Lezen

Tip

Wie zijt gij?

Hé!Gij daar.Ja gij. Denkt gij daar soms over na, over wie ge nu echt zijt?Over wat ge echt wilt?Of ge op mannen valt, of op vrouwen, of op dieren? Of misschien op niks? Wéét gij dat? Weet gij dat écht?   Ik denk daar dikwijls over na.Over wie ik nu echt ben, over waarom en en hoe.Over wat mijn persoonlijkheid definieert.En wat dat eigenlijk is, mijn ‘persoonlijkheid’.Een schoon woord is’t alleszins niet.   Dat klinkt misschien wel heel evident allemaal.Misschien hoort ge dat allemaal al wel te weten als ge vijf zijt.Maar ik vind dat serieus moeilijke vragen.   Soms knijp ik heel erg hard mijn ogen dicht en maak ik een opsomming van wat ik wel en niet leuk vind.Misschien dat ‘t u dan wel ineens te binnen schiet, wie ge eigenlijk zijt.Snapt ge?   Ik doe het effe voor.Ogen dicht. Héél erg dicht. Knijpen tot ge niet meer kunt.En denken dat ge helemaal in het topje van een vuurtoren zit.   Klaar?   Ik hou van slapen in frisse lakens, helemaal in’t wit. Ik hou waanzinnig van van kaas, echt van elke kaas die er maar is gemaakt. Ik hou van boeken. Zowel van de geur als van ze kunnen lezen. Ze verzamelen. Ik hou ervan mijn kat te kunnen roepen met alleen mijn ogen. Van Sanseveria’s. Van vossen. Van slimmer worden, alhoewel ik niet het gevoel heb dat dat nog gebeurd. Van ouderwetse gloeilampen – van lang in bad gaan – van de soundtrack van ‘Into the Wild’, nee van de hele film eigenlijk – van die kleine cinema waar ge met uw glaasje rood binnen moogt en waar ze altijd goeie films spelen. Ik hou van lang en ver op reis gaan, maar tegelijkertijd ook weer niet want dan ga ik mij schuldig voelen omdat ergens aan de andere kant van de wereld iemand leeft die veel meer capaciteiten heeft en een veel beter mens is, en toch veel minder kansen heeft gekregen dan ik.   Ik hou niet van snotterige eieren – mensen die vragen hoe het met u is om zo toch maar over zichzelf te kunnen beginnen – van mijn eigen sociale ongemakkelijkheid – sabayon (iedereen vindt dat hét van hét, maar ik begrijp er niks van) – onrechtvaardigheid. Ik hou niet van bang zijn van inbrekers – van ‘s nachts niet kunnen slapen – van nadenken over de toekomst van deze wereld – van de eisen die ik mezelf soms opleg – van het getal elf – van niet weten waar ik nu eigenlijk goed in ben en waar niet – van films in zwart-wit – van de geur van narcissen. Ik wordt daar misselijk van.   Voila.En als ge al die puntjes aan elkaar verbindt, dan weet ge weer een klein beetje meer van wie ge zijt.   Nu is’t aan u. Doet u ogen maar toe.  

Annelies Leysen
64 1

1954

1954   Over heel de wereld werd het H.MARIA-jaar aangekondigd, zo ook in onze parochie. Er zou een nieuw Mariabeeld: “O.L.VROUW van BANNEUX “ aangekocht worden om in het jaar dat beeld vanaf de gemeentegrens met pracht en praal binnen te dragen tot in de kerk. De families wonende langs en rondom de straten van de doortocht werden vriendelijk verzocht en gevraagd om de gevels en vensters te versieren met christelijke intenties. In voorbereiding van deze plechtigheid werd een Maria-kapelleke ontworpen en vervaardigd om aan de gevels op te hangen .Deze kapellekes werden dan opgesteld in het koorgedeelte van de kerk tijdens de inhuldiging en zegening. Uit elke woonwijk werd een persoon aangeduid om de families te vertegenwoordigen tijdens de plechtige viering en zegening van de kapellekes. Voor de wijk achter de broederschool werd onze pa uitgekozen om de jonge gezinnen van de Sint-Anthoniswijk te vertegenwoordigen. We woonden niet langs de steenweg maar in een zijstraat. Ons huis had een mansarde met een groot raam waardoor je uitkeek op de steenweg, waarlangs de kaarsjes  processie met het Mariabeeld trok. Op het kapje rond de kaars stonden teksten van devote Marialiedjes. Op de grote dag van de processie werd er vanaf de start aan de vrachtkar gebeden en gezongen tot in de kerk door de gelovigen. Als kind van 10 jaar waren het spannende momenten vanaf het versieren van het raam en het uitkijken naar heel het gebeuren. Het was een magisch moment toen bij valavond een lange sliert van mensen met flikkerende kaarsjes de straten vulden tot in de grote kerk, waar een nederige, biddende en toch trotse vader knielend bij de kapellekes plaats nam.

