Het Oog van de Yggdrassil
Het oog van de Yggdrasil
(Een vreemde politieroman)
Nico ‘TAFKA’ Wille
1
Het was zondagavond. Puffend en zwetend lag Joyce languit in haar zetel. Juli was zelden zo heet. Meer dan een oranje bikini had ze niet aan. Deze middag had ze nog een beachvolleybaltoernooi gespeeld samen met haar beste vriendin Noortje. Ondanks twee douches na de wedstijd en eentje thuis leek het onmogelijk haar lichaam af te koelen. Ze trok het zich niet meer aan want alles wat ze nodig had, stond of lag binnen handbereik op de salontafel. Er stond een fles cava, een bordje met wat blokjes kaas en salami en de remote control lag naast haar in de zetel. De teevee stond zoals gewoonlijk op Eén. Het was acht uur en de meest beroemde en beruchte macho en natuurmens verscheen in de eerste aflevering van ‘De baard van Bartel’ waarin hij extraordinaire reisjes maakte. Net zoals altijd kon hij het niet laten om zijn bovenlijf te ontbloten en in de gevaarlijke Amazone te duiken.
De ogen van Joyce plopten uit hun kassen en zochten zich een weg naar het televisiescherm waar ze op de stoere borstkas van de bebaarde presentator bleven plakken. Het zweet in haar navel borrelde op als een fontein die veel meer verklapte wat zou mogen. Joyce veerde op uit haar zetel en zette schoorvoetend en blootvoets koers richting koelkast waar ze prompt het deurtje van het diepvriesvakje open sleurde en ze ritste er een plastiek zakje gevuld met ijsblokjes uit. Ze zeulde het zakje mee naar het salon waar ze het openscheurde en er een blokje uit graaide. Ze legde het ijskoude snel smeltende steentje op haar navel en ze zuchtte. Ze greep het ijs vast en gleed ermee over haar buik en al vlug streek ze met het blokje over haar topje. Het ding werd kleiner en natter en haar tepels werden alleen maar groter en harder. Wanneer het ijsblokje tot klef smeltwater was gereduceerd trok ze haar topje uit en wandelde met haar rechterwijs- en middelvinger over haar tepelhofjes en kneep zachtjes in haar sappige roze tepels. Ze hijgde steeds sneller en ze liet haar vingers afglijden naar beneden waar ze zich schuil hielden onder het minuscule oranje slipje. Ze zochten naar het lekkere weekdier tussen haar satijnen benen. Het beestje had een naam met zes letters: a, ah, ahh, Ah, Ahh, Ahhhhh. Met haar vingers masseerde ze de zachte flapdeurtjes van haar feestzaal. Het zweet op haar met sproetjes bedekte gezichtje droop langs haar wangen en haar vuurrode haar kleefde tegen haar slapen en in haar nek. Ze hijgde nu onregelmatig en haar buikje leek te stuiptrekken. ‘Ah, Ahh, DINGDONG.’
Net voor ze haar hoogtepunt zou bereiken, werd ze verstoord door het irritante geluid van de deurbel. Ze stond kwaad op en opende topless haar deur en zag haar vriendin Noortje. Ze had een kort blauw rokje aan en een wit T-shirtje met een vreemd opschrift in gouden letters op. Noortje keek niet op van de ontblote boezem van haar vriendin. Ze wist dat het vuur van haar haar ook het vuur van haar karakter was. Maar een man met lang zwart haar, een grote bril met zwarte montuur, een joekel van een neus en gekleed in zwarte kleren fietste voorbij. Hij keek Joyce met opengesperde bek aan en draaide zijn hoofd in het voorbij rijden. Wat zou hij haar graag ge.. KNAL, BONK, BOING.. beft hebben. Maar hij reed ter ploffen op een geparkeerde wagen en tuimelde niet zo sierlijk als een dolfijn tegen het asfalt. Met zijn geplooide fiets en enkele gebroken tanden droop de man met een druipende tong en een broek vol ‘goesting ’af. Hij had geen pijn maar hij wist dat hij nu snel naar huis moest om te bekomen van het geile gevoel die die rosse vamp hem had bezorgd.
De twee jonge meiden keken de man met enig leedvermaak na en natuur besefte Joyce dat als je in de binnenstad woonde, je kon bekeken worden. Daar schaamde ze zich niet voor want ze had het meest perfecte lichaam en hield het voor weinigen verborgen. Ze had zelfs al naakt geposeerd om op de cover van een boek te prijken.
‘Kom binnen, Noor,’ zei Joyce geforceerd vriendelijk, ‘en ga zitten. Ik ga naar boven om een rokje en een shirtje aan te trekken. Neem gerust iets uit de koelkast om te drinken.’
De blonde vriendin installeerde zich in een zetel en wachtte geduldig tot Joyce terug beneden was om iets te drinken. Ze zag dat het beeld op de teevee stil stond en ze herkende de junglemens Bartel ook meteen. Ze wist meteen waarom Joyce halfnaakt en bezweet de deur opende. Ze had zichzelf verwend. Dat zag ze ook aan het zakje water op het salon tafeltje. Ze giechelde een beetje bij de gedachte dat Joyce had liggen spelen met een ijsblokje en kreeg eigenlijk ook zin om stout te doen. Iedereen kreeg zin als ze zo’n torso op het scherm zagen verschijnen. Noortje hield zich in en probeerde zich op datgene te concentreren waarvoor ze gekomen was. Even later stond Joyce netjes aangekleed in de salon. Ze had een ultra kort jeansbroekje aan en een rood T-shirtje. Aan de priemende tepels te zien, wist Noortje dat ze geen beha had aangetrokken. Maar wat maakte het uit wat ze onder haar shirt wel of niet droeg. Ze zag er wel opvallende fris uit. Even haar kop onder het kraantje en haar rode haren netjes geborsteld en ze zag er weer uit om te stelen. Mocht Noortje lesbische zijn, dan had ze haar vriendin graag verwend met haar tong. Maar Noortje is strikt hetero.
‘Wat brengt jou hier?’ vroeg Joyce.
‘Bartel Van Riet en een zakje met ijswater…,’ zei Noortje.
‘Oh, krijgt mevrouw ook zin in vurige seks? Ben je daarom hier? Hier zijn nu geen venten, hoor,’ merkte Joyce op.
‘Nee, ik ben hier niet om te seksen,’ zei de blondine en ze haalde een gouden medaille tevoorschijn vanonder haar T- shirtje.
‘De gouden medaille van de Europese kampioenschappen pétanque in Flanders expo…’ zag Joyce.
‘Ja, jouw medaille,’ zei Noortje.
‘Ben je speciaal daarom gekomen? Die had ik later wel van jou gekregen,’ antwoordde Joyce.
‘Blijkbaar heb je bij het vingeren ook jouw geheugen gewist,’ zei Noortje.
‘Ik heb helemaal niet ge…,’ loog Joyce.
‘Maar je bent dan toch vergeten dat we morgen naar Meulebeke moeten om een demonstratiewedstrijdje pétanque te spelen, ‘zei Noortje.
‘Is dat morgen? Ja, dat was me ontgaan,’ zei Joyce.
‘De voorzitter van pétanqueclub Ter Schreeve verwacht ons morgenmiddag om half drie,’ zei Noortje, ‘en de volgende dag spelen we in het sportcentrum om de Belgische titel.’
‘Rijden we dan over en weer naar dat boerengat?’ vroeg Joyce.
‘Nee, we overnachten bij mijn vriend zijn ouders,’ zei Noortje.
‘Oh ja, die gozer van jou komt van daar. Kun je met jouw Titus nog eens lekker van de grond gaan,’ lachte Joyce.
‘Die komt pas dinsdag weer thuis, ‘zei Noortje geprikkeld, ‘dat heb ik je deze middag tijdens het volleyen nog verteld. Jouw geheugen is vandaag een heuse zeef. Komt dat door Bartel of door die ijsblokjes?’
‘Hoe weet jij dat van die ijsblokjes?’
‘Titus zal dinsdag weer maar eens drie maanden weg zijn geweest en ik heb in die periode…’
‘…Hoe jij het zolang zonder een lange vinger in je koekjestrommel kan uithouden, begrijp ik niet,’ onderbreekt Joyce haar vriendin.
‘…Laat me toch uitspreken. Ik wou je net vertellen dat ik ook al eens een ijsblokje heb doen smelten. Of ik gebruik een roze plastieken koekje,’ giechelt Noortje, ‘maar ik vind dat jij ook wel eens werk mag maken van een vaste vriend. Met al je scharrels van de laatste weken..’
‘Zeg me eens welke man me aankan, Noor.’
