en een laag afgevallen naalden, die met de jaren de grond en het leven van de bosbloemen zuur gemaakt heeft. Dan moeten ze nog door het smeedijzeren hek en voorbij die blauwe kabouter, zonder broek en zonder ogen.         Vijf cent voor twee ogen deel 3 van ‘Zondebloemen’ uit de reeks  ‘Roeland Wittebolle’

Bernd Vanderbilt
0 0

Zondebloemen (2)

  Zaterdagochtend, in zijn kamer met aan de muur één poster van Darlene Bubbles en één van Skinny Puppy. Roeland opent het raam. Gisteren was het nog een hot-and-shiny-borsten-worsten-dag, waarop de zon een vermeende vrolijkheid uitstraalde; vandaag is het kil en bewolkt. Een schimmelpaardje trekt een grijze koets door de lucht. Het ding drijft dichterbij en vervoert twee schapen, met of zonder kop, want ogen of oren kan hij niet onderscheiden van de rest. Het gevaarte vliegt gevaarlijk laag, zal straks misschien blijven haperen aan de appelaar. Dan vallen de schimmel en de schapen in de groenselhof om daar een hoop vuile sneeuw te vormen.   Ja, sneeuw op een ochtend in september en mijn vader, Florimond Wittebolle, heeft deze nacht allicht weer enkele stervende koeien in zijn Magirus getakeld om ze naar Van Hoornweder te voeren, naar dat kleine Sijseelse slachtkot waar ze nog snel in stoofvlees versneden werden.   Aan de horizon ziet Roeland rode voertuigen, rijdende ladders en blauwe zwaailichten. Misschien hebben enkele van die getikte Lotjes het gesticht van Onze-Lieve-Vrouw in de fik gestoken, en staan Lieselotje, Charlotje, Lancelotje en Lorelei buiten naar de vlammen te kijken, allen met de handen in het verwarde haar en de voeten in pantoffels van konijnenpels.   Als Roeland de keuken binnenkomt, staat tante Gladys blootvoets voor het aanrecht, op haar tenen, om alles beter te kunnen zien. Ze leunt voorover waardoor haar benieuwde tepels de vensterbank bijna raken. Zeven brandweerwagens telt ze en op haar negligé prijken ongeplukte anjers, eronder leeft dat zachte vel   Snel! Koffie moet ik zetten. Deze ochtend geen gepluimde kippen in de keuken! Anders gaat ze klappertandend rondlopen, om ze te vangen, en verschijnen er rode vlekken op de muur, bloed dat uit hun koploze nek spettert.   “Daar had ik nu zo’n trek in”, zegt ze met een stem als warme melk, terwijl ze met beide handen de tas streelt en wat koffiedamp in zijn richting blaast, “neem ook een tas en trek straks iets warms aan.” “Waarom?”, wil Roeland weten. “Vertel ik je straks wel, op de trein naar Paardenput.” “Paardenput?’ “Ja, Paardenput”, glimlachte ze. Ze drinken en ze zwijgen. Tante Gladys laat een hemels boertje. Haar kop is leeg (de tas, bedoelt hij) en spoelt hem in de pompbak.   "Ti-da-ti-da-ti-da..." Zingend als een blijde ambulance, loopt ze de trap op terwijl haar flinterdunne negligé zonder twijfel openvalt en als een verkwikkende sliert ochtendnevel achter haar aandrijft. Roeland probeert nog aan een eeuwige zomer te denken maar haalt dan toch een pullover uit de wasmand en trekt die aan boven een losse jeansbroek. Een onderbroek vindt hij niet.   Ze gooit een elastiek naar hem voor ze de fiets opkruipt: “om boven je rechter enkel te doen, anders draait je broek in de ketting” ...en komt die slurf uit zijn broek te hangen, denkt zijn scrotum. Onderweg naar het station van Brugge, passeren ze de nasmeulende, platgebrande, brood- en boterkoekenfabriek. “Dit stond dus in lichter laaie deze ochtend. Vaarwel tonnen schuimbrood en vettigheden!”, zegt tante Gladys met een stem die harder klinkt dan hij gewoon is en ze test haar fietsbel wanneer ze de laatste brandweerman voorbijrijdt. Blusschuim hangt hem tussen de benen.   De fietsen maken ze 1-2-3 met een cijferslot vast aan een ursusdraad, die een hondenkakperkje scheidt van het trottoir. Op het perron wacht een trein, op sporen, wissels, bruggen en tunnels. “Die nemen we,” weet ze, “de boemeltrein naar Brussel. Die zal wel stoppen in het station van Paardenput.” “Als jij het zegt...” en Roeland neemt een krantje van de grond, begint uit de rubriek ‘vakantie en tijdverdrijf’ luidop voor te lezen:   driedaagse sauna in Helsinki helend bubblebad in Bollywood treinreis door een Ijslands paradijs weekendje in Willy Wankerland slurffestijn in Florida   Gladys lacht waardoor haar bolle welpjes weer wakker schrikken. Terwijl hij een slapertje uit zijn oog rechter oogput peutert, neemt zij de gratis krant van hem af, mept er een wesp mee dood en het zwartgele wezen valt op het oranje tafeltje. “Moordenaar,” zegt Roeland zonder enige verontwaardiging in zijn stem. “Ben ik allergisch aan, aan bijensteken, wespensteken, breisteken en bereid je maar voor, mijn jongen. Straks te Paardenput moeten we volledig uit de kleren. Warm is het niet vandaag”. “Geloof ik niet”, zegt Roeland, terwijl zijn slurf het tegendeel beweert. “Echt. Oidipous en Iokaste. Bij een schilder. Model staan. Maar ik ben je moeder niet, dus maak je geen zorgen, lieverd. Gewoon jezelf blijven, poseren, eigenlijk een stilleven, want een schilderij is maar een momentopname.” Als jij het zegt, denkt Roeland terwijl hij de schuin naar onderen wegdruipende regendruppels op het raam volgt; ze kruipen gelukkig door de wand van de wagon en hopelijk slaagt hun koelte erin zijn zestienjarige willy weer wat kleiner te krijgen.   Dit alles terwijl er niet eens een station is te Paardenput en ze niet eens op een stoptrein zitten. Het is een intercity en eenmaal voorbij Aalst stopt die pas in Brussel-Zuid. Maar er is een stroompanne, net voorbij de bocht bij Paardenput. Een kraan is bij een overweg in de buurt van Erembodegem tegen de bovenleiding gereden. Enfin, de conducteur komt langs en vraagt de reizigers om uit te stappen en zich te voet westwaarts, naar de bushalte ‘Paardenput’ te begeven. “Daar zullen vervangbussen U dan afhalen”, stelt hij gerust.   De wesp lijkt definitief dood te zijn. Geen stuiptrekking zal die angel nog in beweging krijgen, denkt Roeland. Met zijn hand veegt hij de wesp in de krant, die hij als een lijkverbrandingsbootje onder het tafeltje bij het raam houdt, legt de wesp daarna te rusten in de kleine assenbak en sluit het dekseltje. “Kom we gaan,” en Gladys trekt Roeland bij de mouw, “Lewis wacht op ons. Straks is zijn verf al droog.”         Stroompanne te Paardenput deel 2 van ‘Zondebloemen’ uit de reeks ‘Roeland Wittebolle’

