Lezen

Mijn eerste werkdag

Over een carrièreswitch gesproken! De vorige week zat ik nog in het muffe bankfiliaal van mijn schoonbroer. Nu bevond ik me in het kloppende hart van Europa, het Europees Parlement! Dit kantoortje was wel nog kleiner dan dat van de bank, maar ik zat hier toch maar. Hier gebeurt het, hier worden de debatten gevoerd, de belangrijke beslissingen genomen. Uitwendig was ik een en al rust, inwendig trilde ik van opwinding en van de zenuwen. Ik wilde mijn werk goed doen en een goede indruk maken. Ik ging werken voor Suomen Keskusta, de Finse Centrumpartij. Finland was net toegetreden tot de Europese Unie en de partij had vijf verkozenen in het parlement. Ik ging de secretaris van de partij bijstaan met het opzetten van hun kantoor en allerlei praktisch en administratief werk doen. De leider van de delegatie was Olli Rehn, die het later tot Europees Commissaris zou schoppen. Die eerste dag was Tuomo, de secretaris, me komen halen aan de ingang van het parlementsgebouw en had me door een wirwar van gangen naar het kantoortje geleid. Er stonden twee bureaus, recht tegenover mekaar, en een lege boekenkast. Ik zou mijn werkplaats delen met Seppo Pelttari, een ander nieuwbakken parlementslid. Hij was nog niet gearriveerd maar ik kon me alvast nuttig maken door de post rond te delen. Voor de rest was er nog niet veel te doen. Er was veel post, vooral kleurrijke brochures, gedrukt op dik, glanzend papier. Ik maakte stapels op het bureau van elk parlementslid. Later in de voormiddag maakte ik kennis met de genaamde Seppo. Hij was een kleine, iets oudere man en zag er een beetje nors uit. Hij gaf me een hand en mompelde iets van ‘nice to meet you’. Seppo zette zich aan het werk en begon de post door te nemen. Hij wierp een blik op elke brief en brochure en mikte die dan een voor een in de papiermand. De klus was op een halve minuut geklaard. Zo kan ik het ook. Vervolgens begon hij te telefoneren. Zijn mond ging open en er kwam een ononderbroken stroom van harde klanken uit. ‘Tak tak tak nien totta totta no nien tak tak ...’ Ik speelde voor luistervink maar kon er niet veel van maken. Wat kon ik nu nog doen? Mister Pelttari negeerde me compleet en was nog steeds aan het bellen. Tuomo had gezegd dat ik maar even moest wachten. Ik besloot koffie te gaan zoeken in het Europese labyrint en toen ik terugkwam van de koffiekamer, dook hij weer op. Of ik even bij Mister Rehn kon komen. Het kantoortje van Olli was naast het mijne. Ik klopte op de deur, de coming man van het moedige Finse midden zat aan zijn bureau te blinken. Hij begroette me en vroeg wat ik ervan vond. Ik stamelde iets in de aard van : ‘Het is allemaal nieuw, ik vind het heel interessant. Ik zie het helemaal zitten.’         Olli knikte bemoedigend. Hij had een eerste opdracht voor mij. ‘I have a question for you. Can you buy seets for me?’ Hij legde uit dat hij pas zijn intrek had genomen in zijn nieuwe appartement en dat zijn bed nog niet was opgemaakt. O juist, ‘sheets’. Even vergeten dat Finnen geen 'sh' kunnen zeggen.  ‘And orans joes.’ Sinaasappelsap voor bij het ontbijt. Olli haalde zijn portefeuille boven en gaf me een briefje van tienduizend frank. Ik nam het aan, moffelde het in mijn jaszak en begon aan mijn missie. Het eerste wat ik tegenkwam was een superette. Ik ging er naar binnen, nam een karton sinaasappelsap uit de rekken en ging naar de kassa. Ik tastte in mijn jaszak. Leeg. Andere jaszak dan. Niks! Het begon te suizen in mijn oren. Met trillende vingers doorzocht ik mijn portefeuille, nee, ik moest me vergist hebben. Dit kon niet waar zijn. Ik rende terug naar de drankafdeling, klampte het winkelpersoneel aan. Mijn benen en armen wogen honderd kilo. Ik betaalde met mijn bankkaart, stormde naar buiten en liep het hele traject terug naar het parlement. Alsof het nog ergens zou liggen! Woorden schoten tekort om te mezelf uit te kafferen. Een normaal mens steekt zoveel geld goed weg, niet los in een jaszak! Het deed fysiek pijn toen ik mijn bankkaart en het geld uit de automaat nam. Met slepende benen zette ik mijn zoektocht naar een winkel van beddengoed verder. ‘Kiitos, thank you. Very nice,’ glimlachte Mister Rehn toen ik het gevraagde, samen met het wisselgeld, op zijn bureau deponeerde. Met een knallende migraine zat ik op de trein terug naar Antwerpen. In mijn vermoeide, pijnlijke hoofd botsten en stuiterden de gedachten : aan mijn eerste werkdag, het saldo op mijn bankrekening, mijn toekomst bij de Europese Unie. Ik ga goed opletten, geen fouten meer maken. Suomen Keskusta kan op me rekenen. Olli Rehn was in ieder geval tevreden.      

