Lezen

Tip

Normaal voor een 83-jarige

‘Dat is normaal voor een 83-jarige’, klinkt het in haar hoofd. Ze probeert kalm te blijven terwijl ze de trap op schuifelt. Voet voor voet. Langzaam en onzeker, de hoopjes stof en verloren haren voor zich uit schuivend. Dat kalm blijven heeft ze moeten leren. Dat lukte eerst niet, maar het moest. Kalm blijven en blijven gaan. Niet denken aan morgen maar ademen, middenrif op en neer, hier en nu, met alle beetjes kracht die ze uit haar pompende hartkamers krijgt. Straks in bed met het lijf dat ze niet meer herkent, zal ze nog maar eens denken aan vroeger. Hoe ze tot een stuk in de dag kon dansen met een stuk in haar voeten. Voeten die nooit protesteerden, tenzij ze te nauwe nieuwe schoenen droeg. Voeten die haar door de laars van Italië hadden gedragen, met een rugzak tot boven haar hoofd en een kop vol plannen. Plannen die ze smeedde terwijl ze duizend-en-een andere dingen deed: blauwe regen planten, tegen de wind in naar de markt fietsen, vanillepudding maken met een velletje vanboven. Dat lukte toen allemaal zonder zeurende heupen of verzuurde spieren. Zonder vingerkootjes die aanvoelen alsof ze elk moment kunnen knappen. Dat waren tijden. Wat zou ze graag nog eens een Jane Fondaatje doen. Een low impact total body sculpting workout. Die hoofdband en dat synthetische stringding zou ze er wel bijpakken. En New York zou ze ook nog willen zien. Met de fiets door Central Park, met een air over de Brooklyn Bridge en dan uitblazen met een bagel met roomkaas en zalm en zicht op Manhattan. Zadelpijn? Mug in oog? Die details zouden er niet toe doen. Alles. Werkelijk alles heeft ze ervoor over om nog eens haar oorspronkelijke lijf te voelen en te bewegen, zonder kwalijke gevolgen. Mevrouw laat niet in haar kaarten kijken. Wie de mens niet door en door kent, merkt niets van het geschuifel. Ik wel. Ik zie de schim in haar ogen, vakkundig verstopt tussen de lachrimpels. Ik zie hoe ze op haar tanden bijt en blijft gaan, voor ego en klein Pierke. Ze gooit kleuters van 15 kilo in de lucht en lacht. Ze doet de afwas, leegt de vaatwas en brengt dingen naar de droogkuis. Ze werkt zich van 9 tot 6 het normale leven binnen op haar eigenwijze manier. Blijven zitten is geen optie. Niet in haar huis, niet in haar lijf, niet in haar leven. Specialisten spreken van stilstaan en aanvaarden. Daar wordt ze stil van, want eigenlijk aanvaardt ze alleen vooruitgang. Blijven schuifelen, blijven ademen, blijven zoeken tot ze vindt dat het genoeg is geweest. Ik kan haar geen ongelijk geven. Elke extra stap is er één die ze zelf zet. Met wallen, en toch opstaan. Dus als ik haar zie springen spring ik mee, maar niet te hoog en niet te lang. Als ze wil moonwalken stuntel ik mee, maar niet te zot en niet te zat. Als ze zich weer eens verliest in een enthousiast verhaal geef ik haar de tijd om te gillen, maar ook om op adem te komen. Want haar goesting is groter dan haar batterij. Dat is normaal voor een 83-jarige. Alleen jammer dat zij pas 40 is.

a little bit of soap
55 1

Vreemd bezoek

Pita. Pita met looksaus en alle groentjes. Zeker weten. Ik tuur tussen mijn wimpers en zie ze binnenkomen. Ze zijn met veel. Vijf, zes, zeven. Ik stop met tellen. Hun sluiers blinken en hun volle snorren krullen van trots. De kersverse kleinzoon moet bewonderd en daar hoort nu eenmaal een feestmaal bij. Pita. Pita met looksaus en alle groentjes.   Nog voor de plastic zakken opengaan en het zilverpapier knispert, heb ik het al geraden. Het gedeeltelijk dichtgetrokken gordijn tussen onze bedden houdt de geur niet tegen. Het shoarma-aroma flirt met mijn neusvleugels en duikt ongevraagd mijn gaten binnen. Ik snuif en snoef en kijk snel naar mijn dochter, daar in haar kleine aquarium. Eén dag oud is ze, en sinds het wegwassen der huidsmeer heerlijk onbesmeurd. Tot nu. Tot de vreemde gasten met hun onverteerbare geuren onze kamer binnendrongen en al onze zintuigen bezoedelden. Tot de zoete stilte plots plaats moest maken voor lawaaitaal zonder betekenis. Mini-me laat het gebeuren. Vannacht waren haar strak aangespannen stembanden nog te horen tot op de gang. Zelfs de ervaren kneepjes van de nachtverpleegster en vijf milliliter warme melk kregen het volume niet omlaag. Maar nu lijkt niets haar te deren. Niet de geur van rauwe ajuin in haar geinig gevormde neusgaten. Niet het luide gelach in haar licht afstaande oren. Niet de vettige vleeslucht rond haar pasgewassen spriethaar.   Mijn voeten voelen gezwollen, mijn buik belabberd. Ik bekijk het bezoek. De donkere mannen babbelen, gulzig bijtend. De vrouwen duiken op vanuit hun hoofddoeken en buigen zich minzaam over moeder en zoon. Geen idee vanwaar ze komen. Van Gent of omstreken, waarschijnlijk, maar niet oorspronkelijk. Ik probeer te raden maar ik ken niets van rassen, hou ze op dezelfde lap grond nauwelijks uit elkaar. Ze zijn in elk geval met te veel en ze zijn veel te luid. Wie voluit wil lachen moet verdomme maar op de gang gaan staan. Hierbinnen wordt er gerust want gisteren werd er geperst. Nog geen 24 uur geleden trok de linkerkant van mijn lijf weeïg samen terwijl mijn rechterkant gevoelloos lag te wezen op het witte verloskamerlaken. Epidurale verkeerd gestoken. Half verlamd, een zielig gezicht. Maar acht uur later was ik wél geslaagd. Want daar was ze dan, zo’n dikke drie kilo en een kleine halve meter vol leven. Bij de pinken, met tien gretige vingers en een volumeknop zonder einde. Ik had dus recht op rust. Pweut. Mispoes. In een tweepersoonskamer heeft Mama Modaal geen recht van spreken. Alleen het medisch personeel en de poetsvrouw mogen eisen dat je je mond dicht en je voeten naar omhoog doet. Voor de rest deel je gedwee de lavabo, het bezoek en de tv. Hoor je de huilbuien van een wereldvreemde baby en de ongecontroleerde winden van een al even vreemde vrouw. Ruik je het meteen als er spanning in de lucht hangt. Of pita met looksaus en alle groentjes.   Waarom praten ze zo hard? Waarom gebaren ze zo wild? Mogen ze hier eigenlijk al binnen, op dit uur, met die spitbrokken? Ik werp een frons maar niemand kijkt. Ze hebben het te druk. Met elkaar. Met de kleine. Met kauwen en kwekken en het vergelijken van oude en jonge poten en oren. Een dikke klodder saus druipt van een pink en petst op de vloer. Plets! Maar niemand heeft het gemerkt. Ze laten alles maar gebeuren, niets lijkt hen te deren. “Voeten omhoog”, zal de poetsvrouw morgen zeggen. En ze zal serieus mogen schrobben, met die slappe dweil van haar.   “Rosbief met boontjes en patatjes.” De witte jas van dienst zet een plateau met een tupperwareachtige doos op mijn tafel bij het venster. “Merci.” Ik kruip uit mijn schulp en installeer me aan de dis, met mes en vork en een servet voor de klodders. Onder het deksel drijven zes schellen rosbief in een dikke donkerbruine saus. Daarnaast een berg boontjes en een slagveld patatten. Ik probeer te genieten maar het wil niet lukken. Want ik ruik pita met looksaus en groentjes. En ik smaak pita met looksaus en groentjes. En het scheelt niet veel of ik voél die pita met looksaus en groentjes. Het uitgelaten gezelschap kijkt en knikt en roept in mijn richting. Maar ik versta hen niet. En ik begrijp het niet. Hoe ze daar zo ongegeneerd mijn rust en mijn eetlust kunnen zitten verstoren. Hebben ze dan geen manieren? Weten ze niet wat sociaal en wat wenselijk is? Hebben ze misschien iets tegen rosbief of, godbetert, tegen boontjes? Die pita en andere vreemde praktijken, ge kunt dat niet geloven hoe wansmakelijk dat dat is.   Mijn dochter wordt wakker. Ze heeft de gasten niet in de gaten en gaapt zich bijna een hernia. Ik ruik iets. Geen pita. Kaka. Voorzichtig til ik haar op om mijn neus op haar feiten te drukken. Bingo! We hebben de wilde bende aan ons been. Ze lachen en wijzen en heffen de handen ten hemel. Een rauwe ajuinring vliegt door de kamer en een ranzig stuk shoarma glijdt onder een maat 45. Maar niemand heeft het gemerkt. Ze laten alles maar gebeuren, niets lijkt hen te deren, alleen mijn dochter is het bekijken waard. Wat roepen ze daar eigenlijk, met van die harde klanken die bevreemden? Zullen ze wél een beetje oppassen als ik straks passeer? Hun adem inhouden en stoppen met kwekken, morsen en smakken, om mijn schat niet te doen schrikken?   Ik trek mijn buik in en baan me met mijn armen vol baby een weg door de kamerbrede menigte. “Hà, de meisjes!” Mijn vriend komt binnen met glimmende wangen, fier als een pasgeboren vader. “De kaartjes zijn op de post, de cava zit in de koffer en de bende van ’t bankske is onderweg!” God. Zij. Dank. Straks is míjn helft van de kamer gevuld met bekende gezichten. Straks overstemt ons versgeperst geluk de harde klanken van die vreemde bende. Glazen zullen klinken en barbecuenootjes zullen de gemarineerde vleeslucht verdrijven. Ik zal me eindelijk thuis voelen in mijn moederbed en mijn boontjes zullen weer smaken. Naar boontjes.   Ons spruitje ligt intussen op het ververskussen. Trots toont mijn vriend de inhoud van haar broek aan het uitzinnige publiek. Een graanmosterdgele klodder glijdt van de elastieken luierrand en petst op de grond. Plets! Maar niemand heeft het gemerkt. Ze laten alles maar gebeuren, niets lijkt hen te deren, lachend leven en laten leven is de grote boodschap. Mijn voeten voelen gezwollen, mijn buik belabberd. Ik puf. “Lief, eet jij die rosbief op? Ik heb geen honger en die broek moet binnen een week weer dicht.” Mijn vriend wuift de luierlucht weg. “Nee, ik heb net pita binnen. Met looksaus en alle groentjes. Ge kunt dat niet geloven hoe lekker dat dat is.” (Nationale kortverhaalwedstrijd Fedactio 2013 - finalist)