Bernd Vanderbilt
0 0

Zondebloemen (1)

  yoghurt op Griekse wijze schuimzeep pitloze pruimen honing konijn kaaskroketten     Roeland overloopt het boodschappenlijstje en vermoedt dat hij het konijn met rode ogen niet zal kunnen vinden, ook niet slapend, de oren naar beneden, onderin het rek bij de kassa, onder de kauwgom, doosjes tic tac en condooms met de fletse smaak van vroeggeplukte aardbeien. Hij stapt verder tot hij voor een koeltoog staat, waar ze roerloos liggen, in een kunststof schaaltje onder vershoudfolie, lepeltje-lepeltje, telkens een bruine bloedworst tegen een witte pens aangedrukt.   Krijg je lichtbruine stoelgang van en de kaaskroketten van den Aldi zijn beter. Supersmeuïg. Goudbruine korst. Geloof me. Terwijl er helemaal geen Aldi is in Tillegem en tante Galdys geen frietpot heeft, duwt Roeland met zijn wijsvinger krachtig op één van die gevulde varkensdarmen. Geen leven in die neger te krijgen! Een vrouw achter de koeltoog kijkt argwanend toe. "Of je ook placenta hebt, het liefst die van Adam of Eva?", is de vraag die hem op de lippen zwelt, maar hij zwijgt, legt één schaaltje worsten in het karretje en als hij de pamperafdeling voorbijrijdt, denkt hij aan zijn oudste nicht Vanessa.   Toen die haar melkbusjes na het baren en zogen van twee mollige dochters volledig wilden wegkwijnen, heeft ze nog Franse implantaten laten inbrengen, maar tevergeefs. De rek bleek volledig uit haar huwelijk te zijn en toen kocht haar man Kevin zich een BMW-brommer met twee voorwielen. Hij verhuisde, ging alleen wonen in de plooien van het Heuvelland om daar elk weekend gezwind bergop-bergaf te crossen; de lucht gierde hem als een zuiverende zeebries door zijn leeggesnoten neusgaten.   Na het vergeefs afschuimen van verschillende datingsites -alleen is maar alleen- heeft Vanessa een reis naar Cuba geboekt, werd daar halsoverkop verliefd op een bruine Adonis. Vanessa hertrouwde. Het werd een feest met rum, rommeltoetjes en roombotergebak. Adonis kreeg na enkele weken zijn verblijfs- en werkvergunning en nachten-, weken-, maandenlang, van heilige Justinus tot heilige Libertus, lagen ze bij elk ochtendgloren, net als een beulink tegen een witte braadworst, bloot in het schaaltje van het hete bed te bekomen van hun daden.   Maar toen het lente werd, kocht ook Adonis kocht zich een brommer, één met één voorwiel minder dan Kevin en is er mee weggereden naar god weet waar, de vergunningen veilig in zijn achterzak, om nooit meer terug te keren.     Roeland nadert de kassa. Het bleke meisje, dat er voor een rek vol met korte drank zit, heeft vier knoopjes van haar lichtblauwe schort openstaan, waardoor ze zichtbaar worden, het spannende shirt met rolkraag, een kruisjeshanger, ketting en borsten die als peren, als ferme muilpeertjes hangen te rijpen.   Zwijgend scant ze, terwijl ze passeren: de Griekse wijze die zich de buik volspoot met eigen yoghurt, kinderschuim, een valse baard, honing achter zuiver glas en in hun rayon blijven ze onaangeroerd liggen, pruimen in zakkjes naast rozijnen voor de sultan.   De Griekse wijze neuriet moeilijk hoorbaar en Roeland staart naar de kleine glasplaat met die rode schijn, wacht telkens op de volgende 'piep' van een gescande barcode. Had hij maar geen lege doos met opschrift Lucky Dog genomen. De hondenbrokkengeur, die uit het karton opstijgt, overheerst alles, het parfum van de kassierster, de smaak van weerbarstige pruimen of van honingkoekjes in de vestzakken van een kruimeldief.   Als hij buitenkomt, wacht diezelfde vrijdag hem weer op, aarzelt hij om naar de kassierster te wuiven. Met zijn rekker bindt hij de doos op de fietsstaander en vertrekt, rijdt door een onwel, naar berkenwants riekende dreef naar het huis van tante Gladys. Het poortje van de tuin staat open en tante Gladys trekt onkruid in de voorhof. Haar kale kameeltje bengelt in een los zomerkleedje. "Alles gevonden?", vraagt ze en Roeland denkt terug aan het meisje bij de kassa.   "Bijna, neen, niet alles. Het konijn was nergens te bespeuren en die pruimen heb ik dan ook maar niet gekocht", zegt hij, terwijl hij het schaaltje met de worsten uit de Luck-Dog-doos neemt en met zijn wijsvinger twee putjes als oogkassen in elk van de worsten duwt. "Roeland met vlezige worsten in z’n pollen?", zegt Gladys met een bedenkelijke blik, "en toen je het konijn niet kon vinden heb je die worsten maar gekocht?". "Omdat ze zo zorgeloos tegen elkander lagen, die ene is precies een blanke meisjesworst met biosproeten". "En die andere?", vraagt tante Gladys. "Dat is een neger", antwoordt hij. "Een zwarte, zal je bedoelen en die kaaskroketten bakken we wel in een casserole. Een flinke scheut olie erin. Maar een blanke meisjesworst, gij malle loeder. Hoe kom je erbij?".   Roeland zweet nog van het fietsen en in de badkamer gaat hij zijn tronie wat spoelen. Als hij de deur opentrekt, ziet hij hem daar languit liggen in een bad vol schuim. De Griekse wijze met zeepbellenbaard staart hem aan, haalt van onder het schuim een bloedworst tevoorschijn, prikt er wat bellen mee dood en tante Gladys is intussen ook de badkamer binnengekomen. Poedelnaakt. Haar rosse schaamhaar prijkt als een bermudadriehoek op haar onderbuik.   Ze zet zich neer op de rand van het bad, spreidt de benen en strijkt met haar rechter middelvinger door de klonters yoghurt, die als gestold eiwit aan de borstharen van die ouwe geilaard kleven. Daarna likt ze de vinger binnensmonds schoon en brengt haar hand naar haar dief, duwt de schaamlippen wat open en zegt spottend: "Hier groeit echt geen blanke meisjesworst, mijn lieve Roeland, eerder het puntje van een hete peper".   De ouwe bok met saterkop richt zich op en brengt de bloedworst over de verraderlijke bermudadriehoek tot bij die glimmende dief om, na wat heen en weer gefrot met die ronde dichtgeknoopte top, hem bijna volledig in de hongerige poes van tante Gladys te laten verdwijnen. Enkel het knoopje dat aan de andere van de worst zit, ziet Roeland nog. De vunzige bellenbaardemaker trekt er wat aan en wrijft het knoopje heftig tegen het puntje van haar pepertje. Haar buik- en mosselspieren spannen zich meer en meer op. Tante Gladys sluit de ogen, houdt haar adem in en schreeuwt dan enkele seconden lang, als een dolle duivelsdochter, als een vurig lam dat net de staart afgehakt werd.   Roeland wendt zijn blik af, schudt zich de natte kop voor de blinde spiegel, wrijft de waterspatten van zijn gezicht en kijkt daarna opnieuw naar het bad. Het bad is leeg en als hij terugkomt in de keuken, is Gladys appels aan het schillen. "Van eigen boom, compote, voor bij de worst," zegt ze vrolijk, "proef alvast een kaaskroketje". Hij neemt er één tussen duim en wijsvinger, bijt door de krokante bast en al gauw voelt hij de kaas smelten op zijn tong terwijl zij naar een beha grijpt in de wasmand. Haar armen haalt ze uit kleedje met motief van doornloze rozen en het valt op haar heupen. Ze draait zich om, steekt haar armen in de frisgewassen soutien en heft haar rijke natuur erin, kijkt over een schouder eerst naar Roeland en dan naar de haakjes van haar beha. Roeland knikt, springt recht, veegt zijn vette vingers en de chapelurekruimels af aan zijn broek, haakt de beha dicht, legt de wreef van zijn hand even op die wervels waarin het liefste merg van de ganse wereld zich schuilhoudt, en gaat dan weer zitten. Ze verlegt haar puppy’s nog wat en de rozen kruipen terug omhoog, over haar rug en schouders.   Het vuur zet ze snel op een lager pitje en roerend door de kokende appelen, zegt ze warm: "Straks worst met compote en als dessert honing op een kwakje Griekse yoghurt".         Yoghurt op Griekse wijze deel 1 van 'Zondebloemen' uit de reeks  'Roeland Wittebolle'