Ilse Janssens
0 1

Thuis

Wat betekent het om je ergens thuis te voelen? Is dat wanneer je ergens je weg kent? Ook al neem je steeds dezelfde brug en vermijd je de zijpaadjes, alsof ze nergens naar leiden. Of is het wanneer je de taal van de mensen spreekt, dat je kan zeggen dat je géén lid bent van de supermarkt zodat er geen ongemakkelijk stilte ontstaat? Misschien is het wel het moment waarop je weet wat er van jou wordt verwacht, dat je bijvoorbeeld niet zomaar lacht naar vreemden of je schoenen aanhoudt in een openbare bibliotheek. Is het wanneer je merkt dat je niet meer de neiging voelt om je te verplaatsen? En dan rijst ontegenzeggelijk de vraag of je je thuis kan voelen op meer dan één plek. Wellicht. 'Jij hebt iets met plaatsen’, zegt ze soms. Ik denk er vaak over na, nu het bijna tijd is om deze prachtige stad vaarwel te zeggen. En onlangs dacht ik dat ‘zich ergens thuis voelen’ betekent dat je jezelf kan zijn, zoals je je ook bij een persoon thuis kan voelen. Er zijn maar weinig mensen bij wie ik me echt thuis voel, maar er zijn opvallend veel plaatsen waar ik dit gevoel heb gehad. Zo voelde ik me, naast de buurt waar ik woon(de) of naar school ging, thuis in onder meer Genk, Oostende, De Panne, De Haan, Kortrijk, Luik, Aywaille, Arles, Nîmes, Rome, Parijs, Utrecht, Rotterdam, Bordeaux, Kopenhagen, York, Edinburgh en Stockholm.  Veel plaatsen zijn voor mij onlosmakelijk verbonden met muziek. Zo doen Machina van The Smashing Pumpkins en Secret Samadhi van Live (wat een vergeten topschijf!) me meteen aan de binnenkant van de knalpaarse Ford Mondeo Clipper denken van mijn vader, toen ik twaalf jaar was en enkel mijn walkman en deze cassette had voor de lange autorit naar Portugal. Il Viaggio, de door merg en been brekende melancholische plaat van Melanie De Biasio, beluisterde ik non-stop toen ik een week aan het schrijven was in De Letterie in Oostende. Hail to the thief van de beste groep aller tijden is niet mijn favoriete album, maar wanneer ik ernaar luister, ben ik vijftien en zit ik naast Jens op de bus, op weg naar de Maasvallei om er samen met de rest van het derde middelbaar de bodem af te speuren naar slib en klei. Het werkt ook andersom: als ik denk aan het huis waar ik ben opgegroeid, hoor ik Human touch van Springsteen, Steppin’ out van Joe Jackson of Big love van de supergroep Little Village. Ik onthoud niet zo vaak gezichten, zeker geen beroepen of namen en al helemaal wie wat wanneer deed. Maar ik had nooit een probleem met het studeren van data voor geschiedenis, ik kan codes van deuren of nummers op bankkaarten memoriseren of zelfs tracks op een cd. Maar bovenal onthoud ik plaatsen. De weg ernaartoe is een klus voor de gps, maar ik onthoud wel beelden van steden, straten en pleinen waar ik ben geweest, alsof ik de wereld in schilderijen zie. Helaas betekent dat ook dat ik me snel kan vergissen, als de schilderijen een beetje te veel op elkaar lijken. Ik doe het nu romantisch en poëtisch klinken, maar dat is niet per se zo. Ik onthoud ook willekeurige plekken waarvan ik me echt afvraag waarom ze in mijn hoofd blijven rondspoken. Zoals een balie van een weinig inspirerend museum (ik zie de balie in al haar glorie, maar ik weet niet meer in welke stad of land die zich bevindt) of een hotelkamer en de binnenkoer in een hotel in Tongeren, zonder dat deze opmerkelijker was dan al die andere hotelkamers. Ik kan mezelf ook dingen in het hoofd prenten, alsof ik het bewust download op mijn harde schijf, zonder enige reden. Zo was ik eens met mijn ouders en twee broers op vakantie in een klein dorpje in de Alpen en ik verveelde me steendood. Mijn ouders hadden een voorliefde voor kleinschalige huisjes in dorpen waar de geboorte van een geit het evenement van het jaar was en blijkbaar vonden mijn broers dat prima. Ik probeerde haast elke dag iedereen zover te krijgen om eens naar het amfitheater te gaan kijken of gewoon de stad op te zoeken, maar daar werd zelden aan toegegeven. Ik herinner me een moment waarop ik helemaal alleen was aan het struinen door het dorre berggras, tot ik bij een soort afgrond kwam. De zon prikte op mijn huid en het rook er naar lavendel. Het was best een mooi uitzicht over de vallei. Ik besloot toen dat ik me dat moment voor eeuwig zou blijven herinneren, en dat is tot op vandaag niet veranderd. Misschien moet ik meer van deze momenten creëren.  

