Lezen

AloÏs

Aloïs werkt al achtien jaar tegen zijn zin als ingenieur in de koekjesfabriek van Herentals. Rond twintig voor acht staat hij op. Hij doet, zoals steeds elke ochtend, pipi. Hij moet vandaag enkel in de namiddag werken. Beneden in de living neemt hij zij medicatie, antidepressiva en antipsychotica, met een beetje koude koffie van gisteren. Daarna zet hij het koffieapparaat aan om nieuwe te maken. Hij steekt een sigaretje op en gaat in de antieke zetel zitten. Hij heeft, tegen de verwachting in, vrij goed geslapen. Hij legt de LP ‘Moondance’ van Van Morrison op de platenspeler en luistert wat.  Half negen begint hij aan de afwas. Hij zet de waterkoker op en organiseert het aanrecht. Het is weer veel, want hij heeft nooit de energie af te wassen, laat staan te koken. Een Bpost camionette bezorgt met zorg een pakketje bij de overbuurman. Aan het kapelletje staat een man stokstijf stil met zijn donkerbruine hondje. Misschien doet hij een gebedje?  Als hij het warm water in de pompbak giet ontdekt hij dat er ook nog een pot met onderin beschimmelde soep op het gasvuur staat. Hij giet de viezigheid in het toilet. Het stinkt. Zij zin om af te wassen is voorbij, dus gaat hij opnieuw in de antieke zetel zitten roken. ‘These dreams of you. So real and so true,’ zingt Van Morrison. Aloïs geniet van de mooie saxofoon solo. Dan start hij met de afwas die hij meteen onderbreekt om te ontbijten. Hij eet een oude boterham met een stukje salami. Een idiote buurman van verderop in de straat rijdt zijn gras af. De vuilkar komt langs om de blauwe zakken op te pikken. De ene doet al nuttiger werk dan de ander, bedenkt hij zich. Tien voor tien is de afwas gedaan. Hij rookt. Hij drinkt koffie. Het woordje ‘afwas’ kan hij van zijn To Do-lijstje schrappen. Op de slaapkamer doet hij proper kleren aan, in de badkamer verfrist hij zich en op het toilet doet hij pipi. Half elf vertrekt hij naar het postkantoor en de sigarettenwinkel. Hij moet een brief naar een bevriend kunstschilder op de bus doen en een enveloppe met negatieven afhalen. Hij heeft nog drie sigaretten. Alle mensen die hij tegenkomt op weg naar de post hebben een hondje bij. Onderweg doet hij nog stemopwarmingsoefeningetjes. In het postkantoor heeft hij nummertje zestig. Hij moet enkele minuutjes wachten, maar kan dan naar loket drie. Hij legt zijn brief op de balie en vraagt of die voldoende is gefrankeerd. De loketbediende legt de brief op de weegschaal en zegt: ‘Er moet maar één postzegel op.’ Hij heeft er gisteren drie postzegels opgekleefd. De juffrouw pulkt voorzichtig de postzegels van de brief. ‘Deze twee kun je de volgende keer opnieuw gebruiken als je ze opkleeft met een Pritt-stift.’ Ze geeft hem de zegels en hij frommelt ze in zijn portefeuille. Daarna legt ze hem het verschil uit tussen een prior-zegel en een gewone. ‘Bij deze komt het de volgende dag toe. Bij de andere duurt het drie dagen. Heeft u nog iets nodig?’ ‘Ja, ik wil er ook nog kopen. Heeft u speciallekes?’ ‘Ik heb hondjes, de dierentuin, … ‘ ‘Doe die maar,’ antwoordt hij meteen. ‘Is de postcode van Borgerhout juist?’ vraagt hij nog. De postbediende kijkt het even na en knikt bevestigend. Hij vindt het fijn behandeld te worden als een idioot. In het rusthuis naast de gazettenwinkel zijn ze in de cafetaria bingo aan het spelen. Op de terugweg komt hij twee Italiaans sprekende mannen tegen die goed doorstappen. In de straat is er één blauwe PMD-zak blijven staan. Thuisgekomen haalt hij de gerecupereerde postzegels, een met een portret van koning Flip en een met de afbeelding van twee hondjes, uit zijn portefeuille, kleeft ze op de achterkant van het kasticket en steekt het bij de zegels van de dierentuin. Hij legt ze op de hoek van zijn bureau waar de postzegels altijd liggen. Zittend in de antieke zetel doet hij de enveloppe van Foto Kromhout uit Antwerpen open. Hij is erg benieuwd naar het resultaat van zijn eerste rolletje met de Olympus Pen EE 3. Hij is blij, want