‘A zo ne joekel Frans, da kunde gij nie geloven…’
‘Meent ge dat Gerard?’
‘Ja, ze zeiden dat ze zoiets nog nooit hadden gezien.’
‘Echt?’
‘Echtig en echtig.’
Gerard overdreef meestal royaal en zonder verpinken, en bracht alles op zo’n manier dat je niet anders kon dan het geloven. En zeker Frans, die was er altijd mee weg, een simpele goedzak die van al die sappige verhalen hield. Het deed er niet toe of het waar was of niet, verhalen uit de mond van Gerard waren een feest.
‘Normaal geven ze het mee in een plastic potteke om thuis op de kast te zetten.’
‘Ja da’s juist’ zei Frans. ‘Wij hebben van ons Germaine ook ergens nog zoiets staan.’
‘En Frans, ge gaat het misschien nie geloven’ en hij stak zijn vinger als een uitroepteken omhoog, ‘maar die van mij hebben ze in een curverbox moeten steken.’
‘Ga weg Gerard, dat kan toch niet!’
‘Nee, echt ! Op het hoofd van mijn kinderen.’
‘Gij zijt toch niet te schatten gij hé.’
‘Ze dachten daar dat ik schedels of zoiets verzamelde als ze mij met die doos zagen.’
‘Serieus? Dachten ze da van die galsteen?’
‘Ik was wel opgelucht dat die smeerlap d’r uit was. Ik was gelijk zeven maand ver.’  zei Gerard, en leidde ondertussen zijn volgende triomftocht in.
‘En afgezien!’ deed hij er met schepje bovenop. ‘De dokter zei dat hij nog nooit zo ne moedigen mens gezien had.’
‘Ja Gerard, gij zij wel ne sterke mens hé’  zei Frans bewonderend.
‘En Frans, echt, zeker acht man rond mij in die operatiezaal, en alleen voor mij. Die annestiest zat naast mij maar de rest liep gedurig rond.’
‘En wat deden die allemaal dan?’ vroeg Frans. Gerard ging er niet op in.
‘Ik wou eerst geen verdoving, het zal wel gaan zei ik, geen probleem, maar ze wilden dan toch iets geven, omdat ze zo met mij inzaten. Sympathiek hé?’
‘Ja, die mannen zijn da gewoon hé Gerard, die doen nie anders.’ zei Frans een beetje naast de kwestie.
‘Maar wat is, Frans, ik zal nu wel een andere manier moeten zoeken om mijn gal te spuwen’ zei Gerard, en hij lachte om zijn eigen grap die hij al voor de vierde keer die week had rondverteld.
Zijn vriend glimlachte dunnetjes mee, maar hij begreep het niet echt. Frans was niet zo’n groot licht, eerder een lampje van tien watt.
‘Hoe bedoelt ge Gerard?’
‘Wel ja hé Frans. Gal, galstenen, de gal is er nu uit, verstaat ge?’ Gerard helde plots over naar links en liet een kanjer van een scheet. ‘Né, die moest er uit’ zei hij voldaan.
Frans lette nauwelijks nog op die vettigheden, hij was het ondertussen gewoon. Rochelen, vlak naast naast hem op de grond spuwen waarbij soms iets op Frans’ schoenen terechtkwam, neuspeuteren, gatkrabben, kruisnijpen, hij zag het al niet meer. Frans stond op het punt nog iets te zeggen, maar alweer kapseisde Gerard en liet een tweede harde scheet.
‘Vlieg maar uit schatje, ’t zal je deugd doen. Mij alleszins wel.’ zei hij. Frans zag de ruïnes van Gerards’ voorste tanden terwijl hij zichzelf weer grappig vond, en hij dacht aan wat Germaine als avondeten ging klaarmaken.

 

Geschreven door Lode Van Wabeke op 27/10/2018 - laatst aangepast op 27/10/2018

  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home