Lezen

Brugse schurken

We stappen door Brugge. Het is altijd fijn terugkomen in de stad van ridders, heiligen, schurken en ander geboefte. Er is veel volk op de been. Niet zozeer de mensen uit de vorige zin, dat is lang geleden, maar eerder toeristen uit alle windstreken. Wat ook opvalt? Het gemotoriseerd verkeer blijft samen met de koetsen door smalle straten rijden. Het is uitkijken geblazen, of ze maaien je van de weg. Een fietser zie ik ei zo na gekneld raken tussen een vrachtwagen en de rand van het voetpad. Moeilijk om te begrijpen, net zoals hun taaltje. Als we de volgende ochtend voor dag en dauw in de Wulfhagestraat wandelen, zien we voor ons door de ochtendmist de toren van de Sint-Salvathorskatedraal opduiken. Ik kan me voorstellen dat zoiets in de middeleeuwen een nog meer mystiek beeld was.  Iets later gaan we de supermarkt met de leeuw binnen, brullend van de honger bijna. Ik wacht in het portaal om de zaak wat af te kijken. Een afwijking van mezelf, genezing is niet nodig. Een man rekent af aan de kassa. Zijn boodschappentrolley staat naast hem. Hij ziet niet dat een binnenkomende man een ‘sssst’-gebaar maakt naar de kassière. Met zijn wijsvinger op de lippen. Hij neemt de trolley van de man en zet die opzij. De eerste man wil zijn portefeuille in de trolley steken en schrikt dat die niet op zijn plaats staat. Hij kijkt opzij en daar ziet hij de andere man lachend staan. Ze kennen elkaar. “Maar gij schurk”, zegt hij. Samen met de mevrouw aan de kassa lach ik met het vrolijke tafereel. Daarna zeggen ze iets dat ik niet begrijp, enkel ‘tot straks’ versta ik. Vervolgens gaan ze elk hun weg, met de trolley achter zich aan. Zoals moderne ridders in Brugge. Schurken zijn het niet.

Rudi Lavreysen
10 1

zwerveling

tjonge jonge wat ben ik heilig vandaag, ik ken de hemel als mijn binnenzak, ik heb een 1-1-2tje met god, ik sla graag loos alarm, heiligheid wil gehoord worden.   ik sta naast mijn schoenen, ik ben erop uit het mensdom met  onbedekte voeten te treden.   het moet gezegd: ik kan beter zingen dan Hildegard von Bingen mijn stem komt hoger, schalt met onbezonnen zuiverheid door het luchtruim, een toontje lager ken ik niet.   ik schijn al zo heilig  maar alsof dat niet genoeg is ben ik strijdbaar bovendien, met gebalde vuisten bestorm ik heilige huisjes en vecht wat krom is recht, ik lach om Jeanne d’Arc, ach, ze deed haar best.   ik ben geroepen,  ik streef naar hoger hemel, ik droom op de toppen van mijn kunnen, zelfoverstijgend verklaar mijzelf zalig,  vanuit den hoge kijk ik  en buig neer.   ik knik koninklijk naar de kleurloze  kinderkolonie daar beneden, krioelende  mieren zijn het, ik buig nog wat dieper,  ik zie hoe ze me aangapen, prevelend, stuurloos, dolgedraaid.   ik groei ervan, ik rek uit, onmerkbaar verlies ik aan lichtgewicht,  mijn voeten worden van hun stuk  gebracht, ik sla dubbel in mijn eigenwaan.   ik wist niet dat je ook te ver kan buigen, dat barsten ook een optie is, dat je niet al bij  leven het tijdelijke met het eeuwige kan  verwisselen, heilig waan ik me veilig, tot ik topzwaar begin te tuimelen.   ik val uit mijn heelal, ragfijn stort ik neer,  mijn zwevend bestaan spat uiteen in  twijfelstemmen en klaagzangen, er zit niks anders op dan een vleeshemd  aan te trekken en mijn voeten te steken  in de stoute schoenen van een  sterveling, eeuwige zwerveling, voor altijd op weg naar een rustplaats.