a little bit of soap
0 0

De ontvlambare heks

Fragment uit : De ontvlambare heks ... Toen ze wakker werd – hoelang had ze hier gelegen? – zaten wel tientallen kinderen naast en over haar aan kettingen vastgeklonken. Papperige jongens en meisjes met vieze haren, kringen onder hun ogen. Hun kleren stonken. Ook Kayla was vastgeketend. Een flauw licht zocht zich een weg door de spleet van een poort. Ze wou haar handen losrukken. Het lukte niet. 'Help!' riep ze. 'Maak mij los, ik wil naar huis!' 'Shut! Hou je koest!' waarschuwde een dik jongetje. ‘Wie het meest van zijn oren maakt, die eet Flirka als eerste op.’ ‘Wat? Flirka? Oh neen!’ gilde Kayla. ‘Shsst! Hoor je niet wat wij zeggen? Ze eet kinderen met huid en haar op,’ huilde een mollig meisje. ‘Hoe dikker wij zijn, hoe langer ze op ons kan knabbelen. Niemand ontsnapt aan haar bloeddorstige honger,' voegde een bol jongetje er met grote angstogen aan toe. Kayla rilde. Ze dacht aan de ruzie vanochtend.   Daar hoorde ze de slepende stap van Flirka naderen. Alle kinderen hielden als in shock hun adem in. Een sleutel draaide de poort open. 'Njammie, njammie!' krijste een stem. In het binnenvallende licht van de openstaande poort verscheen een moddervette, aartslelijke heks met een driedubbele kin waar kleverig speeksel afdroop. Haar zware armen en benen zwiepten over en weer. Haar volle borsten deinden op haar bol lijf als woeste golven op de zee. Enorme zweetvoeten staken uit afgesleten laarzen die zo dreunden dat de grond daverde. Ze snoof met haar reusachtige neusgaten de lucht op en rook … chocolade. Ze stapte kordaat op Kayla af, rukte haar ketting los en sleurde haar hardhandig mee naar haar keuken. In het flauwe licht van een kaars zaghet meisje, trillend van angst, talloze groezelige potten op rekken uitgestald. Een grote pan stond te smeulen op een fornuis waar aaneengekoekte eetresten een stank verspreidden waardoor Kayla haast flauw viel. Flirka trokhaar bij haar staartjes naar de rekken en ketende haar vast. Terwijl de heks luidop de etiketten las van de gestapelde potten keerde Kayla’s maag zich om : hete pepers, rotte uien, schimmelknoflook, pikante trollenmosterd …Alsof dit nog niet walgelijk genoeg was, liet Flirka een scheet, zo luid dat er vonken uit haar achterwerk schoten. 'Jeetje, dat lucht op!' barstte Flirka uit. Ze roerde met een pollepel in een grote pot. 'Mmm, vurige brandnetelsoep als voorgerecht! Weet je, lekker mensenkind, ik ben op dieet.’ En met een grenzeloos plezier daverde haar stem:   Eén hete peper bij elk mensenkind laat je uren stinken in de wind een pot pikante mosterd bij elke beet en al je vet verdwijnt scheet per scheet!   Een verschroeiende scheet vloog door de heksenkeuken, de grot en het hele Kalimabos. Zelfs de stinkzwammen lieten hun kopje hangen.   … wordt vervolgd    

kayla
112 0

Uit het leven van Knolleke

Fragment uit : Uit het leven van Knolleke      Met een zware plof viel Knolleke in de grond. Au! Dat deed pijn. Gisteren had hij nog lekker liggen slapen in een houten bak, samen met andere knollen. Vanmorgen was de herrie begonnen. De bak was opgetild. Ze werden allemaal door mekaar gerammeld. Toen was het deksel opengegaan. Een hand had hem beetgenomen en in een put gegooid. Kort daarna was er zand op zijn bol gevallen. Veel zand … tot hij niets meer had kunnen zien.   Knolleke rilde. Het was hier koud en donker. Waar waren de andere knollen naartoe? Boven hoorde hij langzaam voetstappen weggaan. Nu was het helemaal stil, wat akelig!   Uren gingen voorbij, of waren het dagen? Tot Knolleke iets vreemds hoorde, hier in de aarde. Het leek alsof iemand in zijn buurt groef of schraapte. Oeps! Een natte snuit wreef tegen zijn knol. Wat was dat ding glibberig? Dan zag hij een spitse snoet en een zwart lijfje met kleine poten. ‘Hé, zie je niet dat ik hier sta?’ protesteerde Knolleke. ‘Ik ben Molleke en ik moet hier door. Ik zie niet goed en ik graaf altijd verder. Weet je wat? Ik eet een stuk van jou,’ plaagde Molleke.   ‘Neen, niet doen!’ gilde Knolleke. Zijn hart bonsde hevig. Hij daverde op zijn wortels. ‘Help!’ riep hij schor. ‘Riep jij?’ antwoordde er een heldere, lieve stem. ‘Molleke wil mij opeten!’ bibberde Knolleke. Een klein wezen snelde hem tegemoet. Vanonder een groene pinnenmuts zag Knolleke puntige oren uitsteken. ‘Hoho! Ik ben Taro, de aardelf.’ Ook Molleke keek nu heel verbaasd. ’Maak een ommetje zodat Knolleke rustig verder kan groeien,’ opperde Taro. ‘Sorry, hoor,’ zei Molleke en hij bloosde, ‘ik wil Knolleke echt niet opeten. Ik eet regenwormen, slakken, insecten. En af en toe, een stukje van een wortel links of rechts.’ ‘Van dat laatste kan geen sprake zijn,’ riep de aardelf uit. ‘Mollen eten insecten die slecht zijn voor de planten en zo helpen jullie elkaar’. ‘Bedankt voor je hulp,’ glimlachte Knolleke opgelucht.    ‘Graag gedaan!’ zong Taro en hij vloog vrolijk weg. Molleke drukte met zijn roze snoet een natte zoen op de knol en wroette in een grote boog rond Knolleke verder.   De volgende dagen liepen zweetdruppels langs de kleine Knol. Wat wordt het hier warm! zuchtte hij. Het kriebelde raar in zijn lijf. Scheuten schoten uit zijn knol. Wat ben ik, wie ben ik? vroeg hij zich af. Waarom kriebelt alles aan mijn lijf? Ben ik een knol met voelsprieten? Word ik een insect? Een mol? Ojee!   En dan, niet zo veel later, … (wordt vervolgd)

