Gij zijt een fragiel maske, zei ik, en ze sprak me niet tegen.

Twee dagen na nieuwjaar liep ze er nog altijd bij alsof ze een kater had, enkel en alleen van te laat te zijn gaan slapen. Het lag niet eens aan de alcohol, want dat dronk ze niet. (Mag niet van mijn religie, zei ze altijd op dat ironische toontje van haar. Welke religie, zei ik dan, en dan antwoordde ze: allemaal.)

Zelfs tegen het eten kon ze niet tegen. Met mijn middelvinger streelde ik over haar naakte rug, van schouderblad naar schouderblad, over dat anders zo perfecte vel dat in een slagveld van puistjes was veranderd na dat beetje vetzakkerij dat ze tijdens de feestdagen had gegeten. Moest ik braille kennen, ik zou u kunnen lezen, grapte ik, maar toen lachte ze niet mee. Ge weet niet wat het is, zei ze, altijd met de handrem op te moeten leven. Nooit volle bak mee kunnen doen. Weten dat er altijd een straf ligt te wachten.

Ik liet mijn vinger langzaam omlaag glijden langs de geul van haar ruggengraat.

Daarom zijt gij zo´n straffe madam, fluisterde ik bij haar oor, en kneep zachtjes in haar achterste.

Ze legde haar handpalmen op mijn wangen, dwong mijn gezicht vlak voor het hare.

En gij zijt de grootste straf van allemaal.

Ze zei het met veel overtuiging.

Maar ze kon tenminste terug lachen.

 

Geschreven door Kathleen Verbiest op 07/01/2016 - laatst aangepast op 22/05/2016

  • proza
  • flitsverhaal
  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home