Ward zat aan de ontbijttafel en las de krant op zijn tablet.

Hij veegde kruimels van het scherm. Zij haalde de was uit de trommel

en deed ze in een mand. ‘Voer voor de droogkast’ zei ze gelaten.

 

‘Doe de verse was maar in de zon vandaag.  

Met die hitte zijn ze zo droog’ zei hij zonder opkijken. 

Hij las de krant oppervlakkig. Zijn blik gleed diagonaal over de kolommen

tot hij aan een krantenkop bleef haken: “Mensen hielden de Sahara tegen”.

Terwijl hij een slok koffie nam,  las hij verder en bakte zij een omelet.

 

Lang geleden was de Sahara nog groen maar toen veranderde

de baan  van de aarde en viel er minder regen. De nomaden wisten 

hoe ze de grond vruchtbaar konden houden. Als er één biotoop was 

dat terrein won, dan was het de woestijn wel. Niets woekerde meer

dan zand. Soms had hij de indruk dat hij zelf een nomade was,

een kind van de woestijn . Als je er veertig jaar doorheen zwerft 

word je een land beloofd. Halfweg het artikel vouwde hij de krant toe.

 

‘Mag ik mijn groen hemd?’ vroeg hij. 

‘Straks. Geduld is een schone deugd’ zei ze terwijl ze 

met een houten lepel in de pan roerde en de dooier brak.

Ward had hemden in meer kleuren en hij koos de kleur die bij de dag

en bij zijn bui pastte. ‘Vandaag was een groene woensdag’, besloot hij.

‘Wat is jouw plan?’ vroeg ze. ‘Gras zaaien en regen bestellen.’

 

Het was juli, de hooimaand en de naam leek niet uit de lucht gegrepen.

De voorspelde hittegolf hield al weken aan. Ward schoof het raam open

en liep de tuin in.  Het gras was geel, alsof er iemand met een haardroger

over ging. Een kwartier later kwam ze buiten met het groene hemd en ze kneep 

het vast aan een wasdraad. ‘Jouw omelet staat op de ontbijttafel, mijnheer.’ 

 

Het ophangen van was deed hem altijd denken aan een tafereel

uit zijn jeugd. Als kind was hij getuige van een misdaad in de wijk.  

Zijn oude buurvrouw, die het lef niet had om haar kip te slachten

met een mes, hing ze op aan de wasdraad. In het begin had hij daar

nachtmerries over, maar geleidelijk bezonk het. Het verschil tussen 

het hemd  en de kip was groot genoeg om de herinnering 

van zich af te zetten. 

 

‘Het gras van de buren is groener.’ zei hij terwijl zij de rest

van de was ophing.  Het kon ook niet anders. Elke avond werd er gesproeid, 

zodat hun tuin wel een moeras in de woestijn leek, zoals de Okavango delta

die één keer per jaar overstroomt en alle vogels van Afrika aantrekt.

Ward wachtte liever op de regen.  Hij wist dat als je te veel sproeit

je het risico loopt dat het gras verbrandt. De druppels worden vergrootglazen 

voor de zon. Je mag het gras niet verwennen zodat de wortels dieper

moeten en weerbaar worden. Hij sproeide één keer per week en zette dan

een lege theekop in het gazon, zette de sproeier aan tot het halfvol was.

Dat was de wekelijkse portie regen die hij het gras gunde.

 

 ‘Jij hebt het vaak over de buren’ zei ze licht uitdagend.

‘Heb je iets verloren bij hen?’ ‘Nee, ik vind hun gras gewoon groener.

Maar het schaadt ons niet. Wij hebben alles wat zij missen.’ ‘Bluf’ zei ze.

‘Je hebt me door. Ik mag zoiets niet te luid zeggen  of de buurman klimt

over de haag om mij aan te vallen.’ ‘Gekke man.’ zei ze met een knipoog.

De buurman is gekker.  Dat weet ik zeker. Hij is een wichelroedeloper 

met een fobie voor aardstralen. Wist je dat? In geen honderd jaar word ik

jaloers op de buurman.’

 

Ondertussen was het hemd bijna droog. Het kreeg een lichtere tint. 

Hij haalde het van de wasdraad en vergeleek het groen van zijn hemd 

met het groen van het gras van de buurman.  ‘Mijn hemd wint’

besloot hij nuchter, alsof het ging over een onderzoeksrapport.

Hij trok het aan en merkte dat er een schaduw over hem schoof.

Hij keek omhoog naar een dreigende wolkbreuk en ging

terug naar binnen, aan de ontbijttafel zitten.

 

Geschreven door Wim Vandeleene op 03/02/2019 - laatst aangepast op 03/02/2019

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home