Ines Nijs

Gebruikersnaam Ines Nijs

Teksten

De man van mijn moeder

‘Ik ben de vriend van je mama,’ zegt de man. Hij staat naast mijn moeder in onze woonkamer en hij is zo groot dat alles plots kleiner lijkt, ook mijn moeder. Hij draagt donkergroene kleren met veel zakken en stiksels en hij heeft een kale kop. Mensen met een kale kop ruiken vreemd, meer bepaald rond hun hoofd. Een weelderige haardos kroont een gezond lichaam, zegt mijn moeder. ‘Ik heet Marc.’ De man steekt zijn hand uit. Aangespoord door de blik van mijn moeder schud ik die. Zijn vingers zijn hard en lang. En warm. Koude handen, maar een warm hart, zegt mijn moeder. Omgekeerd weet ik het niet. ‘Ik heet Zoé.’ Ik plooi mijn lip tot boven mijn tanden. ‘Ben jij een jager?’ Ik wijs naar zijn kleren. ‘Wijzen is onbeleefd, Zoé,’ zegt mijn moeder. De man lacht. ‘Ik heb een hotel. Le Grand Veneur.’ ‘Veneur? Dat is onze naam, van mij en mama.’ ‘Ja,’ zegt de man. Ik houd mijn hoofd schuin en kijk hem aan. Mijn hart klopt tien keer sneller dan anders. De man heeft groene ogen en brede schouders en hij lijkt niet op mij, hij lijkt op niemand die ik ken. ‘Moet ik vanaf nu voor jou ook een nieuwjaarsbrief schrijven?’ vraag ik. De man lacht, hij wil ja knikken, dat zie ik. ‘Nee,’ antwoordt mijn moeder, ‘nieuwjaarsbrieven schrijf je voor je moeder, je vader, je grootouders en je meter en peter, dat weet je best.’ De man knipoogt naar me, maar ik weet niet hoe dat moet, terug knipogen. ‘Mag ik naar mijn kamer, mama?’ ‘Je blijft hier, Zoé, en je maakt kennis met Marc. Ik ga thee zetten.’ Ze verdwijnt naar de keuken en laat mij achter met de man die niet mijn vader is. ‘Ik heb iets voor je meegebracht,’ zegt hij. Uit de tas die hij bij zich heeft, haalt hij een langwerpig cadeautje. ‘Een barbie,’ zeg ik nog voor ik het papier van de plastieken poppenverpakking heb getrokken. Barbies zijn stom, hun hoofd is stom, hun lijf is stom, hun kleren zijn stom. ‘Wat leuk,’ zegt mijn moeder die binnenkomt met het theeblad in haar handen. ‘Ga daar maar zitten, Zoé, en speel wat met je nieuwe pop.’ ‘Kunnen we straks Monopoly spelen? We zijn met drie.’ Ze wil nooit met me spelen, want met z’n tweeën is het niet leuk vindt ze. ‘Het is niet het moment voor een gezelschapsspel, Zoé.’ ‘Het is nooit het moment,’ mompel ik en ik ga een eindje verderop zitten, naast Minou die in het zonnetje ligt. ‘Zullen we de kleertjes uitdoen, Minou?’ zeg ik zacht tussen mijn tanden. Ik ruk de pop de kleren van het lijf … ‘En weer aan?’ … en wurm ze er weer in. ‘Zullen we de haartjes kammen?’ Met alle kracht die ik kan opbrengen, trek ik de kam door de dradige poppenharen. Zo hard dat er een tand van de kam afbreekt. Snel legt Minou haar poot op de tand. ‘Geef terug, stomme kat,’ sis ik en ik moffel de tand snel onder het tapijt. De kam stop ik in de plastieken doos die de vorm van het poppenlichaam volgt. De pop gaat erachteraan. ‘Naar de gevangenis,’ fezel ik. Met mijn rug naar de theedrinkers toe ga ik voor me uit zitten staren. ‘Speel je fijn, Zoé?’ Mijn moeder klinkt poeslief. ‘Ja, mama, maar nu ben ik klaar.’ Ik kijk om en zie hoe ze daar zitten. Zij en de man. Haar hoofd ligt op zijn schouder en hij klemt zijn arm stevig om haar middel. ‘Kom dan maar een kopje thee drinken,’ fleemt ze. Terwijl ze thee voor me inschenkt, laat de man haar niet los. Met zijn lange vingers draait hij krullen in haar haren en streelt ze er weer uit. Precies zoals je dat hoort te doen. ‘Speel jij met barbies, meneer?’ Voor ik mezelf kan tegenhouden, floepen de woorden uit mijn mond. De man lacht scheef. ‘Stel geen domme vragen, Zoé,’ zucht mijn moeder. Tegelijk nemen mijn moeder en de man slurpend een slokje van hun kopje thee. ‘En kom je dan ook aan hun borsten?’ De man verslikt zich in zijn thee en begint luid te hoesten. Boven zijn geproest uit klinkt mijn moeders stem. ‘Naar je kamer, Zoé!’ schreeuwt ze. ‘Nu!’ Ik verlaat de gevangenis zonder te betalen.

