Lezen

Dilemma

Wat als je hoofd en je hart iets anders willen? Word ik bespeeld? Gemanipuleerd en gepaaid met loze beloftes? Ik cijfer mezelf weg. Alles waar ik voor sta, mijn emoties en gevoelens worden naar de achtergrond geduwd, om niet te zeggen dat ze worden opgeborgen in een vergeten hoekje op zolder. Ik voel me niet gehoord, laat staan gesteund. “Een relatie is werken,” hoor ik hem zeggen. Waarom heb ik dan het gevoel dat ik werk en hij profiteert van een werkloosheidsuitkering? Het voelt plots allemaal zo anders. Alsof de liefde wordt overschaduwd door ergernis en teleurstelling. De open en eerlijke communicatie die ooit zo cruciaal was, verstoort nu de vrolijkheid. Misschien zelfs de liefde. Een luttele seconde vraag ik me af waar dat overweldigende, alles consumerende gevoel heen is. Maar dan is daar die lach op zijn gezicht, zijn warme stem die me de woorden ‘ik hou van je’ toefluistert en dan vergeet ik weer al mijn twijfels. Vlinders fladderen in mijn buik, het wordt ijl in mijn hoofd, mijn hart maakt sprongetjes als hij me kust. Voor even is het weer wij. De wereld rondom ons verdwijnt. Een simpele vraag legt een bom onder onze relatie. De omhelzing verzwakt, het licht in onze ogen dooft, alle passie smelt weg als sneeuw voor de zon. Twijfels steken de kop op en drukken vlinders de kop in. Twijfel. Ik twijfel aan zijn oprechtheid, zijn liefde voor mij.Ik vraag me af waar we elkaar verloren zijn, waar op onze reis onze wegen zijn gescheiden. Een fantastische reis mijns inziens. Uitgestippeld, beïnvloed, bepaald en vervormd door hem volgens anderen. Het raakt me en komt hard binnen om te horen dat ik al die jaren werd voorgelogen en bedrogen. Dat alles wat ik dacht lief te hebben, gebaseerd is op de passie van een ander. Was ik echt zo naïef dat ik me hobby's liet aanpraten, maar het zelf helemaal niet wou? Zijn mijn passies eigenlijk de zijne die hij me in mijn hoofd heeft geprent, gemanipuleerd als zijnde de mijne? Weggetrokken van familie en vrienden, geïsoleerd. Plots gaan mijn ogen open en valt het me op dat ik alleen hem nog heb. Nog nooit in mijn leven was ik ergens zo zeker van als van mijn partner. In een gesprek van amper tien minuten wordt heel die zekerheid van de afgelopen zeven jaar bruut onderuitgehaald.  We staan op een breekpunt in onze relatie. Het gevoel dat we binnenkort elk onze eigen weg gaan overspoelt me. Ik stroom over. Tranen banen zich een weg over mijn wangen. Radeloos en gebroken. Wat kan ik doen? Hoe los ik dit op? Radeloos op zoek naar de laatste strohalmen. Ik kan hem niet verliezen. Niet nu, nooit. Alles glipt door mijn vingers. Maar hoe harder ik knijp, hoe sneller alles verdwijnt. Bijna hopeloos doe ik pogingen om opnieuw vast te grijpen aan de fantastische relatie die het misschien wel was. Ben ik hem aan het verliezen? Zijn we elkaar aan het verliezen? Vechtlust komt naar boven, maar heeft het nog zin? Hij is de man die kleur aan mijn leven geeft, zin aan mijn bestaan. De man die me gelukkig maakt.  Wat als je hoofd schreeuwt: “Het is genoeg, ik vertrek!” Maar je hart huilt en steeds meer breekt? Wat als je hart smeekt: “Ik hou van hem, blijf alsjeblief”?

Joni Motmans
13 0

Lynn Den Duyck

Het laatste vissersschip dat naar Ijsland voer, had een vrouw aan boord. Een vrouw aan boord was uit den boze. Elk zeemanslied droeg een lapnaam, dat beschermde hen tegen kwelgeesten en zeemonsters... Ik draag de naam van het schip. Niet vreemd, want ik kreeg een vissennaam. De Griet is best wel lekker, moeilijk te vangen ook. Maar op het schip ben ik Lynn Den Duyck. In den duik heb ik me een weg gebaand naar de beste kajuit. Nu ben ik als schavuit aan boord. Drie maanden al. De mannen hebben de romp bezwangerd met vissen. Naast mijn bed hangen verweerde borstenfoto’s van mijn voorganger “tettenfretter”. De échte verstekeling ben ík niet. Dat is min of meer een meerminjager. Die wil dit schip ontzwangeren. Mijn vrienden, de Oostendenaren, hebben een female touch nodig. Al vind ik bakken iets voor pladijs in een pan, van bakboord, daar bak ik niets van. Ik lees me in, verdiep me. Radio Freo staat vaak op, daar hoor ik info. De zendernaam Freo vind ik wel passend, lijkt op ‘frigo’ en het is hier ijskoud (Dat het streepje van de o gevallen is en ik gewoon naar een freq’uentie luister, is me ontgaan). In mijn slaap hoor ik de motor stotteren. Dat doe ik ook vaak bij de mannen, al bevind ik me nog niet in woelig water. Misschien is dat voor later. Een vonk slaat over tussen mij en de motor van het schip. Ik doof het niet maar spreek het ego van kontkusser aan. “Neem jij het roer maar over!” schreeuwt hij. En hij verdwijnt in een rookpluim. Eigenlijk houd ik van dit spel Cluedo… Op het dek vriezen de knopen van mijn jas dicht, mee met de black frost dat dit schip kan doen kapseizen. Dat knopen ook een snelheid is, leerde ik net. Maar ook deze knopen bewegen amper. Met zachtheid probeer ik het schip en de bemanning te smelten. En dan Min of meer Ook meerminman.