g.a.she
0 0

TONSO

Tonso had nood aan een lange pauze. Liefst een hele dag, als het even kon. De slungelige twintiger zat tegen de muur van de lege, witte hal. Hij dronk een blikje Peppergate en keek naar de onafgebroken keten auto's die voorbijgleed achter het grote raam. Aan het kruispunt schakelden vier verkeersstromen in elkaar over. Een foutloze, vloeiende mozaïek van machines. Zijn grootouders hadden ze ooit zelf nog bestuurd. Absurd.   Terwijl zijn ogen wezenloos naar de voorbijgaande stroom staarden, luisterde hij naar Bob Marley.   Na Could you be Loved stond hij op, smeet zijn lege blikje in de vuilnisbak en ging terug aan het werk. Deze voormiddag waren vijftien cliënten één voor één uitgecheckt. De laatste zou nu normaal gezien ook opgeruimd zijn. Weggezogen, foetsie.   Tonso was de enige die op gewone werkdagen ter plaatse was in het gebouw van de Dienst Zelfbeschikking van de Europese overheid. Hij moest alles netjes houden en zorgen dat de machines bleven lopen. Daarnaast verzamelde en verwijderde hij ook nog de achtergelaten kleren en spullen van de cliënten. Rechtstreeks contact met de cliënten had hij nooit. Dat was strikt verboden. Hij mocht geen enkele procedurefout veroorzaken.   Die procedure startte lang voor de cliënt aankwam bij de Dienst zelf. Eerst moest je online een dossier aanmaken en een reden invullen. Zware ziekte, depressie, eenzaamheid... Dat soort zaken. Als je dossier goedgekeurd werd door de Oversten kreeg je een seriekaart doorgestuurd met een persoonlijk nummer. Dat kon soms maanden duren.   Met die seriekaart kwam de cliënt uiteindelijk op de Dienst terecht om uit te checken. Zijn vader geloofde dat de overheid de Dienst had ingevoerd om overbevolking tegen te gaan. Hij vond het een schande, maar dat zei hij nooit in het openbaar.   Uiteindelijk betaalde de job wel goed.   Tonso liep door de hal naar een grote, metalen schuifdeur. Hij keek omhoog. Het licht stond op groen. Daarop stak hij zijn kaart in het slot, de deur schoof geluidloos open. Hij ging de laatste kamer binnen. De kamer was zacht en bol, vrouwelijk en geruststellend. Hij werd verlicht door dim, oranje licht. Hier kleedden de cliënten zich uit. Daarna gingen ze nog een deur verder, maar daar kwam Tonso nooit.   Tonso verzamelde de kleren van de laatste cliënt. Het was een oudere man geweest, zo te zien. Een groen, geruit hemd. Zwarte broek en beige schoenen. Wit ondergoed en witte sokken. Verder niks.   Als laatste pakte hij de schoenen van de grond. Langs de binnenkant waren ze nog warm. Het zweet rook naar een oud haardvuur. Hij besliste om er één bij te houden. Hij hield altijd één ding bij. Zijn appartement stond vol met spullen, maar hij kon niet stoppen. Het voelde gewoon fout om alles weg te gooien, om elk spoor van een bestaan te verwijderen alsof het er niet toe deed. Alsof het er allemaal nooit toe gedaan had.   Na het opruimen van de kleren ging Tonso de grote zaal kuisen. Alles moest dagelijks terug blinken. Daar was hij uiteindelijk twee uur mee bezig. Hij had geen haast. Er zou nog één cliënt komen deze namiddag, zag hij in de database.   Na het kuisen nam Tonso een pauze, deze keer langer. Hij sloot zich op in de bergruimte. Dat was de enige ruimte in het complex waar geen camera's hingen. Hij nam zijn mini 3D projector uit zijn rugzak en koppelde deze aan zijn laptop. Hij deed het licht uit.   Tonso zocht op het internet. Hij had haar snel gevonden, zoals altijd. Ze werd voor hem geprojecteerd, levensecht. Naakt. Wondermooi. Zonder weg te kijken, instinctief, liet hij zijn broek zakken.   Eigenlijk deed ze niet veel. Ze liep gewoon rond en keek je aan. Ze fluisterde dingen naar je, noemde je haar held. Ze zei hoe graag ze omarmd wou worden door je, hoe hard ze naar je verlangde. Tonso geloofde graag in haar. Toen hij klaar was zonk hij op de vloer, zijn hoofd tussen zijn knieën. Ze verdween, even plots als ze verschenen was.    Alles was donker.   Een leven vol lege dromen. Hij wist dat hij het zo niet zou volhouden. Hij wist dat die hunkering, zonder echte liefde, hem binnenkort zou verteren. Maar daar probeerde hij zo weinig mogelijk aan te denken.   Hij kreeg een fantasie. Wat als de cliënt die nu in de machine zat zijn meisje was? Ze zou op het laatste moment doorhebben dat ze niet dood wilde gaan en net voor de machine haar zou verteren, zou Tonso haar horen schreeuwen en haar redden.   Dan zou Tonso haar meenemen naar huis. Hij zou haar nieuwe hoop geven en zij hem. Ze zouden verliefd worden en eeuwig samen zijn, tot op het einde.   Hij bleef nog even hangen in die gedachten. Toen stond hij op, trok zijn broek omhoog, deed het licht aan en liep de grote hal in. Hij wandelde naar de schuifdeur. Het licht was groen. Hij stak de kaart in de deur en ging de warme, laatste kamer binnen.

