Lezen

Vignet

De avond was koud genoeg om een dikke mantel en handschoenen aan te trekken voor ik nog maar zou overwegen om naar buiten te gaan. Met een stevige tred liep ik door de straten van Leuven, de februariwind bijtend in mijn gezicht. Morgen zou het gaan sneeuwen. Onder de toren van de Sint-Geertruikerk zag ik haar, huppelend de Mechelsestraat af dartelen. Ze had een koptelefoon over haar wilde bos kastanjebruine haren en ze leek volledig op te gaan in de muziek die enkel zij kon horen. We zouden elkaar weldra kruisen en ik bedacht me of ik niet beter de straat zou oversteken, uit voorzorg. Voorzorg waarvoor? Ik was niet zeker, maar had geen zin in gedoe, in dronken mensen die je lallend aanspreken op straat. Terwijl ik me dit aan het bedenken was, was het al te laat. We waren elkaar al te dicht genaderd om nu nog de oversteek te maken. Nu zou het gewoon onbeleefd zijn. Haar blik kruiste die van mij en een glimlach doorbrak haar gezicht. Terwijl we elkaar passeerden stak ze resoluut haar hand naar me uit, kauwend op een kauwgom. Haar dieprode, bijna bordeaux of paarse lippenstift zag eruit alsof het al lang geleden was aangebracht, waarschijnlijk aan het begin van de avond. “Mag ik uw hand?” Gedurende een enkele tel aarzelde ik, maar dan legde ik mijn hand in die van haar, mijn hand omhuld door een zwarte handschoen, haar hand bloot. Ze bewoog haar lichaam heen en weer op de muziek die uit haar koptelefoon kwam, hief haar arm op en wilde me laten ronddraaien. Ik voelde me ongemakkelijk en onwennig, begon te zeggen dat ik helaas door moest. Zonder hier acht op te slaan, draaide ze dan maar zelf rond en zei lachend “Nu jij.” Hier kon ik niks tegenin brengen, werd geïnfecteerd door haar vrolijke zelf. Nog steeds een beetje ongemakkelijk draaide ik rond, haar hand nog steeds vasthoudend. Halverwege de omwenteling sloeg mijn hart een slag over, ik voelde haar goed gemoed oversijpelen naar mezelf en beantwoordde haar glimlach. Hierna maakte ze een diepe buiging en danste verder de nacht in. Ik bedacht me dat ik dit moment moest bijhouden, neerschrijven, niet vergeten. Terwijl ik mijn nachtelijke wandeling verderzette, werd ik overvallen door een gevoel van rouw voor de mensen die we ontmoeten en daarna nooit meer zullen terugzien. De rouw werd opgevolgd door de berusting in dat dat ook niet erg is, dat de schoonheid ervan net in die vluchtigheid zit. Toen ik achterom keek, was ze verdwenen, dat onbekende meisje dat samen wilde dansen deze nacht.

