Lezen

Kinderspel

KinderspelHet spel was simpel, iedereen kon het spelen. Je had geen bijzondere vaardigheden of kennis nodig om mee te doen, hoewel het hielp als je iets of wat kon mikken. Er waren verschillende groottes en kleuren, die een rol speelden in de waarde van de exemplaren. Laagst in rang waren de "schieters", hoogst in rang de "boelen". Daartussen bovenden zich allerlei soorten en variaties, waar ik de meeste namen van vergeten ben, al kende ik ze toen heel goed.Ik was zes en met lege handen begonnen. Dit was op zich niet zo uitzonderlijk en al zeker niet problematisch. Alles was georganiseerd als een meritocratie: wat je had, werd bepaald door je prestaties. Opstarten was niet zo heel moeilijk, de meesten waren wel bereid om enkele "schieters" af te staan aan een beginner, en als je hier niet om durfde vragen, kon je altijd de speelplaats afschuimen in de hoop een verloren knikker te vinden.Wanneer je er enkele in je bezit had, was het niet moeilijk je collectie uit te bouwen. Op de speelplaats zaten vele kinderen met de benen gespreid. Tussen hun benen lagen dan enkele knikkers, dit waren de gewaardeerde exemplaren. Als je interesse had in iemands tentoongestelde knikkers, nam je plaats aan de startlijn en rolde je je eigen knikkers naar je doel. Raakte je een knikker, dan kreeg je hem, maar elke knikker die zijn doel niet raakte, was je kwijt. Het was een kwestie van inschatten en overwegen. De afstand tussen doel en startlijn, varieerde. De keuze hoeveel schieters je "wegschoot", lag bij jou. De keuze lag bij jou. Er waren risico's en mogelijkheden. Twijfel en hoop.Als zesjarige die niemand uit de hogere jaren kende, kwam ik in dit spel terecht. Dit eerste was ook geen vereiste, je hoefde namelijk helemaal niemand te kennen om mee te kunnen spelen. Het was een zeer uitdagend spel, elke situatie was anders en naast de hoeveel knikkers die je verwierf, kon je ook proberen gewaardeerde exemplaren in je bezit te krijgen. Langzaam bouw je op, tot je een collectie knikkers hebt, die je overal met je meesleurt. Eerst in je broekzak, dan in een klein tasje, maar op een gegeven moment heb je echt wel dat extra rugzakje nodig om dagelijks mee naar school te sleuren. Boordevol knikkers, één na één raak geschoten.Het is op zo'n moment dat het leven fijn en zorgeloos is. Niets verhindert je om ten volle van het spel te genieten. Tot iets daar verandering in brengt. In mijn geval was dit een ongeluk. De rugzak waar mijn dierbare knikkers in zaten, viel. Pardoes op de grond. Een groot deel van mijn verzameling rolde over de speelplaats. De knikkers waren niet te stoppen, ze gingen alle kanten uit. De tranen sprongen me in de ogen bij deze verschrikkelijke gebeurtenis. Vele guitige kinderhandjes grepen naar mijn dierbare schatten en ik deed hetzelfde. En hoewel de meeste knikkers eerlijk werden terugbezorgd, werden er ook een aantal onherroepelijk van me ontvreemd. Een patrouillerende leerkracht probeerde nog orde op zaken te stellen, maar gedane zaken maakten geen keer. Wat verloren was, bleef verloren.Het ergste is dat je het wéét. Je weet wat je kwijt bent en erger nog: je wordt je bewust van het feit dat je wéér en méér kunt verliezen. Het zorgeloze verdwijnt voorgoed. Het plezier van het spel gaat verloren. Alles is plots een oorlog waarin je enkel kunt verliezen. Een oorlog waaraan je niet eens aan hoeft deel te nemen. En zo borg ik voorgoed mijn resterende knikkers op in een kast op mijn slaapkamer en speelde nooit meer.Het daaropvolgende jaar draaide alles om die fantastische wezentjes die je in het wild kon vangen en voor je laten vechten. Je borg ze op in een rond balletje en trainde ze. Gelukkig waren zij niet echt en hoefde je geen ronde balletjes, maar kaartjes waarop zij afgebeeld stonden bij te houden. Die kaarten pasten heel gemakkelijk in een kinderhand en rolden gelukkig niet alle kanten uit wanneer je stapel uit je handen glipte. En zo kreeg ik op een dag enkele kaarten cadeau en trad ik in kinderlijke onschuld toe tot de wondere wereld der pokémontrainers/-verzamelaars, niet beseffend hoe onethisch het hele pokémongebeuren was. Stiekem lette ik toch wel erg goed op mijn steeds verder groeiende stapel kaarten, met de verloren gegane knikkers in het achterhoofd.Net zoals de andere leerlingen, ging ik helemaal op in de hype. We kenden alle namen en ruilden er lustig op los. We wisten hoe we "vervalsingen" moesten herkennen en legden met trots onze collecties aan elkaar voor. De blinkende en de kaarten met een hoog HP pronken bovenaan, daar waren we trots op, maar iedereen stak ook die nutteloze energykaarten in zijn stapel, zodat deze nóg groter leek. En hoeveel en welke kaarten je bezat maakte natuurlijk geen verschil in de binnen de klasmuren, maar op de speelplaats telde het écht wel. Voor ons was het geen spel, het was wie wij waren en hoe wij leefden. Dit was géén kinderspel, dit was menens! 

