Lezen

Nino (1)

NINO  Na tien jaar zonder bericht belde Nino bij me aan. Door de vierkante raampjes in de voordeur herkende ik hem: het onderste raam liet zien hoe strak zijn jeans om zijn benen zat. Het tweede speelde met de ruiten van zijn rood-zwarte hemd. Achter het bovenste raam draaiden blonde lokken weg en verscheen een scherp blauw oog. Zo verkruimeld was hij helemaal Nino. Behoedzaam deed ik open.  ‘Ca va, Léa?’, was het eerste wat hij vroeg, met een bezorgdheid die niet past bij iemand die je tien jaar niet hebt gezien. Maar er gebeurden de laatste tijd zulke onwerkelijke dingen dat Nino’s komst me niet eens zo verbaasde. Corona hield de hele wereld thuis, en dat zou nog weken, misschien zelfs jaren duren. Wist Nino dat dan niet? Hij mocht hier helemaal niet zijn.  ‘Het gaat wel’, zei ik, ‘en met jou?’ Hij knikte afgemeten. De huid rond zijn ogen en langs zijn kaken was een landschap geworden van fijne lijntjes, alsof iemand hem probeerde te schetsen en zijn contouren niet vond. We omhelsden elkaar niet. ‘Je hebt je haar gekleurd’, zei hij.  ‘Ja, doe ik al lang.’ Hij zei niet dat het me stond.  ‘Mooie buurt hier.’ ‘Vind ik ook. Veel groen en dicht bij de stad.’ ‘Heb je het gekocht?’ ‘Wat?’ ‘Je appartement.’ ‘O, ja, twee jaar geleden.’ Hij knikte bewonderend. Met steun van mijn ouders, wou ik toevoegen, maar ik bedacht me. Hoe wist hij dat ik hier woonde? De lijntjes in zijn huid leidden me af van die vraag. De mooiste bejaarden hadden een huid als het oppervlak van een snijplank, hun huid weerspiegelde een leven. Waarom bestonden er handlezers, maar las niemand je bestaan af via de lijnen van je gezicht?  ‘Wat denk je?’ lachte hij.  ‘Niks.’ ‘Dat zei je vroeger ook altijd.’ ‘Dat is waar.’ Aan de overkant van de straat zette iemand een raam op kiep. Het zonlicht reflecteerde op de ruit, zodat ik de buur niet zag, maar hij ons wel. Achter alle ramen zaten mensen, en ik dacht aan het Paleis der winden in Jaipur, de gevel met honderden ramen waarachter de haremvrouwen van de maharadja naar de straat keken zonder zelf gezien te worden. ‘Wat doe je hier?’, vroeg ik. Hij keek naar de rubberen tippen van zijn oude sneakers. ‘Mag ik even binnen komen? Ik heb al een paar dagen niemand gezien.’ Zijn stem klonk lager dan toen we tieners waren. Er zat nog steeds een knik midden in zijn zin, een korte pauze waarin hij checkte of zijn woorden het juiste effect hadden. Niet om me te manipuleren, maar omdat hij in al zijn soepelheid toch verlegen werd. Toen ik hem leerde kennen was hij zestien. Zacht baardhaar ontkiemde langs zijn kaaklijn die nog twijfelde tussen rond en hoekig, en zijn ogen blonken van de plantrekkerij onder zijn witblonde kopje.  Ik ging hem voor naar mijn appartement. Mijn deur stond nog open, net als de ramen binnen, zodat ik toch het idee had buiten te zijn. ‘Wat heb je veel licht.’, zei hij. De zon scheen overvloedig en we hadden al weken geen regen, alsof we dat niet verdroegen bovenop ons huisarrest. ‘Ik woon hier wel graag’, zei ik. Nino bezichtigde de kadertjes aan mijn muur, liet zijn hand rusten op mijn tafel.   ‘Gezellige plek’, zei hij.  Hij zag een hoopje schelpen en slakkenhuizen op de commode, en keien die ik ooit had meegebracht uit de Oostzee bij Litouwen. Nino hield de mooiste, die met de oranje spikkels, tussen zijn duim en wijsvinger en bestudeerde hem. Hij liet zijn duim over het oppervlak glijden.  ‘Ze zijn gepolijst door de zee’, zei ik, ‘Onder water blonken ze heel mooi. Spijtig dat stenen en schelpen zo dof worden, eens je ze meeneemt naar huis.’ ‘En slakkenhuizen zo fragiel zonder bewoner’, zei Nino. Hij pikte er een geel exemplaar uit met fijne, bruine lijnen. In de buitenste baan van de spiraal zat een gat. Nino kon het slakkenhuis zo vermorzelen, maar hij legde het behoedzaam op de palm van zijn hand.  ‘Waarom verzamel je ze?’, vroeg hij. ‘De perfectie’, zei ik, mijn schouders ophalend.   