Troja!
17 2

Ontsnapping

Met een zucht zet Eva zich neer in haar kampeerstoel en nipt van haar bekertje wijn. Dit is de beste beslissing die ik ooit heb genomen, denkt ze bij zichzelf terwijl ze de zon langzaam ziet ondergaan. “Op de wijn uit een plastic beker na dan.”De wolken kleuren zachtroze en de hemel hult zich in een oranje gloed die wordt weerspiegelt in het water van het meer. Ze sluit even haar ogen en alle gebeurtenissen van het afgelopen jaar flitsen voorbij.  Toen ze hem voor de zoveelste keer dronken hoorde thuiskomen, was voor haar de maat vol. De innige liefde die ze altijd voor hem had gevoeld, de volmondigheid waarmee ze anderhalf jaar geleden ‘ja’ tegen hem zei, waren de laatste maanden omgeslagen in walging. Steeds vaker moest hij overwerken en ging daarna op café om zich te bezatten. Als hij dan stomdronken thuiskwam en in slaap viel op de zetel of naast haar in bed, plaste hij alles onder en kon zij alles opkuisen. Eva was het meer dan moe. Ze verloor al haar levenslust en eigenwaarde, om nog maar te zwijgen van het respect dat ze ooit voor hem had. Hun gezamenlijke vrienden stonden aan haar kant en probeerden net als zij, zonder succes zijn drankgebruik in te tomen. Ze luisterden als ze haar beklag deed, toonden compassie en deelden blikken van medeleven als hij weer eens beschonken achter het stuur kroop na een avondje uit. Tijdens de zoveelste eenzame avond, besloot Eva wat spanning op te zoeken en maakte een Tinderaccount aan. Ze had niet de intentie om haar man te bedriegen, maar ze had nood aan mannelijke appreciatie en complimentjes. Na enkele uren heen en weer swipen, kwam ze plots Fred tegen. Fred was de man van één van haar vriendinnen en papa van twee zoontjes. Zou ze Lies hiervan op de hoogte moeten brengen? Nee, best niet want dan zou zij moeten uitleggen hoe ze wist dat Fred op Tinder zat en dat zou roddels op gang brengen. Tenslotte deed ze niets verkeerd en vulde ze haar eenzame avond op met leuke chats.Toen ze enkele weken later met enkele bevriende koppels gingen uiteten, had ze Fred even alleen en sprak hem erover aan. “Het gaat al een tijdje niet zo goed tussen Lies en mij,” vertrouwde hij haar toe. Vanaf dat ogenblik deelden Eva en Fred een geheim en hoewel ze nooit echt een hechte band hadden gehad, spraken ze vaak stiekem met elkaar af. Ze hadden het gevoel dat ze elkaar begrepen, Eva voelde zich gehoord. Van praten gingen ze in hun zoektocht naar affectie al snel over op knuffelen, wat dan weer uitmondde in kussen. Ondanks het feit da ze zich nooit eerder fysiek tot elkaar aangetrokken voelden, konden ze zich tijdens hun vijfde geheime afspraak niet langer beheersen en ze verloren zichzelf in een passionele vrijpartij in de laadruimte van Freds camionette. Het schuldgevoel waar Eva mee kampte, vooral tegenover Lies en haar prachtige jongens, kon haar niet weerhouden om af te spreken met Fred. Steeds frequenter, met steeds passionelere seks. Het werd moeilijker om normaal te doen tegen elkaar in het bijzijn van hun vrienden. Toen Fred op één van hun afspraakjes bekende dat hij gevoelens voor haar had, kon Eva niet anders dan een punt te zetten achter hun affaire. “Maar Eva, jij bent het enige lichtpuntje in mijn leven,” smeekte Fred, maar Eva hield voet bij stuk. Fred en Eva beloofden elkaar dat hun affaire een doodgezwegen geheim moest blijven dat ze zouden meenemen in hun graf. De affaire zette Eva aan het denken, ze besloot een punt te zetten achter haar huwelijk en trok weer in bij haar ouders. Op het ogenblik dat ook Lies en Fred hun breuk aankondigden, bleek Fred zich niet zo veel aan te trekken van hun afspraak. Tijdens een nieuwjaarsfeestje onder vrienden, waar ook Eva en haar ex-man aanwezig waren, besloot Fred als dessert hun affaire openbaar te maken. Wat een fijn, zorgeloos feest zou moeten worden, mondde uit in een avond vol verwijten en wijzende vingers. “Ik heb altijd geweten dat je onze mannen probeerde te versieren,” tierde Kim, de zus van Fred. “Ben je blij nu je een gelukkig gezin hebt kapot gemaakt?” Eva hield de eer aan zichzelf en vertrok. In navolging van Kims voorbeeld, liet de ganse vriendengroep Eva als een blok vallen.Nadat het papierwerk van de scheiding rond was, besloot Eva haar tent, slaapzak en kampeerspullen in de auto te gooien en voor een tijdje te gaan reizen. De dokter had haar twee maanden thuis geschreven met een depressie en goedkeuring gegeven voor een bezinningsreis. Het kostte haar wat tijd, maar gelukkig kon ze haar moeder geruststellen met de belofte van een dagelijks berichtje. Nu zit ze sinds vanmiddag in de heerlijke warmte van Lazise aan het Gardameer. Mama heeft het adres van de camping waar ze verblijft en was dolgelukkig met de foto die Eva haar stuurde. “Kom nu maar weer op je plooi. X” had ze geantwoord.Haar beker wijn is leeg, net als haar knorrende maag. Eva gaat zich eerst even opfrissen na de lange en bloedhete autorit. Het lauwe water van de douche zorgt voor een aangename en welkome afkoeling. Ze trekt één van de weinige jurkjes die ze bij zich heeft aan, draait haar lange haren in een slordige dot en gaat op zoek naar een restaurantje in het dorp. Bij een klein terrasje met zwak licht houdt ze halt. Ondanks het late uur zitten er nog wat koppeltjes en gezinnen te dineren. Eva zucht en net als ze zich wil omdraaien om weg te gaan, komt er een ober naar haar toe. “Buonasera senora, een tafel voor één?” vraagt de zwartharige man. Zijn huid is prachtig zongebruind en steekt af tegen het witte hemd dat hij draagt. Eva glimlacht en knikt. “Ja, graag.” De ober, die volgens zijn gouden naambordje Roberto heet, begeleidt haar naar een apart gelegen terrasje waar alle tafeltjes voor één persoon gedekt zijn. Eva krijgt een tafeltje met zicht op het meer toegewezen, ver uit de buurt van de koppels en gezinnen. Het lijkt wel alsof dit deeltje van het terras is voorbehouden voor eenzame zielen die in alle rust willen dineren. Eva bestelt een glaasje rosé en een pasta vongolé, ze geniet met volle teugen van een heerlijke maaltijd en doolt nog even door de smalle straatjes van Lazise. Ze trakteert zichzelf op instant vakantiegevoel met een enkelbandje. Na een gelati wandelt ze terug naar de camping en kruipt moe, maar enorm voldaan haar slaapzak in.  Een droomloze nacht later, wordt Eva wakker met de heerlijke zilte geur van vakantie. Vandaag staat een verkenning van de omliggende dorpjes op de planning. Ze kuiert rustig rond, geniet van het bruisende Italiaanse leven en leeft als een god in Frankrijk. De dagen vliegen voorbij en al gauw voelt ze zich meer en meer op haar gemak. Nog even en ze is een echte local. Anti-pasti, pasta, pizza en gelati worden dagelijkse kost. Roberto wijst haar elke avond hetzelfde tafeltje toe en brengt haar een glas rosé nog voor ze het besteld heeft. Op zijn aanraden probeert ze elke avond een ander gerecht en hij leert haar enkele woordjes Italiaans.  Op haar zevende avond na alweer een verrukkelijke maaltijd, spreekt hij haar ietwat verlegen aan. “Excusi senora, morgen heb ik mijn vrije dag en ga ik met enkele vrienden varen op het meer.” Eva hoort het trillen in zijn stem. Ze had niet verwacht dat een macho als Roberto zo nerveus kon zijn. “Ik vroeg me af of u misschien zin heeft om ons te vergezellen?” Eva bloost. “Oh, dat lijkt me fijn,” stamelt ze. Roberto lijkt zijn zelfvertrouwen hervonden te hebben. “Mooi, dan zie ik je morgen om negen uur hier op de steiger.” Ze nemen afscheid met twee kussen.  