Lezen

Eindeloos

Zo nu en dan rol je weleens tegen een woord aan dat niet over een volwaardig synoniem beschikt. 'Dobbelsteen' bijvoorbeeld heeft alleen maar een achterlijk, ziekelijk broertje. Uitgemergeld, zwak en zieltogend, als een verstokte kettingroker met zware longproblemen. Te dom om te helpen dobbelen en onderhand allang verouderd en ten dode opgeschreven. Niettegenstaande hij vroeger met liefde werd geworpen, werd hij van kindsbeen af in elke klas de allerslechtste leerling: de teerling. De kwibus die voor elk vak zou zakken, in plaats van de kubus met zes regelmatige vlakken. Die kubus, door mij verafgood als de dobbelsteen, heeft evenveel ogen als de elf inwoners van het 'Land der Blinden', waar eenoog koning is. Eenentwintig dus. Na een worp gelden alleen de ogen die bovenaan liggen. Tegenover de 1 staat de 6, de overbuur van de 2 is de 5 en aan de andere kant van de 3 vind je de 4. Zes mogelijkheden. Ziezo, meer valt er voor de leek eigenlijk niet te weten over dit schijnbaar simpele speledingetje. Ogenschijnlijk, maar voor mij, in mijn soms wankele werkelijkheid, een wondermiddel.  Ik groeide op met een dobbelsteen in de hand. Verzot zijnde op resultaten en statistieken, misbruikte ik hem om hele voetbalcompetities te voorspellen. Verder liet ik plastic wielrennertjes op het tempo van het aantal ogen van een dobbelsteenworp voortbewegen op een vezelplaat waarop mijn broer een honderden vakjes tellend parcours tekende, vol bochten, versmallingen en verbredingen. Om 'Ronde van Frankrijkje' te spelen. Na elke rit noteerde ik de rituitslag en het nieuwe klassement. Geen uren, geen dagen, geen weken, maar jaren heb ik dat gedaan. Jaren. Lang geleden. De spelregels, waar ik me strikt aan hield, stelde ik zelf op en elk rennertje had de naam van een wielrenner uit die tijd. Mijn toenmalig idool in plastic was Lucien Van Impe. In mijn jonge jeugd heb ik veel vaker met een dobbelsteen gerollebold dan met om het even welk meisje. Ik ben nu 52. Bijna elke dag speel ik een spelletje met mijn vrouw. Jammer genoeg is het niet wat je denkt. Dik tien jaar geleden verleidde ik haar tot een onschuldig potje Yahtzee en sindsdien spelen we, behoudens ziekte, sterfte of ongeval, elke dag drie opeenvolgende partijtjes, goed voor ongeveer twintig minuten spelen, bijpraten, koffiedrinken, vloeken, (uit)lachen, plagen en standen noteren. Wie het eerst tien spelletjes wint, wint de 'boom', want zo gaat dat bij deze Vandenberk. Morgen beginnen we trouwens aan onze zeshonderdste boom. De stand, die hopelijk nog heel lang een tussenstand zal blijven, is voorlopig 334-265 in mijn voordeel, maar mijn echtgenote, alias mijn 'teerbeminde teerlinge' (in dit geval een onschuldig koosnaampje) geeft nooit op. Fanatiek filosofeer ik over mijn fantastische fascinaties: de dobbelsteen en mijn vrouw. Die laatste is veel minder oppervlakkig, maar toch zijn er overeenkomsten. Raakvlakken, als je wil. Mijn vrouw heeft ook ogen, prachtige exemplaren overigens, al zijn het er slechts twee. Ze vertelt honderduit over 1.001 dingen die haar bezighouden. Nooit saai, soms een tikkeltje verbazend, en toch, toch zal ze me nooit overdonderen of tilt doen slaan. Ze is verrassend en toch afgebakend, omdat ik haar zo goed ken. Ze is een dobbelsteen. Het onberekenbare is herleid tot 1, 2, 3, 4, 5 of 6 mogelijkheden. Nooit saai of gemiddeld, want het gemiddelde aantal ogen dat je kan gooien is drie en een half. Ik weet nooit precies wat er komt, maar het boezemt me geen angst in, integendeel, het is vertrouwd. Dat afgebakend verrassende, die onvoorspelbare voorspelbaarheid, daar hou ik van. Eindeloos.    