Marijn P
0 0

Beet

De vrouw naast me op het terras draagt een mooie, felblauwe blouse. Het is de eerste dag van de lente, en meer nog dan andere jaren lijkt het de eerste dag van een nieuw leven. Ik wandelde net van Westkapelle naar Domburg. Zes kilometer zon, strand en een frisse wind rond het hoofd. De buitenbocht van Westkapelle naar Domburg is nog bezaaid met golfbrekers, uitkijkposten, en veel asfalt. Een Nissan Note staat er op de rand van de zee geparkeerd. De oude man aan het stuur heeft zijn raampje naar beneden gedraaid en geniet verbeten van de zon. Naast hem, in de schaduw en de kou, zit een oude vrouw stuurs voor zich uit te kijken. Doet ze het portier open, dan valt ze in het water. Ze houdt zich krampachtig vast aan de handtas op haar schoot. De krant die ik deze morgen nog las wist haarfijn uit te leggen waarom de belofte van die eerste lentedag ons zo dierbaar is, en verzekert me dat het weer overgaat. Straks, wanneer het echt warm wordt, zullen we verlangen naar de schaduwen binnenshuis, en de koelte van onze lakens. Het is lastig om zoveel goed geformuleerde domheid te verdragen. Het blauw van de lucht is zacht, lijkt helemaal niet op het harde, diepe blauw van de blouse. De zon speelt met de kleur, en wanneer de vrouw vergenoegd haar rug tegen de leuning schurkt, zie ik het. Net boven haar linkerborst heeft iemand een afdruk van zijn tanden achtergelaten. Er staat een kinderwagen naast haar, en telkens de baby beweegt in zijn slaap, duwt ze even met haar knie. Ze houdt haar ogen dicht, en terwijl ook ik wegdoezel vraag ik me af of ze daarmee haar ogen wil beschermen, of dat ze net haar oogleden, die delicate en verder compleet verwaarloosde stukjes huid, het plezier van de zon gunt. Dat de krant daar niks over schrijft. Wanneer de dienster de dagvis op de tafel zet, schrik ik wakker. Ik schenk mijn glas witte wijn bij uit het karafje, en terwijl ik eet, kijk ik naar de niet aflatende stroom auto's, moto's en voetgangers. De opgewonden kinderstemmen, het geraas van motorrijders die met hun gashandel spelen, de gesprekken op het terras, ik duw ze allemaal samen tot een compacte, betekenisloze geluidsbrij. Dat is nodig om me op de vis te concentreren. Excuseer. Ze moet het herhalen, voor het tot me doordringt. Excuseer. Stoort het u als ik hem borstvoeding geef? Nog ver weg in mijn gepeins kijk ik haar vol onbegrip aan. Sommigen vinden dat niet prettig. Nee, natuurlijk niet, zeg ik. Waarom zou dat me storen? Ze gebruikt gelukkig de linkerborst, met het jongetje als buffer tussen ons in. Terwijl die eet, trappelt hij een beetje met zijn voetjes. Af en toe raakt hij mijn arm, en dan schudt ze de jongen weer op zijn plek, en glimlacht verontschuldigend naar mij. Hoe heet hij, vraag ik wanneer ze klaar zijn. Olivier, zegt ze, en ze spreekt het op zijn Nederlands uit, met een harde vier op het eind. Voldaan, en veilig op haar schoot, begint hij rond te kijken. Ik trek zijn aandacht, en hij speelt even met mijn hand. Het is een boefje, zegt ze, en even later het wordt een hele kerel. Ze lijkt uit te kijken naar de uitdaging om hem op het rechte pad te houden. De beet op de blouse speelt door mijn hoofd. Deze twee, moeder en zoon, zijn zo compleet samen dat ik me nauwelijks kan voorstellen dat er nog een andere is, een volwassen man, die haar plaagt en uitdaagt, zijn lippen en tong laat spelen in haar mond, afdaalt naar haar borst, liefkozend door de blouse heen in de gezwollen tepel bijt, en dan een druppeltje melk weg likt. De afstand tussen waar zij is en een Nissan Note aan de rand van de zee is onoverbrugbaar. Ik schud de kwestie van me af. Het is de eerste dag van de lente, die ene dag dat verleden en toekomst niet hoeven te bestaan. Ze legt Olivier terug in zijn wieg, en rekent af. Mij schenkt ze een stralende glimlach. Het wordt al een beetje fris, en ik moet nog terug naar Westkapelle. Ik stap flink door over het duinpad. Het is nu vloed. De wijn eist zijn tol, en ik dwaal even af naar het verlaten strand. Ik laat mijn blaas leeglopen in de zee, en zet het daarna op een zacht, bijna verontschuldigend lopen. De zon staat al laag. Dirk Van Boxem meer op www.bijgekleurd.wordpress.com

