Lezen

ik bof dat ik een kikker ben

‘Ik bof dat ik een kikker ben’   Schrijvers vinden in mij een gretige lezer. Gulzig als ik ben, lees ik zowat alles wat me onder ogen komt: gedichten, romans, tijdschriften, recepten, gebruiksaanwijzingen, kranten, ja ook wc-papier, reclame en zelfs onderschriften. Bovendien lees ik wanneer het maar kan; geen minuut gaat verloren. En eens de voorraad lectuur geslonken is, ga ik op boekenjacht in boekhandels, op onze leeszolder, op rommelmarkten of in de bib. De dag begint voor mij, zoals voor zovelen, in de badkamer. Lekker gedoucht en met iets moois aan zet ik de race in naar de brievenbus. Bij het ontbijt lees ik steevast de krant, De Standaard. Tijdens het weekend komen daar De Morgen, De Volkskrant en NRC Handelsblad bij. Samen met mijn huisgenoten behoren wij tot het selecte gezelschap van eetlezers. Vroeger thuis mochten we van onze ouders niet lezen aan tafel. Intussen is het bij ons thuis een ongeschreven regel om wel te lezen bij het eten; Remco Campert gaf dat de toepasselijke naam ‘eetlezen’ mee. Op schooldagen krijg ik werk van leerlingen op mijn brood en ook verslagen van vergaderingen, de SPT-nieuwsbrief en ander minder tot de verbeelding sprekend leesvoer. Als tegenwicht kies ik dan, meestal ’s avonds laat, voor een gedicht of een boek. Staat mijn neus naar literatuur, dan wordt het Hugo Claus of Oscar van den Boogaard, Leo Pleysier of Walter van den Broeck, Esther Verhoef of Charlotte Mutsaers. Ben ik ‘voor niets anders goed’ dan ‘verstand-op-nul’, dan wacht Feeling, Facebook of een dom verhaaltje. Op zo’n momenten ben ik ook wel te verleiden tot wat tv-kijken. Of geef me in dit geval nog liever tekeningen van grote illustratoren zoals kikker-tekenaar Max Velthuys, Klaas Verplancke of Ted van Lieshout. Uren kan ik ernaar kijken. Zeg maar dat ik tijd te kort kom: het liefst van al zou ik (bijna) altijd lezen. Gelukkig leven wij ook tussen de boeken en kan ik er altijd bij. Als me toch nog het gevoel bekruipt dat er niks in huis is, brengt de bibliotheek redding: de Warande is op fietsafstand. Bovendien zijn er ook nog twee boekhandels in de buurt of vind ik wat fraais op een of andere rommelmarkt. Minstens een keer per week koop of krijg ik een boek en af en toe vind ik er een in onze eerder geciteerde brievenbus. Geregeld brengt de postbode me immers lees-werk, een boek dat ik mag lezen om te bespreken voor iedereenleest.be of Kunsttijdschrift Vlaanderen. Als je van een microbe bezeten bent, wil de volksmond wel eens beweren dat ze je tweede natuur is. Lezen is mijn tweede natuur, zoiets. Welnu, voor de leesmicrobe wil ik graag tekenen, levenslang.   Alice 26 okt 2010/ 16 okt 2011, in een schrijfproject met vierdejaarsleerlingen ASO  

Alice
0 0

De passie van de Parfumeur

Pas op zijn sterfbed vertrouwde de Parfumeur zijn zoon het geheim toe. Hij liet de jongen bij zich komen en vroeg hem een plastic zak mee te brengen. Verbaasd voldeed hij aan zijn vaders verzoek. Met zijn zoon naast hem gezeten, begon de oude man te vertellen. ‘Luister, jongen. De basis van mijn parfums bestaat voornamelijk uit water en toevallige kruiden. Wat ze echter zo speciaal maken en wat de mensen terecht bestempelen als een herkenbaar maar vreemd luchtje, is het erin verwerkte tinctuur van menselijke extracten.’ Hierop fronste de zoon de wenkbrauwen, zijn lippen weken reeds uiteen om een vraag te stellen, doch de Parfumeur snoerde hem de mond met een afwijzend gebaar. ‘Nee, ik ben geen Grenouille. Op zolder liggen weliswaar honderden exemplaren van ‘Het Parfum’ van Patrick Süskind: attenties van klanten die me op een originele manier wilden bedanken voor de exquise odeurs waarmee ze zich elke morgen konden besprenkelen. Parfums waardoor ze zich zodra de eerste druppel hun oorlel raakte, succesvol voelden, uniek, aantrekkelijk, betrokken, geïnspireerd, gewaardeerd. Nee, nee, moord zou me niets opgeleverd hebben. Integendeel, de meest fascinerende feromonen distilleerde ik uit de lucht van de levenden. Ach, de ademstoot van de atleet, het balsem der beweging!’ Bij deze woorden verwijdden de neusvleugels van de Parfumeur zich en het was alsof hij zich de geuren niet alleen herinnerde, maar ook effectief opnieuw kon ruiken. ‘Met de minuscule stoffen die hun longen vrijgaven, stelde ik de meest explosieve boeketten samen,’ vervolgde hij. De zoon merkte hoe de stem van zijn vader op dat moment zwakker begon te klinken, het vertellen leek hem uit te putten. ‘Vader,’ zei hij, ‘Wellicht wilt u even rusten. Zal ik later terugkomen?’ De oude man voelde zijn krachten echter snel afnemen. Bevangen door de urgentie van het moment, hij had de formules nog niet volledig geopenbaard, verzocht hij zijn zoon te zwijgen en te luisteren. De Parfumeur beschreef daarop hoe hij in zijn jonge jaren vaak ging wandelen in het park. Daar werd hij meer dan eens uit zijn gedachtegang opgeschrikt door voorbijflitsende fietsers en joggers. Het viel hem op dat nog lang nadat de renners uit het zicht verdwenen waren, hun geur zich als een trage, onzichtbare sluier leek te ontrollen. En terwijl hij door die optrekkende nevels van uitgewasemde prestaties slenterde, was het alsof hij toegang kreeg tot het persoonlijk domein van de passanten. Hij werd overmand door emoties van doortastendheid, verbeten volharding, euforie. Een plastic zak die toevallig rond een bank dwarrelde, had hij in een opwelling opgeschept en dichtgeknoopt vooraleer de wind eruit kon ontsnappen. In zijn labo thuis hevelde hij de gevangen geuren over in een systeem van buisjes, flacons, dampvaten en distillatietubes - een complex gebeuren dat hij niet helemaal in de hand had maar dat gestuwd werd door een niet aflatende scheppingsdynamiek. Het resultaat was adembenemend, aldus de Parfumeur, en hij had het proces in de loop der jaren steeds verder op punt gesteld. Zijn ogen schitterden en de gelige schijn die reeds in zijn gelaat was getrokken, lichtte oranje op. De hernieuwde energie was slechts van korte duur. Net had hij de juiste opstelling en verdeling van de elementen aan de jongen toevertrouwd, of hij blies zijn laatste adem uit. De zoon prees zich later gelukkig dat hij de zak nog net op tijd over het hoofd van zijn vader had weten te trekken. Niet lang daarna fabriceerde de erfgenaam zijn eerste meesterwerk, een gloedvol parfum waarin de klanten een onsterfelijke passie meenden te herkennen.

Ruth A
0 0

De acteur.