De volgende ochtend gieren de zenuwen door Eva’s lijf, al kan ze zelf niet onmiddellijk thuisbrengen waarom ze precies zoveel zenuwen heeft. Als ze om iets voor negen bij de steiger aankomt, staat Roberto haar al op te wachten. Hij begroet haar op dezelfde manier als waarop ze afscheid namen de avond voordien, met twee kussen. “Ik ben blij dat je er bent.” Zijn vrienden proberen haar in hun beste Engels te verwelkomen, maar ze zijn nauwelijks verstaanbaar. Nadat ze met een glas Prosecco getoost hebben op een fantastische dag, varen ze uit. Geruisloos en onopgemerkt neemt Eva haar tas en muist onder het Italiaanse onderonsje vandaan. Op de voorsteven spreidt ze haar handdoek uit, onwennig trekt ze haar kleren uit. Terwijl ze zich met zonnecrème aan het insmeren is, komt Roberto bij haar zitten. “Kan ik je helpen met je rug?” Eva antwoordt instemmend en gaat op haar buik liggen. Ze voelt zijn zachte handen zorgvuldig over haar rug en schouders glijden. Zijn aanraking ontspant haar. Samen liggen ze een tijdje in stilte te zonnen. “Als je liever bij je vrienden bent…” zegt Eva nadat ze hem ziet geeuwen. Roberto zet zich recht. “Lieve Eva,” fluistert hij. “Ik heb je meegevraagd omdat ik je wil leren kennen.” Eindelijk geraken ze echt aan de praat. Roberto wil graag weten waarom een Belgische vrouw alleen op reis is. Eva wikt en weegt haar woorden, ze kent hem nog niet goed genoeg om hem de volledige waarheid te vertellen. “Ik kom uit een lange relatie en had nood aan een andere omgeving om mezelf terug te vinden.” Hij kijkt haar schaapachtig aan, alsof hij niet begrijpt wat ze zegt. “En jij? Wie is Roberto?” Hij vertelt haar hoe hij zes maanden in het restaurant werkt om de overige zes maanden voor zijn moeder te kunnen zorgen. Het zachte wiegen van de boot, zijn warme stem, de zonnestralen die op haar huid branden, het is de perfecte combinatie. De boot ligt nu al een tijdje voor anker in het midden van het meer en het wordt snikheet in de brandende middagzon. Het zweet parelt op Eva’s voorhoofd en Roberto’s borstkas blinkt. “Laten we een frisse duik nemen en wat snorkelen,” stelt Roberto voor. Hand in hand springen ze het water in. Uitgeput van het zwemmen klautert Eva een uurtje later weer aan boord, ze is dolenthousiast. “Wauw, dat was prachtig! Ik had nooit gedacht dat het water zo helder zou zijn.” Roberto excuseert zich en laat Eva alleen op de voorsteven, als hij even later terugkomt, heeft hij een fles wijn en wat anti-pasti bij. Ze keuvelen rustig verder, gaan nog een keer snorkelen en kijken vanop de boot naar de ondergaande zon.De motor van de boot wordt in gang gezet en op een rustig tempo varen ze terug naar de steiger. Roberto trekt Eva tegen zich aan. “Als we aanmeren frissen we ons op en neem ik je mee uiteten,” fluistert hij in haar oor. Er trekt een warm gevoel door Eva’s lichaam. Voor het eerst sinds haar affaire voelt Eva opnieuw affectie. Of verwart ze het met lust?Even later staan ze weer aan wal en bedankt Eva Roberto’s vrienden voor de fijne dag. Met Roberto spreekt ze af dat hij haar binnen een uurtje oppikt aan de camping. Eva twijfelt even over haar outfit, maar kiest uiteindelijk voor het zwarte jurkje dat ze de eerste avond droeg.Exact een uur na hun afscheid staat Roberto met een rode Vespa aan de ingang van de camping. Italiaanser dan dit zal het niet worden, denkt Eva. Een kort ritje later komen ze aan bij een hoger gelegen restaurantje waar ze keuvelen over hun dromen en toekomstplannen. De fysieke aantrekking tussen hen is intens en de spanning is bijna tastbaar. “Roberto, ik ga eerlijk met je zijn,” bekent Eva. “Vanavond is het mijn laatste avond in Lazise.” Roberto kijkt Eva teleurgesteld aan. “Morgen reis ik verder door naar Rome.” Het blijft een tijdje stil. “Rome is fantastisch,” zegt hij plots. “Je zal het er vast naar je zin hebben.” Hun gesprek lijkt definitief stil te vallen en als Roberto de rekening vraagt, lijkt het erop dat hij zo snel mogelijk een einde wil maken aan deze fantastische dag.Opnieuw aangekomen aan de camping, legt hij de motor van de Vespa stil en stapt mee af. “Ik had niet verwacht dat je zo snel alweer zou vertrekken,” zegt hij terwijl hij met haar meewandelt. “Ik had je graag beter leren kennen. En wie weet wat meer.” Eva gniffelt, ze is blij dat hij haar blozende wangen niet kan zien. “Dat vind ik lief van je. Maar dit had nooit meer kunnen worden dan wat plezier.” Roberto stopt abrupt met stappen en neemt haar handen vast. Nog voor hij iets kan zeggen, drukt Eva haar lippen op de zijne. Na een innige zoen wandelen ze hand in hand verder. “Ik ben er nog niet aan toe me open te stellen voor iemand nieuw,” zegt Eva verlegen. Haar blik is op de grond gericht en haar duim streelt zenuwachtig zijn handpalm. “Ik wil nog wat fladderen, dingen ontdekken en proeven. Genieten.” Even voor ze bij haar tent aankomen, wijst Eva ernaar. Roberto’s mond valt open van verbazing. “Slaap jij hier al een week in?” Met een gelukzalige glimlach knikt Eva. “Mag ik je dan voor je laatste nacht hier op zijn minst een bed aanbieden?” Zijn voorstel klinkt verleidelijk, maar Eva heeft één voorwaarde. Haar handen strelen zijn bovenarmen. “Als deze twee bij de overnachting inbegrepen zijn, heel graag.” Roberto’s appartement is een typisch mannelijk stulpje. Her en der liggen wat kleren, op tafel staan restjes pizza, zijn bed is onopgemaakt. Terwijl Roberto in een kast rommelt, biedt hij aan om op de zetel te slapen. “En wat met die omhelzende armen?” vraagt Eva. Ze stapt op hem af en kust hem op de mond, haar handen glijden over zijn borstkas. Roberto tilt Eva op en draagt haar naar de slaapkamer. In een ijltempo liggen ze beiden naakt op bed. Voorzichtig en aftastend ontdekken ze elkaars lichaam. Eva geniet hoorbaar en laat zich volledig gaan. Een intense en stomende vrijpartij later, liggen ze uit te puffen op bed. Roberto’s vingers strelen zacht over Eva’s borsten. Hij kijkt haar begeerlijk aan. “Jammer dat je morgen al vertrekt.” Schuldbewust kijkt Eva weg. Als ze op wil staan, houdt Roberto haar tegen. “Blijf voor de nacht, laat ons nog even van elkaar genieten.” Eva bloost en twijfelt. Ze wil geen spijt krijgen, ze moet nu gaan voor ze zich bedenkt over de rest van haar reis. Met een lange zoen neemt Eva afscheid van Roberto. Nadat ze de deur achter zich dicht heeft gedaan, slaakt ze een diepe zucht. Wat moeizaam staat Eva op, eenmaal ze al haar spullen in de auto heeft gegooid en heeft afgerekend bij de receptie, gaat ze nog even met haar voeten in het meer staan en snuift voor de laatste keer de zalig zilte geur in. Met de ramen naar beneden en de muziek luid, zet Eva koers richting Rome. In haar achteruitkijkspiegel ziet ze het Gardameer steeds kleiner worden, net als Roberto die verslagen naast zijn rode Vespa staat.Hij heeft haar op een haar na gemist. Eva trapt zonder achteromkijken het gas in en rijdt het volgende avontuur tegemoet.