Dirk Van Boxem
0 0

STOCKHOLM

Stockholm. De lucht als glanzend grijs plastic, met sneeuw die niet wil vallen en een meeuw die eindeloos dezelfde cirkels trekt. Aan de overkant van de straat staan bomen, de takken geven traag mee, schrapen in slow motion iets uit de wind. Af en toe sluit ik mijn ogen en stel ik me de naderende voetstappen voor, de klik van de klink, de vreemde opluchting dat het eindelijk allemaal voorbij is. Een week in deze kamer. Koud en stil. Iedere dag is gelijk aan de vorige. Ik ben een geest op een donkere planeet zonder naam. Dat denk ik. Ik zeg het luidop. In de schaduw van alles wat er gebeurd is, voel ik nu wat er altijd geweest is. Een dreiging. Een kwaad. Het heeft Kambar vermoord. Het zal ook mij vermoorden. Ik zie Kambar heen en weer lopen in mijn keuken. Zijn geloof in de goede afloop gaf hem een schijn van onkwetsbaarheid. Hij sprak snel, schudde zijn hoofd als ik iets wou zeggen, veegde mijn argumenten van tafel voor ik ze kon uitspreken. De aard der dingen, zei hij, Rerum Natura, fucking Lucretius of hoe heette die dichter. Na al die jaren sprak hij zoals een Amerikaan, was zijn accent nog nauwelijks hoorbaar. Hij had aan algoritmen gewerkt op Wall Street. Hij was er om de tijd te herprogrammeren, zoals hij dat noemde. Algo Trading, High-Frequency Trading, steeds grotere volumes van transacties in steeds kleinere tijdseenheden, fracties van tijd die het menselijk begrip te boven gaan. Hij was een überprofiel; briljant, radicaal, potentieel gevaarlijk. Het was geen verrassing dat EPX Chemical hem benaderde. Je hebt de diepere aard van iets ontdekt, zei hij. Hij wou me tot actie dwingen door trots bij me op te wekken, door me eraan te herinneren waarom ik een biochemicus was. De aard der dingen. De rampzalige en onvoorziene diepere aard van iets. EPX Chemical. Het overtuigde me dat ik een wereldveranderende doorbraak kon realiseren. En er was het geld. Ik ging mee in Kambars plan. Misschien omdat ik dacht dat ik zo kon terugkeren naar mijn idealen, misschien omdat ik genoot van het vooruitzicht een soort held te zijn. En nu zit ik in een kamer in een voorstad van Stockholm. Een matras op de grond. Een stoel en een tafel. Geen water. Geen elektriciteit. In dit deel van Stockholm staan alleen appartementsgebouwen, sommige zijn wit en lichtblauw, andere wit en rood. Ze zien er allemaal hetzelfde uit. Als ik tussen de blokken wandel en aan Kambar denk, zie ik zijn gezicht, donker en zonder rimpels. Hij kijkt me verontschuldigend aan met zijn grote zwarte ogen. Alsof het alleen zijn schuld is dat ik in in deze verlopen wijk van Stockholm loop. Wat konden we anders doen? Daar denk ik vaak aan. Het houdt me ’s nachts wakker. We konden er niet mee naar de media gaan. EPX Chemical is meedogenloos, zei Kambar. We hadden het eerder gezien. Een moraliteitsonderzoek met leugens en halve waarheden in elk nieuwsbericht op de tv en op de voorpagina van elke krant, onze verdoemde koppen op het scherm van elke smartphone en elke computer en EPX Chemicals verdraaide