Hedianne
0 0

Prachtige wallen (deel 3)

5 februari 2014 Magda nog steeds kwaad. Lukt me niet om het goed te maken. Hoe vaak ik ook sorry zeg. 'Je zegt wel dat het je spijt, maar je meent het niet. Je wil gewoon dat ik je vergeef. Je vindt het jammer dat ik je betrapt hebt, maar echte schuldgevoelens heb je niet, niet over je bedrog.' Hoe kan ik het ook menen? Hoe kan ik spijt hebben over iets wat ik nooit gedaan heb? Ze zegt dat mijn verontschuldigingen niet oprecht zijn. Wat kan ik daar doen? Moet ik nu acteerlessen gaan nemen om dit huwelijk te redden? Zeg het niet graag, maar er zijn momenten waarop ik haar zou willen wurgen. Ik weet waarom ze zich zo nukkig gedraagt, waarom ze soms niet eens met me wil praten, waarom ze kwaad op me is, en ik weet dat ze daar alle recht toe heeft, maar dat neemt niet weg dat haar verwensingen me pijn doen, dat het steekt als ze me negeert. Ik doe mijn stinkende best om een huwelijk te redden waar ik eigenlijk niks mee te maken heb, en wat krijg ik? Stank voor dank. Alle begrip voor Magda – Mark Desmet is een klootzak – maar ik kan de klok niet in zijn plaats terugdraaien. Ik kan alleen maar in zijn plaats mijn/zijn verontschuldigingen aanbieden. Ik snap wel dat haar beledigingen naar Mark Desmet gericht zijn, de vorige Mark Desmet, maar aangenaam is het niet om elke dag smeerlap, hufter of rotzak genoemd te worden. Moeilijk om dan zelf niet aan het schelden te slaan. Rationeel begrijp ik wel dat ik haar onmogelijk iets kwalijk kan nemen, dat ze zich gekwetst voelt en het normaal is dat ze zich afreageert op de man die haar verdriet heeft gedaan, maar soms treffen haar beledigingen echt doel, voel ik me persoonlijk aangevallen, en dan het kost het me veel moeite om niet – verblind door woede – in de tegenaanval te gaan. Als iemand je beledigt, wil je terugslaan. Een automatische reactie. Dat is hoe de natuur ons geprogrammeerd heeft: onze emoties sturen ons. En die zijn zo sterk dat het soms haast onmogelijk lijkt om ze in bedwang te houden. Eens gelezen dat de amygdala – het stukje brein dat onze emoties regelt – stukken ouder is dan de prefrontale cortex – dat deel in onze hersenen waar de ratio zit. De oeroude amygdala bepaalt hoe we ons voelen bij wat we zien en horen, en lokt dus reacties uit – ons gedrag. De prefrontale cortex is pas later in de evolutie ontstaan, en kan ons gedrag enkel bijsturen. Vandaar dat het vaak inspanning vergt om je niet mee te laten slepen door je emoties, je prefrontale cortex kan ze niet altijd aan de leiband houden. Dus ja, soms moet ik echt op mijn tong bijten. En dan kost het bakken empathie om me in te houden. Moet ik me verschrikkelijk forceren om me in Magda's plaats te blijven stellen, de situatie door haar ogen te bekijken, en rekening te houden met haar gevoelens. Ik blijf het echter proberen, keer op keer, om zo oprecht mogelijk sorry te zeggen. Mijn lunchpauzes en vrije tijd breng ik dan ook voor de spiegel door, oefenend, mijn gezichtsuitdrukking aandachtig bestuderend. Ga ook wat films over relatieproblemen proberen bekijken, en letten op de acteurs. Hoe hun wenkbrauwen staan, welke houding ze aannemen, hoe hun stem klinkt. Er moet een ideale gezichtsuitdrukking zijn, een ideale houding van de schouders, een ideaal stemtimbre. Eigenlijk acteer ik al heel mijn leven, tot voor kort elke dag een andere rol, misschien wordt het tijd om mijn beroep eens serieus te gaan nemen. 6 februari 2014 Sorry. Mijn verontschuldigingen. Mijn oprechte verontschuldigingen. Het spijt me. Mijn excuses. Welgemeende excuses. Ik betreur wat er gebeurd is. Als ik de klok kon terugdraaien… Echt waar, ik word door wroeging verteerd. Het berouwt me ten zeerste. Zoveel manieren om hetzelfde te zeggen. Welke zou de beste zijn? Waarschijnlijk hangt het in grote mate af van hoe je het zegt, met welke intonatie, welke blik in je ogen. Ooit eens een artikel gelezen over een debat tussen Kennedy en Nixon dat zowel op radio als tv werd uitgezonden. Volgens de radioluisteraars had Nixon het debat gewonnen, volgens de tv-kijkers Kennedy. Zelfde debat, alleen klonk Nixon overtuigender, terwiljl Kennedy er overtuigender uitzag. Image is everything. Het moet lukken, doen alsof je oprecht bent. Gewoon een kwestie van oefening.

