Lezen

Sense of Purpose

Ik ben altijd zot geweest van muziek. In mijn tienerjaren, de vroege jaren tachtig, was ik van de post punk en de new wave. Ik was er helemaal door bezeten, ik kon er uren naar luisteren, mij uitleven op de dansvloer, en er troost in vinden. Muziek was kostbaar, een plaat kostte driehonderd frank. Ik kocht van mijn zakgeld alleen de allerbeste, andere muziek nam ik op cassettebandjes op : ik leende platen van vrienden of nam gewoon muziek op van de radio. De aanschaf van een vinylplaat was telkens een evenement. Met de trein naar Antwerpen, in de platenwinkel Brabo op de grote markt een paar fragmenten beluisteren met de koptelefoon en thuis het ritueel : ze uit de hoes halen, op de platendraaier leggen, de naald erop, een paar tikjes, de eerste noten … de hoes bewonderen met de foto’s, de teksten bestuderen. In december 1982 werd ik zeventien. Ik kreeg van mijn vriendinnen ‘A Kiss in the Dreamhouse’ van Siouxsie and the Banshees. Voor kerstmis kregen wij van onze ouders geld voor een cadeau dat we zelf mochten uitkiezen. Ik nam de bus naar Lier en kocht ‘From the Lions Mouth’ van the Sound, een Britse post punk band, die lovende kritieken kreeg, maar nooit echt is doorgebroken. Ik pakte de plaat in en legde ze onder de kerstboom. Het uitkijken naar het uiteindelijke moment waarop ik mijn cadeau eindelijk mocht uitpakken, maakten het extra waardevol.  Ik speelde ze tot ik elke noot, elke gitaarriff, elk baslijntje, alle lyrics vanbuiten kende. Ze staat nog in mijn platenkast, ik vind ze nog altijd even sterk. Toen ik ze onlangs nog eens speelde, kwamen de herinneringen terug en het gevoel dat ik toen had, dat ik moeilijk in woorden kan vatten. ‘From the Lions Mouth’ was de soundtrack van mijn laatste jaar menswetenschappen in het Instituut Heilig hart van Maria in Berlaar. Het nummer dat mij het meeste raakte was ‘Sense of Purpose’. Ik dacht dat het ging over weten wat je wil, een doel hebben in je leven maar ook over zingeving en engagement. ‘I'll take my life into my own hands  What are we going to do? I'm asking, I'm asking you!’   Dat was de vraag. Wat ging ik nu eigenlijk doen? Voor mijn klasgenoten was het duidelijk. ‘Ik ga studeren voor maatschappelijk werker.’ ‘Ik word onderwijzeres.’ Anderen werden kleuterleidster, nog iemand ging in de slagerij van haar vriend werken. Ik wist het niet. Engagement vond ik wel tof. Een van mijn vriendinnen noemde zich feministe en was sociaal geëngageerd. Voor abortus, tegen kernergie. Pacifist, anti-racist. Haar oudere zussen stemden PVDA. 'Dat is goed, hoor, Ilse, het communisme. Alles is van iedereen.' Ze gaf me een button die ik fier opspeldde. Mijn zus was niet onder de indruk. 'Wat is dat voor iets. Fascisme? Gooi maar snel weg!’  ‘Nee, kijk dan, destroy fascism.'   Op een dag werd er op de deur van ons klaslokaal geklopt. Een jonge vrouw stak haar hoofd binnen en vroeg of ze even mocht storen. De les onderbreken vonden wij altijd prima. Ze ging voor de klas staan en stak van wal. ‘Wie heeft er zin om volgend schooljaar naar het buitenland te gaan? Bij een gastgezin wonen en het laatste secundair overdoen?’ De helft van de klas was ze kwijt, de anderen luisterden, uit beleefdheid, met een half oor. Maar mij had ze meteen mee. Ik, die mijn tijd op de schoolbanken grotendeels doorbracht met uit het raam staren, dromen en in mijn hoofd ‘Sense of Purpose en ‘New Dark Age’ zingen, was een en al aandacht. Zo kwam het dat ik die avond thuiskwam met de vraag :  ‘Mag ik volgend schooljaar naar Australië gaan?’ Dit hadden mijn ouders niet zien aankomen.De volgende morgen kwam mijn moeder mijn kamer binnen en schoof de gordijnen open. 'Ik ga heel hard wenen maar je mag gaan.’ Mijn zussen, broers, klasgenoten, vonden het 'speciaal’. Onze klastitularis, mevrouw Broos, vond het een heel goed idee : ‘Je gaat uit je schulp moeten komen.’ Samen met mijn ouders ging ik naar een infomiddag van Youth For Understanding en de procedure werd in gang gezet : aanvraagformulieren, motivatiegesprekken. Wat eerst een ingeving was, werd nu een concreet plan. Het begrip comfortzone kende ik nog niet en als ik er al van had gehoord, weet ik niet of ik er wel uit wilde. Maar ik wilde geen saai leven onder de kerktoren, ik wilde de wijde wereld in. En wat ik daarna ging doen, dat zou ik dan toch zien? ‘Maar waarom wil je precies naar Noorwegen gaan?’ vroeg mijn vader. Australië bleek te ver, te ingewikkeld en te duur, het werd een Europees land en ik had een romantisch beeld van Noorwegen : fjorden, bergen, sneeuw en een leuke taal, met die streepjes en bolletjes. Terwijl de aanvraagprocedure liep en ik wachtte op een positief advies, ging het leven in de menswetenschappen zijn gangetje. Met mijn feministische vriendin ging ik naar de opening van Happy House, een club in Aarschot waar ik tot een kot in de nacht danste op 'Happy House' en op muziek van Echo and the Bunnymen, New Order en The Sisters of Mercy. Iedereen bewoog zich alsof hij vijf frank van de grond wilde oprapen. De houterigste hark transformeerde in stroboscooplicht tot een ster op de dansvloer. Op de driedaagse retraite staarden we samen met mevrouw Broos en een pater naar een kaars en moesten dan zeggen welke diepe gedachten en gevoelens er bij ons opkwamen. De uitslovers zagen warmte en liefde, een schitterende toekomst, de zon. Ik zag een brandende kaars. Optredens van The Cure en Siouxsie and The Banshees in zaal Lux in Herenthout, legendarisch! De bassen bonkten door mijn lijf en ik lag in bed met fluitende oren. Niemand droeg oordopjes. Een andere vriendin had een vriendje met een migratieachtergrond. Nadat in Lier een Marokkaanse jongen slaags was geraakt met een buitenwipper, die een paar tanden was kwijtgespeeld, raakte geen enkele ‘vreemde’ nog binnen in een Lierse discotheek. Niemand protesteerde. Wanneer ik me verdrietig en eenzaam voelde deed ik het licht uit en zette Joy Division op. 'Isolation', 'A Means to an End'. Op het einde van het schooljaar kladden we onze nylon schorten, die we over onze kleren moesten dragen, helemaal vol en gooiden ze in de vuilbak.  Toen kreeg ik het bericht dat ik was toegelaten en naar Noorwegen zou gaan. Met de opwinding sloeg ook de twijfel toe. Ga ik dat wel kunnen? Ik ben toch veel te verlegen, veel te stil? ‘Natuurlijk ga je dat kunnen,’ zei mijn moeder. Alle voorbereidingen werden getroffen, ik pakte mijn koffer en toen zei mijn vader : ‘ Als je nu eens gewoon thuisbleef?’ Met een bonzend hart stond ik op de luchthaven van Schiphol, samen met mijn ouders en mijn zus. Ik droeg mijn  jasje met de button ‘destroy fascism’ en op mijn handbagage kleefde een sticker : 'Atoomenergie? Nee bedankt!'. In mijn bagage had ik dertig cassettebandjes gestopt. Op een ervan had ik ‘Jeopardy’ van the Sound opgenomen. Het eerste nummer van de plaat is ‘I can’t escape myself'. Dat wist ik toen nog niet.                          