Joni Motmans
10 0

Mijn goeie vriend. Bij de hulpverlening. heroïne 1 a

poul Cadovius lives with living, design,1950, 60, ********************************************************************* "Het was ijskoud, vlak voor Nieuwjaar, toen ik hem terugzag. Hij zag er vaal uit en zijn huid was grijs, maar hij was vol goede moed. Ik kwam net de De KRAK in de Korte Koepoortstraat uit toen ik hem ontmoette. Ik had wat spulletjes gekocht voor het nieuwjaarsfeestje met mijn broer – een van de beste feestjes die ik in lange tijd had meegemaakt.Toen ik terugkwam in mijn eenkamerwoning, werd er aangebeld. Het was mijn goede vriend; hij vroeg of hij een tijdje kon komen logeren. Dat mocht, op één voorwaarde: geen heroïne. Als hij wilde afkicken, bood ik hem al mijn hulp aan. Hij beloofde het. Maar de dag daarna vertrok hij, om 's avonds weer voor de deur te staan: compleet van de kaart. Ik liet hem staan. Drie dagen lang beantwoordde ik de deurbel niet, terwijl het buiten vroor dat het kraakte. De vierde dag liet ik hem weer binnen. Hij was gebroken en aanvaardde alle hulp.Ik belde een opvangcentrum omdat we beseften dat we dit niet alleen konden. Op dat moment was hij voor honderd procent bereid om te stoppen. Maar ik wist: zodra de drang weer te sterk wordt, ben ik hem kwijt. Bij alle centra werden we echter afgescheept. Een of ander 'genie' in de hulpverlening had besloten dat men pas na veertien dagen recht had op een intakegesprek. Ik vroeg hen wat er zou gebeuren als ik hem bij hen op de stoep zou achterlaten. De hoorn werd erop gegooid. Ik belde dokters en hulpverleners, maar overal kreeg ik hetzelfde antwoord.Ik legde hen mijn dilemma voor. Mijn vriend was niet zomaar weg; hij was de hele buurt aan het bestelen. De GB op de Groenplaats was in die tijd een gewillig slachtoffer; met een eenvoudige schroevendraaier braken ze daar binnen. Ik vroeg de hulpverleners of ze wel besefte wat er zou gebeuren als de nood weer toesloeg. Hij zou binnen een paar uur weer op pad gaan om te stelen en te scoren. 'Laat hem maar stelen,' zeiden sommigen, 'over veertien dagen is hij welkom voor een gesprek.'Ten slotte belde ik de BRT voor het programma Panorama. Zij hadden net een reportage uitgezonden over een wanhopige moeder die nergens hulp vond voor haar dochter. De mensen van de BRT vertelden me dat die vrouw nog steeds nergens terecht kon, maar ze wisten wel een vrouwelijke arts die bereid was te helpen.Ik nam contact op met deze arts. Omdat zij de ernst van de situatie begreep, regelde ze direct een consultatie. Vlak voordat de apotheken sloten, schreef ze een middel voor om de hunkering naar heroïne te temperen. Het werkte. Die avond viel hij in slaap. Hij sliep een etmaal rond, at een beetje en viel weer in slaap. Hij was volkomen uitgeput.Iedere week gingen we een uurtje op consultatie. Eindelijk vond hij rust in een voor hem veilige omgeving. Hij heeft nagenoeg een maand geslapen. Na twee maanden werd hij steeds wakkerder. Mijn eenpersoonskamer was een veilig, knus nest, maar in de straatjes eromheen loerden de dealers. Hij kon niet naar buiten, of hij liep het risico een van hen tegen het lijf te lopen."   

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
10 0

Hitler, Stalin, VOKA, rook, cocaïne. En hoe het rookverbod omzeild kan worden. a

so it's like it was its is ********************************************************* Blijkbaar is men vergeten dat de massamoorden onder Hitler en Stalin plaatsvonden om de ‘gezondheid’ van het Germaanse Arische ras en de ideale ‘Nieuwe Mens’ te beschermen. Religieuzen en zigeuners werden vermoord omdat ze als ‘onproductief’ werden beschouwd; in de ogen van de regimes ‘werkten’ zij niet. Homoseksuelen werden omgebracht omdat zij ‘onnatuurlijk’ werden bevonden. Fysiek en geestelijk gehandicapten werden geëlimineerd omdat ze niet pasten in het beeld van het gezonde Arische volk.Dit alles werd onderbouwd met pseudowetenschappelijke bewijzen van nazi-wetenschappers, die hun ideologie lieten primeren boven de wetenschappelijke waarheid. Waar Hitler hen onmiddellijk liet vermoorden, sloot Stalin hen op in werkkampen waar men letterlijk tot de dood werkte. Hoe minder men presteerde, hoe minder voedsel men kreeg. De stalinisten persten mensen uit als citroenen. (Interessant detail: het woord ‘robot’ vindt zijn oorsprong in het Slavische woord voor dwangarbeid).Wat zijn vandaag de redenen voor het rookverbod? Gezondheid!Kijk naar de uitspraken van de voorzitter van Voka: "Iedereen die meer dan twee jaar werkloos is, moet worden ondergebracht in beschutte werkplaatsen of psychiatrische instellingen."Waarom wordt alcohol dan niet verboden? Volgens een rapport van de WHO veroorzaakt alcohol wereldwijd 2,5 miljoen doden per jaar.Waarom wordt roken dan wel verboden? Omdat het ‘te Oosters’ is?In de wereld van Wilders en consorten drinkt de gezonde westerse mens alcohol. De oosterse mens – de moslim – drinkt geen alcohol, maar rookt. Het absolute rookverbod lijkt de kers op de taart in de oorlog die Wilders voert tegen de ‘islamisering’. Ondertussen zitten de westerse gevangenissen voor de helft vol met mensen die iets ‘verkeerds’ rookten.Op roken in cafés staan geldboetes die, bij niet-betaling, worden omgezet in gevangenisstraffen. Straks vullen de hardnekkige rokers de toch al overvolle cellen. Maar omdat straffen onder de drie jaar vaak niet meer worden uitgevoerd, kan men paradoxaal genoeg straffeloos blijven roken.De reactie van het Westen op de moordpartijen – aanvankelijk gericht op de Joodse gemeenschap – kwam pas echt op gang toen Hitler ook christelijke en protestantse religieuzen naar de slachtbank leidde. Dat was voor het Westen een brug te ver. Denk aan het beroemde gedicht van de protestantse predikant Martin Niemöller: "Eerst kwamen ze voor de communisten..." – uiteindelijk staan ze voor je eigen deur.Hitler en zijn nazi’s waren geen atheïsten; zij geloofden in de oude Germaanse goden. Het hakenkruis was gestolen; in India is het een symbool voor vrede. Stel het je voor: nazi-Duitsland hing vol met symbolen die ‘vrede’ betekenden, maar enkel vrede voor de ‘gezonde, productieve Germaanse mens’. De rest was plebs, waren slaven.Het ‘herenvolk’, de voorhoede, deed alles wat de slaven niet mochten. Hitler en zijn kompanen gebruikten cocaïne: de drug van de zuiverheid. Het is wit en het schittert. Hoeveel van de huidige ‘zuiverheidsfanaten’ die het rookverbod toejuichen, zitten zelf met hun neus in de cocaïne? Er moeten immers mensen zijn die de tonnen coca, die al 40 jaar de illegale belastingvrije markt overspoelen, consumeren. Is dit het huidige herenvolk?Blijkbaar herhaalt de geschiedenis zich. Maar zeg achteraf niet dat u het niet wist.   .