LeenB
2 1

Een vrouw

Een vrouw. Ze staat er. Ze valt en staat weer op. Ze valt op. Een eigenzinnige vrouw. Een vrouw met handen in de aarde en haar hoofd in de lucht. Een vrije vrouw.Een vrouw met donkere ogen en een verlichte geest.Een tache de beauté, vlak bij haar neus. Ze heeft een boek onder haar arm. Ze is een boek van een vrouw, dat je niet gelezen krijgt. Een stijlvolle vrouw, zonder stijl. Een eeuwige vrouw. Zonder trends. Een vrouw die laarzen draagt, enkel om er regels aan te lappen. Een vrouw die op de lappen gaat. En die alles afzweert. Een vrouw die weet, van wanten en planten. Een volle vrouw. Een vrouw die geen blad voor de mond neemt. Rad van tong. Met daarop haar hart. Een vrouw die kiest. Een vrouw die zich niet laat kennen. Die zich laat verwennen. Die verwent. Een verwende vrouw. Een vrouw die spreekt. Een vrouw die veelzeggend zwijgt. Staalhard. Die je het zwijgen oplegt. Een vrouw die je de mond snoert. Een snoerende vrouw, die zich niet laat insnoeren. Een snoevende vrouw. Een stoere vrouw. Een vrouw die smacht en smeekt, siddert en beeft. Voor zichzelf. Die zich overgeeft, aan zichzelf. Een vrouw die niet van ophouden weet. Geen vrouw bij de vleet. Een vrouw van vol vlees. Die geurt naar kruiden en buiten.Een vrouw die leeft. Die kansen gretig grijpt. Die oogst wat je haar geeft. Een straffe vrouw. Een vrouw die straft. Een vrouw met straffe stoten, een vrouw met kloten. Een vrouw die tegen een stoot kan. Een vrouw die het hard te verduren krijgt. Een vrouw die wordt aangeraakt. Een vrouw die slikt maar niet vergeet. Een wilde vrouw. Een wulpse en weldadige vrouw. Wildevrouw. Een weergaloze vrouw. Een oervrouw die de oerkreet uit. Die het uitschreeuwt van pijn of genot. Dat maakt niet uit. Een vrouw die de weg toont, een vrouw die je weg tovert. Van het pad gaat.Een vrouw die durft drinken, durft stinken. Een vrouw die bedwelmt. Een vrouw die zalft en geneest. Planten leest.Een vrouw die zorgt en zoogt. Een vrouw die poogt. Probeert en faalt en opnieuw probeert. Die opbokst. Ze wikt en weegt. Ze pleegt. Ze doet, ze onderneemt. Een gevaarlijke vrouw. Een slimme vrouw. Een sluwe vrouw. Een wereldse vrouw, een vrouw van de wereld. Een vrouw waar geen sleutel op past. Een vrouw als een bloem. Als een eenogige kat.Een onomwonden vrouw. Een wonde van een vrouw. Een wonder van een vrouw. naar aanleiding van het debat tussen Soundos en Bart Schols, gebaseerd op De wonderen van Jeroen Olyslaegers