kayla
61 0

Dagen in Caïro - fragment

16 januari 2013 - Ik heb een afspraak met vrouw T in de Mohammed Mahmoud street. De McDonalds, de Pizzahut en de Kentucky Fried Chicken hebben hun filialen hier gesloten. De enige keten die zijn deuren nog open heeft is Cilantro, het Egyptisch dochtertje van Deilicious Inc., een Amerikaanse catering- en eventketen. De rolluik van deze koffiebar is niet helemaal omhoog. Driekwart van de deur is zichtbaar en ik fiets er bijna voorbij. Ik doe mijn fiets op slot en wandel binnen. Ik wil de trap opgaan, maar de man achter de bar zegt iets. Ik versta hem niet. ‘What?’ ‘xxxxx’ ‘What?’ ‘xxxxx’ ‘What?’ ‘WE ARE ONLY OPEN DOWNSTAIRS.’ Ik zet me aan een tafeltje naast de koekjesautomaat. Ik bestel een latte machiatto. De  ober verstaat me niet. ‘What?’ ‘latte machiato.’ ‘What?’ ‘A LATTE MACHIATTO.’ We lachen allebei om het mopje. Als vrouw T arriveert is ze verbaasd dat we niet boven op de terrasjes kunnen gaan zitten. Ze vraagt om uitleg. De ober legt uit dat als de hele keet vol zit, ze niet snel genoeg kunnen ontruimen als er weer heibel is. Ik drink mijn koffie en dan geeft vrouw T me een rondleiding in de straat. Ze legt bij alle graffiti uit wat het betekent. De engelen zijn mensen die omgekomen zijn in de revolutie. De rode engel is Khaled Saïd. Deze achtentwintigjarige anti-corruptieactivist werd in juni 2010 doodgeschopt voor een cybercafé in Alexandrië door de politie van Mubarak. De facebookpagina ‘Wij zijn allen Khaled Saïd’ riep op tot protesten op 25 januari. Op de muur voor me zie ik wat de gevolgen daarvan waren, hier, in deze straat. Heel veel engelen. Vrouwen, mannen, kinderen. Portretten van dode mensen met vervormde monden. Hersenen tegen de muur. Dat laatste is conceptuele kunst, legt vrouw T me uit. We wandelen verder, in de zon, tussen de slogans die oproepen tot vrijheid. ‘Het is niet omdat je een revolutionair bent, dat je een moslimbroeder bent!’ roept een klein mannetje met een groene T-shirt tegen een blauw monster. Slogans tegen seksueel geweld. Een blonde vrouw, geblinddoekt, wordt door een massa mannetjes lastig gevallen. Slogans die vrouwen oproepen te revolteren.  De volgende dag moet ik bij vrouw G in Garden City zijn. Op mijn stratenplan was de weg eenvoudig: op het Tahrir-plein naar rechts. Ik bots op een muur. Ook de straten errond zijn afgezet met opgestapelde kubussen. Ik fiets andere straten in en beland tussen regeringsgebouwen, ambassades, prikkeldraad, wegversperringen, politiemannen, soldaten, pantserwagens. Ik bel vrouw G en ze legt me uit dat ze net buiten het afgezette gebied woont. Eenmaal bij haar thuis vertelt ze dat de muren gebouwd zijn toen dat filmpje op youtube verscheen over de profeet Mohammed. Vrouw T neemt me mee op de fiets naar islamitisch Caïro, en verder, naar de dodenstad. We krijgen een warm onthaal bij een bevriende glasblazer. Zijn zoon is de stiel aan het leren. Hij is de derde generatie glasblazer. Kruiken, glazen, ijskommetjes, kerstballen, glasparels, deze familie tovert alles uit het gerecycleerde glas dat ze opkopen een wijk verder. Daar sorteren hele familie’s al het afval van Caïro met de hand. In deze grootstad wordt negentig procent van het vuilnis gerecycleerd. Ik kijk naar de gebruikte, blauwe flesjes parfum die staan te weken in een emmer. Vrouw T legt me uit dat deze familie het moeilijk heeft gehad na de revolutie. De buitenlandse klanten bleven weg. Nu gaat het weer beter. De eerste kleinzoon zit verlegen op de schoot van zijn moeder te gluren naar de eerste buitenlanders die hij ziet in zijn leven. ’s Avonds eet ik soep bij vrouw G, en vrouw R komt ook langs, en we genieten van elkaars woorden en analyses die als parels in onze oren vallen, zoals vrouw R het zegt. De twee vrouwen vertellen over hun leven in Caïro en ze concluderen: ‘Caïro is samen eten, samen drinken, samen feesten, samen revolteren, samen slapen.’   

Leen De Graeve
0 0

LIEVER MAF DAN MOF

Ik snapte hem niet meer, die rare Danders. Mijn mede-studenten sociale school herinnerden zich nog die verlegen jongeman met het stomme brilletje op de neus, met korte krulharen, een sproetig aangezicht en een geslachtloos, niet-verzorgd, maar ook niet-verwaarloosd uiterlijk. Hij droeg de toen al zo alledaagse jeansbroek met de al even klassieke afgesleten jeansvest of parka, naargelang het weer. Niemand, ook ik toen nog niet, vond dat met hem iets aan de hand was: hij studeerde misschien wat al te ijverig (studeren werd toen nog niet zo gewaardeerd in het studentenmilieu zelf), maar hij veroorzaakte toch niet al te veel te last. Het enige wat ze hem konden aanwrijven was dat hij door zijn schaamteloze studiewoede ook afrijselijk goede resultaten behaalde op de examens, waardoor hij t.o.v. hen toch wel een beetje een buitenbeentje werd. Hij viel nog het best in te delen bij de categorie van pastoors en moederlijk-lieve sociaal-assistenten in spé, dat soort dat mensen écht wil helpen. Een pastoor doet soms wel raar, een echte sociaal assistent ook, maar écht last heb je er eigenlijk niet van. Nu, twee jaar na zijn eerste aarzelende stappen in het Antwerpse studenten-(en daardoor ook uitgaans)leven, viel hij niet meer te herkennen. Waar was die schuchtere, bloedverlegen, naieve wereldverbeteraar gebleven? De jeansbroeken droeg hij nog wel, maar dan wel kapotgescheurde en als hij zijn groene parka-jas droeg, trok hij meteen de aandacht door allerlei onbegrijpelijke slogans zoals "Destroy power, not people", "Anarchy, Peace and Freedom" en ander Engels proza van een bedenkelijk kaliber zoals het niet-mis-te verstane "Fuck off" of "Mind your own business". Hij was nu wel nooit een toonbeeld van orde geweest, maar degenen die zich nu nog op zijn kot waagden, en dat werden er steeds minder, liepen het risico zich de nek te breken over een gitaar met kapotte snaren, moesten goed uitkijken om niet op loszooiende achteloos rondslingerde platen te trappen, want daar kon hij erg agressief van worden, en als je was gaan zitten, moest je erg goed uitkijken dat geen kapot bierflesje of glasscherven van een pint zich in je achterwerk nestelden. Gebeurde dit toch door de onbegrijpelijke onachtzaamheid van een naieve student, dan lachte hij zich gegarandeerd te pletter, waarbij zijn piekhaarden wild op en neer schudden. Een pleistertje voor die toch wel pijnlijke vleeswonde, dat kon er niet af. Nee, van dat zacht mannetje van vroeger was geen spoor meer. Hij spuugde op straat en soms in je gezicht, zijn rechterwijsvinger wees verdacht veel recht omhoog in de richting van argeloze Antwerpse burgers, wat nog wel te dulden viel, maar moest hij nu telkens dit duidelijk teken van verachting ook naar ons, zijn mede-studenten maken? Nee, het werd al te gortig en hier en daar gingen al stemmen op om hem van school te laten wegsturen, want een sociaal assistent kan wel heel veel begrijpen, sommige dingen gaan écht té vér!!!!Op een keer, ten einde raad en het nutteloze van mijn poging wel inziend, heb ik toch geprobeerd met hem te praten en weet je wat die onverlaat me durfde te zeggen, me in het gezicht spuwend nadat hij eerst al mijn grieven aanhoord had??? "LIEVER MAF DAN MOF" riep hij. Wel, als hij maf wil blijven, dan blijf ik maar mof...!!!