Danny Vandenberk
0 1

waar film is, schrijf ik

Na het bekijken van films voel je je belangeloosmaar toch ook geschikt voor wat het leven met jou in petto heeft.Het proces is nooit overbodig.Films kijken gebeurt geruisloos en moeiteloos.Waar ik meestal aandacht aan schenk,heeft zich al wel eens afgespeeld,maar we filmden het niet, het speelde geen rol van betekenis vereeuwigd te worden,maar hier is dat gevoel opnieuw,geschonken aan jou door het mediumdat jij op handen draagt.Na het bekijken van films voel je dat je soms gewichtlooslijkt te willen gaan zweven.Ergens naar de leegte, de 'niets-heid' van het één-zijn met onszelfwaar je net datgene voelt dat je zo ‘n lange tijd bij jezelf weghield:niets en niets dan onverschilligheid.Die keer dat ik zei tegen één van mijn dierbare vrienden‘ik voel me niet goed, ik voel me niet slecht, en het is net datdat me helemaal niets uitmaakt’was het de beschrijving van het verschrikkelijk lichte gevoeldie bijdroeg aan de 'niets-heid'.Nu is dat anders, is alles anders,en het gaat hem erom, voor de juiste verwoording te kiezenals het aankomt op mijn bestaaneven weer wat meer licht te gunnen.Ik schijn blind te zijn voor waar ik in mijn sterkte ga staan.Je moet jezelf niet telkens opnieuw doden.In je nabijheid, glinstert je verlangen het hardst.Verlangen naar de film-opvoeding van weleer.De all nighters van toen,de 4 keer Cinematek in de week iedere week.Film is mijn vader, mijn moeder, mijn broer,heeft me in zekere zin zo ook grootgebracht,verkent en kent mij,komt me toe waar nodig en laat me nog sudderen waar de blinde vlek nog een tijdje mag blijven.Waar film is, schrijf ik. Je bevindt je waar je aan kan denken. Dat kan in de tekst zijn, of in die zijn koortsdromen.Achter alles zit je, zelfs achter de clou. Daarna bestaat de ernst van de zaak er in, niet vergeten te worden. Het is net geen zaak van leven of dood.Die van de mislukte kunstenaar of het heldenverhaal. Om tot jezelf te komen, mag je niet ophouden met schrijvenover hoe jij in zekere verstandhouding met de tekst bestaat. De tekst kan in zich film dragen,zodat jij in je de tekst kan baren.Het gaat hem er om in zo’n vredig mogelijk bestaan ondergedompeld te wordendoor te schrijvendat het bijna helend een oplossing zou kunnen betekenenvoor wat jij al die tijd almet je meezeult:dat armzalig leventje dat de weg bijna kwijt was gespeeld. Met een armlengte voorsprong iets op het blad zetten, nog voor het vroeg om te mogen bestaan: poëzie.Met hetgeen tussen jou en mij in rekening houden en hoe we ons naar die afzonderingvan elkaar wegbewegen doorheen tijd, ruimte en materie zoals huid,om er een soort begrip mee te kunnen formuleren en daardoor de mogelijke wondes helen: poëzie. En ook: poëzie verachten, maar de deur erheen toch op een kier laten staan: poëzie. Poëzie is mijn baken van de hoop.Je wilt niet dat het altijd daarover moet gaan, daarom gaat het voorlopig nog altijd daarover. Ik was bijna vergeten, hoe licht ik werd en hoe futiel jij even leek,toen ik het scherm afzette.‘Welk scherm?’, vraag je je moe af terwijl je je uitrekt.… Gaat dit nog over de poëzie of was de film er niet lang genoeg?   