Lennart Vanstaen
3 0

Hotel Transit

Nadat hij voor de zoveelste keer de bons had gekregen – deze keer was hij te impulsief geweest volgens zijn ex-vriendin – besloot Milan met een dokter te gaan praten, want misschien lag het toch aan hem. Hoewel hij wist dat hij eerst een afspraak diende te maken, bij voorkeur gebruik makend van het daartoe voorziene, erg handige online consultatiesysteem, was hij meteen na zijn date richting zijn huisarts vertrokken. Het zou toch niet de eerste keer zijn dat er iemand tussenuit viel. Terwijl hij zijn tranen verbeet, peperde Milan zichzelf in dat dit géén impulsieve beslissing was maar een pure noodzaak, het kon niet langer wachten. ‘Dag dokter.’ ‘Gaat u zitten,’ sprak de dokter eentonig en hij nam een pen ter hand, zette zijn bril, die een opvallend montuur had zowel qua vorm als qua kleur, op zijn rechte neus en richtte zich op een vel papier dat geklemd zat tussen een klembord. Het verbaasde Milan dat een arts anno 2026 nog zo’n attribuut gebruikte, maar het vulde hem ook met respect. Bovendien gaf het hem het gevoel serieus te worden genomen. Iets waar hij al zo lang naar verlangde, iets wat hij in zijn relaties miste.‘Vertel het eens, waar hebt u last van?’ stak de dokter van wal, en hij zette de punt van zijn pen verwachtingsvol in de linkerbovenhoek van zijn A4’tje. ‘Wel, het is niet zo dat ik ergens pijn heb,’ begon Milan, ‘maar het is ook niet zo dat ik nergens geen pijn heb.’ De dokter liet een kuch ontsnappen die hij vakkundig opving in zijn behaarde vuist, en zonder zijn patiënt aan te kijken, ging hij verder.‘Maakt u zich ergens druk om?’ Daar moest Milan even diep over nadenken. Uiteindelijk zei hij iets in de stijl van ‘ik weet het niet’. ‘Hoe voelt u zich op dit moment?’ ‘Redelijk goed, maar…’ ‘U bent hier natuurlijk niet zomaar’, maakte de dokter zijn zin af. ‘Wat is het dat u doet van werk?’ ‘Ik werk voor een bedrijf.’ ‘Juist, ja.’ De dokter kribbelde enkele dingen op zijn papier en onderlijnde zo goed als alles wat hij net had neergeschreven. De laatste woorden werden zelfs dubbel onderlijnd. Helaas kon Milan niet lezen wat er stond. Hij werkte dan wel bij een bedrijf, erg bedrijvig was hij niet. Allerminst in handschriften lezen, laat staan die van dokters en ondersteboven.‘Hoeveel mensen werken er in uw bedrijf?’ ‘O, maar het is niet mijn bedrijf, ziet u. Ik ben maar een werknemer. Ik denk dat er om en bij de vijftig mensen werkzaam moeten zijn.’ ‘Wat is juist uw titel of functie?’ ‘Ik ben recent gepromoveerd tot floor manager.’ De dokter keek voor het eerst op van zijn klembord en keek Milan indringend aan. ‘Floor manager? Bent u van het onderhoudspersoneel?’ Hij toonde een goedbedoelde glimlach, maar noteerde verder, dus Milan besefte dat de dokter een grap maakte.‘Kan u mij eens een gewone werkdag beschrijven?’ Milan vertelde dat hij rond 7u ’s morgens opstond, het nieuws las, een douche nam, een ei bakte, een glas melk dronk en een gezonde smoothie maakte van selder, appel en kiwi voor in de auto. ‘Is er tot dan toe een moment waarop u zich niet goed voelt?’ ‘Nee. Of jawel, wanneer ik het nieuws lees, dat is soms heftig op een lege maag. En ja, in de auto soms ook.’ ‘Ja, we zijn niet gemaakt voor de ochtendspits.’ ‘Nee, dokter, nu ja, u hebt gelijk, maar dat bedoelde ik eigenlijk niet. Kijk, ik rijd met een Tesla, van het bedrijf – anders zou ik nooit een Tesla hebben gekozen – u begrijpt allicht dat de huidige omstandigheden rond dat merk me opzadelen met een schuldgevoel van zodra ik de wagen start.’ De dokter gaf blijk van antwoord met een monotoon geluid, waarvan Milan niet met zekerheid kon zeggen of de man het nu wel of niet begreep.‘En daarna? Wanneer u arriveert op uw werk…?’ gebaarde hij door met zijn pen enkele kleine cirkels in de lucht tussen hen beiden te tekenen. ‘Euh… Dan ga ik naar binnen door de glazen deur, neem ik de lift naar de achtste verdieping en ga achter mijn bureau zitten.’ ‘Ja?’ ‘Ja.’ ‘En wat doet u daar dan?’ ‘Dan doe ik mijn werk. Of wat wil u zeggen?’ ‘Kan u me zeggen wat dat is?’ zei de dokter, terwijl hij zichzelf een kop thee inschonk. Milan wilde iets antwoorden, maar vond plots geen woorden. Hij aarzelde en zei ten slotte dat het nogal complex was om zo even de inhoud van zijn job te omschrijven, vooral aan iemand zonder ervaring met dit soort werk. Maar wat hij zeker wist, is dat er veel mensen baat bij hadden. ‘Probeert u toch maar.’ Milan deed verwoede pogingen om exact te beschrijven wat hij daar een hele dag deed maar had niet het gevoel dat hij daarin slaagde. Hij viel over zijn eigen tong, verhaspelde woorden die hij niet kon vertalen, twijfelde over de betekenis van sommige woorden, sleurde er termen bij die hij eigenlijk zelf nooit helemaal heeft gevat. ‘Goed. En dan is het lunchtijd? Hoe verloopt dat?’ ‘Meestal ga ik naar beneden, naar de eetzaal, maar het gebeurt ook dat ik buiten iets ga eten. Soms praat ik met collega’s, soms scroll ik wat op mijn telefoon…’ ‘Waarover wordt er gesproken?’ ‘Gewoon, over de staat van de wereld, of over onze job.’ Opnieuw onderstreept hij iets.‘Bon. Ik ga u enkele korte vragen stellen en u moet even bondig antwoorden, zonder te veel na te denken. Zal dat lukken denkt u?’ Milan knikte. ‘Daar gaan we. Vraag één: voelt u zich soms heel klein, zo klein dat u nergens deel van uitmaakt?’ Milan knikte opnieuw. ‘Is uw leven nodeloos ingewikkeld? Zou u alles willen geven om het eenvoudiger te maken?’ Milan knikte hevig. ‘Ja, dit is helemaal mijn wens!’ ‘Vindt u het allemaal te groots? Vraagt u zich soms af waar het kleine geluk is gebleven?’ ‘Ja!’ ‘Hecht u veel belang aan de natuurlijke gang der zaken?’ Omdat Milan niet meteen met een antwoord kwam, keek zijn interviewer hem aan door zijn opvallend roze bril, waarvan het montuur onderaan een dikke rand had en bovenaan geen rand, waardoor het leek alsof de drager enorme wallen had. Het was ook daardoor dat Milan zich niet op de vraag kon concentreren, hij stelde zich vragen bij dit brilontwerp.‘Als u daarmee bedoelt dat ik de oude waarden respecteer, moet ik daar volmondig ja op antwoorden.’ ‘Hebt u op dit moment een relatie?’ ‘Nee, en dat is eigenlijk ook waarom ik hier ben.’ ‘Hoe is de relatie geëindigd? Wat was de reden?’ ‘Zij heeft er een punt achter gezet omdat ik een grens was overgegaan.’ ‘En geeft u haar gelijk?’ ‘Wel, ik wist zelfs niet dat daar een grens lag! Ze zei iets van dat ik te impulsief was.’ ‘Interessant.’ Opnieuw noteerde hij enkele dingen. ‘En hebt u spijt?’ ‘Ja, ook al vind ik niet echt dat ik schuld tref, kan ik een groot schuldgevoel niet van me afschudden. En dat gaat niet enkel over deze relatie, dokter. Ik heb het gevoel dat ik mijn verleden constant meedraag. Alsof ik er niet vanaf geraak. Begrijpt u? Aan de andere kant kan het me ook allemaal niet zoveel schelen.’ ‘U bedoelt dat u de andere de schuld geeft?’ ‘Nee, ik bedoel dat ik niets voel. Helemaal niets. En die combinatie, dat schuldgevoel en die totale leegte, dat vond ik niet gezond. Daarom dacht ik dat ik eens met een dokter moest spreken.’ ‘En helpt het?’ ‘Ja, het doet deugd om er eindelijk met iemand over te spreken. Kan ik misschien een wekelijkse sessie krijgen, althans voorlopig?’ ‘Dat zal niet nodig zijn,’ sprak de dokter gedecideerd, en hij trok een horizontale lijn onderaan het papier en legde het klembord voor zich op tafel. ‘U lijdt duidelijk een acute vorm van Europeïsme.’‘Europeïsme? Wat is dat?’‘Tja, dat weten we niet.’ ‘En nu? Wat moet ik ertegen doen?’ ‘Er valt weinig tegen te doen, vrees ik.’ ‘Kan ik dan helemaal niets doen?’ ‘Het hangt af van hoeveel u nu al doet’ zei de dokter met de stem der gewoonte.‘U kan, om maar iets te noemen, het nuttigen van een maaltijd bijvoorbeeld gaan bekijken als iets volstrekt functioneels, in plaats van iets dat genietbaar moet zijn. Maar het is bijzonder moeilijk om die switch te maken. Hoe zit het met uw alcoholinname?’ ‘Euh, ik drink graag een glaasje, maar geen excessieve hoeveelheden.’ ‘Mijn advies is dat u uw inname verhoogt tot dagelijks enkele glazen, ofwel volledig stopt met alcohol drinken.’ ‘Ik drink eigenlijk vooral als er andere mensen bij zijn.’ ‘Probeer eten los te koppelen van sociale interactie. Eet en drink zoveel mogelijk alleen. Koop grote merken, of ga naar de markt. Koopt u uw fruit en groenten volgens het seizoen?’ ‘Nee, maar ik weet dat het beter is voor het milieu.’ ‘Ja, maar niet voor uw mentaal welzijn! Stop ook met koffie drinken. Schakel over op thee, of alcohol natuurlijk. Schrap brood van het menu en eet uitsluitend rijst. Het is ook aangeraden om vroeg op te staan, tussen vijf en zes uur. Doe aan yoga of neem tijd voor een uitgebreid, liefst warm, ontbijt, met de belangrijke toevoeging dat u niet geniet van het eten, maar het als een natuurlijk proces beschouwt.’ ‘Oké, dank u dokter. En wat met het werk? Is het eigenlijk besmettelijk?’ ‘Besmettelijk?’ spuugde de dokter, waarbij Milan hoopte dat de dokter zelf niet met een besmettelijke ziekte rondliep.‘Het is een ware pandemie! Iedereen van uw leeftijdscategorie die hier binnenwandelt zonder duidelijke fysieke klachten schrijf ik hetzelfde voor.’Hij scheurde een briefje van een notitieblok, krabbelde er iets op en schoof het over de tafel in de richting van Milan. Zoals het een dokter betaamt, was het totaal onleesbaar. ‘Excuseer, dokter, maar wat staat er?’ ‘Drie weken Blankenberge, in Hotel Transit,’ sprak het heerschap, en Milan bemerkte een lichte trots in die woorden, alsof hij hiermee eer opstreek. Milan draaide het briefje om, al wist hij wel dat er niets op de achterkant stond. De dokter ging verder: ‘Boek een kamer in dit hotel, volpension, geen zicht op zee, dat is belangrijk. Maar als u dit briefje aan de receptie toont, weten ze genoeg.’ Ja maar, wat moet ik daar dan doen?’ ‘Zo weinig mogelijk. Lees geen boeken, bezoek geen musea en praat met zo weinig mogelijk mensen. Zeg enkel het strikt noodzakelijke. U hoeft niets te vinden of te kiezen, niets te voelen of te begrijpen. Als u toch enige gedachten of gevoelens zou ontwikkelen, meldt u zich meteen aan de balie.’ Milan keek de dokter vertwijfeld aan en keek dan nog eens naar het briefje in zijn hand.‘En dit zal me helpen?’ ‘Nee. Maar dat is niet het punt. De meeste patiënten knappen zichtbaar op. Niet omdat ze zich beter voelen, maar omdat ze ophouden met zich vragen te stellen of het beter kan. Wanneer u terug bent, evalueren we de situatie en kijken we na of u vatbaar bent voor betekenis.’ ‘En als dat zo is?’ ‘Kijk, zulke vragen zal u hopelijk niet meer stellen. Dan verlengen we de kuur.’De dokter nam zijn klembord weer op.‘De volgende!’

