Christine Van den Hove

Gebruikersnaam Christine Van den Hove

Teksten

Sam (Chris! blovel, seizoen 2)

Uiteindelijk ben ik niet naar LP gaan kijken. Ik ben zelfs niet gaan wandelen in het park van Rivierenhof in de hoop iets van het concert te horen. Want dat laatste was het plan: een wandelingetje maken en de mogelijkheid openlaten om op het laatste moment nog een ticket te kopen. Barbara’s bezoek gaf de dag een heel andere wending. Voor het eerst sinds lange tijd is ze langer dan drie kwartier gebleven, heeft ze geen opmerkingen over mijn interieur gemaakt, heeft ze zelfs een paar glazen wijn met mij gedronken en heeft ze me bij het afscheid een knuffel gegeven. Dat laatste waarschijnlijk onder invloed van de halve fles rosé die ze uithad. Toen ze aanbelde zag ik al op de camera hoe nerveus ze was. En toen ze binnenkwam viel het mij op dat ze donkere kringen onder haar ogen had en dat ze geen moeite had gedaan om die te camoufleren met make-up. Ze was ook minder opgetut dan gewoonlijk. Ze droeg wel haar grote Delvaux-handtas en meteen nadat ze in de kamer stond deed ze die open en haalde er twee boeken uit die ze op de salontafel smeet. ‘Kijk eens wat ik in Kiki’s kamer heb gevonden!’ Ze liet zich op de sofa vallen en ik ging naast haar zitten. Het ene boek had een beige-rose cover met daarop de titel Gender Diversity en het andere boek was knalrood: Het Transgenderboek. ‘Ow,’ zei ik, ‘In haar kamer? Verstopt?’ ‘Nee, gewoon op haar bureau. Ik ben niet gaan snuffelen, hoor. Ik stak de deur van haar kamer open en ze lagen daar open en bloot naast haar computer.’ Ik moet bekennen dat ik eerst schrok, maar mijn redeneerkant nam het meteen over. ‘Wacht even,’ zei ik, ‘wil dat dan iets zeggen?’ ‘Zeker wel,’ zei Barbara, ‘ik dacht al dat ze ergens op aan het broeden was, en met die boeken wil ze mij iets duidelijk maken.’ ‘Denk je dat? Zou het niet kunnen dat dit haar gewoon interesseert? Was ze niet van plan om antropologie te gaan studeren? Of genderstudies? Of iets in die richting?’ ‘Pff… ze weet nog steeds niet wat ze wil. Iedereen van haar jaar is al lang ergens ingeschreven. Volgens mij is ze te laat, geraakt ze nergens meer binnen. Ze had het onlangs over een jaar reizen. Ze wil haar vader gaan bezoeken in Patagonië. Ik denk dat ze met hem wil gaan praten. Daarover.’ Ze wees naar de boeken. Ik nam het beige boek op en liet de bladzijden waaieren met mijn duim. Het was een fotoboek. Ik begon erin te bladeren. De foto’s waren intrigerend. Het andere boek was een tekstboek, een soort handleiding voor transgender mensen. ‘Laten we niet vooruit lopen op de zaken,’ zei ik, ‘Het is niet Kiki’s gewoonte om verdoken boodschappen te geven.’ ‘Ik vind toch dat ze de laatste tijd zwijgzamer is. Ik weet ook niets over die vriendin waarmee ze nu op reis is. Nadat het uit was met Sophie heeft ze gezegd dat ze haar volgende lief niet meer zo snel mee naar huis zou brengen. Want anders hechten jullie je aan elkaar en als het dan uit is, is het voor jou ook pijnlijk, zei ze. Lucas heeft ze nooit aan mij voorgesteld en van dat meisje waarmee ze op reis is -ik denk toch dat het een meisje is- weet ik helemaal niets. Alleen dat ze River heet.’ ‘Vervelend dat ze nu net op reis is,’ zei ik, ‘Heeft ze nog wat van zich laten horen?’ ‘Heel kort, iets van: Alles goed. Leuke camping met zwemvijver gevonden! Haar facebook-account heeft ze afgesloten.’ Barbara begon heel hard te zuchten, zoals alleen zij dat kan. ‘Wil je wat drinken?’ vroeg ik, vooral omdat ik zelf erg toe was aan een glas koele witte wijn. ‘Ja, heb je rosé koud staan?’ antwoordde ze tot mijn verbazing. Dus trok ik een fles rosé open en ook een fles witte wijn.   En nu heb ik hoofdpijn en probeer ik me te herinneren waarover we verder nog gepraat hebben. O ja, opeens zei Barbara: ‘Waarom kunnen wij toch geen normale familie zijn?’ ‘Normaal? Wij zijn toch normaal? Of wat vind jij dan normaal?’ vroeg ik. ‘Normale koppels, met normale kinderen,’ zei Barbara. ‘Maar wat is er dan abnormaal aan ons, volgens jou?’ ‘Jij!’ zei Barbara, ‘jij bent toch geen normale moeder? Eerst laat je jarenlang toe dat papa iemand anders heeft en nu jullie eindelijk uit elkaar zijn begin je iets met een vrouw. Op jouw leeftijd dan nog wel!’ Ik wist even niet of ik boos zou worden of in een lach schieten en ik koos voor het laatste. ‘Om te beginnen,’ zei ik, ‘ik ben niets begonnen met een vrouw. Het gebeurde vanzelf en eigenlijk is er helemaal niets begonnen. En dank je wel dat je mij te oud vindt voor de liefde!’ Ik dronk mijn glas in een teug leeg en haalde de fles uit de koelkast. ‘Vind jij jezelf dan normaal?’ vroeg ik. ‘Ja,’ zei Barbara, ‘ik heb een normale lat-relatie met Ferre.’ ‘In mijn tijd was een lat-relatie alles behalve normaal.’ ‘De tijden veranderen,’ zei Barbara. ‘Voilà, je zegt het,’ zei ik. Ze zweeg even. ‘Kiki lijkt zo hard op jou,’ zei ze, ‘ze doet gewoon haar zin en als er iets lastig is in haar leven, gaat ze op reis. Net als jij. Hoe vaak heb jij me niet met papa alleen gelaten toen ik nog een kind was? Ik denk dat ze met iets zit. Ik denk dat ze… dat ze… Het komt door Sam Bettens.’ ‘Wie?’ ‘Sam Bettens, heb je daar niet van gehoord? Mama, kijk of luister jij wel eens naar de nieuwsberichten? Lees jij wel eens een krant? Sam Bettens? Sarah Bettens? Hoe kan je dat nu ontgaan zijn!’ ‘Van K’s Choice? Sarah? Is die…?’ ‘Ja, mama, doe je laptop maar eens open, ik zal het je tonen.’ Daarna hebben we een hele tijd naar interviews en vlogberichten van Sam Bettens zitten kijken. Mijn mond viel open. Ik begon iets van Barabara’s ongerustheid te begrijpen maar ik liet me niet meeslepen. ‘Luister,’ zei ik, ‘ik begrijp dat je je zorgen maakt, waarschijnlijk voor niks, waarschijnlijk is het gewoon interesse, een fascinatie, zoals mij dat ook wel eens overkomt, maar als het nu wèl zo is, dan zal het om te beginnen zo’n vaart niet lopen want zoiets doen ze niet van de ene dag op de andere, ze zal een tijdje in begeleiding moeten gaan… Maar eerlijk, ik denk niet dat ze plannen in die richting heeft. We moeten het haar zo snel mogelijk vragen… Weet je wat? Ik vertrek toch over een paar dagen naar Carcassonne, ik probeer haar in Frankrijk ergens te zien.’ Over de rest van de avond herinner ik me niet meer zoveel, behalve dat Barbara een tijdje heeft gesnotterd en dat ze me om de hals is gevallen voor ze de deur uitging. En daardoor miste ik dus LP. In het Openluchttheater van Rivierenhof dan nog wel.   (Blovel: https://chrisintrescases.com/)

Christine Van den Hove
0 0

Rivier (blovel)

Ik ging Amparo voor langs het kronkelige pad dat naar het breedste deel van de rivier leidde. Er was niemand daar. Sinds de mannen in het gehucht een wasplaats hadden gebouwd, gingen de vrouwen geen kleren meer wassen in de rivier. Een enkele keer, als het heel warm was, ging er iemand baden. We gingen op een plek zitten waar we met onze voeten in het water konden. Het deed goed, het koele water aan onze verhitte voeten. En toen we gewend waren aan de koude rond onze enkels, gingen we wat verder. We trokken onze rokken op en probeerden ze vast te knopen rond ons middel. Op de bodem lagen gladde keien en de stroming was onstuimig zodat we ons aan uitstekende rotsblokken en aan elkaar vasthielden. Zo stonden we daar, onszelf in evenwicht houdend, toen ik merkte dat Amparo huilde. Ze hield zich met een hand aan me vast en met haar andere hand schepte ze water en plensde het in haar gezicht, maar de tranen bleven stromen, ik zag hoe haar ogen rood werden en ik voelde haar schouders schokken. Ik ging wat dichter bij haar staan en trok haar voorzichtig tegen me aan. Ze liet het een paar tellen toe, maakte zich los en waadde naar de oever. Ik volgde haar. Ze ging zitten, droogde haar gezicht met de handdoek waarmee we de broodjes hadden bedekt en deed haar best om niet meer te snikken. Ik dacht dat het verdriet om haar ouders opeens in alle hevigheid teruggekomen was, en toen ik ernaar vroeg knikte ze en ze begon weer te huilen. ‘Het is meer dan dat,’ zei ze dan. En toen kwam het er in snokken uit. ‘Het is... dat jij hier woont... met Michel. Ik zie dat het je bevalt. En ik... ik woon beneden... Ik mis je.’ Ik wilde mijn arm weer om haar schouders leggen, maar ze weerde me af. ‘Ik had... was ik maar een man... ,’ zei ze, ‘dan was ik met jou getrouwd.’ ‘Dan was ik ook met jou getrouwd,’ zei ik fel. Het was de eerste keer dat ik me zoiets voorstelde en ik wist op dat moment wel zeker dat ik met haar zou getrouwd zijn als ze een man was geweest. Hoewel, dan waren we misschien niet met elkaar opgegroeid. En onze kindertijd samen zou ik voor geen geld gemist willen hebben. Ik vroeg me af of ik wel zou willen dat Amparo een man was. ‘Maar ik zou je niet als man willen,’ zei ik, ‘ik zou met je trouwen als vrouwen met elkaar konden trouwen.’ Bij die gedachte moest ik lachen, ik zag ons al samen in het kerkje staan, elk met een tuiltje veldbloemen in onze handen. Amparo kon er ook om lachen. Ze kalmeerde en we zwegen een tijdje. Dan begon Amparo opnieuw te lachen. Ze zat op de grond in kleermakerszit, haar rok over haar knieën gespreid, zodat de boord kon drogen. Ze boog wat naar voor en haar schouders schokten opnieuw, nu van het lachen. Het was aanstekelijk en ik begon ook weer. Ik liet me vallen en zij ook. We lagen op onze rug, we rolden heen en weer en gierden het uit en er was niets dat ik me kon herinneren dat me ooit zo goed had gedaan. Toen we uitgelachen waren, gingen we weer rechtop zitten. Ik vroeg naar Vincent en ze begon nu opgetogen te vertellen. Vincent was een geschenk uit de hemel, zei ze, en ze vertelde over zijn experimenten in de bakkerij en de keuken, en zijn fratsen in het kapsalon van haar vader. Hij had zelfs al een paar klanten en hij mocht af en toe de haartjes op haar bovenlip scheren. Ze keerde haar gezicht naar mij en trok met twee vingers haar bovenlip glad. Ik kwam wat dichterbij om goed te kunnen zien en toen was er opeens een kus. Ik had hem niet zien aankomen, maar hij kwam net zo goed van mij als van haar. We bewogen naar elkaar toe, drukten onze lippen op elkaar en bleven heel even zo zitten. We lieten weer los, omhelsden elkaar weer, onze wangen tegen elkaar. Haar hoofd was nog warm van het huilen. Ik legde mijn gezicht in haar hals en ik voelde haar bloed kloppen. ‘Ik zal er altijd voor je zijn,’ zei ik en ik hoorde zelf de ontoereikendheid van mijn woorden. Ze antwoordde niet en maakte zich voorzichtig los uit mijn omarming. Ze stond recht en begon het stof van haar rok te kloppen.   (uit Colombe,  blovel)  

Christine Van den Hove
0 0

Colombe (Blovelfragment)

Ergens begon de verwijdering. In het jaar voor mijn huwelijk, denk ik. Mijn moeder vond het vreemd dat ik voor de herder koos en niet eens twijfelde. Ze wist niet dat ik al maanden op hem had gewacht. Dat mijn hart wild tekeer was gegaan, elke keer als ik onze voordeur voor hem opendeed. Dat ik hem wel eens bij Amparo's vader, de barbier, op de scheerstoel had zien zitten en dat ik daar verdoken naar was blijven kijken. Ze probeerde me op andere gedachten te brengen, maar er waren geen andere gedachten. In mijn hoofd leefde enkel het vooruitzicht op een huwelijk, een man, kinderen, een leven in een huis op een berg.   Na een tijdje leek ze zich te verzoenen met mijn keuze. Ze ontwierp winterkleren voor mij, ze zag erop toe dat ik een volledige uitzet had.  In dat najaar en die winter zaten we vaak aan tafel te naaien. Overdag schoven we de tafel bij het raam. ’s Avonds schoven we haar dichter bij de kachel en werkten we bij het licht van een olielamp. Bij daglicht deden we het fijne werk: het ineenzetten van blouses en rokken, het borduren op kragen en manchetten. ’s Avonds deden we de zomen. Op de kachel stonden verschillende strijkijzers. De kamer rook naar dampend katoen. Op de grond stond haar bruidskist, een eikenhouten kist met ijzeren beslag. Daarin legden we de afgewerkte stukken: een paar fijne lakens met geborduurde randen en kussenslopen, handdoeken en zakdoeken, een wollen rok, twee blouses, een wollen vestje en een cape. Een nachthemd met fijne plooitjes aan de hals. Delphine en Marie werkten mee en mochten tussendoor ook voor zichzelf naaien. Pas als de kist gevuld was, naaide mijn moeder jurken voor mijn zussen en een voor zichzelf.   In de lente zouden we er allemaal nieuw uitzien.   (Fragment uit Colombe, blovel: https://colombes.blog)

Christine Van den Hove
0 1

Chris! (blovel)