Ilse Janssens
0 0

Ionut en de basketbal

Ik sprak af met Robbrecht dat hij gewoon zou doorwerken aan ons huis, de oude boerderij die we anderhalf jaar geleden samen gekocht hadden. Ik noemde het nog steeds onze ruïne ook al leek die ondertussen met dat nieuwe dak en die herstelde muren op veel meer dan dat. De dag erna nam ik het vliegtuig en vloog naar Roemenië. Mijn moeder had tijdens haar leven altijd gezegd dat ik zigeunerbloed in de aderen had. Ik was afgestaan na geboorte en zij en mijn papa hadden me als baby’tje geadopteerd zonder veel van me te weten. De nonnen duwden me gewoon in hun handen en dat was het eigenlijk. Deze baby was voor hun. Geen andere. Trek uw plan. Ze wisten niets van me en toch beschouwden ze me als hun kleine zigeuner, hun kleine Zigi. Later namen ook mijn vrienden die koosnaam over. Misschien dat ik in het zigeunerland bij uitstek, Roemenië, iets van mezelf wilde kunnen terugvinden. Waarom wilde ik anders zo nodig naar Roemenië? Als ik er even tussenuit wilde, weg van de verbouwing, had ik ook gewoon ergens aan het strand kunnen gaan liggen. Ik reed urenlang door bossen en bergen, helemaal tot aan de Moldavische en Oekraïense grens en terug. Ik overnachtte in jagershutten en blokhutten, in een tent naast de auto of in een occasioneel guesthouse. Slechts eenmaal bleef ik drie nachten in hetzelfde stadje. En daar leerde ik Ionuţ kennen, het kleine jongetje van zes dat ongegeneerd door zijn moeder ingeschakeld werd om de gasten te bedienen. En hij is meteen het enige waar ik het over wil hebben. De bossen en kastelen waren geweldig mooi en ik heb er prachtige foto’s getrokken, maar er gebeurde omzeggends niets.  Vanuit de keuken riep de moeder luid zijn naam en het jongetje schoot haastig langs de tafeltjes heen, stootte ondertussen een stoel om, twijfelde even of hij die nu eerst moest oprapen en dan naar zijn mama moest lopen, of dat hij eerst naar zijn mama moest. In dat moment had ik de stoel al opgeraapt en draaide hij zich weer snel om. Even later kwam hij met een vol plateau voorzichtig aangestapt. Hij had een voorschoot aangebonden gekregen die tot over zijn knieën kwam en hem hinderde. Er stond een kostuumpje op afgebeeld waardoor het leek alsof hij ook effectief een strikje en een gilet aan had. Hij keek aandachtig naar wat er op zijn plateau stond. De koffie klotste een beetje over de rand en dat stelde hem zichtbaar teleur. Hij zette het plateau op mijn tafeltje en ik liet hem er een voor een alles vanaf zetten. Dat deed hij weer extreem voorzichtig. Een mok koffie, brood, boter, een potje confituur, een bordje met een spiegelei en een kommetje romige mămăligă, een soort van pap die blijkbaar typisch was voor de streek. Na mij serveerde hij de andere gasten, een Duits koppel dat aan het raam zat. Zowel de man als de vrouw waren ongezond dik en spraken over hoe ongehoord het was om zo’n klein kind aan het werk te zetten alsof niemand hen kon verstaan. Maar hij was wel schattig, zei de vrouw. Natuurlijk was hij schattig, antwoordde de man, alle kleine kinderen zijn schattig. Daarna wenkte hij Ionuţ met een kort handgebaar en wees naar zijn eitje. Hij had er twee besteld, zei hij, en hij stak twee vingers in de lucht. Zwei, verstehen Sie, zwei, nicht eins. Ionuţ schoot naar de keuken en hield de hele tijd zijn twee vingers omhoog. Ik dacht dat hij het niet begrepen zou hebben, maar hij was blijkbaar meer bijdehand dan ik dacht, want het duurde niet lang of er kwam nog een eitje op een plateau aan. Na het ontbijt stond hij met een grote, afgesleten bal op de binnenkoer. Er hing een basketring op een vrij lage hoogte waar hij de bal in probeerde te mikken. Hij gooide me de bal toe toen ik hem met open handen naderde. De bal was iets te slap opgepompt om deftig te kunnen botsen. Toch probeerde hij me tijdens het spel dat volgde voortdurend voorbij te dribbelen. Hij glom van trots wanneer dat ook effectief lukte. Als één van ons in de ring wierp, sprong hij in de lucht, klapte hij in zijn handjes en riep hij iets wat waarschijnlijk zoiets als ‘bravo’ betekende. Na een half uurtje riep zijn moeder zijn naam. Onmiddellijk onderbrak hij zijn spel. Met de bal onder zijn arm verdween hij naar binnen. De tweede en de derde ochtend herhaalde zich dat tafereel. Toen zijn moeder hem riep op de derde dag en hij de bal opraapte om naar binnen te gaan, riep ik ook zijn naam. Hij verstijfde. Het briefje van 200 lei dat ik hem wilde geven, bekeek hij alsof hij niet wist wat het was. Ik wees naar hem om hem duidelijk te maken dat het geld voor hem was, maar nog nam hij het niet aan. Hij keek er alleen maar naar. Zijn moeder riep nog eens maar dan dwingender zijn naam en verscheen in de deuropening. Ionuţ liep snel naar binnen. Ik stapte op de moeder af en bood haar het geld aan en wees naar haar zoontje. “Voor een nieuwe bal,” zei ik. Met een kort gebaar nam ze het aan en stak ze het in de zak van haar vest. “Thank you,” was alles wat ze zei en ze blafte Ionuţ iets toe waarop het jongetje nogal schaapachtig “multumesc” zei. Daarmee was voor haar de kous af en ze draaide zich met de rug naar me toe. Ze duwde Ionuţ voor zich uit, verder naar binnen. Toen ik die middag met mijn koffer door de gang sukkelde zag ik door een open deur hoe Ionuţ ook werd ingeschakeld bij het poetsen van de kamers. Hij trok het bed af in de kamer naast me, waar het Duitse koppel had gelegen. De lege bierblikken lagen overal half bijeengeknepen, een lege fles wijn stond op het nachtkastje en er lagen pizzadozen op het kamerbreed tapijt.  Met hem voelde ik me wel verbonden, met de rest van de Roemenen niet. Misschien waren mijn verwachtingen te hoog geweest omdat mijn ouders en mijn vrienden me liefhebbend hun zigeuner genoemd hadden. Of ik echt verwant was aan zigeuners of Roemenen was trouwens de vraag, want afgaand op mijn uiterlijk kon ik evengoed van Marokkaanse afkomst zijn, wie weet Grieks, Turks of Tunesisch of Spaans of ja, Italiaans. Mijn huid was getint en mijn haar ravenzwart, mijn ogen donker donkerbruin, als diepe poelen. Ik was een zuiders type, dat was zeker, maar het zuiden was groot. Bovendien had ik thuis samen met mijn broer, die uit Haïti kwam, dat wisten we zeker, op ónze koer naar een basketring gegooid. Met een degelijke, strak opgepompte bal.  