Ik werd wakker na slechts een paar uren van halfslaap en toen de zon al het hoogste punt gepasseerd was. Naast mij lag de acteur, snurkend en met een zweetschijn op zijn gezicht. In het volle daglicht was zijn appartement maar een armzalig rommeltje dat me deed terugdenken aan de studentenkoten van weleer. Een doek voor het raam dat moest dienen als gordijn. Een goedkope kitchenette van de living gescheiden door een overjaars kralengordijn. Het bed bestond uit twee paletten met daarop een oude matras en smoezelig beddengoed. Over de woonkamer verspreid halflege koffietassen met oude peuken er in en schimmel, lege flessen wijn en een eenzame kamerplant die op sterven na dood was. Ik stelde me voor dat hij die cadeau had gekregen van één of andere vrouw die als een missiezuster verlopen types onder haar vleugels nam om zo de aandacht af te leiden van haar eigen ellende. Zo’n vrouw die vastbesloten gezelligheid nastreefde en in chakra’s geloofde. Soit, mijn zaken niet. Ik speurde het salontafeltje af op zoek naar nog een restje coke van de nacht of de ochtend daarvoor maar moest me tevreden stellen met een sigaret. Ik rookte ze op in mijn blootje, zittend op het bed. Voor mijn plezier pookte ik met mijn wijsvinger in de bovenarm van de acteur, maar hij bewoog niet. Het zou nog wel een paar uur duren voor die zijn roes had uitgeslapen. Ik duwde mijn sigaret uit op de grond en zocht mijn kleren bij elkaar. In mijn handtas vond ik mijn deodorant en een haarelastiekje. Als om het lot te tarten luisterde ik nog even naar de opname die ik de nacht ervoor met mijn telefoon had gemaakt. De stem van de acteur was duidelijk herkenbaar en hij leek behoorlijk nuchter. De avond ervoor hadden we elkaar ontmoet op een receptie in het cultureel centrum van een uit de kluiten gewassen gemeente ergens diep in de provincie. Een aantal amateurgezelschappen was er voor een jury verschenen om een plaatsje in de selectie voor het Landjuweel af te dwingen en de acteur was zo vriendelijk geweest het voorzitterschap te aanvaarden. Ik had mijn functie als redactrice bij een roddelblad gebruikt om me toegang te verschaffen tot het kringetje van de intimi na afloop. Veel stelde het niet voor: een verrassingsbrood met flets beleg, wijn van inferieure kwaliteit en pintjes uit het flesje. Mijn voorbereiding op de avond had bestaan uit een bezoek aan de kapper en de aanschaf van een flatterend jurkje in een modieuze boetiek. Eronder zwarte pumps met naaldhakken, zodat ik langer en slanker leek dan ik werkelijk was en die me tot langzaam, plechtig schrijden noopten. Het was de bedoeling dat mijn subtiele mondaine voorkomen zou contrasteren met de gedateerde outfits van de amateuractrices die tijdens de receptie ongetwijfeld en masse de aandacht zouden proberen trekken van de acteur. Ik was ouder, en alhoewel moeder natuur genadig was het geweest als het op mijn huid aankwam kon ik niet meer de jeugdige frisheid en bijhorende naïviteit van twintigers etaleren. Ik moest inzetten op mysterie, verfijning, dat ongrijpbare je-ne-sais-quoi uitstralen om die kwetterende, gewillige amateursletjes in skinny jeans en op ballerina’s de loef af te steken. Ik had ook Jacques opgetrommeld om me gezelschap te houden. Ik had een vriendin kunnen vragen, maar dan had het risico bestaan dat de acteur meer interesse in haar zou vertonen. Neen, dan liever de onvermijdelijke homo. Ongevaarlijk en niet bedreigend, en het onderstreepte nog eens mijn allure van vrouw van de wereld. Hij had niet gewild eerst, toen ik het hem vroeg. ‘Allez, meiske’, had hij gezegd. ‘Amateurgezelschappen. En dan nog in zo’n boerengat. Ge zijt niet goed bij uw hoofd zeker, dat ik daar mijn zaterdagavond ga doorbrengen?’. Met het nodige gevoel voor drama had ik aan de telefoon gefluisterd: ‘Maar hij zal er zijn!’. Toen ik de naam van de acteur had laten vallen bleef het even stil. Daarna zachtjes: ‘Maar meiske toch. Dat gij nu nog altijd …. Enfin, het is al goed, ik zal wel mee gaan.’ De avond zelf observeerde ik de jonge dames die hun meisjesheid nog niet helemaal van zich hadden afgeschud en die iets te gretig en nadrukkelijk het gezelschap van de acteur opzochten. In groepjes van 2 of 3 vriendinnen cirkelden ze rond hem heen, steeds dichter. Alsof hij het middelpunt was van een draaikolk waar ze onvermijdelijk naartoe werden gezogen. Ze vonden zichzelf heel wat, omdat ze ooit in een kleine cinema een film hadden gezien van 20 jaar geleden waar hij in mee deed. Alsof dat van hen wereldwijze culturo’s maakte. Nu ja, veel meer dan die reputatie had de acteur ook niet om op te teren. Kalend, een beginnende bierbuik. Al moet ik toegeven dat hij in al die jaren nog niet veel had ingeboet aan aantrekkelijkheid. De meisjes droegen hun haren lang, hun tailles waren smal en hun buikjes strak. Alleen – en dat konden zij niet weten – had de acteur hun soort al veel te veel gezien. Hij wist hoe het was om naast zo’n grietje te ontwaken en hoe onmogelijk het was haar duidelijk te maken dat er niets meer in zat dan deze ene nacht. Wat hij ook zei, ze zou aan hem blijven vastzitten als stront in een geribbelde schoenzool. Hij had er eenvoudigweg de fut niet meer voor, om aan de nasleep van een avontuurtje van één nacht uren en dagen kwijt te zijn aan troostende en ellenlange telefoongesprekken. Weken nadien flakkerde het drama soms opnieuw op, terwijl hij al moeite moest doen om zich haar naam te herinneren. Maar wisten zij veel. Jacques had zich die avond als een volleerde chaperonne gedragen. Bestelde mijn drankjes aan de bar, zorgde voor afwisseling tussen alcohol en water. Open en hartelijk als hij was sloeg hij bruggen tussen ons en de rest van het gezelschap, het leek er bijna op dat we ons amuseerden. Mijn homoseksuele vriend was zoals het cliché het wil: flamboyant tot het bijna platvloers was. In dit provinciegat zette hij zichzelf te kijk als een zeldzaam edoch aaibaar dier in deze mensenzoo. Waar wij stonden, daar ging het er luidruchtig aan toe, met veel gekir en lachsalvo’s. We trokken de aandacht naar ons toe, en af en toe voelde ik de blikken van de acteur die onderzoekend onze richting uitkeek. Het werd later en nu zou het niet lang meer duren nu voor zijn entourage en die waar ik mij toevallig in bevond zouden samensmelten, zoals twee sterrenstelsels van op afstand gezien schijnbaar zonder conflict en met schone effecten in elkaar opgaan. Het gebeurde. Jacques manoeuvreerde mij onmerkbaar tot ik me naast hem bevond, brak het ijs zoals hij dat kon. Eindelijk raakten we aan de praat, hij en ik. Ik zachtjes en gereserveerd, hij nieuwsgierig, geïntrigeerd. Het was van belang dat ik mijn mysterie bewaarde, zodat zijn dadendrang geprikkeld werd. Anderen probeerden nog wel zijn aandacht te trekken, maar dat lukte niet meer. Uiteindelijk gaven ze het op, trokken enkel nog aan zijn mouw ter afscheid. Verstrooid keek hij dan op, bedankte de ander kort voor de komst en dat ze – jaja – gauw nog eens moesten afspreken. Jacques was er discreet vandoor gegaan, had nog even gezwaaid toen hij al bijna bij de deur stond. Dat had betekend: nu is het aan jou, en verder wil ik er nooit meer iets over horen. Ik had die avond een grote schuld bij hem opgebouwd, dat wisten we allebei. En Jacques was niet het type om daar geen gebruik van te maken. Zorgen voor later. Toen de zaal quasi verlaten was stuurde ik de acteur zachtjes en ongemerkt de fuik in. Hij had immers te veel gedronken, het was beter dat hij met mij mee reed. We woonden in dezelfde stad, het was niet meer dan logisch. Meer aanmoediging had hij niet nodig en in het donker stapten we samen de parking op. Mijn auto was compact maar comfortabel, ik had een CD opgezet uit ‘zijn tijd’. In het duister van de auto en de eenzaamheid van de onverlichte snelweg groeide de vertrouwelijkheid. In deze kooi van Faraday leken wij de enig overgebleven zielen op de wereld en deze illusie spoorde ons aan tot een vreemde soort intimiteit. Wij dachten dat deze nacht altijd zou duren. Hij dacht dat deze nacht altijd zou duren, en ik was gretig om hem in dat geloof te steunen en aan te moedigen. Hij had een waterkansje gehad om mijn mededogen op te wekken, maar die had hij verkeken toen in zijn ogen geen enkele glimp van herkenning flikkerde op het moment dat Jacques in de cafetaria mijn naam liet vallen. Geen enkele. Ik was de eerste om toe te geven dat ik in niets meer leek op het jonge studentje van 20 jaar geleden, maar de teleurstelling bleef erg bitter. In mijn laatste jaar aan de universiteit had ik me opgewerkt tot verantwoordelijke eindredactrice voor de cultuursectie van de universiteitskrant. Hij stond toen op de rand van de doorbraak, zo wisten de kenners achteraf. Hij had net de hoofdrol gespeeld in een film die niet enkel door binnenlandse critici geroemd zou worden om het uitzonderlijke samenspel tussen acteur en regisseur, maar ook in het buitenland op allerhande festivals enthousiast onthaald zou. In de korte tijdspanne tussen het afwerken van de film en de doldwaze carrousel die op gang zou komen vanaf de première, in dat vacuüm van tijd was hij makkelijk bereikbaar geweest. Ik had hem geïnterviewd, en kort na de publicatie kwamen we elkaar enkele keren tegen op café. Wat er aan had zitten komen, voltrok zich. Hij, bijna een decennium ouder dan ik en barstend van jongensachtige charme. Ik, een vat vol jeugdige onzekerheid, grote dromen en het product van een beschermde opvoeding. Onervaren als het op mannen en relaties aan kwam, misvormd door de grote romantische woorden in de boeken die professoren op mijn leeslijst hadden gezet. Verder verknipt door het gulzig bekijken van films en series die me opzadelden met hun kinderachtige kijk op de liefde. Dat ik op een nacht mijn maagdelijkheid aan hem verloor had voor mij de betekenis gehad van een mystiek huwelijk, en in niets was ik voorbereid op wat onvermijdelijk zou volgen. Natuurlijk liet hij na die 2 of 3 weken die we voornamelijk in bed doorbrachten niets meer van zich horen. Natuurlijk verscheen hij op de première van zijn film niet met mij aan zijn zijde. Wel met een presentatrice die ’s avonds op een muziekzender videoclips aan elkaar praatte. Dat was nog eens iets anders dan een redactrice met pluizig haar en een tuttige garderobe. Terwijl ik verder wegzakte in het zwarte drijfzand van een depressie, reeg hij de triomfen aan elkaar. De film werd in het binnenland een groot succes, en sprak zowel de cultuursnobs aan als mensen die gewoonlijk kozen voor oppervlakkiger vertier. Er waren dagen dat ik 2 of 3 keer ging kijken, het was in die tijd nog het enige waarvoor ik de deur uit ging. Zijn charme was luchtig, jongensachtig, moeiteloos en overweldigde me telkens weer in het artificiële duister van de cinemazaal. De camera was zijn vriend, de regisseur was zijn vriend, het scenario was hem op het schone lijf geschreven. Hij begon op te duiken in de weekendbijlages van kranten waar hij poseerde in dure pakken die stylisten voor hem hadden uitgekozen. Daarnaast een interviewtje over de moeilijke passages in zijn jeugd, de dood van zijn vader. Men wilde weten waar hij at, wat hij las en welke programma’s op TV hem het meest bevielen. Men wilde hem de kleren van het lijf rukken en in zijn vel kruipen. Ik maakte ondertussen kennis met het soort verdriet dat uiteindelijk onmerkbaar overgaat in waanzin. Na de binnenlandse zegetocht begon de verovering van Europa. Locarno, Berlijn, Venetië, Cannes. Vanuit de Zuid-Franse badstad werd in de vaderlandse media bericht over de feestjes waar hij heen ging, met wie danste, praatte en tenslotte met wie hij in welk hotel de nacht doorbracht. Het was dan ook voor niemand een verrassing toen hij tijdens een laatavondpraatshow aankondigde dat hij Antwerpen definitief inruilde voor Hollywood, waar hem een belangrijke bijrol was aangeboden in een pseudo-intellectuele actiefilm. En dat nog wel door een regisseur die zeer hip & happening was, en controversieel door het vele