Fuaran
5 0

De Panda's

Wij waren altijd drie handen op één buik geweest. Mabel, Noa en ik. Wij hadden altijd samen gehoord, al vanaf het moment dat wij elkaar ontmoetten. Misschien zelfs al vóór dat moment, het zou me niet verwonderd hebben als onze vriendschap voorbestemd was. Ondanks onze verschillen, waren wij altijd een onscheidbare eenheid geweest. Mabel: lief, rustig en eerlijk. Noa: extravert en grappig, altijd haantje de voorste en energiek. En ik, eerder verlegen. Drie totaal verschillende meisjes, allen die eerste schooldag opgedaagd in dezelfde trui met daarop een panda afgebeeld. Die dag werden wij het pandatrio, de pandameiden, of simpelweg "de panda's". En dat waren we altijd gebleven. Als mensen echt bij elkaar horen, is er niets dat hen kan scheiden. Dat hebben wij altijd geweten. Ik herinnerde me nog hoe juf Annabel ons na Mabels ongeluk even apart riep. "Ik vind het zo erg. Niets zal ooit nog hetzelfde zijn.", had ze ons al snikkend toegesproken. Ze had ons één voor één aangekeken met een gezicht waarop het medelijden te lezen stond, alvorens ze met haar handen voor haar gezicht het klaslokaal was uitgevlucht. We hadden er nadien hartelijk om gelachen, want voor ons was er niets veranderd. Ongeluk of niet. Alles was gewoon bij het oude gebleven. Het kon Mabel niet schelen en ons al zeker niet. De eerste maanden wilde iedereen er steeds met ons over spreken, tot vervelens toe. De eerste dagen, weken zelfs, stonden we dan met z'n drietjes wat verlegen te knikken, ons gewicht van het ene been naar het andere verschuivend uit ongemak of zenuwachtig met onze vingers wriemelend. Na een maand vonden we het wel welletjes. Het was Mabel die met het idee kwam om een spectaculaire niesaanval te faken toen Stefaans moeder voor de zoveelste keer op rij ons kwam vervelen met een gesprek over "het fameuze ongeluk". Mevrouw Edith, Stefaans moeder, negeerde de niesaanval, alsof het er niet vingerdik bovenop lag dat Mabel niet écht niesde. Noa en ik daarentegen, konden ons helemaal niet serieus houden. We moesten zo hard lachen dat onze buiken pijn deden en Stafaans moeder stampvoetend van woede wegstormde. Daarna wisselden we elkaar af: telkens wanneer iemand zich geroepen voelde om met ons te praten over Mabels ongeluk, bedacht één van ons iets om de anderen aan het lachen te brengen. Het werd ons niet in dank afgenomen, maar uiteindelijk kregen we wel wat we wilden: iedereen liet ons met rust. Mabels ongeluk was doorheen de jaren steeds meer naar de achtergrond verdwenen, zodat het leek alsof het nooit gebeurd was. Na verloop van tijd voelde niemand nog de aandrang om er met ons over te spreken. We zwegen en vergaten. Misschien wel omdat we de hele tijd plezier maakten. Er was altijd wel iets om te doen. Boomhutten bouwen, zwemmen, door de velden rennen, op avontuur trekken, samen winkelen of naar de cinema gaan... we verveelden ons nooit. En alles deden we met ons drieën. Niets haalde ons uit elkaar. Niet Mabels ongeluk of Noa's openbeenbreuk, waarna ze wekenlang in een rolstoel moest doorbrengen. Of de zomervakantie die ik bij mijn tante in Oostenrijk door moest brengen. Tot Bastiaan op het toneel verscheen. Hij was het soort jongen dat niet onopgemerkt voorbij gaat. Hij was knap, sportief, twee jaar ouder én verliefd op Noa. Natuurlijk begreep ik ook toen al dat een jongen als hij zich niet zomaar laat afwijzen, maar ik had niet verwacht dat hij zo belangrijk zou worden in Noa's leven. Mabel, Noa en ik waren de eerste dag in de middelbare school samen in een hoekje op de speelplaats gaan zitten onder een reusachtige wilg. Ik had me voorgesteld dat het altijd zo zou zijn. Wij, de Panda's, samen vanuit de schaduw glurend naar de andere tieners die luid door elkaar liepen of balsporten speelden. Maar zo geschiedde het niet, alvast niet als het van Bastiaan afhing. En zo gebeurde het dat Mabel en ik daar steeds vaker met z'n tweetjes zaten, kijkend naar de rest van de speelplaats, en vooral naar Noa en Bastiaan, die zich als een onscheidbare eenheid over de speelplaats bewogen. Natuurlijk zaten we wel samen in de klas. Daar kon Bastiaan gelukkig niet tussenkomen. Maar het was niet meer hetzelfde als vroeger. De Panda's, zoals ze eens geweest waren, waren geen vaste waarde meer. Het was op een vrijdag tijdens de namiddagspeeltijd dat Noa eindelijk nog eens naar ons toekwam. Zonder Bastiaan, wat me verwonderde. Het was al lente, maar nog steeds heel koud. Mabel en ik hadden dikke jassen aan en zaten tegen elkaar, zodat onze armen elkaar raakten, om zo warm mogelijk te blijven. Noa droeg enkel een hippe sweater en bleef voor ons staan, ze leek niet de neiging te voelen om naast ons te komen zitten, zoals we als kind altijd gedaan hadden. Toen hadden we er soms zelfs om geruzied wie in het midden mocht zitten en zo het warmst kon blijven. Het ging als een steek door mijn hart dat zij bleef staan. Noa, die met haar hippe sweater uit een tv-commercial ontsnapt leek te zijn, terwijl wij er uitzagen als eskimo's in onze ruime, vormloze jassen. "Hoi", begroette ze ons, alsof het een doodnormale zaak was dat zij ons kwam opzoeken tijdens de speeltijd. Mabel en ik wisselden een veelzeggende blik. "Zaterdagavond gaan we met wat vrienden naar De Paparazzi, dat is dat nieuwe café op de markt. Elena, Jeroen, Michiel, Thomas, Saskia, Bastiaan en ik. Als je zin hebt mag je ook komen..." "Mabel mag van haar moeder niet naar cafés, dat weet je best." Ik moest niet overleggen met Mabel om te antwoorden. Haar moeder had er een