Hans Van Ham
15 1

Dief in de nacht

Er sluipt een dief in de nacht behoedzaam gaan zijn handen om mijn letters, mijn woorden, mijn tekeningen, vluchtig graaiend naar alles wat geen tijd genoeg had zich te verstoppen niet de autosleutels of de portefeuille, niet de sierraden van achttien karaat ook niet de familiejuwelen beroeren zijn vingertoppen   niet mijn platencollectie of de geluidsinstallatie, niet mijn computer, ook niet mijn geesem lustigen zijn dorst laat staan de dossiers met al mijn bankgegevens, mijn diploma’s of de geboorteakte van mijn eerstgeboren zoon   Er sluipt een dief in de nacht behoedzaam, op de tast door mijn donker zijn gretigheid welt op aan een bron die zou uitdrogen zou hij door politie in de boeien van de taal tot dief worden veroordeeld veroordeeld tot het stelen met zijn handen, veroordeeld tot nog meer stelen om te voorkomen dat ook zijn blik, ook zijn zien en zijn kijken zouden boeien   en toch bewoog in hem iets rond het roerde zijn zielselen als een dikke zoemend vlieg die weerbarstig het spreken onderbreekt met slagen en verontschuldigingen   hij deed steeds het licht uit, ookal maakte dit voor niets of niemand een verschil afgezien dan van hij die de stilte geniet en het oneindige plezier betrapt te kunnen worden aandachtig luister ik dan in bed of ik iets hoor of op zoek naar bevestiging dat ik zonet iets hoorde en of ik dan echt iets hoor en bedenk allerlei redenen waarom het niet kan zijn dat wat ik hoor, wat ik vrees te horen, ik dit kan horen enkel slaap kan mij dan nog redden   wat hij dan loopt zoeken in mijn huis het gat, de leemte, het hiaat, de bres, de kloof dwars doorheen elke redenering of gekunstelde logica, daar waar het hapert, stuntelt, struikelt, soms in brokken vaneen valt tegen een vervrozen ondergrond, daar waar hij hapert een dief die geen dief wenst te zijn, maar wel betrapt   daar is het om te doen er in zou betekenen er in blijven en ten onder gaan in plaats van voortgestuwt te worden Het drijft hem, als een raket op pantoffels waarvan de voorraad tank maar niet lijkt te lossen genot stuwt hem voort voorbij het genieten   Er waart een dief door mijn huis in de schaduw van mijn geleeften in de stilte van de schuld die wil ik niet zijn hij bewoont mijn vlees tot aan mijn botten roert mijn dampende ingewanden en spookt tussen mijn woorden, mijn gedachten zijn handen doen mijn rug rillen priemende ogen veren al mijn haren recht   Er waart een dief in mijn huis hij sluipt in de nacht als de dood in het bloed dat door mijn aderen spuit

Anton Nymand
0 0

Vlaamse leeuw.

  In marroko lopen er nog leeuwen rond. Niet veel maar ze houden er wel van. Hun nationale voetbal ploeg noemt zelfs AtlasLeeuwen. Daarom voelen mijn marrokaanse vrienden zich thuis tussen al die leeuwen vlaggen.   **************************** FOTO GALLERY verf ed verf+ed+altaar+de+culturen/ Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen." Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen, ons collectief geheugen, is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig. http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
46 0