Ines Nijs
0 0

Broeders voor Congo, voor Virunga

Niet het geritsel en geruis om hen heen, niet het gekrijs en gebrul in de verte, niet de geluiden van het woud die ze kennen, waarmee ze zijn opgegroeid, maken hen bang, maar het bloed, het spoor van rode druppels dat ze al urenlang volgen. Loïc, twaalf, loopt voorop en Ray, elf, maar een kop groter dan Loïc, breder van hoofd tot enkels en een of twee, nee, drie tinten bleker, loopt achter hem aan. ‘Van wie is al dat bloed? Hoe kan het dat er zo veel is?’ Loïc houdt halt en wijst naar de stroperige vegen die aan de bladeren van de bromelia’s plakken. ‘Veel meer dan wij uit onze vingers kregen, toen,’ zegt Ray. Toen is twee jaar geleden, op de dag dat ze bloedbroeders werden. Loïc had als eerste zijn vinger in het luciferdoosje vol termieten gestopt en Ray had zich over het venstertje gebogen dat ze uit het deksel hadden geknipt en waarop ze een stukje plastiek hadden gelijmd. ‘Bijten ze al?’ had hij gevraagd. Loïc had met zijn hoofd geschud, zonder naar zijn vinger in het doosje te kijken. ‘Waarom heb je er zoveel gevangen?’ klaagde hij, ‘eentje was toch genoeg?’ ‘Termieten zijn net als vaders, sommigen bijten, anderen niet,’ had Ray gegrijnsd. Loïc en hij hadden pech met hun vaders, ze waren van de bijtende soort. Allebei. Ze beten naar hun kinderen, omdat ze in de weg liepen, omdat ze te veel aten, omdat ze bestonden. ‘De mijne wil weg om geld te gaan verdienen bij de mannen van de oliewinning,’ zei Ray. ‘En die van jou wil vast dat je vlees meebrengt voor de kookpot. Stropersvlees!’ Hij lachte grimmig en toen had Loïc gegild en een dikke druppel bloed was opgeweld uit zijn vinger. Ray had Loïcs pols vastgegrepen en zijn vinger voorzichtig uit het doosje getrokken. Daarna had hij zijn eigen vinger erin gestopt, had gewacht tot hij werd gebeten en toen hadden ze hun bebloede vingers tegen elkaar gedrukt. Lange tijd. ‘Broeders voor altijd, broeders voor Congo, voor Virunga,’ had Ray gefluisterd, had Loïc hem nagefluisterd. De middagzon valt in gouden vlekjes op de bladeren van de bomen en de planten, maar Ray en Loïc letten er niet op. Zij volgen het spoor, als jachthonden op zoek naar een trofee. ‘Dwalen we niet te ver van het kamp af?’ vraagt Loïc bezorgd nadat ze weer een hele poos in stilte hebben doorgelopen, door stekelige struiken, over rottende boomstammen, dwars door het woud. Ray blijft staan en haalt het kompas uit zijn zak. Het kompas is een geschenk van de piloot van Virunga, het is hun talisman. Het bracht de piloot geluk toen hij neerstortte met zijn vliegtuig, in de bomen, vlak bij de plek waar Ray en Loïc een kamp van droge palmbladeren hadden gebouwd. Het kompas zal hen redden en hen veilig terug naar huis brengen. ‘We lopen naar het noorden,’ constateert Ray. ‘Dat is een goeie richting, want daar ligt de zee.’ ‘De zee is een grote plas water met golven,’ zegt Loïc. ‘Op de golven kun je varen met een boot, want golven zijn water dat heen en weer beweegt, als de boomtoppen in het woud wanneer ze wiegen in de wind, van links naar rechts, van hoog naar laag, meneer, mevrouw!’ Loïc buigt als een knipmes en slaat Ray op de schouders en ze lachen de spanning uit hun lijf. ‘Kom,’ zegt Ray. Hij stopt het kompas in zijn zak en begint weer te lopen, zet er stevig de pas in. Tot hij abrupt halt houdt zodat Loïc tegen hem op botst. ‘Daar,’ wijst Ray. Door de tunnel van groen ziet Loïc de open plek. En in het zonlicht dat als het licht van een lantaarn op de bosvloer valt, zit een donkere schaduw. Op stille voeten sluipen Ray en Loïc dichterbij en het is Loïc die het als eerste begrijpt. ‘Een moeder en een baby,’ zegt hij en er klinken tranen in zijn stem, die hij wegslikt, dapper, want zo wil hij zijn, zo wil hij worden. Om zeker te weten dat er niemand anders in de buurt is, wachten ze minutenlang in de schaduwen van de bosrand tot Ray het niet meer uithoudt en in het zonlicht stapt, naar de dieren toe. Chimpansees. Een dode moeder en een baby die zich aan haar moeders lichaam vastklampt en begint te krijsen zodra ze de jongens ziet. ‘Stil maar,’ sust Loïc en hij steekt zijn hand naar haar uit. ‘Kom,’ zegt hij, ‘kom maar bij mij, toe.’ Hij praat en praat tot de baby ophoudt met krijsen en aarzelend haar armpjes naar hem uitstrekt. In de stilte klinkt alleen het gesnuf van de jongens en de zachte keelgeluidjes van de baby wanneer ze zich aan Loïc vastklampt alsof ze hem nooit meer los zal laten. ‘Ik neem de moeder,’ zegt Ray, want hij is de sterkste en de grootste. ‘Het bloed kwam van de kapwonde in haar buik,’ wijst hij. ‘Het is een wonder dat ze aan de stropers is ontsnapt. Zoveel bloed.’ ‘We kunnen haar ook achterlaten,’ oppert Loïc, ‘ze is zwaar en het kamp van de rangers is ver van hier.’ Nee, schudt Ray vastberaden. De rangers moeten haar zien, ze moeten weten wie ze is. Hij hijst het dode dier op zijn rug. ‘De terugweg is altijd minder lang,’ zegt hij en hij begint te lopen. ‘Later worden Ray en ik rangers,’ zegt Loïc tegen de baby en ook hij begint te lopen. De baby slaat haar ogen naar hem op en kijkt hem aan alsof ze hem begrijpt. ‘Maar eerst brengen we je naar huis. Alles komt goed,' belooft Loïc. De baby legt haar hoofdje in haar nek en lacht haar puntige tandjes bloot.

