Lezen

Tip

Schaakmat

Ik ben wit, dus ik begin. Pion e4 en paard c3. De rest zien we later. Na een paar zetten, agressie aan de overkant. Dit kan ik tegen hem gebruiken. Speelt hij nu toren a2? Loper naar c4 krijgen. Dit verloopt veel te makkelijk. Ik ga winnen. Nog even m'n paard naar het centrum brengen en... Wacht? Mijn tegenstander heeft ook een réchterflank. Daarnet was dit deel van het veld nog onbelicht. Deal with it! Even op wandel met de koning dan maar. Niet met de loper aanvallen tegenstander, of ik hang, niet met... Hij ziet het niet. Weer mijn beurt om aan te vallen. Ik moet winnen, zo hoort het.  “Zet je hem nog schaakmat?” De blik van de toeschouwer maakt me ongemakkelijk. “Dit duurt inderdaad te lang”, laat ik me opdringen. Het bord verdwijnt. Ik zie stukken maar geen enkele zet meer. Daarnet zat ik nog op een middeleeuws slagveld, nu weer in de leefruimte. Waarom ben ik zenuwachtig? Angst om te winnen, of simpelweg om iets af te maken? Ik stamel en stotter nog wat met koningin en toren. De toeschouwer wordt echt ongeduldig nu: “Zet hem gewoon schaakmat!” Ik leg hem uit dat ik ‘het’ niet meer voel. “Dit is waarom ik ook niet graag plaatjes op feestjes draai”, zeg ik. “Ik vind mezelf wel een goede dj, maar word nerveus van publiek. Daarom zit ik hier.”  “Je hoeft niet elke zet voor je te zien”, bemoedigt de toeschouwer. Ik antwoord dat ik bang word als ik de volgende zet niet zie. “Bang om dood te gaan”, voeg ik er onnodig aan toe. Wat ik bedoel is dat ik momenteel niet verder kan omdat mijn hoofd wil weten hoe ik... doodga?  “Als je wil kan ik ervoor zorgen dat je weet hoe je doodgaat, ik kan het je zelfs laten zien”, knipoogt de toeschouwer. Ik besef plots weer waar ik me bevind. Hij zal toch niet... Ik weet dat hij een veel te donkere grap maakt, maar voel toch de drang om hem te overtuigen. Dat ik niet de dood op zich bedoel, maar de weg ernaartoe, leven dus. En dat hij me niet zal helpen door de weg korter te maken. Ja, je bent ergens onderweg gestopt met plannen maken en ja, door de dingen uit te stellen voelt het nu alsof je alleen maar kan aanmodderen, maar jij bent niet je vader. Jij hebt geen zelfmoord gepleegd. Het bloed dat door je moeder stroomt is niet dat van haar broer noch dat van haar zus. Ze deelden gewoon dezelfde ouders. En het bloed dat door jou stroomt is jouw bloed. Ook al heb je het van iemand anders gekregen.