Bernd Vanderbilt
1 0

Rommel en markt te Zaltbommel

  maden en liefjes bakken voor bloemen slachtafval en liefdesbriefjes   voorwaar te echt warempel alles vindt men hier onder een haan een toren van papier wordt er   geleurd men graait men zeurt men scharrelt leutert kibbelt over krassen in de kromme vaas   helaas ben ik die blode drommel veel te moe ik moet ik wil ver weg van hier voorbij de   Ararbieren kreken oversteken ooit heb ik gevoeld die drang als van een Houtekiet de fuut   zijn kuif is roerloos opgezet ofschoon ik nog kan neuriën een rockabillylied ik zie   ginds aan de einder wacht een storm terwijl ik haar herken zonder benen smeltend   ijs vis kraam de zeemeermin ze kwijlt naar mij ik val bijna over een zeeduivelfilet   weggesmeten tijd ik stop de tas vult zich verkeerd met koffie boontjes voor het zwarte gat   onheil loert de resten zullen aanspoelen ook dozen uit de legoblokkenmanufactuur   voor nieuwe menschenbouwsels kinderhoop een schouwburg grappen lust wat komedie   een scheutje koemelkfantasie ik slik de klontertjes mijn schat ze zinken rusten wil ik en me   naar je dijen plooien op een komkommerbedje starend naar die zeemeermin wetend   dat jij het bent vermomd met schubben in de zilveren glinster van de middagzon   prijken ze op tafels dingen een geschenk ginds verder kooien of ik koop voor mijne deerne   een salamander met sandaaltjes pony’tje met puntschoentjes omdat ik het blindweg wil   een flesje vers venijn vier bitterballen pijn verspreidt de geur van tranen als ik ruik   er liggen hondenbrokken (stukken van blaffende dieren) en echt alles is hier   te vinden netjes verpakt in potjes en in zakken rolgordijnen bij een veluxman   of ik koop een kanarie met knalgele nagellak sinterklaaskroketten anjers   op tengere stengels kunst gras voor een neptuintje waarin ik je beminnen zal   o wee och man en dat dit alles straks verdwijnt onder zuiver zout door een zee   meegesleurd de zootjes lottolootjes ook het tentje van de zonnebrilverkoper want   ik zag hem al Neptunus reed voorbij zijn haar zat vol met golven blauw was hij   de Honda Civic scheurde drietand op de achterbank een grijns blonk in de baard   ik lik ze nog eens af vijf krokante middelvingers randen van haar silhouet   terwijl ze gaan de rechter mannen ronde glazen en een lefgozer paarse bessen gooit   naar een roodborstje het is mijn oog iets plakt vermoedt dat ze van tongen houdt   nu snel durf een muntje in de mond voor blinde spelletjes tot ik   duizelig word de scheepjes varen alover de zee als drie poitten   die in elkaar passen ze kleven nooit ze kunnen fluiten door een stoomventiel en het is geen   vernielzucht noch woede-à-la-Simson die diep in mij woekert het is dat voorgevoel   dat ze niet zal komen donderdag naar het feest van Atlantis naar de fuif   der natte kippen ook de karting (onder water) zal gesloten zijn het laatste rondje doodgereden       uit de reeks  'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
0 0

Evangelina telt de vliegen

  Proloog   Karel Van Miert is op een dag uit een appelboom gevallen. Doodgevallen, als een vlieg die halverwege stierf (zoals ze het wilde), ergens in de lucht.   Het gebeurde op een rare dag met witte ochtendzon, zoutnevel hing over de schorre, purper was de ondergang en pepperspray is met vier p’s, prevelde de wijkagent die de rouwstoet begeleidde naar de put.   In de oven lagen de broodjes nog. Vergeten, het zelfverzonnen doel, hoe het voelde. Ik hunkerde. Naar de smaak van lippen.     Intermezzo   Evangelina, aan het strand, op nog zo'n zonnige zomerse dag rijdt er een vrachtwagen over een dijk vol met kindertranen, weggevlogen ballonnen en de chauffeur lost diepgevroren kroketten, bonen, prinsessen liggen te bruinen.   Er is een casino. Straks treedt hij op. Willy. Claes. Met zijn natte piano en hij speelde zonder twijfel ook een deuntje op die begrafenis, briljante noten, zwart en niet eens wars. Een helikopter vloog over, duikelde en veel verder regende het, bommen. Leeggezogen werden de wolken, hoop stierf met de mensen.   Daarom. Hoe dan ook. Hou vast. Val vooral niet. Blijf. Onschuldige boter smeren. De haren zitten goed, oogbollen en centen rollen, zoetweg leidt de bekoring.     Epiloog   En toch, leef ik nog, werd het de dag van mijn leven. In Oostende verzamelde ik, schelpen, vond ik zand, het eerste dozijn zoenen met Evangelina, starend naar (het waren er dertien) starre vliegen. Doodgeklopt.         uit de reeks  'Waanhoop'  