Ines Nijs
0 0

De eerste keer

Alsof ik tegen een sterke wind in moet duiken, snel ik over de speelplaats in de richting van de turnzaal. Met gebogen hoofd en mijn armen over mijn buik gevouwen. ‘Niet zo vlug, Zoé!’ hijgt Erna die achter me loopt. Onder de kastanjebomen blijf ik staan. Erna draagt mijn boekentas. Onderin heb ik twee dikke leesboeken gestopt en bijna krijg ik spijt als ik Erna’s rode hoofd zie. ‘Je loopt zo vreemd, Zoé. Let maar op dat je niet valt.’ Met de rug van haar hand wist Erna het zweet van haar voorhoofd. ‘Mijn armen zijn warmtekussens voor mijn buik, kersenpitjes, snap je?’ zeg ik. Wankelend op een losse plavei, zet Erna mijn en haar tas neer en zegt: ‘Echte wroeters, die boomwortels. Net mollen.’ ‘Weet jij nog wat we leerden over het wortelgestel, Erna?’ Erna dreunt en wijst in het wilde weg: zijwortels, wortelharen, penwortel, wortelmutsje, luchtwortels, trekwortels, ademwortels. Dan hapt ze naar adem. ‘Die bomen mogen alles. Ze mogen zelfs de speelplaats kapotmaken,’ zegt ze. ‘Weet je waarom ze niet worden omgehakt?’ vraag ik. Erna schudt haar hoofd. ‘Ze geven lommer. En lommer verkoelt de verhitte hoofden van de duizend maagden die hier wonen. Wij dus, onze hoofden.’ Ik kijk naar Erna’s kop die zo rood is als de dahlia’s in mijn moeders tuin en snap eindelijk wat zuster directrice heeft gezegd. ‘Laten we gaan, of we komen te laat,’ zeg ik. Erna hijst de tassen over haar schouder en volgt me zonder morren. ‘Zal ik je helpen in de turnles dadelijk, als je over de Zweedse bank moet?’ vraag ik. Bij de gedachte aan wat haar in de turnles te wachten staat, betrekt Erma’s gezicht. ‘Waarom moet ik over die bank kunnen lopen? Wat heeft dat voor zin?’ jammert ze. ‘Het is goed voor je evenwicht,’ zeg ik. ‘Als iemand je hand vasthoudt, lukt het misschien.’ Niemand wil Erna’s hand vasthouden als ze over de omgekeerde Zweedse bank moet lopen. Een test die alle meisjes moeten afleggen. De bank over, zonder er ook maar een keer af te vallen, zonder je voet of zelfs maar de tip van je teen aan de grond te zetten. Erna, wiens buik zo ver vooruitsteekt dat het haar belet de lat van de bank te zien, is als enige nog niet geslaagd voor de test. En niemand wil haar helpen. Want Erna heeft last van zweethanden. Vreselijk veel last. ‘Wil je dat voor me doen?’ Ze kijkt me met dankbaar glanzende ogen aan. ‘Hoe gaat het met je hoofdpijn, Zoé?’  ‘Veel beter,’ zeg ik. ‘Ik had lucht nodig. Leuk dat je het hele eind met me mee wilde lopen.’ Even heb ik zin mijn veel te zware tas uit haar handen te nemen en haar te zeggen dat ik die best zelf kan dragen. Ik doe het niet. Het zou mijn nieuwverworven status in gevaar brengen.   ‘Meisjes van het zuiderse type rijpen sneller,’ zei de schoolarts. ‘Peren rijpen, en aardbeien en bananen!’ kreunde ik toen zuster Marie-Jeanne, onze opvoedster, mij op de onderzoekstafel van de dokter hielp. ‘Ik rijp niet, ik rot.’ ‘De eerste keren kunnen overweldigend zijn. Buikpijn, rugpijn, hoofdpijn, u moet even op de tanden bijten, juffrouw,’ zei de dokter. Hoe kon hij dat weten, wilde ik hem vragen. Maar ik hield me in. Het is niet omdat dokters de pijn nog nooit hebben gevoeld, dat ze er niet over kunnen praten. De eerste keer hoefde ik geen moeite te doen om overweldigd te zijn. Ik liep er zo bleek en beverig bij dat het nieuwtje zich snel verspreidde. ‘Je weet toch wat er met haar aan de hand is,’ fluisterden de meisjes onder elkaar. Ik, de jongste van de troep, de onzichtbare, ving voor het eerst hun aandacht. Als ik wilde, leenden ze me Erna, zeiden ze. Erna was gedienstig, zeiden ze, ze zou me een keer in de maand enkele dagen helpen, mijn boekentas voor me dragen, dingen voor me oprapen. Dat het niet nodig was, protesteerde ik. Toch wel, drongen ze aan. Omdat ik niet tegen hen in durfde te gaan, aanvaardde ik. Daarna wilden ze weten hoe het was, hoe het voelde om ongesteld te zijn. Hoewel ze ouder waren dan ik, was geen van hen het ooit geweest. ‘Het is kut,’ zei ik en ik wist zelf niet waar dat woord vandaan kwam. Ze keken me met grote ogen aan. Om de lakens van mijn bed niet te bevuilen, kreeg ik bij het slapengaan een zwarte plastic onderbroek van zuster Marie-Jeanne. Een onderbroek die kraakte telkens ik me omdraaide. Zo luid dat het in de hele slaapzaal te horen was. Toch was er niemand die er wat van zei, ook Suzy niet. Suzy die zo snel gestoord was dat zelfs het tikken van een uurwerk haar kon beletten in te slapen. Zelfs toen ik uren aan een stuk woelde en kraakte en mezelf vermoeide tot ik insliep, zelfs toen zeiden ze niets. ‘Het komt door de buikpijn,’ vergoelijkten ze, ‘ze kan het niet helpen.’ Terwijl ik me ’s ochtends waste en omkleedde, gluurden ze naar me door hun wimpers. ‘Kijk, ik kan de broek tot onder mijn oksels trekken!’ lachte ik. Ze keken huiverend naar de grote broek en naar wat ze wisten dat eronder zat. ‘Mogen we het eens zien?’ Ik lichtte een tipje van de sluier op en ze rilden van afschuw. Ik was niet langer onzichtbaar.   ‘Mama, ik ben ongesteld geworden,’ zeg ik als ik thuiskom. ‘Ongesteld. Zozo. Dat is een deftig woord. Maar niks om je druk over te maken, hoor.’ Mijn moeder vraagt of ik al het nodige heb, gerief noemt ze het en ze brengt van de winkel gerief mee dat veel minder zacht is dan wat ik van zuster Marie-Jeanne kreeg. Ze toont me ook hoe ik de bidet in de badkamer moet gebruiken om me te wassen daar vanonder. ‘Zie je waarvoor die dient? Niet om je koude voeten op te warmen!’ Haar lach galmt door de badkamer. Eindeloos vaak heb ik gevraagd waarvoor het vreemde badkamermeubel dient dat achter het bad staat. ‘Alles op zijn tijd,’ antwoordde ze altijd. En dat ik er voorlopig mijn voeten in mocht wassen. Ze deed me voor hoe ik op de rand van het bad kon gaan zitten met mijn voeten in het warme water. Nu toont ze me hoe ik met mijn benen schrijlings over het meubel moet zitten om me te wassen. ‘Zo, van voren naar achteren, nooit omgekeerd,’ zegt ze met haar gezicht naar de muur. Bedot, zo voel ik me. Mijn voeten zal ik vanaf nu wassen in het bad. Zoals elke normale mens.   ‘s Avonds vraagt ze me of ik veel buikpijn heb en als ik zeg van wel, heel erg veel, en of ik alsjeblieft morgen op de bank mag rusten, begint ze te lachen. ‘Dat zou me wat zijn, Zoé, als alle vrouwen waren zoals jij. Ik weet iets veel beters, iets waarvan je die ongesteldheid stante pede vergeet.’ Ze wijst naar de zonneblinden die in de woonkamer voor het grote raam hangen. ‘Die gaan we morgen een goeie beurt geven,’ zegt ze. Die nacht doe ik stiekem mijn zwarte broek uit in de hoop dat ik zal doorlekken, maar wanneer ik de volgende ochtend naar mijn laken kijk, doet het wit pijn aan mijn ogen. Terwijl ik de zonneblinden was, wordt het buiten alsmaar warmer en binnen alsmaar kouder. Want zonder het te willen, maak ik plooien in de langste lamellen – en die kreuken gaan er nooit meer uit! – snijd ik mijn vingers aan de scherpe randen, stap ik – kluns die ik ben – met mijn voet in de emmer sop, kijken de vele wandelaars die van het mooie weer profiteren onbeschaamd bij ons naar binnen, blijft de zon maar schijnen, blijft de aarde maar draaien, houd ik niet op te bestaan. ‘Ik zal het allemaal zelf wel doen,’ roept mijn moeder ten slotte uit als alle blinden bijna schoon zijn. Voor de laatste keer wring ik het zeemvel uit en hang mezelf mee te drogen, uitgestrekt op mijn bed, wachtend tot de dag om is.   