Lennart Vanstaen
18 2

Speaker's Corner

Ik wil even een forum en platform voor mezelf creëren. Iedereen mag zijn zegje doen. Terecht. Dus ik heb dat recht ook. Waarschijnlijk geen kat die dit leest en degenen die wel de tijd nemen, prijs u gelukkig want dan bent u waarschijnlijk niet zo egocentrisch en egoïstisch als de rest. Want hoe hypocriet is deze samenleving eigenlijk? Als je even aan jezelf denkt en quality time voor jezelf wil nemen ben je een egoïst. De domheid van het mensdom en altijd maar weer die projectie en spiegeling. Ik probeer niet te projecteren en spiegel me aan niemand. Mijn vrijheid en mijn onafhankelijkheid zijn mijn hoogste goed. En dat wil ik zo houden. Maar dit gezegd zijnde, wil ik in dit autobiografisch schrijven het over totaal iets anders hebben, namelijk: sommige van mijn teksten krijgen het label en etiket ‘explicit’. Ik snap het gedeeltelijk en ik zal u zeggen waarom. Enerzijds begrijp ik het wel maar anderzijds heb ik zoiets van of de slinger té fel is door gedraaid na de wokeperiode die we hebben meegemaakt. En die door sommigen gekaapt en misbruikt werd. Veel mensen hebben nu het gevoel en idee dat ze niet meer mogen zeggen wat ze willen en op hun woorden moeten letten. Ik vind gewoon dat mensen nog altijd mogen zeggen wat ze willen, maar met respect en begrip naar elkaar toe. En dat durft weleens te ontbreken, bemerk ik vaak. Jammer genoeg. Ik vind dat mijn teksten nog redelijk braaf zijn. Het kan veel extremer. Ik kom van de grootstad Antwerpen en inderdaad, niet iedereen kan om met de Antwerpse vorm van humor. Om van het feit te zwijgen dat sommigen niet met de Antwerpse mentaliteit om kunnen. Maar dat zijn twee aparte kwesties. Ik weet van mezelf dat ik geen dikke nek heb, maar ben uiteraard trots op mijn geboortestad, mijn roots. Ik woon nu in het Leuvense en zacht uitgedrukt, de meeste Leuvenaars zijn ook fier en trots op hun stad, misschien veel meer dan Antwerpenaars, en dat laten ze echt blijken. Maar om terug te komen op mijn expliciete teksten zogezegd en het labeltje dat ze opgeplakt krijgen van ik weet niet een of andere ‘commissie voor de bescherming en rechten van het kind’ . Ik heb iets, kinderen moeten inderdaad worden beschermd, maar absolute bescherming bestaat niet. Hoeveel zaken horen kinderen niet op de speelplaats, hoeveel hebben de kids niet uitgespookt wat hun ouders niet weten? Na al die woke toestanden, al die waanzinnige dingen de voorbije jaren, waar door we ons heen moesten ploeteren, heb ik nu even zoiets van :‘ kunnen we terug normaal en gewoon doen?’ Pascal Claes 22/3/2025©    

