De sprinkhaan en de kameleon

Terug naar het overzicht

1

Nadat hij op een bijzonder hete dag ter verstrooiing lange tijd met z’n hoofd in z’n nek in de hoogte had zitten staren - voorbij de varens en de mossen, voorbij de lobbige bromelia’s en de stekelige struiken, en zelfs voorbij de waaiers van de palmen en de takken van de kapokboom - sloot de sprinkhaan voldaan zijn ogen.

Zie toch hoe mooi, dacht hij bij zichzelf en hij keek verheugd naar de feestelijke vlekjes die achter zijn oogleden dansten. Vlekjes zoals de middagzon ze maakt wanneer ze door het kroondak heen tot op de bosvloer priemt en heel het junglehart verwarmt.

‘Alles is zoals het hoort,’ sprak hij tevreden, maar terwijl hij zich uitrekte om het lange stilzitten uit zijn lijf te jagen, beving hem plots een vaag onbehagen. Want iets zat hem dwars en terwijl hij dacht aan wat hij net had gezien, zo de hoogte in starend, kwam hem een geschubde schaduw met een krulstaart en een roltong voor de geest.

‘Heremetijd,’ zuchtte hij en paniek kleurde het groen van zijn wangen vlammend rood.     

 

2

Wat een hitte! Verveeld kleur ik erop los, van geel naar bruin en terug. Honger heb ik ook, erg veel honger. Maar in jagen heb ik geen zin. Het is warm, veel te warm. Zelfs de vliegen liggen er verlept bij. Was er maar iets lekkers in de buurt. Maar ik zie of hoor geen zucht, geen piep, geen kreun. Of toch? Zit daar iemand onder me? Iemand die zich krakend rekt? Ik rol mijn staart uit, hang mijn hoofd over de tak en … sapristi! Wat heerlijk! Een malse sprinkhaan zit in de zon, een fruitig hapje, groen en fris.

Ik likkebaard en … Wat nou! Mijn tong is traag, stijf als een uitgedroogd zeem. Die dekselse hitte. Knabbelend op mijn wangen bespied ik mijn groene vriend. En zie, daar vloeit het speeksel al. Het stroomt, walst, danst door mijn mond. Groen, groener, groenst! Ik zet me schrap en smakkend schiet ze uit, mijn tong, mijn katapult, mijn wapen, mijn .... Stop! Halt! Gevaar! Mijn groene vriend is weg. Wat onder me zit is rood. Vlammend rood. Snel trek ik me terug, want rood, nee, dank je wel, dat eet ik niet. Ik wil nog lang niet dood.

 

Na die hete dag leefden de sprinkhaan en de kameleon nog lang en gelukkig.

Geschreven door Ines Nijs op 16/04/2016 - laatst aangepast op 16/04/2016

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home