Lennart Vanstaen
0 0

Vriendelijke man

Onder het motto 'ook als het niet regent kan je schuilen' stap ik met mijn krant een bruin getinte horecazaak binnen. Mijn vrouw en het gezelschap vergapen zich aan de Antwerpse uitstalramen. Terwijl ik aan de toog een artikel uit de vuistdikke weekendkrant lees, komt er een struise man in een donkerblauw kostuum binnen. Hij mankt en heeft moeite om op de kruk naast me te klauteren. Hij bestelt net als ik een koffie. Ik haal mijn beste sociale zelf naar boven en vouw de krant dicht en leg ze voor mij op de toog. De man kijkt naar de krant en wijst ernaar. Hij zegt niets maar zijn mimiek is duidelijk. Of hij die mag lezen. “Het is niet de krant van het café”, zeg ik. “Wel die van mij, maar je die mag best lezen’. Hij slaat de krant open en neemt zijn tijd voor het eerste artikel uit de weekendbijlage. Daar zit ik. De patron heeft zijn stem nog thuis liggen. Er zijn geen andere klanten en mijn buurman leest mijn krant. Op zijn dode gemak. Een stroom aan onrustwekkende gedachten stapelen zich op. Ik kan hem die krant toch niet terugvragen? Wat als mijn vrouw en het gezelschap naar mij op zoek gaan? Hij is toch maar onbeleefd. Hij heeft nog geen woord gezegd. Kijk, nu maakt hij zijn vinger nat om de pagina om te slaan. Ondertussen is er een half uur gepasseerd. Ik zit al aan mijn derde koffie. Terwijl ik hem ietwat stuurs aankijk, verorbert hij nog een artikel. Drie kwartier al. Wat een asociaal geval. Wat kan ik doen? Plots slaat hij de verlossende pagina om. “Leuke krant”, zegt hij. “En er staat veel in. Dank je wel om ze even te mogen lezen. Mag ik een pintje patron?” Vriendelijke man, dat wel.  

Rudi Lavreysen
6 0

Dit!

Dit huis liet hij voor me neerpoten. Na acht maanden stond het er. Van bouwplan naar realisatie. Echt, dit! Je vraagt je af of hij rijk is? Hij deed het uit liefde! Bepaalde hij de vorm, de ligging? Ik bezat geen grond. En ik, ontvang dit met open handen? Met een open hart! Vanavond krijg ik de sleutel. Het huis krijgt een naam, ik mag erover fantaseren. Hij wil geen naam bedenken. Luister, zeg ik tegen mijn dode moeder, hij weet er echt veel vanaf. Je moet je geen zorgen maken. Ze kent me, en weet dat mijn vingers nooit groen zullen zijn. Ik draag de nagels en de lak. De hakken van mijn schoenen zullen als naalden in de ons omringende natuur, ze maakt zich postuum zorgen. We kijken naar de foto, zitten zij aan zij in onze roze sofa. Poes snurkt. Hij streelt mijn blote been. Deze foto, en nog één met een hoekig tiny huis. Maar hij heeft je ooit geslagen! En nu dit? Mijn moeder haalt met haar assige lijf de oude koei van stal, ze laat ze loeien tot ik ontplof. Ik heb teruggemept, dat weet je toch nog? Ik roep het in haar linkeroor: ik heb hem toen dat blauwe oog! Ze trekt haar hoofd weg, drukt een handpalm tegen het geschrokken schelpje. Links. Prachtige oortjes heb je, ik hoor er de zee in. Dat zei hij op onze eerste date. Ik kuste hem, nam hem bij de hand, zocht het hoge gras, liet me vallen, hij viel naast me neer. Dit huis! Tiny krijgt een woning. Dit nest wil ik voor je neerpoten, dat beweerde hij al na een maand. Hij trok uit de achterzak van zijn jeans een verfrommeld papier. Deze foto liet me dromen. Dromen mag, zei hij. In een berichtje schrijft hij: kom je gauw naar de narcissen kijken? De naam 'narcis' vind ik zeker een optie. Jij?  Geen reactie.          