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
3 0

De foute vrouw

Als ik naar haar kijk, gaat mijn hart sneller slaan. Haar onbedoeld sensuele bewegingen, vooral als ze aan het roken is, winden me op. Ze weet wat ze wil en dat laat ze graag merken. Haar sterke wil schrikt mannen af, vooral omdat ze niet weten hoe ze ermee om moeten gaan. Anderzijds maakt net dat haar nog aantrekkelijker.  Waar ze gaat, doet ze hoofden draaien. Mannen kijken haar na en worden in hun arm gepord door de jaloerse vrouw aan hun zijde. Het geeft haar vleugels, maar ze blijft met haar voeten op de grond. Mannen gaan gretig op haar avances in, maar voor haar zijn ze niet meer dan marionetten die ze bespeelt om aan haar eigen verlangens te voldoen.  Ik zal nooit vergeten hoeveel moeite het me heeft gekost om haar voor mij te winnen. Bloed, zweet, tranen en een kus met een knappe blondine om haar jaloers te maken, al was dat laatste geen straf. Eerst ongelofelijk hard to get, nu kan ik haar al zeven jaar de mijne noemen. Het fladderen is ze nooit verleerd en haar drang naar aandacht van andere mannen blijft. Hoe ze wulps door het leven danst, brengt kleur in onze relatie. Al zijn sommige dagen grauw en somber als ze weer eens in overdrive gaat en het gevoel heeft dat ze tekortschiet. Plots is ze niet meer zo zelfzeker als enkele dagen geleden en zou ze liefst met haar dekentje versmelten met de bank.  Complimentjes en knuffels ontdooien haar beetje bij beetje en geven haar opnieuw zelfvertrouwen. Daar staat ze weer. Zelfbewust, knap, sexy en uitdagend, klaar om haar volgende prooi te verslinden. 