‘Die blonde flik van vorige week op het petanquetoernooi. Die had een oogje op jou en ik moet zeggen. Het is een bink die me ook zou kunnen krijgen, mocht..’
‘…je niet samen zijn met die Arnold Zwarteneger van jou. Hoelang blijft jouw schatje thuis na dinsdag? En je hebt gelijk. Misschien moet ik dan toch mijn kans wagen bij die flik. Met zijn lange blonde haren en zijn stralend blauwe ogen en zijn afgetrainde body lijkt hij wel als twee druppels water op Bratt Pitt. Waar zou hij uithangen tijdens zijn vrije uurtjes?’
‘Titus blijft na zijn werk in Dubai een maandje thuis. Dan blijf ik ook bij hem en zijn ouders inslapen.’
‘Slapen? Alle dagen die feesttent in met die trompet… hi hihi,’ plaagde Joyce.
‘Behalve als de marsmannetjes hun invasie houden. Waar die flik zich ophoudt tijdens het weekend? Ik heb hem wel al eens gezien in ‘Het Krochtje’ nabij de Sint- Baafs. Zullen we straks een kijkje nemen?’
‘Goed idee. Zijn we dan meteen weg?’
‘Waarom niet.’
Een dik halfuur later duwden ze de piepende deur van een bruine kroeg open. Joyce was er nog nooit geweest ondanks het feit dat ze al haar ganse leven in Gent woonde. Ze vond de andere drankgelegenheden op de Korenmarkt gewoon beter. Noortje kwam er vaker.
Ze zochten een verdoken plaatsje in een hoek van het café. Het was er klef maar aangenaam druk. Ze bestelden allebei een Appolinaris Orange want de avond was nog jong en alcohol vermeden ze zoveel ze konden. Joyce keek rond en keurde de andere stamgasten.
‘Veel jonge mannen zijn hier niet, he en de vrouwen die hier zitten lijken wel loslopend wild,’ merkte Joyce op.
‘Ben jij niet ook een beetje loslopend wild, Joyce?’ vroeg Noortje plagerig.
‘Ha haha. Misschien. Maar hoe dan ook zie ik die knappe flik hier toch niet en ik vermoed dat hij niet naar een stinkende bruine kroeg als hier afzakt. Dat zal je wel miszien of -begrepen hebben,’ zei Joyce.
‘Je kan gelijk hebben. Misschien was het iemand anders die ik enkele weken geleden heb gezien.’
‘We drinken ons glas leeg en we gaan naar huis en dan zie ik je morgen als we naar het hol van Pluto vertrekken.’
‘Da’s goed. Ik kom je morgenmiddag om één uur oppikken.’
‘Afgesproken.’
De twee dames veerden recht uit de stoeltjes en begaven zich naar de deur. Maar net wanneer ze die wilden openen, kwam een kerel de zaak binnen. Hij had zijn uniform nog aan. Joyce schrok en keek hem aan en Noortje kneep zachtjes in de billen van haar vriendin. De blonde adonis verontschuldigde zich. Joyce accepteerde zijn excuus.
‘Gaan jullie nu al weg, knappe dames?’ vroeg de man, ‘Drinken jullie nog iets van mij?’
De meisjes aanvaardden het aanbod van de kerel en even later zaten ze aan het tafeltje waar ze zonet ook hadden gezeten. Ze bestelden alle drie iets fris. De man was stil en keek de vrouwtjes met enige verlegenheid aan en het viel op dat hij vooral naar Joyce tuurde. Noortje bracht haar zwoele lippen naar het linkeroor van haar vriendin.
‘Ik denk dat je touche hebt, schat,’ fluisterde ze.
‘SSST.’
‘Ik ken jullie van ergens,’ zei de man plots, ‘niets zeggen. Ik kom er wel op.’
‘Wij hebben jou ook al eerder gezien, ‘antwoordde Joyce, ‘jij bent hier politieagent. Is het niet?’ vroeg Joyce.
‘Nu weet ik het weer, ‘antwoordde de blonde vent, ‘jullie zijn Europees kampioen in het pétanque spelen. En ik die dacht dat pétanque een spel was voor de vereniging zonder tanden en voor mensen op de rand van de rollator. Nooit kwam het in me op dat er ook knappe dames als jij zouden pétanque spelen. Ja, ik was tot vrijdag agent in Gent. We zitten hier nu al een kwartier en we hebben elkaar nog niet voorgesteld. Ik ben Jeb.’
‘Ik heet Joyce.’
‘Noortje.’
‘Ben je gestopt als wethouder?’ vroeg Joyce.
‘Nee, maar ik word maandag samen met mijn collega Charlotte overgeplaatst naar de politiezone Midow,’ antwoordde Jeb.
‘Waar is dat?’ vroeg Noortje.
‘Dat is een zone in West-Vlaanderen bestaande uit de gemeenten Meulebeke, Ingelmunster, Dentergem, Oostrozebeke en Wielsbeke.’
‘Toeval bestaat dus wel. Wij spelen morgenmiddag een exhibitietoernooi in Meulebeke.’ Zei Joyce, ‘ je kan misschien komen loeren.’
‘Daar zal ik waarschijnlijk geen tijd voor hebben, Joyce. Maar mag ik jullie vragen wat jullie doen voor de kost?’ vroeg Jeb.
‘Natuurlijk. Ik ben fulltime fotomodel, ‘ antwoordde Joyce.
‘Wat een domme vraag van mij,’ zei Jeb, ‘natuurlijk is een knappe dame als jij fotomodel.’
Joyce gezichtje liep rood op tot over haar kleine oortjes. Noortje glimlachte goedkeurend.
‘Ik werk parttime als verkoopster in de Zweedse meubelzaal nabij Flanders Expo,’ zei Noortje.
‘Dan zal ons gezellig samenzijn van deze avond eenmalig zijn, vrees ik,’ zei Joyce.
‘Dat hoeft niet waar te zijn, ‘ zei Jeb, ‘ik kan nog altijd eens naar Gent komen, he. Of jullie naar Meulebeke.’
‘Ga je dan in Meulebeke wonen?’
‘Ja, in een klein appartementje rechtover het commissariaat.’
Het gesprek werd aangenamer met de avond en plots haalde de politieagent uit zijn blauw hemdje een prachtige amulet. Het was een gouden ketting met daaraan een prachtig oog met gouden wimpers, prachtige blauwe irissen en een pupil waarvan leek alsof het echt kon kijken.
‘Dat is voor jou,’ zei Jeb tegen Joyce,’ het zal je geluk brengen.’
‘Wat is het?’ vroeg Joyce.
‘Dat is het oog van de Yggdrasil.’
‘Wat?’ vroeg Noortje.
‘Het oog van de Yggdrasil. Het is een Noorse legende waarbij de Yggdrasil een boom is die beschouwd wordt als het begin van alle leven op aarde. Het oog zou een oog van de Noorse oppergod Odin zijn. ik heb het gekocht tijdens een reis naar de Noorse Lofoten.’
‘Wat ben ik blij dat ik dat van je krijg. Geeft je dat niet liever aan jouw vrouw of vriendin?’ vroeg Joyce.
‘Ik ben vrijgezel,’ antwoordde Jeb, ‘en rond jouw mooie hals zal het niet misstaan.’
‘Dank je.’
Joyce stond recht en ging naar Jeb toe en kuste hem op de wang. Mocht Noortje hier niet zijn, was ze verder gegaan. Jeb begreep dat hij met het sieraad de hoofdvogel had afgeschoten. Maar hij stond op.
‘Ik moet er nu echt vandoor, meisjes, ‘zei hij, ‘ik moet morgenochtend om zes uur op het commissariaat van Midow zijn. Hopelijk zien we elkaar vlug terug.’
‘Je bent ook altijd welkom bij me thuis, Jeb, ‘ zei Joyce.
Jeb kreeg een kleurtje en gaf de twee meisjes een avondzoen. Aan Joyce gaf hij nog een kaartje met zijn telefoonnummer en Joyce trakteerde Jeb op een foto uit haar tas. Eventjes later vertrokken ook de grietjes richting huiswaarts.
2
De klok sloeg één keer en de bel ging over. Joyce opende het portiek en zag haar vriendin Noortje gekleed in een lichtblauw jurkje bedrukt met roze bloemetjes. Zijzelf had een donkerrood rokje aan en een schattig wit bloesje. Noortje zag dat haar vriendin dit keer wel een beha had aangetrokken. Dat kon ze doorheen het dunne hemdje zien.
‘Ben je er klaar voor , Joyce?’
‘Ja, ik ben benieuw tegen wat voor losers we zullen moeten spelen.’
