Heel vaak had mevrouw Piovanelli, als ze na het eten nog wat met haar man zat te praten, de wens uitgesproken dat, indien een van hen beiden, wat god mocht verhoeden, voortijdig zou komen te overlijden – dat hij dat dan zou zijn. Maar die dag stelde ze vast dat haar geduld minder groot was dan gedacht.

 

Met de jaren was het haar beginnen dagen dat hij nooit de man zou worden die zij gedacht had te ontmoeten toen ze hem zevenendertig jaar, vier maanden en negentien dagen geleden had uitgekozen. Uiteraard had zij hem steeds in de waan gelaten dat hij het was geweest die haar had gekozen, zoals het zou gelopen zijn mocht hij een echte man zijn geweest. Heel vaak had zij zichzelf al verweten dat haar gretig verlangen naar een man aan haar zijde het toen had gewonnen van haar zelfbeheersing. Het besef dat zij gevallen was voor zijn knappe verschijning was een dame als haar onwaardig en kwelde haar nog meer dan al de onhebbelijke eigenschappen die ze sedertdien bij hem had ontdekt. Dat zij zichzelf in deze situatie had gebracht, was allicht de voornaamste reden geweest waarom zij jarenlang had gemeend dit lot te moeten dragen. Zij had gezworen nooit nog haar gevoelsleven te laten primeren op goed fatsoen, geduld en welgemanierdheid. Zij had geslikt en gezwegen en een uitzonderlijke keer had zij de ogen gesloten voor zijn ongemanierde gewoontes, maar nooit was zij tegen hem uitgevaren.

 

Zijn volkse aard was zwaar om dragen, maar toch was dat niet haar grootste beproeving gebleken. Het was de leegte in hem, waarvan er met de jaren alleen maar meer leek te zijn gekomen, naarmate zijn struise lijf nog verder was uitgezet. Haar vader zaliger had haar erop attent gemaakt die avond nadat ze hem trots aan haar ouders had voorgesteld. Nadat hij geduldig had geluisterd naar haar enthousiaste verhalen over hun eerste weken samen en haar had verzekerd dat hij niets liever wou dan haar gelukkig zien, had hij voorzichtig gepolst of die jongeman wel genoeg inhoud had. Ze had de vraag destijds niet eens gehoord, maar had ze zich achteraf wel pijnlijk vaak herinnerd. Schoorvoetend had zij moeten erkennen dat haar vaders bezorgdheid volkomen terecht was geweest. Meneer Piovanelli was zwaar van postuur maar licht van geest, dat was de verpletterende waarheid die zij intussen niet langer kon ontkennen.

 

Mevrouw Piovanelli had zich uitgeput in vergeefse pogingen om zijn interesse te wekken voor de literatuur, de beeldende kunsten of de wetenschappen. Ze had hem meegenomen naar de grote Europese steden en was hem voorgegaan naar gerenommeerde kunsthuizen en musea. Talrijke schouwburgen en galerijen hadden zij bezocht en na haar vaders dood had zij diens bibliotheek met veel zorg laten overbrengen naar hun eigen woning. Het liet hem allemaal koud.

 

Niets had doen vermoeden dat die dag anders zou verlopen dan alle andere. Zij was vroeg opgestaan en had naar vaste gewoonte de ontbijttafel klaar gezet. Hij was ongeschoren aan tafel verschenen, had zich haastig volgeschrokt zonder haar een woord te gunnen en verborg nu zijn rood gezwollen hoofd achter het lokale dagblad dat hij weldra met zich mee zou nemen als hij luidruchtig zijn gevoeg ging doen. “Ik heb dat boek eindelijk gevonden,” zei ze. Hij zweeg. “Je weet wel, dat boek van Vonnegut.” Hij zweeg. “Van Kurt Vonnegut, over evolutie en beschaving, het speelt zich af op de Galapagos eilanden.” Hij zweeg nog steeds. “Ga-lá-pa-gos.” Ze noemde de lettergrepen luid en traag en liet vervolgens een stilte die hem geen andere kans liet dan te reageren. “Galawat?” vroeg hij verveeld.

 

Zwijgend stond ze op en liep naar het aanrecht achter hem. Ze nam de grote vleesvork, draaide zich om en plofte die zonder aarzeling diep in zijn hals. Een harde knal weerklonk, gevolgd door een walgelijk geluid als van een lange luide buikwind. Meneer Piovanelli vloog door de kamer als een ballon die wild wordt voortgestuwd door de lucht die ontsnapt langs dat ene gaatje. Ze wachtte geduldig af tot hij, zoals zij had verwacht, helemaal was leeg gelopen en alleen nog zijn omhulsel achterbleef op de koude vloer. Voorzichtig pakte zij de lege zak op en plooide die telkens dubbel tot ook de laatste lucht eruit verdwenen was. Vervolgens ontvouwde ze haar echtgenoot opnieuw tot zijn volle lengte. Het dunne vel paste nu precies tussen de kaken van de oude perforator uit vaders bibliotheek. Zorgzaam en geduldig knipte zij haar man tot kleine rondjes en verzamelde die in een lege bloempot.

 

 

Geschreven door Roel Nijleend op 01/06/2015 - laatst aangepast op 31/07/2015

  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home