danders
0 0

OMA KNOT - KINDERPOËZIE

Al van Oma Knot gehoord: dat dametje hier op een school? PR-lady van de nieuwe baby Jaja, Louis is haar idool   9 maand lang zat Oma Knot te bijten Haar vingers waren bijna stompy af Stressy waterokselvijvers en vreemde Pamperdromen maf   Haar dochter moest immers bevallen van zo’n baby in haar buik, wijl Oma Knot “Omalogie” studeerde , een snelcursus meter-sitten in de duik   Over hoe je per pc een buggy moet besturen en warme koffieflesjes voedt Over hoe je chocoladen tuutjes in Louis’ mondje kiepert zoals het moet   Over hoe je statistisch het pamperverbruik berekent gekoppeld aan index, loon en schaal Over hoe je met een pleister op het mondje kunt stoppen dat wenen, schreeuwen en kabaal   Over hoe je best niet vals zingt wijl je die lieve baby sust En liefst je tanden feilloos poetst VOOR je dat kleine spartelwangetje kust   Over hoe je met Louis per draagzak in de woonkamer je gekke-sprongen-fitness doet en met je 10.000 stappen-teller zakken kinderkleedjes koopt zoals het moet   Maar vooral over hoe je de BESTE oma wordt Zo’n troetel-MAMMIE, hip en cool Dat geeft kleinzoon Louis steevast een keilekker gevoel   Dat alles moet Oma Knot studeren Simpel is het zeker niet Levenslange bijscholingen een cursus torenhoog zoals je ziet   Maar haar diploma zal ze halen Daar ben ik van overtuigd met grootste onderscheiding en Louis die keiblij juicht:   “DOCTORAAT in de OMALOGIE” klinkt sjiek, klinkt waauw en tof en voor zo’n keigoede studente enkel lof en bof!