Ingrid Strobbe
2 1

De blaat-het-schaap-route

De vennen, de bomen, de bewegwijzering, dat alles ligt en staat in Oisterwijk. Geef toe, je denkt toch meteen aan oesters, een wijk vol oesters die in open monden verdwijnen. Met een  coupe champagne staat dat erg chique. Oisterwijk in Nederland dus, het is niet zo heel ver rijden.  We zijn met z'n drieën. Een vierde dame ligt in bed met migraine. Ik parkeer de auto aan Wout waar we allen plassen. Niet samen zoals van vrouwen wordt beweerd, maar iedereen apart. Niet samen bij de spiegel om de lippen te stiften, huidkleurig is oké vandaag. Tegen de dienster zeggen we 'tot straks' en wuiven erbij. De route telt 15km, dat is voor onze getrainde benen haalbaar. De gele cirkel aan de hemel warmt de aarde op, mijn bril met uv-bescherming komt van pas. Onmiddellijk valt de charmante omgeving op; rijhuisjes baden in decoratie en de straatstenen lijken vers gebakken. Het ruikt naar anjers in de bocht die we nemen. Besef nr.1: het plannetje vertoont enkele verrassingen. De cijfers links komen niet overeen met die aan de rechterzijde. Ik moet even herbekijken en draai het plan een keer op z'n kop, Martine neemt het over en concludeert in sneltempo, zij ziet dat al wat links staat horeca is, ik ben traag en moe. De route biedt ons een groene kijk op de wereld zodra we het dorp verlaten. Groen het gras met daarin een smalle beek. Een afgetopte boom zonder vogels, voorlopig horen we geen liedjes uit snavels ontsnappen. Het eerste ven duikt op, we lopen er langs. Ilse in een jeans, Martine en ik dragen een wandelbroek. Ik ben de enige met wandelschoenen van een merk dat wandelschoenen maakt, en toch word ik niet gezien als wandelaar. Ik ben het schaap. Dat zie je aan de vest die ik draag, een reden om mij vaak te knuffelen. Ze vinden dat belangrijk. Is dit een bijzondere dag? Het is een zondag zonder regen, het is een dag om natuurgebieden op te zoeken. Heel veel mensen doen het. Het is ook complimentendag. Het is een dag om te praten over mannen, kleinkinderen, borsten, baarmoeders, ex-en, en nummers. Er klopt iets niet na nummer 38. Na een koffiestop zoeken we nummer 62. Ergens te vinden? Nergens te vinden. Met drie bekijken we het plannetje, dan de omgeving, het plannetje, de wijdere omgeving waar we op de paaltjes enkel pijltjes zien, geen nummers.  Ik herinner me vaag dat ik jaren geleden, die richting uitging, dat kan toch niet kloppen, de herinnering wordt vager zodra ik ze uitspreek, het is echt jaren geleden, die richting is niet voor wandelaars. Hoopvol kijk ik in het rond. Martine neemt de leiding. Gelukkig neemt zij het van me over, ze vraagt het aan een man die bij zijn auto, hij bekijkt het plannetje. Hij kijkt achterom, bedenkt drie zadels die onder onze zitvlakken, hij zegt dat we via het fietspad, we doen wat hij ons vertelt. Zonder wanhoop geraken we verder. Nummer 42 straalt in het zonlicht. Is dat een paard? Ik kijk naar Ilse, dan in de verte, ik zie de rug van het dier, een ruiter ernaast. Kop richting grond, ze nam ons niet te grazen. Verderop lag het Diaconieven, een ven met een wel erg interessante naam. Martine wilde absoluut weten, het googlen begon, het ven was groter dan het Brandven, kleiner dan het Kolkven. We leerden dat het kloosterzusters betrof, we misten nummer 44 wegens onze blik op het scherm. Voor mijn part was het landgoed Lot met de Rosep het meest bijzondere gebied waar we doorheen wandelden; een privé-natuurgebied dat opengesteld voor iedereen nu voor een vijtiental minuten van ons was. Er lag een bruggetje over de Rosep, ik nam er een foto. Een elfde foto die in 2027 zal wissen. In dat jaar zal ik de beek onbelangrijk achten.  