geweld waarmee hij zijn films doorspekte. De combinatie was gedoemd tot succes. En ja, ook Amerika viel massaal voor zijn charisma en zijn gecultiveerd ondeugende blik, zijn Europese savoir-vivre en zijn Frans klinkende artiestennaam. Hij promoveerde van bijrollen naar hoofdrollen, van B-lister naar prominente A-lister inclusief het huis met zwembad en meerdere badkamers in Beverly Hills. De zon in zijn leven was vastgepind op de zenith. En toen verdween hij plots naar de achtergrond. Hij verscheen niet meer in films, bleef weg van feestjes, rode lopers, praatprogramma’s. Niemand die wist waarom, of toch zeker niet het fijne van de zaak. In het begin van zijn verdwijning werd hij vreemd genoeg zelfs niet gemist, het was alsof hij met een reusachtige gom uit het collectieve geheugen was weg gevlakt. Zijn plaats was ondertussen al weer ingenomen door het nieuwe snoepje van de dag, iemand die frisser was, onbekender. Iemand waar nog niemand met zijn vuile vingers had aan gezeten, en die niet liever had dan ondervraagd te worden op TV door blondines met afgetrainde lijven en opgerekte mondhoeken. Het was pas enige tijd later geweest dat men zich realiseerde dat er van de acteur weinig of geen spoor meer te vinden was. Zijn huis was verkocht, zijn agent verklaarde dat de acteur hem een jaar of wat geleden had gevraagd om tijd voor zichzelf (meestal een eufemisme voor een opname in een afkickkliniek) en dat hij wel nog een paar keren met zijn cliënt had gebeld maar dat het contact stilletjes aan was verwaterd. Nu was de mysterieuze verdwijning van de acteur plots wel nieuws, en nader onderzoek door journalisten bracht voorlopig weinig aan het licht. Er was sprake van een politieverslag waar hij genoemd werd als dader in een geval van slagen en verwondingen, de naam van het slachtoffer bleef onbekend. Er werd gefluisterd maar nooit bevestigd dat hij de dochter van een diplomaat zou hebben toegetakeld. Sommigen gingen zelfs zo ver te beweren dat het zou gaan om de dochter van een bevriend staatshoofd. Ook deze beweringen bleven zonder hard bewijs, van de acteur vond men voorlopig geen spoor terug. Het mysterie kon niet worden opgelost binnen een aanvaardbare tijdspanne en het publiek verloor bijgevolg alweer de aandacht. Het was pas vele jaren later dat de acteur, nu ex dus, opnieuw boven water kwam. In zijn geboortestad nog wel. Omdat het al zo lang geleden was en zijn ster al ferm getaand veroorzaakte zijn terugkomst niet meer dan een rimpel in de sociale vijver van de stad. Ik kwam er achter toen hij achteloos vermeld werd in een artikeltje in De Streekkrant over beroemde stadsgenoten. Iets over een café dat werd geopend en waar hij pinten had getapt. Ik vroeg hier en daar rond aan bevriend artistiek volk. Hadden ze hem gezien? Gesproken? Had hij iets gelost over waar hij al die jaren geweest was? Het enige dat ze me konden zeggen was dat de acteur niet veel loste. Hij wimpelde hun vragen af, leefde van wat luizige jobkes, scharrelde wat. Heel af en toe viel hem een kleine, weinig deining veroorzakende regie-opdracht te beurt. Het mysterie bleef, maar het scheen niemand genoeg te intrigeren om op zoek te gaan naar antwoorden. Amateurgezelschappen, waarvan de oudere leden zich hem nog herinnerden van toen. Ze hoopten dat zijn vermeende prestige op hen zou afstralen en voor publiek zou zorgen. En daarbij, zo luidde het laatste argument altijd: hij vraagt niet veel. Ik wilde wel het verhaal boven halen. Onderweg in de auto liet ik vallen dat ik toevallig wat coke op zak had. ‘Amai,’ antwoordde hij. ‘Dat is echt lang geleden dat ik dat nog deed. Is ’t goeie?’. Ik trok een wenkbrauw op. ‘Natuurlijk’, zei ik, speels verontwaardiging veinzend. We stopten bij het binnenrijden van de stad nog bij de nachtwinkel. Rode wijn, koud bier, sigaretten. Achteloos gooide ik een pakje condooms op de toonbank. ‘Doe dit er ook nog maar bij’. De acteur keek even opzij. -          Je hebt precies nog grote plannen vanavond. -          Ik zei toch dat het goeie coke was, fluisterde ik terug. In zijn kleine flat legde ik eerst twee lijnen voor ons klaar, rolde een bankbiljet en snoof geroutineerd het spul op. Hij volgde dat voorbeeld waarna we ons achterover lieten zakken in de fauteuil. -          Zeg, een vrouw zoals jij … Waarom ben jij nog alleen eigenlijk? Ik grinnikte. Van zijn eerste cliché was hij precies ook nog niet doodgevallen. Ik haalde mijn schouders op. ‘Gewoon,’ zei ik. ‘Ik heb het wel geprobeerd. Ik ben zelfs ooit bijna getrouwd, maar op het laatste moment zag ik dat dan toch precies niet echt zitten’. Half berekend, half oprecht vertelde ik mijn verhaal. Als ik hem mijn geheimen onthulde zou hij geneigd zijn hetzelfde te doen. Ik hoefde niets aan te dikken of te dramatiseren. Het verhaal kwam vanzelf. Het stokken van mijn stem was echt, de tranen waarmee ik mijn wedervaren eindigde hoefde ik niet te veinzen. Het begon banaal genoeg, toen ik tijdens mijn laatste jaar aan de universiteit hals over kop verliefd was geworden op een man die een tiental jaar ouder was. Hij wist van wereld, ik wist nog van niet veel en was er natuurlijk van overtuigd dat het altijd zou blijven duren. In het begin vreesde ik nog even dat hij zich zou herkennen in de details die mij zo helder voor de geest stonden, alsof er toen beelden in hoge resolutie van waren geschoten en die in al die tijd nog niets aan scherpte hadden ingeboet. In zijn geheugen waren die paar weken die wij samen door hadden gebracht opgeslokt door de zwarte gaten van de tijd. Zinnen en woordjes die mij toen vervuld hadden met vreugde en hoop, maar die ik nadien niet meer kon horen zonder dat mijn maag keerde. Ik wist nog wanneer en hoe, ik hoorde nog de klank van zijn jonge stem. Was het de drank? De coke? De nacht? In elk geval, hij leek zich niet te herkennen in mijn verhaal. Hij gaf geen krimp, alsof het niet over hem ging. Ik begon een beetje te huilen toen ik vertelde hoe mijn grote liefde na een paar weken uit mijn leven verdween zonder drama of deuren die pathetisch werden dichtgeslagen. Het gebeurde geruisloos zodat het voor mij onbegrijpelijk was. Op een avond had hij ‘tot morgen’ gezegd, maar die morgen was nooit gekomen. Hij had simpelweg de draad van zijn leven opgepakt, en ik was niet meer geweest dan een intermezzo. - Wat een klootzak zeg, hoorde ik de acteur zeggen over zichzelf. En je kon die kerel niet bellen? Ik herpakte me, slikte een pijnlijke brok weg en schraapte mijn keel. Ik had gewacht, die dag. Dat hij een uur later dan afgesproken opdaagde was een gewoonte die ik hem op termijn wel zou afgeleerd krijgen. Het was al laat in de namiddag toen het besef daagde dat ik hem niet meer zou zien. Ik ging hem zoeken in de cafés waar hij rondhing, maar niemand had hem gezien. Ik had het adres van zijn moeder waar hij officieel verbleef, maar dat was in een andere stad en ik had het lef niet om hem tot daar achterna te gaan. Ik beperkte me tot wachten en huilen tot mijn vel open lag, weigerde mijn bed uit te komen. Domme gans als ik was, bleek ik ook nog eens zwanger. Eigen schuld natuurlijk, want in mijn enthousiasme alle geneugten van de nieuwe ervaring die seks was te proeven had ik tegen mijn gewoonte in elke vorm van voorzichtigheid zonder meer overboord gegooid. De paar vriendinnen waar ik tot voor kort mee was opgetrokken waren in hun gat gebeten dat ik ze al die weken verwaarloosd had en gaven niet thuis. Wellicht speelde jaloezie ook een rol. Afspreken wilden ze pas doen als de examens afgelopen waren. Ik vermoed dat ik hun kille reactie had verdiend. In elk geval, hun afwijzing was de laatste druppel. Ik ademde nog eens diep en gooide de rest er allemaal uit: dat ik eerst een fles tequila had gedronken en daarna de fles ontstopper die onder de gootsteen stond. Een kotgenoot had me gevonden, het was geen prettig zicht geweest. Weken had ik in het ziekenhuis gelegen met een kapotte slokdarm en ouders aan mijn ziekbed die hun teleurstelling probeerden te verbergen. Het beginnende kind mijn buik had de stuk of 4 operaties die nodig waren om mijn beschadigde ingewanden op te lappen niet overleefd. De acteur deed een halfslachtige poging om me te troosten en wilde zijn arm om me heen leggen. Ik reageerde heftig, schreeuwde dat hij, ja hij! me met rust moest laten. Bijna had ik het verkloot. Ik excuseerde me, zei dat het me na al die jaren toch nog veel deed. Het lag niet aan hem, ik moest gewoon wat kalmeren. Een sigaret, een glas, nog een lijn. Toen zag ik mijn kans schoon. Ik vroeg naar zijn ervaringen in de States, liet hem vertellen over wie hij allemaal had ontmoet. De drank en de coke maakten hem spraakzaam en zeker van zijn stuk. Hij wilde opscheppen, bij mij in de smaak vallen en ik plaveide de weg voor hem met vleierijtjes en valse bewondering. Toen kwamen we bij het moment van zijn verdwijning en hij stokte. Ik drong aan, schonk hem nog wat bij. ‘Komaan, ik heb jou ook mijn grootste geheim verteld. En dat was ook niets om trots op te zijn. Daarbij, tegen morgen zijn we het allebei vergeten als we zo doorgaan!’. Hij gaf toe, waarschijnlijk opgelucht verlost te zijn van een last die hem al jaren bezwaarde. Het verhaal gulpte eruit. Op een avond had hij - meer uit verveling dan uit goesting - een jong, zwart straathoertje opgepikt en was met haar naar een motel gereden. Op de kamer had ze uit haar handtas een zakje met wit poeder gehaald. ‘Angel Dust, baby’, had ze gezegd, de sierlijke arm die eindigde in een vuil klauwtje omhoog geheven. ‘D’ya wanna go crazy?’, vroeg ze, en voor een extra 20 dollar hadden ze zich samen de inhoud van het zakje opgesnoven. Het was inderdaad waanzinnig geweest. Het spul had het kwade in hem wakker gemaakt, zo omschreef hij het. Hallucinerend, agressief had hij het meisje eerst het hoofd ingebeukt met een asbak en daarna had hij haar verder toegetakeld met een schaar. De herinnering aan de nacht bestond uit flitsen en flarden waarvan hij niet meer kon zeggen of ze verzinsels waren of gebeurtenissen. Uren later pas was hij bij zinnen gekomen. Op de één of andere manier was hij er in geslaagd om haar lichaam ongezien in de kofferbak van zijn auto te leggen. De volgende nacht had hij wagen en lijk in een stuwmeer laten verdwijnen. Daarna had hij een grote som geld van zijn rekening opgenomen, zijn agent met een smoesje om de tuin geleid en was vertrokken naar Brazilië. In een klein provinciestadje waar de Amerikaanse massamedia nog niet was doorgedrongen vond hij onderdak in een pension. De nieuwsgierigheid van de mensen naar die gringo counterde hij door een vaag verhaal over een organisator van avontuurlijke reizen die hem op verkenning had gestuurd naar nieuwe routes om toeristen. Dat scenario had hij een paar keer herhaald tot hij het tijd vond om de anonimiteit van de grootstad op te zoeken. Hij had in Rio geleefd, en een tijd in Buenos Aires. Hij vermoedde wel dat er ooit naar hem gezocht was geweest, tenslotte had hij allerlei contractuele verplichtingen ontlopen, om van die moord nog maar te zwijgen. Het bleef hem verwonderen dat niemand hem ooit gevonden had. Hij had nooit een andere naam aangenomen, was gewoon teruggekeerd naar zijn de naam die hem was gegeven toen hij ter wereld kwam. Hij had niet overdreven veel moeite gedaan zich een ander uiterlijk aan te meten, maar de tropische zon had zijn haren gebleekt en het ritme van de dagen had hem de routine van het scheren doen vergeten. In die tijd was dat voldoende geweest om te verdwijnen in de vergeetput. Hij wist niet goed wat er hem terug naar België had gedreven op den duur. Het geld was opgeraakt, dat in ieder geval. Een Canadese expat had hem eens gezegd: I’ve met a lot of Belgians abroad, but in the end they all go back to where they came from’. Nu, in het daglicht, had ik zelfs een beetje medelijden met de slapende acteur. Maar niet genoeg. Ik haalde mijn hakken van onder het bed, sloop de flat uit en reed met mijn opname rechtstreeks naar de redactie.