Driekwartier later parkeerde Noortje haar zwarte Citroën C1 aan een groot gebouw in de Bonenstraat te Meulebeke. De twee stapten uit en keken teleurgesteld naar de gele muren.
‘Dit is een rusthuis,’ zei Joyce.
‘Is dat een probleem voor jou, mevrouw?’ vroeg Noortje.
‘Heuh, neen.’
De twee stapten door de geautomatiseerde glazen schuifdeur en Noortje begeleidde haar vriendin als een gediplomeerde gids naar het cafetaria. Ze openden de bleke houten deur.
‘Jij bent hier nog geweest,’ merkte Joyce op.
Noortje knikte. Achter de toog stond een klein mannetje die met zijn kanjer van een neus amper boven de tapkast stak. Hij had kort plat zwart haar en enkele grote oren. Proportioneel klopte zijn lichaam helemaal niet. God had hem op een maandag in een dronken bui geschapen. Joyce sprak de gnoom aan.
‘We zijn op zoek naar de voorzitter van de pétanqueclub,’ zei ze.
‘Robert Verkerk. Die zit hier aan de voorste tafel met zijn rug naar hier gekeerd,’ antwoordde de kleine man.
‘Merci. Breng ons dan iets te drinken. Heb je Appolinaris?’
‘Ja.’
‘Breng ons dan twee spuitwaters.’
De meisjes keken naar in de verbruikersruimte. In het midden stonden drie lange tafel en tegen het venster waar twee tandeloze oude besjes een lauwe koffie slurpen, stond een tafel met vier stoelen. Er stond ook nog een tafeltje van vier helemaal achteraan en tegen de muur links stonden vier zetels en een laag salontafeltje. Aan de muur hing een bord waar een lijst met namen op kleefde. Er waren ook enkele foto’s te zin. Joyce begreep meteen dat de namen die waren van de leden van de pétanqueclub en de foto’s waren de clubkampioenen van de afgelopen jaren. Ze vroeg zich af of ze tegen één van die kampioenen zouden moeten spelen. Noortje een Joyce stonden plots naast een grote grijsharige man en begroetten hem.
‘Zijn jullie de Europese kampioenen?’ vroeg hij heel vriendelijk,’ ga alstublieft zitten, dames.
‘Dank je. Waar vindt de wedstrijd plaats, mijnheer?’ vroeg Noortje.
‘Gewoon hier buiten. We zijn in ieder geval blij dat jullie op onze uitnodiging zijn ingegaan,’ zei de man, ‘en je hoeft me geen mijnheer te noemen. Robert is mijn naam.’
‘En ik ben Joyce Termond.’
‘Noortje Verhoye.’
Naast de voorzitter zat nog een oudere man en hij knikte tevreden.
‘Dat ik dat op mijn vijfentachtigste nog mag meemaken. Een wedstrijd met kampioenen,’ zei hij terwijl hij zijn rechterhand naar de meisjes reikte, ‘Ik ben Jaak Destadsbaeder en ik heb de vereniging vijfentwintig jaar geleden gesticht. Robert is mijn opvolger.’
‘Speel jij mee, Jaak?’ vroeg Noortje.
‘Niet vandaag. Maar tijdens de gewone competitie wel.’
‘Fijn. Tegen wie nemen wij het dan op, Robert?’ vroeg Joyce.
‘Tegen Walter Rochers en Pieter Slangen. Walter is onze beste speler en Pieter speelt mee omdat niemand het aandurfde om de Europese kampioenen te bekampen.’
‘Zijn die al hier?’ vroeg Noortje.
‘Die zijn al aan het trainen op ons veld,’ zei Robert.
‘Dan kunnen we beter meteen kennis maken,’ zei Joyce.
‘Lijkt me een goed idee, ‘zei de voorzitter,’ volg me.’
Eenmaal buiten keek Joyce met grote ogen naar het decor waar ze zou spelen. Links van haar stond het grote gebouw waar wellicht een zestigtal bejaarden in huisden en rechts zag ze de begraafplaats. Het pétanqueterrein was groot en bestond uit zes banen. De eerste banen waren bedekt met een kleine tribune die volgestouwd zat met oude mannen en vrouwtjes met krullend grijs haar en gezichten vol rimpels. Op één van de banen stonden twee mannen en ze gooiden hun metalen ballen richting een klein balletje, het consonnetje. Robert wees naar hen.
‘Dat zijn jullie opponenten, dames, ‘zei hij, ‘laten we het veld betreden.’
Joyce en Noortje bekeken de mannen die nog steeds aan het oefenen waren. De ene was een dik klein ventje met een kaal hoofd en een grijswit baardje. Hij zag er behoorlijk potig uit en Joyce deed hem denken aan die gespierde uit de ‘Suske & Wiske’- albums. Hij had een blauwe jeans en een wit T-shirt aan. De andere man was niet groten en hij had golvend donkergrijs haar en leek van verre op Johny Voners. Ze keken toe hoe ze speelden en Joyce zag dat Jerommeke er wel verstand van had en dat hij wel eens de terechte clubkampioen zou kunnen zijn. Den Johny bakte er maar weinig van althans wat pétanque spelen betreft. Ze hoorden hem wel continu zeuren tegen de potige kampioen.
‘Je moet die bal hoger gooien, verder gooien. Ik ga die bal van jou wegknallen,’ hoorden ze die zeggen.’
Het hoofd van de kampioen liep rood op. Dat kon door de stralende zon komen. Toch geloofden dat het gezeur van Pieter de echte reden was. De twee mannen stopten met trainen en begroetten Joyce en Noortje. De voorzitter stond naast hen.
De mannen drukten de handen van de dames. Walter keek hen aan en wist dat het een haast onmogelijke opdracht zou worden om tegen hen te winnen. Hij was bezeten van het spelletje en was gaan kijken tijdens het Europees kampioenschap te Gent. Hij wist hoe goed ze waren. Pieter was niet onder de indruk van de twee knappe jonge meiden.
‘Ik ben een volleerd speler, ‘pochte den Johny.
Er werd getost en de mannen mochten de wedstrijd aanvatten. Walter gooide zijn bal tot op een centimeter van het kleine consonnetje. Het was de beurt aan Joyce en die mikte naar de blinkende bal van Walter en schoot deze weg. Haar bal bleef liggen. Pieter probeerde het ook eens en miste haar bal. Ook een tweede poging van Pieter strandde op een kilometer van de zilveren bal van Joyce. Zo volleerd bleek Pieter dan toch niet. Met zijn nooit rustende tong wel maar al puntje bij paaltje kwam, had hij er toch niet zoveel kaas van gegeten.
Walter raakte die wel bij zijn poging maar zijn bal knalde ook buiten het terrein. De mannen hadden nog twee ballen. De meiden nog vijf. Wanneer de eerste beurt achter de rug was stond het meteen 4-0 in het voordeel van de juffrouwtjes.
Er werden uiteindelijk drie spelletjes gespeeld. Joyce en Noortje vernederden de heren met drie maal 13-0. Walter stapte sportief naar de dames en feliciteerde hen.
‘Ik wist dat we geen schijn van kans hadden, ‘zei hij,’ jullie zijn terechte kampioenen.’
‘Jij speelde nochtans niet slecht,’ zei Joyce, ‘met jou in onze ploeg hadden we ook Europees kampioen kunnen worden.’
Pieter droop af van het terrein zonder de twee vriendin een blik waardig te schenken. Hij kon blijkbaar niet verdragen dat twee meisjes beter waren dan hij.
Na afloop bleven Joyce en Noortje in de kantine nog wat nakeuvelen met de voorzitter, mijnheer Destadsbaeder en Walter. Ze zagen dat Pieter plaats had genomen naast een oude ultralelijke oude man. Joyce zag hoe ze aan het kletsen waren als echte wijven. Wat ze vertelden, begreep ze niet. Ze praatten te stil. Als ze had kunnen liplezen, herkende ze het woord Las Vegas, maar daarover kon het gesprek niet gaan. Het ging wel over zijn verlies tegen ons, veronderstelde Joyce. Noortje en Joyce bleven nog een uurtje en van de voorzitter kregen ze een envelop met de onkostenvergoeding. Met een stevige handdruk namen ze daarna afscheid van elkaar.
Joyce en haar vriendin stapten in hun wagentje.
‘Waar gaan we nu heen?’ vroeg Joyce.
‘Naar het huis van mijn toekomstige schoonouders in de Gentstraat,’ antwoordde Noortje,’ het is nu bijna vijf uur. Zijn ouders zullen ons al verwachtende zijn.’.