Joni Motmans
16 0

Een nacht

Ik kan niet zeggen dat het beloofde om een rustige nacht te worden. Er waren te veel voortekenen. Het eerste was dat er in het nabijgelegen park een openluchtfuif doorging. De wind stond helemaal verkeerd waardoor op de eerste verdieping waar de slaapkamers waren de beats voelbaar waren. De organisatoren hadden ons twee gratis tickets gegeven, maar we konden de kinderen hier niet alleen in hun bed laten liggen om zelf te gaan feesten. “We gaan geen Maddy McCannetje doen,” zei mijn vrouw, “daar heb ik geen zin in.” Sowieso zijn we niet echt uitgangstypes, een trouwfeest tot daar aan toe, en dan stond ik ook op de dansvloer, de hele avond, maar een massafuif vol met zatte jongeren, nee dank je, daar heb ik geen behoefte aan, en mijn vrouw ook niet, nog minder dan ik. Als er nu een groepje zou optreden, zou ik dat anders vinden, naar live-bandjes ga ik graag kijken en luisteren, dan ben ik degene die achteraan in de zaal meeknikt met de muziek, maar er kwam geen live-bandje, alleen maar dj’s met klinkende namen. Enfin, laat maar dus. Het tweede voorteken was dat mijn vrouw twee glazen rosé gedronken had. En als mijn vrouw alcohol gedronken heeft, zelfs al is het maar één glas, dan snurkt ze, dus ook daar had ik ook al geen goed oog in. Niet dat mijn vrouw vaak alcohol drinkt, gelukkig niet, maar de dag ervoor was er een vriendin op bezoek geweest en ze hadden een fles geopend en niet leeg gedronken, en ja, die moest dan nu wel leeg, anders was het verspilling. Enfin, op zich waren dat al voortekenen genoeg dat ik mijn nachtrust op mijn buik kon schrijven, maar daar kwam dan nog bij dat het paard in de wei hiernaast op bevallen stond, en dat ik er geen vertrouwen in had dat de asielzoekers uit het pas geopende asielcentrum vlakbij zich onbetuigd gingen laten met die fuif. Zeker niet die jong mannen. Ik voorzag al een boel heibel, met politiesirenes en ambulances. Ik weet het, het is misschien niet netjes van mij om dat te denken, maar ik was er toch bang voor, en dat droeg bij aan het ongemakkelijke vooruitzicht dat ik had op de nacht die zou volgen. Gelukkig was dat laatste een factor die helemaal niet van tel zou blijken. De rest daarentegen. Mijn vrouw was al naar boven en ik keek nog wat tv, breinloos zappen tot ik bij “The Mummy” terecht kwam. Die film was nog wel geinig en ik keek hem helemaal uit, languit in de zetel met mijn voeten op het salontafeltje. Ik had een boek naast me liggen “God Emperor of Dune” dat ik open sloeg vanaf het moment dat er een reclameblok begon. Dat deed ik vaker zo. Af en toe miste ik dan wel eens dat de film opnieuw begonnen was, maar dat stoorde nu ook weer niet zo erg. Het glas alcoholvrije bier, zonder alcohol sinds ik die pillen moet pakken van de dokter, was leeg en ik droeg het naar het aanrecht, terwijl de mummy op tv wegvluchtte voor een kat. Mijn blaas zat vol, dus ging ik die ledigen op het toilet in het gangetje. Ik hoorde mijn vrouw al ronken en ook de beats van de fuif in de buurt waren goed hoorbaar. Het paard van de buren stond nog niet te kreunen dat was al iets. Ik hoorde de buurvrouw bezig tegen wat volgens mij de veearts was. Door de verluchting van het toilet was alles van buiten altijd zo goed hoorbaar. De koker en het toilet samen vormden samen een klankkast voor alles wat er zich buiten afspeelde. Ik trok aan het koordje van de verluchting en het geluid werd direct gedempt. Ik was gaan zitten op het toilet en omdat ik nu toch zat, perste ik er een paar drollen uit, die met een plonsje in het wc-water terecht kwamen. Even later lag ik weer in de zetel met mijn voeten op het salontafeltje, reclame voor mannenparfum. Ergens ben ik toen ingedommeld en werd ik wakker van rumoer buiten op straat. Ik schoof mijn pantoffels aan mijn voeten en slaapdronken stapte ik door de keuken naar buiten. Het was een heldere nacht met een grote halfvolle maan en veel sterren. Ik had niet gekeken hoe laat het was, maar ik schatte dat het ver voorbij middernacht was. Het had een prachtige zomernacht kunnen zijn, als die stemmen er niet waren. Ik ging kijken op straat en zag een auto met de kofferbak open in het midden van de straat staan, vlak voor de ingang van het asielcentrum. Vooral vrouwen, soms met een kind op de arm, hadden het druk. Het leek alsof er vanalles verhandeld werd. Af en toe hadden de vrouwen een pakket onder de arm. De buren hadden hun terraslicht nog aan. Ik kon van hier zien hoe de muggen rond hun hoofden vlogen. In de wei stond een veulen naast de moeder. Die bevalling was dus al gebeurd. De zware drums en bassen werden weerkaatst tussen hun en onze muren. Weer een klankkast, dacht ik. Misschien dat een paar bomen, strategisch geplaatst vooraan hun paardenwei het probleem zouden kunnen oplossen, maar die mochten dan ook weer niet te hoog worden, die bomen, want anders namen ze het zonlicht weg van de zonnepanelen die bij ons aan die kant op het dak lagen. In de winter kwam de zon al niet boven de bomen van het bos aan de overkant van de straat uit, en hadden we al weinig profijt van onze investering. “Wakker geworden van het lawaai, buurman?” Ik schrok. Ik had Jordy niet horen aankomen. “Ja, wat is dat hier ook op de straat?” “Dat is een Nederlandse hulporganisatie die hier om twee uur ’s nachts pampers en babyspullen komt uitdelen. Ik heb er al eens voor gebeld, vorige week en de week daarvoor was het ook al van dattum.” “Kunnen die dat niet overdag?” “Het asielcentrum zegt dat zij er niks aan te zeggen hebben. Dat is niet hun verantwoordelijkheid. Maar ik heb ook net de politie gebeld. Ik ben eens benieuwd.” “En dan die fuif.” “Ja, ’t is me mijn nachtje wel, en dan de bevalling.” “Meisje of jongen?” “Een hengstje. We zijn nog aan het discussiëren over de naam. Weet jij geen stoere naam?” “Ik vind ‘Noise’ precies een goede naam voor een paard dat deze nacht geboren is.” “Daar zeg je zoiets.” “Is het vlot gegaan.” “Veel vlotter kan niet, denk ik. Moeder en kind stellen het heel goed. Het veulentje ging bijna onmiddellijk staan en heeft ook al gedronken. Maar ik had ook niet anders verwacht als je de vader kent. Dat is ook zo’n hevig paard.” “’t Is anders een mooie nacht. En ook zo perfect stil en rustig als er niet zo veel lawaai was.” Op dat moment kwam er een groepje van zo’n zeven tot tien twintigers de straat in gestapt. Twee mannen trokken naar de bomen aan de overkant en lieten hun broek zakken. Hun hemden stonden half open en hingen over hun achterwerk, dunne straaltjes blonken in het licht van de straatlantaarns. Hun hoofden en lijven dampten. “Gij zijt een dikke trut,” klonk het plots uit de mond van één van de dames, en dat klonk gemeend. “Houw, houw, ’t zal wel gaan zeker, ik heb toch niks verkeerds gedaan,” was het antwoord. “En een slet, een dikke, dikke slet.” Jordy en ik keken naar het groepje waggelende twintigers. De dame in kwestie was in duidelijke aanvalsmodus en de rest probeerde haar te sussen. De twee wildplassers kwam toegelopen met hun riemen nog los. “Gij doet net alsof ik het alleen was. Hij heeft met zijn handen aan mijn kont gezeten, en hij heeft initiatief genomen. Ik