Wendy Kroy
0 0

Liefde overwint alles behalve de tijd.

Hij was geen onbeschreven blad. Dat wist ze. In zijn bijna halve eeuw durende leven had hij een en ander meegemaakt, kinderen gemaakt. Brokken gemaakt. Op een van hun avondlijke en nachtelijke tochten langs de knijpen van de stad had hij in een bezopen bui verteld: “Liefde overwint alles, behalve de tijd. Je laatste liefde zal naast je sterfbed zitten, je hand vasthouden en om je treuren. Want die liefde zal niet voldoende tijd gehad hebben om uit te hollen, te kwetsen, te verwateren, kapot te gaan aan een onvermijdelijke vernietiging, waar geen van beide leden schuld zullen aan hebben. Het bedekken van ongenoegens met mantels der liefde zal op den duur dusdanig zwaar wegen dat ze verstikken. En dan heb je de keuze, je gooit de mantels van je af, met alle gevolgen vandien. Of je bent een volhouder en draagt het kruis, zoals elke religie voorschrijft: Lijdend. Want lijden moet, lijden werkt louterend schijnt het. Liefde is geen religie, koosnaam.” Want zo noemde hij haar, "koosnaam". Schatje, bolletje en scheetje zijn dagelijkse nietszeggendheden bij het vragen om de boter even door te geven was hij van mening.Ze bekeek hem. “Je bent bezopen,” was ze in een lach geschoten.Hij vond haar poging om om zijn zwartgallige gedachten te doorbreken lief. Want dat was haar opmerking en lach. Zo goed meende hij haar al wel te kennen.“Als er al iemand naast je sterfbed zit,” ging hij onverstoorbaar verder “en niet jijzelf de hand van je laatste liefde zal vastgehouden hebben. Misschien haalt de tijd je in alvorens ook jij je op dat sterfbed vleit om de laatste liefde te vinden.”“Dus jij gelooft niet dat mensen van elkaar een leven lang kunnen houden?” vroeg ze.“Tuurlijk kunnen mensen een leven lang van elkaar houden!” had hij uitgeroepen. Ze schrok van zijn heftigheid.“Moeders, vaders, kinderen die kunnen een leven lang van elkaar houden. En zelfs dat niet altijd. Maar twee mensen zonder verstikkende jassen die de liefde een leven lang volhouden zijn zeldzaam. Daarom bestaan er uitzonderingen, zij bevestigen de regel. Een regel die ik in ieder geval niet bevestigde.”Er openbaarde zich een Tom die ze bij voorgaande kroegentochten nog niet gezien had. Een warse baldadigheid.“En nu kunt ge allemaal mijn kloten kussen!” zei hij op luide toon opdat iedereen het horen kon, nam een sigaret tussen de lippen en joeg er de brand in. Uitdagend keek hij rond om te zien wie de moed zou hebben hem terecht te wijzen.Niemand ging in op zijn uitdaging.Zij zei niets. Staarde naar haar glas. Wierp nu en dan een blik op hem.“Wat denk jij, koosnaam” vroeg hij.“Dat ik antwoord geef wanneer ik dat wens. En noem me nu even niet “Koosnaam.”Hij bekeek haar. Geschrokken. Ook zij openbaarde hem onbekende kanten.“Een oester ben je, soms ga je een beetje open en meen ik een parel te ontwaren daarbinnen. Dan klap je plots dicht en nijp je een stukje huid van de topjes van mijn vingers tussen die schelp van je. Hoe ik ook zwaai met mijn hand, ik krijg je niet los. Maar je klapt niet eventjes een miliseconde open om los te laten. Waarom niet?”“Dat ik antwoord geef wanneer ik dat wens.” zei ze nogmaals.”We drinken nog iets, je houdt je mond nu, wandelt mij naar huis. Genoeg gepraat.”Hij zweeg. Maar dacht nukkig: “En oesters zijn ook een afrodisiacum!” Tom

Tom Lievens
48 0

Ze zingt en zwerft

Haar haar gloeit goud door het licht. Haar ogen glanzen helderblauw, beschermd door haar sprekende wenkbrauwen. Haar wangen zien rood van geluk en haar neus is een blokje. Dat is wat haar moeder zegt. Zoals ze daar staat, heeft niemand ooit gestaan. Ze draagt een zwarte hoed, haar witte jurk fladdert in de wind. Ze zou een vlinder kunnen zijn, zonder moeite. Haar lach tsjilpt en lelieblank trillen haar vingers als bezeten. Om haar heen is het zwart, donker, schaduw, nacht. Alleen zij licht op, helder als de open hemel boven wit zand. Helder als haar stem. Getroffen door eigen geluid, veranderen de stralen die ze uitzendt. Ze treft echt iedereen. Haar hoed staat nu scheef. Ze lijkt het niet te merken. Nee, ze merkt het niet. Alles wat ze doet, doet ze goed of doet ze niet. Haar doorzettingsvermogen overtreft zelfs haar wil. Uit een droom komt ze voort en in die droom leeft ze nu. Ze maakt kennis met wie ze zal zijn. Nooit meer dezelfde en toch nooit veranderd. Waar ze staat, precies daar, zal niemand meer durven staan. De kracht uit haar breekbare houding, brekende stem, bereikt de andere kant van het universum. Daar weten ze nu dat er leven op aarde is. Aan haar oren hangen twee pauwenveren. Ze weet zeker dat ze echt zijn, al heeft ze ooit die weddenschap verloren. Om haar pols verzamelen parels zich tot een eindige, oneindige cirkel. Haar nagels zijn groen. Het groen van groeiende bomen en slingerende lianen. Het groen van het gras, achter de school. Ze loopt van het podium af. Haar voorhoofd glimt van succes. Haar succes stapelt zich boven de Eiffeltoren. Onder de brug in Parijs wacht het schaap op haar. Ze is weer een zwerver.

Aya Sabi
22 1

Vluchten is voor verliezers

Ze zeggen dat ik een Franse naam heb. De arbeiders proberen te fluisteren, maar mijn oren vissen onbewust de scherpe woorden uit het gezoem van machines dat door de fabriekshal echoot. 'Haar vader is Fransgezind', zeggen ze. Ze halen hun schouders op, fluisteren niet meer en gaan verder met hun werk. Ik ben rijk. Zij zijn arm. Maar zelfs nu ik vloeiend Frans spreek en niets liever hoor dan 'la langue de l'amour', zal ik nooit een Franse zijn. Ik ben Brugser dan Brugge. Ook de Leie draagt de letters uit mijn Brugse naam: Julie. Ik ben hun brood, hun melk, hun aardappelen en af en toe een extra rode spaarcent. Voor mij zijn zij vrijwel niets. Ik wil over de Leie varen naar de Noordzee. De golven zouden me naar het Beloofde Land kunnen dragen. Ach, ik ben maar een zwaan, schrik terug voor de zee, hou me koest op de Leie. Zo denk ik jarenlang. Ik wil weg om niet hier te zijn, maar vooral om te tonen dat Brugge niet zal draaien zonder mij. Julie, de Franse, dochter van een krankzinnige moeder en van de van een brug springende vader. Ze zouden vervallen in verveling en armoede, totdat iedereen weg zal trekken uit de Brugse ruïne. Maar weggaan is weggelegd voor de dappersten. Vluchten voor de verliezers. Ik vervolg mijn weg langs de Leie. Moederziel alleen doemt het groot huis voor mij aan de horizon op. Grijze wolken verschijnen ongevraagd. De wolken lijken zwaar. Elk moment zouden ze uit de hemel kunnen vallen. De regen wast de gedachten van mijn lichaam. Ik zie ze drijven in het regenwater, dat weldra zal verdampen, zich tot wolken zal vormen die allemaal mijn gedachten dragen. Ik nader de brievenbus van het huis, laat de brieven in mijn tasje glijden, zwart leer. Ik loop naar binnen en zonder mijn tas te openen, schuif ik mijn rok naar beneden. Ik ga op zoek naar mijn pyjamabroek die ik uiteindelijk op de stoel achter mijn bureau vind. Het zachte stof omhelst me gretig na een lange dag. Ik neem mijn tas van de eettafel en loop ermee naar buiten. Ik laat me zakken in de oude tuinstoel. Hij kreunt onder elke beweging die ik maak, daarom moet ik me wel stil houden. Hartje zomer regent het grijze gedachtewolken. Uiteindelijk wast de regen mij alleen uit de noodzaak me voor te bereiden. Om plaats te maken op mijn huid, in mijn hersenen en in mijn hart voor andere gedachten. Zwaardere gedachten, die nooit meer weggewassen zullen worden door grijs regenwater. De letters trillen in mijn handen. Ik vervlieg naar een toekomst, veel te zwaar om de mijne te zijn. Een wijdverspreide opstand in Parijs zal weldra ook Brugge treffen. Ik had je willen helpen, maar ik geloof in je. Leonard Verstraelen Mijn adem stokt, de brief valt uit mijn handen, de tuinstoel kraakt. Weggaan is weggelegd voor de dappersten. Alle opstanden eisen levens. Papa sprong van de brug. Vluchten is voor verliezers.