de contactsheet ziet er veelbelovend uit. De conclusie is dat die camera perfect werkt. Hij rookt. Hij drinkt koffie. Hij luistert op zijn iPhone SE naar wat muziek. Zot Jefke, de overbuurman, parkeert zijn Hyundai Pony voor de deur. De logaritmes van de Deezer app werken weer niet. Hij ontdekt enkel één goed nieuw nummer. Hij bestudeert de contactsheet nog een keer aandachtiger en schrijft de markering op ‘Olympus PEN EE 3 001’ Ook de zelfportretten zijn goed gelukt. Kwart voor twaalf maakt hij zijn lunchpakketje. Zijn vrouw is nu twee maanden dood. Kanker. Botkanker. Erg pijnlijk. Eigenaardig genoeg is hij de eenzaamheid al gewoon. Hij gaat ook al terug werken. De dokter wou hem nog een briefje schrijven, maar dat vond hij niet nodig. Hij wil cornflakes eten en stelt vast dat die niet meer goed zijn. Ze ruiken naar urine. Op zijn werk valt de poetsvrouw hem lastig. Ze vertelt over haar valentijnscadeau namelijk een blok belegen kaas. In de bibliotheek had een vrijwilliger haar, na hetzelfde verhaal te hebben gehoord, haar een boek van Willem Elsschot meegegeven. Dat zit ze tijdens de werkuren te lezen, maar ze begrijpt er niks van. Tot vier uur zaagt ze de oren van zijn kop. Zij had haar vriendje shampoo cadeau gedaan. Ze dacht ook dat Elsschot een boek met de titel ‘Fonkelnieuw’ had geschreven. Hij heeft haar rond drie uur getrakteerd op een Knoppers wafeltje. Na zij werk gaat hij naar frituur Estrella. Hij heeft geluk want de man na hem besteld voor achtendertig euro. Buurvrouw Tinne zit op een kruk met een glas witte wijn voor haar neus. De curryworst speciale doorsnijden met het plastic vorkje gaat moeizaam. Het breekt dan ook, zodat hij de worst en de fritjes maar met zijn handen eet. Er zit ook een kind met een baby in de frituur. De baby huilt. De moeder tokkelt op haar telefoon. Rond zeven uur is hij thuis. Hij sluit meteen de gordijnen en de Luxaflex en doet het licht van de keuken aan. In de antieke zetel, fantaseert hij over zich verdrinken in de vaart, het Albertkanaal, maar dat vindt hij te omslachtig. Hij gaat naar de badkamer en bekijkt zijn verzameling medicatie. Er is Risperdal, Lorametazepam, Quetiapine, Aspirine, Paracetamol, Zolpidem, Fluanxol, … Aloïs neemt een lege zak van de Action, waarin hij normaal zijn vuile was verzamelt, en kiepert de hele handel er in. Hij daalt de trap af.  Aan de keukentafel stalt hij de collectie medicamenten uit en haalt glazen en glaasjes uit de keukenkast. De slaappilletjes gaan in twee glazen waar Amora mosterd in gezeten heeft. Het ene heeft Star Wars afbeeldingen, het andere tekeningetjes van Les Indestructibles 2. De eerste soort antipsychotica past in een klein jeneverglaasje. De Paracetamol zijn dikke pillen, dus die verdeelt hij over twee, grote wijnglazen. Het lijken wel mini-visbokalen op een pootje, een kerstcadeau van zijn idiote zuster toen er nog samen gevierd werd. Met zijn Leica M8 maakt hij een foto van het mooie stilleven, een verzameling glazen en medicatie. Aloïs gaat opnieuw in zijn antieke zetel zitten en drinkt een glas gin met bruiswater. Buiten is het donker. Hij probeert een inschatting te maken hoeveel vloeistof hij nodig heeft om dit goedje allemaal te kunnen inslikken. Hij schat vier bierglazen van vijfentwintig centiliter, dus hij neemt vier glazen, met reclame van Golding Campina op, uit de keukenkast. Hij heeft die lang geleden gekocht op de zondagse rommelmarkt. Hij vult ze alle vier met gin en bruiswater en zet één flesje Spa blauw als reserve, mocht hij een inschattingsfout gemaakt hebben. Ook de langwerpige fles gin, die bijna leeg is, van veertien euro uit de Delhaize zet hij op tafel.  Het inslikken kost moeite, omdat veel van de witte tabletjes in zijn mond aan elkaar gaan kleven. Af en toe spoelt hij door met de Spa blauw en gin. Na alle glazen te hebben geledigd maakt hij zich de bedenking dat hij vergeten is een afscheidsbriefje te schrijven.  Wat er daarna gebeurde weet Aloïs niet meer. 