Canniball
6 2

Vlinderpaleis

Zomer 2015 Het is een grijze dag. Ik doe mijn fiets op slot en wandel over de Bolivarplaats. De tram klingelt naar een verstrooide voetganger, jonge gastjes in baggy kleren doen met veel geplof en gekletterkunstjes op hun skateboard. Ik beklim de trappen naar de hoofdingang van het Vlinderpaleis, het Antwerpse gerechtsgebouw. Ik heb nooit kunnen beslissen of ik het mooi of lelijk vind, imposant is het zeker. Aan de ingang gaat mijn handtas door de scanner. In de grote inkomhal fantaseer ik even dat ik een rol heb in een misdaadserie. Terug naar de realiteit nu, naar de receptie. De mevrouw van Slachtofferhulp komt me tegemoet. Ik heb haar gesproken aan de telefoon, ze klonk vriendelijk en professioneel empathisch. Ze brengt me naar een klein kantoortje zonder ramen. Op haar bureau ligt een dikke map. ‘Ik kan niet op alle vragen antwoorden,’ zegt ze, ‘want ik ben geen dokter. U kan het dossier inkijken en foto’s maken.’ Een camera heb ik niet, ik ben nog altijd niet gezwicht voor de dictatuur van de smartphone. Ze geeft me een pen en papier, ik begin te lezen. Het verslag van de politie. ‘Dit klopt al niet. Hij had geen hamer in zijn hand, die lag naast hem.’ Dat ik een deken over hem had gegooid was natuurlijk absurd. Alsof een dode het koud zou hebben of over nog enig schaamtegevoel zou beschikken. Maar mijn eerste reactie, naast blinde paniek, was dat het niet waar kon zijn, dat hij gewoon naar het ziekenhuis moest. Het verhoor van de buurvrouw. Er komt een golf aangerold, van verdriet, en dan nog een, van woede. Er is me gezegd dat ik ‘niet in mijn emotie mag duiken’. De persoon die hier beschreven wordt, is niet mijn broer. Die kort voor het gebeurde nog zijn verjaardag vierde, samen met mij en onze ouders. Hij had heerlijk gekookt. Dat kon hij heel goed, hij kookte elke dag. En hij dronk er graag wijn bij. En oké, hij dronk graag Duvel maar hij was geen alcoholist en zeker geen barse misantroop. ‘Mensen hebben snel hun oordeel klaar’, probeert ze te troosten, ‘zonder de persoon te kennen.’ Mijn verhoor.  ‘Mijn broer was in zijn leven nogal veel depressief en hij had clusterhoofdpijn. Tevens was hij chronisch pijnpatiënt. Gisteren is hij niet langsgekomen bij mijn ouders hoewel hij normaal wekelijks langsgaat. Mede hierdoor ben ik vandaag gaan kijken of alles in orde was. Ik heb Diederik in de woonkamer gevonden en heb onmiddellijk de ziekenwagen verwittigd. Diederik nam veel medicatie voor zijn pijn en dronk af en toe.’ Het verslag van de autopsie is bevreemdend. Alsof hier geen mens maar een voorwerp wordt beschreven dat opengesneden en bestudeerd wordt. Ik begrijp alleen dat er niks abnormaals gevonden werd. De agenten hadden me al gezegd dat ze niet dachten aan geweld van derden of aan een wanhoopsdaad. Toch werd zijn dood als een verdacht overlijden beschouwd en zijn appartement werd verzegeld. Ik mocht Vicky, zijn kat, zelfs geen eten meer gaan geven. ‘Die vangt wel een muis.’   Dan volgen de foto’s, van zijn appartement. ‘Hij was precies een beetje in de war,’ zegt ze. Ik heb het opgegeven mensen uit te leggen dat het niet zomaar een rommelige vrijgezellenflat was. Een half jaar geleden had onze Dirk dit appartement gekocht, hij had het geschilderd, foto’s van zijn neefjes en nichtjes aan de muur gehangen, bloemen op het terras gezet. We waren bij de Ikea Billy kasten gaan halen, waarin hij al zijn dikke boeken met zorg had uitgestald. Wat ik die dag aantrof was een ravage. Wat was er in zijn hoofd omgegaan? Wat was hij van plan met het gereedschap dat overal verspreid lag, met al die proppen papier , waarom had hij spullen vernield? We zullen het nooit weten. De doodsoorzaak staat wel vast. Ik lees : ‘braakselaspiratie veroorzaakt door medicamenteuze intoxicatie.’ De dosis medicatie die gevonden was in zijn bloed was toxisch maar niet dodelijk. Verder werden er geen drugs of andere stoffen in zijn bloed gevonden. Hij is gestikt in zijn braaksel. Zoals Jimi Hendrix, denk ik. Wat een domme dood. ‘En waar ga je nu naartoe?’ ‘Naar mijn vriend.’ ‘En zal het gaan?’ 'Ja.' Het moet wel. Ik moffel het A4-tje in mijn handtas, ze begeleidt me naar de uitgang. Als ik buitenkom, is het beginnen miezeren. De skaters zijn er niet meer. Ik laat mijn fietssleutel vallen, vloek en raap hem op. Ik moet nog naar de Delhaize. ‘s Avond belt mijn zus en vertelt dat er een nieuwe thuis is gevonden voor Vicky. Daar ben ik blij om.

