De scherpe pijn in haar staartbeen verdringt gedurende een paar seconden alles. Ava houdt haar rechterhand in een kom rond de plek van waaruit de pijn haar hele lichaam rondstraalt en pas als ze de hevigheid voelt afnemen, ziet ze zichzelf in een halfdonkere ruimte zitten en komt de angst opzetten.

 

Ze voelt aan de wand, het is vochtige aarde, en ze kijkt in de grote opening boven haar hoofd waardoor het vroege ochtendlicht naar binnen valt.

 

Het duurt niet lang eer ze zich herinnert dat ze even ervoor op het perron stond en heen en weer wandelde omdat het fris was en de trein naar Kortrijk op zich liet wachten. Dan waren de betontegels onder haar voeten weggeschoven. Ze was letterlijk in de grond gezakt.

 

De put is diep en wijd. Ava begrijpt niets van zoveel ruimte onder de grond en doet ook verder geen moeite om te begrijpen. Ze probeert te denken aan iets dat haar hieruit kan helpen. Ze vraagt zich af of ze iemand gezien heeft op een van de andere perrons en –nog belangrijker- of iemand haar gezien heeft.

 

Dan komt de angst opnieuw, nu snel en onbeheerst en ze begint te roepen. Het geluid van haar stem wordt gedempt door de zachte wanden. Ze probeert het nog eens en wat harder en ze denkt aan akelige dromen waarin ze om hulp roept, maar geen geluid uit haar keel krijgt. Meestal werd ze dan wakker geschud door Myriam want die hoorde haar wel kreunen.

Myriam. Gek dat ze er nu pas aan denkt dat ze iemand kan bellen.

 

Maar moet het Myriam zijn? Hoe moet ze uitleggen wat ze om zes uur ’s morgens in het station van Mechelen doet? Wat kan Myriam doen behalve de hulpdiensten bellen? Zou ze zich naar hier haasten? Kan ze niet beter zelf de politie bellen? Wat is het nummer? 100? 101?

 

Ze vindt haar mobiele telefoon onderaan in haar tas en haalt hem bevend boven. Net als ze het met nummer 100 wil proberen, hoort ze een stem. Als ze naar boven kijkt, ziet ze een hoofd over de rand hangen. De man is blijkbaar op zijn buik gaan liggen.

 

‘Is daar iemand?’ vraagt hij overbodig, want er is nu al zoveel licht dat hij haar wel moet zien zitten.

‘Ja ja’, roept Ava beverig. Ze voelt plots tranen en snot en ze zoekt naar een zakdoek terwijl ze ‘Ja ja, help mij’ blijft herhalen.

 

Er komt een tweede hoofd bij.

‘Bent u gewond?’ vraagt hij.

 

‘Ja, nee, een beetje,’ roept Ava terug. Ze tast naar haar staartbeen en voelt dan pas de pijn in haar pols en iets prikken aan haar oor en haar lip. Er komen donkere vlekken op haar zakdoek.

 

Ze dringt nieuwe tranen terug, ze slikt en slikt en dwingt zichzelf tot een droog gesprek met de mannen die haar kunnen redden.

 

‘Bent u van het station?’ vraagt ze.

‘Bent u gekwetst?’ vraagt de man opnieuw.

Hun vragen overstemmen elkaar.

 

Het is lastig naar boven kijken, ze houdt haar hoofd een paar tellen naar beneden. Als ze weer naar boven kijkt, hangt er een derde hoofd over de rand.

 

Het is een vrouw.

‘Mevrouw,' zegt ze ‘er is hulp op komst.’

‘Bent u gekwetst? Hebt u pijn? Waar hebt u pijn?’

 

Antwoorden kost moeite.

‘Mijn rug, onderaan, en mijn pols.’

 

‘Kunt u rechtstaan?’

 

Ava schudt het hoofd. Ze wil het niet eens proberen.

 

De twee andere hoofden verdwijnen.

 

‘Er is hulp onderweg,’ zegt het vrouwenhoofd weer. Dan verdwijnt ze ook.

 

Het geluid van de ambulance lijkt nog ver weg als het al stopt. Na een tijdje komen nieuwe hoofden kijken.

 

‘Te diep en te gevaarlijk,’ zegt het ene hoofd, ‘bel het klimteam.’

 

‘Mevrouw, er is hulp op komst, 'roept de man nu ook weer naar beneden, ‘wij kunnen u hier niet uithalen, het klimteam is opgeroepen.’

 

Het is wachten, de pijn in haar rug die minder hevig is, en de pijn in haar pols verdragen. Wachten en op de tanden bijten, en proberen om wat comfortabeler te gaan zitten.

 

Dan komt de vraag weer op of ze Myriam zal bellen. Ze tikt het nummer in, maar bedenkt zich.

 

Myriam zal de brief pas vanavond vinden. Ze kan net zo goed niets doen en de dingen laten verlopen zoals ze gepland waren. Met vertraging, want ze had nu op de trein moeten zitten, al uren ver verwijderd van het leven met Myriam.

 

Ze had een Noord-Franse stad op het oog, Lille of misschien Rouen. Ze zou er een paar dagen op hotel gaan en er werk zoeken.

Vandaag zal het niet meer lukken. Ze zullen haar naar een ziekenhuis brengen. Ava ziet zichzelf al in een wit bed liggen. Het Sint-Maartenziekenhuis is het dichtste bij.

 

Als zij Myriam niet belt, zou ze het op een andere manier te weten komen?

 

***

 

In het ziekenhuis vragen ze voor de derde keer of ze iemand moeten bellen.

 

‘Nee, nee, alstublieft niet.’

 

Het is allemaal niet zo erg. Een gekneusd staartbeen, een verstuikte pols, hechtingen in haar lip, haar wenkbrauw en haar oor. Voor de zekerheid kan ze beter een nachtje blijven.

 

De pijn is te verdragen, alles is gezalfd, omzwachteld, gehecht of bepleisterd. Het bed ligt fijn, er brandt licht op de gang, de belknop is binnen bereik.

 

Slapen is alles wat ze kan en wil doen. Slapen.

 

En morgen vertrekt ze gewoon opnieuw. De grootste hindernis, heeft ze gehad.

(Naar een bericht in De Standaard op 26/08/2014)

Geschreven door Christine Van den Hove op 10/10/2014 - laatst aangepast op 07/03/2015

  • proza
  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home