Het kwam door Laura dat ik Gina opmerkte. Ik vrees dat ik dit niet in een paar zinnen uitgelegd krijg, maar Laura bracht iets teweeg bij mij. En ik was erbij. Het gebeurde en tegelijk was ik mij er helemaal van bewust dat het gebeurde en dat mijn kijk op de dingen veranderde. Mijn kijk op de mensen, om precies te zijn. Ik kon het niet goed vatten, maar ik voelde de verandering zelfs fysiek. En Gina was de eerste persoon naar wie ik keek op een manier waarop ik -dacht ik- nog nooit naar iemand gekeken had.  Ze bediende die eerste dag dat ik haar zag, in juni 2017, bij de afdeling charcuterie. Later zag ik haar bijna altijd bij de visafdeling, maar die dag stond ze bij de worsten, de patés en de hammen. Ze sneed een fouet, een soort dunne droge worst in schijfjes. Ze keek op en ze vroeg of ze mij kon helpen.  ‘Nee, zei ik, ik kijk nog even.’  Ik was nog maar sinds een paar dagen in Zuid-Frankrijk en ik wilde een paar streekspecialiteiten uitproberen.  ‘Als u iets wilt proeven, dan zegt u het maar. U mag van alles proeven.’ Ze maakte een uitnodigend gebaar over de uitgestalde vleeswaren. Ik tuurde naar het uitgebreide aanbod, het was moeilijk kiezen. De verkoopster, die ik later Gina doopte omdat het mij frustreerde dat ik haar naam niet kende, legde de schijfjes fouet op schaaltjes en zette die op de toonbank. Toen ze daarmee klaar was, keek ze me afwachtend aan. Ik wees naar een worst. ‘Pa de fetge’, stond erbij.  ‘Mag ik die eens proeven?’ vroeg ik.  Ze knikte en trok de schaal met dikke, korte worstjes naar zich toe.  ‘Dat is een specialiteit van hier,’ zei ze, ‘het is een soort leverworst.’ Ze sneed een worst in twee, sneed er in het midden een schijfje af, prikte het op de punt van haar mes en stak het mij toe. Ik pakte het aan en beet in het plakje. Ik glimlachte en knikte om aan te geven dat ik het lekker vond. Weer die afwachtende blik. Ze was correct, hoffelijk zelfs, maar er kon geen glimlach af.  ‘Geef mij er maar een,’ zei ik.  ‘Een halve of een hele?’ vroeg ze.  ‘Een halve, zei ik.’   Dit is mogelijk niet het spannendste deel van mijn verhaal, maar het is wel belangrijk. Gina bracht me van mijn stuk. Het was enerzijds haar koele houding, anderzijds hoe ze eruitzag. Ze was niet uitzonderlijk mooi. Ze had een bruine, wat vlekkerige huid, kort zwart haar en heel donkere ogen. Ze droeg kleine gouden oorringen. Ik schatte haar vijfenveertig jaar. Verder kon ik haar niet thuisbrengen. Ze had iets donker exotisch, ik dacht niet dat ze een Catalaanse of een Spaanse was. Haar afkomst intrigeerde mij.  Nadat ze de worst had ingepakt en mij had aangereikt, stuurde ik mijn winkelkar wat verweesd door de gangen van de supermarkt. Ik had best nog wat meer bij haar willen kopen, een paar sneetjes ham of zo’n fouet, maar ik was op een of andere manier van de kaart. Ik was niet ingegaan op haar vraag of ik nog iets anders wilde – ‘Avec ça?’, had ze gevraagd- en nu durfde ik niet meer terugkeren en zeggen dat ik toch nog iets wilde. Ik laadde dan maar een paar flessen wijn in mijn winkelwagen en ik ging afrekenen.   Dat was toen. Juni 2017. Ze hebben nog steeds Chateau Mossé in de rekken staan. Dat doet me plezier. Ik ben namelijk geen wijnkenner, ik ben aangewezen op wijn die ik toevallig ontdek. En als ik een wijn lekker vind, dan weet ik dat, en blijf ik hem trouw. In de zomer van 2017 heb ik heel wat flessen Chateau Mossé verzet. Ik neem me voor om deze keer wat te matigen. Ik neem drie flessen mee.  Ik bestel nog wat charcuterie en wat kaas, en ik kijk rond. Het is duidelijk dat ze er niet is. Misschien heb ik volgende keer meer geluk.  Op weg naar de kassa zie ik vanuit mijn ooghoeken de boekenafdeling. Ik ga erheen. Mijn blik dwaalt over de reeks Simplissime, een serie kookboeken voor dummies. We hebben er de afgelopen jaren een paar van vertaald.  Het laatste nieuwe boek heeft als titel :‘Les recettes avec seulement 2 ingrédients les + faciles du monde’ Niet te geloven! Bijna automatisch haal ik mijn telefoon uit mijn handtas om naar mijn baas te bellen. Moeten we dat niet dringend vertalen? Dan realiseer ik me dat hij mijn baas niet meer is. Ik haal het boek uit het rek, sla het even open en leg het terug. Laat ik me maar op mijn eigen project concentreren.    Onderweg naar huis blijft Gina door mijn hoofd spoken. Zou ze nog wel in de Super-U werken? Vorige keer was ze er de laatste week ook al niet meer. Ik verdraag de gedachte niet zo goed dat ik niets over haar weet en geen enkel spoor van haar heb. Dat ik haar misschien nooit meer terugzie.  Nu heb ik spijt dat ik Gina, behalve dat ik een worst en daarna ook een keer kabeljauw bij haar bestelde, nooit echt aangesproken heb. Dat ik geen moeite heb gedaan om haar identiteit te achterhalen. En de vraag is, of ik deze keer, stel dat ik haar terugvind, de moed zal hebben om haar aan te spreken. En de vraag is ook, waarom zou ik dat dan doen?    (Aflevering 6 van de blovel Chris! te volgen op https://chrisintrescases.com)  

Christine Van den Hove
0 0

Monsieur Joly

Hij loopt met korte pasjes door de gang, een boekentas in de hand of onder zijn arm geklemd. Zijn korte lichaam is recht, alleen zijn schouders zijn gebogen. Zijn haar is donkergrijs, en plat tegen zijn hoofd gekamd.    ‘Hij kwam naar me toe,’ zei mijn moeder.‘Vous êtes encore plus belle, comme ça,’ had hij gezegd, nadat ze een goedaardig gezwelletje van haar neus had laten verwijderen. Ik was er niet bij, ik stelde het me voor. Mijn moeder en mijnheer Joly tegen over elkaar in de gang, haar looprekje tussen hen in. Mijn moeder wat schaapachtig knikkend en dan makend dat ze wegkwam. Mijnheer Joly die haar teder nakijkt. Ze vertelde het lichtjes geamuseerd en misschien ook wel geflatteerd. Ik probeerde haar lachje te lezen, maar ik kreeg er geen hoogte van.   ***   Mijnheer Joly is de weg kwijt. In zijn kamer wordt de vloerbedekking vernieuwd en hij kan maar niet wennen aan zijn tijdelijk verblijf in een andere kamer. Hij dwaalt door de gang zonder boekentas. Af en toe kijkt hij schichtig de kamer van mijn moeder in. Ik ga naar hem toe.‘Comment va-t-elle ?’ vraagt hij.‘Elle est très fatiguée,’ zeg ik.‘Mais, ça va s’arranger, non ?’ Hij kijkt me recht aan.Ik schud langzaam mijn hoofd.‘C’est la fin!’ roept hij uit.Hij pakt even mijn hand vast, draait zich om en loopt de verkeerde richting uit, naar zijn tijdelijk onbewoonbare kamer. Zijn schouders schokken.   Een paar dagen later ga ik het hem zeggen.Zijn neus wordt rood, hij haalt een witte zakdoek uit zijn broekzak, dept zijn ogen, poetst zijn bril.‘Elle était adorable ! J’aimais tellement votre maman…’Hij draait zich om en gaat zijn kamer in. Die is inmiddels klaar, ik ben blij dat hij weer in zijn vertrouwde omgeving kan zijn.   Ze zouden een mooi paar geweest zijn, mijn moeder en mijnheer Joly.  

Christine Van den Hove
0 0

La jamais contente

Haar hoed was het enige bijzondere aan haar, bedacht Adriaan. Hij zette een stap opzij. Die rijglaarsjes waren ook niet mis. Als hij met haar naar bed zou gaan, zou hij vragen om hoed en laarsjes aan te houden. Daartussen een wit en te verkennen lichaam. Het gezicht... moeilijk te zien... hij zou wat dichterbij moeten gaan staan. Adriaan keek over zijn rechterschouder naar achter en telde de bezoekers. Het kerkhof was minder stil dan gewoonlijk. Er liepen mensen met reusachtige chrysanten in hun armen. Er waren nu ook mannen en kinderen bij. Meestal waren er alleen de oudere vrouwen, met hun gieters, borstels en schoffels in de weer. En dan zij. De laatste drie, vier keer, was zij er altijd geweest.   Wat doe ik hier?, vroeg hij zich af. Ik sta hier aan seks te denken, antwoordde hij zelf. Tania beweerde dat hij niet genoeg aan seks dacht. Wat weet zij daarvan? dacht hij, kan ze soms in mijn hoofd kijken? De laatste tijd dacht hij juist vaker aan seks. Net zoals nu. Hij dacht eraan, maar als aan iets buiten hem, iets wat mensen doen en hij soms ook, maar terwijl hij eraan dacht, scheen het niets met hem en zijn lichaam te maken hebben. Hij dacht aan seks met die vrouw in het zwart, met haar hoed en haar laarzen, maar alsof iemand anders, misschien een dubbelganger van hem het zou doen, terwijl hij zou observeren. Het wond hem niet eens op. Hij keek op zijn horloge. Ze stond al minstens tien minuten bij dat ene grafmonument, een soort obelisk. Hij stapte tussen de grafstenen door in haar richting. ‘Is dit familie van u?’ Hij wees naar het blok. Ze draaide haar hoofd in zijn richting. De hoed maakte haar inderdaad bijzonder. Vrouwen van haar leeftijd –ze moest een jaar of veertig zijn– droegen tegenwoordig geen hoeden. Nochtans stond hij haar goed. De rand lag schuin over haar voorhoofd en liet langs een kant wat donker haar vrij. Haar gezicht was wit en strak. Ze keek hem een paar seconden aan en schudde toen langzaam haar hoofd heen en weer. ‘Neen,’ zei ze, ‘of toch... in zekere zin... misschien... vrees ik.’ Ze keek naar het graf alsof vandaar uitsluitsel moest komen. Hij keek mee in dezelfde richting. ‘Camille Jenatzy, geboren in 1868, gestorven toen hij... vijfendertig was’, rekende hij hardop uit. ‘In een jachtongeval,’ voegde zij eraan toe. ‘Hoe weet u dat?’, vroeg hij. ‘Uit De Geschiedenis van de Belgische Auto.’ Hij viel zonder woorden en ze vervolgde op docerende toon: ‘Jenatzy was de man die als eerste in de geschiedenis honderd km per uur haalde met een auto.’ ‘Waarom is dat zo belangrijk voor u?’ ‘Dat is niet belangrijk voor mij. Het gaat om de auto, om de naam van de auto.’ ‘De naam van de auto?’ ‘La Jamais Contente. Naar het schijnt, noemde hij de auto naar zijn vrouw.’ ‘Zo... grappig... interessant...’ ‘Interessant misschien, maar niet grappig. Begrijpt u het dan niet? Natuurlijk niet, want u bent een man.’ ‘Als u mij wat meer vertelt, zal ik het misschien begrijpen.’ ‘Ik kan u niet meer vertellen, want ik weet er niet meer van.’ Het klonk lichtjes ongeduldig. ‘Kunt u zich echt niet indenken hoe het moet geweest zijn om door je man La Jamais Contente genoemd te worden en dan nog en plein public?’ ‘Maar misschien was het helemaal niet slecht bedoeld? Misschien was het juist een compliment?’ Ze zweeg en leek na te denken. Er vormden zich drie verticale rimpeltjes tussen haar wenkbrauwen. Dan ontspande haar gezicht. Voor het eerst keek ze hem echt aan. ‘Toen ik dit verhaal hoorde,’ ze haperde wat, ‘stond ik op deze plaats tussen een groepje mensen naar een gids te luisteren. Terwijl hij die woorden uitsprak –La Jamais Contente, die verschrikkelijke, harteloze bijnaam– voelde ik verdriet dat uit de aarde leek te komen en door mijn schoenen naar mijn benen en mijn buik trok.’ Hij liet haar uitleg, die hem op een bekentenis leek, even bezinken. ‘Ligt zij hier dan ook?’ Op het grafmonument stonden verschillende namen, waaronder twee vrouwennamen. Hij las ze hardop. ‘Neen, dat is zijn moeder, en hun dochter, denk ik. Zijn vrouw heette Marie Lamaye, Dame Marie Lamaye. Ik weet niet waar zij ligt. Dat heeft trouwens geen belang.’ Hij negeerde het toenemende ongeduld in haar woorden. ‘Wat heeft dan wel belang?’ ‘Het verdriet, het voelen, het toelaten van verdriet in je lichaam, rouwen.’ Het ongeduld ging over in iets zachters, iets milds in haar stem. ‘Vroeger kwam ik hier om monumenten te bestuderen, geschiedenis te leren, beeldhouwers, architecten of stijlen te herkennen. Nu kom ik om te rouwen. Daar zijn begraafplaatsen voor.’   Adriaan zweeg en keek de andere kant op. Hij had het nodig om weg te kijken, taferelen te zien, kleuren te registreren, een overzicht over het kerkhof te hebben. Alsof ze te dichtbij was gekomen, gevaarlijk dichtbij. Hij kon niet helder denken en zich zelfs niet afvragen hoe hij in dit bizarre gesprek verzeild was geraakt. Hij wou zich alleen van de omgeving vergewissen, voelen dat hij nog voet aan de grond had. ‘Ik weet niet waarom ik hier kom.’ Terwijl hij dit zei, keerde hij zich opnieuw naar haar. ‘Sinds een paar maanden voel ik vaak een bijna onbedwingbare drang om naar hier te komen.’ Hij zei er niet bij: sinds het met Tania niet meer schijnt te lukken, na elke ruzie met haar die onveranderlijk in bed begint. ‘Maar rouwen... ik zou niet weten waarover ik moet rouwen. Er is niemand dood.’ Ze opende haar mond om iets te zeggen, maar bedacht zich. Dan keek ze hem fronsend aan, alsof ze zich opeens afvroeg wie hij was en waarom ze met hem in een gesprek verwikkeld was geraakt. Ze deed een pas achterwaarts en zei wat gegeneerd: ‘Wel, tot ziens dan maar.’ En omdat hij duidelijk geen aanstalten maakte om weg te gaan, keerde ze zich om en liep ze zelf in de richting van het middenpad. ‘Wacht!’ riep hij, haar bijbenend. ‘Waarover rouwt u dan?’ ‘U bent wel erg nieuwsgierig!’ antwoordde ze duidelijk achterdochtig. ‘Nieuwsgierigheid is een teken van een gezonde geest.’ antwoordde hij. En hij realiseerde zich dat zij hem geen enkele vraag had gesteld. ‘Bent u dan niet nieuwsgierig?’ vroeg hij. ‘Vandaag niet,’ klonk het kort. ‘U rouwt.’ ‘Ja, en wilt u mij nu met rust laten?’ ‘Mag ik dan niet weten waarom u rouwt? Hebt u iemand verloren?’ Ze zweeg maar ze bleef staan. Dan klonk het, alsof praten haar moeite kostte: ‘Een vriendin.’ ‘O... en... waaraan is ze gestorven?’ Voor het eerst aarzelde hij en vroeg hij zich af of hij niet te ver ging. ‘Ze is niet dood. Ze beantwoordt alleen mijn brieven niet meer en ze wil ook over de telefoon niet met mij praten.’ Ze leek over de haag van het kerkhof te kijken. Haar ogen glansden. Zou ze lesbisch zijn?, vroeg Adriaan zich af. Het beeld van het naakte lichaam met hoed en laarzen kwam terug. Het leek kil. Maar het gezicht... Hij stond nu vlak bij haar. Hij kende haar nu en stuurde het beeld weg. Seks is hier niet op zijn plaats, dacht hij. Tegelijk scheen het hem toe dat het niet over seks ging. Hij raakte in de war en de enige manier om niet verloren te lopen in zijn eigen gedachten leek hem te praten. ‘Heeft ze daar dan een reden toe?’ ‘Ik weet het niet. Ik begrijp er niets van. Ik hou van haar en dat weet ze maar ik voel dat ik haar kwijt ben.’ ‘Ach,’ zei hij, ‘ze komt wel terug. Vrouwen zijn zo onvoorspelbaar. De ene keer zeggen ze dit en de andere keer dat...’ Hij stokte op haar boze blik. ‘Ja natuurlijk... wat stom van mij...’ Ze keek nog bozer. Hij voelde zich hopeloos verstrikt in zijn eigen constructies. ‘Excuseer.’ ‘Waar bemoeit u zich eigenlijk mee?’ Ze stapte met gemeten passen het pad af. Ik moet dit goedmaken, dacht hij. ‘Mevrouw! Eh... het spijt mij. Ik wil niet onbeleefd of opdringerig zijn. Maar...’ Ik voel me op een of andere vreemde manier sterk tot u aangetrokken, wou hij zeggen. Hij slikte het in. ‘Ik bedoel,’ probeerde hij opnieuw, ‘een relatie die stuk gaat, of het nu tussen en man en een vrouw, of een vrouw en een vrouw, of een man en een man gaat, het doet altijd pijn.’ Hij vond van zichzelf dat hij erg ruimdenkend klonk. ‘Het is niet wat u denkt,’ zei ze, ‘Het gaat over mijn vriendin, over vriendschap in de meest gewone betekenis van het woord.’ Vriendschap. Hij proefde het woord als iets van lang geleden. Zijn mond vulde zich met speeksel, maar zijn keel schroefde dicht. Wanneer had hij nog een vriend gehad, of een vriendin, in die zogenaamde meest gewone betekenis van het woord? In zijn borst klom een zwaar gevoel. Wat heb ik toch? vroeg hij zich af. En het antwoord schoof naar voren: droefheid. Het woord spelde zich op zijn netvlies en bleef daar staan. Ze liep niet langer weg, maar keek hem onderzoekend aan. ‘Wat is er?’ vroeg ze. Was het dan zo aan hem te zien? En wat was er te zien? Adriaan begreep er hoe langer hoe minder van. Tijd om uit deze droom te stappen, dacht hij en hij probeerde zich te herinneren waar zijn auto stond. Maar nu was zij het die begon: ‘Ziet u, hiervoor kom ik. Om te voelen. Elke keer rouw ik om iets anders en soms rouw ik bij elk graf om iets anders. Om grote en kleine dingen. Om Syrië of Ethiopië, om mijn moeder of mijn vader, om het kind dat ik te weinig was en het kind dat ik nooit had, om de eerste, de tweede en alle wereldoorlogen, om gemiste kansen en om het onbegrip van minnaars of echtgenoten, om de dood van een oude grootoom en van een bewonderde schrijfster, en om de leegte die ik soms voel.’ Adriaan zweeg omdat er niets meer te zeggen viel. Haar lichaam was dichtbij en straalde warmte uit. Hij had haar in zijn armen willen nemen en tegen zich aan drukken, zijn hoofd op haar schouder willen leggen en zijn ogen sluiten. Maar hij bleef staan. Zijn benen voelden loodzwaar aan. De kou uit de aarde scheen door zijn knieën omhoog in zijn lichaam te kruipen. Hij kon niets anders denken dan droefheid... droefheid... wat een woord. Haar gezicht... Hij stond zo dicht bij haar, dat hij een minuscule druppel uit haar neus naar haar lip kon zien glijden. Tot zijn verwondering brak er een halve glimlach door.   ‘En dan,’ zei ze, ‘ga ik naar de uitgang van het kerkhof en met elke stap die ik zet word ik weer vrolijker.’ En alsof ze wou bewijzen dat het zo was, liep ze naar het gietijzeren hek, naar hem omkijkend met ogen die ‘volg mij’ zegden. Hij liep achter haar aan en kreeg het weer warm. Plots verlangde hij naar Tania. Niets is verloren, dacht hij. Straks zal ik bloemen kopen. Geen chrysanten, maar roze rozen. Maar eerst... zou deze dame koffie van hem willen? Zou ze zijn vriendschap willen? Ze wachtte hem op. Ze had kleur gekregen. Ze is mooi, dacht hij, mooier dan verwacht. Hij stak zijn hand uit en stelde zich voor. ‘Adriaan.’ ‘Marie.'     

