Was hij geen kind van zijn tijd geweest, hij had vandaag een gewoon leven gehad, met vrouw en kat en een handvol kleinkinderen in een gezellige hoekzetel. Daar was Maurice van hier tegenover van overtuigd. Maar de loeiharde bominslagen hadden hem destijds van zijn gehoor beroofd, en dus hadden vader, moeder noch schoolmeester veel te zeggen gehad over zijn verdere ontwikkeling.

Maurice had zichzelf opgevoed. Hij had alles zelf moeten uitzoeken, met handen en voeten. Bij gebrek aan volwaardige alternatieven had hij meestal zijn eigen goesting gedaan, en daarom was hij nu, op zijn vierenzeventigste, een eigenzinnige eenzaat, in alle stilte op zoek naar zielsverwanten.

Elke dag hompelde hij meerdere malen de straat door. Van de voordeur tot aan de bakker, en terug. Daarna naar de krantenwinkel, en terug, terwijl zijn zilveren oorbel wiebelde op het ritme van zijn RoboCop-stap. Elke dag dezelfde weg, telkens weer hetzelfde gewiebel. Te traag om normaal te zijn, te snel voor een mindervalide. Die stuntelige tred, waarvan niemand de precieze oorzaak kende, ontlokte gejank aan kleine kinderen en grote honden, en soms ook omgekeerd. Halverwege de straat durfde hij wel eens halt te houden, om net iets harder dan sociaal wenselijk was “GOENDAG!” te roepen naar buren en onbekenden. Maar zijn bombastische stem blies elke glimlach van je gezicht, hoe goed zijn bedoelingen ook waren.

Maurice had er zich bij neergelegd. Hij zou zijn dagen slijten in deze kasseistenen straat, alleen en in stilte. De bommen hadden zijn leven bepaald, en daar viel weinig anders tegen te beginnen dan roken als een Turk en elke weekdag rond tien na acht afstemmen op Thuis, met ondertiteling.

Toen er op 7 februari een verhuiswagen in de straat stopte, voor het groene huis met nummer 109, probeerde Maurice zijn tijd te verdelen tussen turen naar de verhuizers en staren naar het tv-scherm. Hij wilde weten of ze op de nieuwsdienst al meer wisten over de gewapende inval bij Charlie Hebdo, maar tegelijk wilde hij niets missen van de onverwachte intrede in zijn straat.

Toen hij zag hoe de verhuizers een hoekzetel uit de vrachtwagen laadden, bedacht hij dat hij zich maar beter zo snel mogelijk kon gaan voorstellen aan de nieuwe bewoner, kwestie van zijn reputatie vóór te zijn. Hij wachtte de begintune van het weerbericht af en hinkstapte naar buiten, richting nummer 109. Terwijl hij voorbij het grote gordijnloze raam liep, voelde hij iemand staren. Hij wendde zijn blik en stond oog in oog met de vrouw des huizes. Ze keek zonder hem te zien en duwde een blad papier tegen het raam. ‘Je suis Charlie’, stond er. Maurice voelde de krop in zijn keel aanzwellen. Eindelijk, dacht hij. Eindelijk! Met een maag vol emotie haastte hij zich naar huis. Hij pakte een pen, scheurde een blad van een oude kalender en schreef in hoofdletters op de achterkant: ‘Je suis Maurice’. Met tranen in de ogen trekkebeende hij naar buiten, het blad stevig in beide handen geklemd. Nog even en het gewone leven kon beginnen.  

Geschreven door a little bit of soap op 20/01/2015 - laatst aangepast op 11/03/2015

  • proza

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home