nEMO
3 0
Tip

Ctrl+Alt+Del liefde (2e versie)

‘Verdomme. Wie had bedacht dat dit een goed idee was?’ Ik keek naar mijn broek. Mijn moeders skinny jeans. Hij zat zo strak rond mijn middel dat ik er vrijwel zeker van was dat mijn ingewanden inmiddels in alfabetische volgorde lagen. Ik miste mijn afhangende skaterbroek. Mijn skaterbroek en ik hadden een gezonde relatie gehad. Hij accepteerde mijn buik, ik accepteerde zijn gebrek aan ambitie. We hadden elkaar nooit proberen te veranderen. Deze broek daarentegen leek persoonlijk beledigd door mijn bestaan. Op de sleehakken die ik van Tina had geleend – ‘Ze maken je benen echt lang!’ – navigeerde ik als een dronken flamingo over de kasseien van de Binnenstraat. Voor me doemde de verlichte gevel van pizzeria Saporito op. Mijn maag maakte een salto. Ik kon nog omkeren. Niemand zou het weten. Ik zou gewoon naar huis gaan, mijn pyjama aantrekken en de rest van mijn leven doen alsof internetdating een vreemde rage uit een ver verleden was. Mijn broekzak trilde. Mama. Veel succes vanavond! Probeer vooral niet jezelf te zijn. xx mama Ik las het bericht twee keer. Daarna grinnikte ik. Fijn. Mijn eigen moeder had blijkbaar ook al vastgesteld dat ‘mezelf zijn’ vanavond niet bepaald de winnende strategie was. Ik voelde me inderdaad allesbehalve mezelf. Ik droeg haar broek, Tina’s schoenen en een persoonlijkheid die voor de gelegenheid ergens tussen ‘zelfverzekerde vrouw’ en ‘vrouw die waarschijnlijk over haar eigen voeten gaat struikelen’ schommelde. Maar ik had besloten dit te doen. Of toch te proberen. Er moest iets veranderen in mijn leven. Dit was de eerste stap. Een kleine stap. Op een paar gigantische pumps. Maar toch. De vraag was alleen: hoe zou híj eruitzien? Zijn datingprofiel hielp niet echt. De enige foto was een soort Manga-lookalike. Een gezicht met de perfecte kaaklijn, grote ogen en ongeveer evenveel emotionele diepgang als een emoji. Nerd, dus. Maar zijn berichtjes hadden me verrast. Hij was grappig. Scherp. Uitdagend. En, wat ronduit verdacht was, hij kon tegen mijn droge opmerkingen. Sterker nog: hij leek ze leuk te vinden. Al snel waren onze gesprekken behoorlijk flirterig geworden. Na een paar dagen begon ik zelfs uit te kijken naar zijn berichtjes. Wat op zich al een alarmsignaal was. Wanneer zou hij terugsturen? Waarom duurde het zo lang? Had hij mijn bericht gelezen? Had hij het grappig gevonden? Was die punt achter zijn laatste zin misschien een teken van emotionele afstand? Stop. Ik moest mezelf dringend tot de orde roepen. ‘Niet onnozel doen, Lolo.’ Ik voelde mijn wangen warm worden. Fantastisch. Ik was nog niet eens binnen en mijn lichaam gedroeg zich al alsof ik een tiener was die voor het eerst oogcontact had met een jongen. Zou onze conversatie in het echt even spontaan verlopen? Waarschijnlijk niet. In het echte leven kon ik namelijk niet gewoon drie minuten nadenken voor ik een gevat antwoord stuurde. Ik moest mijn woorden onmiddellijk produceren, met mijn mond. Een nogal beperkende technologie. Bovendien had ik zelf ook niet bepaald open kaart gespeeld. Mijn profielfoto was een gepolijste, door ChatGPT opgekalefaterde versie van een vijf jaar oude pasfoto. Het was technisch gezien mijn gezicht. Alleen had ChatGPT blijkbaar besloten dat ik meer weg had van een vrouw die op een reclamebord staat te glimlachen alsof ze nog nooit in haar leven een slechte haardag had gehad.  Bewust hadden we nog niet te veel concrete informatie gedeeld. We waren allebei IT’er – gemeenschappelijke interesses, altijd een pluspunt. We hadden allebei gevoel voor humor – uniek! En we waren allebei op zoek naar gezelschap. Dat laatste klonk achteraf gezien misschien iets te veel als een advertentie voor een gezellige seniorenclub. Mijn zenuwen raasden inmiddels door mijn lijf alsof ze een eigen Uber hadden besteld. We hadden een plan. We zouden elkaar herkennen. Dat hadden we afgesproken. Hij zou een gele polo dragen. Een gele polo. Een kledingstuk dat er naar mijn bescheiden mening onmogelijk goed uit kon zien, maar misschien kon humor zelfs een slechte kledingsstijl goedmaken. Ik zou een roze top en blazer dragen. Dat had ik uiteraard eerst bij Tina gecheckt, want tussen mijn Nirvana T-shirts zat precies niets roze. En nu stond ik voor de pizzeria. Ik aarzelde een seconde. Oké. Misschien twee. Stiekem gluurde ik door het raam. Ik wist meteen dat hij het was. Een kanariegeel hemd met roze tijgers. Ha! Spuuglelijk. Maar origineel. Helemaal mijn ding. Hij zat met zijn rug naar het raam en tokkelde zenuwachtig met zijn vingers op het tafeltje. Dat was goed. Want de kriebels in mijn buik waren ondertussen ook zenuwachtig aan het rondkrioelen. Ik glimlachte. Oké, Lolo. Gewoon naar binnen. Plots stak hij zijn hand op naar een ober. Hij draaide zijn hoofd. Ik zag zijn gezicht in profiel. Nee. Dit kon niet waar zijn. Niet híj. Mijn eerste Tinderdate bleek de pestkop van kantoor. Mijn Manga-held was Stef Peeters. Stef. Vrouwenhater. Arrogante eikel. Reeds vijf jaar de nagel aan mijn doodskist. Vorig jaar had hij mijn langverwachte – en, mag ik dat er even bij zeggen, hardverdiende – promotie voor mijn neus weggekaapt door met mijn geniale idee aan de haal te gaan. Mijn idee.  Zijn promotie. Godverdomme. Wat nu? Ik stond op het punt om weg te benen. Mijn bestie Sofie zou geen seconde twijfelen. ‘Foute boel, Lolo! Wegkomen!’ Ik hoorde haar het bijna roepen. Maar toen schoot me iets te binnen. Was Stef niet getrouwd? Vorige week had ik Tina nog horen vertellen dat zijn vrouw zwanger was. Nee.  Hier zou hij niet mee wegkomen. Ik duwde de deur van de pizzeria open en stapte met vaste tred naar zijn tafeltje. De serveerster zette net een Apérol voor zijn neus. ‘Dag Stef!’ zei ik opgewekt. ‘Of moet ik zeggen: Mangaatje03?’ Hij keek op terwijl hij van zijn glas nipte.  Ik zag het gebeuren. De blik in zijn ogen. Verwachting. Herkenning. Verwarring. En toen pure afschuw. Hij verslikte zich zo hard in zijn Apérol dat ik even bang was dat hij ter plekke zou overlijden. ‘Jij?’ Proestend probeerde hij zijn waardigheid terug te vinden. Ik ging rustig tegenover hem zitten. ‘Ik? Jazeker.’ Ik glimlachte. ‘De ideale vrouw met de looks, brains en droge humor.’ Voor het eerst in vijf jaar kreeg ik Stef Peeters met een mond vol tanden. Dat voelde verrassend goed. ‘En jij?’ vroeg ik. ‘Weet Silke hiervan? Van jouw Tinderavonturen?’ Hij sloeg zijn ogen neer. ‘Ik weet wat je nu denkt,’ zei hij. ‘Dat betwijfel ik.’ Hij zuchtte en sloeg zijn ogen neer. ‘Maar Silke en ik… dat gaat al lange tijd niet goed. En toen bleek ze plots zwanger.’ Hij zweeg. Ik wachtte. ‘En nu kan je er niet meer van weg?’ vroeg ik. ‘Is dat het? Dus zoek je je ding maar ergens anders?’ Walgelijke kerel. Ik wist het. Stef stak protesterend zijn hand op. ‘Nee. Zo is het niet. Ze heeft me toestemming gegeven. Zolang ik haar niet laat zitten met de baby.’ Ik zuchtte. Daarom geloofde ik niet in langdurige relaties. Ik had het gezien bij mijn ouders. Eerst waren ze verliefd. Dan waren ze getrouwd.  En uiteindelijk konden ze elkaars ademhaling niet meer verdragen. Blijkbaar was dat het natuurlijke verloop van de meeste relaties. Stef nam mijn hand vast. ‘Wil je dit alsjeblieft stilhouden op kantoor?’ Verdorie. Hij kon lief kijken. Dat had ik niet ingecalculeerd. En hij had prachtige blauwe ogen. Nee, Lolo. Niet smelten. Niet voor Stef Peeters. Toch knikte ik. ‘Oké.’ Hij liet mijn hand los en wenkte de ober. ‘De rekening graag.’ Mijn mond viel open. Mijn hersenen staakten. Mijn lippen hadden zich blijkbaar bij de vakbond aangesloten. Stef keek me aan. ‘Bedankt voor je begrip, Lore. Maar dit gaat toch niet werken. We doen ons allebei een plezier door de knoop meteen door te hakken.’ Ik staarde hem aan. Ik was te verbijsterd om te reageren. Mijn lippen staakten nog altijd. Mijn lijf gelukkig niet. Dat reageerde volledig Lolo-automatisch. Ik stond recht, greep zijn glas Apérol en gooide de volledige inhoud in zijn gezicht. Stilte. Het roze sap droop langzaam van zijn neus naar zijn kin. Ik keek hem aan. Hij keek mij aan. Ik glimlachte. En toen was ik klaar.