Mr Jones
192 6

De zwartrijder

Er bewoog iets in de zijspiegel van de taxi waarin Tanaka san met zijn klant naar het vliegveld van Sendai reed. Een monster! Het spiegelbeeld van het monster at de spiegel op. Het wierp zich als een schaduw op de auto van Tanaka san. Tanaka san zag een poot. Zo dik als die van een dino. Hij remde bruusk. Toen keek hij op. Het was geen Dino. Het was een boom. Een enorme cederboom. Zijn takken reikten tot de hemel. Hij stond daar zielsalleen aan de kant van de weg. Hij zwaaide als een wanhopige lifter die niemand wil meenemen. ‘Natuurlijk wil hij weg,’ dacht Tanaka san. ‘Iedereen wil hier weg. Alles aan deze vreselijke plek herinnert aan de tsunami,’ dacht hij. Die had een paar maanden geleden de bomen als bloembollen uit de grond gerukt. De akkers waren ondergelopen  en alle gewassen waren vernietigd. Heel veel inwoners waren verdronken. De zee had de huizen als lampionnetjes mee genomen. De bomen, die als wachters langs de kust hadden gestaan om de wond van de zee tegen te houden waren knock-out geslagen. Ze waren machteloos geweest tegen de hoge golven van de tsunami. Als door een wonder had deze boom de tsunami als enige overleefd.  ‘Arme boom,’ zei Tanaka san. De klant die achter hem zat, bromde. Het was een ongure type die in dit verlaten gebied zomaar op straat liep. Toen Tanaka san langsreed, had de man zijn hand opgestoken. Tanaka san had even getwijfeld. Het zal toch geen tsunami geest zijn, was heel even door zijn hoofd geschoten. Hij had enge verhalen gehoord over geesten die terug naar huis wilden en als ze de kans kregen een taxi namen omdat er geen openbaar vervoer meer reed in dit gebied.  Als ze moesten betalen, verdwenen ze ineens. Toch was hij gestopt. De man was ingestapt. ‘Naar het vliegveld, alsjeblieft.’ De hele rit had de klant geen woord gezegd, maar nu herhaalde de klant Tanaka sans woorden: Ja. Arme boom. Maar het klonk eerder alsof hij hem dood wenste. ‘Excuseert u mij,' onderbrak Tanaka san hem, 'maar ik moet even iets doen. Sorry. Sorry. Sorry!’ Tanaka san boog als een knipmes. Zelfs toen hij al buiten de taxi was, bleef hij beleefd buigen naar de klant en sorry zeggen. Toen draaide hij zich om naar de boom die er slecht uitzag. Hij boog diep voor hem. Dan gaf hij de de boom een klopje met zijn witte handschoen.  Vervolgens deed hij wat hij als klein kind deed als hij een oude, zieke boom zag. Hij spreidde zijn armen om de boom. Aan de plek  van de verkleuring was te zien tot waar het water was gekomen. Het zeewater was even diep in de bodem gesijpeld en had de natuurlijke balans van de boom verwoest. Vroeger had de boom een goed leven gehad. Maar nu stond hij met zijn wortels in het zeewater. Met zijn oor tegen de bast gedrukt, hoorde Tanaka san de boom zachtjes praten. ‘Ik wil dood,’ zei hij. ‘Misschien kunnen ze je genezen?’ fluisterde Tanaka san terug.‘Ik ben niet meer te genezen. Ik sta te diep met mijn voeten in het zeewater.’ ‘Ben je zeker? Er zijn tegenwoordig hele knappe boomchirurgen.’  De boom schudde met zijn takken.‘Ik ga dood. Het beste is als ze me omhakken. Dan hoef ik niet meer weg te kwijnen.’‘Maar je bent een held. Je hebt als enige de tsunami overleeft. Je bent het bewijs dat er altijd hoop is.’ Ook al was boom nog in leven, het zag er niet goed uit voor hem.  Dat begreep Tanaka san ook wel. Hij zag er terminaal uit.  Het zeezout had zijn wortels aangetast. Het hout van de boom had een ongezonde kleur en was op veel plekken aan het schilferen. Veel takken zagen zwart. Het leek wel alsof de boom brandwonden had. Aan zijn enorme stompen zouden nooit meer takken groeien. Zijn misvormingen waren een gruwel om te zien. Er vloog een vliegtuig over. Die maakte een oorverdovend geluid. Tanaka san schrok op door een hard kloppen op de achterruit. Het was de klant. Hij wees naar de hemel waar een vliegstreep te zien was. ‘Die moet zijn vliegtuig halen, dacht Tanaka san. Tanaka san nam snel afscheid van de boom. ‘Ik kom je later nog een keer bezoeken! Hou vol!’ ‘Laat me niet alleen achter,’ kreunde de boom. Maar Tanaka san stapte al in de taxi en reed verder.  Hij had een slecht voorgevoel. De ontmoeting met de boom had hem uit zijn doen gebracht. Maar hij liet dat niet merken. Met een strak gezicht reed hij door het doodse landschap, waar nog alleen maar de wegen waren hersteld.  Na een tijdje kwam het vliegveld in het zicht. Het begon zachtjes te regenen. Tanaka san deed zijn ruitenwissers aan. Hij gaf zich over aan het mechanisch geluid. Het ging steeds harder regenen. Tot de druppels als tennisballen op de ruit klaterden. Tanaka san had zin om te huilen. Die boom gaat dood. En ik heb hem alleen achtergelaten. Waarom luisterde ik niet naar hem. Al die flauwekul die ik uitkraamde over boomchirurgen, enzo. Hij schaamde zich vreselijk. Nu voelt de boom zich nog eenzamer, dacht hij. Dat stemde hem verdrietig. Hij keek in zijn achteruitkijkspiegeltje. Hij was verbluft door wat hij zag. De klant hield een mes in zijn hand en richtte het op Tanaka san. Iets scherps boorde zich in zijn nek. Toen werd alles zwart voor zijn ogen. ‘Ik ga ook dood,’ was zijn laatste gedachte. ‘Net als die boom… Er is niemand die mij kan helpen.'  