Christine Van den Hove
0 0

Apache

Ik hou niet van telefoneren. Ik heb er geen verklaring voor, het is gewoon zo. En het wordt erger met de jaren. Behalve mijn mobiele telefoon, waarin een Belgisch nummer en een Frans nummer zit, heb ik ook een satelliettelefoon. Die was inbegrepen in mijn internetverbinding. Ik bel er zelf nooit mee. Het is een vervelend toestel want de gesprekken komen met vertraging door, zodat de beller en ik soms door elkaar praten. Telefoneren in het Frans vind ik het ergst van al. In een gewone conversatie trek ik me goed uit de slag, maar aan de telefoon gaat het meestal mis. Ik versta de beller slecht, ik begin te stotteren en ik hoor mezelf fouten maken. De weinige mensen die mijn satellietnummer hebben zijn Nederlandstalig, vandaar dat ik, toen mijn telefoon gisteren overging, hem zonder hartkloppingen opnam. Maar voor ik er erg in had, was ik in een chaotisch Franstalig gesprek verwikkeld met een zekere Gianni. Ik kon hem heel moeilijk verstaan, hij sprak snel en ongearticuleerd en hij had het over een briefje met mijn telefoonnummer dat ik ergens achtergelaten zou hebben. Ik begreep er niets van en ik zei dat het wellicht een vergissing was, maar hij hield niet af. Naast hem hoorde ik een vrouwenstem die hem leek aan te moedigen. Ik probeerde meer te weten te komen, maar het enige wat ik nog kon verstaan was dat ik ‘du boulot’ voor hem zou hebben. Ik begon iets van de vasthoudendheid te begrijpen, maar ik moest hem teleurstellen. Het was een vergissing zei ik, klaar om in te leggen.‘Maar is dit dan niet uw nummer?’ vroeg hij en hij ratelde mijn satellietnummer af.Dat moest ik natuurlijk toegeven, anders was hij niet bij mij terecht gekomen.‘Ik heb in ieder geval geen briefje achtergelaten,’ zei ik. Ik was trouwens een paar dagen de deur niet uit geweest, want het regende al achtenveertig uur aan een stuk.Ik hoorde hem stilaan opgeven en haar ook. Nu de woordenstroom wat minderde, profiteerde ik ervan om het gesprek af te ronden en in te leggen. Het was onprettig. Ik stelde mij Gianni en zijn vrouw voor met het briefje waarop mijn nummer stond dat iemand bij hen onder de deur geschoven had. Ik had er geen idee van hoe ze eruitzagen, maar ik kon de teleurstelling op hun gezichten raden. Een paar uur later belde hij terug. Zijn vrouw was er ook weer bij. Hij stak hetzelfde verhaal af, alsof we elkaar nog niet eerder gesproken hadden. Ik herinnerde hem aan het vorige gesprek. Maar hij bleef het over dat briefje met mijn nummer hebben.Toen vroeg hij of mijn man thuis was.‘Ik heb geen man’, zei ik. En ik had meteen spijt dat ik dat gezegd had. Want wie was die Gianni eigenlijk? En wat voor informatie probeerde hij mij te ontfutselen?‘Het spijt me, ik kan u niet helpen,' zei ik. En toen zei ik nog eens ‘je suis désolée’ en ik legde in. De hele avond bleef ik aan die twee gesprekken denken, aan Gianni en zijn vrouw die hun hoop op een klusje in rook zagen opgaan omdat het nummer niet klopte. Misschien dachten ze dat ik het wel was geweest met dat briefje, maar dat ik van gedacht was veranderd en het klusje niet meer aan hen wou geven. Misschien zonnen ze nu op wraak.Het hield me ook bezig of ik wel spijt mocht hebben van het feit dat ik gezegd had dat ik geen man heb. Was dat geen misplaatst wantrouwen? Ik werd er meer en meer onrustig van. Rond negen uur ging de telefoon weer over. In weerwil van mijn telefoonangst, hoopte ik dat het Gianni was. Ik zou hem vragen om traag te spreken en alles nog eens met hem doornemen. Misschien was er een twijfelachtig cijfer in het nummer. Maar het was een andere meneer. Zijn stem klonk ouder.‘Solange?’ was alles wat hij vroeg.‘Nee,’ zei ik, ‘Hier is geen Solange.’Ik zei mijn naam maar niet. Hij excuseerde zich en legde in. Had die man misschien het briefje van Gianni in handen gekregen? En dacht hij misschien dat het een streek van Solange was? In mijn hoofd ontrolde zich een Franse zwart-witfilm met een jonge Belmondo als Gianni en Jean Gabin als de laatste beller. Op één dag had ik vier mensen leren kennen: Gianni en zijn vrouw, de oudere man en Solange. Maar meer dan vier personages in dit verhaal zullen ze niet worden, want er werd niet meer gebeld via de satelliet.   *** Vanmorgen zat er een bedelaar bij de ingang van de natuurwinkel in Prades. Voor een bedelaar zag hij er netjes gekleed en weldoorvoed uit. Maar hij zat op een muurtje met een paar muntjes voor zich uitgestald en hij sprak iedereen die passeerde buitengewoon vriendelijk aan. Achter hem zat een magere vrouw naar de grond te staren. Af en toe fluisterde ze iets in zijn oor. Ik was niet van plan om hen iets te geven. Toen ik naar binnen wou gaan, kwam er net een dorpsgenote naar buiten met een volgeladen winkelwagen. Voor we met elkaar in gesprek geraakten, ging ze naar de bedelaar en gaf hem een fles vruchtensap. Uit het contact dat ze hadden, begreep ik dat ze dat hadden afgesproken: geen geld, wel iets te eten of te drinken. Ik vond dat slim van haar. Het paar deed me denken aan Gianni en zijn vrouw. Ik dacht erover om zijn naam te vragen. Als het nu eens Gianni was? Dan kon ik meteen de zaak rechtzetten.Ik raapte mijn moed bijeen en vroeg hoe hij heette.‘Apache,’ zei hij, ‘comme l’indien.’Zijn vriendin heette Geneviève.Het voorbeeld van mijn buurvrouw volgend vroeg ik wat ik voor hen kon meebrengen uit de winkel. De vrouw schudde haar hoofd: ‘Niets.’Apache bestelde melk.‘Demi-écrémé de préférence, s’il vous plait.’Ik kocht twee dozen melk en gaf ze bij het naar buiten komen aan Geneviève, want Apache was al weg. Ik overwoog nog even om te vragen of ze een Gianni kende, maar Genevieve had duidelijk geen zin in een gesprek. 