Aya Sabi
12 0

Een schlagermuzikant

Ik sta als klein jongetje op een tafel. Worsten, bier en afwachtende mensen verzamelen zich om mij. Ik kijk ze aan en zij kijken terug. In de verste hoek staat mijn moeder. Ze knikt bemoedigend naar me. Mijn ogen vullen zich met tranen, mijn wangen met schaamte en mijn knieën met leegte. Ik werp nog een laatste blik op haar zachte trekken. Ze lijkt alle vertrouwen in me te hebben. Mijn neefje, vandaag vijf jaar, rekt zich uit om een glimp van mij op te vangen. Ik wil zijn feestje niet verpesten. Ik wil mijn moeder zien stralen, roepen dat ik haar zoon ben. Ik wil de mensen niet langer laten wachten. Ik wil mijn vader doen verhelderen, nadat hij zich straalbezopen heeft. Dus doe ik mijn ogen dicht en begin ik mijn carrière... Mijn vader begroef zich in de aarde. Zo noemde mijn moeder het. Ik wist alleen dat het zwaar was. Ik mocht vooral niet om geld vragen, want op geen enkele rug kon geld groeien. Hij kwam zwart terug. In de late uren zag ik met moeite door het zolderraam de contouren van zijn lichaam. Later, toen mijn ogen genoeg geoefend hadden te speuren in de nacht, zag ik dat hij vaak wankelde. Mijn moeder vertelde me dat het moest. Hij moest zijn angst verdrinken in de drank om te dalen, want zo zwart als het daar was, zo zwart zou het hier nooit zijn. Tot de tijd de antwoorden zachtjes influisterde. De steenkoolmijnen, de schulden, het verleden dat hem inhaalde, de toekomst steeds onbereikbaarder. Dat liet hem drinken tot elke cent opwas. En dat liet hem zichzelf weer in de grond begraven. De schaamte. Maar ik had een gave. Ik zag plaatsen waarvan ik het bestaan niet kende. Ik ontmoette mensen die ooit ver weg leken. Mijn vader moest zich in die tijd niet meer in de grond begraven. Mijn moeder lachte en lachte. Het was makkelijk. Veel makkelijker. Ik luisterde alleen naar mijn muzikale voorouders. Ik zette me aan mijn schrijftafel en maakt de volksmusik die heel het land op stelten zette. Ik was de schlagermuzikant. Niemand deed me dat na. Met mijn voeten stampte ik op de ondergrondse gangen. Dat dacht ik. Tot de man aan de macht kwam. Hij was een genie. Hij had een gave. Hij was een wereldwonder die de wereld liet rollen. Niet alleen Duitsland. Ik moest me aan hem overgeven. Ik moest de God in hem aanbidden. De ideale wereld zou zich onder mijn voeten uitstrekken. Duitsland zou de wereld worden en de wereld Duitsland. Overal waar je komen zou, zou je mijn schlagermusik horen. De mensen zouden dansen en dansen. Het deed me dromen en dromen. Ik gaf geen optredens meer. Als Duitsland de wereld zou worden dan zou ik zingen en zingen. Nu had ik een groter doel voor ogen. Ik zou me naar de top werken. Ik zou niet tevreden zijn met minder. In ons vliegtuigje staan tien soldaten. Iedereen controleert zijn uitrusting. Op de vraag of ik die beroemde schlagermuzikant ben, antwoord ik 'nee'. Het doel lonkt naar me, mijn eindbestemming. Ik maak deel uit van een machtig geheel. Het is nu mijn beurt. Ik laat me gaan, laat alles los, hou alleen mijn ziel vast en voel de sterke luchtstroom langs mijn broos lichaam glijden. 'Nu', denk ik. Ik open mijn valscherm. De krachtige wind doet mijn valscherm bol staan. Ik zweef naar beneden. Zet mijn voeten aan de grond. Nu ben ik een echte soldaat. Nu kan de oorlog echt beginnen. Ik plooi mijn valscherm en tril van opwinding en trots.