hekel aan dat haar kleding naar sigarettenrook stonk. Ze had haar altijd verboden om op café te gaan, dus hadden Noa en ik dat ook nooit gedaan. Toen we nog de drie Panda's waren dan toch, Bastiaan en zijn vrienden gingen regelmatig op café, ook net na school. En waar Bastiaan was, was Noa. "Mabel...?" Ik dacht eerst dat Noa de vraag nu rechtstreeks aan Mabel stelde, maar toen haar blik onbegrijpelijk op mij bleef rusten, kreeg ik een argwanend gevoel in mijn borst. Alsof iets niet klopte, al kon ik er de vinger niet meteen op leggen wat het was. "Mabel is dood, al vijf jaar, dat weet je, Lotte." Noa's grote, groene ogen lieten me niet los. Ze leken me zoveel te willen vertellen, maar ik luisterde niet naar hun onuitgesproken woorden. Het enige wat ik kon was naar Mabel kijken. Mijn mooie, lieve Mabel, die op haar vaste plekje onder de wilg naar de grond zat te staren met ogen gevuld met tranen. "Zeg dat niet, zeg dat niet!", schreeuw ik Noa toe, boos om het verdriet dat ze Mabel deed. Noa keek me nog enkele seconden betekenisvol aan, knikte toen berustend en liep zonder nog een woord te zeggen van ons weg. Troostend sloeg ik mijn armen om Mabel heen.    *** Het voelde onnatuurlijk om alleen door de gangen van de school te lopen. Ik miste Mabel aan mijn zijde, maar zij had me ook verzekerd dat dit de enige oplossing was. We hadden er een hele week samen over gebrainstormd. Er waren geen andere mogelijkheden. Ik moest dit doen en ik moest het alleen doen, daar was Mabel het mee eens. Het kostte me geen moeite om Noa te vinden. Zij was waar ze altijd was, bij de populaire groep. Ze leunde nonchalant tegen een locker en lachte om een grap die één van de anderen gemaakt moest hebben. Terwijl ze lachte, gooide ze haar haren wild in haar nek, waardoor ze net een filmster leek. Gehypnotiseerd door deze vertoning vergat ik bijna waarop ik hierheen was gekomen. Bijna. "Noa?", zei ik luid terwijl ik naar de groep toeliep, hun gesprek onderbrekend. Vele ogen keken me verbijsterd aan, maar voor mij bestond enkel Noa, die me met licht geopende mond verbaasd aanstaarde. "Hoi," antwoordde ze me. Haar stem klonk verveeld, maar haar ogen keken me nieuwsgierig aan. "Gaan jullie ook deze week weer naar dat café? De Papa-dinges?" "De Paparazzi," verbeterde ze me. "Ja, dat." "Uhm....ja," zei ze ongemakkelijk. "Goed, dan ga ik deze week met jullie mee. Heb je zin om die dag na school nog even iets bij me te eten?" Mijn vraag leek haar wat van haar stuk te brengen. Ze knipperde nerveus met haar ogen en er ontstond een kleine frons tussen haar wenkbrauwen. Miss populair viel even van haar troon door de verwijzing naar een vroegere traditie. Als kind aten we elke zaterdagavond bij mij thuis. Eerst koekjes die mijn moeder bakte, maar nadien bereidde ik zelf kleine maaltijden voor hen. Eieren, pannenkoeken, cakes, maar nadien ook hele maaltijden. "Oké," zei ze. Eén kort woord, waarin zoveel emoties doorklonken. Nostalgie, verdriet, maar ook opluchting, vond ik. Zonder verdere afspraken te maken, draaide ik me om en ging terug naar waar ik hoorde: bij Mabel onder de wilg. "Zie je nu wel, het lukt vast," Noa ze. "We kunnen vriendinnen blijven én met nieuwe mensen omgaan. Je vindt mijn vrienden vast leuk." Ik kauwde zwijgzaam op een stukje wortel. Terwijl ze wat eten bijnam, liet ik mijn blik even richting Mabel glijden. Die had het gehele etentje nog geen woord gezegd en keek me afwachtend aan. "Ik ga even het dessert halen," zei ik, terwijl ik in de keuken verdween. "Hmmmmmm! Chocomouse, mijn favoriet! Dat je dat onthouden hebt!" Noa's ogen keken me groot en vol verwachting aan. "Ja, hoe kon ik dat vergeten. Ik wilde iets speciaals voor je maken, vandaag is tenslotte een bijzondere dag." "Absoluut," bevestigde ze, met haar mond vol dessert. "Je vindt hen vast leuk, dat moet haast wel! Je hoeft helemaal niet meer op je eentje onder die stomme wilg te zitten, Lotte. Nooit meer! En dan is er nog iets, één van de jongens toonde een bijzondere interesse in je, hij is best schattig, ik stel je straks aan hem voor..." Maar wie die schattige jongen die mij leuk vond was, kwam ik nooit te weten, want Noa greep naar haar borst. Haar gezicht vertrok van pijn. Geschrokken keek ik naar Mabel. "Het duurt vast niet lang," stelde ze me gerust. En ze kreeg gelijk. Het duurde amper vijf minuten voor Noa's lichaam levenloos op de grond lag. Op haar lippen prijkte nog wat van het fatale goedje waar ze zo dol op was. Een speciaal gerecht voor een bijzondere gelegenheid, bedacht ik me. Mabel en ik wisselden geen woorden uit. Het was de enige oplossing, daar waren we het over eens geweest. En eigenlijk heb ik het altijd geweten, dat niets ooit tussen ons zou kunnen komen. Wij waren de Panda's, beste vrienden vanaf onze allereerste ontmoeting, en zo zal het altijd zijn. Al snel zag Noa in dat Bastiaan helemaal niet zoveel van haar hield als ze gedacht had, na de chocomouseavond negeerde hij haar volkomen. Het was alsof ze voor hem helemaal niet meer bestond. Hij kwam ook niet veel meer naar school na die avond, hij was vast van school veranderd of verhuisd. Het deed me plezier dat na haar relatie met Bastiaan alles weer was zoals vanouds, het was alsof hij nooit tussen ons gekomen was. Noa wisselde zelfs haar trendy kleding voor de gemakkelijke varianten die ze vroeger droeg. En daar zaten we dan weer met z'n drieën onder onze wilg, aan de rand van de speelplaats, in onze vormloze jassen. Noa, Mabel en ik. Drie vriendinnen voor altijd. Ik warmpjes in het midden.   