Hubert Grimmelt
3 0

Regen onderweg

De bus boldert door grote plassen water. Regen valt uit de lucht. Ik reis in de richting van mijn kot. Ik hoor nog altijd haar stem in mijn hoofd, een stem die een beetje kraakt, maar verder netjes alle emotie verbergt. Ik zet het geluid van mijn oordopjes aan, harder, het helpt niet, ik zet het uit. Pauze. "Ik moet je iets vertellen. Ik ben twee weken weg." Ik kijk Lena verbaasd aan, terwijl ze naast me zit voor extra taallessen. Ze komt uit Oekraïne en wil een beroemde filmmaker worden, net als Eisenstein. Maar in de lessen heeft ze nog steeds moeite met de taal. Dus, ik werk haar sinds kort wat bij. "Ik en mijn moeder moeten terug naar Odessa.""Waarom?""Vanwege papieren, voor ons huis en mijn school.""Kunnen ze dat niet online doen?" Ze schudt van niet. "Ik hoop dat je er veilig bent en veilig terugkomt." Ze knikt. Een wat ongemakkelijke stilte valt."Zie je je familie terug?"Ik probeer haar een beetje te troosten. Een kleine glimlach ontsnapt.Ze gaat naar een gevaarlijk gebied. "Met de bus 48 uur verderop," zegt ze. Ook voor haar school, want ze combineert haar studies hier met die van in Oekraïne. Voor als ze teruggaat. Ze wil geen tijd verliezen. Ze volgt de hele tijd online lessen, soms heeft ze zelfs gelijktijdig examens en zit ze haar examen online te maken en schriftelijk in de klas, het mag van de toezichter, zolang hij maar kan zien dat het niets anders is wat ze opzoekt. Dat zijn periodes waarin je merkt dat ze op instorten staat.  Lena heeft een bleek smal gelaat, grote ogen en een verborgen glimlach. Ik ken haar nu enkele weken. We volgen dezelfde module creatief schrijven. Ze is mooi. Maar haar geest lijkt nog onrustiger dan de mijne.  Ik toon haar nog een site met taaltips en vraag haar of ze een dagboek gaat bijhouden. Waarna ze meteen zegt dat ze dat al doet. Ik geef haar een bemoedigend schouderklopje. Zoals vrienden dat doen. "En stuur me wat foto's met het gezichtspunt vanuit je huis naar de zee," zeg ik nog snel voor we afscheid nemen. Want vorige sessie vertelde ze me dat hun flat een balkon heeft met zicht op de Zwarte Zee en op de beroemde Potjomkintrappen. Ja, dat gaat ze zeker doen. "Alleen als het buiten veilig is," benadruk ik nog. Die haven van haar is heel belangrijk, zowel voor Oekraïne als voor Rusland, en de rest van de wereld.  Het blijft maar regenen. Ik moet oppassen dat ik de controle niet verlies, emotioneel beheerst blijf, zoals mij aangeleerd is. Volhouden, niet breken, nooit niet. Net zoals zij. Er is oorlog dichtbij en ver weg in de wereld. En hier, hier zijn overstromingen, een gevolg van onze geïndustrialiseerde samenleving, net als de macht en hebzucht van zogezegde leiders die de rest van deze ellende veroorzaken.  Ik wuif de gedachten weg en zet de muziek terug aan.  "Walking On Sunshine" van Katrina & the Waves.     Fragment uit "Dagboek van een fastfood romanticus" - Work in progress

Bart Vermeer
46 2

Andante