‘Oké. Wat vond van de wedstrijd?’
‘Leuk, maar ik had wel te doen met Walter. Zo’n afgang en alleen maar omdat die andere er niks van bakte. Misschien hadden we voor een spelletje de teams moeten shuffelen.’
‘Ik had met die zeur van een Pieter niet willen spelen, hoor.’
‘Je hebt gelijk. ik ook niet. Heb je gezien dat hij zelfs vals zou durven spelen?’
‘Ja, natuurlijk. Hij prutste maar al te gaarne met het scorebord.’
Even later reed Noortje een oprit van een imposante villa op. Joyce keek met open bek. Het was eerder een kasteel dan een villa maar dan wel een modern kasteeltje. De blondine vertelde haar dat haar schoonpapa notaris was van de gemeente. Joyce luisterde met halfgesloten oren. De luxe dat het huis uitstraalde, verblindde en verdoofde haar. Ze stapten uit en belden aan. Een knappe dame van om en bij de vijftig deed open.
‘Noortje en…?’ zei de vrouw.
‘Joyce Termond.’
‘Zoals jullie burgemeester?’
‘Ja, maar dan met een d,’ zei Joyce.
‘Kom binnen, dames. Ik ben Romina, de moeder van Titus. ’
Joyce keek haar ogen uit. Het huis was zo mooi. De living glansde als een spiegeltje. Alle muren waren wit en hier en daar hingen replica’s van meesterwerkjes zoals een schilderij van Dali. En aquarelletjes waarvan ze de artiest niet van kende. Er stonden ook Afrikaanse beeldjes. Het was een groot vertrek. De woonkamer, de salon en de keuken liepen in elkaar afgescheiden met een witte muur van een anderhalve meter hoog. Wanneer ze door het grote venster keek, zag ze een groot zwembad in de vorm van een acht.
‘Wat een prachtig huis en een zalig zwembad,’ zei Joyce, ‘ jij bent met je gat in de boter gevallen, Noor.’
‘Dat ben ik ook, Joyce, ‘zei de vrouwe des huizes, ‘ ik was ook maar een gewoon poetsvrouwtje toen ik mijn man leerde kennen. Het oude idee dat klassen niet vermengd mogen worden is allang achterhaald. Nu telt alleen nog de ware liefde. Ga zitten, meisjes.’
‘Kunnen wij ons eerst een beetje verfrissen, mama,’ zei Noortje.’
‘Natuurlijk, schat. Wat denk je van een duik in het zwembad?’
‘Graag, maar wij hebben geen zwempak bij, hoor, ‘ zei Noortje.
‘Duik er dan in jullie blootje in, Noortje. Dat doe ik ook regelmatig en dat is echt zalig.’
Joyce antwoordde niet maar haar gezichtsuitdrukking verborg geen geheimen.
‘Is het dan toch een fabeltje wat men zegt over roodharige meisjes?’ vroeg Romina.
‘Wat bedoel je?’ vroeg Joyce.
‘Dat jullie aangetast zijn door het onblusbare vuur. Men zegt altijd dat rosse kopjes ontembaar zijn in bed en helemaal niet preuts.’
‘Dat is waar, he Joyce,’ merkte Noortje op, ‘en waarom zouden wij ons niet riskeren in het zwembad. Er kan ons niemand zien.’
‘En jouw man, Romina. Wat zal hij zeggen als hij twee naakte meiden in zijn tuin ziet?’ vroeg Joyce.
‘Mijn man? Die zit nog minstens tot vanavond om tien uur in zijn kantoor in de Barnumstraat.’
‘Daar maak jij je zorgen over, Joyce?’ vroeg Noortje, ‘ de vrouw die al naakt voor een boek poseerde.’
‘Hoe je bek, Noor,’ zei Joyce kwaad,’ wat moet Romina nu niet van me denken ?’
‘Maak je toch geen zorgen,’ zei Romina, ‘wat mooi is mag gezien worden. Ik zou ook naakt poseren mocht ik zo mooi zijn als jij.’
‘Dank je, mevrouw,’ antwoordde Joyce.
‘Zou ik ook een foto van jou mogen nemen, Joyce?’ vroeg Romina.
‘Naakt?’
‘Uiteraard.’
‘Nou, liever niet, Romina,’ zei Joyce, ‘ik vind het nogal raar. Waarom wil jij me zo graag naakt?’
‘Kom maar eens mee met mij,’ zei Romina.
Het trio verliet de woonkamer en namen de trap naar boven. Romina opende de eerste de beste deur. Joyce en Noortje keken in een gigantische slaapkamer met een enorm witkleurig bed met witte lakens. Romina wees naar een schilderij boven het bed ende twee jonge meisjes keken ernaar.
‘Ja, dat is echt mooi. Maar waarom doe je ons kijken naar het portret van een naakte vrouw?’ vroeg Joyce.
‘Kijk maar eens goed.’
‘Maar dat ben jij, ma?’ merkte Noortje na een vijftal minuten goed kijken, ‘wie heeft dat geschilderd?’
‘Dat heb ik zelf gemaakt. Mijn man heeft van mij een foto gemaakt zo’n tien jaar geleden en ik heb daar een schilderij van gecreëerd.’
‘Wil je me daarom uit de kleren?’ vroeg Joyce,’ om een aquarel van mij te maken?’
‘Ja, wat dacht je anders? Ik ben niet lesbisch, hoor, ‘ zei de oudere dame.
‘Dan wil ik me toch opofferen,’ zei Joyce.
‘Jij ook, he Noortje?’ vroeg Romina.’
‘Voor mij is het de eerste keer hoor dat ik voor een foto naakt poseer.’
‘Je zal het niet eens merken dat je in je blote kont staat,’ zei Romina.
‘Doen we het hier?’ vroeg Joyce.
‘Nee, kom maar mee naar de tuin,’ zei Romina.
Even later stonden Noortje en Joyce spiernaakt aan de rand van het zwembad. Romina had een mooie grote camera vast.
‘Die foto’s zijn alleen maar voor jouw ogen bestemd, he Romina. Ze zullen toch niet op het internet verschijnen?’ vroeg Joyce.
‘Natuurlijk niet. Die verstop ik op een hele veilige plaats. Mijn camera verdwijnt samen met de kiekjes in een gesloten koffer. Zelfs mijn man kan die niet openen.’
‘Zullen we dan maar? ’vroeg Noortje.
‘Ja, natuurlijk,’ zei Romina, ‘Joyce, wil jij op je zij op de strandstoel gaan liggen? Noortje, jij wacht nog een beetje. Straks is het aan jou.’
Joyce ging als een volleerd fotomodel liggen zoals Romina had gevraagd. Noortje keek haar vriendin aan.
‘Wat ben jij mooi, schat, ‘zei Romina,’ die prachtige kleine borstjes en die roze tepels. Het wordt geen makkelijk schilderij. Jij hebt overal van die schattige sproetjes. Hef jouw rechterknie wat op, Joyce.’
De camera draaide in overuren. Joyce nam verschillende verleidelijke standjes aan. Maar de foto’s bleven netjes en haar schaamlipjes bleven van het kieken gespaard. Toen was het de beurt aan Noortje.
‘Jij hebt heerlijke grote borsten en grote bruine tepels, Noor,’ zei Romina, ‘ik kan best begrijpen waarom mijn zoon verlekkerd op jou is.’
Ook Noortje werd onderworpen aan verschillende poses maar ze was veel nerveuzer dan Joyce en dat merkte Romina wel. De vrouwe des huizes zweeg echter. Het was al een succes die twee naakt te krijgen.
‘Ga eens staan, Noortje en omarm Joyce.’
Met de borsten tegen elkaar of Noortje met haar tieten tegen de rug van Joyce. De foto’s waren stuk voor stuk meesterwerkjes en vooral heet.
‘Wil jij foto’s van mij nemen, Joyce?’ vroeg Romina plots.
‘Als jij dat wilt.’
Romina trok ook haar kleren uit en de meisjes keken haar met weidse ogen aan. Haar borsten waren nog stevig voor een vrouw van haar leeftijd alleen had ze haar kut toch wat mogen bijknippen.
De fotosessie liep op zijn einde en de meisjes namen nog een frisse duik in het zwembad gevolgd door Romina. Niet veel later trokken ze hun kleren terug aan en gingen ze aan de keukentafel zitten. Romina had deze middag stoofvlees klaargemaakt. Al wat ze nog moest doen, was het boeltje opwarmen en frietjes bakken. Ze genoten van de heerlijke maaltijd. Samen deden ze de afwas en daarna gingen ze nog wat zitten in het salon.
