‘Uw vriendin komt later?’

Meestal vragen ze niets.

Hij knikt.

De vrouw kijkt uitdrukkingsloos naar hem, daarna naar het schema op haar tafel: zestien genummerde vakjes in twee rijen van acht. Sommige vakjes zijn leeg, in andere liggen plastic schijfjes, rood of groen.

‘Kamer twaalf,’ zegt ze, ‘eerste verdieping’, en ze plaatst een rood schijfje in vakje twaalf.

‘Ik heb liever kamer acht,’ zegt hij, ‘kan dat?’

Ze kijkt secondelang naar vakje acht, waar geen schijfje in ligt.

‘Kamer acht is nog niet klaar,’ zegt ze.

Ze kijkt weer naar hem op, trekt heel licht met haar rechterwenkbrauw. Hij knikt, betaalt en neemt de trap naar de eerste verdieping.

 

De eerste deur aan zijn linkerhand is gesloten, maar de tweede, de deur van kamer acht, staat open. Er vlakbij is een kar geparkeerd, met schoonmaakmiddelen, verse lakens en rollen oudroze toiletpapier. Hij kijkt de kamer in. In de gele gloed van het zonlicht dat door de gordijnen naar binnen valt, staat een meisje met geblondeerd haar - hij ziet de uitgroei op haar kruin - en ogen die zijn verankerd in dikke strepen mascara. Een Poolse, denkt hij, of een Tsjechische.

‘U heeft kamer acht?’ Ze spreekt met een plaatselijk accent.

‘Ik...’

Hij aarzelt, doet een stap de kamer in. De lucht is nog warm, vol van geuren. Het meisje heeft het raam wel opengezet, maar de gordijnen houden de frisse lucht onbewogen buiten de kamer.

‘U heeft kamer acht?’ herhaalt ze.

‘Ik wilde kamer acht.’ Als het niet nodig is, liegt hij niet.

‘Ik ben zo klaar,’ zegt ze.

Ze glimlacht ongemakkelijk en sleurt de beslapen lakens van het matras.

Beslapen, denkt hij. Nee, belegen, dat was een betere woord. Bedden zijn hier belegen, niet beslapen.

Ze maakt een compacte bal van de lakens en de twee kussenslopen en komt er onverwachts zijn kant mee opgelopen. Hij doet te laat een stap opzij en voelt de stof langs zijn hand strijken. Hij rilt.

In de gang, tegenover kamer negen, zit een luik in de muur. Ze gooit de lakenbal in de schacht. Hij staat ernaar te kijken, ziet het luik dichtslaan, maar schrikt desondanks van de harde klap. Het meisje ziet het en grinnikt.

Ze trekt verse lakens van de kar en bekleedt er de grauwe matras mee. Als ze zich wil bukken om de sprei, die als een gouden berg op de grond ligt, op te rapen, gebaart hij dat ze die kan laten liggen. Ze kijkt vluchtig naar het tapijt, of er nog gestofzuigd moet worden. Hij zegt: ‘Het is goed zo.’ Zonder nog naar hem te kijken, zonder nog iets te zeggen, verlaat ze de kamer.

Hij sluit de deur en draait de sleutel een halve slag naar rechts. Daarna kleedt hij zich langzaam uit. Zijn kleren drapeert hij behoedzaam over de stoel. Alleen zijn sokken houdt hij aan, vanwege de vloerbedekking.

Het laken voelt stug aan zijn huid, als perkament. Het ruikt niet fris, maar naar sigarettenrook en een beetje zurig, naar kaas. Kaasdoek, denkt hij. Hij spreidt zijn armen en sluit zijn ogen.

Hij voelt dat hij op het punt staat om weg te doezelen als er aan de deur wordt gemorreld, eerst voorzichtig, daarna met meer kracht. Behendig zwaait hij zijn benen uit bed. In drie stappen is hij bij de deur.

Een man, groter dan hij, jonger ook, staat er pal achter. Misschien stond hij op het punt om zijn schouder ertegenaan te zetten. De man deinst een halve meter achteruit, in de richting van een kleine vrouw in een kort model trenchcoat en met haar benen in een glanspanty. Geen van beiden kijkt naar zijn penis, ziet hij, maar ergens naar zijn buik, tussen navel en tepels; een neutraal stukje huid.

‘Ik dacht dat wij kamer acht hadden,’ mompelt de man verbaasd en hij wil al rechtsomkeert maken, terug naar beneden, naar de vrouw in de hal.

‘Dat is ook zo,’ zegt hij snel. ’Ik heb me vergist. Dit is jullie kamer. Mijn kamer is daar, kamer twaalf.’

Ze kijken zwijgend naar het einde van de gang. De man opent zijn mond om iets te zeggen, maar bedenkt zich en loopt verder. De vrouw volgt. Hij ziet het stel in kamer twaalf verdwijnen, sluit zijn kamerdeur en gaat weer op het bed liggen.

Na een minuut of vijf begint het gepiep van hun spiraal, in een mechanische cadans, als een slome goederentrein die door een oneindig landschap rijdt.

Hij hoeft niet lang te wachten. Het gebeurt vrijwel nooit dat de volle twee uur worden benut. Na een kwartier volgt meestal een sigaret, daarna nog een manmoedige poging om een tweede keer te volbrengen, maar dat is maar voor weinigen weggelegd. Dit stel is na tien minuten al klaar. Hij hoort ze voorbij schuifelen, het lispelen van haar glanspanty. Nog voor ze de trap volledig zijn afgedaald, heeft hij zijn kleren bijeengeraapt en holt hij met meisjesachtig zwiepende kuiten over de gang.

De warmte van hun bed doet hem rillen.

 

Geschreven door Grand Foulard op 27/04/2015 - laatst aangepast op 27/04/2015

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home