Ingrid Strobbe
0 0

Brievenpost van Dinges | Aan dhr. Jan Jambon

Geachte heer JambonMijnheer de ministerBeste Janus “Wat schrijft gij daar nu? Janus?”, zei mijn vrouw toen ze over mijn schouder naar het beeldscherm van mijn laptop keek.  “Jawel”, zei ik. “Janus. Maar dat staat er niet zonder reden. Dat ga ik nu uitleggen aan de minister van pensioenen.” “Janus? Dat is toch die Romeinse god waar januari naar genoemd is?” “Ja ja”, antwoordde ik ietwat ongeduldig. “Wacht, ik kom daar toe. Laat me eerst uitleggen waarom ik een brief aan de minister schrijf. Anders leest hij niet verder.” Afijn, nu tot u mijnheer de minister. Maar u zal wel kunnen raden waar dit schrijven vandaan komt. Uw beslissing over het afschaffen van de landingsbanen heeft heel wat deining veroorzaakt. En nu hoor ik u vloeken tot hier. Natuurlijk hebt u die landingsbanen niet afgeschaft. Maar als die niet meer meetelt voor ons pensioen, hebt u die de facto wel afgeschaft. U hebt die ten grave gedragen op de landingsbaan van het vliegveld. Klaar om overreden te worden.  Ik hoor mijn buurman Gust nog altijd vloeken. Ik was buiten de stoep aan het borstelen. Hij zat zoals gewoonlijk over zijn krant gebogen. Ik zag hem zitten aan zijn keukentafel. Vloeken dat hij deed. Nooit meegemaakt. “Stukske hesp van mijn voeten dat ge daar staat.” Ik vrees dat het aan u was gericht. Gust is wellicht een van uw slachtoffers.   U kreeg – en dat is nieuw in een pensioendossier – zelfs kritiek van de werkgevers. “Zo blijven oudere werknemers het volhouden tot aan hun alsmaar langer uitgesteld pensioen”, stelden ze. Ze hebben overschot van gelijk. Het landingsgestel is bij heel wat oudere werknemers stuk of aan vervanging toe. Daarom dat die landingsbaan een zegen is.  Ik geef u ook mee wat Gust aan de kaarterstafel in café De Kiezel zei. Hij had geen zin in een rondje wiezen. De kaarten lagen wezenloos naast zijn amper aangeraakt glas bier. “Hun eigen  landingsbaan zal wel niet afgeschaft worden. Straks krijgt ook hij een uittredingsvergoeding van een paar honderdduizend euro, zoals al die politiekers. “ Hij zag zo rood als het tafelkleedje dat er al eeuwenlang op de cafétafel ligt.  Maar dan die Janus. U hebt uw naam niet gestolen. Aan die Romeinse god hebben we behoorlijk wat te danken. Zoals de uitdrukking ‘iemand met twee gezichten’. Janus, de god van het begin en het einde, werd immers afgebeeld met twee gezichten. De zon en de maan. Nu kennen we die uitdrukking voor iemand die onbetrouwbaar, onoprecht of hypocriet gedrag vertoont. Tja. Janus gaf inderdaad zijn naam aan de maand januari. Maar in tegenstelling tot hem bent u niet de minister van het begin en het einde. Maar wel de minister van het begin van het einde. Let op de nuance.  De nieuwsbulletins geven ons ondertussen enige hoop. Naast de werkgeversorganisatie hebben niet alleen de oppositie, maar ook anderen in de meerderheid hun stem laten horen. Zelfs de Raad van State gaf tegenwind.  Ik wil maar zeggen. U moet zich vooral geen god wanen. En er zijn nog van die dinges. Ondertussen verblijf ik Met de meeste hoogachting Désiré Dinges  

Désiré Dinges
0 0