Fuaran
0 0

Teksten die niet opgetuurd werde voor een mooie zin .

Zinnen voor azertfactor die ik niet opzend voor de wedstrijd. Zo mooi. Wanneer kom je weer met een tuil witte bloemen Je brede glimlach, de sneeuwvlokken op je kraag, bloesem, vries, jou en de kou.   Dun en mager, scheve tanden prachtige handen, hash en wiet, hart voor mensen rijdt hij voor wat centen met moto zonder koplamp tot benzine op is   Zebrapad Klamme regenbui, grijze november en toch I do remember op het zebrapad Tussen gore grauwe mensen in technicolor, een man, een brede smile, de hand vol bloemen, een vlaag geluk for a while.   De muze De muze is vannacht onverwacht bij mij geweest, maar ik was te moe, heb haar afgewezen weer geen regel op papier geschreven en zo bleef het duren tot in de ochtenduren.   Niet meer Zoen mij niet meer, mijn lippen zijn doorkloven met kleine vulkanen waarin, boven de lippenlijn het lippenrood sterft, toch blijf ik me vastklampen mijn borsten als tentakels mijn vulva als valkuil, je omklemmen in de dichte vetplooien van mijn buik, me vastbijten met mijn valse tanden.   Demente Chinees Ik scheer hem, de Chinese man, wanneer hij met gestolen lepeltjes en gebruikte servetjes, één keer per week, niet wetend bij mij vertoeft, wanneer ik hem terug breng, lacht hij gelaten, weer is alles wat van hem is vreemd, vreemder dan eenzaamheid.   Omgekeerd in een trechter wordt het ochtendgloren geboren nauwelijks herkenbaar hoorbaar In de smeltkroes van gedempte geluiden zoals het aanzwellen van het ruisen der bomen, het bruisen van de zee en het lawaai van het verkeer.   Symfonieën, viool goudschijn lak vingers gevoelig plooibaar strak handen soepelzacht gedesemde klank verworden tot smart.   Verdwalen in de zilvergrijze nevel, drupsgewijze regen en oneindige geruisloosheid OF Verdwalen in sfeer van regen, zilvergrijze nevel en buiten het druppen, de oneindige geruisloosheid.   Mijn angstdroom is zwijgen, verzwijgen van wat ik voel, toch voel ik de stilte van van het verzwijgen.   Later, later zal ik me steeds weer halsstarrig vastklampen aan het oerwoud van goudzachte herinneringen,de prachtige, fantastische brokaatzuchtige en de triestragische.   Machteloos toehoren gebroken woorden ik ben breekbaar moe opvouwbaar klanken opvangend als glassplinters die blijven hangen.   Verdorde nervenbladeren huilen in kuilen van groen-bruin herfstwater, waar haal ik mijn weemoed vandaan?   Er is steeds dat verlangen naar het onbereikbare, de hoop om eeuwig te blijven leven....of het hunkeren naar dat ultieme moment van totale harmonie dat verdomde dromen naar liefde... Ja liefde.   Indien ik een buikspreker was, ik had een spreekbuis van glas, zodat ik onopgemerkt In kamer en senaat de Grote Waarheid sprak, zodat men verontrust vroeg wie die onbekende was. Had ik bovendien een caleidoscoop, ik gooide de hele wereld overhoop en omwaarde alle waarden zodat men geen enkele egoïst nog ontwaarde en… alles liefde en beschermen was.   Plots stopt grof verkeer in de grootstad, want er moet hoognodig een duif over het zebrapad.

Rhea van der Vloet
30 0

Maanziek, fragment 4 uit het boek 'Maanziek'

Wat voorafging... Mathis heeft nachtmerries... Erge nachtmerries. Na zijn avontuur in het zwembad en een afschuwelijke eerste schooldag, kan hij het gevoel dat er iets moet veranderen niet van zich af zetten... Wanneer ik alles weer helder zie, zijn mijn mama en zusje verdwenen. Naast me in de auto zit...mijn vriendin. Met een ijskoude blik rijdt ze door de donkere straten, ze zegt geen woord. 'Ik ben zo blij dat ik je zie', stamel ik. Geen antwoord. Onbewust controleer ik haar snelheidsmeter en schrik me een ongeluk. We rijden meer dan honderdvijftig kilometer per uur. Honderdvijftig. 'Waarom rijd je zo snel?' roep ik boven het gieren van de motor uit. Ze antwoordt niet en drukt nog harder op het gaspedaal. Met beide handen klamp ik me vast aan de passagiersstoel en doe mijn ogen dicht. Dan voel ik hoe de auto vaart mindert. Voorzichtig doe ik mijn ogen een heel klein stukje open en zie de huizen in mijn straat. 'Alles komt wel goed. Geloof me.' De stem die ik hoor is niet die van mijn vriendin. Toch klinkt ze vertrouwd, alsof ik ze al jarenlang ken. Vooraan in de auto hangt een luchtverfrisser, zo'n kerstboompje dat een lekkere geur verspreidt. Ik snuif diep en ruik lavendel. Mmm, mijn favoriete geur. Dan werp ik een blik op degene van wie de stem afkomstig is. Een meisje met lichtbruine krullen die bij elkaar worden gehouden in een dot. Hoewel ik geen flauw idee heb wie ze is, komt ze me toch bekend voor. Waar heb ik haar eerder gezien? Ik pijnig mijn hersenen terwijl we langzaam de oprit van mijn huis opdraaien. Ik wil uit de auto stappen, maar ze blijft doorrijden. Terwijl ze langzaam verder rijdt, draait ze haar hoofd en kijkt me aan met haar lichtblauwe ogen. 'Vertrouw me', zegt ze. En ze rijdt recht door de garagepoort heen. Dinsdag, 2 september Met een pijnlijk bonkend hoofd schiet ik wakker. Het gezicht van het meisje staat op mijn netvlies gebrand, net zoals de klank van haar stem. Haar opgestoken krullen, de lichtblauwe ogen die me vriendelijk aankijken... Het gevoel dat ik haar al eens eerder heb gezien overspoelt mijn hele lichaam. Wie is ze toch? Mijn gedachten draaien rond in kringetjes maar vinden geen oplossing. Het doet er niet toe, denk ik bij mezelf. Ik heb al een vriendin en ik hou erg veel van haar. Het zou stom zijn om haar ongerust te maken voor een onbekend meisje. Ik laat me in bed zakken en sluit mijn ogen. Langzaamaan doezel ik weg, ik zweef ergens tussen droom en werkelijkheid. Met een schok besef ik waar ik het meisje eerder heb gezien. Onmogelijk! Hoe komt ze in godsnaam in mijn droom?! Wil je meer lezen? Maanziek, fragment 1: http://azertyfactor.be/tekst-lezen/5721/maanziek-fragment-1-uit-het-boek-maanziek Maanziek, fragment 2: http://azertyfactor.be/tekst-lezen/5760/maanziek-fragment-2-uit-het-boek-maanziek Maanziek, fragment 3: http://azertyfactor.be/tekst-lezen/5828/maanziek-fragment-3-uit-het-boek-maanziek Blijf je graag op de hoogte van de avonturen van Mathis? Volg 'Maanziek' dan op Facebook (Maanziekhetboek) en Twitter (Maanziek_boek)