Ilse Janssens
13 1

waar film is, schrijf ik

Na het bekijken van films voel je je belangeloosmaar toch ook geschikt voor wat het leven met jou in petto heeft.Het proces is nooit overbodig.Films kijken gebeurt geruisloos en moeiteloos.Waar ik meestal aandacht aan schenk,heeft zich al wel eens afgespeeld,maar we filmden het niet, het speelde geen rol van betekenis vereeuwigd te worden,maar hier is dat gevoel opnieuw,geschonken aan jou door het mediumdat jij op handen draagt.Na het bekijken van films voel je dat je soms gewichtlooslijkt te willen gaan zweven.Ergens naar de leegte, de 'niets-heid' van het één-zijn met onszelfwaar je net datgene voelt dat je zo ‘n lange tijd bij jezelf weghield:niets en niets dan onverschilligheid.Die keer dat ik zei tegen één van mijn dierbare vrienden‘ik voel me niet goed, ik voel me niet slecht, en het is net datdat me helemaal niets uitmaakt’was het de beschrijving van het verschrikkelijk lichte gevoeldie bijdroeg aan de 'niets-heid'.Nu is dat anders, is alles anders,en het gaat hem erom, voor de juiste verwoording te kiezenals het aankomt op mijn bestaaneven weer wat meer licht te gunnen.Ik schijn blind te zijn voor waar ik in mijn sterkte ga staan.Je moet jezelf niet telkens opnieuw doden.In je nabijheid, glinstert je verlangen het hardst.Verlangen naar de film-opvoeding van weleer.De all nighters van toen,de 4 keer Cinematek in de week iedere week.Film is mijn vader, mijn moeder, mijn broer,heeft me in zekere zin zo ook grootgebracht,verkent en kent mij,komt me toe waar nodig en laat me nog sudderen waar de blinde vlek nog een tijdje mag blijven.Waar film is, schrijf ik. Je bevindt je waar je aan kan denken. Dat kan in de tekst zijn, of in die zijn koortsdromen.Achter alles zit je, zelfs achter de clou. Daarna bestaat de ernst van de zaak er in, niet vergeten te worden. Het is net geen zaak van leven of dood.Die van de mislukte kunstenaar of het heldenverhaal. Om tot jezelf te komen, mag je niet ophouden met schrijvenover hoe jij in zekere verstandhouding met de tekst bestaat. De tekst kan in zich film dragen,zodat jij in je de tekst kan baren.Het gaat hem er om in zo’n vredig mogelijk bestaan ondergedompeld te wordendoor te schrijvendat het bijna helend een oplossing zou kunnen betekenenvoor wat jij al die tijd almet je meezeult:dat armzalig leventje dat de weg bijna kwijt was gespeeld. Met een armlengte voorsprong iets op het blad zetten, nog voor het vroeg om te mogen bestaan: poëzie.Met hetgeen tussen jou en mij in rekening houden en hoe we ons naar die afzonderingvan elkaar wegbewegen doorheen tijd, ruimte en materie zoals huid,om er een soort begrip mee te kunnen formuleren en daardoor de mogelijke wondes helen: poëzie. En ook: poëzie verachten, maar de deur erheen toch op een kier laten staan: poëzie. Poëzie is mijn baken van de hoop.Je wilt niet dat het altijd daarover moet gaan, daarom gaat het voorlopig nog altijd daarover. Ik was bijna vergeten, hoe licht ik werd en hoe futiel jij even leek,toen ik het scherm afzette.‘Welk scherm?’, vraag je je moe af terwijl je je uitrekt.… Gaat dit nog over de poëzie of was de film er niet lang genoeg?   