Dries Verhaegen
4 1

Moe

Als ik ooit zei dat ik moe was, wist ik niet wat ik zei. Misschien had ik vaak, of nood aan een dutje, desnoods was ik vermoeid door fysieke inspanningen. Vaak genoeg ga ik ’s avonds zonder enig gevoel van moeheid slapen, omdat dat nu eenmaal de conventie is. Dan ga ik liggen in een daartoe voorzien meubel, trek ik een deken over me heen en sluit ik krampachtig mijn ogen, in de hoop ’s morgens wakker te worden en zodus te hebben geslapen. Maar wanneer ik de volgende morgen wakker word, voel ik doorgaans het tegenovergestelde: ik open mijn ogen, met enige moeite, sta weer op uit het meubel, was me en steek voedsel in mijn mond, hoewel ik op dat moment niet de nood voel om op te staan, noch te eten. Vandaag ben ik dus vreselijk moe. Alle keren ervoor leken wel schimmen van deze moeheid, die de enige echte moet zijn. Alsof deze moeheid zich laat aankondigen en af en toe verkenners op pad stuurt. Alsof zij, na jaren bij iedereen eens op bezoek te zijn geweest, bij mij heeft aangeklopt en ik haar op een onbewaakt moment, toen ik bijvoorbeeld de krant uit de brievenbus wilde nemen, heb binnengelaten. Sinds die dag woont zij hier als een ongenode gast. Zij laat zich niet zien, maar doet wat zij wil. Zij ruimt niets op, laat de afwas staan, verzaakt ook maar iets productiefs te doen. Net als ik overigens, want ze heeft zich van mij meester gemaakt, ze heeft me ingekapseld als een soort onzichtbare mal, zodat ik mijn ledematen amper kan bewegen. Wanneer ik er dan toch in slaag me voort te bewegen, reageert mijn lichaam magnetisch op elk mogelijk meubel waarin je kan zitten of liggen, zoals zetels, stoelen, banken, krukjes en poefen. Hoewel ik een poging doe, is het een moeheid die zich niet in woorden laat uitdrukken. Zelfs mijn gedachten worden door haar gecontroleerd, in die zin dat ik moe word bij de gedachte om ook maar iets te doen, zoals een hap eten of naar het toilet gaan. Deze handelingen, samen met alle andere mogelijke handelingen die niet zitten of liggen of slapen zijn, lijken enkel te bestaan in een andere wereld, een wereld waarin de wakkeren vertoeven, diegenen die niet getroffen zijn door deze alles verterende moeheid. Wanneer dus zulke gedachten in mij opkomen, is dat een soort moeheid in een moeheid, een metamoeheid, want terwijl ik deze dingen denk, lig ik geveld in de zetel. Toch moet ik opstaan en mijn kinderen gaan ophalen van school. Ik probeer de plaid van me af te trekken door hem tussen mijn tenen te klemmen en met mijn voeten naar beneden te trekken, de rest van mijn lichaam is nog verlamd. Ik geeuw alsof ik de hele kamer wil opslokken. Waarom zouden we geeuwen? Dat is nog altijd niet terdege onderzocht, meen ik. Ik bemerk bij mezelf dat ik het doe om de moeheid die me in haar greep houdt er tevergeefs uit te duwen. Ik slof naar de badkamer. Ik kam mijn haar en ook daar is de moeheid neergestreken, als een hardnekkige lak. Verleidelijk kijk ik naar de douche, maar daar heb ik de tijd niet meer voor. Dan maar koud water in het gezicht. Daar schrikt ze van, maar ze klauwt zich onmiddellijk terug in mijn gelaat. In de keuken overweeg ik koffie, maar het zetten ervan lijkt te veel moeite. Ik heb nog net genoeg energie om een plak zalm op een stuk toast te leggen. Er is nog een halve avocado over, die ik er ook bij leg, samen met enkele dikke druppels hoisinsaus. Na enkele happen voel ik me beter, de moeheid lijkt weg te trekken. De energie die ik krijg van deze eerste hap doet me er nog eentje maken, en wanneer ik ook deze binnen heb, lijkt ze helemaal verdwenen. In een halve minuut ruim ik de tafel af, drink ik nog een glas water, poets snel mijn tanden, schiet mijn jas aan en neem mijn rugzak, waarin ik nog een na-schoolkoek en een boek-voor-het-wachten steek. Op weg naar de bus vraag ik me af of men moeheid kan bestrijden met umami.