Margaretha Juta
22 1

De laatste puzzel van Célestin

Een paar kilometer verder wees hij naar een verlaten boerderij. De tijd vrat stukjes uit de witgekalkte muren. “Wie woont hier?,” vroeg ik. “Célestin,” zei Nino, “maar die is er al twee jaar niet meer. We mogen zijn huis gebruiken.” Ik vroeg niet wie daar toelating voor had gegeven. Nino kende hier alles, iedereen was hem goed gezind. We gaven onze fiets een plaats op het erf. De regenput met de rode smeedijzeren hendel was overwoekerd door onkruid. Een kat twijfelde tussen argwaan en nieuwsgierigheid toen ze ons zag. Ik boog voorover en liet haar mijn hand ruiken, waarop ze spaarzaam snoof en terugdeinsde. De kasseien op het erf lagen oneffen. Nino en ik trippelden steen per steen naar de deur. Hij hief ze hoog in de hengsels en zette er heel zijn gewicht tegen, tot ze bruusk en onder luid gekraak open schoof.   “Mevrouw, u eerst,” sprak Nino. Hij legde zijn hand op mijn schouder. Even vreesde ik dat we op een bende drugsverslaafden zouden botsen. Ik overwoog om terug te gaan, maar mijn liefde voor Nino, die door geen enkele tegenslag gefilterd was, overtuigde me. In de smalle gang van het huis hingen een paar jassen aan de kapstok. De bewoner moest plots vertrokken zijn, want zijn hele inboedel stond er nog. Porseleinen herders speelden fluit voor geitjes en gele vogeltjes, houtblokken lagen klaar naast de haard. “Célestin stierf een paar jaar geleden,” zei Nino. Ik vroeg niet of Célestin dan geen kinderen had. Naast de haard lag een stapel puzzels: Zwitserse bergen, een woestijnlandschap met een karavaan kamelen, de Taj Mahal. Célestin puzzelde de wereld bij elkaar in zijn boerderij. Ik bladerde even door een schriftje dat op een bureau lag. Het stond vol berekeningen en dagtaken van een mens die er niet meer was. De eettafel was proper, alsof Célestin deze ochtend de kruimels had weggeveegd met zijn hand. “Heb je gepoetst?,” vroeg ik Nino. “Ik kan je toch niet ontvangen in een vuil kot.” “Dan bracht je water mee?” “Er is een regenton,” zei Nino bescheiden. Ik omhelsde hem.   “Kom,” zei ik, terwijl ik hem naar de zetel leidde. We haakten in elkaar als puzzelstukjes, ergens in de benedenhoek van een groot tafereel, waar niemand acht op ons sloeg. Nino masseerde me onder mijn truitje. Hij rolde het steeds een paar centimeter verder omhoog. “Wat ben je leep,” lachte ik. Ik speelde met mijn vingers langs de rand van zijn broek, dook de diepte in met mijn hand. Ik kneep in zijn bil, hij lachte en beet als weerwraak in mijn nek, net hard genoeg om de spanning door mijn hele wezen te jagen. Hij opende mijn bh met de elegantie van een juwelier die iemand een halsketting afneemt, aanschouwde vol ontzag mijn borsten en kuste ze voorzichtig. Onstopbaar als de berg puin die zijn vader vermorzelde, dreef mijn gevoel me naar Nino. Ik trok zijn T-shirt over zijn hoofd en gooide het in een schommelstoel. Onze slipjes belandden naast elkaar op de grond. Ik schrok van zijn waggelende lid dat de steun van zijn slip miste en nam het haast automatisch in mijn hand. Hij sloot zijn ogen en snoof gelukzalig.  Het roze topje van zijn eikel leek erg teer, maar daaronder was zijn lid onbuigbaar hard, alsof het helemaal niet bij Nino hoorde. Nino voelde mijn bezorgdheid en omhelsde me. Zijn on-Nino-achtige penis duwde tegen mijn buik. Vastberaden legde ik mijn hand erop. Hier verlangden we al dagen naar. Nino streelde over mijn heuveltje tot bij mijn vagina, bracht een vinger naar binnen en woelde moeizaam rond. Ook ik was van een stugheid die ik niet van mezelf herkende.  