Eva Linden
16 0

Het leven der mannequins

Het valt me zwaar te bemerken dat desondanks ik 24 op 24 werk, ik nog steeds niet het aanzien krijg dat ik verdien. Ik verkoop mijn hart en ziel aan de duivel des kapitaal en blijf bezeten door de illusie op vooruitgang en innovatie. Als alles in dit kwellende leven moet worden bereikt zonder resultaat of correcte beloning, hoe is er dan nog sprake van een (ver)standshouding. Proberen houdt een kans op mislukking in, falend vervalt men in angsten door massamedia's. Ze fluisteren het in de oren, overweldigen ook de ogen en andere zintuigen.   We aanvaarden ons lot, we berusten erin, zonder enige vraagstelling. Een duistere comfortzone, die we te graag bewonen, ook al zouden we er beter uit verhuizen. Ze brengt ons niets van veiligheid. We zijn allen verwaarloosd door een maatschappij, waarin we nummers zijn en ons enkel kunnen onderscheiden van de ander via lobby-ing , een goede investering en de perfecte marketing.   Ik ben gehavend. Buitenspel gezet door een corrupte ‘scheids’rechter. Narcistische creaties, ooh God heb jij ons zo geschapen? Heb jij dit ongelijke systeem willekeurig bepaald, zonder mensen, die het echt verdienen, de juiste kansen te geven? Ik kan het niet geloven dat jij, de vuile dieven van onze samenleving een meerwaarde geeft. Ik stel je echtheid bijna in vraag, ook al blijf ik net zoals de anderen je vereren. Ik weet niet beter. Ik durf niet meer. Ik heb reeds te veel beleefd, dat ik niet meer kan leven, laat staan dromen. Ze worden ons afgenomen, nog voor we ze zelfs kunnen ervaren.   Onze creativiteit en fantasie verziekt door hypocrieten, die met hun ‘ultimatum’ liever de wereld teniet zien gaan, nog voor er iets aan te willen veranderen. Controle en misplaatst machtsmisbruik geheiligd door zijn middelen, namelijk de overheersing van het redenaarstalenten. Wat valt er nog te valideren? We zijn allen minieme wezens, verbonden, toch liever blind.   Wij zijn niet zo speciaal als we zelf denken, kijk naar het universum, met voor ons als Aarde, de voornaamste onderdelen: Jupiter, en de zon een balans in grootheid. Deze twee hemellichamen alleen al doen ons wegcijferen, wie zijn wij om het te willen beheersen? Een voor een vallen we ten prooi aan de zeven hoofdzonden.   Ik was ooit een gelukkig persoon, dom en naief, misschien is het begrip geluk wel te relatief om te definiëren. Het is een juiste mindset gecombineerd met een gebrek aan stressoren, die in beuken op onze fysiologie.   Vrij was ik toen. Blij het zonnetje met de nooit eindigende energie te zijn. Velen bemerkten me, droegen normale kleren, maar bleken waren undercover saligia’s. Ik heb me laten verleiden, ik stapte bijna mee in het rijtje. Vrijheid is een utopie. Niets is meer idealistisch als de liefde. Terwijl het enkel een aantal chemisch bindingen zijn voor de bevordering van ons enige doel voortplanting. Ik kan dit niet, daarom dat ik net op tijd ontsnappen kon. Ik was een prototype. Nu ben ik een oudsider.   Ik zal nooit meer gelukkig zijn, want achter elk woord en elke daad schuilt er een onbewuste intentie, ik heb er bewijs van, ik wordt afgeschreven als mentaal gestoord. Ik behoor niet tot de mainstream, laat staan tot deze maatschappij vervuld met kwakzalverij en consumptie.   Ik ben enkel nog een schim van wie ik was. Ik zou me juist gelukkig moeten prijzen, ze laten het mij niet toe. Mijn demonen. Zij zullen mij altijd vergezellen in deze hel der overprikkeling.  Het enige dat me rest is acceptatie en memensis van de schone schijn der gelukkig-en vergetelheid.