Nino lachte om het kleinood in zijn hand. ‘Wat is hier zo perfect aan?’ ‘Het is gewoon wiskunde, een slakkenhuis is eigenlijk een rij van … Fibonacci’,  hoorde ik mezelf zeggen.  ‘Hoe bedoel je?’ ‘Niemand heeft het gemaakt en er moet niks meer aan verbeterd worden. Ik volg de lijnen graag, van de buitenkant naar het midden, tot ik er een beetje duizelig van word. ’ Nino lachte. ‘Je kijkt graag.’ Hij keek ook. Naar mij.  ‘Wil je iets drinken?’, vroeg ik. ‘Graag’.  ‘Ik heb thee, en misschien appelsap,’ zei ik terwijl ik de koelkast open trok.  ‘Water is ok’, lachte Nino, ‘dat is er gewoon en daar moet niks aan verbeterd worden.’ Ik vulde een glas aan de kraan. Nino stond bij mijn boekenkast met de wijd uitstaande pootjes. Hij veegde met zijn hand over de plank. Ongetwijfeld lag er stof op.  Toen ik hem het glas aanreikte, legde hij het boek op tafel dat hij net nog doorbladerde, een reisgids over Lissabon. ‘Ben ik ook eens geweest’, zei hij. We hadden vroeger nooit samen buiten België gereisd. Hij hief het glas, dronk er een teug van en wees naar de boeken.  ‘Doe je er iets mee?’, vroeg hij. ‘Ik lees ze. Toch de meeste. Die daar heb ik bijvoorbeeld niet gelezen. En die.’ Waarom hield ik ze eigenlijk bij, al die boekenruggen die ik nooit meer uit hun rij haalde. Het scheen Nino te vermaken. Glimlachte hij, of was het een grijns? ‘Waarom koop je meer dan je kan lezen?’, vroeg hij. Hij leunde tegen de keukentafel achter hem lag een hoop foldertjes en facturen. Zou hij die straks ook uitpluizen? Wat was het Japanse woord voor het fenomeen waarbij je meer boeken koopt dan je er kan lezen? Die moest ik in de WhatsAppgroep voor goede quizvragen zetten. Al die boeken samen kostten honderden euro’s. Hoeveel vluchtelingen kon je daarmee voeden?    ‘De belofte van een mooi verhaal verleidt me, denk ik.’ Maar ik wist het niet zeker. Hij knikte, en hij dacht er iets over dat hij niet met me deelde.  ‘Verzamel jij niks?’, vroeg ik. ‘Weinig eigenlijk. Ik weet niet of ik graag dingen bijhoud. Ik heb nieuwe meubelen gekocht onlangs, dat vond ik wel cool. Nieuwe sofa, salontafel, en een tv voor series.’ Het klonk als een goedkoop dating profiel van iemand die alle fun buiten zichzelf zoekt. Nieuwe spullen en series. Of deed ik dat ook met mijn boeken en feesten? ‘Toen ik vroeg of je wat met die boeken doet, bedoelde ik wel: in je werk’, zei hij, ‘Ben je leraar? Of schrijver?’ Ik schudde mijn hoofd. ‘Ik organiseer wijkfeesten, enfin, tot voor corona begon.’ ‘Wijkfeesten?’ ‘Zoals bij jullie met carnaval, of la Ducasse.’ La Ducasse, het feest van de patroonheilige. We neurieden mee met de fanfare terwijl de relikwie door de straten werd gedragen.  ‘Klinkt fijn’, zei Nino.  ‘Ik organiseer geen traditionele feesten’, corrigeerde ik, ‘meer iets om mensen samen te brengen, om de buren te leren kennen.’  ‘Dan zit je nu zonder werk.’  ‘We doen kleine dingen, zoals gedichten op ramen schrijven. En we hebben plannen om muzikanten favoriete nummers te laten spelen in de straat.’ Hij zweeg. Vroeg hij zich af waarom ik hiervoor zoveel gestudeerd had? Waar was hij zelf eigenlijk aan de slag als technieker? Want dat studeerde hij toch vroeger, toen we op de middelbare school zaten.   ‘Zijn die schilderijtjes van jou?’, vroeg hij. Dat waren ze. Hij ging op een paar neuslengtes afstand van het werk staan, volgde de penseelstreken.  ‘Die ezel lijkt op Mona Lisa, hoe mysterieus die naar ons kijkt’ ‘Vind je?’ ‘Ja, echt.’ Hij nam een stoel en ging aan mijn keukentafel zitten alsof hij op een bord eten wachtte. Er hing een sigarettenluchtje in zijn kleren.  ‘Rook je?’, vroeg ik hem.  ‘Niet vaak’, zei hij, ‘Ik probeer te stoppen.’ Destijds waren zijn sweaters doordrongen van de poederige en wat metalige geur van wasmiddel. Ik rook het nog sterker toen ik hem later tegen me aandrukte, mijn neus in het kuiltje tussen zijn hals en sleutelbeen begroef. Ik vroeg hem toen om niet van die deodorant te kopen waarmee de jongens op school zich tot maffioso spoten. Hij vond het grappig, hij begreep niet wat er zo cool was aan wasmiddel.  