Christine Van den Hove
0 0

Kleuren

Ik vroeg je of je naast me op de bank kwam zitten. Je aarzelde. Ik zag dat je je mond opendeed en iets wou zeggen, maar dan bedacht je je. Je klapte de laptop dicht en kwam naar me toe. Je vroeg niets, ik zag dat je nog in gedachten was. Ik gaf je de tijd om aan te komen op de bank. Onze bank. Het is nog steeds een mooi stuk, een tijdloos model in mosgroene stof, met veel kussens. Lang geleden, nog in de roes van onze verliefdheid, kochten we haar in een veel te dure winkel en al die jaren heeft ze dienst gedaan als hangplek, als bed, als eethoek, als bioscoopstoel, als knuffelplek. De laatste tijd is ze wat in onbruik geraakt.   ‘Sluit je ogen,’ zei ik. Je deed het. Je deed het onmiddellijk, alsof je opgelucht was dat je je nog even in jezelf mocht keren. Je bleef stijf rechtop zitten, je handen op je knieën.   Ik haalde het doosje potloden dat ik onder een kussen verstopt had tevoorschijn en ik koos rood. Ik probeerde het eerst uit op mijn eigen hand, ik moest een paar streepjes op mijn huid zetten voor de kleurstof vrijkwam. Daarna tekende ik een vraagteken op de rug van je hand. Je trok je hand niet terug, maar je opende je ogen. Alsof je wakker werd, je was plots mee. Je greep naar het doosje, maar ik schoof het weg.   ‘Afwasbaar,’ zei ik, ‘echt waar.’ Ik vouwde je vingers in je handpalm en liet je een vuist maken, zodat de huid van de rug van je hand strak stond en ik het vraagteken wat dikker kon maken.   Dan koos ik blauw en nam je hand wat steviger vast. ‘Mag ik?’, schreef ik.   Je knikte. Je liet het gebeuren. Je kent me. Ik zou je niet zomaar laten gaan. Misschien hoopte je dat het snel voorbij zou zijn, als je me maar liet doen. Het was stil in de kamer, maar buiten raasde het verkeer en elders in het gebouw hoorden we mensen thuiskomen. De zon hing laag en bleek voor de ramen, alsof ze wat achteloos naar ons keek.   Ik nam je hand weer vast en ik schoof de mouw van je trui een paar centimeter omhoog. Je sloot je ogen. Het kwam je uit, dacht ik. Je hoefde niets te doen. Je kon je ogen sluiten en verder denken aan waar je daarnet nog mee bezig was en dat je graag straks zou afmaken. Maar ik schepte moed. Je gaf me tijd. En dat was alles wat ik nodig had.   Op je pols testte ik alle kleurtjes uit het doosje: rood, blauw, wit, groen, geel en zwart. Ik zette korte streepjes naast elkaar en tekende een armbandje.   Vanaf je pols schreef ik: ‘Mag ik verder?’ Omdat ik gestopt was, opende je je ogen en je keek naar je onderarm. Je schoof je mouw wat verder en bood me je arm aan. Het verraste me dat je je al zo snel gewonnen gaf. Dat je meewerkte. We keken elkaar een paar seconden aan. Je glimlachte ingehouden en ik hoopte dat jij hetzelfde dacht als ik, hetzelfde voelde: ‘Weer als vroeger, weet je nog? Toen we nog praatten zonder woorden?’   Blij en wat overmoedig geworden schreef ik nu met groen: ‘Ik hou nog steeds van jou. Nog steeds. Nog meer.’ Je nam mijn hoofd in je handen en kuste me. Ik liet me door jou kussen op mijn mond, op mijn mondhoeken en mijn wang. Maar dan duwde ik je van me af en leunde naar achter. Ik toonde je het gele potlood. Je begreep het, je begreep dat ik op dat moment, daar op de bank, het voor het zeggen had. Je aanvaardde het, je duwde de mouw van je trui met een plagerige traagheid tot over de ronding van je schouder. Daar tekende ik een gele cirkel omgeven door stralende streepjes. En een witte wolk, die wat voor de zon hing.   Ik hield even op en herschikte mijn potloden. Ik hield ze in een bundeltje in mijn hand en ik keek naar jou. Naar je gezicht dat er tot mijn stille vreugde ontspannen en nieuwsgierig uit zag. En dan naar je lichaam dat daar zo losjes naast mij in de zetel zat. En weer naar je gezicht. Je begreep waarop ik wachtte en je trok je trui uit. Met het zwarte potlood maakte ik een stippellijn langs de halsopening van je topje. De streepjes liepen als mieren op en neer over je welvingen. Het landschap bewoog. Ik voelde je zucht over mijn hand strijken.   In je hals tekende ik een vlucht vogels. Ze trokken in de richting van de zon. Je draaide mee en liet je beschrijven, en toen ik ophield, greep je de zoom van je topje en trok het over je hoofd. Terwijl je met je vingers door je haar woelde, maakte ik de haakjes op je rug los en zette de punt van het rode potlood in de indrukken op je huid. Ik duwde wat harder. Je neigde naar voor, maar ik hield je rechtop bij je schouder.   ‘MIS!’, schreef ik, ‘mis-sen. Jou missen.’ ‘Ik wil het niet’, schreef ik verder in zwart. ‘Ik wil niet dat je van me wegdrijft.’ Ik schreef het snel en in grote ronde letters. Dan legde ik het zwarte potlood neer, nam het weer op en stak het in het doosje. Gedaan met dat zwart.   Ik tekende blauwe golven en wit schuim. Twee rode bootjes met daarin een geel en een groen figuurtje. En nog meer golven. Ik duwde harder op het potlood, het drukte je huid wat in. Er verschenen rode vlekjes tussen de blauwe golven. Ik hing de bootjes met een dik geel touw aan elkaar.   Je keek om. ‘Nog even’, zei ik. Je boog je hoofd en spande je rug. Ik bleef golven tekenen in blauw, groen en wit. Het water ging tot aan de delta onderaan je rug. Ik schreef zo diep ik kon.   Aan je bewegende ellebogen zag ik dat je de knoop van je jeans losmaakte. Je schoof alles naar beneden en over je voeten. Je ging op je buik liggen. Ik maakte plaats en knielde op de vloer naast de bank. Vandaar had ik een mooi uitzicht op het schilderij op je rug en op je onbeschreven witte billen. Ik legde mijn wang op de koele huid daar en ging met het blauwe potlood over de achterkant van je dij.   ‘Water’, schreef ik. ‘Dorst naar jou.’ Terwijl ik de zachte binnenkant van je dijen streelde, schoof je langzaam je benen uit elkaar.       * Faber-Castel 6 Schminkstifte, 5,3 euro in speelgoed- en schrijfgeriefwinkels.        

Christine Van den Hove
0 0

Goede bedoelingen

Ze zitten ongemakkelijk tegen elkaar geperst op de tweeënhalfzit. Een drieënhalfzit was beter geweest, maar daar was niet genoeg plaats voor. Ilham zit het meest gekneld tussen de oudere, dikke Fadma en de jonge, zwaar opgemaakte en ook mollige Mounia. Nina denkt er niet aan om nog een zetel bij te schuiven. Ze zit zelf in de fauteuil recht tegenover de drie vrouwen. Ze schenkt koffie in, er moet veel melk en suiker bij.   De kamer is opgeruimd. Nina ziet er mager uit, maar al iets beter dan een paar dagen geleden. Fadma heeft een schaal koekjes meegebracht, maar Nina wil er niet van eten. ‘Het gaat niet’, zucht ze, ‘Het gaat echt niet. Het spijt me.’ Daarom nemen zij ook niets. Ze roeren in hun kopjes en nemen zwijgend kleine slokjes.   ‘Je hebt de groeten van de hele conversatieklas’, zegt Ilham. ‘Dankjewel, is er al een nieuwe lesgeefster? Heeft Leen iemand gevonden?’ Nina’s belangstelling lijkt echt. ‘Nee’, zegt Ilham, ‘maar we zijn toch samengekomen. We hebben wat gepraat.’ ‘In het Nederlands’, zegt ze er snel bij. Fadma knikt en Mounia lacht.   Het blijft een paar minuten stil. Ilham en Fadma kijken elkaar aan. Fadma wipt met haar kin naar Ilham. Begin jij maar, lijkt ze te zeggen. Ilham schraapt haar keel.   ‘We vinden het heel erg voor jou’, zegt ze, ‘Alix was je goede vriendin, en nu ben je alleen.’ ‘We hadden gedacht ... we zouden voor jou ... een man kunnen zoeken.’   Ze roert in een leeg kopje en drinkt er nog van ook. Nina bijt op haar lip. Ze neemt een servetje van de salontafel en houdt het voor haar mond. ‘Excuseer’, zegt ze. Ze staat recht en gaat naar de keuken, het servetje nog steeds voor haar mond. Ze trekt de deur achter zich dicht.   Mounia neemt een driehoekig koekje en bijt er een punt af. Fadma en Ilham kijken elkaar aan en beginnen te fluisteren in hun radde taaltje. Als Nina uit de keuken komt, zijn haar ogen rood. Ze snuit haar neus terwijl ze rechtstaat, steekt haar zakdoek weg en gaat dan zitten.   ‘Dat is heel lief van jullie’, zegt ze ‘maar ...’ Haar ene mondhoek trekt naar beneden. Dan buigt ze zich voorover en begint te lachen. Eerst met zachte geluidjes, dan steeds harder. Ze houdt haar handen voor haar gezicht, brengt ze daarna weer naar haar schoot en kijkt een paar seconden ernstig. Dan begint het weer, het is niet tegen te houden. Ze giert ongegeneerd, de tranen lopen van haar wangen en uit haar neus. Mounia begint ook te lachen, Fadma en Ilham lachen aarzelend mee.   Als Nina gekalmeerd is, is er iets veranderd. Alsof haar lichaam plots veerkracht heeft gekregen. Ze zit recht in de fauteuil, haar handen op haar knieën, haar zakdoek in haar mouw gepropt en kijkt hen glimlachend aan.   ‘Dat is echt heel lief’, zegt ze weer ‘Maar ik wil geen man.’ ‘Het is te vroeg’, zegt ze dan. ‘Later dan’, zegt Fadma. ‘Nee’, zegt Nina, ‘geen man.’ ‘Ik ben blij dat jullie gekomen zijn en het is lief dat jullie bezorgd zijn, maar Alix ... was mijn lief. Alix was mijn vrouw en mijn man.’   Nu is het Mounia die het woord neemt. ‘Ja, natuurlijk, dat wisten we wel hoor, maar misschien is het nu tijd om ... Je bent nog jong en mooi ...’ ‘Je kunt nog kinderen krijgen’, zegt Fadma. Ze neemt een maanvormig koekje, waarvan ze een stukje afbreekt en het weer neerlegt.   Nina schudt haar hoofd. ‘Geen kinderen, geen man ... Alix ...’   Nu huilt ze, met zachte uithalen en dikke snikken en dan harder, haar hand voor haar mond, haar ogen wijd en vol tranen. Ilham en Mounia komen naast haar op de armleuning zitten. Ze strelen haar haar. Ilham trekt Nina’s hand weg en dept haar gezicht met de punt van haar hidjab.   (Hoofdstuk 6 uit 'Minder Dood Dan Gedacht' (werktitel), roman of novelle in wording)

Christine Van den Hove
0 1

Wat ik je niet zeg

Op een bank in de tuin. Zo zie ik je kijken: alsof de anderen merkwaardige wezens zijn. ‘Ze zijn hier allemaal oud,’ zeg je en je vergeet dat je zesentachtig bent. ‘Die man,’ zeg je, en je wijst met je kin naar mijnheer Fort, ‘Die is toch niet ziek? Waarom is hij hier?’ Ik heb niet meteen een antwoord. Nee, hij is niet ziek. Hij loopt kaarsrecht en zonder stok het rolstoelpaadje op en neer. Dan wijs je zonder gêne naar mevrouw Paule. ‘Weet je hoe oud die is? Tweeënnegentig. Ze heeft een tijdje in een rolstoel gezeten, maar nu loopt ze weer rond.’   ‘Laten we wat wandelen,’ stel ik voor. Je hijst je op aan je looprekje. Het geëffende pad loopt langs grasveldjes en oude bomen en een lange rij lavendelstruiken onder de ramen van de kamers op het gelijkvloers.   Wat ik in de achterste kamer zie, vertel ik je niet. In het bed ligt een magere vrouw, met ingevallen wangen, de ogen gesloten, een verpleegster wisselt het infuus. Jij houdt je blik op de grond en je schuifelende voeten.   Wat ik in de voorste kamer zie, vertel ik je niet. Een koffer op een bed. Iemand is aangekomen of weggegaan.   Op een bank in de tuin. Wat jij ziet, zie ik anders. Of is het omgekeerd? Ik zie een vrouw die een rolstoel duwt. Moeder en dochter, ze lijken sprekend op elkaar. ‘Wat erg als je zo’n kind hebt,’ zeg je. Soms spreek ik je tegen. Vandaag niet. De dochter van mevrouw Berjoan duwt haar moeder voort met iets dat tussen kranigheid en moed der wanhoop ligt. Ze komt hier al zeven jaar op bezoek, drie keer per week.   ***   Als het killer wordt, wil je niet meer naar buiten. We blijven in je kamer praten over mijn kleine en jouw nog kleinere wereld. Er wordt aarzelend geklopt op de openstaande deur. De dochter van de rolstoelvrouw wenkt mij. ‘Kom kijken, zegt ze, ze is dood.’ Alsof ze het hardop moet zeggen om het te geloven. ‘Het is net gebeurd,’ zegt ze.   Daar ligt mevrouw Berjoan, nog niet gefatsoeneerd, het hoofd achterover, de mond open. Als verstild in volle overgave.    Dat zeg ik je niet, waaraan ik moest denken, toen ik haar zo zag. Aan dingen waarover we nooit spreken. Omdat ze niet van onze taal en ook te lang geleden zijn.