Krulle Lievens
0 0

Heerlijk sterven op de Filippijnen

Heerlijke manieren om te sterven in de Filippijnen Ik heb altijd graag gereisd, en veel. Van Mauritius tot Lapland, van de hemelse stranden van Jamaica tot de Griekse Acropolis. Elk plekje op zich had wel iets unieks te bieden. Toen een vriend danook over een reis naar de Filippijnen begon, was ik niet meer te houden. Ik moest en zou met de walvishaaien van Donsol zwemmen. Enkele dagen later was de reis geboekt. Nu, ik moet toegeven, ik had ook mijn bedenkingen. Dit luxepaardje is namelijk grootgebracht in vijfsterren hotels waar ze haar dagen sleet op een strandstoel. De Filippijnen zou niets van dit alles hebben. Geen luxe, geen vijfsterrenhotels en een minimum aan comfort met zes onbekenden en een bevriende reisleider. Maar het was tijd voor wat avontuur in mijn leven, besloot ik. Vaarwel Luxe. Welkom wonderbaarlijke eilandpracht. Het werd inderdaad een heerlijke reis. Ik heb er mijn ogen uitgekeken. Alles is er zo mooi dat als je ter plekke zou sterven, je leven toch compleet lijkt… Beeld je in dat je na een vlucht van 12 uur en een even lang durende busrit aankomt in Legazpi. Je stapt de bus uit, rekt je spieren en voor je zie je de ruïnes liggen van een oude kerk. De mensen die hier ooit hebben geleefd, zijn waarschijnlijk op de vlucht moeten gaan voor het gevaarte dat achter aan de horizon ligt. Het uitzicht was magnifiek, maar de moed zakte me direct weer in de schoenen als ik de meest perfecte stratovulkaan aanschouwde die we binnen een paar dagen zouden gaan beklimmen: Mount Mayon. Alhoewel ik wekelijks sport, heb ik mezelf nooit als echt ‘sportief’ beschouwd. Eén aanblijk op het prachtige panorama zei me genoeg. Ik zou me tot het uiterste moeten duwen. Na die korte stop zijn we verder gereisd naar Donsol om wat uit te rusten voor het vervolg van onze reis. De eerste dagen werden direct gevuld met onvergetelijke momenten. Met zwembril en snorkel in de aanslag werden we ondergedompeld in de wereld van de walvishaaien. Uren hebben we met z’n vieren op de boot zitten wachten, zoekend naar enig spoor van de grote beesten. Maar, het enige dat er die dag gebeurde was het rommelen van Rebecca’s buik toen ze voor de zoveelste keer zei: “ ’t Is tijd voor een snackske!” Grinnikend werden de chocolade-cakejes verdeeld onder het gezelschap en ’s avonds werd er al schertsend gezegd dat het toppunt van de dag bestond uit babbelen en chocola. De volgende dag hadden we meer geluk. Na amper één uur zoeken hadden we eindelijk een walvishaai gevonden. We gingen op de rand van de boot zitten en sprongen het water in. Ik zal het nooit vergeten, hoe ik rond keek op zoek naar die wit-gevlekte vis. En dan plots, out of nowhere dook ie op, met een bek die langer is dan je been. Er is volgens mij geen enkel dier zo groot, dat zo gracieus kan bewegen. Je zou er letterlijk van vergeten te ademen. Toppunt van dag twee: Lekkere cakejes gegeten en twee prachtige walvishaaien gezien! Als er iets kan gezegd worden over Donsol, dan is het wel dat het onderwaterleven er onmenselijk mooi is. Als amateurduiker had ik dus niets liever gewild dan met fles en lood gewapend de dieptes van de Filippijnen te verkennen. Natuurlijk zit je met een groep mensen die nog niet kunnen duiken. Het idee om de zee in te gaan was dus snel vergeten. Tot de reisbegeleider zei dat diegenen die wilden, een duik mochten wagen met een plaatselijke duikorganisatie. Ik was door het dolle heen. Langs de andere kant kwamen de zorgen ook naar boven. Ik wist hoe ik moest duiken, de anderen niet. Als je één ding leert in een duikschool dan is het dat duiken niet licht genomen mag worden. Eén kleine fout kan fataal zijn. Duiken is niet voor niets geplaatst in de top drie van de meest gevaarlijke sporten. Ik vond dat het nodig was om hun op voorhand te zeggen dat ik het een superidee vond, maar dat het eigenlijk niet verantwoord is om als niet-duiker zomaar het water in te gaan zonder enige opleiding. We zijn toch gaan duiken met z’n vijven. Op de boottrip naar het eiland waar we gingen duiken, vertelde de gids ons wat er verwacht werd. Meermaals heb ik met mijn ogen gerold. Ik was nerveus. Bloednerveus eigenlijk. Ik dook zelf niet al te lang, maar wist wat je wel en niet mag doen onder water, terwijl de instructeur keer op keer een verkeerde instructie gaf. “Als je last hebt van je oren onderwater, sluit dan je neus met je vingers en blaas eens goed door.” Ik werd lijkbleek. Als je dat doet, kunnen je trommelvliezen springen, geraakt er water in je binnenoor en krijg je evenwichtsstoornissen. Bij alles wat de man zei, probeerde ik aan de mededuikers, die ondertussen toch wel vrienden waren geworden, uit te leggen waar je voor moest opletten: Niet te snel stijgen, of je kunt een klaplong krijgen, of erger decompressieverschijnselen. Goed om weten: bij decompressie komen er luchtbellen in je bloed, die ergens vast kunnen blijven zitten. Je kan erdoor verlamd raken of zelfs sterven, tenzij je op tijd in de caisson bent om terug gedecompresseerd te worden. Er zijn twee caissons op de Filippijnen, een eilandengroep van 7107 verschillende eilanden. Veel kans op overleven heb je dus niet als er iets misloopt. We hebben toch gedoken. Iedereen met vijf kilo lood aan zijn gordel. Voor mij was het genoeg om tussen twee wateren te zweven, maar voor de grootste onder ons, was het helemaal niet genoeg. Een paar stenen bij in het duikpak stoppen, en ook hij kon mooi kopje onderblijven. De stress bleef wel. Ik geef het niet graag toe, maar er was ook wel druk om te laten zien dat ik wel degelijk kon duiken. Als iedereen weet dat je in België wekelijks in een zwembad traint, wordt er wel wat verwacht van je. Er zijn onder water nog wat voorvallen gebeurd, een mondstuk dat uit je mond wordt geshot, maar daar wordt je op getraind. Dus zonder enige vorm van paniek stak ik het terug in mijn mond en keek naar de pracht op de bodem. Tot we nog wat oefeningen moesten doen. Je gaat op de grond zitten, haalt je duikbril van je gezicht en blaast hem leeg. Bij de meeste ging dit vrij vlot, maar toen Lieven zijn duikbril afzette en daarbij ook zijn eigen mondstuk uitviel was er langs mijn kant toch wel enige vorm van paniek. Net zoals we in het zwembad geleerd hadden, pakte ik zijn linkerarm vast, greep snel naar het mondstuk en stopte dat terug in zijn mond. De instructeur zat de hele tijd voor hem, maar was te laat om hem te helpen. Het hele verdere verloop van de duik was ik niet echt op mijn gemak. Meer dan eens heb ik iemand onwetend bij zijn arm genomen om hem weg te trekken. Zonder dat hij het wist was hij bijna op een zee-egel gaan staan met pinnen van twintig centimeter. En steeds vroeg ik me af: Waarom zijn die instructeurs in alles zo laks? Wat als ze niet merken wanneer iemand in problemen komt? Ondanks die problemen, beleefde ik er de tijd van mijn leven. Zeesterren, schelpen, papegaai- en clownvissen, zee-egels in alle kleuren en maten. Bij het bovenkomen was iedereen het erover eens: duiken in de Filippijnen is prachtig, al werd er wel gezegd dat het compleet onverantwoord was dat we zo onervaren in het water zijn gedoken. Ik moest op mijn tong bijten om die grin te onderdrukken en geen “I told you so” te opperen. Na die heerlijke onderwaterdagen zijn we dan verder gegaan naar Mount Mayon. Aan de voet van de vulkaan klopte mijn hart al in mijn keel. Ik geloofde niet dat ik het ooit zou kunnen, zolang stappen, zo hard doorzetten. We waren nog maar een half uur onderweg of ik had er al genoeg van. Maar ik wilde nog doorzetten, zeker tot het eerste kamp. Ik was kapot, leeg en voelde me verschrikkelijk misselijk toen we na anderhalf uur aankwamen op de eerste rustplaats. Iedereen ging zitten en at zijn lunch op. Ik kreeg maar een halve boterham door mijn keel. Maar, ik ging verder. Kamp twee was maar even ver stappen als kamp één, zeiden ze. Na de korte pauze raapte ik terug al mijn moed bijeen. Toch nog even doorzetten. Een half uur verder was ik zo goed als dood. Ik bengelde achterop, had constant pijn in mijn rug. Ik wilde opgeven, terugkeren. Maar... Er was één grote maar. Ik kende de reisbegeleider. En alhoewel we goed overeenkomen wist ik maar al te goed dat Lieven het niet zou nalaten om me elke keer te plagen over het feit dat ik de top niet had gehaald. Mijn enige motivatie om Mount Mayon te beklimmen: hij gaat nooit kunnen zeggen dat ik toch niet heb doorgezet. Hij gaat er nooit mee kunnen lachen dat ik er niet geraakt ben. Halverwege naar kamp twee heb ik zitten roepen en tieren. Ik heb de tranen uit mijn lijf gehuild en op de grond gestampt van pure frustratie. Er was toen nog één van mijn reisgenoten bij me, samen met een gids. Ik vond het verschrikkelijk om zo te wenen terwijl ze erbij stond. Deze grote mond heeft maar een klein hartje, en iemand haar zwakte tonen vindt ze al helemaal niet zo leuk. ’t Was op dat moment dat ze zei: “Goh, nu heb je toch een uitgangspunt voor je reisverhaal. ‘Heerlijke manieren om te sterven op de Filippijnen’.” Raar als ik soms kan zijn, ben ik toen beginnen lachen en huilen door elkaar. Het heeft me in ieder geval mee de top op geholpen. Ik kwam aan, waarschijnlijk een half uur later dan de rest maar ik had het gehaald. Bij het eerste het beste plekje dat ik zag, ging ik zitten. Lieven kwam af omdat hij – de plaaggeest – me even kwam zeggen dat het ‘toch helemaal zo zwaar niet was geweest’. Ik denk dat ik nog nooit zo bitsig uit de hoek ben gekomen tegen hem. “Maak da ge weg zijt.” Ik kon niets of niemand rond me verdragen. Het enige wat ik wilde was rust. Ik ben daar op een harde steen blijven zitten terwijl de rest tien meter verder naar de lava ging kijken. Ik kon gewoon niet meer verder. Ik keek rond en nam zittend wat foto’s. Ik was zelfs te lui om een rugzak die iets verder lag te verschuiven zodat ie niet op de foto’s terecht kwam. Ik ben dan gewoon maar verder naar links of rechts gaan leunen zodat hij er toch niet opstond. En toen waren ze terug. We moesten terug naar beneden… Elke stomme stap die ik zette, gaf een extra stoot in mijn rug. Ik was superblij toen we eindelijk aan ons beginpunt aankwamen. Al kon ik Lieven nog steeds zijn nek omwringen: “Komaan, geef toe, het zicht was de beklimming toch echt wel waard.” Ik siste als een slang. “Dat zie ik nu nog zo niet! Ik zal later wel van de foto’s genieten!”. Ach ja… Ik heb nooit het makkelijkste karakter gehad. Maar het is waar. Ik geniet enorm van de foto’s die ik daar genomen heb, want ik weet dat ik die beklimming nooit, maar ook nooit meer ga doen. Ondanks de uitputting was het verdere verloop van de dag toch nog de moeite. Op het beginpunt werden de kokosnoten uit de bomen geplukt – “Hah.” zei iemand. “Nog een manier om te sterven in de Filippijnen. Een kokosnoot op je kop krijgen. Het gebeurt meer dan je denkt hoor .” Daarna zijn we teruggegaan naar het hotel om ons klaar te maken voor een avondje stappen. Appelbier en dansen en cocktails en karaoke: de manier om je te amuseren na een dagje tot het uiterste gaan. De reis werd verder gezet. Nog even een korte stop in Sabang waar we de mangrove zijn doorvaarden en op zoek gingen naar een waterval die zich recht in de zee uitstort. Eén voor één beelden om van weg te dromen om dan uiteindelijk in El Nido te belanden waar we van eiland tot eiland hebben gehopt. Die volgende vijf dagen werden gekenmerkt door snorkelen, kanoën en barbecueën op het strand. Het is ons toen ook spijtig genoeg duidelijk geworden dat sommige mensen helemaal geen respect hebben voor de natuur. We kwamen aan in een verborgen lagune. Iedereen was onder de indruk van de hoge rotsen waarin de lagune verstopt lag. Er was maar één doorgang: langs de zee de lagune inzwemmen en dan op het strand aankomen. We waren echter niet alleen. Een groep Aziaten was wat tumult aan het maken in het water terwijl wij aan de kant lagen. Ze waren met een schop in het water iets aan het achterna lopen. We gingen recht zitten en keken naar het schouwspel. Tot we zagen dat de menigte een vis op het droge probeerde te krijgen. Dat lukte ook. Onze groep stond furieus op en ging naar de mensen om te vragen waar ze in godsnaam dachten mee bezig te zijn. Chinezen verstaan blijkbaar geen Engels. Of willen het niet verstaan dat je een dier niet zomaar leed aan doet uit plezier. Het diertje lag te spartelen in het zand. Zonder racistisch te willen zijn, was het ook duidelijk dat deze Chinezen geen kennis hadden van vis. Terwijl ik naar het donkerbruine gehoornde beestje keek, werd het me al snel duidelijk dat het niet zomaar een vis was. Een steenvis of Synanceiaverrucosakan je door één verkeerde aanraking helemaal verlammen. Gewapend met een stel vinnen hebben we het beestje terug in het water proberen te duwen, tot onze gids langs kwam en hem bij zijn staart vast nam en terug naar zijn natuurlijke habitat bracht. Hij was blijkbaar niet zo bang van de mogelijke gevolgen. Er waren die dagen in El Nido nog momenten waar je je als toerist ergerde aan de anderen. Mensen haalden zeesterren boven water, probeerde achter schildpadden aan te zitten en hadden geen oog voor het koraal in de riffen. Als je weet dat de grootste koralen maar vijf tot vijfentwintig mm per jaar groeien, dan is het ook niet verrassend dat de mooiste duikplekken op aarde stilletjes hun pracht aan het verliezen zijn. Stiekem hoop je dan wel dat de toeristen toch eens in een zee-egel zouden trappen, of met hun hand op vuurkoraal belanden - dat brandt net zo lekker als een kwallenbeet! Nog twee dagen zijn we in Manilla geweest. De metropool was even mooi als de rest van de prachtige eilanden, al was het verschil met het leven op de eilanden toch wel groot. Uiteindelijk werden die laatste dagen vooral gekenmerkt door wilde taxiritjes en de laatste slachtoffers van buikloop. Ik moet zeggen dat ik nooit een beter dieet heb gekend dan op reis gaan. Zeventien dagen weg, vier kilo lichter. Er zijn momenten geweest dat ik heb gevloekt en getierd… Maar ik zou het zo allemaal willen overdoen. De reis was absoluut fantastisch, de mensen die ik heb leren kennen waren nog fantastischer. Ja, moest ik daar toen gestorven zijn, het was een mooi einde geweest…            