Sfieke
79 7

C.ng.

Zonder clan zijn, wat betekende dat voor hem. Hij zag de zwart witte beelden nog voor hem van de Zwarte vissers in een prauw, die met hetzelfde doel voor ogen aan één zeel trokken. Ze roeiden zich te pletter ergens ter hoogte van de evenaar, en zongen slechts voor hen bekende liederen over een vruchtbare visvangst en een gunstig gestemde zeegod. Die solidariteit stond in schril contrast met de bloederige stammenoorlogen waarover hij gelezen had. Nee, dan liever geen clan. Niet met het mes tussen de tanden en bloeddoorlopen ogen van de qat recht tegenover de ander. Hetzelfde rode metalige bloed, toch de vijandschap. Wanneer zouden we het Monster in de ogen durven kijken dat in plaats van verschillend we zo gelijkend zijn? De schrijver die hij zo bewonderde kon niet meer aarden in België na jaren in de tropen. Hij schreef boeken met ronkende titels als Schroot en Zonder Clan. Hij ging naar de cinema om te vluchten in de film, westerns het liefst, en op een gegeven moment ging hij op de Kalmthoutse Hei wonen. In zijn witte brein visioenen van de drums, die vermaledijde knettergek makende drum die je wel hoorde maar niet zag en de smaak van pili pili op elk gerecht, van gezouten vis, tot maniok en plantijns, dat waren nog eens tijden, van bevrijd zijn van het katholicisme ook, de kneuterige kwezelachtigheid van het moederland, stijve heupen en slappe … thuis, waar is thuis?, steriel de straten, alles leeg en schoon, het spoelen van de kruinen van mensen en bomen met Noordzeeregen, de poëzie van immer vergankelijke en veranderende wolkenformaties, vloekend, met de heiigheid van de doldrums, de koperen ploert torenhoog in het zenit, en in de boîtes repetitieve, hypnotiserende muziek met onbegrijpelijke zanglijnen in een taal die hij begrijpt door haar intonatie maar niet letterlijk, en de droogte, de laffe lucht, zwanger van onweer, in plaats van duiven en merels duiken reptielen weg tussen de struiken, en ergens bewaakt een valse baviaan een compound in plaats van een waakhond, en dan die geschifte president die met zijn privé-vliegtuig champagne ging halen uit Parijs en steaks van Buenos Aires terwijl zijn onderdanen crepeerden van armoede, ja, zo’n fataal triest en levenslustig land was het waar van dag tot dag leven de nomaalste zaak ter wereld was omdat gisteren niet meer bestaat en morgen verre toekomst is, en de kinderen hebben vliegen op het prut van hun ogen, en de jongeren slagen elkaar tot pulp voor een levensgevaarlijke klus in de mijnen voor een habbekrats, voor een habbekrats, terwijl de schrijver, welke schrijver?, kan leven als God in Frankrijk en kan zuipen met de President, en zich vergapen aan jonge maagden, en totaal moraalloos door het leven gaan, en het is jazz, godverdomme, tragische prostituees in New Orleans hebben voorouders in dit vermaledijde door God en klein pierke in de steek gelaten, uitverkoren land voor schooiers, dieven en opportunisten, en waar, waar zijn de vrouwen van die gelukszoekers, waar is het recht en het wetboek, die heet Smith & Wesson, ja, dat moet zo zijn, dit is terug gaan in de tijd, koppensnellen en scalperen, zo gaat het er aan toe, de zwakkeren moeten eruit, de onaangepasten, dit is één groots marktplein, en de oorsprong heeft geen geweten, oren, mond, ogen, iedereen