Christine Van den Hove
0 0

Concha's kinderen

Heeft de trein naar Prades vertraging of heeft ze hem gemist vandaag? Concha kijkt eerst naar de stationsklok, dan naar het elektronisch bord en besluit dan dat hij te laat is. In ieder geval later dan gewoonlijk. Op het perron staat niemand aan wie ze het kan vragen, behalve de twee jongetjes die net als zij elke woensdag de trein nemen en bij de tweede halte, in Saint-Feliu-d’Avall, al uitstappen. Het lijkt niet erg praktisch om aan hen te vragen of ze soms weten of de trein vertraging heeft, maar ze gaat toch dichterbij staan. Ze willen immers op dezelfde trein en er is duidelijk iets niet in orde.   Nu verschijnen er rode cijfers naast het vertrekuur op het elektronisch bord. ‘Hij heeft acht minuten vertraging,’ zegt de oudste jongen half tegen zichzelf, half tegen haar. Ze knikt. Er is iets vreemds aan de jongen. Iets dat haar nieuwsgierigheid wekt en haar tegelijk op afstand houdt. Het zijn de flipflops, denkt ze eerst. Het zijn slippers met goudkleurige bandjes, een maat te groot. Misschien zijn ze van zijn moeder, denkt Concha en in gedachten ziet ze een vrouw die haar kind goudkleurige slippers doet aantrekken omdat hij de trein moet halen en hij zijn sandalen niet vindt. Het zijn die kleren ook, dat gebloemde hemd op een geruite short. En dat gezicht van die jongen. Het zijn de tanden. Nu ziet ze het. Hij heeft erg grote tanden.   De jongen glimlacht naar haar. Aan zijn gestalte schat ze hem een jaar of tien. Maar dat gezicht, die oplettende ogen, hij lijkt ouder. Het broertje -zou het zijn broertje wel zijn?- ziet er heel anders uit. Een bleek gezichtje, grote donkere ogen, lange wimpers. Een kind dat nog een kind is. Hij komt naast haar staan en pakt haar hand. Het handje plakt. Ze wil het van zich afschudden maar doet het niet.    ‘Oma,’ zegt het kind. Ze schrikt. Zie ik er zo oud uit? Ze probeert het handje los te laten, maar het houdt stevig vast. Het broertje komt ertussen.  ‘Laat los, Audric! Dat is oma niet. Oma is dood.’ Hij kijkt haar verontschuldigend aan. De trein dendert het station binnen. Acht minuten geleden waren ze nog vreemden voor elkaar. Nu stappen ze op, met hun drietjes. De oudste voorop, dan Concha met Audric aan haar hand.   ***   Voor de kinderen maakt de richting niet uit. Concha zit graag met de rug naar Perpignan en het gezicht naar Prades. Weg van haar werk in het rusthuis waar ze al vierentwintig jaar de vloeren dweilt en de badkamers poetst. Op weg naar haar appartement in Prades, met het gezellige terrasje achteraan en de smalle keuken waar ze vanavond fideuà zal koken voor haar zoon Enrique.             Ze kan nu niet denken aan Enrique en aan wat ze nog moet kopen voor het avondeten -zure room niet vergeten- want de kleinste klimt op haar knieën. Hij knijpt in haar been tijdens het klimmen en het doet pijn, maar nu ze weet dat hun oma dood is, kan ze het niet over haar hart krijgen om hem meteen van haar schoot te tillen. Audric zoekt een plekje dat lijkt op het plekje van oma, ergens in het midden van haar dijen, zodat hij stevig zit en zijn hoofd tegen haar schouder kan leggen zonder om te vallen. Concha’s handen willen hem helpen, hem tegen haar lichaam trekken, maar ze laat haar handen op de zitbank rusten.   Ze vraagt aan de oudste jongen hoe hij heet. De trein zoeft en de wagon rammelt, daarom komt hij naast haar staan.  ‘Fabien,’ zegt hij in haar oor. Fabien en Audric. Ze vragen haar niet hoe ze heet. Voor Audric is ze ‘oma’.   ‘Ben jij een oma?’ vraagt Fabien. Ze schudt haar hoofd. Ze liegt. Ze weet meteen dat ze liegt, ze was het niet vergeten, maar het is te laat, ze heeft haar hoofd geschud. ‘We moeten eruit in Saint-Féliu,’ zegt Fabien. ‘Wonen jullie daar?’ vraagt ze, om iets te vragen, om iets te zeggen, om niet meer te moeten liegen.  ‘Mama woont daar,’ zegt Fabien, ‘en papa woont in Perpignan’. ‘En wij wonen in de trein.’ Hij lacht zijn grote tanden bloot om zijn eigen grapje. Hij blijft naast haar staan in het gangpad, de voeten gespreid om zijn evenwicht te bewaren. Als de trein schommelt, houdt hij zich even vast aan de rugleuning van de bank waarop ze zit. Maar als hij in evenwicht is, houdt hij de handen in zijn zijde. Nog iets wat hem ouder doet lijken, alsof hij gehaast is om bij de grote mensen te horen.   Concha voelt zich ingepalmd, overmeesterd. Ze is te verbaasd om te denken en nog vragen te stellen. Fabien vertelt, de handen op de heupen, over mama’s huis met een tuin en een notelaar, waar ze straks noten zullen rapen -de afgelopen dagen zullen er weer veel gevallen zijn- en waar ze zullen wachten op mama, in de tuin of bij de buurvrouw soms. Audric ligt nog steeds tegen haar schouder. Een handje -niet het kleverige- dwaalt rond haar hoofd, voelt aan haar oorbel en aan de clip in haar haar. De kam komt wat los. Straks, als ze uitgestapt zijn, zal ze haar kapsel wel weer in orde maken   ***   In Saint-Féliu staan ze te zwaaien. Ze blijven zwaaien tot de trein zuchtend optrekt. Concha zwaait tot ze kramp in haar arm krijgt, tot ze uit het zicht zijn.   Waar was ze gebleven? Bij Enrique die vanavond komt eten en de fideuà die ze voor hem zal koken. De inktvis ligt al in de koelkast, vermicelli heeft ze altijd in huis. Witte wijn en zure room moet ze nog halen. Enrique zal haar ophalen en ze zullen samen boodschappen doen. Ze zal zich weer ergeren aan zijn sloomheid. Van wie heeft hij dat? Ze kan zich nauwelijks zijn vader herinneren. Hij was al weg voor zijn zoon geboren werd. Als Enrique nu eens een vrouw vond, een fijne jonge vrouw, een schoondochter. Ze zouden nog kinderen kunnen krijgen. Enrique en de schoondochter die ze in gedachten heeft, ze probeert het zich voor te stellen, maar het werkt niet. Enrique en een vrouw. Het zou een wonder zijn. En dus onmogelijk.   Bijna even onmogelijk als zelf nog kinderen krijgen. Er komen geen kinderen meer. Ook al liegt ze dat ze geen oma is, ze heeft er de leeftijd voor. Ook al ziet ze er jong uit, draagt ze jeans en sneakers, verft ze haar haar donkerrood en draagt ze grote zilveren ringen in haar oren. Ze is oma.   Ciri kent haar oma niet. Ze weet misschien niet eens van haar bestaan. En Concha weet alleen dat ze Ciri heet -aan de naam is ze gewoon geraakt- en dat ze nu negen is. Zou ze vragen stellen aan Blanca, haar mama?   ‘Heb jij een mama? Heb ik dan een oma? Waar is ze dan?’ Ze legt haar moeder op de rooster tot Blanca zwicht en zelfs inziet dat het gedaan moet zijn met die onzin. Dat zij, Blanca en Ciri, samen oma Concha zullen opzoeken. Ze woont nog steeds in dat kleine flatje in Prades. Ze zal niet verhuizen, want ze hoopt dat Blanca op een dag aan de deur zal staan. Ze zullen elkaar om de hals vallen en om vergeving vragen. Wie moet wie vergeven? Ze weten het al niet meer. Ze zullen lachen en huilen, zoals je dat soms op de televisie ziet.   Concha kijkt niet meer naar dat soort programma’s. Ze kent haar dochter. Haar koppigheid. Ze weet niet meer hoe het begonnen was, maar wel nog de woorden. Hoe gewond ze zich had gevoeld. Hoe waar het was dat ze Blanca teveel alleen had gelaten. Dat ze niet had nagedacht over wat met een meisje kan gebeuren, een kind nog. Dat ze soms bij een minnaar was gebleven in de hoop dat hij bij haar en haar zwijgzame zoon en opstandige dochter zou komen wonen. Was ze daarom slecht? Verdiende ze dat woord? Dat woord dat ze zelf nooit zou gebruiken?   De trein vertraagt en maakt een bocht. Tussen Vinça en Marquixanes komt de Canigou in zicht. Hij is grijsbruin en zwart aan de top, het is nog te vroeg voor de eerste kraag sneeuw. Ze houdt van de Canigou, van zijn massieve aanwezigheid, zoals iedereen die hier woont ervan houdt. Hij is troost en belofte voor al wie dat soms nodig heeft. Soms kijkt ze minutenlang naar de bergen vanop haar terrasje en denkt aan het land dat daarachter ligt. Ze is nooit meer de grens overgestoken. Spanje is te groot, waar moest ze beginnen zoeken?   ***   Enrique staat bij het hekje waar hij al die jaren elke woensdag staat. Nadat Blanca vertrokken was, werd het snel een gewoonte. In het begin hadden ze het nog dikwijls over Blanca gehad. Waarom toch? Waarom zo plots? Waarom was ze zo kwaad? Wat had ze misdaan? Waarom zonder adres, zonder telefoonnummer achter te laten? Enrique had geen antwoorden. Hij luisterde en knikte of schudde zijn hoofd. Hij klaagde niet. Hij zei nooit : ik ben er ook nog, mama. Hij zei dat niemand in de streek zo‘n lekkere zarzuela kon maken als zij. Ze deed haar best. Ze wou dat hij bleef komen.   Hij blijft komen. Het is een gewoonte. Nee, het is meer dan een gewoonte, het is trouw. Trouw, dat is het woord dat bij Enrique past. Sloom, maar trouw. En dan hoopt ze weer heel even dat hij iemand vindt die van hem houdt. Een vrouw, of toch iemand.   Zoals hij daar staat, de handen in de zakken. De rust, de kalmte die hij meebrengt als hij in haar richting komt en haar op beide wangen kust. Ze slaat haar armen om zijn nek.  ‘Hijo mío,’ fluistert ze. Hij maakt zich glimlachend los uit haar omhelzing en zegt dat ze laat is.    ‘De trein had al vertraging in Perpignan,’ zegt ze, ‘dat is nog nooit gebeurd. Deze niet.’   Ze ziet weer de rode cijfers op het bord, ze denkt aan de warme adem van Fabien in haar oor, ze voelt nog wat plakkerigheid in haar hand. En ze weet zelf niet zo goed wat haar zo blij maakt.  

Christine Van den Hove
0 0

Vrouw zakt door perron

De scherpe pijn in haar staartbeen verdringt gedurende een paar seconden alles. Ava houdt haar rechterhand in een kom rond de plek van waaruit de pijn haar hele lichaam rondstraalt en pas als ze de hevigheid voelt afnemen, ziet ze zichzelf in een halfdonkere ruimte zitten en komt de angst opzetten.   Ze voelt aan de wand, het is vochtige aarde, en ze kijkt in de grote opening boven haar hoofd waardoor het vroege ochtendlicht naar binnen valt.   Het duurt niet lang eer ze zich herinnert dat ze even ervoor op het perron stond en heen en weer wandelde omdat het fris was en de trein naar Kortrijk op zich liet wachten. Dan waren de betontegels onder haar voeten weggeschoven. Ze was letterlijk in de grond gezakt.   De put is diep en wijd. Ava begrijpt niets van zoveel ruimte onder de grond en doet ook verder geen moeite om te begrijpen. Ze probeert te denken aan iets dat haar hieruit kan helpen. Ze vraagt zich af of ze iemand gezien heeft op een van de andere perrons en –nog belangrijker- of iemand haar gezien heeft.   Dan komt de angst opnieuw, nu snel en onbeheerst en ze begint te roepen. Het geluid van haar stem wordt gedempt door de zachte wanden. Ze probeert het nog eens en wat harder en ze denkt aan akelige dromen waarin ze om hulp roept, maar geen geluid uit haar keel krijgt. Meestal werd ze dan wakker geschud door Myriam want die hoorde haar wel kreunen. Myriam. Gek dat ze er nu pas aan denkt dat ze iemand kan bellen.   Maar moet het Myriam zijn? Hoe moet ze uitleggen wat ze om zes uur ’s morgens in het station van Mechelen doet? Wat kan Myriam doen behalve de hulpdiensten bellen? Zou ze zich naar hier haasten? Kan ze niet beter zelf de politie bellen? Wat is het nummer? 100? 101?   Ze vindt haar mobiele telefoon onderaan in haar tas en haalt hem bevend boven. Net als ze het met nummer 100 wil proberen, hoort ze een stem. Als ze naar boven kijkt, ziet ze een hoofd over de rand hangen. De man is blijkbaar op zijn buik gaan liggen.   ‘Is daar iemand?’ vraagt hij overbodig, want er is nu al zoveel licht dat hij haar wel moet zien zitten. ‘Ja ja’, roept Ava beverig. Ze voelt plots tranen en snot en ze zoekt naar een zakdoek terwijl ze ‘Ja ja, help mij’ blijft herhalen.   Er komt een tweede hoofd bij. ‘Bent u gewond?’ vraagt hij.   ‘Ja, nee, een beetje,’ roept Ava terug. Ze tast naar haar staartbeen en voelt dan pas de pijn in haar pols en iets prikken aan haar oor en haar lip. Er komen donkere vlekken op haar zakdoek.   Ze dringt nieuwe tranen terug, ze slikt en slikt en dwingt zichzelf tot een droog gesprek met de mannen die haar kunnen redden.   ‘Bent u van het station?’ vraagt ze. ‘Bent u gekwetst?’ vraagt de man opnieuw. Hun vragen overstemmen elkaar.   Het is lastig naar boven kijken, ze houdt haar hoofd een paar tellen naar beneden. Als ze weer naar boven kijkt, hangt er een derde hoofd over de rand.   Het is een vrouw. ‘Mevrouw,' zegt ze ‘er is hulp op komst.’ ‘Bent u gekwetst? Hebt u pijn? Waar hebt u pijn?’   Antwoorden kost moeite. ‘Mijn rug, onderaan, en mijn pols.’   ‘Kunt u rechtstaan?’   Ava schudt het hoofd. Ze wil het niet eens proberen.   De twee andere hoofden verdwijnen.   ‘Er is hulp onderweg,’ zegt het vrouwenhoofd weer. Dan verdwijnt ze ook.   Het geluid van de ambulance lijkt nog ver weg als het al stopt. Na een tijdje komen nieuwe hoofden kijken.   ‘Te diep en te gevaarlijk,’ zegt het ene hoofd, ‘bel het klimteam.’   ‘Mevrouw, er is hulp op komst, 'roept de man nu ook weer naar beneden, ‘wij kunnen u hier niet uithalen, het klimteam is opgeroepen.’   Het is wachten, de pijn in haar rug die minder hevig is, en de pijn in haar pols verdragen. Wachten en op de tanden bijten, en proberen om wat comfortabeler te gaan zitten.   Dan komt de vraag weer op of ze Myriam zal bellen. Ze tikt het nummer in, maar bedenkt zich.   Myriam zal de brief pas vanavond vinden. Ze kan net zo goed niets doen en de dingen laten verlopen zoals ze gepland waren. Met vertraging, want ze had nu op de trein moeten zitten, al uren ver verwijderd van het leven met Myriam.   Ze had een Noord-Franse stad op het oog, Lille of misschien Rouen. Ze zou er een paar dagen op hotel gaan en er werk zoeken. Vandaag zal het niet meer lukken. Ze zullen haar naar een ziekenhuis brengen. Ava ziet zichzelf al in een wit bed liggen. Het Sint-Maartenziekenhuis is het dichtste bij.   Als zij Myriam niet belt, zou ze het op een andere manier te weten komen?   ***   In het ziekenhuis vragen ze voor de derde keer of ze iemand moeten bellen.   ‘Nee, nee, alstublieft niet.’   Het is allemaal niet zo erg. Een gekneusd staartbeen, een verstuikte pols, hechtingen in haar lip, haar wenkbrauw en haar oor. Voor de zekerheid kan ze beter een nachtje blijven.   De pijn is te verdragen, alles is gezalfd, omzwachteld, gehecht of bepleisterd. Het bed ligt fijn, er brandt licht op de gang, de belknop is binnen bereik.   Slapen is alles wat ze kan en wil doen. Slapen.   En morgen vertrekt ze gewoon opnieuw. De grootste hindernis, heeft ze gehad. (Naar een bericht in De Standaard op 26/08/2014)

Christine Van den Hove
0 2

Babet Retteketet (prentenboek)