Aya Sabi
0 0

Koffiekringen

Het moet inslaan als een bom, dacht Marc koortsachtig. In zijn witte overall, besmeurd met artistieke vegen olieverf, zat hij over het canvas gebogen dat hij twee weken geleden in Antwerpen had aangeschaft. De goegemeente moet gechoqueerd zijn, vervolgde Marc zijn gedachtegang, terwijl hij zijn penseel uit ponyhaar over het doek bewoog - op een paar centimeters erboven - in gedachten de grote lijnen van een toekomstig meesterwerk trekkend.   Hij likte hierbij aan het rechtertipje van zijn snor, dat af en toe in zijn mondhoek kroop. Hij wilde zijn tube Rembrandt cyaan pakken en een kort kwakje op zijn pallet uitsmeren, om het te mengen met wat kwikwit en de twee kleuren vervolgens met zijn plamuurmes open te smeren. Een sensuele ervaring, een beetje zoals lookboter maken, met je vingers door die hoeveboter ploegen, hemels! De gedachte een begin te maken aan het werk, er als het ware de conceptie, de coïtus van aan te vangen! Het zou Improvisatie nr. 1 heten (je moest toch ergens mee beginnen) en de conceptie vond plaats op de vibrerende broeierige kopertonen van de altsaxofoon van John Coltrane in het nummer Africa dat zijn vriend Dirk voor hem had overgetapet op cassette. Dirk was een echte jazzliefhebber en probeerde er ook zo uit te zien. Hij droeg een Amerikaanse vilthoed, een lange rode sjaal en een zwarte regenjas. Zijn snor was zorgvuldig bijgeknipt en zijn stoppelbaardje getrimd. Hier en daar scheen wel een beetje eczeem door, een zenuwaandoening te wijten aan de eeuwige financiële problemen van een jazzjournalist met een voorliefde voor single malt met buitensporige namen als Lafroaig, Glenmorangie en Bruichladdich. De metaalcassette van het merk TDK (een duidelijker geprononceerd hoog, enkel het allerbeste voor Coltrane) begon plots een langgerekte uithaal van Coltrane uit te rekken en kunstmatig te verhogen tot er een plop volgde, het geratel van een vastlopende cassettetape, geruis in de luidsprekers en daarna een droog gekraak, dat het einde van de geluidsgolven aankondigde.   Marc legde onverrichter zake de tube cyaan neer en voelde de inspiratie voor Improvisatie nr. 1 uit zijn vingers wegstromen, als water uit een gebroken fles. Had het een tintelend gevoel? Zat het er nog in vandaag? Zijn handen lagen op zijn knieën en de stof van zijn overall drukte op zijn handpalmen. Marc keek wazig voor zich uit en liet zich met een zucht van zijn barkruk zakken, op de betonnen vloer van het Kunsthuis.   Het Kunsthuis was een open atelier dat hij met zijn vriend Herbert twee maanden geleden had opgericht. Het was geen slechte plaats. Het had een loft in Soho of in Greenwich Village kunnen zijn: een oude opslagplaats op de eerste verdieping van een gewezen brouwerij, met gewelfde plafonds, gestut door drie rijen van telkens vijf gietijzeren pilaren, een ruwe betonnen vloer en witgekalkte bakstenen muren. Het enige minpunt was het tekort aan licht. De enige lichtbron was een houten doorgeefluik op het einde van de ruimte, maar dat was de helft van het jaar dicht wegens de kou. En de ligging. Lokeren was nu eenmaal geen New York. Geen bruisende kunstscene. Eerder een bruisende middenstand.   Binnenkort werd Marc er veertig. Wat had hij bereikt? Een paar schilderijtjes bij zijn familie op de muren en een halfbakken leventje in de slagerij. 'Voor de boter op de boterham,' had zijn vader gezegd. Tegen de tentoonstelling in de Kunstkring moest hij absoluut iets op doek hebben, zodat iedereen zag wat hij in zijn mars had.   Hij pikte opnieuw zijn penseel op en zette een voorzichtige streep op het canvas. Het licht van de tl-buis weerspiegelde in de natte verf en Marc kreeg het gevoel dat hij straks klaar zou zijn om een tweede streep te zetten. Het was nog niet helemaal duidelijk in welke kleur of welke vorm het uit zou gaan, maar het was een begin. Hij boog zich achterover en sloot zijn ogen tot dunne spleetjes om er hoogte van te krijgen.   Iets in de stijl van David Hockney zou wel mooi zijn. Een zwembad en een plons.   De geur van terpentijn en olieverf, scherp, vuil en romantisch, drong zijn neusgaten binnen.   Montparnasse! Misschien meer de weg op van een Karel Appel of een Alechinsky? Die deden het goed in hun streek. Wanneer hij 's avonds langs de Durme ging wandelen met zijn Ierse setter Mira, kon  hij het nooit laten binnen te kijken bij de villa's aan de waterkant. Zeker als ze grote terrasdeuren of muurbrede vensters hadden. In een witte villa had hij eens een Alechinsky opgemerkt, even breed als de muur. Een paneel vol witte slierten op een rode achtergrond, als een groot bord spaghetti, maar dan spaghetti die vierkante hoeken beschrijft, een spaghettilabirint. Daar had ik kunnen hangen, dacht Marc toen, en hij gooide een stok het jaagpad op en Mira ging erachter aan.   Marc pakte zijn gitaar op, een Fender Telecaster '57 Anniversary Edition die steeds naast hem op een staander stond en speelde een paar geïnverteerde akkoorden en bluesladdertjes. Zijn vingers pulkten aan de ijzerdraad van de snaren. Zijn vingerkussentjes wilde niet mee, de snaren leken er aan te plakken en de ijzerdraad wilde niet zingen, rinkelde enkel vals. Met afgrijzen zette hij de gitaar weg.   Alles was zo onecht vandaag. De flow was ongetwijfeld verdwenen.   'Met de poepers voor de Kunstkring?' klonk het van achter in het atelier. Dat was Walter, de gewezen bajesklant met artistieke ambities die zich als eerste kandidaat had gesteld toen Marc en Herbert in café het Karrewiel aan de plaatselijke cafégangers de opening van het Kunsthuis aankondigden. 'Ik ben een schilder, ' had Walter zich toen voorgesteld. Hij had vettig haar tot op zijn schouders, het hing in slierten van zijn gezicht. Ook had hij een walrussnor en mogelijk een ontwapenende glimlach, ware het niet dat zijn twee voortanden ontbraken. Hij zag er ook een beetje zielig uit en had de hele avond naar zijn Duvelglas zitten staren, gelukzalig en niet deelgenomen aan de verhitte discussie tussen Marc en Herbert over het reilen en zeilen van de moderne kunst, zoals ze wel vaker deden wanneer ze vijf pinten op hadden. Marc zei toen tegen Walter: 'Uitstekend, de huur is 1500 frank per maand, we zullen je een reservesleutel maken. De hoek aan de deur is van mij. Die aan de overkant van de deur van Herbert. Jij mag die aan het luik hebben.' Marc had er niet bijgezegd dat het in die hoek vreselijk tochtte, waardoor Walter al op de tweede dag van zijn verblijf snotterde en om de haverklap moest niezen.   'Kom eens kijken naar mijn schilderij,' zei Walter, die de hele tijd stilletjes in het schamele licht van een bureaulamp had zitten werken aan zijn inzending voor de Kunstkring. Marc ging achter Walter staan en keek naar het schilderij. Hij werd aangekeken door de kop van een snoek die zich verborg achter de algen, een kopie van een foto uit het tijdschrift Karper die met twee wasknijpers aan de schildersezel was vastgemaakt. In tegenstelling tot de foto keek de snoek echter scheel. Marc vroeg zich af welke mate van onkunde je moest bereiken om zoiets te presteren. 'Hm,' gromde hij neutraal. 'Wat vind je ervan?' vroeg Walter. Hij draaide zich om op zijn barkruk en keek vragend naar Marc, waarbij het gat waar ooit zijn voortanden hadden gezeten te voorschijn kwam. Walter keek een beetje scheel. Dat maakte dat iedereen medelijden met hem had. Hij was natuurlijk niet moeders mooiste. Maar ja, zoveel kunstenaars had je niet in Lokeren. Als ze dan ook nog eens adonissen moesten zijn ... 'Mooi. Ik denk dat je wel een kans maakt,' zei Marc. Walters gezicht lichtte op. 'Vind je dat?' Meteen daarna werd hij echter opnieuw somber en vroeg hij: 'Maar vind je niet dat er iets mis is met het oog? Volgens mij kijkt het de verkeerde kant op.'   Walter keek Marc argwanend aan. De manier waarop zijn ogen kleiner werden, leken toch dit gevoel uit te drukken. Marc werd een beetje bang. Je wist maar nooit met een gewezen bajesklant. 'Dat oog? ' Zei Marc, 'dus dat was niet de bedoeling?' 'Natuurlijk niet!' 'Daar valt gemakkelijk een mouw aan te passen,' zei Marc en pakte een van Walters goedkope schoolpenselen en het deksel van een mayonaisepot, dat Walter als palet gebruikte, en begon er wat kleuren in te mengen. 'Als je hier ...' en met een snelle en feilloze beweging tekende hij de iris van het vissenoog bij, 'en hier ...' en meteen paste hij ook de proportie van de kieuwen aan, '... een klein streepje zet.'   