Ines Nijs
0 0

Het is een mannetje

Het geraamte stond in een afgesloten kamertje, samen met de andere spullen waar we niet aan mochten komen, de diaprojector, de stencilmachine, de opgerolde wereldkaarten, de vellen groen en blauw kaftpapier en de grote perforator. Op de deur hing de naam van het kamertje: didactisch lokaal. Het apparaat waarmee de witte letters op een zwart zelfklevend lint waren gedrukt, lag op de lessenaar van meester Jos. Ook daar mochten we niet aankomen. Alles mochten we worden in die dagen. Brandweerman, dokter, filmster. En alles mochten we zijn. Braaf, stil en onzichtbaar. Maar ergens aankomen mochten we niet. Toch aarzelden we maar heel even voor we, die ene keer dat de deur van het didactisch lokaal tijdens het speelkwartier per ongeluk openstond, ongezien het kamertje binnenglipten. Ronny, Dirk, Marc, Erik, Carl en ik. Zodra de deur in het slot viel, reikten onze handen, de een al wat klammer dan de ander, naar de lichtschakelaar. Want een geraamte op de tree van de klas is een ding, op armslengte in het donker een ander. ‘Het is groter dan ik dacht,’ giechelde Erik. ‘En bloter,’ grinnikte Carl. ‘We moeten het aankleden!’ Ronny mikte zijn pet op het benige hoofd en Erik viste zijn sjaal uit zijn zak en draaide hem rond de magere nek. ‘Nu hebben we nog een dik stuk krijt nodig.’ Dirk deed meester Jos na zoals die tijdens de middag zijn sigaar rookte, hoofd in de nek, blazend naar de hemel.   ‘Correctie! Twee stukken krijt, en een tube lijm,’ zei Ronny. ‘Iemand moet terug naar de klas. Jij.’ Hij knikte met zijn hoofd in mijn richting. Het voelde alsof hij me wegstuurde. ‘Er is niet genoeg tijd,’ zei ik. ‘Toch wel, de meester is jarig en ze eten taart in de leraarskamer.’ De jongens keken naar me. Als ze taart aten duurde het speelkwartier dubbel zo lang. ‘Schiet op,’ zei Ronny. Er zat een rimpel in zijn voorhoofd. De denkrimpel die ik zo goed kende, die altijd voorafging aan een wilde inval. Zes jaar lang had ik ze met hem gedeeld, die wilde invallen, zes jaar lang had ik met hem en de andere jongens gevoetbald, tikkertje gespeeld, huiswerk gemaakt. En nu stonden ze naar me te kijken, wachtend tot ik weg zou gaan. ‘Komt er nog wat van?’ maande Marc me aan. Hij keek niet naar mij, hij keek naar Ronny. Ik glipte naar buiten. Op de speelplaats werd luid gejoeld en uit de leraarskamer klonk gelach en gezang. Lang zal hij leven. Het zou niet lang meer duren voor meester Jos met pensioen ging. Wij zouden de laatste klas zijn aan wie hij ‘de speciale les’ moest geven. Hij had gelachen toen hij dat zei. We vroegen niet waarover de les ging. Dat wisten we al. We wisten ook waar meester Jos het kijkmateriaal bij de les bewaarde. Op de dia’s die in het kamertje lagen, bij de diaprojector en het witte scherm. Was dat waarom de jongens me hadden weggestuurd? Het besef overviel me zo plots dat ik even tegen de muur van onze klas moest leunen. De onderste krul van het haakje waaraan Ronny’s jas hing die ik zo mooi vond, zo stoer, drukte in mijn nek. Het deed pijn, maar ik bleef staan. Minutenlang. Tot de deur van de leraarskamer openging en iemand de gang in liep. Zonder te kijken wist ik dat het meester Jos was. ‘Angela!’ Zijn stem galmde door de gang en ik schrok van zijn toon en stootte mijn hoofd tegen de bovenkant van het haakje. De jas viel op de grond.  ‘Waarom ben je niet op de speelplaats? En waar is je hofhouding?’ ‘Daar,’ wees ik. Mijn uitgestrekte arm trilde. ‘In het didactisch lokaal?’ donderde de meester. Ik trapte op de jas, stampte hem aan de kant en wilde de meester tegenhouden, maar het was te laat. Terwijl hij naar het kamertje beende, rende ik achter hem aan. Meester Jos gooide de deur open en zette zijn handen in zijn zij. ‘Wat stelt dat hier voor?’ Door de driehoek van zijn arm zag ik wat hij zag. De gebogen hoofden van de jongens, hun witte nekken. En op de witte muur – ze hadden niet eens de tijd genomen om het scherm op te zetten – de levensgrote projectie van een meisje en een vrouw. Naakt. Naast hen, als een wachter die over hen waakte, het geraamte. Met een dik stuk krijt tussen zijn tanden en een nog dikker stuk krijt tussen zijn bekkenbeenderen. Een rol plakband lag op de stencilmachine.   ‘Tong verloren, jongens? Kijk me aan als ik met jullie praat!’ doorbrak meester Jos de stilte. De jongens draaiden zich langzaam om, maar bleven naar de punten van hun schoenen kijken. Ze zagen me niet. Meester Jos zag me wel. Hij knikte naar me en wees naar het geraamte. ‘Het is een mannetje,’ zei hij. Alles wat ik niet was en nooit zou worden.  