Nino grabbelde met een hand in de broekzak van zijn broek die op de grond lag. Hij overhandigde me een glinsterend vierkantje. Door de verpakking voelde ik een ring die bewoog. Ik scheurde het papiertje open. De geur van rubber drong in mijn neus en de vloeistof plakte aan mijn vingers. Waarom rook seks naar een benzinestation? Het condoom had een doorzichtige tepel als van een mini melkfles. Het ding riep op wat het voorkomen ging. Ik zette het op Nino’s penis, een woord dat me veel te biologisch klonk, net als vagina. Nino schrok even, maar ontspande toen ik het randje naar beneden rolde. Het geheel leek op een strak verpakte worst. Ik zat op mijn knieën in de zetel. “Ca va?,” vroeg Nino. “Ja, ik moet even wennen, da’s alles.” “Zie je het nog zitten?,” vroeg hij. “Ja, ja, tuurlijk.” Ik kuste hem, op zoek naar de spanning die we al dagen opgestapeld hadden, en loodste hem bij me binnen, langs mijn schaamlippen die hem steeds leken uit te spuwen, als een humeurige peuter die een stuk brood op zijn lippen balanceert tot het op de grond valt. Wie die schaamlippen zo genoemd heeft, verbloemt de realiteit ten minste niet. Nino kuste mijn rode kop. Ik strekte me, trok hem naar me toe. “Kom,” zei ik vastberaden. “T’es sûre?” “très sûre.” “Ben je zeker?” “Heel zeker.” Het ontroerde me dat hij het als een veiligheidsagent in twee talen vroeg. Hij duwde zijn harde lid een paar centimeter diep. De pijnscheut was gloeiend heet en deed mijn hoofd bonzen. Ik gaf een gil, ademde trillend mijn longen vol. Nino troonde boven me uit. “Gaat het?” “Jaja, ga verder!,” beval ik hem. Een lans boorde zich dieper in mijn buik en liet mijn benen trillen. “Nog een keer,” zei ik onverbiddelijk. Nino sloot zijn ogen en duwde tot hij bruusk toegang kreeg, net zoals hij een half uur geleden de deur van het huis had weten open te breken. Het deed veel pijn, en toen werd het draaglijker. Nino paste bijna helemaal in me. Ik had hem in mijn greep als een wurgslang. “Ontspan een beetje,” fluisterde hij.  ”Ik ben ontspannen!,” zei ik, maar een deel van me was een strakke elastiek uit goedkope kledij. Nino kwam en ging voorzichtig in me, terwijl hij tegen me sprak. ‘Tu me le dis si tu veux arrêter.” Ik wou dit, genoot er zelfs af en toe van, maar dan gaf de pijn me weer een venijnige steek, als om me tot de orde te roepen. Nino wreef zijn wang langs mijn borsten en streelde mijn dij. Hij kreunde ingehouden. “Ik kan niet meer stoppen,” zei hij.  “Stop dan niet.” Hij versnelde en ik zette me schrap omdat ik het hem gunde. Hij haastte zich voor me. Met open mond en gesloten ogen fronste hij van de intensiteit, van alle inspanning die nodig was om te genieten, tot hij schokkend tot stilstand kwam. Hij steunde op zijn armen, krulde zijn borstkas naar boven alsof hij naar het wateroppervlak zwom. Ik legde mijn handen om zijn tepels en stuwde hem mee de hoogte in. Wat was hij prachtig. Toen zeeg hij neer en hijgde in mijn oor. Ik streelde over zijn rug,  voelde iets warms in me dat niet door het rubber van het kapootje kwam. Langzaamaan werd zijn lid zachter en kleiner in me, tot hij helemaal aan mijn greep ontsnapte. “Merci”, fluisterde hij. “En jij dan?” Ik draaide me om, legde zijn hand op mijn venusheuvel en mijn hand op de zijne. Ik wreef zijn hand over mijn kutje zoals ik het thuis soms alleen deed. Hij drukte zijn borst tegen mijn rug en kuste mijn hoofd. Het ging trager dan wanneer ik het alleen deed, en ik vond het wat gênant dat het zo lang duurde. Maar eenmaal ik de juiste frequentie had gevonden, kreeg ik een bekend, tintelend gevoel. Ik stuurde Nino’s hand en ging door tot ik schreeuwde. Hier moest ik niet stil zijn voor mijn ouders. Nino’s warmte bande alle stugheid uit mijn lijf. In een roes bleven Nino en ik liggen op die blauwe sofa. We zoenden elkaars tintelende lijf. We zochten minimensjes in het condoom vol witte mist. We zweerden voor altijd bij elkaar te blijven. Nadat we die evidentie hadden uitgesproken, raapten we onze kleren op en trokken ze over elkaars hoofd. Net voor we weg gingen, nam hij een houten kistje van het rek. Toen hij het opende, zag ik dat er juwelen in lagen. Hij koos er een ketting uit waar een gouden vogeltje aan bengelde. “Parce que tu me donnes des ailes,” zei hij terwijl hij me de ketting omdeed.  ”Is die niet van iemand?” vroeg ik Nino schudde zijn hoofd.  ”Als jij het niet draagt, blijft die vogel voor altijd in dat kistje.”  “Ok dan.” Ik kuste hem vol op de lippen, “merci”. Hij drukte me tegen zich aan. Ik wou nergens anders aan denken dan aan hem. “Allons-y,” zei hij kordaat. We namen onze fietsen die tegen de muur leunden alsof ze ons hadden afgeluisterd. Onder het fietsen pikte het gouden vogeltje in mijn huid.