‘Wat gaan jullie nog doen, schatjes?’ vroeg Romina.
‘Ik ga met Joyce nog eens naar het stamcafé van Titus. Het wordt zeker niet later dan twaalf, hoor.’
‘Jullie hebben gelijk. geniet nog maar een beetje van de avond. Het is nog maar halfacht en op de teevee spelen ze toch alleen maar herhalingen van de herhalingen. De sleutel zal zich onder de mat bevinden. Wees wel stil als je thuiskomt, mijn man zal liggen slapen.’
Noortje en Joyce hadden geluk want er was nog maar één tafeltje vrij op het terras van het café op de markt. Het duurde wel ongelooflijk lang vooraleer er iemand de bestelling kwam opnemen. Joyce besloot om het spul zelf te halen en kwam terug met twee mojito’s.
‘Weet je wie er in het café zat?’ vroeg Joyce toen ze terug ging zitten.
‘Nee, natuurlijk niet, ‘zei Noortje.
‘Die zeur van een Pieter Slangen. Hij zag er behoorlijk bezopen uit,’ lachte Joyce.
‘Hij verdrinkt zijn verdriet, zeker.’
Wanneer de meisjes op hun gemak aan hun mojito zaten te nippen, hoorden ze aan een tafel in de buurt een luidruchtig gesprek. Aan enkele tegen elkaar geschoven tafels zaten zes mannen en twee dames en Joyce ving het woord ‘Berenfeesten’ op.
‘Weet jij wat dat zijn? De Berenfeesten?’ vroeg Joyce.
‘Ik heb daar al eens van gehoord via Titus. Naar het schijnt is dat de hoogdag voor bedpanpissers. Op een podium treden dan afgedankte zangers op die zo vals als het maar kan hun hits ten berde dragen. Het publiek dat bestaat uit rollatorgebruikers merkt die valse noten toch niet op want ze hebben behalve rollators ook allemaal slecht afgestelde gehoortoestelletjes in,’ zei Noortje.
‘En dat noemen ze hier feesten?’
‘Voor die gepensioneerden die naar gedroogde zeik rieken wel. Voor jonge mensen zoals ons moet dat een foltering zijn voor het gehoor en de neusvleugels. Maar het is niet te verwonderen dat het feestcomité houdt van martelingen,’ zei Noortje.
‘Hoezo?’
‘De twee belangrijkste pionnen heten volgens Titus Vergrote en Matson. Beiden zetelen ze in het gemeentebestuur en zijn lid van de berucht partij.’
‘N-VA.’
‘Ja, volgens goede bronnen kwam Titus ter horen dat Matson de kleinzoon is van een collaborateur die ooit de Duits heeft geholpen om Joden op de trein naar Auschwitz te zetten. Hij verried hun schuilplaatsen.’
‘Afschuwelijk. En die zetelen hier in de gemeenteraad? Blij dat ik in een beschaafde stad als Gent woon.’
Na een uurtje kletsen viel een dood moment en Joyce greep naar haar mobieltje.
‘Ik ga eens naar Jeb bellen om te horen of zijn dagtaak er al op zit. Misschien komt hij er wel eentje meedrinken,’ zei Joyce.
Het gesprek aan de telefoon duurde wel een kwartier. Noortje tuurde een beetje verveeld naar haar vriendin. Ze wist dat ze als een vijfde wiel aan en wagen er zou bij zitten als die flik er bij kwam zitten. Haar angst om als een paria achter te blijven was gegrond maar dan nog erger dan wat ze zich had voorgesteld.
‘Jeb heeft geen zin om nog iets te komen zuipen,’ zei Joyce, ‘hij heeft me gevraagd om bij hem langs te gaan. Ik blijf niet lang weg, hoor.’
‘Nee, natuurlijk niet. Ik bel naar Lise, een vriendin van Titus die in de supermarkt werkt. Dan zit ik toch niet helemaal alleen.’
‘Wie?’
‘Die ken jij natuurlijk niet, schat. Het is een meid die ik heb leren kennen via mijn vriend op de eerste dag dat ik bij hem bleef slapen.’
‘Oké. Maar ik beloof het echt, hoor. Binnen een uurtje ben ik terug. kijk, ik geef je het juweel dat ik van mijn vriendje krees als onderpand. Jeb zal willen slapen na zijn werkdag.’
Joyce vertrok en Noortje bleef verweesd achter.
3
Het was halfzeven in de ochtend. De eerste zonnestralen wrongen zich tussen de bomen van het bos dat het sportcomplex van de gemeente omsingelde. Tussen de beuken, eiken en esdoorns slingerde zich slalommend een jonge kerel op een BMX. Hij had een grasgroene wielertenue aan en op zijn hoofd stond een groene helm. Het was het uitgelezen moment om als een gek te koersen maar plots verloor hij de controle over zijn stuur en viel enkele meters de diepte in waar hij op pas omgewoelde aarde viel. Hij bezeerde zich niet maar bleef toch eventjes liggen en keek rond zich heen. Hij schrok toen hij een hand zag opduiken vanonder de humus. Hij maakte zijn wielerbroekje zeiknat en hij kroop achteruit en sidderde als een rietstengel. Na enkele minuten vond hij de moed om zijn gsm te pakken en een nummer te draaien. Twintig tellen later verschenen de eerste agenten die meteen het gebied afbakenden met blauwwit lint. Op de inrit snelde zich een BMW met op het dak een blauw zwaailicht. Twee agenten sprongen uit hun luxe wagen. Hat waren Jeb en zijn collega Charlotte. Ze renden naar de plaats delict waar de technische staf al het lijk had blootgelegd. Jeb walgde bij het zien van de jonge dame die daar levenloos en besmeurd door de aarde in het ijle lag te kijken.
‘Kennen jullie de identiteit van het meisje al?’ vroeg Charlotte, de agente met het pikzwarte lange haar.
‘Die vraag is overbodig, Lotje,’ zei Jeb, ‘ dat is Noortje, de vriendin van Joyce.
‘Jouw nieuwe vlam?’
‘Ja.’
Terwijl de twee kersverse Gentse agenten nog wat keuvelden over het meisje en haar vriendin, kwam een grijzende man in een wit pak hen vergezellen. Hij stelde zich voor als Albert Demeester, wetsdokter.
‘Waaraan is Noortje gestorven, dokter?’ vroeg Charlotte.
‘Verscheidene messteken. Ze ligt hier als zo’n acht uur,’ antwoordde hij.
‘Is ze verkracht?’ vroeg Jeb.
‘Dat kan ik nu nog niet met zekerheid zeggen. Dat kan pas na de autopsie maar ik vermoed van niet,’ zei de dokter.
Na het korte informele gesprek met de heer Demeester, beval Jeb de andere agenten om het gebied uit te kammen. In de buurt stond een hagelwit kasteel, zag de agent uit Gent. Ook een school en een internaat bevonden zich op het grote sportterrein. Eén van de agenten kwam bij Charlotte en Jeb en bood hen een medaillon aan.
‘Gevonden bij het lijk,’ zei hij.
Jeb keek naar het bekende juweel en hij slikte een kanjer van een krop door. Hij greep het en hield het in zijn handen en keek er met betraande ogen naar. Charlotte zag zijn reactie op het kettinkje.
‘Wat is er aan de hand, Jeb?’ vroeg de agente zorgwekkend.
‘Dit is het Oog van de Yggdrasil die ik aan Joyce heb gegeven. Zou zij hier ook ergens liggen?’
‘Of zij is de dader,’ merkte Charlotte schijnbaar gevoelloos op.
‘Nee, daar ga ik niet van uit. Ik wil dat de mannen de buurt volledig uitkammen,’ zei Jeb.
‘Mij goed.’
Vlak na het bevel begonnen de andere flikken met hun taak. Jeb keek nog een keer naar het juweel en hij het leek alsof het oog van de Yggdrasil knipperde. Hij begreep er niks van maar bleef naar het oog lonken. Bij de derde keer dat het knipperde verscheen een letter: D. Er volgden er nog: O.E. M.E. O.M.J.E.H.A.L.S… Jeb eed wat het opschrift hem aanraadde maar dat was niet naar de zin van zijn collega.
‘Wat doe je nu, Jeb. Dat is bewijsmateriaal. Doe het uit voor er teveel vingerafdrukken van jou op staan,’ brulde Charlotte.
‘Nee, ik hou het aan. Er zijn mogelijkheden genoeg om de daders op te sporen. En ik wil dat je hier niks over rept bij de commissaris,’ zei Jeb.
‘Oké, maar…’zei Charlotte verbouwereerd.