Ines Nijs
2 0

Voor herhaling vatbaar

Terwijl Jan de pasta afgiet, hoort hij Amelia's sleutel in het slot van de voordeur. Zijn ooglid gaat spontaan aan het trillen. Na vijf dagen van stilte komt ze om te praten, weet hij. Met een zwaai schudt hij de vongole op. Amelia komt de keuken binnen en snuift aan de lucht. ‘Dag meisje,’ zegt Jan. ‘De pasta is klaar.’  Ze knikt, een afgemeten knikje, zegt dag en biedt hem haar rimpelige wang.  Hij drukt er een droge kus op. Precies zoals ze dat wenst. Mensen van een zekere leeftijd, van een zeker niveau, doen niet aan gelebber, aan gepotel. ‘Even de tafel dekken.’ Hij neemt twee borden uit de kast en kijkt haar vluchtig aan.  Zij wil praten, maar hij moet beginnen, ziet hij. ‘Amelia,’ vangt hij aan, ‘ik heb nagedacht. Je hebt gelijk: ik ben een saaie vent, slecht in verrassingen. Niet spontaan, niet romantisch, niet knap, jong of flitsend. Niets van dat alles.’ Hij neemt de pan met pasta van het vuur, draait een sliert aan zijn vork en steekt haar de vork toe. ‘Comme il faut,’ keurt ze, ‘al dente.’ De groeven om haar mond plooien zich in een iets toegeeflijker stand. ‘Is dat peper?’ Ze wijst naar de strooibus in zijn hand. ‘Om het af te werken.’ Hij schudt een beetje peper over de pan.  ‘Rustig met die bus, je hebt je bril niet op.’ Ze kijkt om zich heen en wijst met een puntige vinger naar de bril die op de tafelrand ligt. Hij zet de peperbus neer, buigt zich voorover, reikend naar de bril, en stoot zijn hoofd tegen de lamp die boven de tafel hangt. ‘Jezus, Jan, wat een kaalslag daarboven,’ zegt Amelia. Naast hem staat ze in het bungelende licht. Haar humeur slaat om. Ze kijkt op hem neer en lacht.  Hij voelt aan zijn kruin, aan het haar dat elke dag dunner wordt. Ook zijn humeur slaat om. De frustratie overspoelt hem sneller dan anders en verdringt Amelia’s lach. In zijn hoofd hoort hij die andere vrouw, de laatste dame in de rij. ‘Hoe heet je? Waar kom je vandaan? Wat eet je graag?’ had ze gevraagd. Snel, ratelend, want veel tijd hadden ze niet. Gretig had hij zijn naam genoemd. ‘Jan Van Opwijck, en je bent van Deurne!’ had ze gelachen. Hij had met haar meegelachen. Zij heette Lily en ze hield van koken en van lekker eten. Dat hadden ze later die avond samen gedaan. Lekker gegeten, en lekker gekust, gelebberd, gepoteld.   ‘Jan! Wat kijk je dwaas.’ Amelia stoot hem niet al te zachtzinnig aan. Hij schept de borden vol. ‘Madame est servie,’ zegt hij, net als alle andere avonden dat Amelia hem opzocht de afgelopen vijf jaar. Er loopt een rilling over zijn rug. ‘Niet slecht,’ merkt Amelia op terwijl ze tussen twee happen door haar lippen dept.  Jan knikt. Hij zit de maaltijd uit, hij zit het dessert uit, hij zit de avond uit. Hij zegt niet veel. Amelia ook niet. Pas wanneer hij haar in haar jas helpt, kijkt ze hem veelbetekenend aan. ‘Kijk, ik probeer ermee te leven, met hoe jij bent.’ Ze draait zich om en terwijl hij de jas om haar schouders legt, streelt hij het zachte bont. ‘Voor mij hoef je dat niet meer te doen, Amelia,’ hoort hij zichzelf zeggen.      Met een ruk keert ze zich naar hem om, haar net bijgestifte lippen in een streep. ‘Ik heb iets verrassends gedaan. Flitsend, spontaan, romantisch was het. Ik kan het je aanbevelen.’ Hij reikt langs haar heen, opent de deur en duwt haar naar buiten. ‘Speeddating voor senioren. Ik heb mezelf verrast, Amelia, en dat is me prima bevallen. Voor herhaling vatbaar.’

Ines Nijs
0 0

De sprinkhaan en de kameleon

1 Nadat hij op een bijzonder hete dag ter verstrooiing lange tijd met z’n hoofd in z’n nek in de hoogte had zitten staren - voorbij de varens en de mossen, voorbij de lobbige bromelia’s en de stekelige struiken, en zelfs voorbij de waaiers van de palmen en de takken van de kapokboom - sloot de sprinkhaan voldaan zijn ogen. Zie toch hoe mooi, dacht hij bij zichzelf en hij keek verheugd naar de feestelijke vlekjes die achter zijn oogleden dansten. Vlekjes zoals de middagzon ze maakt wanneer ze door het kroondak heen tot op de bosvloer priemt en heel het junglehart verwarmt. ‘Alles is zoals het hoort,’ sprak hij tevreden, maar terwijl hij zich uitrekte om het lange stilzitten uit zijn lijf te jagen, beving hem plots een vaag onbehagen. Want iets zat hem dwars en terwijl hij dacht aan wat hij net had gezien, zo de hoogte in starend, kwam hem een geschubde schaduw met een krulstaart en een roltong voor de geest. ‘Heremetijd,’ zuchtte hij en paniek kleurde het groen van zijn wangen vlammend rood.        2 Wat een hitte! Verveeld kleur ik erop los, van geel naar bruin en terug. Honger heb ik ook, erg veel honger. Maar in jagen heb ik geen zin. Het is warm, veel te warm. Zelfs de vliegen liggen er verlept bij. Was er maar iets lekkers in de buurt. Maar ik zie of hoor geen zucht, geen piep, geen kreun. Of toch? Zit daar iemand onder me? Iemand die zich krakend rekt? Ik rol mijn staart uit, hang mijn hoofd over de tak en … sapristi! Wat heerlijk! Een malse sprinkhaan zit in de zon, een fruitig hapje, groen en fris. Ik likkebaard en … Wat nou! Mijn tong is traag, stijf als een uitgedroogd zeem. Die dekselse hitte. Knabbelend op mijn wangen bespied ik mijn groene vriend. En zie, daar vloeit het speeksel al. Het stroomt, walst, danst door mijn mond. Groen, groener, groenst! Ik zet me schrap en smakkend schiet ze uit, mijn tong, mijn katapult, mijn wapen, mijn .... Stop! Halt! Gevaar! Mijn groene vriend is weg. Wat onder me zit is rood. Vlammend rood. Snel trek ik me terug, want rood, nee, dank je wel, dat eet ik niet. Ik wil nog lang niet dood.   Na die hete dag leefden de sprinkhaan en de kameleon nog lang en gelukkig.