Bernd Vanderbilt
0 0

Hou vast aan de kolven

  1. Toen de vos eenmaal geschoten was en gestolen de antieke bloempot uit de voortuin van tante Fabiola (men had het over vogels zonder kop, dolgedraaide chihuahua’s, een dodelijke, schuimbekkend virus dat zich via het internet verspreiden kon, originele urnes en de zelfmoordplannen van kamerplanten), brak er een nieuwe rustige tijd aan.   Zou kunnen. Verhalen, en grote misdaden staan in boeken, sommige worden verzwegen en massaslachtingen, ze kregen soms een kil museum, ik, toen ik vijftien werd een walkman, van Mark Vandewalle een cassetje: Heaven 17. Let’s all make a bomb. Terwijl ik luisterde en knutselde, verschool het alledaagse nooflot zich nog in kleine dingen, donker, onopvallend, droog en anders.   2. Waarde langenoten, de autoloze zondagen liggen intussen ver achter ons; de razernij weet van geen ophouden. Schuchter ben ik geworden, de vos het altijd geweest. Op een dauwvolle ochtend stond het dier op nog geen twee meter van me, keek me aan en verdween. De maïs stond hoog en rijpe korrels hielden zich vast aan kolven, nog even, tot de droogte hen tot vallen dwong.   Ze ligt nog in haar bed, zoals bij iedere uitgerokken dageraad. Tante Fabiola zou graag sterven, alles vergeten, liever geen pampers meer dragen, kinderen gehad hebben, die bloempotten hadden kunnen erven, een bontjas, antieke kast met schuif, voor versgedrukte rouwkaartjes, een legboord voor albums, foto’s van gelukkige levens.   3. Doch, de jager schoot. Verkeerd. In de onderbuik. Wortelen, prei uit eigen tuin, gekochte selder. Dit wordt de laatste soep. Taxusvruchtentaart voor haar verjaardag.   Enkele dagen later, volg ik het bloedspoor, tref verre familie zonder tranen, stamboomgegevens, krijg een potje stof, vluchtig en fijn. Geen einde zonder pijn.   Zou kunnen, ik fiets. Voorbij een vinkenzetting. Wie heeft de bloempot, de meeste streepjes op een stok, kent de kortse weg naar de monding?   Rustig! Rustig blijft de rivier, als ik het… als ik haar uitstrooi en met haar de vroeggeboren kinderen, de stilte van een man, de blik van een vos.       uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'  

Bernd Vanderbilt
0 0

Op een dodelijke dag

  Proloog   Jaap is geen beroepsvoetballer, hij is apotheker, één meter zesenzestig centimeter groot. Aan zijn huis hangt een groen kruis en op de ruit van de apotheek staat het voluit: Apotheker Jaap Alderweireld.   Jaap speelt desalniettemin elke zaterdag voetbal. Bij de locale club staat hij steevast in de goal. Van elke bal die in zijn richting komt, kan hij de curve zeer precies inschatten. Zijn kleine gestalte zit soms wat tegen, maar bovenal is hij dus een pietje precies. Dat hoort zo bij apothekers. Anders worden ze zot, sterven er mensen.     Het enige hoofdstuk   Het is maandag vandaag, vijf voor acht, en de lucht behoorlijk grijs. De tijd dringt. Ik moet naar Jaap (dit verhaal gaat immers ook over mezelf) en Jaap kent mij. Doch veel minder goed dan ik hem ken. Voor hem ben ik iemand zonder specifieke hobby’s, zonder bijzondere vaardigheden, gewoon iemand die pillen, ampules en korte naalden bij hem koopt.   Dat ik best veel beweeg, raadde hij me aan, toen ik voor het eerst bij hem mijn doosjes kocht.   Dat ik een busje met een laadvloer van minimaal tweeënhalve meter en wat planken wil kopen, zeg ik hem. Hij kijkt me met een scheef oog aan door het linker glas van zijn brilletje, dat veel ronder is dan de meeste pillen. Het wederwoord dat hij deze zaken niet verkoopt, bespaart hij me.   Waarmee kan ik U helpen, Meneer Somers? – Een laxeermiddel.   U kent het gebruik? – Ja, want de gedachte dat ik in broek doe als ik sterf is ondraaglijk. Ik sterf liever met een lege maag, een lege blaas en als het kan, ook met een leeg hoofd.   Heeft U concrete plannen? – Eerst dat busje en de planken. Voor de kist. Die timmer ik liever zelf ineen. Dan parkeer ik het busje op een dodelijk dag, met de kist achterin, op de oprit van een begrafenisondernemer. Liefst in de buurt van een stille rivier en dan kruipt mijn stervende ik daar, op die plaats, alvast in de kist.   Ja, nog zo gemakkelijk. – Neem ik best ook iets mee tegen de diarree? Ik zie er wel wat tegenop, dat geleuter gindsboven, van ontelbare oudjes.   Men eet daar doorgaans rijst, naar ik gehoord heb, hetgeen een stevige stoelgang bevordert en wat die oudjes betreft, dat zal best wel meevallen. – De Elyzeese velden zijn dus rijstvelden.   Waarom vertelt U mij dit alles? – Vanwege de grijze lucht en ach, er zullen daarboven zonder twijfel ook jongere vrouwen ronddolen, van wie de man nog leeft. Weet U of zij zich in die tussentijd dienen te onthouden van sexuele omgang met andere mannen?   Geen idee. – Geef mij voor de zekerheid toch maar een doosje condooms. Stop ze het best in je borstzakje, dicht bij je hart. De veerman merkt het niet.   – Ook een rolletje pepermunt, voor die veerman, met zijn rotadem. Of voor de veel te vroeg gestorven kinderen en bovendien, Meneer Somers, ik verkoop geen pepermunt! Niet aan U! Niet aan een veerman! Niet aan kinderen! Laat mij nu godverdorie verderwerken, aan mijn speciale bereidingen. Verlaat mijn apotheek! Anders word ik nog zot, vergis ik me.   – En sterven er mensen.     uit de reeks  'Ignace Somers'  