S_Sence
3 0

Een Mislukte Astronaut

Al wrijvend in mijn ogen en met een welgemeende geeuw, groette ik de zon die ons met een fijne, warme straal welkom heette. Na anderhalf uur meerijden in een krakkemikkige wagen die elk moment riep om een pauze, stonk naar de verbrande diesel, maar toch de eindbestemming moest halen, kwam ik wakker op de plaats waar m'n leven voorgoed zou veranderen, althans mijn visie op het leven. Ik opende de passagiersdeur en snoof meteen de frisse, zuivere zeelucht door mijn neus. Mijn vriend staarde me aan, nam me in zijn armen en fluisterde zacht en glimlachend in mijn oor: “Goeie morgen schat, goed geslapen?” Meer dan een slaperige en verwarde ochtendblik kon ik hem op dat moment niet bieden, maar ik sloeg mijn armen om zijn nek. “Vandaag zal het gebeuren”, zei hij. “Briefing!”, riep de verantwoordelijke van die dag. Alsof mijn wekker met een plof op mijn hoofd viel, was ik meteen klaarwakker. We snelden ons naar de desbetreffende plaats en sloten ons aan bij een groep van acht. Allemaal oude rotten in het vak. De een al wat beter dan de ander, de een al wat frisser dan de ander. De verantwoordelijke gaf een uitzonderlijke preek over veiligheid, regels, buddy's, vriendschap, natuur, maar mijn gedachten konden zich niet geheel richten op zijn uitgesproken woorden. Zijn slotzin kwam echter wel goed aan: “Binnen een tiental minuten wil ik iedereen aan de waterkant zien, want binnen een uurtje wordt relatief sterke stroming verwacht.” “Ook dat nog”, mompelde ik tussen mijn tanden. Alsof ik nog niet genoeg zenuwen had. Er kwam precies toch meer bij kijken dan ik aanvankelijk in mijn ideale droomwereld had kunnen voorstellen. Rustig nam ik mijn pak uit een zorgvuldig uitkozen, kwaliteitsvolle doos, want ik wilde al mijn materiaal van meet af aan goed verzorgen. De frisse zeelucht veranderde al snel naar een geur van opgewarmd rubber. Ik monteerde mijn fles nauwkeurig en volledig volgens de regels van het boekje, want je wilt toch net niet dat daar iets fout mee loopt. Mijn kleren hingen al aan een zelf ontworpen kapstok, gemonteerd aan de openstaande autokoffer. Ik duwde met volle perskracht mijn benen door het nogal spannende zeven millimeter dikke duikpak, gevolgd door mijn armen en nek. Daarboven kwam nogmaals een zeven millimeter dik pak, duikschoenen, handschoenen, een kap, een lamp, en uiteraard niet te vergeten, een loodgordel van om en bij tien kilogram. Als een mislukte astronaut probeerde ik alsnog mijn duikfles op mijn rug te krijgen. Ik stak al waggelend de straat over waarna ik de priemende blik van de vijfentwintig trappen voelde steken in mijn buik. Daar, daar moest ik over en dan was ik bij de zee. Met zo'n dertig kilo extra aan mijn lijf begon ik de klimtocht te trotseren. Hijgend en zwetend kwam ik aan bij het water. Ik keek voorzichtig rond me en zag al snel dat ik niet als enige wat vreemd en ongemakkelijk de waterkant bereikte. Enkele passen verder voelde ik een hand op mijn schouder. De andere hand trachtte mijn duikfles te ondersteunen waardoor het een pak lichter aanvoelde. Ik stapte het water voorzichtig in en tot mijn grote verbazing voelde dat zelfs niet koud aan, integendeel, het was een gevoel dat alle verwachtingen van de betekenis van het woord 'vrijheid' kon overtreffen. De man, die zo vriendelijk was om mij in het water te helpen en mijn volle gewicht te ondersteunen met zijn brede armen, keek me voorzichtig aan en stelde mij helemaal op mijn gemak. Ook mijn vriend zou me niet in de steek laten, hij stond vier meter verder ook wat te waggelen en ongemakkelijk te wezen, maar zijn ogen weken niet weg. “Ben je er klaar voor?”, vroeg de man. Ik knikte. We zakten stilaan weg in het water, hard bijtend op het mondstuk, met hersenen die volledig weigerden om ook maar één hap lucht te nemen, vechtend tegen mijn reflexen tot ik het niet meer hield. In één ruk nam ik, net zoals een pasgeboren baby, zo'n grote hap lucht dat ik er duizelig van werd. En herboren voelde ik mij helemaal. Stil, heel erg stil, geen vervelende vragen, geen nieuwe verbale info, geen telefoons die zo snel als mogelijk beantwoord dienden te worden. Zelfs mijn eigen stem verdween helemaal. De luchtbellen zochten stilaan een weg naar boven en streelden mijn wangen bij het vaarwel zeggen. Een vis kwam parmantig voor mij uit zwemmen. Haar blik vertelde meer dan duizend woorden of tekens. Het leek alsof ze me kwam vragen wat mijn bedoelingen waren. Een dier, dat ik anders koop op de vismarkt, zomaar in de oven stop en met volle smaak mijn maag in pomp om daarna languit en helemaal verzadigd en voldaan de zetel in te ploffen, vond het nodig om nu mijn richting uit te komen en mij er op te wijzen dat ik in haar habitat vertoefde, dat ik het met geen vinger mocht aanraken. En toch, toch tolereerde dat beestje mij. Het kwam in haar geheel niet mijn richting uitzwemmen met de intentie om mij op te eten of mij in een oven te stoppen. Het had er nochtans alle recht toe, want... wat deed ik daar ook al weer? Een kreeft zag hoe ik met mijn golvende bewegingen het ritme van de zee kwam verstoren en hoe mijn lamp in alle richtingen bleef schijnen, zoekend naar leven, zoekend naar een ongekende wereld waar wij van profiteren, een wereld waarin wij niet thuishoren. Hij viel me niet aan, maar kroop bang weg, zo snel als hij kon, angstig en onzeker door de nabijheid van een mens... Een mens dat in zijn ogen beschouwd wordt als een gevaarlijk beest. Een kleine krab had echter wel door hoe zwak wij zijn indien wij buiten onze eigen habitat treden en schrikt er, geheel terecht, niet voor terug om zijn scharen los te laten op een van onze tien vingers. Meerdere malen kreeg ik een waarschuwende blik mijn richting uitgespuwd die ik zomaar, alsof ik was een klein, verzwakt wezen, respecteerde. De manometer vertelde mij na geruime tijd dat mijn lucht uitgeput raakte. Volledig vertrouwend op technologie liet ik mezelf en mijn leven wederom aan wal leiden. Na het horen van de behaalde diepte, kreeg ik prompt geen adem meer. Nochtans hield ik mijn hoofd boven water en was mijn leven niet meer afhankelijk van een rubberen mondstuk. Op twintig meter diepte kreeg ik de eer om kennis te maken met ongekende en ongeziene fauna en flora, die stilaan aan het verdwijnen is als gevolg van ons leven boven het wateroppervlak. Ik, als fervent prater, want als ik in de buurt ben dan hoor je mij altijd, was ineens stil geworden. Ik leerde iets nieuws kennen. Iets dat nochtans al veel langer bestaat dan wijzelf. Alle moeite om in het water te geraken, het dragen van extra kilo's, het sleuren van de duikfles, had allemaal geen belang meer. Elke bestaande moeilijkheid werd nihil, stress en nervositeit leken sinds die dag zo onbenullig als de Mont-Blanc groot lijkt. Zolang de bewoners van het schijnbaar oneindige deel van de wereld, dat overigens door de mensheid niet gezien of benoemd wordt als werelddeel, mij er alsnog toelaten, blijft het water mijn nieuwe thuis, zonder huurgeld, maar wel met het bieden van eerbied en respect.