‘Wij kunnen beter een kijkje nemen bij het kasteeltje. Misschien hebben de bewoners iets opgemerkt vannacht.’
‘Moeten we niet eerst de familie van het meisje inlichten. Die zullen wel ongerust zijn als ze hun kind niet zien opdagen.’
‘Ze logeerde bij haar schoonouders, weet ik van Joyce,’ zei Jeb, ‘maar ik wil toch eerst de kasteelheer spreken .’
‘Oké. Maar misschien moet je achterhalen was Noortje voor ze stierf. Volgens de technische recherche is ze niet hier vermoord, ’zei Charlotte.
‘Joyce was gisterenavond tot halftien bij mij en volgens haar wachtte Noortje op haar op het terras van café ‘De Nieuwe Beer’,’ zei Jeb.
‘Dan kunnen we na ons bezoek aan de mensen op het kasteel daar ons licht opsteken. Misschien hebben de stamgasten gisteren toch iets vreemds gezien. Maar je zei dat jouw vriendin tot halftien bij jou was gisterenavond. Noortje is vermoord om halfelf.’
‘Joyce heeft er niks mee te maken, zeg ik je nogmaals.’
De twee Gentenaars liepen naar de voordeur van het kasteeltje en belden aan. Er deed een magere slungel in maatpak en met een te grote bril met zwarte montuur open. Ze toonden hem meteen hun politiepasje en stelden zich voor zonder al iets te zeggen over Noortje.
‘Ik ben James, de butler,’ zei de magere Hein,’ wat kan ik voor jullie betekenen?
Jeb keek Charlotte een tel aan. Hij wast wat zou komen. Hij werkte tenslotte al bijna vijf jaar samen met haar.
‘Het is opgelost, Jeb. De butler heeft het gedaan,’ zei ze, ‘en hij heeft dan nog eens de juiste naam ook.’
Jeb kon niet echt lachen met de opmerking maar hij was die speldenprikken van zijn collega al meer dan gewoon. De portier hoorde de opmerking van Charlotte ook en keek haar maar beteuterd aan.
‘Wat gedaan?’ vroeg de butler.
‘Oh, niks, jongen, ‘ zei Charlotte, ‘maar is de heer des huizen thuis of zijn vrouw?’
‘Ja, baron d’Haevermoet en zijn vrouw zitten in de woonkamer. Ze zijn allebei al stokoud en zitten het liefst in hun fauteuil.’
‘Kunnen we ze eventjes praten en we willen er jou ook bij,’ zei Jeb.
‘Geen probleem,’ zei de man.
Hij begeleidde de twee agenten door het grote huis en het interieur was nogal passé. Vooral wanneer ze de woonkamer binnen gingen, leek het alsof de tijd er was blijven stil staan. Er stond een grote eiken kast en de zetels waarin het bejaarde koppel vastgelijmd zat, waren vervaardigd uit versleten bruin leer. Er stond een oude pendule en een teevee uit de jaren zestig. Het was een oude bak met een loodzware beeldbuis. Een vrouw van middelbare leeftijd was er een robuuste tafel aan het dekken voor het middag maal. Het was amper tien uur.
‘Mevrouw, wie bent u?’ vroeg Charlotte.
De vrouw had een zwart kleedje met een witte kraag aan en rond haar middel had ze een schortje gesjord.
‘Ik ben Nadine, de jongste dochter en meid aan huis. Ik ben nooit getrouwd want ik ben het huis nooit uit gemogen om te daten en nu is het te laat. Ik ben al tweeënveertig.’
‘Oei, wat een strenge ouders had jij, Nadine,’ zei Charlotte.
‘Zo’n olifant wil toch geen enkele man berijden,’ fluisterde Jeb in de oren van zijn collega en die trakteerde hem op een oorveeg.
Af en toe gaf Charlotte haar collega een opvoedend tikje omdat hij zo speels en heel soms over de schreef ging. Maar ze was gek van hem want hij was een fantastische flik en een snoepje. Helaas was een relatie tussen collega’s een groot taboe.
‘Blijf dan ook maar hier. Wij willen jullie enkele vragen stellen,’ zei Charlotte.
‘Is er iets gebeurd, dan?’ vroeg Nadine.
‘Ja,’ zei Jeb, ‘gisteren is er vlak voor middernacht een meisje vermoord en hier op zo’n honderd meter vandaan begraven. Hebben jullie iets gezien?’
‘Het zijn de Duitsers. Het zijn de Duitsers,’ kreunde de oude baron.
‘Wat bedoelt hij daarmee?’ vroeg Jeb.
‘Neem het mijn vader niet kwalijk. Hij is ernstig aan het dementeren en zijn leven speelt zich nu af tijdens de tweede wereldoorlog. Als hij iets hoort over dood of moord, dan zijn het altijd de Duitsers, ‘zei Nadine, ‘maar wat je vertelt is verschrikkelijk maar ik heb helaas niks gezien.’
‘Ik hoorde gisteren om elf uur een geritsel in het bos en ik ben gaan kijken en dacht aanvankelijk dat het om een haas of een konijn ging. In de schemering zag ik echter een menselijk figuur wegrennen in de richting van de visvijvers,’ zei de butler.
‘Heb je iets van de gestalte herkend?’ vroeg Jeb.
‘Niet echt. Het was donker, weet je. Maar volgens mij was het een kleine man met een oliejekker aan.’
‘Daar hebben we niet zoveel aan, maar toch bedankt, James,’ zei Charlotte.
De twee agenten realiseerden zich dat ze aan het oude koppel niks moesten vragen en besloten om het kasteel te verlaten.
‘Mocht je nog iets te binnen schieten, laat ons iets weten, he James,’ zei Charlotte, ‘ hier is mijn kaartje.’
Wanneer de twee flikken in hun wagen kropen keken ze elkaar aan wachtend op wie het woord zou nemen.
‘Wat doen we nu? ‘vroeg Charlotte.
‘Het wordt stilaan middag. We kunnen misschien iets eten. Daarna kunnen we het best naar de schoonouders van Noortje gaan en vragen of zij nieuw hebben over Joyce,’ stelde Jeb voor.
‘Goed idee.’
Het team had geluncht in een frituur op de markt en besloten om meteen naar de woning van de schoonouders te rijden. Ze belden aan en een jonge kerel deed open. Hij had een brede borstkas en een stoere kop met donkerbruine ogen, lang zwart haar en een stoppelbaardje. Hij droeg een broek met camouflageprint en een kaki T-shirt. Charlotte presenteerde hem haar politiepetje.
‘Politie? Wat doen jullie hier? ’vroeg de man.
‘Wie bent u?’ vroeg Jeb.
‘Ik ben Titus Versaegt, de zoon des huizes. Wat brengt jullie hier?’
‘Dan bent u de verloofde van Noortje Verhoye?’ vroeg Charlotte.
‘Ja, is daar iets mee?’
‘Laat ons misschien eerst binnen. Dat praat makkelijker,’ zei Jeb.
‘Oké.’
Eventjes later zaten ze met zijn drietjes aan de keukentafel. Titus bood hen een koffie aan.
‘Bent u alleen thuis?’ vroeg Jeb.
‘Ja, mijn ouders zijn naar mijn moeders zus in Kortrijk. Die is herstellende van borstkanker. Maar u had nieuws over die gloeiende teef van een Noortje?’
‘Waarom die beledigingen?’
‘Zij en haar vriendin zouden hier blijven slapen en op mij wachten. Maar gisteren zijn ze vertrokken zonder mijn ouders te verwittigen. Mijn moeder is razend en wat mij betreft hoeft Noortje sloortje ook niet meer terug te keren. Maar misschien was Noor zelf boos omdat mijn moeder naaktportretten van haar en haar vriendin wou schilderen. Ze heeft een hele reeks foto’s gekiekt. Hoe dan ook. Ze hoeft echt niet terug te keren…’
‘Dat zal ze ook niet meer doen,’ zei Jeb boos, ‘ze is namelijk dood.’
Het gezicht van de stoere kerel verbleekte en hij probeerde tevergeefs zijn ogen droog te houden.
‘Dood?’ vroeg Titus al veel bedeesder,’ ik had mijn thuiskomst dan toch anders voorgesteld..
‘Ja, ze is gisterenavond door onbekenden vermoord en van haar vriendin Joyce is geen enkel spoor. Ook voor haar vrezen we het ergste,’ zei Jeb,’ hoelang bent u al thuis?’.
‘Vreselijk. Ik ben deze morgen om vijf uur thuis gekomen. En ik was zo kwaad op haar omdat ze niet hier was. Ik werk bij een baggerbedrijf en ben soms maanden weg. Dan verlang je naar je geliefde…’
‘Dat begrijp ik,’ zei Charlotte, ‘en jij dacht dat ze jou in de steek had gelaten. Had jouw vriendin behalve Joyce nog vrienden of vriendinnen?’