Ines Nijs
1 0

Waarom het feest niet doorging

ELLA Ze zou bij de ingang van de kerk moeten staan om de gasten te begroeten, zoals het haar is opgedragen. Maar Ella’s hoofd staat niet naar knikken en lachen. Ze dwaalt rond op het kerkhof, op zoek naar Jona V. Bij het laatste vers gedolven graf in de rij knielt ze neer, haar blik gericht op de zwarte letters die zijn uitgelopen op het witte kruis, als de tranen van een pierrot. Ze plant haar handen in de houtsnippers die het aarden graf bedekken, buigt zich voorover en probeert de naam te lezen. ‘Ben jij het?’ Ze fluistert om de rust niet te verstoren. De ruwe flinters hout schrapen kriebelig langs haar vingers, flirtend met de jeuk die onderhuids sluimert. Ze trekt haar handen terug en verdringt de gedachte aan krabben. Ze denkt aan het gezicht van Jona V, aan zijn voorhoofd dat bloedde. Het bloed kwam ergens onder zijn haren vandaan. Het liep in zijn ogen die haar wijd opengesperd aankeken door de voorruit van Otto’s wagen, met zo’n dwaze blik dat ze er bijna om had gelachen. Toen waren de ogen en het gezicht weg en bonsde het lichaam over het autodak, over het kofferdeksel, neersmakkend op het zwarte asfalt. ‘Stop! Stop dan toch, Otto!’ riep ze en ze rukte aan het stuur tot Otto haar een klap in haar gezicht gaf. Of ze graag de cel in ging, schreeuwde en hij duwde het gaspedaal stevig in. Ja! schreeuwde ze terug, want ze hadden iemand aangereden en waren niet gestopt! Of ze dan niet had gezien dat die jongen veel te hard reed, veel te wild, dat het wel leek of hij hen met opzet wilde raken, die onnozelaar, die gevaarlijke zot, verdomme, vloekte Otto . Ze moest toch snappen dat het zijn schuld niet was, voegde hij er op kalmere toon aan toe terwijl hij het zweet van zijn bovenlip wiste. Hij reed zo lang met haar rond, gijzelde haar zo lang dat ze wist dat het te laat was. Jona V. Zo stond het in de krant. Jona V was dood. Verongelukt met zijn brommer. Niemand wist hoe. Er waren geen getuigen. Ze kreunt bij de herinnering, vlecht haar vingers in een strakke knoop achter haar rug, vecht tegen de jeuk, tegen de aandrang, maar het is te laat. Haar handen graaien in de schors, graven diepe gaten, knijpen, wrijven, schuren begerig, steeds sneller, tot de jeuk oplost in pijn. De stipjes bloed die opbloeien uit haar gebarsten huid veegt ze af aan het gras naast het graf. ‘Het kan geen kwaad. Het geneest wel weer,’ troost ze zichzelf. Ze staart naar het barstje dat in het vlies tussen haar duim en wijsvinger zit, beweegt haar vingers, trekt het barstje open en knijpt het weer dicht. Open, dicht, open, dicht, als een vis die naar adem hapt. Dan schikt ze de houtsnippers netjes op hun aarden bed, plukt een paar stukjes schors van haar feestjurk en veegt de aarde van haar knieën. Er blijft wat achter in de kapotte huid tussen haar vingers. Ze snuit haar neus en draait alles op slot. Haar hoofd, haar mond, haar hart. Ze zet haar zonnebril op en verlaat de koele stilte van het kerkhof.   De huwelijksgasten troepen samen op het grasveld voor de kerk, dus gaat ze achterom, speurend naar de smalle rug van haar vader. Hij staat waar ze dacht dat hij zou staan, een eindje verwijderd van de rest van het gezelschap. Zwijgend gaat ze naast hem staan. ‘Waar was je, Ella?’ vraagt hij. ‘Op het kerkhof,’ antwoordt ze. ‘Ligt er iemand die we kennen?’ ‘Nee.’ Haar vader vraagt niet verder. Ze kijken in stilte voor zich uit, naar de witte limo die statig door het landschap glijdt, door het groen van de weilanden, langs het zwart van de pas ingezaaide akkers en voorbij een veld zilverige tarwearen, rimpelend in de wind als een kattenvacht na een aai. De zon blinkt op de ruiten en spiegelt zich in de glanzend gepoetste lak. Op een eenzelvige wolk na spant de hemel een strakblauwe boog boven de ochtend. ‘Je zus krijgt een mooie dag.’ Haar vader ademt diep in en heft zijn gezicht naar de zon. ‘Ze krijgt wat ze verdient,’ antwoordt Ella. Haar handen branden en ze wil wrijven, krabben, knijpen, maar houdt zich in wanneer ze ziet dat de limo aankomt bij het voorportaal van de kerk.   De gasten waaieren om de auto heen, uitkijkend naar het bruidspaar, naar de bruid, Ella’s zus Anaïs, en naar de bruidegom, Otto, haar aanstaande schoonbroer. De eerste die uit de limo stapt is Anaïs, een zijdezachte zwaan die ietwat beduusd neerstrijkt in een bonte zwerm feestvogels. Na haar volgt Ella’s moeder. In het witte mantelpakje met de hoog gesloten rode blouse lijkt ze wat op een feestkalkoen. Ze rent ook meteen klokkend in het rond, roepend, zoekend. Alsof ze een jong kwijt is, denkt Ella. ‘Otto is er niet,’ zegt haar vader op dat moment. Ze kijken verbaasd naar de chauffeur van de limo die het portier van zijn wagen sluit en weer achter het stuur plaatsneemt. ‘Otto zat niet in de limo, en hier is hij ook niet. Ella, kind, het gedonder gaat beginnen.’   