J. Depoorter
7 1

Thuiskomend

Thuiskomend…   Neerploffend in de zetel Het hoofd zo vol als een overpruttelende soepketel Men denkt: eenmaal de stukjes van de soep gemixt Alles is gefixt. Toch niet altijd het correcte bindmiddel. Vergissing na vergissing Afvragend: What’s missing ?   Draaiend aan de radioknop Ik ‘vraagetaan’ de Fixkes Een oplossing wordt klaargespeeld. Een speling in het hoofd na tijden van miserie. Tijd voor een serie Zap…zap…zap Kijkend naar ‘Mooi en Medogenloos’ Troosteloos aan de koekendoos Mmmm…. De smaak is voos.   Volgende post… ‘Mysterious Ways’ Uitgeplofd in de zetel met een zak milkyways. What a wasting time of my days Dan maar wat CD’s uit de oude doos. De tijdloze 100 uit de Allertijdenmuzieklijst. Een shortlist van de wishlist. Totally lost… Iedere hit, iedere dreun… een geheugensteun   Daarop volgend een ruimte van stilte Rust scheidt het kaf van het koren Helemaal verloren …. Zich afvragend… In wat voor een wereld zijn we nu geboren?   Liedjes van Luc de Vos die ons kunnen bekoren. ‘Mia heeft het licht gezien’ en ‘Het staat in de sterren geschreven’ Doet ons even wegdromen   Eenmaal onderwegen…. Alloo zegt Luc met een knipoog naar Mia In sterren en kometen.   Iedere correcte hoge noot van de stembanden legt de politieke miniminds aan banden. Verbazende blikken … Hoezo?? Een verlichtend nummer van Clouseau : ‘Domino ofzo’ Brigit Bardot …. Ge had het moeten weten… Hoeveel hebt ge der wel nie versleten Volgende groep De ‘Simple Minds’ in vervlogen tijden Songs that left marks on the soul Better than the marks from Marx ….Asshole Een vleugje nostalgie geeft de beste fantasie Een mix van de beste hits. Valt beter in de smaak dan de gemixte soep van commerciele troep.   Moving minds … verder denkend dan de grens Bewandelt het juiste spoor…het juiste pad. Intuitieve teksten worden geschreven over wat men aan onze generatie wil meegeven.      

melissa
3 0

Goede Huisvaders

Smaken verschillen. Maar dat Karl S. een goede huisvader was, viel bezwaarlijk te betwisten. Sinds jaar en dag toonde hij zich doordeweeks een uitstekende werkkracht als ambtenaar op het gemeentehuis, en wijdde hij zich in het weekend met nooit aflatend plichtsbesef aan het vernissen van raamkozijnen, het herstellen van deurklinken en het snoeien van de buxus in de voortuin. Hij had tranen weggepinkt bij het vormsel van zijn dochter en bij de proclamatie van zijn zoon; geen dansoptreden of korfbalwedstrijd van zijn kinderpaar had hij gemist. Woorden met zijn vrouw waren net zo zeldzaam als orchideeën in Vlaanderen. En ook in de ruimere gemeenschap was Karl S. een graag geziene man: hij was het type om – te pas en te onpas, maar altijd even joviaal – met wapperde hand assistentie te verlenen bij parkeermanoeuvres; benefietverkopers vonden ten huize S. een belangrijke afzetmarkt voor lotjes, vanillewafeltjes en marsepein; en ook in zijn jonge jaren als scoutsleider was hij op kampen en weekends altijd al de eerste geweest om onder het eten plots ‘applausje voor de foers’ te roepen.   Het goede huisvader-criterium is niet enkel toepasbaar op familiale kringen, maar ook een ernstig concept in onze nationale rechtspraak. Dat wil zeggen, een rechter moet in sommige gevallen oordelen of een beklaagde heeft gehandeld zoals het een goede huisvader (een ‘verantwoordelijk’ en ‘redelijk’ persoon) past. Karl S. – lang geleden eens als jurylid voor een assissenproces uitgeloot – wist hiervan. Na jaren trouwe dienst op het gemeentehuis was hij er zelfs van op de hoogte dat ook de overheid veroordeeld kon worden indien ze niet als goede huisvader optrad. Vandaar dat hij die avond met verhoogde belangstelling van zijn Duvel nipte toen het nieuwsanker het item over de Klimaatzaak inleidde.   Hoewel je hem allerminst van activisme kon verdenken, lieten milieu, klimaat, natuur en ecologie Karl S. niet helemaal koud. In hoeverre al die termen synonym waren en of de verscheidenheid eraan wees op de complexiteit van de Schepping dan wel op de rijkdom van de Nederlandse taal, hij wist het niet; wat hij wel wist, was dat hij bij het snoeien van de buxus het ruisen van de snelweg hoorde, dat ‘SMOG-alarmen’ een terugkerend fenomeen waren geworden, dat aan België de titel toekwam van wereldwijde filekampioen, dat er bespaard werd om te investeren in oplossingen die bij voltooiing achterhaald zouden zijn en dat de kosten van dat alles intussen steeds meer doorgerrekend werden tot in de gezondheidszorg. Weken later had hij met een nieuwe Duvel naar een goednieuwsshow over lage brandstofprijzen zitten kijken, om nog een maand nadien argeloos de bus te nemen en 4 haltes later 3 euro armer af te stappen. Voor dat bedrag had hij met zijn dieselwagen makkelijk van Antwerpen tot Gent kunnen bollen, niet gehinderd door een noemenswaardige accijns of kilometerheffing – hoewel vermoedelijk toch opgehouden door stapvoets, gesubsidieerd bedrijfswagenverkeer ter hoogte van de Kennedytunnel. In het licht van de 3 euro voor een ticketje van De Lijn begreep hij nu plots wel waarom minister Weyts op de noodzaak van een lederen zedelbekleding had gewezen, al vond hij dat daarnaast ook koffie en koekjes redelijkerwijs in die prijs inbegrepen zouden moeten worden. Als goede huisvader had Karl S. dit alles overwogen. Veel van wat hij deed, had tot doel een mooie toekomst voor zijn kinderen te verzekeren. Het scheen hem toe dat, als vanillewafeltjes bij overmatig gebruik plots erg schadelijk bleken, hij zou afstappen van dat sinds lang beproefde recept en zijn schatten de iets progressievere brownies, waarmee de naar verluidt wat dromerige jeugd wel eens kwam leuren, zou voorschotelen. Bovendien vond hij de wens van zijn twee kinderen om oud te worden en (klein)kinderen op te voeden in een wereld met seizoenen en hier en daar een stukje groen nog niet zo gek. Want hoewel ze een jaar of acht geleden tot zijn grote spijt een soort van groene scouts boven de Baden Powell-versie hadden verkozen, was die wens toch geen geradicaliseerd discours maar een redelijk en legitiem verlangen.   Met macht komt verantwoordelijkheid, zoals Karl S. zich bij de opvoeding van zijn twee oogappels donders goed had ingeprent. En wie al jarenlang als goede huisvader heeft opgetreden, verwacht dat ook al wel eens van een ander. Dus toen hij hoorde dat de overheid, die snoeit in openbaar vervoer en investeert in meer beton, in de eerste plaats ‘de burger’ op zijn plichten wees, kreeg hij het toch even te kwaad. Wanneer een dag of twee na de bewuste busrit bleek dat de Klimaatzaak voort zou procederen, trok hij zijn stoutste schoenen aan en werd mede-eiser. Akkoord, BV’s waren nooit helemaal zijn ding geweest; maar nu de boodschapper iets nuttig vertelde, en zijn naam in elk geval niet Dimitri Bontinck was, had het weinig zin er op te schieten.

