Het eerste wat ik die dag verkocht was een boek over Nieuw-Zeeland. De vrouw die het kocht had oranje haar en een bleke huid en ze droeg een rode bril. Het duurde even eer ik mijn aandacht van haar gezicht kon verplaatsen naar haar vragen. Of het een goed boek was, vroeg ze. Ik moest bekennen dat ik het niet gelezen had. Ik kon me zelfs niet meer herinneren waar, wanneer en waarom ik het ooit gekocht had. En nee, ik ben nooit in Nieuw-Zeeland geweest. Zij wel. Ze had er twee jaar gewoond. Ze was er lang geleden naartoe getrokken om er met haar vriend een zaak te beginnen. Nog geen maand nadat ze er waren, maakte hij het uit.

‘Daar stond ik dan,’ zei ze. ‘Ik was te trots om terug te keren en ik bleef.’

Ze had er gewerkt en ze had er rondgefietst.

 

Een deel van haar verhaal ben ik vergeten, maar haar gezicht bleef me bij. Haar ogen waren donker aangezet. Ze zag er vermoeid uit, alsof ze te snel geleefd had. Ik vroeg twee euro voor het boek. Het was in uitstekende staat maar het was misschien wat gedateerd.

Wou ze dan nog teruggaan? Nee, zeker niet. Het klonk zo stellig dat ik het wonderlijk vond dat ze er dan toch nog een boek over kocht.

‘Ik ga nu wat anders doen’, zei ze. Volgende week vertrek ik naar Maleisië.’

‘Met mijn kinderen,’ voegde ze er nog aan toe.

Bij Maleisië en nog meer bij het woord ‘kinderen’, flakkerde er iets op in haar ogen.

 

Tijdens ons gesprek was de zon doorgebroken en waren er wat meer mensen in het park gekomen. Iemand vroeg naar de prijs van de luster, het grootste stuk dat op mijn twee vierkante meter zeil stond uitgestald. Daardoor verdween de vrouw met het boek zonder dat ik haar goede reis had gewenst.

 

De verkoop ging goed. Verbazend goed, want af en toe begon het regenen en moest ik alles afdekken. Maar zo gauw het ophield, kwamen de mensen weer aanschuiven en kochten ze dingen die ik niet meer wou hebben, maar toch nog te mooi of te goed vond om ze weg te gooien: borden, bestek, een blikopener, kandelaartjes, een paar gedeukte mosselpotten.

Vooraan op het zeil stond een doos met autootjes, poppetjes, sleutelhangers en kleurige prullen waar kleine kinderen graag naar graaien.

 

Een nieuwe regenbui zette de helft van het zeil onder. Ik was blij dat het boek al weg was. De rest kon ertegen. Ik schudde alles af en droogde hier en daar wat bij met mijn zakdoek en probeerde een nieuwe opstelling uit.

 

Een man op een fiets stopte voor mijn kraampje en boog zich naar de speelgoeddoos. Hij viste er een zwemvest uit die ooit van Action Man was geweest uit en stak het omhoog.

‘Hoeveel kost dat?’ vroeg hij.

‘Als u daar een bestemming voor hebt, mag u het gratis hebben’, zei ik.

‘Ik heb daar zeker een bestemming voor, zei hij, maar ik wil er wel voor betalen.’

 

Hij zat nog steeds op zijn fiets en glunderde op dezelfde manier als het jongetje dat een paar minuten ervoor een autootje uit de doos had mogen kiezen.

 

Een zwemvest op poppenmaat, hij maakte me nieuwsgierig naar de bestemming.

Hij haalde zijn iphone uit de zak van zijn regenjasje en liet me een foto van twee jongens zien.

‘Mijn kinderen leren zeilen, zei hij, met dit zwemvest kan hun knuffel, Kippie, ook mee.’

Hij had geen foto van Kippie, maar hij zou er een sturen. Ik gaf hem mijn e-mailadres en hij gaf me twintig cent.

 

Bijna drie vierden van mijn rommel heb ik die dag verkocht. Ik had genoeg over voor een hotdog met zuurkool (twee euro), een knipbeurt bij de gelegenheidskapper (vijf euro) en een paar nieuwe boeken voor op de trein.

 

De rest van de rommel bracht ik naar de kringloopwinkel. Ik sloot de studio waar ik de laatste maanden had gelogeerd af en ik vertrok naar een ander land.

 

Onderweg dacht ik nog aan de vrouw met het oranje haar, aan de man op de fiets en aan alle vrienden en kennissen die ik die dag niet gezien had. Waarschijnlijk had niemand die dag zin in een rommelmarkt en had het niets te betekenen.

 

Toch had ik die dag een bekend gezicht gezien, dat van een vrouw waar ik lang geleden leuke gesprekken mee had gevoerd. Ik zag haar van ver aankomen en ik lachte haar uitnodigend toe. Ze lachte een kleine wat afstandelijke glimlach terug en liep verder.

Het heeft niets te betekenen, moest ik een paar keer tegen mezelf herhalen. Het is gewoon tijd om weg te gaan.

 

Ik ben er niet achter gekomen of de vrouw die het boek over Nieuw- Zeeland kocht, op het vliegtuig naar Maleisië zat dat op 17 juli in Oekraïne neergehaald werd. Misschien is ze een dag eerder vertrokken, of een dag later, of misschien helemaal niet.

 

Van de man op de fiets kreeg ik een mail met een foto van Kippie en de jongens, allemaal met zwemvest aan. Het was een fijne, geruststellende gedachte dat Kippie, als hij over boord zou vallen, snel gered kon worden.

 

 

 

 

Geschreven door Christine Van den Hove op 19/08/2014 - laatst aangepast op 07/03/2015

  • proza
  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home