Ella zit op een bankje onder een treurwilg en luistert verdoofd naar de opgewonden stemmen van de gasten. Gedachten aan Otto en het ongeval zoemen door haar hoofd, als vliegen onder een stolp. Moet ze zwijgen of moet ze spreken?   ‘Hoi daar, jij hebt je goed verstopt.’ Ella schrikt wanneer Mirthe, haar zeventienjarige, springerige nicht, naast haar neerploft op de bank. Ze kijkt naar Mirthes rode krullen en lange benen en ziet zichzelf, tien jaar jonger. ‘Ik wilde alleen zijn. Om na te denken,’ zegt ze. ‘Mij kun je er wel bij hebben, toch?’ Mirthes donkere ogen glanzen als opgepoetste kastanjes, alsof ze heeft gehuild. ‘Ik heb je raad nodig, Ella. Dringend,’ zegt ze. Ella schuurt haar handen over het hout van de bank tot de vochtblaasjes knappen. ‘Kan het een andere keer, Mirthe, alsjeblieft?’ Ze staat op, geeft een klopje op Mirthes hand en zonder naar haar om te kijken, gaat ze ervandoor. Op het grasveld voor het kerkje zit Anaïs als een scheefgezakte suikerfiguur tussen het romige wit van haar jurk, jammerend en vloekend. ‘Mijn Ottoman! Wat heb je het verkloot! De mooiste dag van mijn leven, om zeep! Daar zal je voor boeten!’ Ella loopt met een boogje om haar heen. Aan de achterkant van de kerk vindt ze haar vader, starend naar het lege landschap. ‘Pa,’ zegt ze en ze tikt op zijn schouder, ‘pa, ik moet je wat zeggen.’ ‘Ja?’ ‘Het feest zal niet doorgaan.’ Haar vader zucht diep. Zijn blik dwaalt in het rond. ‘Je kunt de gasten beter naar huis sturen, pa. Ik weet dat Otto niet meer komt.’ ‘Je moet erin blijven geloven, Ella.’ Ella blijft zwijgend naast haar vader staan. Tot zijn telefoon begint te trillen in zijn zak. Ella hoort haar moeders stem en wendt haar hoofd af. Ze bedwingt de neiging om als een klein meisje haar armen om haar vader heen te slaan. ‘Dag pa,’ mompelt ze. Hij ziet niet dat ze vertrekt.   MIRTHE Jona slaapt. Net als de vorige keren dat Mirthe bij hem zat. Een diepe, helende slaap noemt de dokter het. Ze zit op het bed, als een trouwe hond aan de voeten van het baasje, en kijkt naar de vlekken op zijn huid die geelgroen verkleuren. Ze streelt ze met zachte vingertoppen. ‘Slaap maar, lief,’ zegt ze. Ze duwt haar neus in het holletje tussen zijn hals en schouder en kust zijn zoute huid. ‘Bakvis in actie,’ zegt iemand achter haar en ze draait zich geschrokken om. Jokebed, de zus van Jona, staat in de deuropening. ‘Ik wil je intieme moment niet verstoren, Mirthe, maar ik heb mijn zonnebril nodig.’ Jokebed plukt de bril van het nachtkastje en schikt hem met een geroutineerd gebaar in haar haren. ‘En ik die meende dat het uit was tussen jullie.’ ‘Het komt weer goed.’ ‘Ik hoop het.’ Jokebed kijkt Mirthe aan. ‘Het zou beter zijn.’ Beter dan wat? Mirthe slikt haar vraag in, ze wil dat Jokebed weggaat. ‘Je hebt gelijk, het zijn mijn zaken niet,’ zegt Jokebed. ‘Doe maar gauw verder, want als hij wakker wordt, mag je niet meer.’ Ze lacht en trekt de deur achter zich dicht. Aarzelend streelt Mirthe Jona’s hand. Ze voelt geen weerstand, en ook geen ongeduld, maar het maakt haar niet langer blij. Ze schuift van het bed af en gaat op een stoel aan het raam zitten. Terwijl ze de juiste pagina zoekt in het boek dat ze aan het voorlezen was, merkt ze de onrust in Jona’s lichaam. Zijn oogleden trillen, zijn vingers knijpen in het laken en hij heeft een blos op zijn wangen. ‘Jona,’ fluistert ze. ‘Vos, hoor je me? Ben je wakker?’ Het boek valt met een bons op de grond. Op de gang klinken stemmen en het doffe geluid van wieltjes op het linoleum. Ze concentreert zich op de stilte in de kamer en houdt haar adem in. Jona hijgt en opent zijn ogen. Hij staart naar het plafond, knipperend, tranend. Ze schuift de stoel wat dichter naar het bed toe, vraagt weer of hij wakker is. Hij zegt iets, hees, onverstaanbaar. ‘Wat zeg je, Vos, ik versta je niet.’ ‘Het kwam door haar,’ zegt hij, ‘ze zat naast hem.’ Een hoestbui overvalt hem. Hij plooit dubbel en Mirthe grijpt naar de drukknop om de verpleging te roepen, bang dat hij erin blijft, maar dan is het moment voorbij en ligt hij weer neer, haar aanstarend met een heldere, maar afwijzende blik in zijn ogen. ‘Mirthe? Wat doe jij hier?’ vraagt hij. Het is de eerste keer dat hij haar naam uitspreekt sinds het ongeval en ze ziet en hoort dat er niets veranderd is. Hij moet haar niet meer en er is niets wat ze daaraan kan doen. Zijn blik wordt weer vaag en hij zakt langzaam terug in zijn droom. ‘Ze leek op jou,’ mompelt hij nog. ‘Wie, Jona?’ Zijn ogen vallen dicht. ‘Rode krullen en een groen hart om haar …’ Zijn stem stokt. ‘Over wie heb je het, Jona?’ Ze moet moeite doen om niet te roepen. ‘In de auto.’ Dan begrijpt ze dat Jona over het ongeval praat. Ze vraagt of hij zich de vrouw herinnert die hem aanreed. Maar hij slaapt. Een groen hart. ‘Net als Ella,’ zegt ze en ze schrikt. Ze denkt aan Ella die een jaden hart om haar hals draagt, die zich vreemd gedroeg op het feest, die zo maar verdween en sindsdien geen enkele oproep of sms heeft beantwoord. Ella die op haar lijkt. ‘Mirthe? Heb je geroepen, heb je iets nodig?’ De verpleegster die binnenkomt, kijkt bezorgd van Jona naar haar, ongerust. ‘Ja,’ zegt ze, ‘ik wilde net drukken.’ Met een bruusk gebaar toont ze de verpleegster de drukknop die ze al die tijd in haar hand had. ‘Jona werd wakker.’ ‘Heeft hij iets gezegd?’ wil de verpleegster weten. ‘De politie wil hem vandaag ondervragen over het ongeval.’‘Ik begreep niet wat hij zei,’ antwoordt ze en pas dan wordt ze gewaar hoe de tranen over haar wangen lopen. De verpleegster glimlacht. ‘Het is niets, meisje, het is de schok die doorwerkt. Alles komt goed,’ zegt ze. Een vluchtige gedachte krijgt vorm in Mirthes hoofd. Ze loopt de kamer uit, naar de grote hal beneden en zet haar gsm aan.   Vijf minuten nadat Mirthe haar een sms’je stuurde, belt Ella. ‘Wat betekent dat, Mirthe, dat bericht: Jona Vos groet Ella? Wie is Jona Vos?’ vraagt ze. Haar stem trilt. ‘Je kent hem. Je hebt hem ontmoet. De jongen met de brommer,’ zegt Mirthe, tussen elke zin naar adem happend. Ze drukt de telefoon zo hard tegen haar oor dat het pijn doet. ‘Ik denk het niet, Mirthe, nee, ik weet wel zeker van niet,’ klinkt het dunnetjes. ‘Toch wel, Ella, hij sprak over je.’ Het blijft stil aan de andere kant. ‘Hallo? Ben je daar nog? Zeg iets!’ eist Mirthe. Mensen draaien hun hoofd in haar richting. ‘Dat kan niet, Mirthe, wat je net zei. Dat is niet mogelijk. Die jongen is … het stond in de krant.’ ‘Foutje, Ella. We maken allemaal wel eens een foutje. Jona is niet dood!’ roept Mirthe. ‘En ik wil weten wat er is gebeurd!’ Weer blijft het lange tijd stil aan de andere kant. ‘Een mirakel,’ zucht Ella dan. ‘Er is een mirakel gebeurd. Ik heb om hulp gebeden en ik ben verhoord, Mirthe, mijn gebed heeft Jona geholpen.’ ‘Het enige wat Jona zal helpen is een bekentenis, een naam! De naam van degene die Jona bijna heeft vermoord!’ Mirthe ziet mensen naderen, mensen die hun armen naar haar uitstrekken, die zeggen dat ze moet kalmeren. Ze schreeuwt in haar telefoon, ze wil niet kalmeren, ze moet het weten. ‘Wie reed, Ella?’   Mirthe wacht tot de laatste bezoekers weg zijn voor ze Jona’s kamer binnengaat, een pluchen beer als een witte vlag voor zich uit dragend. ‘Had ik je niet gevraagd om hier weg te blijven?’ begroet Jona haar koel. ‘Ik moet je iets zeggen. Het is belangrijk.’ Jona blijft haar zwijgend aankijken. Er ligt een wrede trek om zijn mond. ‘Ik heb ontdekt wie je heeft aangereden en ik heb hem aangegeven bij de politie. Hij is gevlucht, maar ze sporen hem op.’ Ze zet de beer naast Jona op het bed. ‘Ik heb het voor jou gedaan,’ zegt ze. Jona kijkt haar met opgetrokken wenkbrauwen aan en lacht ongelovig. ‘Dat zal wel.’ Hij grijpt naar de afstandsbediening van de tv. Formule 1-wagens racen over het scherm, motorgeluiden vullen de kamer. ‘Hij heet Otto Heye.’ Ze moet luid praten om boven het lawaai uit te komen, maar valt stil wanneer Jona de tv uitzet. Ze blijft stil wanneer ze ziet hoe ongeloof, angst, woede over Jona’s bleke gezicht flitsen. Het onbehagen dat diep in haar verborgen ligt, al maandenlang, al sinds ze met Jona samen is, kruipt over haar huid en hoewel het warm is in de kamer, slaat ze haar vest dichter om zich heen. ‘Ik had nooit wat met je mogen beginnen,’ mompelt Jona. Zijn vingers krommen zich als klauwen in het lichaam van de beer. Nee, schudt Mirthe, zo hoort het niet te gaan. Hij moet dankbaar zijn, waarom is hij niet dankbaar? Jona gaat recht zitten. De beer valt op de grond. ‘Het was haar schuld!’ Hij praat te luid. ‘Zij zat daar plots, naast hem in de auto. Die vrouw. Ze leek op jou. Ik dacht dat jij het was!’ Mirthe raapt de beer op. Er zit spuug op zijn kop. Ze zet hem op de stoel naast het bed en kijkt naar Jona’s verwrongen gezicht. ‘Otto kon er niks aan doen. Ik reed hém aan, niet omgekeerd. Hij zou me nooit kwaad doen, hij niet, nee! Hij ziet wie ik ben. Mijn Ottoman.’ Jona wiegt zijn lichaam heen en weer. Mirthe staart naar hem en terwijl zijn woorden een weg zoeken in haar hoofd, daagt het haar. Daarom was hij zo kort, zo koel. Ze loopt naar de plek waar ze graag zat de afgelopen weken, haar plek aan Jona’s voeten. ‘Jij wilde toch weten hoe echte liefde voelt, Jona, vlinders in de buik, hoofd in de wolken?’ Ze slaat zo hard op het bleekroze deken dat het stof opvliegt: ‘Stop je kop dan maar in deze wolk en stik erin!’ Met geheven hoofd loopt ze de kamer uit en botst tegen een verpleegster die zich langs haar heen naar binnen haast. Een plastic bekertje vol pillen valt op de grond. Roze, blauwe, witte pillen. Pijnstillers.

Ines Nijs
0 0