is blind en stom en zwijgt gedwee, de sheriffs zijn corrupt en niks werkt, maar de harten kloppen tegen honderd en uur, de tanden gepuntvijld om het met een neologisme te zeggen, en de airco piept en suft en kraakt als de kranen waarmee de schepen honderd jaar geleden en nu nog geladen en gelost worden, en alles gaat te traag maar stopt wel nooit met bewegen net als hun muziek, die van hun, niet die van ons, want ook al kennen we beide de viool, ze klinkt anders in Zwarte handen dan witte handen, waarom, godverdomme, en die djingel djangel veel te hoog gestemde gitaren brengen extase en lethargie tegelijkertijd, gevangen in een mal van geschifte ritmes tempos, misvieringen en voodoo-achtige rituelen, met offers van geronnen kippenbloed, en zo gaat dat hier maar verder, zelfs als je daar niet meer bent, en kijkt naar de bergen in Zwitserland of een ander ordelijk land waar alles een doel heeft en een eerste beweger, en de mensen rationeel lijken maar eigenlijk verstoppertje spelen, vergeet het niet dat jullie beesten zijn, ja, onmensen, zij waren de nobelen, ik ga over mijn nek, bijna, de nobelste opzichter van de fabriek met naaimachines en weefgetouwen, die al dertig jaar wacht tot ze terugkomen, de witte duivels, om alles terug te laten marcheren, zoals de ijzeren buffels, de boula mataris, en waarom groeit die jungle als kool … Dat is de koorts van de voormalige koloniaal, die naïeve, crapuleuze wereldverbeteraar, die alles doet voor geld en maagden, en weer, waar zijn die witte vrouwen in dit, dit, dit, inferno, ja, ja, het klopt nog steeds, dit is nog steeds the Heart of Darkness, en niemand die er wat aan kan doen, soms is de wet van de fysica anders op een andere breedtegraad, oost is west en noord is zuid, de zon gaat braaf onder en de sterrenbeelden hebben andere namen maar de dag is even lang als de nacht en de maan staat hoog aan het firmament en in de struiken zitten okapi’s en luipaarden te wachten op het afval van de dag en de nachtelijke kampvuurtjes, hier is het heilige profaan en omgekeerd, en kunnen we maar niet de vinger leggen op waarom alles zo anders is, en we nog steeds met die witte superieure boertige bril blijven kijken omdat dat is wat we doen, verdelen, opsplitsen, graven, speurneuzen, in plaats van alles te laten zoals het is, gewoon alles laten liggen, niks doen, niks doen, gewoon een teen in de rivier en wachten tot de krokodil bijt en we opgeslokt worden en sterven, en leven en sterven zoals al die miljoenen termieten in hun burcht, maar dat is niet in onze aard, we, zij, chacun veut être chef, au … tout est possible, article quinze, débrouillez-vous, bwana kitoko, mooie mooie jongen, Baudouin, tu te souviens le voleur de ton sabre, hein, mais un voleur reste un vouleur, nous nous souvenons ton grand-grand père Leopold II, de hoerenpoeper, geen stap heeft hij gezet op het continent maar zijn staatkunde  heeft miljoenen van ons, van hen, onthand, bestaat dat werkwoord, onthanden … ze noemden ons lui, onhandig, ces fils de putes, we zijn er nog steeds en jullie roven nog steeds onze bodems, en dan zijn jullie verbaasd dat we ’s nachts in jullie slaapkamer verschijnen en jullie halsslagader doorbijten? Dat is wat jullie galgenhumor noemen, en wij justice poetique. Ca suffit. The Beatles. I Am The Walrus