Dries Verhaegen
4 1

Moe

Als ik ooit zei dat ik moe was, wist ik niet wat ik zei. Misschien had ik vaak, of nood aan een dutje, desnoods was ik vermoeid door fysieke inspanningen. Vaak genoeg ga ik ’s avonds zonder enig gevoel van moeheid slapen, omdat dat nu eenmaal de conventie is. Dan ga ik liggen in een daartoe voorzien meubel, trek ik een deken over me heen en sluit ik krampachtig mijn ogen, in de hoop ’s morgens wakker te worden en zodus te hebben geslapen. Maar wanneer ik de volgende morgen wakker word, voel ik doorgaans het tegenovergestelde: ik open mijn ogen, met enige moeite, sta weer op uit het meubel, was me en steek voedsel in mijn mond, hoewel ik op dat moment niet de nood voel om op te staan, noch te eten. Vandaag ben ik dus vreselijk moe. Alle keren ervoor leken wel schimmen van deze moeheid, die de enige echte moet zijn. Alsof deze moeheid zich laat aankondigen en af en toe verkenners op pad stuurt. Alsof zij, na jaren bij iedereen eens op bezoek te zijn geweest, bij mij heeft aangeklopt en ik haar op een onbewaakt moment, toen ik bijvoorbeeld de krant uit de brievenbus wilde nemen, heb binnengelaten. Sinds die dag woont zij hier als een ongenode gast. Zij laat zich niet zien, maar doet wat zij wil. Zij ruimt niets op, laat de afwas staan, verzaakt ook maar iets productiefs te doen. Net als ik overigens, want ze heeft zich van mij meester gemaakt, ze heeft me ingekapseld als een soort onzichtbare mal, zodat ik mijn ledematen amper kan bewegen. Wanneer ik er dan toch in slaag me voort te bewegen, reageert mijn lichaam magnetisch op elk mogelijk meubel waarin je kan zitten of liggen, zoals zetels, stoelen, banken, krukjes en poefen. Hoewel ik een poging doe, is het een moeheid die zich niet in woorden laat uitdrukken. Zelfs mijn gedachten worden door haar gecontroleerd, in die zin dat ik moe word bij de gedachte om ook maar iets te doen, zoals een hap eten of naar het toilet gaan. Deze handelingen, samen met alle andere mogelijke handelingen die niet zitten of liggen of slapen zijn, lijken enkel te bestaan in een andere wereld, een wereld waarin de wakkeren vertoeven, diegenen die niet getroffen zijn door deze alles verterende moeheid. Wanneer dus zulke gedachten in mij opkomen, is dat een soort moeheid in een moeheid, een metamoeheid, want terwijl ik deze dingen denk, lig ik geveld in de zetel. Toch moet ik opstaan en mijn kinderen gaan ophalen van school. Ik probeer de plaid van me af te trekken door hem tussen mijn tenen te klemmen en met mijn voeten naar beneden te trekken, de rest van mijn lichaam is nog verlamd. Ik geeuw alsof ik de hele kamer wil opslokken. Waarom zouden we geeuwen? Dat is nog altijd niet terdege onderzocht, meen ik. Ik bemerk bij mezelf dat ik het doe om de moeheid die me in haar greep houdt er tevergeefs uit te duwen. Ik slof naar de badkamer. Ik kam mijn haar en ook daar is de moeheid neergestreken, als een hardnekkige lak. Verleidelijk kijk ik naar de douche, maar daar heb ik de tijd niet meer voor. Dan maar koud water in het gezicht. Daar schrikt ze van, maar ze klauwt zich onmiddellijk terug in mijn gelaat. In de keuken overweeg ik koffie, maar het zetten ervan lijkt te veel moeite. Ik heb nog net genoeg energie om een plak zalm op een stuk toast te leggen. Er is nog een halve avocado over, die ik er ook bij leg, samen met enkele dikke druppels hoisinsaus. Na enkele happen voel ik me beter, de moeheid lijkt weg te trekken. De energie die ik krijg van deze eerste hap doet me er nog eentje maken, en wanneer ik ook deze binnen heb, lijkt ze helemaal verdwenen. In een halve minuut ruim ik de tafel af, drink ik nog een glas water, poets snel mijn tanden, schiet mijn jas aan en neem mijn rugzak, waarin ik nog een na-schoolkoek en een boek-voor-het-wachten steek. Op weg naar de bus vraag ik me af of men moeheid kan bestrijden met umami.