Nieuwsgierig Aagje! Dat zegt mama als Sara bij het raam staat.   Ik ben geen Aagje, zegt Sara. Ik ben Sara.   Maar wel nieuwsgierig, zegt mama.   Dat is waar. Want Sara kijkt graag door het raam. Er is altijd iets te zien. En ze weet er graag alles van.   *** Vandaag staat er een grote vrachtwagen in de straat. Daaruit komen heel veel dozen: grote dozen, kleine dozen, lange dozen, kapotte dozen. Een wasmand en een koffer, een tafel en stoelen en … een piano!   Die spullen moeten in het huis naast dat van Sara. Drie mannen en een vrouw brengen alles naar binnen.   Nieuwe buren, denkt Sara. Zouden er ook kinderen komen wonen?   *** Er komt een kleine rode auto aan. Met nog een hoop dingen. Een teevee en een radio, een plant met lange scherpe bladeren, een leeslamp en een stofzuiger.   En een mevrouw met een hele dikke buik.   Die krijgt een baby, weet Sara. Met een baby kan ik niet spelen. ***   De volgende dag hoort Sara een hond blaffen in de tuin. De hond van de nieuwe buren, zegt mama, hij moet vast nog wennen aan het huis.   Sara denkt aan het poortje in de schutting, helemaal achteraan. Een duwtje en het gaat open. O jee, zou die hond loslopen?   Ik zie een meisje, zegt Mama. Waar, waar? vraagt Sara.   Daar, zegt Mimount, gauw, trek een trui aan en ga naar buiten. ***   Sara vindt het een beetje eng. Ze stapt stilletjes naar de schutting. Ze kucht.   Het meisje komt aangelopen. Jij bent Saartje! zegt ze meteen.   Sara schudt haar hoofd. Saaaraaa, zegt ze . Niet Saartje!   Sara de lara, zegt het meisje. Ik heet Babet retteketet. Ze lacht zo leuk dat Sara ook moet lachen. ***   Dat is Bono de pono. Ze wijst naar de hond.   Er komt een mevrouw in de tuin. Het is de verhuismevrouw. Dat is mama Lies de bies, roept Babet.   En dat is ook mijn mama! zegt Babet. Ze wijst naar de vrouw met de dikke buik.   Heb jij twee mama’s? vraagt Sara. Babet knikt. Mama Liesbet en mama Sofie.   Heb jij een papa? vraagt Babet. Sara knikt. Ik heb ook een broer en een kleine zus, zegt ze.   Ik krijg ook nog een zusje, zegt Babet. Ze wijst naar de buik van Sofie.   En weet je wat? Er zit een poortje in de schutting! ***   Natuurlijk kent Sara het poortje in de schutting. Ze loopt vlug naar de achterkant van de tuin en opent het poortje. Zo staat ze plots in de tuin van Babet.   Dat vindt Bono fijn! want hij komt meteen aangelopen, samen met Babet. Sara is een beetje bang. Bono is niet bang. Hij is blij en springt – pardoes- op Sara.    ***   Daar is Liesbet al. Ze houdt Bono vast. Niet bang zijn, Sara, zegt ze. Jullie moeten elkaar nog leren kennen.   Mag Sara mee naar binnen? Vraagt Babet. Ja hoor, lacht Liesbet. Ga maar samen speelgoed uitpakken! ***   In de kamer van Babet staan al een bed en een kastje. Liesbet bouwt met planken een rek. Daar mogen Sara en Babet al het speelgoed op zetten. Poppen bij poppen, auto’s bij auto’s, knuffels bij knuffels, puzzels en boeken.   Dan wordt de winkel opgezet. Babet heeft een echte winkel, met een kassa en al! Sofie brengt een grote tas vol doosjes en flesjes. En een portemonnee met echt geld. ***   Sara en Babet hebben het druk. Liesbet en Sofie ook.   Dan gaat de bel.   Het is mama. Is mijn dochter hier? vraagt ze. En komt ze ooit nog weer naar huis? Alle mama’s lachen. ***   Sara wil zo graag vertellen. Over het poortje in de schutting en Bono de pono. Over de kamer en de winkel van Babet.   De twee mama’s en de baby die gaat komen. En daar is geen papa! Mag Babet morgen komen spelen? Mag het, mama? vraagt Sara.   Mama lacht. Goed idee!   Weet je wat wij gaan doen? Wij bakken samen koekjes. Wel tien verschillende soorten!   Dan vieren we morgen koekjesfeest, voor de nieuwe buren!  

Christine Van den Hove
0 0

Sinds Birte

Sinds Birte gestorven is, word ik elke ochtend wakker met het gevoel dat er iets niet klopt. Erger nog, dat er iets helemaal verkeerd is. Natuurlijk is het verkeerd dat Birte er niet meer is. Het duurt altijd een paar tellen eer dat besef tot mij doordringt. Maar het is nog iets anders. De dag begint op een manier waarop hij niet zou moeten beginnen. Ik word wakker in een smal bed in een ruime kamer. Iemand trekt de gordijnen open en zegt goeiemorgen. Op het veel te kleine schrijftafeltje staat een blad met een saai ontbijt: een kop lauwe koffie, drie sneetjes witbrood, een kuipje aardbeienconfituur en een rechthoekje boter.             Daar begint het al. De koffie zou heet en sterk moeten zijn en vooral, door mij gezet. In de keuken. Waarom heb ik geen keuken meer?                         Na het ontbijt komt een meisje vragen of ik hulp nodig heb bij het wassen en aankleden. Ik schud mijn hoofd. Ze trekt de deur meteen weer dicht. Ze kent het antwoord, maar ze moet het vragen. Ik ben nog altijd in staat om een broek en een hemd aan te trekken, en mijn kleren zou ik liever zelf wassen. Ik zou niet zo’n rare plooi in mijn broek strijken, ik zou de kraag van mijn hemd wat rechter zetten. En ook geen vouwen in de mouwen alstublieft.               ‘Niet moeilijk doen, liefste,’ zou Birte zeggen. ‘We hebben hier alles wat we nodig hebben.’ En dat was ook zo. Zolang Birte zorg en vooral veel aandacht nodig had, was het handig om niet te moeten koken, poetsen, strijken. Lezen of naar de tv kijken ging ook niet, maar dat vond ik niet erg. Dat zou later wel weer komen. Want er zou een later komen, zonder haar en zonder de kabbelende gesprekjes tussen ons.             Die mis ik nog het meest. Birte was graag aan het woord. Over de ergernis die ik daarbij soms voelde, heb ik nu spijt. Maar spijt en woede –woede, omdat ze weg is- daar koop ik niets mee. Dus leg ik spijt en woede opzij en probeer ik de dag door te komen. Meer lukt me voorlopig niet. Al moet er iets gebeuren. Morgen misschien, of volgende week.             Om tien uur liggen de kranten in het salon. Er eentje van de tafel grissen en meenemen naar je kamer wordt niet op prijs gesteld. Nee, het is de bedoeling dat we samen de koppen doornemen, om aan te tonen dat we nog bij ons verstand zijn. We zijn met niet velen die dat nog kunnen. De animatrice test elke dag onze kennis van aardrijkskunde, geschiedenis en politiek. Het is een knap meisje. Ze heeft kort zwart haar, wat langer in haar nek, en ze heeft een blinkend steentje in haar neusvleugel. Ik kan het niet laten om haar na te kijken als ze door de gang loopt. Ze heeft brede schouders –zou ze zwemmen?- en een jongensachtige tred. Ik denk dat ze is zoals wij, maar ik durf het haar niet te vragen. Zou ze het weten van mij? Ze kan er toch moeilijk naast kijken? Maar ze heeft geen oog voor mij. Ze spreekt me beleefd aan met mevrouw zoals ze dat hier met iedereen doen. Mevrouw, mijnheer. Als er nieuw personeel is, want het wisselt nogal, is er al eens eentje bij die zich vergist en mij met mijnheer aanspreekt. Ik verbeter ze niet, ik ben het gewoon. Na een dag of twee zien ze hun vergissing in.               Mevrouw Simons is ook weer bij het krantenuurtje. Haar man heeft ze in hun kamer gelaten. Ze luistert gespannen naar de vragen, de ogen half gesloten, de handpalmen op de tafel, en ze probeert als eerste te antwoorden. Uitsloofster. Als het krantenuurtje voorbij is, mogen we de krant van vandaag in het salon lezen. Die van gisteren mogen we mee naar de kamer nemen. Met oud nieuws onder de arm slof ik naar mijn hol. Ik moet het samenzijn in een ruimte met anderen doseren. Langer dan een uur kan ik nog niet aan.               In het restaurant blijkt mevrouw Bernards mijn plaats te hebben ingenomen. Ik overweeg om haar rolstoel achteruit te trekken, een stoel bij te schuiven en te gaan zitten, maar uit goed fatsoen blijf ik staan bij de tafel waar ik tot voor kort nog met Birte zat. De zaalverantwoordelijke neemt me bij de arm en leidt me een paar tafels verder.             ‘We dachten dat u hier beter zou zitten,’ zegt ze. Ze schuift een stoel achteruit en nodigt me uit om te gaan zitten. Bij Simons en haar man, en nog een kale man die ik wel al gezien heb, maar verder niet ken. De mannen zitten in een rolstoel en alsof ze behalve hun benen ook hun handen niet kunnen gebruiken, begint Simons water in hun glazen te gieten. Ik leg mijn hand op mijn glas en zeg bijna onhoorbaar ‘Nee, dank u’.             ‘Drinkt u wijn?’ vraagt Simons, ’Gezellig, dan ben ik niet alleen.’               Er komt een karafje met een halve liter rosé op tafel. Ik giet haar glas voor driekwart vol, dan het mijne en ik zet het karafje langs mijn kant. Zo zal ik het vanavond en morgen ook doen. De nieuwe situatie meteen goed beheren. Ik hoor het klaterende lachje van Birte.                    ‘Zo ken ik je weer’, zou ze zeggen. Dat er zowel bij de lunch als bij het diner wijn bij het eten werd geserveerd was het doorslaggevend argument om voor dit etablissement te kiezen. Ik vond het anders wel erg duur, maar Birte vond dat we onszelf niets tekort mochten doen. Voor haar lagen de zaken anders dan voor mij, daar stonden we toen niet bij stil.               Mijnheer Simons kijkt verongelijkt naar de karaf wijn.             ‘Hij heeft suikerziekte,’ verduidelijkt mevrouw. ‘Nee, man’, zegt ze, ‘het mag niet van de dokter.’             ‘Man’, zegt ze tegen hem. Heeft hij geen naam? Zij heet Emma, ben ik intussen te weten gekomen. Als hij tegen haar praat is het Emma voor en Emma na. Behalve suikerziekte heeft hij een rothumeur en een aanleg tot zeuren. De man naast hem kijkt in zijn bord en in zijn glas water en doet of hij er geen last van heeft. Ik volg zijn voorbeeld en doe of ik niet zie hoe Emma Simons naar mij kijkt en hoopt op een aangenaam tafelgesprek.             Na het dessert maak ik dat ik wegkom, dankbaar dat ik niet in een rolstoel zit en moet wachten op iemand die mij naar mijn kamer brengt.               Mijn siësta bestaat uit drie kwartier naar het plafond kijken en me afvragen of ik naar het salon zal gaan of in mijn kamer blijven. Het wordt in de kamer blijven. Ik heb geen zin in mandala’s kleuren. Als er op de deur geklopt wordt, ben ik er zeker van dat het Emma Simons is. Het personeel klopt niet. Ze komen gewoon binnen, of ik in mijn onderbroek sta of niet, ze zien niet eens het verschil.               ‘Kom je niet naar het salon?’ vraagt ze.             ‘Nee’, zeg ik en ik probeer de deur weer dicht te duwen. Maar ze heeft al een voet binnen en kijkt nieuwsgierig de kamer in.             ‘Mag ik Cécile zeggen? Ik ben Emma.’             ‘Het is Sil’, zeg ik, norser dan bedoeld.             ‘Mag ik binnenkomen?’ vraagt ze dan. Ik doe een stap achteruit.               Ze komt binnen en blijft bij de schrijftafel staan. Ze kijkt een paar seconden naar de foto van Birte alsof ze bij een graf staat. Ze is een vrouw van de wereld, er is iets sjieks aan haar en voor het eerst voel ik wat van mijn afkeer wegzakken. Ik heb geen afkeer van haar, maar van iedereen die hier nog levend rondloopt, bedenk ik plots. Ik voel een snik opkomen, maar ik verman me. Ik wijs haar een stoel en ga zelf in de fauteuil zitten. Ik strijk over mijn knieën en probeer de vouw in mijn broek wat minder scherp te krijgen.               Als ik opkijk, zie ik haar vriendelijke gezicht. Vriendelijk, ik moet het toegeven. En mooi. Haar zilvergrijze haar is recht afgeknipt op kinhoogte. Ze heeft wat lipstick op, maar verder is ze niet opgemaakt.             Ze vraagt hoe het nu met mij is. Ik haal mijn schouders op.             ‘Waren jullie ... was zij je vriendin? Ik bedoel ...’             Ik voel mijn stekeligheid weer opkomen. Heeft ze dan geen ogen in haar kop? Ik toon haar mijn ring.             ‘We waren getrouwd,’ zeg ik.             Ze knikt en kijkt dan rond in de kamer op zoek naar een nieuwe vraag. Dan staat ze op.             ‘Kom je niet naar het salon?’ vraagt ze weer. Ik schud mijn hoofd.             ‘Ik kan je niet in mijn kamer uitnodigen’, zegt ze dan, ‘mijn man ...’             ‘Ik begrijp het,’ zeg ik en ik denk: gelukkig maar.               Sinds Emma in mijn kamer is geweest doe ik aan tafel iets meer moeite om hoffelijk te zijn. Tegen Emma tenminste. De mannen negeer ik. Ook tijdens het krantenuurtje doe ik mijn best. Het krantenmeisje is zichtbaar opgetogen met mijn toegenomen ijver. Ze snijdt spannende onderwerpen aan en vraagt op een dag in welke landen het homohuwelijk is toegestaan. Emma kan ze bijna allemaal opnoemen. Het krantenmeisje kijkt in mijn richting en knipoogt. Ik krijg het warm en ik zet een extra knoopje van mijn hemd open. Bloost ze? Of beeld ik me dat in?               Tijdens de siësta vertel ik Birte over Chris, het krantenmeisje.             ‘Je bent nu vrij,’ zegt Birte, ‘Maar is ze niet wat jong voor jou?’             Natuurlijk, veel te jong, hoe dwaas van mij.               Emma Simons staat weer aan de deur. Ze vraagt of ze binnen mag komen. En of ik zin heb om met haar een dagje naar zee te gaan.             ‘Naar zee? Hoe dan? Met de trein? Met begeleiding?’             ‘Maar neen, Silly, we gaan toch gewoon met de auto?’             Ik kijk verbaasd daar de sleutel in haar uitgestoken handpalm.             ‘Hij staat hier op de parking,’ zegt ze, ‘voor als we op stap willen gaan. Maar met die rolstoel is het zo’n gedoe.’                 Het lijkt lang geleden dat ik nog in een auto zat en nog langer geleden dat ik zelf aan het stuur was. Birte en ik namen de laatste jaren het openbaar vervoer. Emma merkt dat ik me aan de stoel vasthoud en dat ik mee rem.             ‘Ik kan het nog, hoor’, zegt ze, ‘maar als je wil, mag jij straks rijden.’               Op een rustige weg in de polders wisselen we van plaats. Het is even wennen, maar dan is het als fietsen. Ik leg mijn elleboog door het open raam en stuur losjes met een hand. Emma laat zich ontspannen achteruit zakken in de passagiersstoel. Ze stift haar lippen wat bij en zet een zonnebril op. Ik concentreer me op de weg.               Aan de kust is het rustig. Op de dijk niets dan oude mensen.             ‘Wij zijn ook oud,’ zegt Emma, ‘maar hier, hier kan je nog wandelen.’ Ze steekt haar arm door de mijne.             We eten zeetong en drinken er een glas chablis bij. Daarna een ijsje op een bank. Even met de blote voeten in het zand. Voor we weer in de auto stappen, wijst Emma naar de appartementen op de dijk.             ‘Er staat hier veel te koop,’ zegt ze.   ***               Mijnheer Simons heeft een andere tafel geëist en gekregen. Hij zegt dat ik niet normaal ben en dat ik een slechte invloed heb op zijn vrouw. Ze zitten nu bij het raam met een ander echtpaar. Ik zie Emma haar best doen om een gesprek op gang te krijgen, maar noch de man, noch de vrouw zijn gewillig. Mijnheer Simons houdt zijn mes rechtop in zijn vuist, alsof hij wil laten zien wie de baas is.               Aan mijn tafel werden de Simonsen vervangen door de laatste twee alleenstaande mannen die er nog zijn. Blijkbaar denken ze dat ik een gevaar voor het vrouwvolk ben. Ik heb gevraagd of ik in mijn kamer mag eten, maar dat mag alleen als je ziek bent.   ***               Emma komt mij bezoeken met een tros druiven en een paar sinaasappels die ze van de dessertkar genomen heeft. Ze vraagt wat ik heb. ‘Ik weet het niet,’ zeg ik schouderophalend, ‘ze vinden niets. De dokter zegt dat het op onze leeftijd niet ongewoon is om wat minder goede dagen te hebben. Ik moet een paar dagen rust nemen.’               ‘Rust!’ Ze lijkt ontdaan. Ik heb plots in de gaten dat ze ongerust is, dat we niet meer op stap kunnen gaan.             ‘Het gaat al beter, hoor,’ zeg ik vlug. ‘Over een paar dagen ben ik weer de oude. Of de jongere,’ grap ik.               ‘Ik hoop het,’ zegt ze , ‘want het is geen leven meer met hem. Ik was beter thuis gebleven. Ik ben nog veel te fit om hier te zijn.’ Tegen wie zegt ze het.               ‘Maar, als jij niet met hem meegekomen was, hadden we elkaar niet leren kennen.’ Ik schrik zelf een beetje van wat ik zeg. Meen ik dat?               Ze glimlacht als een meisje en staat recht. Ik stotter dat ze best nog wat mag blijven.               ‘Je moet rusten’, zegt ze plagerig.   ***               Mijnheer Simons is echt ziek. Zijn bloeddruk gaat onrustbarend de hoogte in, telkens als Emma en ik een uitstapje hebben gemaakt. Emma vindt dat hij uitstekend verzorgd wordt en dat zij daar niet altijd bij nodig is.             ‘Eigenlijk’ zegt ze, ‘kan ik niet veel voor hem doen. Hij is misschien wel beter af zonder mij.’             We gaan nog elke dag naar het krantenuurtje en daarna nemen we samen de immobiliën-bijlage door.   ***   Sinds Emma en ik aan zee wonen, word ik elke ochtend wakker met het gevoel dat ik droom. Het duurt een paar tellen eer ik besef dat het echt is, dat zij naast mij ligt, haar grijze haar uitgewaaierd op het witte kussen. Dan glip ik stilletjes uit bed. Ze doet of ze slaapt. Ik zie het aan haar mondhoek die ze in de plooi probeert te houden. Ik haal croissants en broodjes bij de bakker op de dijk en daarna zet ik sterke, hete koffie.   De foto van Birte heb ik in de keuken gezet. Ze kijkt goedkeurend toe terwijl ik een eitje kook. Ik knipoog naar haar. We praten niet meer zoveel met elkaar, maar het is goed zo.              