Jaren na onze breuk bespeurde ik Nino’s geur in het gewoel van een metrotunnel of op een festivalweide. Haast onbewust scande ik dan de mensenmassa. Natuurlijk vond ik hem niet, tientallen mensen wasten hun kleren met hetzelfde poeder. Zijn geur raakte langzaam van hem losgekoppeld en gekoloniseerd door anderen, net zoals zijn beeld overschreven werd in mijn geheugen.  Hoe rook ik eigenlijk? Ik droeg een harembroek, ik had me de comfortabele ‘maak van een nood een deugd’-homewear laten aanpraten waarmee we de lockdown zouden doorkomen alsof het een langgerekte zondagmiddag op de bank was. Onder mijn T-shirt spande een vetbandje, maar ik had mijn haar wel gewassen deze ochtend.  ‘Ik heb de indruk dat lentegeuren vroeger veel intenser waren, bomen, bloemen, afgemaaid gras, verse regen,’ zei hij, ‘misschien ligt het aan de sigaretten dat ik minder ruik.’ ‘Of aan de pesticiden. Je ziet ook veel minder insecten.’ Nino leunde op zijn ellebogen en boog wat voorover, wat hem schijnbaar hielp het antwoord te vinden.  ‘Misschien verrast het me gewoon minder.’ Klopt het dat we de intensiteit ontgroeien, en heet dat dan ‘wijzer worden met de jaren’? Dat je niet meer bij het minste onrecht uit je krammen schiet, niet meer hoteldebotel verliefd wordt?  ‘Waar woon je nu?’, vroeg ik. ‘Nog altijd in Genlay.’ ‘Dan mag je niet naar hier komen. We mogen maar vijf kilometer ver.’ ‘Dit is een essentiële verplaatsing.’, zei hij plechtig.  ‘Waarom?’  Zijn ogen veranderen nog steeds razend snel van tropisch blauw naar staalhard grijs. ‘Bubus n’est plus’, sprak hij. Eind deze week begraven we hem. Ik kom je halen.’  Die kwam binnen. Bubus was de patron van het café waar Nino en ik elkaar leerden kennen. Hij droeg meestal een donkerblauwe broek, een hemd met een motiefje en bretels. Een golfje haar gaf zijn ronde gezicht de frivoliteit die hem onderscheidde van de papzak. Hij was iconisch zonder dat na te streven en misschien dacht ik daarom dat hij immuun was voor een vroege dood.  ‘Hoe? Door het virus?’, vroeg ik. Nino schudde zijn hoofd. Andere scenario’s kwamen bij me op: een auto- ongeluk, een brand, een hartaanval. Verbeelding is een pest als je slecht nieuws krijgt.  Hij ging bij het raam staan en tastte in zijn borstzak, haalde er een pakje vloeitjes uit. De zilverkleurige verpakking weerkaatste de zon op zijn gezicht. Hij plukte wat tabak uit een zakje en verdeelde het over een vloeitje, zijn hand als dienblad.  ‘Prostaatkanker,’ zei hij. Hij legde de filter op zijn plaats en rolde de sigaret behendig tussen zijn vingers.  Onder zijn hemd bolden de spieren van zijn schouders op. Even wou ik mijn hand erop leggen, voelen of deze Nino echt was, hem een teken geven dat de dood van Bubus me raakte. Maar ik hield mijn handen over elkaar gevouwen, ging naast hem voor het raam staan en tuurde de lege straat in. Tussen de voegen van de straatstenen was de aarde poederdroog, opgeschoten onkruid werd geel. Bubus was langzaam uitgebloeid, zonder dat ik ervan wist.    Tien jaar geleden had Bubus roerei voor ons gebakken in zijn keuken achter het café. Nino en ik zaten op de rieten stoelen aan dezelfde kant van de tafel met het vichy-ruitjeskleed, we hadden elkaar enkele dagen tevoren voor het eerst gekust in de groene badkamer van Bubus, en we hielden elkaars hand vast onder de tafel. Twee kinderen die verliefd waren en zich volwassen waanden, hoewel ik ondertussen wist dat volwassenheid misschien een staat was die je nooit helemaal bereikte. Er lag toen geen filter over de dingen, alles presenteerde zich aan ons in helder ochtendlicht. Cynisme meden we of schilderden we af als een oudemannenkwaal, en oud was je in onze ogen al op je veertigste. Ondertussen sta ik qua leeftijd dichter bij die oude mannen dan bij de tieners die we waren.  