Walter zat er als verstomd bij. Hij krabde zijn achterhoofd en zei: 'Jij kunt er wat van, daar heb ik zeker nog tien jaar voor nodig. Die snoek is zo realistisch, net of hij me gaat bijten.'   Tien jaar, dacht Marc. Negen levens zouden nog niet voldoende zijn voor jou. Je houdt die kwast vast als een chimpansee.   'Maar waarom heb je zelf nog niks geschilderd? Je gaat toch meedoen aan de Kunstkring? Jij kunt dat winnen, met jouw talent!'   Wat maakt het allemaal uit, dacht Marc. Wat maak ik mezelf wijs?   'Bedankt dat je me een hart onder de riem wilt steken,' zei Marc tegen Walter. 'Om een goed kunstenaar te zijn, is echter meer nodig dan wat kneepjes onder de knie te hebben. Er is een verschil tussen deuren verven en schilderijen maken. Daarom bestaan er ook twee werkwoorden: verven en schilderen. Wat jij doet, dat is verven,' zei Marc, 'en wat ik doe, ja wat ik doe, dat is...' maar hier stokte Marc zijn stem. Was hij nu echt een schilder? Wat deed hij hier eigenlijk? Hij keek rondom zich. Dacht hij nu echt een oase in een woestijn te kunnen scheppen? Het tl-licht in het atelier scheen hem plots te schel in de ogen en dan was er nog dat domme schildersgerei dat hij zich had aangeschaft. Die setjes penselen, dat overmaatse palet, de verstelbare en plooibare schildersezel leken hem plots zo vals, zo onecht, zo aanmatigend, zo ... Voor hij er erg in had, gaf hij een gefrustreerde schop op de vuilnismand met lege bierblikjes, sigarettenpeuken, klokhuizen van appels en sinaasappelschillen. De projectielen volgen alle richtingen uit. De blikjes vlogen tegen de muur en de as van de peuken veroorzaakte een stofwolk die pas een minuut later ging liggen.   Herberts hoekje was afgeschermd met een paar witte lakens. Het was een soort niche waar hij zich afzonderde om aan kunst te doen. Marc had hem gezegd dat ze een loft hadden gekocht om samen aan kunst te doen, maar Herbert zei dat hij geen pottenkijkers nodig had terwijl hij schilderde en dat hij niet kon presteren wanneer hij er iemand over zijn schouders meekeek. Herbert was vandaag nog niet langsgekomen. Een half leeg blikje bier had de langste weg uit de vuilnismand (een kartonnen doos uit de Colruyt waar de pindanootjes en chips voor hun openingsfeest in hadden gezeten) afgelegd en een lelijke vlek gemaakt op een van Herberts lakens.   'Is Herbert bijna klaar met zijn inzending voor de Kunstkring?' vroeg Marc aan Walter. Marc had het Herbert zelf al een tijdje geleden willen vragen, maar het leek hem zodanig gênant te moeten toegeven dat een kunstenaar als hij, die boven alles staat en zeker boven regionale kunstorganisaties, zodanig begaan is met zijn deelname eraan.   'Ik denk het wel,' zei Walter. 'Zouden we eens een kijkje nemen?' vroeg Marc. 'Mij niet gelaten,' antwoordde Walter, die zijn handen aan zijn broek afveegde en van zijn barkruk kwam.   Ze deden de lakens open, gingen Herberts niche binnen en staken een spot aan. Overal, op de vloer, de drie wanden in de niche, waren grote vellen tekenpapier geplakt, allemaal bedekt met op het eerste gezicht toevallige patronen van koffiekringen.   'Vandaar die geur van koffie de voorbije weken!' riep Walter uit.   Marc stond er met open mond naar te kijken. Zo eenvoudig en ... zo kosmisch. Al die ringen, die uitvoering. Zo simpel: de koffie, de afdruk van de glazen koffiekan en het koffieapparaat dat in de hoek stond, samen met een pak dessertkoffie van Douwe Egberts ...   Walter begon te grinniken. 'Die kerel is rijp voor het gesticht.'   Marc keek hem boos aan. 'Je begrijpt er de ballen van,' zei hij.   Herbert liet lang op zich wachten. Marc zat op de trap van het Kunsthuis en had zeker al een half pakje sigaretten opgerookt. Walter was een uur geleden naar huis gegaan. Zijn snoek was af en morgen zou hij er een laagje vernis op zetten. Iedereen was klaar met zijn inzending voor de Kunstkring, behalve Marc. Hij had nog twee weken. Zelfs Herbert was er al klaar mee, dat vond Marc nog het sterkst van al.   Hij kwam ten eerste maar om de drie dagen naar het Kunsthuis, alhoewel hij beloofd had vaker te komen, en bleef nooit langer dan een half uur. 'Marc,' had hij in het begin gezegd, 'ik ben een kunstenaar, je hoeft daar niet aan te twijfelen, maar ik ben zot op de vrouwen. Ik zal er dus af en toe niet bij zijn. Maar als Marianne dat te weten komt, dan doe ik mezelf een ongeluk.'   Herbert kwam dus maar twee keer per week naar het Kunsthuis, na zijn werk als kleurterleider, trok zijn witte overall aan en verdween achter zijn lakens, waar hij vroeg hem niet te storen, want hij moest zich concentreren. Daarna klonk meestal het geluid van de percolator, een fluitende Herbert, en een half uur later verscheen Herbert opnieuw, ditmaal in een scherp outfit, een spannende jeans die zijn kloten in de verf zette en een oud jeansvestje. Meestal was hij daarna direct weg, af en toe dronk hij nog een pintje en maakte hij wat grapjes met Marc en Walter. Wanneer hij 's avonds terugkwam, wist niemand. Walter was 's avonds altijd vroeg weg, want hij was een visser (om zijn aangeboren agressie te kanaliseren) en stond elke ochtend om vijf uur op. Marc had zijn beenhouwerij en moest voor de dagelijkse voorbereiding ook vroeg uit de veren.   Marc keek op zijn horloge. Het was bijna middernacht. Hij had nooit vermoed dat Herbert zoiets in zijn mars had. Hij had gedacht dat Herbert een geilaard was die alleen maar blote vrouwen kon schilderen in allerlei standjes, het ene nog meer beschamend dan het andere, en dat hij daarom zijn stukje atelier afsloot met die lakens, omdat hij zich er eigenlijk om schaamde of dat hij niet wilde dat zijn vrouw Marianne die schilderijen te zien zou krijgen, mocht ze ooit op bezoek komen. Marc had er overigens nooit aan gedacht om zelf eens een piepje te nemen achter die lakens, zodanig was hij ervan overtuigd dat hij daar dezelfde leegte zou aantreffen als in Herberts obsessie met seks.   Maar was  dat wel zo? Ging hij wel naar die vrouwen? Ging hij niet mediteren, of nam hij geen lessen bij een mentor, een gevestigde moderne kunstenaar bijvoorbeeld, die hem tips gaf hoe hij zou kunnen epateren op de Kunstkring? Marc was er allemaal nog niet zo zeker van.   Eindelijk zag Marc Herbert komen aanwandelen, fluitend en in een opperbeste stemming. Het was een warme, zwoele avond, het was juni en overal hingen de geile geuren van bloesems en pollen en er stond een licht maar heet windje. Waarschijnlijk van Afrika, dacht Marc. Herbert had zijn tot op de draad versleten jeansvestje over zijn schouders geslagen. Zijn witte hemdje met korte mouwen schitterde in het licht van de straatlantaarns. Herbert liep op zijn dooie gemakje.   'Aan het nagenieten?' riep Marc naar Herbert. Herbert sprong op van het verschieten. 'Moet jij niet in je bedje liggen?' vroeg Herbert. 'Ik wil met je praten,' zei Marc. 'We hebben je inzending voor de Kunstkring gezien,' zei Marc terwijl ze samen de trap op liepen. 'Shit,' zei Herbert, 'nu val ik door de mand'. Hij hield stil op de trap, concentreerde zijn dronken blik op Marc en zette een ernstig gezicht. 'Kijk,' zei hij, 'ik kan het allemaal uitleggen. Ik ga door een moeilijke periode met Marianne en Tina is zo een heet ding, je zou eens moeten weten ... al mijn tijd en energie kruipen erin. Ik ben een uitgeperste citroen. Ik heb absoluut geen inspiratie. Eerst dacht ik dat het de aanwezigheid was van derden tijdens het creatieve proces, dus heb ik die lakens opgehangen, maar het zit dieper. Vol goede hoop had ik vijftig vellen tekenpapier gekocht. Ik kwam aan op het atelier, legde een vel tekenpapier op de grond, zette een pot koffie - de laatste tijd slaap ik zo weinig dat ik twee liter koffie per dag nodig heb om op mijn benen te blijven staan - en keek naar dat papier zonder iets te voelen. En vroeger zat ik vol ideeën! Ik dacht iets te doen in de stijl van Jackson Pollock, maar dan met de plakkaatverf die ik gratis krijg op de kleuterschool, maar er komt niks uit. Ik sta er zo stijf als een hark. Als mijn koffie dan klaar is, gebruik ik het papier als onderlegger. De volgende dag pak ik een nieuw vel en begin ik van nul af aan. Ik denk dat het prestatiestress is voor de Kunstkring. Sinds we dat atelier zijn begonnen, verwacht iedereen grootse prestaties van ons. De verwachtingen zijn te hoog gespannen.'   'Ja,' zei Marc, ze kunnen onze kloten kussen, die bende provincialen. Wij staan daarboven. Wij maken echte kunst.'

