1

Ik lag enkele dagen in het ziekenhuis. Afgelopen vrijdagavond, bij uitstek de gezelligste samen-voor-en-thuis-op-de-buis avond, ging ik drie keer van mijn stokje. Tegen de muur en de grond op. Mijn vrouw, de zonen en mijn vriend/buurman houden me recht. Het gebeurde allemaal in flitsen.

De binnenzijde van een ziekenwagen ken ik alleen van tv. Daar had het bij mogen blijven. Als een volleerd acteur beantwoord ik de vragen van de ambulanciers. Wat ik weet en wat ik niet weet. Al kan je dat laatste natuurlijk niet vertellen, of je zou het wel weten.

Door de grote poort de spoed binnen. De hectiek van E.R. of Grey's Anatomy is er niet. Ook dokter House heeft verlof. In tegenstelling tot verpleger Eddy. Hij doet niet alsof.

Net zomin als mijn persoonlijke verpleegster. Liefde is... de ambulance inhalen. Misschien is ze geflitst. Een foto om op te vragen. Ik zie ook flitsen. Van gemis, naar huis, naar flarden van geluk.

De man die naast me ligt is helaas dementerend. Ooit was hij een begenadigd voetballer. Net vanavond is er geen Stadion op tv. Maar hier ligt hij nu, zegt zijn dochter vol liefde. Getackeld door het leven. Wie geven we de rode kaart?

2

Het is mijn eerste verblijfservaring in een ziekenhuis. Het hamert er wel in.

Mijn buurman is verhuisd naar een vrijgekomen éénpersoonskamer. Iedereen weet dat ziekenhuiskamers maar om twee redenen vrijkomen. Zijn onrustige bewegingen zouden me uit mijn slaap kunnen houden, vertelt men. Ik antwoord dat hij ook wel last zou kunnen hebben van mijn gesnurk, dat we in hetzelfde bedje ziek zijn, maar het baat niet.

De Zevende Dag staat op. Ook geen wondermiddel tegen latente hoofdpijn. Terwijl de nieuwbakken ministers hun pensioenplannen verduidelijken, komt de verpleegster opnieuw bloed prikken. “Ze zeggen dat we tot 67 moeten werken”, zeg ik. “Oh ja”, antwoordt ze, waarna ze een pleister van mijn arm ritst. Ik wil het uitschreeuwen, maar deel haar stil protest. Waarna, opnieuw, goede zorgen.

Ik leg de tv het zwijgen op en neem de krant. Op een West-Vlaams veld hebben onbekenden 400 witte stenen geplaatst. Als grafzerken. Hetzelfde aantal jongeren pleegde sinds 2000 zelfmoord in die provincie waar keihard werken geen tegenspraak duldt. Eén om de tien dagen. Een stille herdenking voor een stille oorlog. De kamer wordt er nog stiller van.

Ik wil maar zeggen. Het leven is ons hoogste goed. We moeten er goed zorg voor dragen.

3

In tegenstelling tot wat ik eerder zei, was Dr. House wel aanwezig in het ziekenhuis. Ik citeer een verpleegster. “Hij is zo slim. Als andere dokters het niet meer weten, gaan ze bij hem te rade.” De verpleegster komt zeggen dat ik tot bij hem mag komen. Onze oudste zoon duwt de rolstoel voort in de gang van het ziekenhuis. De gang van het leven zeker? Bovenal een geruststellend gevoel. Ze staan klaar voor een duwtje in de rug als het nodig is.

De dokter heeft een imposante boekenkast. Maar bovenal een begrijpbare conclusie voor mijn herhaaldelijk flauwvallen. Hij doet er niet flauw over. Ik mag naar huis, op voorwaarde dat ik even rust neem. Mijn vrouw is net als ik verrast dat ik al naar huis mag. Maar we zeggen er niet nee tegen.

In de auto moet ik nu geen vragen beantwoorden. We weten allebei dat het antwoord thuis op me wacht.

Met onze jongste kijk ik op YouTube naar enkele ziekenhuisscènes uit Fawlty Towers. “Raak me niet aan”, zeg Basil Fawlty tegen een verpleegster. “Ik weet niet waar je aangezeten hebt.” En meer van die gein. Lachen doet gelukkig geen pijn.

Daar is het antwoord al. Gelukkig.

(een 3x 200 woorden column)

Geschreven door Rudi Lavreysen op 18/10/2014 - laatst aangepast op 18/10/2014

  • column

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home