ella
0 0

Heb ik je al verteld over...

Heb ik je al verteld over… … mijn onmogelijke liefdes? Neen? Ik dacht het wel. Veel valt er niet over te vertellen, hoor. Gewoon dat ze onmogelijk zijn. Ik heb er drie gehad. Drie mannen die mijn hoofd op hol brachten, terwijl het vanaf het begin gedoemd was om te mislukken. Drie mannen die me passie hebben getoond als geen ander. Drie mannen die ik tot op de dag van vandaag verdoem en verheerlijk tegelijkertijd. Jens. 34 jaar, groot, groene ogen en zwarte haren. Rechter. Superslim. Ik leerde hem kennen op een feestje. Ik en een vriendin waren rustig aan het dansen toen hij naar ons toe kwam. Na een paar uurtjes praten, was ik op slag verliefd. Deze man was zo goed als perfect. Hij had een goede baan, wist hoe hij een vrouw moest charmeren en hoe hij zich moest kleden. Mijn vriendin was stikjaloers toen ik vertelde dat Jens had gevraagd om af te spreken. Vanaf die dag spreekt ze niet meer tegen me, trouwens. Ach ja, dacht ik toen, die draait wel bij als ze ziet hoe gelukkig ik ben. Niet dus. Maar het kon me eigenlijk niets schelen. Ik was verliefd en deze man voelde blijkbaar net hetzelfde. Een weekje op vakantie in Ibiza kon hem niets deren. Dagelijks stroomden de sms’jes binnen. “Ik mis je.” “Ik ben voor je aan het vallen.” “Er zijn hier bloedmooie vrouwen, maar de enige aan wie ik kan denken, ben jij…” Ik liep op wolkjes. De nacht dat hij terug kwam, wachtte ik hem gespannen op aan de luchthaven. Een verrassing. Ik kon het bijna niet houden van zenuwen. Toen kwam hij de hal van Zaventem binnen. Ik liep naar hem toe, maar stopte even snel als ik vertrokken was. Daar in het midden van de aankomsthal, was hij innig aan het kussen… Met een man. Dat was dan ook direct het einde van onze romance. Ik had het natuurlijk moeten weten, hij kleedde zich te goed, hij was verzot op shoppen en… Hij was fan van de Backstreet Boys. Toen kwam er Daniël. 30 en muzikant. Vergelijk hem maar met Johnny Depp. Op alle vlakken. Ik ontmoette hem in de muziekwinkel van mijn vroegere leerkracht. Aan de telefoon al klonk zijn stem werkelijk hemels. Ik bleef langer in de winkel dan verwacht, was helemaal verkocht van die lange donkere haren met bruine kijkers. Hij praatte wat met me, maar daar bleef het ook bij. Tot ik thuis kwam en zag dat ik een nieuw vriendschapsverzoek had op facebook. Na wat over en weer te mailen, vroeg hij uiteindelijk om iets te gaan drinken. Ik zei natuurlijk toe. Alles verliep vlekkeloos. We hadden dezelfde interesses, hij liet me kennis maken met nieuwe muziek door me wat deuntjes te laten beluisteren op zijn Ipod en uiteindelijk belandden we in mijn auto. Neen, veel is er niet gebeurd, maar het was een nacht om nooit te vergeten. Hij had zijn gitaar meegenomen en daar onder de sterrenhemel speelde hij zachtjes John Mayer’s “Your Body Is A Wonderland”. Ik kreeg kippenvel van zijn stem alleen al. Tot op vandaag is dit trouwens nog altijd de beste ‘first date’. Daniël leek in ieder geval de perfecte keuze om de volgende man te worden die mijn hart zou kunnen stelen. Een paar maanden lang ging alles over rozen, maar plots kwam er een tweede vriendschapsverzoek op de proppen.  Marlies Van Halle. Gemeenschappelijke vriend: Daniël. Toch maar even checken, dacht ik nog bij mezelf. Dus belde ik hem op. Zijn reactie was duidelijk. “Heeft ze jou nu ook al bereikt? Gewoon negeren.” Dat deed ik dan ook, terwijl de verzoekjes bleven komen. Eerst deletete ik ze gewoon, maar daarna kwamen de mailtjes. “Daniël en ik zijn al vijf jaar een koppel. Laat hem met rust. Hij gebruikt je gewoon. Hij is van mij.” Ik schrok me rot. Hij ontkende alles. Hij vertelde me dat hij Marlies nog maar vier jaar kende en hij had exact één jaar met haar gevreeën tot hij ontdekte dat ze over zowat alles loog. Dat was ze blijkbaar nog niet afgeleerd. Natuurlijk geloofde ik hem, dat doe ik nog steeds. De mailtjes werden erger en duisterder tot ze plots ophielden. Ik dacht eindelijk van haar af te zijn, tot Daniël een mailtje stuurde. Hij moest ermee stoppen, met ‘ons’. Het was zover gekomen dat zijn ex in een instelling terecht was gekomen. Hij wilde mij niet in die miserie meetrekken, dus de enige oplossing… Exit Johnny Depp. Het deed pijn om Daniël te zien vertrekken. In tegenstelling tot Jens is hij wel terug in mijn leven gekomen, maar ik moet toegeven dat niemand me zo raakte als de man waaraan ik twee jaar lang verslingerd ben geweest. Thijs. 29, een louche autohandelaar en al enige tijd single. Tenminste, zo stond het op zijn profiel te lezen. Ja, ik geef het toe. Ik heb me zondig gemaakt aan het surfen op datingsites. Zo leerde ik Thijs dus kennen. Via een simpel berichtje. “Man, wat word ik rustig als ik naar je foto’s kijk.” Hij wekte direct mijn interesse en zo begon het. Wekenlang mailden we elkaar. Ondanks dat ik hem nog nooit had gezien, kon ik mijn gevoel niet onderdrukken. Ik was stapelverliefd. Raar, niet? Iemand nooit gezien hebben en toch voelen dat je je hele leven met hem zou kunnen delen. Hij voelde net hetzelfde. We bleven nachtenlang op, pratend over msn, wensend dat we in elkaars armen zouden kunnen liggen. We zouden elkaar zien. Spannend. Eindelijk, na drie maanden over en weer mailen zouden we elkaar eindelijk zien. Ik heb nog nooit zoveel vlinders gevoeld als de dag waarop ik hem voor het eerst zag. Hij staarde me aan met die blauwe ogen van hem. Nog voor ik een woord kon uitbrengen, sloeg hij zijn armen om mijn middel. Hij trok me dichter bij en kuste me in het midden van zijn oprit. Alles voelde geweldig aan. Dit werd gewoon mijn man. We zagen elkaar niet zoveel. Hij werkte veel en hard, dus ik legde me erbij neer dat één geweldige avond om de twee, drie weken alles was wat ik kon verlangen van mijn workaholic. Tot die ene sms kwam: “Ik ben later thuis vanavond, schat. Zet het eten wel in de microgolf! X”. Ik had nog nooit gekookt voor hem. Ik zou hem die avond niet zien. Ik dacht zelfs dat hij in Duitsland zat om auto-onderdelen te halen voor één van zijn klanten. “ Laat het smaken.” “Fuck.” Zijn antwoord. Hij belde even later. Het speet hem dat hij gelogen had. Hij had het niet zo gewild. Ja, hij was getrouwd. Nee, niet gelukkig. Hij had nooit gedacht dat hij iemand als mij zou tegenkomen. Hij had niet verwacht dat hij verliefd zou kunnen worden op iemand die zo ver weg woonde, laat staan op iemand die hij online had leren kennen. Hij had nooit gedacht dat hij echt van me zou gaan houden. Ik vergaf hem zijn leugens, maar na twee jaar gaf ik het uiteindelijk op. Hij zou zijn vrouw nooit verlaten voor mij. Ik zou nooit nummer één kunnen zijn. En dat deed verdomd veel pijn. Ik zwoer alle mannen af. Toch is er sinds kort een nieuwe man in mijn leven gekomen. Hij heeft de mooiste groene ogen waarin ik nachtenlang zou kunnen staren. Zijn rosse haren zijn zo zacht, dat mijn handen het niet kunnen weerstaan om erdoor te woelen. Elke nacht slaapt hij bij me. Hij bedriegt me niet. Hij begroet me uitgelaten telkens ik thuis kom. Katers zijn absoluut het beste gezelschap.