versie van de werkelijkheid opgedrongen aan een onwetend en naïef publiek. Door naar de media te gaan gaven we EPX Chemical de kennis die het nodig had om zich van zijn schuld te zuiveren als de catastrofe zich begon te voltrekken. De regulerende organen van de overheid? De raad van bestuur van EPX Chemical? Vertakkingen. Onduidelijke structuren. Carrières als zigzag tracés. Consultants en executives verdwenen en doken onmiddellijk bij de andere kant weer op. Functies werden van het ene op het andere moment doorgestreept en vervangen. Een goocheltruc met deuren en mensen. Een voortdurende dans van manipulatie, geleid door EPX Chemical. De vijand, zei Kambar plots. Hij was bloedserieus. We kenden mensen bij de vijand. Bij zijn regulerende instanties. AES-256, zei Kambar. Verschillende lagen van encryptie met statistisch onafhankelijke sleutels voor elke laag. Een sterk cryptosysteem is een van weinige dingen die je niet met brute kracht kan vernietigen, zei hij. Anonimiteit. Een nieuwe identiteit misschien. Achteraf gezien was het gestoord. Het begint te schemeren. Het licht van een lantaarnpaal op de straat stroomt door het venster naar binnen. Een nieuwe koude nacht in Stockholm en ik vraag me af, wat zit nog hoger op de ladder? Wat controleert het organisme dat hele economieën in zijn macht heeft, dat als een parasiet zijn gastheer zombificeert? De obsessie om de aard der dingen ter vernieuwen en markten te herscheppen, alles met een genadeloze efficiëntie. Een kluwen van motieven, bedrijfseconomische, wetenschappelijke, geostrategische. De afwezigheid van een bredere context, een helder perspectief. Ik zit gevangen in alle dingen die komen bovendrijven en in herinneringen waarvan de betekenis is uitgewist. Ik zoek antwoorden waar ze niet meer zijn, misschien wel nooit geweest zijn. Gefragmenteerde beelden, echo’s van gesprekken vullen mijn hoofd. Losse einden. Alles is verdwenen of ergens in verstrikt geraakt, verborgen in een kapot neuraal netwerk. Kambars contactpersoon hapte toe. We brachten de informatie beetje bij beetje. We gaven een puzzle met ontbrekende submiscroscopische stukken. De vijand had honger naar meer. We maakten afspraken over wat er met de informatie moest gebeuren. Cruciale details. We kregen wat we vroegen. Nu. Hier in deze kamer. Ik hoor een geluid. Het klinkt als een tl-buis. Het is niet de lantaarnpaal op de straat. Ik speur met mijn oor tegen de muur. Ik hoor een auto en een vrachtwagen in de straat. Ik hoor de gesmolten sneeuw opspatten. De vrachtwagen maakt een dieper geluid dan de auto. Wat wil ik nog? Afleiding misschien. Een manier om de tijd te doden. Ik ga met mijn vingers over een barst in het pleisterwerk op de muren. Ik begin dingen te zien in de barst, voortekenen; een dalende koers in een grafiek, de bliksem op een waarschuwingsbord voor hoogspanning. We ontmoetten Kambars contactpersoon in een restaurant in Praag. Ik weet nu zeker dat we er niet alleen waren, dat we afgeluisterd werden. Mensen van EPX Chemical? Van zijn concurrenten? Agenten