Christine Van den Hove
0 0

Noten kraken

Later zou Linda haar naam veranderen in Linde, maar toen ze zes was dacht ze daar nog niet aan. Ze vond de namen van haar zusjes en van sommige meisjes op school mooier, maar ze wist nog niet dat je daar zelf iets kan aan doen.   Ze had wel al een besef van de plaats die ze had tussen de mensen en dat het leek alsof zij de enige was die niet iemand naast zich had. Zo hadden haar oudere zusjes Annie en Rosie elkaar omdat ze een tweeling waren en haar jongere broertjes Jo en Jan ook want die waren amper een jaar na elkaar geboren. Bovendien waren ze jongens en dat hield hen samen. Haar ouders waren samen en haar grootouders ook.   Wat niemand wist, was dat Linda een zusje had dat Isabelle heette. Niemand kon Isabelle immers zien en dus ook niet hoe mooi en hoe lief ze was en dat ze lang bruin haar had en een lichtgele jurk met een wijde rok en witte linten droeg.   Isabelle ging overal mee, naar de lagere school aan de andere kant van de stad, naar de kruidenierswinkel naast hun huis om brood en kaas, en naar de poort een paar huizen verderop waar ze groenten en fruit verkochten. ’s Woensdags ging ze soms mee spelen bij een vriendinnetje wiens ouders een meubelwinkel hadden en waar ze als de ouders het niet zagen in de toonzalen gingen spelen.   Op zondag mocht ze mee eten bij oma en opa, en daarna in de tuin en de veranda spelen. Als het regende keken ze naar de kleine zwart-wit tv in een onhandige hoek van de kamer. Onhandig, omdat de deur naar de keuken uitgaf op die hoek en als opa binnen zou komen, zou hij als er een tekenfilm speelde, de uitknop indrukken. Opa vond tekenfilms onnatuurlijk en ongezond voor kinderen.   Op zo’n zondagmiddag zaten Linda en Isabelle samen op de bank naar de tv te kijken. De jongens zaten op de grond en de tweeling zat op een stoel aan de tafel. De meisjes hielden de deur in het oog waarachter druk gepraat werd. Meer dan druk, de stemmen van opa en van hun vader werden luider en gingen soms gelijk de hoogte in en dat bedierf een beetje het heimelijke plezier van het kijken naar Popeye the Sailorman. Het voordeel was dat ze de hele aflevering konden uitkijken en daarna nog naar een film over mensen in een grijs stoffig land, die een aap en een leeuw hadden.   Net toen de aap teruggevonden werd nadat hij gestolen was door een donkere halfnaakte man en hij zich rond het bovenlichaam van een blonde vrouw in een safaripak klampte, ging de deur naar de keuken open. In het deurgat stond mama met vijf wollen jasjes over haar arm en evenveel bivakmutsen. Achter haar was het stil.   Rosie zette de tv uit en de andere kinderen haalden hun jas op bij hun moeder en trokken hem aan. Alle knopen moesten dicht en oma en opa moesten gezoend worden eer ze naar buiten mochten. De bivakmutsen hoefden niet. Isabelle hoefde geen jas aan. Ze nam geen plaats in, met vijf en ook met zes, konden ze gemakkelijk op de achterbank van de Mercedes.   Linda mocht bij de deur zitten, want ze werd soms ziek in de auto. Als ze overgaf, werd haar vader boos en dat wou niemand, dus mocht ze altijd naast de deur zitten. Ze kon dan het raam naar beneden draaien als ze lucht nodig had of ze kon snel uitstappen als haar vader bij een gracht stopte waar ze kon overgeven.   Ze hoopte dat ze niet moest overgeven want ze hadden die middag kip met appelmoes en gebakken aardappelen gegeten en het was zoals altijd bij oma heel lekker geweest. Maar nog meer wenste ze dat het niet zou gebeuren omdat haar vader er ontstemd uitzag en ze niet wilde dat hij door haar misselijkheid echt boos zou worden. Ze hield haar lippen stijf op elkaar en ze kneep langs de ene kant in Isabelles hand en aan de andere kant in de handgreep van de autodeur en zo hield ze het vol tot ze bij hun huis aankwamen.   Hun huis was geen gewoon huis. Het was geen rijhuis zoals alle huizen verder in de straat en het was geen huis in een tuin zoals bij oma en opa. Het was een grote garage waar mensen kwamen om hun auto’s te laten repareren. Beneden was naast de grote hal waar de auto’s in- en uitreden een bureau en een kleine keuken, waar mama eten maakte en soms de klanten begroette. Boven was een donkere woonkamer, een badkamer en drie slaapkamers.   Papa reed met de auto tot vlak voor de grote poort en iedereen moest blijven zitten tot de poort openging. Alleen Linda mocht eruit omdat ze zo bleek zag. Ze ging bij het roostertje in de goot staan omdat ze niet zeker was of ze zou overgeven of niet. Isabelle bleef bij haar.   Ze stonden hand in hand in de koele vooravondlucht en Linda rilde. Ze keken naar de auto die door Papa naar binnen werd gereden en hoe hij moest zigzaggen tussen de auto’s van klanten die klaar stonden om morgen opgehaald te worden door hun eigenaars. Ze hoorden het schuren van metaal tegen metaal en dan hoe papa heel luid begon te vloeken en te roepen dat het mama’s schuld was dat hij tegen de auto van dokter Kestermans was gereden.   Linda boog zich over de goot en kokhalsde, maar er kwam niets uit.   Later zaten ze allemaal boven in de woonkamer. Er kwam alleen licht van een staande lamp en uit de tv. Buiten werd het al donker. Mama lag op de bank te huilen en papa keek naar de tv waar veel fietsers kromgebogen over hun stuur te zien waren en dan snelle auto’s die veel lawaai maakten en soms praatte er een nette meneer of een mooie mevrouw en af en toe zong iemand een liedje over rozen of liefde.   Omdat er geen plaats was op de bank zaten alle kinderen op een stoel rond de tafel en keken ze mee naar het oplichtende scherm en probeerden ze het snikken van mama niet te horen.   Op de tafel stond een schaal met okkernoten en twee notenkrakers. De ene notenkraker bestond uit twee dikke lepels die je tegen elkaar moest duwen tot de noot barstte. De andere had een huisje waar je de noot in moest stoppen en dan aan een schroef draaien tot de noot geen kant meer op kon en kraakte. Linda had als eerste de notenkraker met het huisje te pakken en begon te kraken. Jan keek eerst boos toe, maar nam dan de andere. Samen kraakten ze zwijgend noten en deelden ze uit aan Rosie, Annie, Isabelle en Jo, die ze stil opknabbelden terwijl ze naar Louis Neefs keken. Iedereen hield van Louis Neefs, maar niemand zei wat.   Ze dachten niet dat mama zin had in okkernoten, maar voor papa legde Linda een hoopje opzij. Toen ze er tien had, trok ze er ook de velletjes af. De twintig bleke helften legde ze eerst in twee rijtjes op tafel en daarna deed ze hen in een rond kaasdoosje waarin ze eerst wat watten had gelegd.   Ze bracht het doosje naar haar vader die nu in de relaxzetel zat. Hij zag er niet meer boos uit, hoewel ook niet echt ontspannen en lief, maar toch kalm genoeg zodat Linda hem het doosje durfde aanbieden. Hij zei dat ze een braaf meisje was, nam een halve noot en keek knabbelend verder naar het nieuws.   Na het nieuws kwam de weerman en daarna Het Manneken, wat iedereen heel grappig vond, behalve Linda en Isabelle die hem eng vonden. Daarna was het bedtijd, de kinderen zoenden hun vader en de vader liet zich zoenen terwijl hij naar het voetbal keek. Alleen Isabelle gaf hem geen zoen.   Daar lag Linda aan te denken, net voor ze in slaap viel. Dat Isabelle papa geen zoen had gegeven. Dat Isabelle niet van papa hield.  

Christine Van den Hove
0 0

Knooppuntroute

We hadden ruzie, niet eens zo erg, over iets onbenulligs, een plank die kraakt en waar ik niet op mag stappen, want dan wordt de onderbuurvrouw wakker, of misschien iets nog onbenulliger. Niet erg dus, maar toch erg genoeg om het over ernstige dingen als vertrouwen te hebben. En erg genoeg om me af te vragen en zelfs hardop te vragen of we niet beter uit elkaar zouden gaan.   Daarna kookte jij eitjes en aten we een ontbijt van toast met eieren alsof de dingen die we gezegd hadden niet van belang waren.   We zouden met de fiets naar het kunstenfestival gaan. Ik had er wel zin in, en ook weer niet want ik was nog boos en ik was bang om bij al dat moois ontmoedigd te geraken. We zouden met de fiets gaan, hoewel het best een eind was en de ochtend al een stuk opgeschoten was door die ruzie en dat ontbijt, en ik nog een doos pralines moest gaan kopen voor de verjaardag van mijn moeder.   Na een kilometer had jij al dorst en toen ontdekten we dat we het flesje met kraantjeswater waren vergeten. Tenminste, jij vond dat ik het vergeten was, terwijl ik dacht dat jij het op het aanrecht had laten staan. Want jij had het gevuld.   Voor we verder reden betastte jij de achterband van je minifiets en stelde ik de overbodige vraag of we een fietspomp bijhadden. We reden nog een eindje verder en zagen een man en een vrouw die de fietsostrade zochten. Zij hadden een fietspomp bij.   Na het pompen leek de band nog platter te worden en we keerden terug. Ik dacht dat we naar huis zouden gaan en in bed zouden gaan liggen, maar jij vond een fietswinkel die open is op zaterdag en voor twee euro werd je band opnieuw opgepompt. Of er een scheurtje in de band was, kon de man niet zomaar zeggen. Je zou het wel merken zei hij.   En dus reden we nog niet naar huis, maar namen we een kortere weg naar het punt waar we rechtsomkeert hadden gemaakt. Ik reed achter jou om je achterwiel in het oog te houden. Soms reden we naast elkaar en bespraken we scenario’s waarin de band het begaf en we op een plek zouden zijn waar geen openbaar vervoer was.   De knooppuntroute die jij uitgestippeld had, bracht ons langs holle wegen, bospaadjes en smalle straatjes met veel lelijke en een paar mooie huizen, weiden met paarden en tuinen met caravans en plastic stoelen. Ik keek vooral naar je achterband.   Het flesje water dat we bij een benzinestation hadden gekocht was bijna leeg en we kregen honger. Ik dacht niet dat we bij het kunstenfestival zouden geraken als we niet eerst wat zouden eten. We verlegden ons doel en keken nu uit naar een café of een eethuisje waar we iets kleins maar voedzaams te eten zouden vinden.   In Boom vonden we een café met een prachtig terras aan het water. We gingen binnen zitten want we waren al een paar uur buiten geweest en het deed goed om even geen wind te voelen. We waren te hongerig om kieskeurig te zijn en aten dingen die we anders nooit in een café eten omdat we ze thuis zelf veel beter kunnen maken: jij pannenkoeken en ik croque monsieur. Ik bedacht dat ik je zelfs nog nooit ergens anders dan thuis pannenkoeken had zien eten. Het was alsof je weer een beetje nieuw voor me was.   Door het eten kwam er weer kracht in mijn armen en benen, en bemoedigd spreidde ik de kaart op de tafel. Het kunstenfestival was nog erg ver. We zouden er aankomen als alle gedichten al voorgelezen waren en de mensen hun spullen en kinderen al aan het verzamelen waren om naar huis te gaan.   Je stelde voor om naar huis te rijden over een andere knooppuntroute. Ik voelde spijt en opluchting en eerst meer spijt dan opluchting, maar daarna een soort kinderlijke blijheid dat we terug zouden keren.   We liepen naar onze fietsen en ik liep achter jou. Ik zag je naar het stuur van je blauwe minifiets grijpen en mijn blijheid werd plots groot en wijd en onbegrijpelijk intens en na een paar seconden kwam het gevoel mij bekend voor. Ik nam je gezicht in mijn handen en ik kuste je mond en ik zei dat ik helemaal niet van je weg wilde, dat jij mijn allerliefste bent.   We reden weer naar huis, langs het glinsterende water, langs bomenrijen en een veld waar kraaien opvlogen die in hun vlucht kleine spartelende vogels meenamen. Ik reed achter jou en de hele rit bleef ik me verbazen over wat mijn hart met me doet als ik naar jou kijk.  