Bernd Vanderbilt
9 0

Keukens De Keuteleire

  De keuken is besteld bij De Keuteleire, de buxus verneukt, in een lul gesnoeid. Balloos. De biljarttafel ligt er verlaten bij en aan de muur hangen driebandkampioenen te vergelen, ik aan de toog, te mijmeren over oude balorigheden, het verdriet van kamerplanten.   Thuis in een pot rusten restjes. Broccoli. Rijst. Kip in brokken. Onder de glasplaat van het salontafeltje prijkt Bobby. Gefotografeerd. Zit. Stil. Want het doet er toe! Was de voordeur niet open blijven staan (een huis is geen gevangenis), dan was hij niet platgereden en er zijn te veel kattenjongen, sprak moeder onrustig, ongelukkig.   Katten, jongen! Een jachtgeweer, netjes mikken, op een stokje pitten kippen, de ballen liggen gewoon te zijn, achter de toog. Scheel was ik, kon niet goed meisjesblikken vangen, huiselijk gejank verdragen, treurwilgen tekenen, tranen verbergen. Oefenen deden ze de krokodillen. Bij nacht, dan hoorde ik alles.   Vleermuizen, een uil, veldmuizen, het weglopen van paarden, asfalthoeven, een laatste adem. Oefenen! en moeder duwde hem van zich af, legde zich op haar zij, richtte haar blik op de muur, op een wolfspin terwijl ik cirkeltjes telde, oneindigheid mij bekroop, angst ook, omdat aliens zich verscholen, een verleden, vele bruingeestige bloemen tussen de nerven, van hout was het plafond.   Nog steeds. Morgen, zullen ze terugbellen van De Keuteleire. Hallo. Goeiedag. Een kookeiland. Inderdaad. Dat de pompbak gratis is, de dampkap van het merk Atag, zuigt alles geruisloos weg, luchtjes gelul buxusblaadjes spinnen herinneringen en dat, als hij groot van gestalte is, de hoogte aangepast kan worden, van de kapblok, Australische eucalyptus, rechts, naast vier meedogenloze gasbranders.       uit de reeks  'Roeland De Roover'  

Bernd Vanderbilt
1 0

C-mine-survival

  Een bloedappelsien, fietsslot en een pakje cent wafers heb ik de dag voordien gekocht, 's ochtends braaf mijn pilletjes geslikt, me als een schrijver goed vermomd, de witte banden van mijn fiets opgepompt.   Hij mag altijd mee. Goedemorgen, meneer de conducteur, voorlopig loopt en spoort het goed. Voor mijn stekelvarken heb ik geen ticket gekocht. De algemene voorwaarden vermelden enkel katten in een kooi, blindegeleidehonden en grote huisdieren, waarvoor men twee euro en dertig cent dient te betalen.   Doch. Dit dier valt niet onder de huisdieren. Maar hij reageert niet, op mijn stilzwijgen, denkt vast dat ik aan het lezen ben. Een kringgewinkeld boek. Mijn moeder is een stekelvarken. Hij tatoeëert mijn rail pass eerste klas. Knikt. Denkt. Dat ik de mensheid maar vermijden moest en toch. Ben ik vertrokken naar de hel.   Ik oefen het sérieux van doorsnee wezens, zucht. Het stekelvarken weet. Dat het niet lukken zal. Dat ik mij als een jonge onervaren kwal tussen veel volwassen voeten voelen zal. De trein, de dag moet voort, hij herbegint. Anders dan gisteren.   Veel wreder. Als een opgewonden nachtmerrie met rode wangen. Door een deur. Die automatisch sluit, het stekelvarken tweeëndeelt. Hij slaapt nu rustig want het kan, de kop het lijf, ze leiden nu een eigen leven in mijn rugzak.   Het lijf, zoals dat gaat, zal voorplanten. De kop zal denken. Dat het goed is. Dat ik het wel zal overleven. Ginds bij die mijn. Waar ik mijn blauwdruk slijten zal aan een handelaar in letters.   Ik zal eerst een beetje meedoen. Slenteren en leuteren. Met de meute. Voor de workshop een foto moeten maken van een vrouw bij een mijnschacht. Of in donkere gangen, schijnbaar zonder uitweg. Niemand zal het merken dat ik heel alleen terugkom. Niemand zal het weten dat ik die vrouw met blauwe jurk, die lekkere, ferme kuiten, glitter, ronde borsten, vastgeklonken heb.   Tot die kerel verschijnt. Jee Kast. Alles uit de kast haalt. Propere handen, behangpapierrollen vol Mister Properverhalen, Bulgaarse hoertjes, hotelzeep en een zweep voor al te brave woorden.   Ik denk dat hij iets zoekt, het in mijn ogen lezen kan, iets zoenen wil, zelf ook hunkert naar die blauwe vrouw met rode lippen. Zij. Die ik diep onder de aardkorst zal opsparen voor de nare dagen.   Tot zij. Daar in de Kleine Zaal. Plots weer uit de grond gekropen komt. Mijn blauwtje! Ik verstop me. Achter een mensenhoofd. In een boek. Diep in het zwarte zitje, hopend dat geen mens mij Bernd de Verschrikkelijke nog herkent en ik luister.   Naar verhalen over worsten in een pan en meisjes met geslepen tanden. Terwijl hij jeuk krijgt, de bloedsinaasappel in mijn rugzak en mijn script daar op een vettig tafeltje ligt. In de compressorzaal. Verscheurd.   Het is me wat en omdat het beter is, slik ik nog wat roze pillen, sluip naar het station en boven op een trein, lig ik te staren naar de sterren. Grote kleine zorgeloze beren, laat ze maar beweren, zeggen wat ze willen.   Ik had een dag te villen en mijn trein der traagheid vraagt het niet. Hoe en waarom. Met welke woorden. Welke verhalen het einde zullen halen. Ik laat het bloed heel rustig druipen. Laat het.   Ja. Laat mij en verlaat mij. Laat mij rusten. Rustig boven op de trein. Mijn appelsientje schillen.       uit de reeks  'Reizen met Ricky'

