Leo was een kleine kameleon.

Diep onder zijn vel zaten felle oranje, rode, gele, blauwe, groene en paarse tinten.

Kleuren zijn gevaarlijk, zeiden zijn mama en papa.

Je moet de kleur worden van de plek waar je bent.

Je moet je vel aanpassen aan andere dieren.

Zo blijf je goed verstopt.

En kan niemand je pijn doen.

Dat is ons geheim.

Als Leo in het bos was, werd hij dus groen en bruin.

Bij Lieveheersbeestje werd hij oranjerood en zwart.

In bad werd hij zo wit als het schuim.

Flink jongen, zei mama.

Je bent een kanjer, zei papa.

Leo voelde zich geen kanjer.

Onder zijn vel voelde hij het oranje, rood, geel, blauw, groen en paars tintelen.

Eén keer had Leo stiekem zijn kleurenpalet uitgeprobeerd.

Alle kleuren die in hem zaten, waren er in één keer uitgekomen.

Leo keek naar zichzelf in het grote meer aan het bos.

Hij sprong van opwinding en bleef maar lachen van geluk.

Dit wilde hij aan iedereen laten zien.

Maar buurman Kameleon had hem al gezien en vertelde alles aan zijn ouders.

Je blijft twee maanden binnen, zei papa.

En geen computer, zei mama.

Maar, zei Leo, jullie hebben geeneens mijn kleuren gezien. Ze zijn mooi.

Mijn oranje is nog meer oranje dan de zonsondergang.

Mijn rood is roder dan bloed.

Mijn blauw is blauwer dan de lucht op een zomerdag.

Mijn groen is groener dan pas gemaaid gras.

Mijn paars is paarser dan violet en purper tezamen.

Het is gevaarlijk. Punt uit, zeiden mama en papa.

En dus bleef Leo binnen en werd grijs : de kleur van zijn saaie bestaan.

Zijn huid jeukte.

Zijn lijf spande.

Hij kneep zijn ogen dicht en beet op zijn lippen.

Hij rolde zich op als een pasgeboren kameleon.

Zo hard deed Leo zijn best om niet te veranderen in een regenboog.

Hij voelde zich klein, heel heel klein.

Op een dag gebeurde het toch : Leo's kleuren ontploften als een bom uit zijn vel.

Daar stond hij : kleuriger dan tienduizend regenbogen.

Hij was bang en blij tegelijk.

Blij omdat alle kleuren er nog waren.

Bang omdat dit verboden was.

Grijs, grijs, grijs, dacht Leo, ik MOET terug grijs worden.

Maar de kleuren vlamden harder dan ooit.

En daar hoorde hij de sleutel in het slot.

Mama en papa waren thuis.

Leo spurtte naar de badkamer, draaide de kraan open en goot de hele fles badschuim in het water.

Leo, waar ben je, hoorde hij mama roepen.

In bad, piepte hij.

Wit, wit, wit, dacht Leo, ik MOET wit worden.

Mama en papa lachten toen ze Leo’s ogen zagen blinken in een grote wolk schuim.

Gekkerd, zei mama, waarom huil je ?

Toen zagen mama en papa het vage kleurenpalet onder de zeepvlokken.

Het gaat vanzelf, huilde Leo.

Mama tilde hem uit bad.

Haar stem trilde : ik…ik…ik wist niet dat jij zo’n wondermooie kleuren had.

Ongelofelijk, stamelde papa.

Ik wil ze zo graag laten zien, fluisterde de kleine kameleon.

Zal je dan voorzichtig zijn ? , vroeg mama zacht.

Altijd, riep Leo.

Je bent een kanjer, lachte papa.

En zo voelde Leo zich ook : een echte kanjer.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geschreven door DqM op 19/04/2016 - laatst aangepast op 16/01/2018

  • kinder- en jeugdliteratuur

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home