Christine Van den Hove
0 0
Tip

Kippies zwemvest

Het eerste wat ik die dag verkocht was een boek over Nieuw-Zeeland. De vrouw die het kocht had oranje haar en een bleke huid en ze droeg een rode bril. Het duurde even eer ik mijn aandacht van haar gezicht kon verplaatsen naar haar vragen. Of het een goed boek was, vroeg ze. Ik moest bekennen dat ik het niet gelezen had. Ik kon me zelfs niet meer herinneren waar, wanneer en waarom ik het ooit gekocht had. En nee, ik ben nooit in Nieuw-Zeeland geweest. Zij wel. Ze had er twee jaar gewoond. Ze was er lang geleden naartoe getrokken om er met haar vriend een zaak te beginnen. Nog geen maand nadat ze er waren, maakte hij het uit. ‘Daar stond ik dan,’ zei ze. ‘Ik was te trots om terug te keren en ik bleef.’ Ze had er gewerkt en ze had er rondgefietst.   Een deel van haar verhaal ben ik vergeten, maar haar gezicht bleef me bij. Haar ogen waren donker aangezet. Ze zag er vermoeid uit, alsof ze te snel geleefd had. Ik vroeg twee euro voor het boek. Het was in uitstekende staat maar het was misschien wat gedateerd. Wou ze dan nog teruggaan? Nee, zeker niet. Het klonk zo stellig dat ik het wonderlijk vond dat ze er dan toch nog een boek over kocht. ‘Ik ga nu wat anders doen’, zei ze. Volgende week vertrek ik naar Maleisië.’ ‘Met mijn kinderen,’ voegde ze er nog aan toe. Bij Maleisië en nog meer bij het woord ‘kinderen’, flakkerde er iets op in haar ogen.   Tijdens ons gesprek was de zon doorgebroken en waren er wat meer mensen in het park gekomen. Iemand vroeg naar de prijs van de luster, het grootste stuk dat op mijn twee vierkante meter zeil stond uitgestald. Daardoor verdween de vrouw met het boek zonder dat ik haar goede reis had gewenst.   De verkoop ging goed. Verbazend goed, want af en toe begon het regenen en moest ik alles afdekken. Maar zo gauw het ophield, kwamen de mensen weer aanschuiven en kochten ze dingen die ik niet meer wou hebben, maar toch nog te mooi of te goed vond om ze weg te gooien: borden, bestek, een blikopener, kandelaartjes, een paar gedeukte mosselpotten. Vooraan op het zeil stond een doos met autootjes, poppetjes, sleutelhangers en kleurige prullen waar kleine kinderen graag naar graaien.   Een nieuwe regenbui zette de helft van het zeil onder. Ik was blij dat het boek al weg was. De rest kon ertegen. Ik schudde alles af en droogde hier en daar wat bij met mijn zakdoek en probeerde een nieuwe opstelling uit.   Een man op een fiets stopte voor mijn kraampje en boog zich naar de speelgoeddoos. Hij viste er een zwemvest uit die ooit van Action Man was geweest uit en stak het omhoog. ‘Hoeveel kost dat?’ vroeg hij. ‘Als u daar een bestemming voor hebt, mag u het gratis hebben’, zei ik. ‘Ik heb daar zeker een bestemming voor, zei hij, maar ik wil er wel voor betalen.’   Hij zat nog steeds op zijn fiets en glunderde op dezelfde manier als het jongetje dat een paar minuten ervoor een autootje uit de doos had mogen kiezen.   Een zwemvest op poppenmaat, hij maakte me nieuwsgierig naar de bestemming. Hij haalde zijn iphone uit de zak van zijn regenjasje en liet me een foto van twee jongens zien. ‘Mijn kinderen leren zeilen, zei hij, met dit zwemvest kan hun knuffel, Kippie, ook mee.’ Hij had geen foto van Kippie, maar hij zou er een sturen. Ik gaf hem mijn e-mailadres en hij gaf me twintig cent.   Bijna drie vierden van mijn rommel heb ik die dag verkocht. Ik had genoeg over voor een hotdog met zuurkool (twee euro), een knipbeurt bij de gelegenheidskapper (vijf euro) en een paar nieuwe boeken voor op de trein.   De rest van de rommel bracht ik naar de kringloopwinkel. Ik sloot de studio waar ik de laatste maanden had gelogeerd af en ik vertrok naar een ander land.   Onderweg dacht ik nog aan de vrouw met het oranje haar, aan de man op de fiets en aan alle vrienden en kennissen die ik die dag niet gezien had. Waarschijnlijk had niemand die dag zin in een rommelmarkt en had het niets te betekenen.   Toch had ik die dag een bekend gezicht gezien, dat van een vrouw waar ik lang geleden leuke gesprekken mee had gevoerd. Ik zag haar van ver aankomen en ik lachte haar uitnodigend toe. Ze lachte een kleine wat afstandelijke glimlach terug en liep verder. Het heeft niets te betekenen, moest ik een paar keer tegen mezelf herhalen. Het is gewoon tijd om weg te gaan.   Ik ben er niet achter gekomen of de vrouw die het boek over Nieuw- Zeeland kocht, op het vliegtuig naar Maleisië zat dat op 17 juli in Oekraïne neergehaald werd. Misschien is ze een dag eerder vertrokken, of een dag later, of misschien helemaal niet.   Van de man op de fiets kreeg ik een mail met een foto van Kippie en de jongens, allemaal met zwemvest aan. Het was een fijne, geruststellende gedachte dat Kippie, als hij over boord zou vallen, snel gered kon worden.        

Christine Van den Hove
0 8
Tip

Er waren geen wolven meer

Alles is veel verder dan het lijkt. Dat is het enige dat ik op dit moment, op deze plek zeker weet. Als ik naar het dal kijk, zie ik het huis. Er komt geen rook uit de schouw, ik heb de kachel uit laten gaan. In de kleine woonkamer staat mijn rugzak op de tafel, naar achter hellend, de riemen naar voren, klaar om gehesen te worden. In het zijzakje mijn ticket, een dure plaats op een snelle trein naar het noorden. Mijn verblijf hier was tijdelijk. De rust die ik had was luxe. Ginder wachten ze op mij. Het laatste uur dat ik nog had, wou ik buiten zijn, op de harde grond, tussen de koude bomen.   Als ik naar boven kijk, zie ik de kam met daarachter een helblauwe lucht. Bovenop de bergrug kun je de zee zien, zeker met dit weer. De lucht is er koud en zuiver. Alles is helder en lijkt bedrieglijk dichtbij. Maar achter de kam ligt nog een kam en daarachter nog een. Het kan niet, het mag niet. De top is te ver, er is geen tijd meer.   Nog een klein stukje. Ik trek mijn mouw over mijn pols, ik wil niet weten hoe snel de tijd gaat. Tot aan de eerste kam. Neen, tot aan die jonge eik. Daar kan ik even rusten en dan terugkeren. Het klimmen gaat goed. De paden zijn geëffend door de schapen en de geiten die voor de winter van de berg werden geleid. De zon verwarmt mijn rug. Ik heb geen water mee, ik moet terug. Ik moet terug.   De jonge eik is de laatste boom. Daarna zijn er enkel nog winterslapende struiken: heide, brem, tijm. Ik ga op een steen zitten en kijk naar het dal. Als ik nu snel naar beneden ga, haal ik het nog. Als ik omkijk, ben ik verloren.   Ik kijk om. Tegen de hogere helling ligt hier en daar sneeuw. Glinsterend. Ik voel mijn dorst. Ik trek aan mijn mouwen en ik klim verder. Wat sneeuw leek, is ijs. Ik breek een stukje af en laat het smelten op mijn tong.   Voor de rand van de kam zie ik een weg, waarvan ik weet dat hij langzaam naar het dorp daalt. Ik kan hem nemen, want ik heb tijd nu. Op de razendsnelle trein zal een plaats leeg blijven. Ik heb nu zoveel tijd dat ik de weg in oostelijke richting zou kunnen volgen, weg van het dorp, naar de kale vlakte waar wellicht een koude wind waait.   Er beweegt iets op de grijze helling. Een donkere stip die snel groter wordt en de vorm van een hond aanneemt. Een grote hond. Ik voel mijn hart, dat nog bonkt van het klimmen, groter worden. Het drukt tegen mijn keel en mijn schouders. Ik probeer traag te ademen en te verstillen, ik laat mijn armen hangen. Dieren vallen niet aan als je zelf niets doet, houd ik me voor.   De hond komt in zwenkende draf dichterbij. Op een dertigtal meter stopt hij. Hij kijkt naar mij en lijkt hetzelfde te denken als ik: als ik niet aanval, doet ze misschien niets. Ik kan nu zijn dikke grijsbruine pels zien. De stevige poten, de spitse snuit. Hond, denk ik, jij bent een wolf.   Ik voel aan mijn broekzakken. In mijn linkerzak mijn telefoon, rechts een plat fototoestel. Op de tast haal ik het eruit. Ik probeer zo traag mogelijk te bewegen. Terwijl ik mijn ogen op het dier gericht houd, breng ik het toestel voor mijn buik. Ik aarzel, bang dat hij een beweging maakt. Er is niets beangstigends aan hem. Ik weet zeker dat hij niet in mijn richting zal springen. Hij zal zelfs niet dichterbij komen. Zijn hele houding is erop gericht om rechtsomkeer te maken. Niet omdat hij bang is, maar omdat ik vreemd en onbelangrijk ben.   Ik zou hem willen zeggen dat het voor mij anders is. Hij is belangrijk, hij is prachtig. Ik zou hem graag van dichtbij willen zien, misschien wel aanraken. Ik zou graag een foto van jou willen nemen. Om straks thuis naar jou te kijken, om je niet te vergeten, om je aan anderen te laten zien.   Op de tast druk ik af. Nog terwijl ik de droge klik hoor, draait hij zich om. Hij loopt weg, in dezelfde ongehaaste draf waarin hij gekomen is. Ik vraag me af wie er het meest teleurgesteld is, hij of ik. Ik vervloek het fototoestel, ik vervloek mezelf.   Ik krijg het koud en draai me naar de zon. Ik moet een richting kiezen. Ik neem het brede pad naar het dorp. Mijn passen zijn snel en boos. Als ik vertraag, ebt mijn woede weg.   Na een half uur zie ik het eerste huis van het dorp. De rook komt dik uit de schouw en rafelt uit in de koude lucht. Ik loop wat vlugger de helling af want ik zie mijnheer Joch met een lege kruiwagen naar de achterkant van het huis gaan.   ‘Monsieur Joch!’ roep ik. Hij keert zich om. Het duurt een paar minuten eer hij mij herkent. Ik vergeef het hem. Hij is oud en hij leeft al een heel leven in dit onooglijke dorp, op de rand van de wereld.   ‘Ik heb een wolf gezien’, zeg ik. Het duurt weer even eer hij reageert. ‘Dat kan niet,’ zegt hij ‘er zijn geen wolven meer.’ Ik haal mijn fototoestel uit mijn zak en ik toon hem het scherm. Er is niet veel te zien: een wazige bruine vlek tegen een grijze achtergrond. Met wat goede wil kun je er het silhouet van een weglopende hond in zien. Mijnheer Joch schudt zijn hoofd. ‘Het kan niet’, zegt hij weer.   Hij kijkt naar de berg en ik zie hem denken, twijfelen.   ‘Juffrouw’, zegt hij dan, ‘doe dat weg.’ Hij wijst naar mijn fototoestel. ‘Doe dat weg en zeg het aan niemand.’ Hij legt een hand op mijn mouw. Zijn vingers klauwen zacht in mijn dikke trui. Zijn nagels zijn geel en lang.   Met knikkende knieën loop ik het dorp in. Het ruikt er naar houtvuur, er is niemand op straat. Het huis is nog niet helemaal afgekoeld. Ik steek de kachel aan en pak mijn rugzak uit.

Christine Van den Hove
1 2

Opleiding

'Korte verhalen schrijven' Schrijfacademie Amsterdam (2000) bij Frans Stüger

Prijzen

Tip van de week op Arzertyfactor.be:

9 juli 2014 Brave Meisjes (kort verhaal)
Getipt door Martijn Lindeboom

30 juli 2014 Er waren geen wolven meer (kort verhaal)
Getipt door Celia Ledoux

3 september 2014 Kippies Zwemvest (kort verhaal)
Getipt door Valerie Eyckmans

8 juli 2015 Het Kapsalon (gedicht)
Getipt door Luuk Gruwez

11 november 2015 Herfst op de binnenplaats (gedicht)
Getipt door Patricia De Landtsheer

5 november 2016 Kippies Zwemvest (kort verhaal)
Getipt door Do Van Ranst

Andere:

Juli 2015 Kudde (gedicht)
Recensie door Vitalski in het tijdschrift VERZIN

Turing Gedichtenwedstrijd 2014: feedback op mijn gedicht ‘Rapunzel’