niet.” “Och, jong, ge hadt het graag. En wat zal het vriendje ervan zeggen.” “We hadden gedronken. Dan kan zoiets gebeuren. Dat betekent daarom toch niks.” “Ge wist dat ik … Och vuile verraadster. Ik zal jou nog eens ooit in vertrouwen nemen.” Het volume was nog toegenomen. Net op dat moment kwam een politiecombi met zwaailichten de straat in. En hield halt vlak bij het groepje. Met een luide knal ging de koffer van de bestelwagen toe en in een wip en een zip waren de vrouwen verdwenen. De bestelwagen trok op en snelde voorbij de combi en het groepje met de ruziemakende dames. “Daar gaat de reden waarom je gebeld hebt de hoek om.” “Ik heb de nummerplaat opgeschreven.” De agenten lieten hun zwaailichten opstaan en draaiden hun raampjes omlaag. Hun stemmen klonken zwaar en traag in de nacht in vergelijking met de schelle vrouwenstemmen. Eén van de wildplassers leunde tegen de combi en gaf over. De agenten stapten uit. De dames zetten hun discussie met gedempte stemmen voort. In het huis waar ze voor stonden, floepte het licht aan de voordeur aan en een hond blafte. Een andere jongeman gaf over. “Sorry, sorry, sorry,” zei hij, “maar ik kan dat echt niet zien of ruiken als er iemand overgeeft. Dan moet ik ook.” “Ik moet kakken,” zei een andere en hij zetten een paar stappen het bos in en trok zijn broek naar beneden. Van hieruit konden we een lange drol van tussen zijn witte billen naar beneden komen. “Je kunt niet zeggen dat er niks gebeurt, hier in de straat,” zei Jordy. “Wat een soap, zeg!” antwoordde ik. Een tiental minuutjes daarna stond de politiecombi bij ons. Nog steeds met de zwaailichten aan. De gordijnen in de kamer van de oudste bewogen een beetje en ik zag zijn snuit naar beneden kijken. Ook dat nog, dacht ik. “Hadden jullie gebeld?” “Ik had gebeld,” zei Jordy, “maar niet voor die zatlappen.” “Nee, voor een auto hier aan het asielcentrum, of wat was het, maar ik neem aan dat die al weg is. Ik zie hem toch niet staan.” “Je hebt ‘m net gemist, maar ik heb de nummerplaat.” “Laat maar eens zien, dan zullen we ze eens contacteren.” Jordy gaf een klein slordig geschreven briefje door het raampje aan. “Is dat hier altijd zo veel lawaai als het fuif is.” “Ja, wel als de wind uit de verkeerde richting komt, zoals nu.” “We zullen eens vragen wat we daaraan kunnen doen, want volgens mij, gaan ze los over de geluidsnorm.” “Dat hoeft niet, hoor, ’t is maar een paar keer per jaar dat er daar een fuif is, dus dat valt nogal mee. Die bestelwagen in het midden van de nacht, hier aan de poort van het asielcentrum is twee à drie keer per week, dat is veel lastiger.” “Is dat echt? En wat komen die dan doen?” “Ik heb er het asielcentrum al over aangesproken, maar zij zeggen dat het niet hun verantwoordelijkheid is omdat het een externe hulporganisatie is die hier in het midden van de nacht spullen komt uitdelen. Ze wilden dat eigenlijk op hun parking doen, maar dat mag niet. Zij mogen die niet op hun terreinen laten.” “Dus moet het maar op straat. In het midden van de nacht. En wie zegt dat het geen drugstraffiek is? Ik vertrouw dat zaakje niet. We zullen er eens achteraan gaan.” “In het midden van de nacht is ook gewoon geen stijl.” “Juist.” Het groepje jongeren passeerden op dat moment. “Waar gaan jullie eigenlijk naartoe, vroeg de bestuurder van de combi?” “Naar het centrum. De fuif stopt over een half uur en we willen nog op café.” “Het is nog meer dan een uur stappen langs het kanaal naar het centrum van hieruit. Tegen dan zullen jullie wel nuchter zijn. Zie maar dat je niet in het kanaal sukkelt.” “Hey, nog eens sorry dat ik tegen de combi gekotst heb.” “’t Is al goed. Zie maar dat jullie mekaar niet kwijt raken onderweg en hou het veilig.” “Goed, hoor, wij zijn vrienden, wij zorgen voor mekaar.” We keken het groepje na, en hoe ze een honderd meter verder, het fietspad namen in de richting van het jaagpad. Buiten het geluid van de fuif, dat dus over een half uur zou stoppen, werd het stil. “We zullen maar eens,” zei de agent, “we kunnen hier nu niet veel meer doen. En we gaan erachteraan, achter die bestelwagen, wees maar gerust. We gaan hier draaien op de oprit, als je het niet erg vindt.” “Nee, doe maar.” De combi verdween in de richting van het begin van de straat. Nog steeds met de zwaailichten aan. Pas op het kruispunt zag ik dat ze uitgeschakeld werden. Er hing al heel wat jong volk op de straat. Drie fietsers kwamen onze richting uit. “Dan zal ik ook maar eens terug naar binnen gaan. De fuif loopt op zijn einde en dadelijk zal ik wel kunnen slapen.” “Wij blijven nog even zitten, buiten,” zei Jordy, “Wij zitten nog vol adrenaline van die bevalling. En morgen is het zondag, dus kunnen we lekker lang uitslapen.” “Dat zal er voor mij niet in zitten. De jongste is vaak om zes uur wakker, je kan er de klok op gelijk zetten. En dan is ze wakker, en wakker is wakker bij haar.” “Slaapwel dan, zeker!” “Merci. Slaapwel voor straks dan.” Binnen dronk ik nog een half glas warme melk voor ik het licht in de keuken uitdeed en in het duister naar boven ging. “Papa?” hoorde ik bovenaan de trap. “Wat is er grote jongen?” “Waarom was de politie hier?” Ik stapte zijn slaapkamer binnen. “Had je dat gezien?” “Ja.” “Er waren mensen op straat die te veel lawaai maakten en dat mag niet.” “O.” “Sèg, weet je wat? Het paardje is vannacht geboren.” “Echt! Mag ik gaan kijken?” “Nu niet, jongen, maar morgenvroeg wel, nu moet je nog wat slapen.” “Mama snurkt.” “Ik hoor het, jongen, dat is ook veel lawaai, eh!” “Ja. Dan moeten we ook de politie bellen,” giechelde hij. “Dat zullen we maar niet doen, eh jongen.” “Papa?” “Zeg het eens.” “Wil je nog even bij me komen liggen?” “Eventjes dan. Hier, ik zal je eens goed onderstoppen.” Hij draaide zich op zijn linkerzij en zuchtte. “Papa?” “Ja, jongen.” “Je moet wel met je arm over me heen liggen.” Ik draaide me ook op mijn linkerzij en legde mijn arm over hem heen. “Zo goed?” “Ja.” Binnen de twee minuten hoorde ik zijn adem verstillen. Hij was in slaap gevallen. Waar was de tijd dat het zo vlot ging, dacht ik. Ik deed mijn pyjama aan in het donker van onze slaapkamer en hing mijn kleren slordig over de stoel. Ze moesten morgen toch in de was. Ik kroop naast mijn vrouw onder de lakens, maar had het snel te warm, dus schoof ik mijn benen onder de lakens uit en liet slechts een tipje over mijn middel liggen. Ik schoof mijn handen onder mijn hoofd en keek naar het plafond. Ik duwde mijn vrouw lichtjes in de zij waardoor ze zich op haar zij draaide en het snurken ophield en zwaar ademen werd. Even later lag ze terug op haar rug en ging het snurken door. De muziek van de fuif hield op en maakte plaats voor fietsers en brommers over de straat. Ik duwde mijn oorstopjes diep in mijn gehoorgangen en luisterde naar mijn eigen adem en hartslag. De voortekenen van een onrustige nacht waren correct geweest, dacht ik, en, ach ja, ik had toch al een beetje geslapen in de zetel. Zo rond half zes moest ik nog eventjes in slaap gesukkeld zijn. Om zes uur klonk een helder stemmetje vanop het toilet boven. “Ik ben klaa-aar.” “Ga jij maar eens,” grommelde mijn vrouw, “ik ga altijd al.”