ella
0 0

I LOVE YOU KAMIKASI

  Ik heb slecht nieuws, zei haar vader. Hij zit in de gevangenis. Slik. Haar oudste broer was gearresteerd. Pas. Het moest er ooit van komen. Diefstal, drugs, inbraak, foute vriendjes. Hm. Waar zit hij, papa? En wanneer gaan we naar hem toe? Ik ga er niet heen, antwoordt hij. No way. Ik heb hem genoeg gewaarschuwd. Maar papa, hij heeft iemand nodig nu. Hij zal zich vast eenzaam voelen. En verward. En bang misschien, ook al is hij stoer. Stiekem geeft ze haar ouders voor een stuk- een behoorlijk groot stuk trouwens- de schuld, maar dat hoeven zij niet te weten natuurlijk. Een vogelvrije opvoeding moet zich wreken, vroeg of laat. In dit geval nog redelijk laat. Papa, ik denk dat hij je nodig heeft, ons nodig heeft, gaan we, alsjeblieft? De volgende dag neemt ze de trein. Ze slaat de Begijnenstraat in. Ruikt de geur van verse marihuana. Belt aan. Een kille monotone bel. Zo’n scherp geluid dat door merg en been gaat. En dan wachten. En wachten. Ze verliest haar geduld en belt nog eens. Ze hoort een klik en duwt. Voor haar bevindt zich een glazen loket. Identiteitskaart? Wat is uw relatie tot de gedetineerde? En of ze even in de camera wil kijken. Verward gaat ze tegen de muur staan en kijkt naar een punt waarvan ze gokt dat het de camera is. Fraaie foto, haar ogen zijn dicht. Al goed, misschien, ze verbergen haar verdriet. U mag uw spullen in een locker steken. Geen flesjes, gsm, sleutel, portefeuille… Wel iets om te roken, en kleingeld voor de automaat. Ze bergt haar spulletjes op in een locker en keert terug, blij, en hoopvol, want dadelijk ziet ze haar broer. Goh, sorry mevrouw, nu is hij net weggeroepen. Het zal voor een andere keer zijn. Wat?, mompelt ze. Komt u morgen nog maar eens terug. Maar ik kom van de Limburg mevrouw. Ik heb er twee uur over gedaan, met de trein mevrouw. Tja, sorry ‘mevrouw’. Zo gaat dat hier mevrouw. Volgende? De dag nadien komt ze terug, vastberaden hem nu wel te zien. Ze meldt zich aan, en krijgt te horen dat hij verhoord wordt. Hoelang dat zal duren, mevrouwtje? Goh, ten laatste om 16u worden de gedetineerden teruggebracht. Komt u dan maar eens terug. Ik terras een hele middag en kom terug. Er hangt een blad aan het loket: “Volzet”. Nog een dag later. Nu moet ze hem zien. Dat kan niet anders. Ze meldt zich aan, en spreekt zijn naam krachtig uit. 11u, goed voor u? Voor het eerst mag ze door de elektronische detector. Jas op de band. Pieppiep. Of ze iets van metaal aan heeft? Ze legt de muntstukken opzij. Een riem? Iets in uw hakken? Half ontkleed blijft ze piepen. De haarspeldjes misschien? Ze ontdoet haar speciaal opgestoken kapsel van de schuivertjes, en mag door. Ze wou zich alleen maar mooi maken voor haar broer meneer. Op de binnenplaats wacht ze een half uur. Het signaal. Een man of tien- in feite zijn het bijna allemaal vrouwen, valt me op- drumt naar binnen. Een niet-blanke meerderheid. Ze bekijkt het papier van haar reservatie, verfrommeld van de spanning. Tafelnummer alstublieft. Mevrouw, u mag dat papier niet beschadigen. Anders is het niet meer geldig. Ze gaat zitten en neemt een beker koffie. 50 cent. Het ding blijft hangen. Kan er niets goed gaan vandaag? De cipier zit op een verhoog, lichtjes ineengezakt op een stoel. Of ze er eens tegen wil duwen. Zenuwachtig zit ze aan tafel. Dan komt hij binnen. Grijze overall en een brede glimlach. Zuster! Even barst ze uit in tranen. Niet huilen, jij, dat willen we niet. Ik heb het hier goed, en hij neemt haar stevig vast. Eindelijk. Hij praat en praat en praat. Hoe komt het dat we geen glasbezoek hebben?, vraagt ze. Je kent mij hé zuster, ik heb iets kunnen regelen. Connecties. Ze kijkt hem aan met een blik van bewondering. Hij blijft stralen, ook zonder zonlicht. 45 minuten vliegen voorbij. De bel. Allee, is het al tijd of wat!, roept hij uit, zichtbaar teleurgesteld. Want hij heeft niet veel. Haar. Maar ze gaat nu weg. Ze moet. “Ik kom snel terug, broer, met papa, en ik zal schrijven, elke week minstens een keer. En ik hou van je”, roept ze hem na terwijl hij al op de gang staat. De volgende dag belt ze haar moeder. Dat ze geweest is, vertelt ze, en dat hij zo blij was. Wie zijn gat verbrandt, moet op de blaren zitten, antwoordt ze droog, maar doe hem de groeten. Vervolgens belt ze haar vader. Dat ze een afspraak heeft gemaakt voor zaterdag (de enige dag waarop dat kan), en of hij niet meegaat. Oké, zegt hij, maar ik moet je wat vertellen. Er zit er één bij. Wat?, antwoordt ze, onthutst, toch niet… Toch wel, zegt hij. Je twee broers zitten in de cel. Maar wel samen.