De matinée met Kader Abdollah was afgelopen. Het publiek gaf een staande ovatie. Greta klapte op automatische piloot mee vanop haar stoel.  Ze vroeg zich af of ze zijn nieuwste boek zou lezen. Abdollah was weliswaar één van haar favoriete auteurs en een absolute meester-verteller, maar het thema sprak haar niet zo aan. Hij had trouwens net al zo boeiend en gedetailleerd over zijn terugkeer naar Iran verteld dat het boek alleen maar kon tegenvallen.  Greta had de voorstelling minder aandachtig gevolgd dan gewoonlijk. Steeds dwaalde haar blik af naar de gestalte van de rijzige zeventiger met het spierwitte haar die ze de voorbije maand een paar keer was tegengekomen in de stad. Ze zag hem al in de bibliotheek, op de vrijdagse markt, in het koffiehuis waar ze dagelijks kwam…  Hij moet onlangs ergens in de buurt zijn komen wonen, dacht ze. Zelf woonde ze al jaar en dag  op dezelfde plek, in het oude herenhuis dat ze vijftig jaar geleden met haar man zaliger kocht toen het centrum nog betaalbaar was.    Na vijf of zes toevallige ontmoetingen begonnen ze elkaar toe te knikken bij wijze van herkenning. Van een echt gesprek was het nog nooit gekomen. Toch was er iets, een aantrekking of zo. Misschien verbeeldde ze zich dat ook maar. Misschien wilde die man gewoon beleefd zijn, knikte hij naar iedereen die hij tegenkwam om vriendelijk te zijn. Greta stond op en begaf zich naar de foyer. Ze wilde nog even koffie drinken voor ze naar huis ging.  Zou Tina hier niet zijn? Ah ja, daar bij de bar. Fijn! Greta liet zich voorzichtig op de vrije stoel naast Tina zakken. Haar vriendin gaf haar een stevige zoen op de wang. “Oh Greta, wat fijn dat je er nog even bij komt zitten. Alles goed met je?” Die vraag was eerder pro forma want Tina ging naadloos over in een uitgebreide update over haar lichamelijke kwaaltjes. Daarna ging haar monoloog over in geroddel over buurvrouw x die iets zou hebben met buurman y, over de marktkramer van dat kraam met die lekkere paling die had gezegd dat ze zo knap en nog helemaal niet oud was, over de huisarts gespecialiseerd in homeopathie die haar was aangeraden door een vriendin…   Greta luisterde maar half. Toch hield ze van het geklets. Het leidde haar af van haar eigen gedachten. Het enthousiasme en de lach van Tina werkten altijd aanstekelijk. Soms was zo’n gesprek, waarin ze zelf eigenlijk niets moest zeggen, net wat ze nodig had.   Greta besefte dat ze vaak met opzet ergens langer bleef hangen. Dan moest ze niet terug naar huis. Ze zat er toch maar eenzaam aan de keukentafel, starend naar het behang en luisterend naar het monotone getik van de oude hangklok.  Na de dood van Gustaaf vijf jaar geleden had ze even overwogen een hondje te nemen. Ze was zelfs bij het asiel langsgegaan. Tobi, een dwergteckel, had haar hart gestolen. Ze was gecharmeerd door zijn lange oren en vriendelijke, ovale ogen die haar leken te begrijpen. Na lang twijfelen had ze hem toch maar niet meegenomen naar huis.   Een hond moet buiten kunnen om te rennen, vond ze. Zij geraakte amper tot bij de bakker op de hoek, laat staan dat ze een hond kon uitlaten. Bovendien was haar “tuin”  eerder een streepje gazon naast 4 tegels terras. Er konden net twee stoelen op, maar het was geen plek waar een hondje kon spelen. Ze had dus maar van het plan afgezien.  Haar dochter had haar, bij wijze van alternatief, een kat willen kopen. Dat had ze kordaat afgewimpeld.  Sinds ze als kind een flinke jaap had gekregen van een straatkat had ze een heilige schrik van die beesten.  Geen gezelschapsdier dus. Op de meest eenzame momenten zette ze dan maar de tv op. Sturm der Liebe, Mooi en Meedogenloos, het WK darts… Wat er te zien was, maakte haar niet veel uit. Het gebabbel gaf haar toch tenminste de illusie van gezelschap.  