Bernd Vanderbilt
0 0

Noors rood

    Een geluid dat Noortje niet kent: het geluid van een walvis. Als hij een wind(je) laat. Een blauwe vinvis eet zesduizend kilo per dag. Plankton, krill en visjes.   De grote behoefte proberen we ons niet voor te stellen; gelukkig wonen we hoog, zijn we nog eeuwen verwijderd van het tijdperk waarin een beter burgerkoppel beslist het landhuis dan toch in falurood te laten schilderen. Sikkens C4 40 20, op waterbasis.   Geen wrede toekomstverhalen. Over olielampen, walvistraan of ossenbloed. Ik stel Noortje gerust, want morgen. Morgen zal het eindelijk gebeuren. Game over voor de beer en dan kunnen we weer veilig uit de paalwoning kruipen, rupsen zoeken, bessen plukken, nootjes kraken.   Noortje wacht, tot ik een denkbeeldige pagina omsla. Ze raadt het vervolg. Haar wijs- en middelvinger knippen de contouren van de beer die in het bos, in onze geesten leeft. Met een stukje houtskool teken ik de speer die in zijn hart verdwijnt.   In de verte klinkt een roep, die maant de boomhut te verlaten. Mama. Dat de veggieburgers klaar zijn. Zelfgemaakt, in de vorm van een krokodil. Voor mij (omdat ik best van al leed verdragen kan) is het exemplaar zonder rechter achterpoot. Accidentje tijdens het paneren.   Tafelen. Het wordt gauw laat. Donker is het snel op winterdagen en met één hap bijt ze het beest de kop af. Genadeloos, daarna een lach.   Donkerder, dieprood is de ketchupdruppel op Noortjes kin. Ondeugend zijn haar wangen.           uit de reeks  'Kleinood'  

Bernd Vanderbilt
0 2

Met Coco naar Cambodja

  Op de eerste dag schiep God zichzelf en op de tweede dag was ik een mol. Ik wroette door de grond, groef mijn eigen gangen en genoot. Sappige regenwormen, engerlingen, joeg naar hartelust op wijfjes met een zachte pels.   Er was toen niet één mensengedrocht, geen ene homo sapiens die kloeg, over molshopen, geen enkel wezen dat gazonzorgen, een zitmaaier had.   Op de derde dag was alles bevrucht, baande ik me een weg omhoog en bij toeval zat hij op de plaats waar ik het daglicht zocht. Hij vloekte, schiep die dag de reetkevers, de aambeien en voor de kinderen als troost aardbeien en kersen.   Op de vierde dag was hij pisnijdig, werd ik een mens en schiep hij met de restjes van zijn meesterbrein de vreemde medemens.   Er zaten toen veel gaten in de tijd, het was al gauw een eeuwigheidje later, de vijfde dag van een december en ik staarde hen aan, een massa, een wereld, door mijn fruitbokaleglazen.   Veel minder dan in mijn mollentijd schuwde ik het wereldlicht en ik wilde ik ging, zoals van plan, gewoon naar de Fuckatlon. Kijken meten afwegen en weten wat ik 's nachts verwerken zou, dacht weer aan mezelf, kocht een zwarte penispels. Ik dacht aan hem toen ik ze zag. Capoten in een glitterdoosje met de smaak van aambeien.   Content met mijn nieuwe fallushoes keerde ik huiswaarts en daar aangekomen zag ik Doesjka in het achterhuis. Schaars gekleed, haar smarttelefoon in de hand. Dat "jawel, het internet, de wifi werkten en de thermostaat kapot moest zijn".   Doesjka had de meute ook gezien en Pietje van Pittem, de groenselkweker was er bij geweest. Ze had hem herkend de klootzak, hij die haar Moldavische ouders koude winters lang spruiten, miljoenen van die groene schetebollen had doen trekken tegen een paar schamele centen.   Ze zei dat haar lijf brandde, ze furieus was, jarig ook, vandaag zestien, dat haar vliesje spande. Ik moest glimlachen. Zo lichtgelovig ben ik niet en zette vastberaden de pan op het vuur, "om die reetkevers te braden, vers van de markt!"   "Morgen komt ie," stelde ik haar gerust, "in een ommedraai ben je er van verlost. Echt!"   "Je redt je wel, morgenvroeg vertrek ik," ging ik verder, "a holiday in Cambodia, met bobonne en Coco", want ik had het aan bobonnetje beloofd, op haar sterfbed, om haar as samen met die van Coco te verstrooien in Kampot, in een koele branding, of had ze Kampenhout willen zeggen en was haar laatste adem net iets te kort geweest?   Kampot! Het ware dan maar zo. Het ochtendgloren van dag zeven brak aan en het kwaad van dag zes was intussen al geschied. In de verte zag ik geen zee, wel het dartelste rood, op de vensterbank in het achterhuis, groeiend aan dat ene plantje.   Aardbeien; ik strompelde naar de pick-up, viel over de lege flessen lambiek en redde de naald uit de benepen cirkel waarin ze de ganse nacht was blijven draaien: Fresh Food for Rotting Vegetables, released by Cherry Red Records en mijn katerpoten schoven het vinyl voorzichtig in de hoes.       uit de reeks  'Reizen met Robby'