Nicolas Severyns
0 0
Tip

Opgezet spel

Dag, ik ben Yana en ik moest van juf Eva komen vertellen over beestjes. Ja, beestjes, daar weet ik veel van, beestjes, die wonen bij mij. Mijn pa zegt soms: Yana, ge zijt zelf een beest. En hij zegt hoe belachelijk is dat nu: gij laat van die dikke spinnen over uw armen lopen en gij durft niet eens naast die dikke van uw klas te gaan zitten. Ja, dat snapt hij dus niet, hé. Maar die Bea, dat is echt geen gewoon. Bea, daar is zelfs die Bin dinges, die Bin allez, Bin Lader bang voor. Mijn pa is voor niks of niemand bang. Mijn pa die zegt dat hij dat wel eens zal oplossen. Hij zegt dat hij die Bea zo eens bij haar bandjes zal pakken en dan heel ver in de zee gooien. Ik heb dat gezegd, aan Bea, maar ze geloofde mij niet. Ze lachte mij uit. En iedereen van de klas lachte. Ze wezen naar mij, haha, wat denkt die wel, zeiden ze en ze wezen naar mij en naar de vuilbak. En weet ge wat Bea toen deed? Die lachte niet. Die wees niet. Die pakte mij met één hand en die gooide mij helemaal ondersteboven in die vuilbak. Echt waar. En ze riep ‘stinkdier!’ en dat ik in mijn kot moest blijven.   Ik vond dat niet erg hoor, van die vuilbak. Want daar liggen kruimels en klokhuizen. En dat lusten mijn muizen graag. En dat is heel moeilijk te vinden, klokhuizen. Want wij eten thuis nooit appels. En ik vind chips niet zo gezond voor een muis. Of voor een hamster, want die heb ik ook. Ik had er twee, maar op een avond, ik weet echt niet hoe dat kwam. Ik doe dat hok áltijd op slot. Maar op een avond, toen had ik ineens nog maar één hamster. En mijn ma wist van niks en mijn pa wist van niks en die andere hamster wist ook al van niks. Die zat ver weg in zijn buis verstopt en die wou er heel lang niet meer uitkomen. Die was ook al gebuisd, zei mijn pa.   Mijn pa zegt altijd dat ik goed mijn best moet doen op school. Want dat ik anders later ook bij de veedeeaa, de vee dee bee cee, moet gaan werken. Allez, mijn pa werkt daar niet echt, hij volgt daar les. Iets heel speciaal, dermie euh taxi euh taxidarmie of zoiets. Ik vroeg aan mijn pa, ik vroeg Pa, moet gij dan mensen met buikpijn naar 't ziekenhuis rijden? En toen zei mijn pa, awel Yanake, ik zal u dat eens haarfijn uitleggen, maar hij mocht niet van mijn ma. Ze vindt dat niet tof, van die taxidarmen. Maar mijn pa zegt dat hij met die taxi’s al onze problemen gaat oplossen. Maar eerst moet hij nog veel oefenen.   En als hij oefent, dan doet hij dat in de kelder. En dan mag ik daar niet komen. Maar ik kom daar graag, want soms laat ik daar mijn spin los en dan spelen wij verstopperke in den donkere. Maar nu gaat dat niet meer, want mijn pa moet studeren. Maar gisteren, toen was de kooi van mijn spin ook al leeg. En mijn ma wist van niks. En mijn pa was aan ’t studeren in de kelder. En ik dacht, misschien is de spin al gaan spelen. En oei, als mijn pa die dan maar niet vindt. Want ik mag geen beestjes laten rondslingeren. Ik moet die altijd direct terug opruimen. Dus ging ik heel stillekes naar de kelder. En daar was mijn pa. En daar was mijn spin. En ook mijn hamster die ik kwijt was. Ze keken allemaal heel kwaad naar mij, maar mijn pa was de enige die bewoog want de anderen stonden op stokskes. Dat had mijn pa gedaan. Voor zijn studies. En toen zei hij dat ik aan Bea moest vragen of ze ook eens wou komen spelen.

Ruth A
55 2