Kameraad 60
11 0

Wat kan het mij?

Ja, 't is waar. Ik heb succes bij de vrouwen. Ik ben geen opschepper, het is gewoon zo. Ze cirkelen bijna voortdurend rond me. Waarom, dat zou ik wel eens willen weten. Overdreven knap ben ik niet. En dan spreek ik over alle interpretaties van dat woord. Niet aantrekkelijk, niet intelligent, niet handig. Dan kan het bijna niets anders dan mijn goedlachsheid en humor zijn, misschien wel in combinatie met mijn gedrag en uiterlijk. Dat zullen ze grappig vinden. En heel aanstekelijk. In de vorige paragraaf had ik het over muggen, dat had je misschien wel begrepen. Ik ben de voorbije week herhaaldelijk gestoken en gebeten, op plaatsen die je niet wil weten. Door een aantal vrouwelijke exemplaren, want zij zijn de stekers, de wakkerhouders. Omdat ze bloed nodig hebben voor de ontwikkeling van hun eitjes, zegt Wikipedia. Wat kan het mij? (Tegenwoordig stel ik mezelf vragen, op zich al een vermoeiende bezigheid, zeker in deze periode van slapeloosheid, daarom laat ik doorgaans de vermoeiende werkwoorden achterwege.) Verrekken, schelen, fucken of verdommen, verdomme! Excuseer.  Mannelijke muggen daarentegen drinken alleen nectar en sapjes, planten zich in stilte voort en bemoeien zich verder nergens mee. Ik zou een goede mug zijn. Maar mensen zijn geen muggen, al komen muggenzifters in de buurt. Op zich is dat nog een troetelnaampje voor degenen die ik beoog. Ik heb het dan over de zogeheten klavierhelden of toetsenbordridders, de assertieven op azerty, de quertyquerulanten. De bijna ziekelijke klagers die voortdurend denken dat hen onrecht aangedaan is of zij die constant de behoefte voelen om anderen te schofferen.  Ik heb de indruk dat het bij mensen meestal over de mannetjes gaat. Zij steken. Cru gezegd geloof ik dat het vooral diegenen zijn die vroeger frequent de spade, borstel, hamer, schroevendraaier, biljartkeu of misschien wel de breinaald hanteerden, maar die tegenwoordig, uit professionele of vrijetijdsoverwegingen vooral in de buurt van hun toetsenbord vertoeven.  Hebben ze ongelijk? Schoenmakers die bij hun leest bleven, zijn inmiddels al lang failliet. Je moet mee met de moderne tijd, maar sommigen doen dat zo onbehouwen dat het lijkt alsof ze het idee hebben dat ze ongenaakbaar zijn. Het is niet omdat de kwaliteit en de waarde van schoeisel zo gezakt zijn, dat ze het niveau van het geschrevene daarom op evenredige wijze moeten neerhalen. 'De wereld zou doodvervelend zijn als niet ieder zich stiekem superieur achtte aan bijna ieder ander mens,' zei de Amerikaanse schrijver Don Marquis honderd jaar geleden al.  Dat het stiekeme, of beter gezegd het niet uitgesprokene of -geschrevene, steeds vaker achterwege blijft, is in dit geval erg jammer. Vooral omdat het superioriteitsgevoel van velen niet alleen overontwikkeld maar ook nog eens totaal misplaatst is. Het kwalijkste zijn de anoniemen, je weet wel, de geniepstypers. Die met de schuilnamen, die het met een walgelijke welwillendheid doen en zich op een laffe manier verstoppen achter namen à la Jan Oniem, Wim Cognito of iets dergelijks. Waar stiekem nog een luchtige bijklank heeft, iets 'om bestwillerigs', wordt het hier heimelijk en hatelijk. Ben ik dan zelf zonder zonden? Ik denk grotendeels van wel, eerlijk gezegd. Toegegeven, achter het scherm neem ik ook veel sneller het voortouw. Tijdens groepsbijeenkomsten voel ik me veel comfortabeler op de achtergrond. Toch kom ik zo nu en dan ad rem uit de hoek, op welke manier dan ook. Ook al ben ik, volgens sommigen, een babbelaar van jewelste, toch heb ik zelf altijd het gevoel gehad dat ik me al schrijvend heel wat gemakkelijker en genuanceerder uitdruk.  Wat Don Marquis zei, klopt volgens mij wel. In elk van ons schuilt effectief een soort superioriteitsgevoel ten opzichte van bijna ieder ander mens. Ik zou het zo gedaan hebben. Dat vind ik dom van haar. Wat heeft ze nu toch weer uitgestoken? Waarom heeft hij dat in hemelsnaam gekocht? Had hij niet beter twee keer nagedacht? Was dat nu echt nodig? We weten het allemaal, van bijna iedereen. De afstand tussen denken en zeggen is voor velen gelukkig groot. Dat voorkomt een hoop miserie. Maar de afstand tussen denken en schrijven is voor anderen veel te klein geworden omdat het toetsenbord een veel te grote rol is gaan spelen in hun bestaan. Wat gezegd wordt, vervliegt. Het geschrevene of getypte blijft je achtervolgen.  Als schrijver neem ik dat erbij. Omdat ik een schrijver ben. Ik kan niet anders. Vergelijk het met de vrouwtjesmug. Voor sommigen ben ik aanstekelijk, voor anderen houd ik geen steek. De mug doet het ook niet om irritant te zijn, maar omwille van haar voortbestaan en wat ze is. Zij heeft het bloed nodig, ik de inkt. Het zij zo. Ik schreef zo. En dat zal ik blijven doen. Toch mijn excuses aan eenieder die dit leest en opvat zoals het misschien niet bedoeld is, ook aan die eventueel geschoffeerde schoenmaker.  

Danny Vandenberk
2 1