Iemand tikte op haar schouder. Ze schrok op. Ze had niemand horen komen want had haar hoorapparaat afgezet. Dat deed ze meestal als ze in groep was. Geluiden kwamen anders extra hard binnen en gesprekken kon ze toch niet volgen. Dat lukte tegenwoordig enkel nog één op één, met haar gesprekspartner recht voor zich zodat ze kon liplezen. Ze draaide zich om. De knappe man met het witte haar keek haar vragend aan. Hij had een thermos koffie vast. Zijn andere hand rustte op haar schouder. Bleef die daar nu niet veel te lang liggen? Ze voelde zijn warmte door de stof van haar blouse. Een tinteling ging door haar hele lijf. Ze keek verward in zijn ogen. Greta probeerde doodnormaal te doen. “Anton, aangenaam,” las ze van zijn lippen. “Wil je nog koffie?”  Ze knikte. “Melk en suiker?”  Ze schudde dwaas haar hoofd.  “Dat ze haar koffie altijd zwart dronk,” wilde ze antwoorden. Ze wilde ook haar naam zeggen, maar praten leek haar niet te lukken. Ze lachte schaapachtig en voelde zich ontzettend stom, een bakvis van 16 of zo. Hij vulde haar mok. Zijn hand trilde. Hij morste een beetje. Ze zag hem zachtjes vloeken.  Ze wilde al opstaan om een doek te halen, maar met diezelfde hand van daarnet drukte hij haar terug in haar stoel. Ze bood geen weerstand, had nog steeds die dwaze grijns op haar gezicht.  Waarom gedraag ik me zo onderdanig? Die rol wil ik toch niet meer spelen?  Haar hele getrouwde leven had Greta de brave huisvrouw gespeeld. Ze had zich ten dienste gesteld van haar kinderen en haar man zoals dat indertijd van De Vrouw werd verwacht.  Ze was jong toen ze trouwde, amper 20. Vijf jaar en vier kinderen later had ze zich een vaste routine aangeleerd die ze meer dan 40 jaar had volgehouden. Opstaan, de tafel dekken, boterhammen smeren, boodschappen doen, koken, poetsen…  Eigenlijk hadden die huishoudelijke taken en de zorg voor de kinderen haar nooit echt gestoord.  Toch had ze vaak in stilte gemijmerd over een ander leven. Ze had verlangd naar iets anders, iets naast die dagelijkse routine, iets voor zichzelf. Een eigen job, vrijwilligerswerk, een boekenclub of zelfs een echte studie…   Toen de kinderen het huis uit waren, kwamen er al snel kleinkinderen. De hele cyclus van baby’s, peuters, kleuters en pubers was voor haar gewoon opnieuw begonnen. Want moeke, zij dus, is toch alleen en nog gezond. Ze doet dat graag, dachten haar kinderen. Greta begreep best dat het leven van jonge ouders niet gemakkelijk was en dat je met twee voltijds moet werken om rond te komen. Toch vroeg ze zich af waarom mensen dan toch absoluut kinderen wilden als ze die toch de helft van de tijd bij hun moeder dumpten. Ach ja, het was haar eigen fout. Had ze haar mond maar moeten opendoen om te protesteren. Daar was het nu te laat voor, veel te laat.  Anton was teruggekomen. Hij stond opnieuw naast haar, nog net iets dichter dan daarnet. Hij veegde de tafel schoon. Daarbij tikte hij zogezegd per ongeluk even tegen haar hand die de warme koffiekop omklemde. Weer die tinteling. Zou hij dat ook voelen? Hij ging tegenover haar zitten, begon een gesprek met zijn buurman en keek haar intussen heel uitdagend recht in de ogen. Ze dwong zichzelf staalhard terug te kijken en voelde dat ze langzaam rood werd. Haar mond hing een beetje open. Dat het zou gaan sneeuwen, hoorde ze, en dat hij geen zin had in de dagschotel van blinde vinken met puree en witloof die hier op het menu stond. Dat hij ging eten bij Andante, kon ze duidelijk verstaan. Zei hij dat nu met opzet extra luid?   