van de overheid? Dubbelagenten van de vijand? Doet het er toe aan welke kant ze stonden? De man die op een kruk een krant las, de ober die ons bediende, nog een paar anderen misschien, geen goeden en geen slechten, geen patriotten en ook geen verraders, maar geesten van een nieuwe dageraad, van een onzichtbare hegemonie. Alles was rond. Klaar. Het was overweldigend. Twee dagen later zouden we naar de hoofstad van de vijand vliegen, van de aardbol verdwijnen. Op de terugweg naar het hotel haalde ik geld uit de muur. Te veel geld. Het leek een vergissing toen. We moesten dit doen, zei Kambar in mijn hotelkamer. Dat zei hij een paar keer. Zijn grote zwarte ogen hadden de overtuigingskracht van een explosie. We moesten dit doen. Ik was stil. Mijn hersenen waren dof door de spanning, vermoeidheid, angst. Ik stond zwijgend voor de balkondeuren en keek naar een eindeloze schuimige wolk die, als een laag gegolfd polystyreen, geruisloos boven Praag hing. Dat ogenblik in die hotelkamer is dichterbij dan ik nu denk. De tijd is vertraagd. Een dag glijdt voorbij als een stroperige substantie die alles absorbeert en mij met deze kamer versmelt; er is alleen nog het aftellen. Denken is moeilijk. Het geluid dat als een tl-buis klinkt, gaat niet weg. Het grijpt me bij de keel. Luider nu. Het komt uit de muren. Er is hier iets is in deze kamer. Iets wat me besluipt. De lucht is vervuld van een gif. Wat voor gif? Ik zit op mijn knieën. Ik moet kotsen. Ik kokhals. Er komt niets uit uit mijn keel. De laatste keer dat ik Kambar heb gezien, was bij het ontbijt de volgende dag. We dronken koffie. Ik wou alleen zijn. Ik zette me recht. Ik ben om 12 uur terug, zei ik. Kambar at een croissant, dronk van zijn koffie, knikte. Twee uur later zouden ze hem op het bed van zijn hotelkamer vinden, met overgesneden polsen. Ik wandelde langs de Moldau. Mijn aandacht voor het verkeer en de mensen was mechanisch. Ik dacht aan slangen. Die kruipen uit hun oude huid en laten die achter, in één stuk. Wat er in Praag van mij achterbleef was versplinterd, kon niet teruggevonden worden. Ik nam een taxi naar het hotel. Ze hadden me op de een of andere manier gemist. Hadden ze mijn telefoon getraceerd? Die lag nog op het bed in mijn kamer. Zodra ik de ambulance en politiewagen zag, zei ik de taxichauffeur dat ik me vergist had, dat dit niet het hotel was waar ik verbleef. Hij zette me af bij ander een hotel. Ik wist wat er gebeurd was. Ik zocht een bevestiging. Die vond ik in een internetcafé: Four Seasons, Sebevražedný. Ik vroeg iemand wat het betekende. Ik nam de eerste bus. Ik wist niet waarheen. In Pilsen gaf ik 500 euro aan een Roemeense trucker. Stockholm. Het is te laat. Ik weet zeker dat het te laat is. Ik zit bijna door mijn geld. Ik probeer niet meer weg te kruipen uit deze kamer. Ik ben te moe om te gaan lopen. Waarheen zou ik gaan? Ik wacht. Wanneer ze me vinden, zal ik alleen maar opluchting voelen. Daarna, misschien de volgende dag al, zullen de Zweden me op een brancard uit deze kamer dragen.

JAN DE JONGHE
3 0