Lennart Vanstaen
3 2
Tip

De schrik van de schrijver

Mensen die mij graag lezen, vragen zich weleens af of alles wat ik schrijf autobiografisch is.  Sta me toe dat ik heel even filosofisch word. De kwaliteit van je leven hangt af van de kwaliteit van je gedachten. Die hoeven heus niet altijd even verheven of hoogstaand te zijn, maar hoe positiever je denkt over jezelf, hoe leuker de wereld om je heen lijkt en hoe fijner je ervaringen worden. Misschien bepalen je eigen gedachten wel welke wereld je aantreft. Misschien is de wereld die je elke dag waarneemt gewoon de echo van hoe je denkt.  Tot zover de theorie. Het leven is zo afwisselend en onvoorspelbaar dat het fantastisch fijn en even later onrechtvaardig en keihard kan zijn. Dat is het hele aardappelen eten. Soms kan je van het ene moment op het andere in de puree raken en dan prakt de praktijk heel de theorie door mekaar. Wel, het leven van de schrijver is ook niet altijd een lolletje. De lezer hoeft daar niet per se van op de hoogte te zijn. De fan tast in het duister, maar de fantast in het duister ben ik. Ik overdrijf. Ik verdrijf doorgaans donkere gedachten. Doorgaans mag je letterlijk nemen. Een mens moet doorgaan. Altijd. Het kan heel bevredigend zijn om rechttoe rechtaan te schrijven over jezelf en over je leven. Dat doe ik dan ook heel frequent en met heel veel plezier. Als schrijver heb je nochtans de keuze. Of je schrijft over je leven zoals het is, of je vermijdt en leukt de boel wat op, of je wentelt jezelf in de negativiteit en maakt alles nog wat erger dan het in werkelijkheid is, of je vlucht in de fantasie. Dat zijn op z’n minst vier keuzes. Zoals een schilder over een palet beschikt om zijn verf te mengen, kan je als schrijver met enkele pennenstreken je eigen wereld creëren door bijvoorbeeld naar hartenlust te mengen met die vier keuzemogelijkheden. Ik zeg maar wat.  Dat vluchten in je fantasie doe je best niet overhaast of halsoverkop. Je verzint eer je begint. Niet panikerend, niet in het wild weglopend, maar stappend, anders ‘loop’ je het risico dat hetgeen je bedenkt van een bedenkelijk niveau is. Beredeneerd vluchten, dat is het. Er is immers geen dreiging. Je zit aan je schrijftafel en je ontsnapt terwijl je ontspant. Dat kan mentaal of met taal. Ik kan mezelf immers zo in taal verliezen dat het mentale als vanzelf op de achtergrond verzeild raakt. Ik ben een player. Niet met gevoelens, maar met taal. Schrijven is spelen. Met gedachten, met woorden ... Soms zo intens dat je min of meer in extase bent. Schrijven is vrijheid. Jezelf verliezen, spelen en vliegen, terwijl je schijnbaar saai op een stoel zit. Schrijven is dubbel, want terwijl je innerlijk volop leeft en beleeft, lijkt de wereld rondom je aan je voorbij te gaan en kan het aanvoelen alsof je iets mist, als je uit de trance van het schrijven komt en je merkt dat alles en iedereen een heel kleine beetje geëvolueerd is. Alsof het ware leven aan je voorbijgaat. Dat maakt me angstig. En de keuze tussen schrijven en niet schrijven enorm moeilijk. Passie voor het schrijven en passie voor het leven ... Ook al ben ik een man van uitersten, ik bewandel de gulden middenweg. En tussendoor beschrijf ik ‘m.         

Danny Vandenberk
77 6