Lennart Vanstaen
3 1
Tip

De schrik van de schrijver

Mensen die mij graag lezen, vragen zich weleens af of alles wat ik schrijf autobiografisch is.  Sta me toe dat ik heel even filosofisch word. De kwaliteit van je leven hangt af van de kwaliteit van je gedachten. Die hoeven heus niet altijd even verheven of hoogstaand te zijn, maar hoe positiever je denkt over jezelf, hoe leuker de wereld om je heen lijkt en hoe fijner je ervaringen worden. Misschien bepalen je eigen gedachten wel welke wereld je aantreft. Misschien is de wereld die je elke dag waarneemt gewoon de echo van hoe je denkt.  Tot zover de theorie. Het leven is zo afwisselend en onvoorspelbaar dat het fantastisch fijn en even later onrechtvaardig en keihard kan zijn. Dat is het hele aardappelen eten. Soms kan je van het ene moment op het andere in de puree raken en dan prakt de praktijk heel de theorie door mekaar. Wel, het leven van de schrijver is ook niet altijd een lolletje. De lezer hoeft daar niet per se van op de hoogte te zijn. De fan tast in het duister, maar de fantast in het duister ben ik. Ik overdrijf. Ik verdrijf doorgaans donkere gedachten. Doorgaans mag je letterlijk nemen. Een mens moet doorgaan. Altijd. Het kan heel bevredigend zijn om rechttoe rechtaan te schrijven over jezelf en over je leven. Dat doe ik dan ook heel frequent en met heel veel plezier. Als schrijver heb je nochtans de keuze. Of je schrijft over je leven zoals het is, of je vermijdt en leukt de boel wat op, of je wentelt jezelf in de negativiteit en maakt alles nog wat erger dan het in werkelijkheid is, of je vlucht in de fantasie. Dat zijn op z’n minst vier keuzes. Zoals een schilder over een palet beschikt om zijn verf te mengen, kan je als schrijver met enkele pennenstreken je eigen wereld creëren door bijvoorbeeld naar hartenlust te mengen met die vier keuzemogelijkheden. Ik zeg maar wat.  Dat vluchten in je fantasie doe je best niet overhaast of halsoverkop. Je verzint eer je begint. Niet panikerend, niet in het wild weglopend, maar stappend, anders ‘loop’ je het risico dat hetgeen je bedenkt van een bedenkelijk niveau is. Beredeneerd vluchten, dat is het. Er is immers geen dreiging. Je zit aan je schrijftafel en je ontsnapt terwijl je ontspant. Dat kan mentaal of met taal. Ik kan mezelf immers zo in taal verliezen dat het mentale als vanzelf op de achtergrond verzeild raakt. Ik ben een player. Niet met gevoelens, maar met taal. Schrijven is spelen. Met gedachten, met woorden ... Soms zo intens dat je min of meer in extase bent. Schrijven is vrijheid. Jezelf verliezen, spelen en vliegen, terwijl je schijnbaar saai op een stoel zit. Schrijven is dubbel, want terwijl je innerlijk volop leeft en beleeft, lijkt de wereld rondom je aan je voorbij te gaan en kan het aanvoelen alsof je iets mist, als je uit de trance van het schrijven komt en je merkt dat alles en iedereen een heel kleine beetje geëvolueerd is. Alsof het ware leven aan je voorbijgaat. Dat maakt me angstig. En de keuze tussen schrijven en niet schrijven enorm moeilijk. Passie voor het schrijven en passie voor het leven ... Ook al ben ik een man van uitersten, ik bewandel de gulden middenweg. En tussendoor beschrijf ik ‘m.         

Danny Vandenberk
105 6