‘Ik heb alleen weet van Lise, een meisje die als kassierster in de Carrefour werkt. Kan ik Noortje nog zien?’
‘Ja, nadat ze door de wetsdokter is vrijgegeven. Dat zal wellicht overmorgen zijn,’ zei Jeb.
‘Als u iets van Joyce mocht horen of van iemand die Noortje gisteren nog heeft gezien, bel ons gerust,’ zei Charlotte.’
‘Dat zal ik zeker doen en o wee de man die haar vermoord heeft. Als ik die in mijn handen krijg…’
‘Geen domme dingen doen, jongeman. Laat het speurwerk maar aan ons over.’
Jeb en Charlotte snelden weg van de villa en parkeerden hun vehikel op de parking van het commissariaat in de Oostrozebekestraat. Ze gingen aan hun bureel zitten en vroegen zich af wat ze konden doen. Ze kregen als bij donderslag het bezoek van hun meerdere.
‘Hoe staat het met die moord op dat meisje en haar verdwenen vriendin?’ vroeg de commissaris.’
‘We zijn amper begonnen, ‘zei Jeb, ‘nergens nog. Alleen weten we dat Noortje nog een vriendin had in Meulebeke en van Joyce hebben nog geen spoor.’
‘Ga jij dan vanavond na je administratief werk maar naar die vriendin, Jeb en jij rijdt nu naar Gent om het huis van die vriendin te doorkammen en in de buurt vraag je of ze gezien is,’ brulde de rosse commissaris.
Jeb reed de parking van de plaatselijke supermarkt op. Even later drong hij het kantoortje aan de uitgang binnen. Er zat een jonge gast van ongeveer dertig te tokkelen op een tweedehandse laptop. Jeb vertoonde zijn politiepasje.
‘Kan ik u ergens mee helpen, agent?’ vroeg de jongeman die zich voorstelde als filiaalhouder. Hij had een sportieve maar nette outfit aan.
‘Ja, ik ben op zoek naar een medewerkster van jou, ene Lise.’
‘Die heb ik deze week voor een week geschorst. Ze zou nogal onbeleefd zijn geweest tegen één van onze klanten. Het is een bitse teef maar verdomd een goede arbeidster. Daarom komt ze met een weekje schorsing ervan af.’
‘Waar woont ze?’
‘In de Gentstraat nummer 4 op een appartement.’
De agent bedankte de filiaalhouder en besloot om eerst enkele aankopen te doen. Hij merkte dat alle medewerkster nogal kortaf waren. Degene die de winkelrekken aanvulden, deden het met een kinnebak slepend op de grond. Aan de kassa zat de ergste kassière die hij ooit ontmoette. Ze gooide zijn waar als een dartsspeelster wilt over de laser. Ze keek hem aan alsof ze hem wou wurgen. Met een snauw rekende ze met hem af.
‘Als ze hier in Meulebeke allemaal zo sacherijnig zijn…,’ dacht hij terwijl hij in zijn wagen kroop en verder reed naar de Gentstraat.
Jeb belde aan en hoorde zo’n vijf seconden later al beweging. Het leek op het geluid van sloffen die over de vloeren sleepten. Hij dacht dat een oud besje de deur zou openen en dat Lise misschien niet alleen op het appartement woonde. Zijn gissingen werden meteen de prullenbak in gekieperd toen hij in de deuropening een klein meisje zag. Ze had kort acajou haar en een heel fijn gezichtje. Ze had diepblauwe ogen en een klein neusje haar roodgekleurde lipje omtrokken een klein mondje. Onder haar rechteroog had ze een bruin vlekje. Het was geen tache de beauté, daar was het ding te groot voor. Het maakte het meisje er niet lekijker door. Ze was vooral klein en hij schatte haar niet ouder dan veertien. Rond haar tengere lijf had ze een ivoorwitte badhanddoek gewikkeld en aan haar voetjes droeg ze aartslelijke Crocs. Jeb begroette haar en toonde zijn politiepasje en zij liet ham binnen. Ze keek hem goedkeurend aan. De pupillen van haar ogen groeiden als een olievlek in een oceaan en haar lichaamsvocht transporteerde de witte bloedcellen snel naar haar hoofdje.
‘Kom binnen, mijnheer de politieagent, ‘zei ze’, en neem plaats in het salon. Wenst u iets te drinken?’
Het meisje was verrassend aardig. Misschien muteren ze van heks naar fee van zodra het werk in de Carrefour erop zit.
‘Iets fris zou lekker zijn,’ antwoordde Jeb.
Het meisje verdween in de keuken en Jeb nam plaats in een blauwe lederen driezit. Hij keek wat naar het meubilair en zag dat alles uit de Ikea kwam. Goedkoop maar netjes.
Even later kwam Lise met een plateau terug de woonkamer binnen. Er stonden twee flesjes Fanta op en twee glaasjes. Jebs ogen puilden uit zijn kassen want Lise had van de gelegenheid gebruik gemaakt om haar handdoek uit te spelen. Hij zag haar twee piepkleine tietjes en heerlijke bruine tepeltjes. Ze had wel nog een rood slipje aan. Hij reageerde niet want misschien zou ze dan niks meer over Noortje vertellen.
Lise zette de drankjes op het glazen salontafeltje en ging knielend naast Jeb zitten. Ze keek hem diep in de ogen aan en loodste haar linker hamsterhandje naar zijn gesp en prutste die open net als de knoop en de ritssluiting. Met haar rechterhand gleed ze in zijn boxershort en vond zijn mannelijkheid. Ze aaide die zachtjes en voelde zijn penis in haar hand groeien.
‘Hou onmiddellijk op,’ wou Jeb waarschijnlijk zeggen maar hij liet Lise begaan. Gewoon om informatie te krijgen over Noortje. Toch voelde hij zich wat schuldig tegenover zijn vriendin Joyce, als ze nog leefde tenminste.
Lise dwong de smeris met een knipoog om te gaan staan en trok zijn broek uit en bewonderde zijn lul en knielend friemelde ze haar slipje ook uit. Het lukte niet meteen en toen stond ze recht om het slipje op de zetel naast de agent te gooien. Ze had een kaal kutje, zag Jeb. Ze knielde opnieuw en nam de pik van Jeb in haar mond en begon die te likken terwijl ze met haar rechterhand haar naaktpoesje aaide en vingerde. Plots haalde ze haar mond van de lul en keek hem aan en hield het masturberen voor bekeken.
‘Dus, jij wil iets weten over mijn vriendin Noortje?’ vroeg ze terwijl ze zijn potlood met haar rechterhand aan het slijpen was.
‘Ja,’ fluisterde Jeb met een trillende stem, ’heb jij onlangs nog iets van haar gehoord?’
Jeb verdreef zijn schuldgevoel tegenover Joyce en forceerde zijn relaxatie. Hij liet zich in de zetel glijden en lag erin als een schotelvod. Lise stond op en ging bovenop de agent zitten. Ze had graag gehad dat hij haar befte maar praten met een mond vol kut zou niet lukken dus begeleidde zijn vleesknuppel in haar strakke vagina en begon langzaam te wippen.
‘Noortje heeft me gisteren rond een uur of acht nog gebeld,’ zei Lise zachtjes kreunend,’ ze vertelde me dat haar vriendin haar tijdelijk in de steek had gelaten. Ze vroeg ik zin had om naar café den Nieuwe Been te gaan om ook iets te drinken maar ik was moe van het lange werken en bleef dus thuis.’
‘Zei ze nog iets speciaal?,’ vroeg Jeb terwijl hij zijn handen op de minitepeltjes van het kleine meisje had geplant.
‘Ja, ze zei dat er aan de toog een man zat waartegen ze in de middag pétanque had gespeeld. Hij keek haar boos aan,’ zei Lise.
‘Zijn naam heeft ze niet gemeld?’
‘Toch wel,’ zei Lise, ‘het was iets in de aard van Pieter Slangen.’
Jeb knikte en Lise zette het op een hoger neuktempo. Ze genoot maar ze stond terug op en vroeg Jeb te gaan staan. Hij deed wat ze vroeg. Lise ging terug op haar knietjes en begon opnieuw te pijpen. Jeb kon zich niet meer inhouden en net wanneer Lise haar mondje van zijn lul haalde, schoot hij zijn nageslacht op haar gezichtje. Een deel van de spermatozoïden landde in haar linkeroog en het andere in haar kapsel. Jeb deed vlug zijn broek terug aan en daarmee won het schuldgevoel het van het genot en hij verliet zonder Lise een blik waardig te schenken het appartement. Hij kon alleen nog maar aan Joyce denken en hoopte dat dit avontuurtje met het hete meisje geheim bleef. Maar leefde Joyce nog? Lise bleef verweesd achter en trok zich terug in de badkamer om zich een tweede keer in een halfuur tijd te douchen.