Lennert
5 0

Maanziek, fragment 3 uit het boek 'Maanziek'

Wat voorafging... Mathis en zijn beste vriend Axel brengen de laatste vakantiedag door in het zwembad. Wanneer ze de spectaculaire waterglijbaan 'Moonstruck' willen uitproberen, krijgt Mathis een onbehaaglijk gevoel... Ze krijgen een uitnodiging om deel te nemen aan een 'piratenzoektocht' en gaan daar gretig op in... 'Er is maar één regel die jullie moeten naleven', zegt de krakende stem door de luidsprekers. 'En dat is dat degene die het langst weet te overleven, de wedstrijd wint.' Op het schip valt een doodse stilte. Dan, vanuit het niets, komen er hoge golven opzetten. Ik schrik me een ongeluk wanneer Axel in het duister vlak naast me begint te fluisteren. 'Brr, wat een enge vent was dat. Wat zou hij bedoelen met degene die het langst weet te overleven? Krijgen we drie levens, zoals in een computerspelletje?' Zijn stem sterft stilaan weg en het enige wat ik nog kan horen zijn de rollende golven die tegen de rand van het schip slaan. Mijn intuïtie vertelt me dat dit niet in de haak is, alsof er iets vreselijks op het punt staat te gebeuren. Ik kijk omhoog en zie hoe donkere, dreigende wolken zich samenpakken. Wolken? Maar we zijn toch binnen? 'Mathis, wat moeten we nu doen?' Ik hoor de angst in Axel's stem, ook al probeert hij die zo goed mogelijk te onderdrukken. 'Zullen we maar gewoon naar de kant proberen te zwemmen?' Het zwembad is ondertussen veranderd in een zwarte kolkende massa. Een woeste stormwind blaast mijn haren in de war en laat het verrotte kraaiennest gevaarlijk wankelen. Ik schraap mijn keel. 'Ja, dat lijkt me een goed...' Een bliksemflits doorklieft de lucht en nog geen halve seconde later teistert de donder mijn trommelvliezen. Wat mij betreft mag het ophouden. Dit was genoeg avontuur voor vandaag. Op dat moment boort een tweede bliksemschicht zich midden in het scheepsdek. Een luide knal, gevolgd door een felle lichtflits. De houten kratten vliegen in brand en binnen een paar tellen is het hele bovendek veranderd in een vlammenzee. Axel knijpt hard in mijn bovenarm. 'Mathis, we zinken!' De derde blikseminslag raakt een houten ton die recht in het gezicht van een meisje ontploft. Ze wankelt achteruit en valt over de reling van het schip. Haar gegil stopt abrupt wanneer ze het kolkende water raakt. Het geroep van Axel trekt mijn aandacht. Door de klap verloor hij zijn evenwicht en nu klampt hij zich met beide handen vast aan de mast. Wanhopig probeert hij zich weer op het wiebelende kraaiennest te hijsen. 'Snel, grijp mijn hand!' schreeuw ik hem toe. Ondertussen zakken we alsmaar dieper het water in. 'Het lukt me niet!' Ik strek mijn hand nog een stukje verder uit. Kom op, nog een paar centimeter... Dan zie ik het. Een donkergrijze, rechtopstaande driehoek. Een haaienvin, recht onder Axel. Mijn hart slaat een slag over. 'Klim erop!' gil ik in doodsangst. Maar door het schommelen van het schip is hij nog verder naar beneden gezakt en hangt nu zo'n anderhalve meter onder het platform. Dit lukt me nooit, schiet er door mijn hoofd. Maar wat er dan zal gebeuren, daar wil ik niet aan denken... Het water onder ons is gevuld met haaien die dreigend in rondjes zwemmen. Hoe ben ik hier toch in beland?! Dan hoor ik een scheurend geluid en een door merg en been gaand gegil. Axel vecht voor zijn leven terwijl het bloed uit de diepe wonden in zijn been stroomt. We hadden nooit mogen deelnemen aan die domme wedstrijd. Dan springt één van de haaien op uit het water. Met zijn reusachtige, vlijmscherpe tanden grijpt hij Axel bij z'n middel en trekt hem mee de diepte in. Samen vallen ze omlaag, recht in een plas felrood bloed. Dat is het laatste wat ik van mijn beste vriend zie... Met een schok word ik wakker van mijn eigen gegil. Wil je meer lezen? Maanziek, fragment 1: http://azertyfactor.be/tekst-lezen/5721/maanziek-fragment-1-uit-het-boek-maanziek Maanziek, fragment 2: http://azertyfactor.be/tekst-lezen/5760/maanziek-fragment-2-uit-het-boek-maanziek Blijf je graag op de hoogte van de avonturen van Mathis? Volg 'Maanziek' dan op Facebook (Maanziekhetboek) en Twitter (Maanziek_boek)

Eva Linden
4 0