Anton maakte aanstalten om te vertrekken. Bij de kassa draaide hij zich nog even om en keek hij haar opnieuw recht aan. Ditmaal sloeg ze haar blik verlegen neer.  Greta voelde dat ze zelf ook voorzichtig opstond en hoorde Tina nog vragen of er iets mis was. Ze waaierde met haar hand en antwoordde dat ze zich draaierig voelde en thuis op bed ging liggen.  Snel nam ze haar sjaal van de stoelleuning en waggelde zo goed en zo kwaad als het ging naar de uitgang. Bijna vergat ze te betalen. Ze dacht er nog net op tijd aan, griste gepast geld uit haar portemonnee en legde het bij de kassa.  Eenmaal buiten zag ze Anton de hoek van de straat omslaan. Ze hinkte hem achterna. Waarom had ze het gevoel dat hij haar had uitgenodigd om samen te eten? Ze voelde haar hart veel te snel bonken. Van de lichamelijke inspanning of van de opwinding, vroeg ze zich af.   Ook zij draaide de hoek om en inderdaad, bij de deur van restaurant Andante stond hij haar op te wachten. Zou hij weten dat dat haar lievelingsrestaurant was, dat ze haar hart had verloren aan de Italiaanse keuken en dat de pasta vongole en tiramisù della casa haar favoriete comfort food waren? Galant hield hij de deur voor haar open. Steunend op zijn arm ging ze naar binnen. Hij nam haar jas aan en schoof zelfs haar stoel achteruit zodat ze gemakkelijker kon gaan zitten. Hij wenkte de ober. “Twee keer sherry graag,” zei hij nog voor ze kon protesteren.  Normaal gezien vermeed ze alcohol, dronk ze enkel water en zwarte koffie. Ze besloot haar principes voor één keer opzij te zetten en gewoon van de avond te genieten.  Het glaasje alcohol deed haar stijve houding van daarnet verdwijnen. Ze voelde dat ze zich langzaam ontspande. Loom zakte ze onderuit op haar stoel. Haar tong werd wat losser en haar gepieker stopte.  Greta en Anton begonnen te praten alsof ze elkaar al jaren kenden. Over zichzelf, over het verleden, over pijn en verdriet. Anton bleek ook weduwnaar te zijn en vaak eenzaam thuis te zitten. Al snel spraken ze ook over de tijd die hen nog restte, over wat ze nog wilden doen met hun leven.   Wat ze die avond gegeten had, wist ze niet meer. Ze gokte natuurlijk pasta vongole omdat ze daar nooit iets anders bestelde. Wel herinnerde ze zich nog het heerlijke dessert.  Ze at niet vaak zoet want moest op haar suikerinname letten van de dokter. Die tiramisù was haar guilty pleasure en blijkbaar ook die van hem. Ze hadden één portie gedeeld en langzaam genietend opgelepeld.  Daarna had ze ook nog het kleine glaasje ijskoude limoncello opgedronken dat hen met de rekening werd aangeboden.  Hij vroeg of ze nog met hem meeging naar huis. Ze knikte. Was dit niet iets uit romantische Hollywoodfilms? Was ze hier niet te nuchter en vooral niet te oud voor?  Tot haar eigen verbazing dronk ze even later ook nog vlot het glas whisky leeg dat hij haar voorzette. Een beetje smokey, honingachtig. Lekker. Ze likte haar lippen af en voelde zich licht in haar hoofd.  Ze schopte haar schoenen uit en duwde hem zachtjes, maar toch dwingend in de stoel. Haar rok trok ze op zodat ze met gespreide benen op zijn schoot kon zitten. Hij keek haar verwonderd aan. Ze las opwinding in zijn ogen. Zo kende hij haar nog niet. Zo kende ze zichzelf ook niet. Hij was benieuwd naar het vervolg. Zij ook.   

Melanie Huyghe
36 1