Bernd Vanderbilt
0 0

Maelstrom met kalkoensalami

  Terwijl buiten een stille betoging plaatsvond voor de erkenning van de vele soorten onkruid als volwaardige planten en de dieren een staatsgreep overwogen, was ik mij bewust van de banaliteit en het hoge lulligheidsgehalte mijner verhalen en gedichten.   Als ik dan toch in voldoende mate deel zou uitmaken van deze mensheid, hoe moest ik dan omgaan met mijn medeplichtigheid aan deze vertoning die aan de ene kant melig, niet onaardig en zelfs van een vertederende aard kon zijn, maar anderzijds ook zo ontzettend wreed? Dan heb ik het niet zozeer over de grote misdaden, het oorlogsgeweld en de planeetvernieling; gewoon over de kleine dingen, die zouden kunnen gebeuren en ergens toe bijdragen, al was het maar aan onschuldige verlichting.   De meeste van die kleine dingen gebeurden echter niet. Gewoon omdat men er niet aan dacht ze te bewerkstelligen, omdat men er blind voor was of omdat men de mogelijkheid ervan niet eens kon waarnemen.  Het waren vergetelheden en beperkingen; de consequenties ontgingen haast eenieder. Onze gedachten volgden nu eenmaal denkpatronen waarvan we de limieten vaak niet eens beseften en we negeerden bewust en onbewust het overgrote deel, om ons bestaan leefbaar te houden, om niet gek te worden.   Uit mijn kreupele schrijfsels was al gebleken dat ik een eerder warrig denker ben. Ik durfde ze vaak niet eens te herlezen. Filosofie noch wijsbegeerte noch de nonchalance van een zorgeloze levensgenieter waren voor mij weggelegd. Erger nog. Door mijn geestelijke afwijking, was mijn wereldbeeld allicht nog meer vertekend dan bij andere mensen en was mijn hoop dat deze ganse vertoning ergens een pijnloos einde zou vinden ongetwijfeld gebaseerd op waanideeën en de gedachte dat deze planeet beter af zou zijn zonder deze overheersende soort ingegeven door dat aangeboren gevoel dat ik nergens toe behoorde, dat er nergens een geestelijk thuis voor me was en er slechts vreemdelingen om mij heen zwierven die allen die aanleg tot kleine, sommigen tot grotere wreedheden in zich droegen.   Desalniettemin. Zelfmedelijden is een kuil waarin menigeen valt en vaak ook een oorzaak van verdere verblinding, maar ik ging mij onder geen beding aanbieden als een gevangene van de treurnis en de moedeloosheid. Er was dit iets en dat was wellicht beter dan het niets.   Het meisje had mij het kladblok afgenomen en zei dat ze met me wilde praten. Ze had bot gevangen bij Patrick en Solange. Hij had rare ogen getrokken, toen ze naar de wifi vroeg. Eenvoudig nochtans. Zij zouden haar het paswoord geven en zij zou hen maandelijks de helft van de internetaansluiting betalen. "Wie zijt gij?" had Patrick gevraagd. "Doesjka," had ze geantwoord dat ze in de woning ernaast was komen wonen, in het leegstaande achterhuis. "Bij dienen raren?" en hij had intussen de streekkrant uit de brievenbus gehaald. "Ieder zijn eigen aansluiting," zei hij nog en had de deur weer toegetrokken.   "Oké, ’t is goed," sprak ik tot haar, "ik laat de gele man wel komen en aangezien je hier liever ergens gedomicilieerd bent, zet ik de aansluiting wel op mijn naam". Ik vroeg haar het kladblok terug te geven, hoopte dat ze mijn nonsens niet zou beginnen lezen en er dan een gevoel van schaamte over me heen zou komen.   Mijn blik vond het raam, mijn ogen het betogende onkruid en in de verte hoorde ik de geweerschoten al, ik voelde het daveren. Groepen olifanten, bizons en neushoorns waren in lange colonnes aan het optrekken, naar de omroepgebouwen, de parlementen en de vorstenhuizen. Lang zou het niet meer duren vooraleer er een betere wereldorde zou heersen en in afwachting van de overgave van onze al te ziek geworden soort, zou ik naar een video kijken, een glas bier in de hand. Maelstrom, aflevering zeventien, seizoen drie van Battlestar Galactica waarin Apollo begint te twijfelen aan de geestelijke gezondheid van Starbuck.   "Dertig euro zal ik je dan elke maand betalen voor dat internet,"  zegde Doesjka die me het kladblok in de handen duwde.   "Is goed," zei ik terwijl ze haar pas gekochte charcuterie in de frigo stak, en dat "ze maar best kon voorzichtig zijn, niets zo bedrieglijk was als de kleur van kalkoensalami".         uit de reeks  'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
0