Wanneer Jeb in zijn wagen stapte, wachtte hij om te vertrekken en belde naar zijn collega Charlotte om haar te melden dat ze morgen op zoek gaan naar Pieter Slangen.
4
Ver en onhoorbaar kraaide een haan oorverdovend. Jeb kon het beest niet waarnemen maar werd toch wakker. Hij keek op zijn radiowekker en zag dat het kwart voor zeven was. Hij draaide zijn hoofd en tuurde naar het plafond dat gehuld was in duisternis. Er speelden zich vreselijke beelden af in zijn hoofd. Hij dacht aan Joyce en aan zijn zwakte gisteren bij Lise. Had hij zijn roodharige liefje nu bedrogen of niet. Seks met een ander was altijd bedrog. Daar kon je je niet achter wegsteken ook al was het avontuurtje niet zijn wens. Misschien had hij die Lise moeten vertellen dat haar vriendin gestorven was. Dan had het kind geen zin in seks maar dan had ze misschien ook niks meer verteld. Een dilemma waarvan hij hoopte dat deze geheim bleef. Hij stond op en waggelde naar de badkamer om zich op te frissen. Het ontbijt smaakte hem zuur hoewel het vooral bestond uit suiker. Hij durfde het haast niet toe te geven, maar hij miste Joyce.
De ringtone van zijn mobieltje begon luid te spelen. Hij zag dat het Charlotte was die hem probeerde te bereiken en na een tweede oproep nam hij op. Een half uur later was hij present op het kantoor en zat hij naast zijn collega.
‘Heb je iets gevonden in Gent?’ vroeg hij aan Charlotte.
‘Nee, helaas niet. In het huis van Joyce was helemaal niks en er heeft haar niemand gezien. Ik vrees dat je wel eens gelijk kan hebben wat haar zorgwekkende verdwijning betreft.’
‘Ik heb meer succes gehad bij die vriendin. We moeten op zoek naar een zekere Pieter Slangen. Ik heb die nagetrokken en hij woont in een wijk in Oostrozebeke.’
‘Dan gaan we daar meteen heen,’ zei Charlotte.
‘Ik vraag alvast een huiszoekingsbevel aan de commissaris,’ zei Jeb,’ die Slangen is nu onze hoofdverdachte.’
‘Dat is goed. We kunnen natuurlijk helemaal mis zitten maar een huiszoeking kan nooit kwaad,’ zei Charlotte.
Het duurde niet zo lang vooraleer de commissaris hen het document overhandigde. Met spoed ontvluchtten Jeb en Charlotte het bureau en al na een kwartier remde Jeb met piepende banden aan de voordeur van een sociale woning in de Tuinwijk te Oostrozebeke. Er stopte nog een tweede wagen van de flikken. Het was een combi met gewone agenten. De tuin waardoor ze liepen op zoek naar de deurbel zag er slordig uit. Het gras stond aan de knieën en lag vol afval. Het stonk zelfs een beetje. Jeb belde aan en twee minuten later deed een dik onverzorgd wijf de deur open. Ze had een vies jurkje aan en haar haar was ongekamd. Ze had een pukkel op haar rechterwang en had wallen als vuilniszakken onder haar vaalgrijze ogen.
‘Voor wat is’t?’ zei ze met een schurende stem. Het bewijs dat ze zich te pleuris rookte,’ wij kopen niet aan de deur.’
Charlotte vertoonde haar politiepasje.
‘Wij zijn Jeb en Charlotte van de lokale recherche. Is uw man thuis?’ zij de vrouwelijke agent.
‘Nee, hij is om vinkenzaad en daarna zal hij zoals gewoonlijk de hele voormiddag in de Pitstop aan de toog hangen.’
‘Dat geeft niet, wij hebben een huiszoekingsbevel. Wij kammen jouw woning door, ‘zei Jeb.
‘Wat?’ vroeg de lelijke doos boos, ‘wat is er gebeurd?’
‘Hij is de hoofdverdachte van de moord op een meisje,’ zei Charlotte.’
‘Pieter toch niet, ‘lachte de vetgans,’ hij doet nog geen vogeltje kwaad. Maar kom binnen. U zal heus niks vinden.’
Met een hele ploeg stoven de agenten de piepkleine woning binnen. Die zag er tot hun verbazing behoorlijk netjes uit. Er stonden wel meubeltjes uit de kringloopwinkel en er lagen hier en daar kranten op de tafel en in het salon. Wat opviel was de vele vinkenkooitjes die in iedere hoek stonden. Twee agenten drongen de tuin in. Jeb en Charlotte trokken de lades van de kasten open en gooiden de kleren, de zakdoeken en allerlei papieren op de grond. In de keuken vonden ze een laptop en die werd in beslag genomen. De dikke vrouw keek kwaad naar de vuilmakers maar durfde aanvankelijk niet te reageren.
Een dik kwartier later stond een schildknaap van Jeb en Charlotte in de keuken met een zwarte oliejekker in de hand. Een andere had een keukenmesje gevonden in de volière. Het zat onder het bloed. Het kon natuurlijk ook bloed van een zangvogeltje zijn maar Jeb trok al gauw zijn conclusies en verzocht zijn partner en de andere agenten om meteen naar de cafeetje waar de hoofdverdachte zou zitten af te zakken. Ze begroetten de nijlpaard en die keek hen sip na. Ze wist dat het goed fout zat en dat ze bijna in alle waarschijnlijk haar man voortaan in den bak zou mogen opzoeken.
De Pitstop was een kleine gezellig kroegje. Jeb en Charlotte zagen dat er niet veel gasten waren en toen ze halfweg te tapkast een klein dik mannetje zagen zitten, voelden ze aan hun theewater dat ze juist zaten. Het was inderdaad hun hoofdverdachte. Zonder al te veel schermutselingen arresteerden ze hem en sleurden ze hem de wagen in.
Wanneer ze hem geboeid op een wankele stoel in de verhoorkamer wierpen, lachte hij. Maar het was eerder groen. Er werden vingerafdrukken van hem genomen en hij kreeg een plastiek bekertje met pompwater.
‘Da’s voor de vissen,’ zei Pieter bot en zwiepte agressief het water op de vloer..
‘Zozo,’ zei Jeb,’ gaan we een beetje kwaad worden?’
‘Ik ben toch niet kwaad, zeker.’
‘Eerste vraag. Waar was je eergisterenavond rond een uur of tien?’ vroeg Jeb.
‘Bij jouw moeder,’ lachte de kleine dikkerd.
‘Wij hebben bij jouw thuis een zwarte oliejekker en een aardappelmesje met bloed gevonden. Heb je daar een verklaring voor?’ vroeg Charlotte.
‘Wie heeft er nu geen zwarte regenjas?’
‘En dat mesje?’
‘Een vink die niet presteerde de kop afgesneden,’ zei hij.
‘Zeker dat je het niet in het hart van een jonge vrouw hebt geplant?’ vroeg Charlotte.
‘Jij leest teveel sprookjes, schat,’ zei Pieter tegen Charlotte.
‘Ik denk het niet. Als we het bloed op het mes vergelijken met het bloed van Noortje dan denk ik dat we een match zullen hebben,’ zei Jeb.
‘Maar ik ken toch helemaal geen Noortje, stom rund,’ vloekte de vetzak.
‘Oh, nee? Jij hebt heer eergisteren bekampt tijdens een exhibitiespelletje pétanque,’ zei Jeb en hij toonde hem een foto uit een gele papieren mapje. Er stond een afbeelding van het lijk van Noortje op.
‘Dat is die gloeiende bitch die me heeft verslagen die namiddag. Maar daarom vermoord ik toch geen mensen.’
De ondervraging bleef maar aanslepen en plots ging de deur open van de verhoorruimte. Een agent wenkte Jeb en die reageerde meteen. Na een kort gesprek met de gedeputeerde keerde Jeb terug aan tafel.
‘Het bloed op het mes is wel degelijk van Noortje en op het heft staan enkel en alleen jouw vingerafdrukken. Heb je daar een verklaring voor?’
‘Wel ja, ik heb die trut naar het Walhalla gestuurd. Ze had me maar niet moeten belachelijk maken tijden het spel,’ zei de d