Lili la bohémienne en rose
0 0

De mist valt in zijn hoofd

  Met bevende hand houdt Patrick de deurknop vast. Hij gluurt naar buiten door het raampje van de metalen voordeur. Het is 6 uur 30 en hier en daar brandt er licht in een woonkamer. Voorzichtig opent hij de deur tot een kier en ademt de buitenlucht in, met kleine teugen want teveel lucht maakt ziek. Teveel lucht is vergif. ’s Morgens kan de lucht nog een beetje goed zijn. Er is de hele nacht weinig verkeer geweest en de mensen hebben geslapen. De lucht heeft zichzelf een beetje ontgift. Hij haalt een beetje lucht door zijn neus en analyseert de samenstelling. Het valt mee. Zijn hersenen versturen geen waarschuwingssignaal en zijn neus detecteert geen abnormale waarden. Patrick zet zijn longen iets meer open en ademt opnieuw, iets dieper dit keer. Met een klap smijt hij de deur dicht. Hij kucht, en kucht, en kucht tot hij er zeker van is dat elk stofje zijn lichaam opnieuw verlaten heeft. Hij roggelt de laatste resten in de lavabo want fijn stof kruipt overal. Smeerlappen. Waarom is de wereld zo geworden? Ziek tot in de kern. En iedereen doet zijn ding alsof er niets aan de hand is. Burgers vertrekken dadelijk naar hun werk: ze starten de auto, of nemen de fiets- dat is pas zelfmoord, of de bus, maar geloof me, ondanks de roetfliter komt er nog heel wat binnen. De wereld zal vergaan, maar niemand heeft het door! Iedereen zal ziek worden, binnen dit en tien, twintig jaar, maar ik laat me niet klissen. Ik blijf waar het veilig is.   Patricks hoofd begint te draaien. Hij wordt er gek van, compleet horendol. Al sinds zijn peutertijd is hij gevoelig voor allerlei stoffen, geuren, vreemde texturen, glibberig voedsel… Vandaag is hij een verbitterde veertiger, mensenschuw en heel alleen. Zijn moeder woont boven, maar die is drieëntachtig en dement. Als hij in haar ogen kijkt, kijkt hij in niemandsland. Haar blik is altijd mistig, en niet van hier. Zij woont allang niet meer op deze wereld. Drie keer per dag komt ze naar beneden, om te eten. Om 8u, om 12u en om 18u. De rest van de tijd kijkt ze televisie, en daarna slaapt ze de klok rond.   Zuiveren, ik moet mijn longen zuiveren. Patrick draait zijn hoofd schuin en opent de kraan. Spoelen, heel belangrijk. Alle schadelijke stoffen worden afgevoerd als je veel drinkt. Water maakt schoon, water is mijn beste vriend, de enige die me kan redden. Mijn bondgenoot in de strijd tegen ziektes. Patrick voelt zijn hoofd tollen. Oh nee, niet weer. Ik wil er niet aan denken, maar IK KAN NIET ANDERS.   fijn stof, vluchtige organische stoffen, dioxines, zware metalen methaan, ozon, EN DAN dIe oxides - stikstofoxides, zwaveloxides, koolstofmonoxide, Om nog maar te zwijgen van al de stoffen in het voedsel : OOK VOEDSEL KAN ZICH NIET VERSTOPPEN, WANT LUCHTVERVUILING KRUIPT OVERAL. OVERAL. Stop, ga weg! Boven wordt alles ijl, en Patrick trilt op zijn benen. Rustig, wind je niet op. Ga liggen. Patrick wil de leuning van de zetel grijpen, maar zakt ineen. De mist valt in zijn hoofd en het licht gaat uit.

Lili la bohémienne en rose
0 0

Ze zeggen dat ik gek ben.

Ik loop door de sneeuw en voel hoe de vlokken als donsveertjes mijn gelaat beroeren. Ik sluit mijn ogen en keer mijn gezicht naar de hemel. Ik doe een stap en zink een eindje weg. De sneeuw knispert onder mijn voeten. Ik doe nog een stap. Heerlijk. Ik open mijn ogen en neem de betoverende omgeving in me op. Het lijkt wel een kerstkaartje. De bomen zijn bedekt door witte sluiers en het gras is veranderd in een donstapijt. Ik buk me en maak een sneeuwbal, maar ik gooi hem niet weg. Er is hier niemand om hem naartoe te gooien. In deze witheid sta ik alleen. Ik kijk hoe de bal langzaam verandert in water. Mijn handen zijn koud en nat, maar dat deert me niet. Ik hou van dat gevoel. De winter. Het zit voor een stuk in mij. Ik lach en laat me achterover vallen. Zoals mijn moeder me ooit leerde, beweeg ik mijn armen en benen. Snel sta ik op en bewonder giechelend mijn sneeuwengel. Ik geef haar een handkusje en draai me om. Hikkend van plezier maak ik enkele danspasjes. Ik draai rond en rond en rond... en val, maar het doet geen pijn. Ik schaterlach en gooi de sneeuw omhoog. Als een jonge hond dartel ik tussen de witbestoven struiken. Zo mooi, zo mooi! De sneeuw blijft aan mijn huid plakken en ik lik de vlokjes van mijn handen. Het smaakt zout. Ik steek mijn tong uit en pluk de vallende sterren uit de lucht. Mijn lievelingseten. Zalig. Naast mijn voeten ligt een grote hoop sneeuw en ik besluit ter plekke om er een sneeuwman van te maken. Ik boetseer er de liefde van mijn leven van en kus hem langdurig. “Ik hou van jou.” fluister ik in zijn ijzige oor. De wind neemt me vast in een liefdevolle omhelzing en fluit me zijn antwoord toe. De wolken draperen een kanten bruidskleed om me heen. Ik ben gelukkig.   Ergens achter me hoor ik voetstappen en een kwade stem. Ik ken die stem. Ze verprutst alles. Ik negeer haar en sluit me af van de wereld. Het gevoel van vallende sneeuw op mijn huid is het enige dat telt. Het enige belangrijke.   “Lieverd, je moet toch echt wat aan doen als je naar buiten gaat hoor. Je kan toch niet zomaar in je blootje op het veld gaan rondspringen? Kom maar mee naar binnen. Kom.”   Ze trekt me naar binnen. Naar die andere witheid. Ivoren muren. Grijswitte kleding. Lijkbleke gezichten. En de gele geur van ammoniak.   Ze zeggen dat ik gek ben.

Fiona
32 0

Kinderlogica

  Heb jij op sollicitatie ook al wel eens van die psychologische testen moeten afleggen? En wat heb je daaruit geleerd over jezelf? Een van de dingen die bij mij steeds weer naar boven komen is dat ik een zeer logisch denker ben. Dat is heel mijn leven zo geweest.   Het begon al in het kleuterklasje van Zuster Brunilde. Jezus is de Zoon van God. Maria is de moeder van Jezus. Dus, concludeerde ik met mijn niet te onderschatten kinderlogica, is Maria getrouwd met God. Dat kon niet anders! Een halve eeuw geleden waren papa’s en mama’s getrouwd. Hoe konden ze anders kindjes kopen? Aan mensen die niet getrouwd waren werden die heus niet verkocht, hoor! Ik was dus rotsvast overtuigd van de echtelijke verbintenis tussen het Opperwezen en de Heilige Maagd – al zou het nog vele jaren duren eer ik wist wat een maagd eigenlijk was. Maar waar paste Jozef dan in dat plaatje? Het heeft mijn moeder bloed, zweet en tranen gekost om mij uit te leggen dat Maria en Jozef de mama en de papa van Jezus waren. Hoe? Maar Zuster Brunilde heeft gezegd dat Jezus de Zoon van God is! Jezus kan toch geen twee papa’s hebben! Tegenwoordig kan dat allemaal! Maar in de vroege jaren zestig was dat ondenkbaar, zeker in het katholieke milieu waarin ik ben opgegroeid. Hoe we er uiteindelijk zijn uitgekomen weet ik niet meer, maar het illustreert wel dat ik van kindsbeen af een logisch denker ben. Dat uitte zich ook nog in andere zaken.   Neem nu bijvoorbeeld Sinterklaas – nog zo’n Heilig man. Die was mij altijd heel gunstig gezind. Ik moet een ontzettend braaf kindje geweest zijn, want die kwam niet alleen bij ons thuis. De bisschop met de lange witte baard en zijn Moorse knecht brachten met hun over de daken wandelende schimmel speelgoed voor mij bij mijn beide grootouderparen en bij al mijn ooms en tantes. Zo braaf was ik! Speelgoedautootjes, treintjes, blokkendozen, … het kon niet op! En al die chocolade die de goede Sint voor mij meebracht … bij ons thuis, bij mijn grootouders, bij de ooms en tantes, … daar kwam ik mee toe tot de klokken uit Rome kwamen om mij van een nieuwe voorraad chocolade te voorzien. Want ook die kwamen bij heel mijn familie tot in de derde graad!   Die Sint toch! Zo’n brave man! Ik weet nog hoe we op 6 december met de auto van mijn vader heel de familie afreden en ’s avonds thuis kwamen met een koffer vol speelgoed en chocola! Overal moesten we dan een kopje koffie drinken en een gebakje eten en als we dan verder gingen vroeg mama: “Heb je dank u gezegd tegen tante Maria?” Dan keek ik haar met een verbaasde blik aan. Plots was ik niet meer mee! Waarom zou ik nu “dank u” zeggen tegen tante Maria? Ik had dat toch allemaal van Sinterklaas gekregen! Die grote mensen toch! Ze zouden beter eens logisch leren denken!

Paul Carremans
1 0