Pons
9 0

Hoe "The Karate Kid 2" visionair werd

Eigenlijk ben ik een cynicus van vaste relaties. Wanneer mensen relatieadvies aan me vragen, dan kom ik niet verder dan: “Zoudt ge niet gelukkiger zijn zonder lief?” Ik meen dat ook. Zelfs wanneer ik koppels zie die hun eenheid nog niet in twijfel trekken, is het vooral medelijden dat mij overvalt, bij heel dat complexe rekening houden met elkaar. En ja, bij nieuw gevormde koppels kan ik de bijgedachte niet onderdrukken dat het allemaal gaat eindigen in rampspoed en ellende. Kortstondige verbintenissen, daar geloof ik nog in. Maar als ik zie hoe mensen zichzelf wijsmaken dat ze de ware hebben gevonden, dan heb ik de bijna onbedwingbare neiging om hen op het hart te drukken dat het allemaal net zo snel kan overwaaien als het gekomen is. Kwestie van reeds relatieadvies te geven voor het probleem zich stelt. Je kan maar voorbereid zijn.   Hoe is dat zo gekomen? Nou, voor een deel is het realisme. Levenservaring en weten dat mensen veranderen. Of dat de tijd zorgt dat je dingen aan je partner ontdekt die je steeds meer tegen de borst beginnen te stuiten. Ook het besef dat verliefdheid niet eeuwig is en bij minstens één van de twee van object kan veranderen. Dat is de rationele kant van de zaak. Dat ik emotioneel geen nood heb aan een relatie, zou dat komen door een paar keer gekwetst te zijn? Het zou zomaar kunnen. De keren dat iemand het uitmaakte met mij, dat zal Kirsten geweest zijn in de prille jeugd en Nephastie zoveel jaren later, dat hakte er toen toch in. Dus ja, misschien zit er mezelf indekken tegen mogelijk verlies in. Langs de andere kant voelt het niet zo, het komt op mij meer over alsof ik geen tijd heb én geen behoefte om me te binden aan iemand, en al helemaal niet om dat exclusief met één persoon te doen. Ik ervaar het gemis gewoon niet. ’t Is raar: ik zou zelfs kunnen meedoen aan datingtoestanden, voor het spannende en het leren kennen van nieuw volk en wie weet voor een onverwachte scharrel. Maar tegelijk zou ik daarbij altijd de angst hebben dat er een bleef plakken, die echt iets wil met mij en die ik dan moet kwetsen wanneer ik uitleg dat ik liever lekker op mijn eentje blijf.   Soit, ik kwam op heel die redenering door recent Karate Kid 2 te hebben teruggezien. De eerste keer dat zal decennia geleden geweest zijn in de cinema, in kader van het filmforum, ergens halfweg de middelbare school. Waar ik toen nog in geloofde (ja, nog nooit een lief gehad), was in het vinden van de ware en dat was dan voor altijd. Daardoor voelde ik mij indertijd eerst verrast en daarna bekocht door te zien dat Daniel in de tijd tussen de twee films reeds zijn liefje had omgeruild voor een andere. Nu draaien films toch altijd om het krijgen van het meisje. Zij was het object van zijn dromen. Samen doorzwommen ze verschillende stormen. Aan het eind koos zij voor hem en hij voor haar. Hij won het ultieme gevecht, met de kraanvogel kick. Iedereen pakte elkaar vast en was gelukkig, en die relatie was voor eeuwig!! En dan, één film verder en niet eens een jaar ouder geworden, heeft die gewoon een nieuw lief en wordt er over die vorige niet meer gesproken. Hoe kon dat nu gebeuren?!! It wasn’t supposed to be that way! Het computerde niet in mijn brein. Enfin, ik geloof dat het er bij deze film gewoon aan lag dat de actrice uit de vorige niet meer door de casting was geraakt, en dus rap een ander liefje ten tonele moest worden gevoerd. Anders was onze Daniel er gewoon bij gebleven. Maar kijk, het doorbrak mijn illusies en mijn verwachtingen over de orde in de kosmos, over rechtvaardigheid, mijn geloof in het filmisch universum.   En nu, al die decennia gepasseerd, stel ik vast dat de vluchtigheid en veranderlijkheid van liefde, waarin ik toen niet kon geloven, veel beter aansluit bij het beeld dat ik er vandaag van heb. Weinigen zouden The Karate Kid 2 een visionaire film noemen, maar ongewild is hij dat voor mij geweest.

Pvw
7 0