Hans Van Ham
9 0

Slechts brokstukken

Het overweldigende gevoel, zich vertakkend in verwarring, stamt uit alle mogelijkheden, beweringen en waarheden die rond mij samentroepen. De ene al dwingender dan de andere. Als straatkinderen die in mij een rijke toerist zien, met zakken vol aandacht en ander snoepgoed. Ik ben in het verleden gul geweest, maar wil mij niet langer laten pluimen. Mijn strategie klinkt simpel: voelen wat voor mij klopt, de rest negeren. Alleen nog focus op het intuïtieve gevoel, geen verstrooiing door verhalen. De verhalen bonzen op de poort van mijn heiligdom. Ik zet daarom het volume van mijn innerlijke wereld hoger zodat ik ze niet hoor. Het duurde even voor ik die volumeknop vond. Het gebeurt nog dat ik hem even kwijt ben. Een illusie wordt niet altijd doorprikt door haar te doorzien. Weten dat er een illusie is, verandert de illusie niet. Het verandert voor mij wel de handvatten in hoe ermee om te gaan. Handvatten die ik eigenhandig uit mijn kern heb moeten beeldhouwen. Want het onechte diende zich aan zonder grip. Of: ik was het die zich aandiende in het onechte, om redenen die ik vergeten ben. Kwetsbaar, puur en open arriveerde ik ergens waar ik niet thuishoor, maar blijkbaar wel dien te zijn. Met alle informatie in mijn wezen, behalve de verhalen van deze wereld. Er werd mij geleerd hoe te denken en te spreken, en de verhalen overschreven systematisch wat ik wist zonder woorden. Denkend en sprekend in een taal die de mijne niet is, tracht ik, decennia later, te herinneren wie ik oorspronkelijk ben. Om het echte van het onechte te onderscheiden, is mijn gevoel er dus als enige betrouwbare leidraad uitgekomen. Uit het oneindige kluwen van redeneringen trek ik aan de lijn die me rechtstreeks naar ‘binnen’ leidt. Mijn houvast, mijn handvatten, zijn niet langer tastbaar. Ik vind tegenwoordig meer grip in de leegte, in het vacuüm van het zinloze. Wat ooit chaos leek, voelt nu bevrijdend. Ik verkies chaos boven gestructureerde verwarring. Wat zich in het onechte als logisch en normaal voordoet, maakt deel uit van een artificiële zingeving. Het is die zin, verzonnen, opgelegd of pijnlijk ontbrekend, die het leven van gewicht voorziet. Zonder die zin is er alleen maar bewegingsruimte. Zonder zingeving is er geen agenda of planning, enkel maar het aanwezig zijn in het moment. Deel uitmaken van de leegte. De onechte structuur waarin ik scheef groeide, maakte mij tot een samenhangsel van onbewuste stukken en vastgekoekte angsten. En zo bewoog ik mij doorheen oneindige raadsels van informatieve zingeving. Er openbaarde zich een oneindige zee aan mogelijkheden die ik kon ‘benutten’, waar ik iets mee kon ‘doen’, iets over kon ‘denken’ en ‘zeggen’, iets van kon ‘maken’. Allemaal met het achterliggende idee dat het ‘iets’ is. Dat ‘iets’ beter is dan ‘niets’. Maar met vallen en opstaan wist ik mezelf recht te trekken uit deze illusie en herinnerde ik weer dat ‘niets’ aan de basis lag van alles. Ik kan natuurlijk altijd ‘iets’ neerzetten waarvan ik weet dat het ‘niets’ is, om mijn tijd hier enigszins vermakelijk door te brengen, vandaar ook deze tekst. Het belang van materiële aanwezigheid reduceert enorm wanneer het besef van zinloosheid zijn licht, dat soms als een schaduw voelt, werpt op de dingen. Ik heb gegraven en gewroet in de bodem van wat mijn fundering zou moeten zijn; ik dacht er wortels te vinden, maar vond er vooral verhalen en verwarring. Dan maar in het ijle drijven en zien waar de stroom mij brengt. Er is nog weinig waarop ik mij kan vastklikken dat van waarde is. Ik moet mij in nauwe hoeken wringen om de normaliteit van de simulatie mee te spelen. Het comfort dat mensen in deze onechte wereld denken te vinden, is iets waar ze in hun naakte bewuste essentie nooit voor zouden tekenen. Maar hier, in de overweldigende beperking, geeft het schijnrust. Die schijnrust is een muur die ik al jaren aan het afbreken ben om te zien wat erachter ligt. En nu verschijn ik tijdens sociale interacties met slechts brokstukken, waarmee ik snel opnieuw een schamele constructie maak die het even volhoudt. Hoe lang nog? Mijn lichaam geeft nu duidelijker dan ooit aan dat de muur afgebroken is en ik quasi naakt in de leegte sta. Opnieuw kwetsbaar en puur. Ik ben dus niet langer bestand tegen interacties die niet authentiek voelen. De beperkende middelen en taal die ik nu gebruik om deze tekst te construeren, zijn tools van de matrix. Deze woorden zijn niet meer dan vage schimmen van het ‘niets’ dat nu in ‘iets’ gepropt wordt. Maar misschien valt er te snoepen van een glimp echtheid die uit de lege omhulsels lekt? Dat hangt natuurlijk ook af van het bewustzijn dat over deze letters dwaalt. De meeste mensen zullen op hun honger blijven zitten. Dat komt onder andere omdat ze in een omgekeerde wereld leven. Ze hebben zich daaraan aangepast. Ik blijf het lastig vinden, zo ondersteboven, en vind het in veel ‘normale’ situaties niet gemakkelijk om mijn maaginhoud binnen te houden. Ik voel me ook vaak moe. Moe van hier dag in, dag uit te zijn. Of te doen alsof ik hier ben. Schipperend tussen misschiens en mogelijkheden, het minimum uitvoerend, want ‘je weet nooit’. Veel schrijven en lezen omdat niet schrijven en lezen misschien ramen en deuren sluit. Ramen en deuren in de muur waarvan slechts brokstukken overblijven. Tekst door Karolien DemanFoto door Toni Meert

KarolienDeman
12 0

De klas van varken, tijger, en giraf.

Hier volgt een tekst voor de mini-voorstelling die mijn dieren zullen opvoeren aanstaande woensdag voor Emile, mijn liefste kleinzoon. --beltoon startuur klas   Juf Omi zegt: kom binnen lieve dieren, kies een stoel. Wanneer de dieren zitten, vraagt de juf om aandacht. Dat doet ze niet door te spreken maar door stil te zijn. Muisstil is haar glimlach, haar ogen kijken zacht naar haar leerlingen. Ze heeft er drie, dat is een mooi begin voor de eerste dierenklas in het land.   Wat gaan we doen? Varken wiebelt van ongeduld. Dat komt wel, zegt tijger. Hij zit met rechte rug, een staart die afhangt tot op de grond. Giraf is altijd stil. Op zijn stoel met houten zitvlak kunnen wel tien giraffen, misschien is het dat wat hem zo klein doet lijken. Kijk, zegt juf. Ik heb vellen papier bij me die ik op tafel zal leggen, jullie mogen één vel uitkiezen. Varken staat onmiddellijk recht en kiest het roze blad. Tijger gromt, komt van de stoel af en kiest het vel met strepen die hij aan zijn tong plakt tot hij weer op de stoel zit. Giraf nadert als laatste de grote tafel, er liggen nog zes vellen. Het is moeilijk kiezen; hij houdt van roze en van groen maar ook van vlekken. Hij zegt tegen juf dat het vel hem te groot is, hij kan het niet meenemen. Omi knipt één vlek uit het vel en geeft het aan giraf.  Wanneer omi weer vooraan staat, merkt ze op dat iedereen zichzelf in het vel heeft gezien, voor zichzelf gekozen heeft. Het eigen vel lonkt, zegt ze. Twee dieren maken daarbij geluid: het varken knort en de tijger brult. Giraf blijft stil, zoemt bijna onhoorbaar. Wat bedoelen ze? Juf omi heeft nog iets in petto mét de dieren en de eigen vellen.

Ingrid Strobbe
2 0