Aan de muur hing een karikatuur die een straatartiest in Parijs ooit van hem gemaakt had. Verder hing er een foto van Bubus die trompet speelde, hij was veertien. ‘Op de kermis van Anderlecht, zelfs de koningin was er.’ Veertig jaar later voelde hij nog steeds de opwinding van dat moment, zijn vrienden van de fanfare hadden er weken naar uitgekeken. De koningin had mee geknikt op het deuntje, en toen ze terug naar het paleis vertrok, barstte het feest los. Ze dansten tot in de vroege ochtend - op Sinatra en ‘Hound Dog’ van Elvis. Achter Bubus’ snor kon je zijn glimlach niet altijd ontwaren, maar zijn bolle gezicht vertrok tot een hartjesvorm als hij lachte en zijn ogen glommen van trots. Nu hing Nino uit het raam en blies de sigarettenrook zo ver mogelijk.  ‘Heeft hij… veel afgezien?’ Nino kneep zijn lippen op elkaar en knikte, hij trok van zijn sigaret en ademde de rook meteen weer uit, waardoor ik wist dat hij een krop in zijn keel had.  Ik stond als aan de grond genageld, ik wist niet wat te zeggen. Ik herinnerde me dat mensen vaak praktische gesprekken als de dood in zicht is. Net voor haar overlijden vroeg mijn grootmoeder aan mijn moeder wat ze zou aantrekken. Ze bedoelde daarmee in welke kledij ze opgebaard wou worden. Waarop mijn moeder een paar van haar mooiste mantelpakken uit de kast haalde en ze haar voor hield. ‘De blauwe’, zei mijn oma. Zolang je dingen plant, leef je. En ook net na oma’s dood was het overleg over de houtsoort van haar doodskist en het beleg voor de koffietafel een buffer tegen het ergste gemis. ‘Hoe zie je die reis?’, vroeg ik dus, ‘waar slaap ik, bijvoorbeeld?’ Nino was duidelijk niet mee in mijn praktisch discours en schrok van mijn vraag. Zag hij het als wantrouwen? ‘Ik heb een logeerkamer. Of je kan bij Nadia logeren.’ ‘Is Nadia terug?’ Ik klaarde op.  ‘Al een paar jaar.’ Trotse, koppige Nadia.  ‘Doe het gewoon, denk aan Bubus. Deze rit is zijn geschenk aan jou, je kan er even tussenuit, net zoals vroeger.’ De lucht was stralend blauw sinds dit virus rondwaarde. Ik zei mijn quarantaine op voor de begrafenis van een vriend die ik al jaren niet meer had gezien. ‘Hij praatte vaak over je.’, zei Nino. De stijgende sterftecijfers maakten me moedeloos, ik kon net zo goed naar een begrafenis van een oude vriend.  ‘Goed’, zei ik, ‘ik pak een paar spullen.’ Uit mijn berghok viste ik een cilindervormige sporttas van het type waarmee bajesklanten de gevangenis verlaten. Ik stopte wat ondergoed en een pyjama in de tas, griste een zwarte jurk uit de kast. ‘Als je die voor de begrafenis meeneemt, laat dan maar - Bubus haatte dat zwart gedoe.’, zei Nino. Hij wil dat we hem begraven zoals we bij hem op café zaten. Ik koos een blauwe rok met felle oranje bloemen, een koningsblauw T-shirt en porseleinen oorringen.  Het idee van de reis begon me aan te spreken. Nino had zichzelf overtuigd van dit plan. Op dezelfde manier had hij me vroeger uitgenodigd voor onze eerste fietstocht, met het voorstel ‘Amerika te verkennen’. Zelfs al was het niet waar, dan nog was het spectaculair.  Hij droeg mijn sporttas, aan mijn schouder bungelde een kleine handtas. Ik sloot de deur achter me en hoopte dat mijn buren zich niet al te veel vragen zouden stellen. ‘Waar staat je wagen?’, vroeg ik toen we het einde van de straat naderden en hij zijn pas nog steeds niet vertraagde.  ‘In de volgende zijstraat.’ ‘Er is toch genoeg parkeerplek?’ ‘Het was makkelijker daar’, zei hij. We sloegen de doodlopende straat in waar een outlet van kleren en schoenen was. De winkels waren gesloten, maar op de parking stond een tractor. De gigantische achterwielen hadden rode velgen en op de groene neus prijkte een pijp.   ‘Je meent het’, zei ik toen Nino erop af stapte.  ‘Zo is het tweemaal een noodzakelijke verplaatsing’, zei hij, ‘Eén: we zijn op weg naar een begrafenis’.  ‘In een tractor?’ ‘Twee, we gaan mijn land bewerken. Jij bent mijn vrijwilliger nu de Roemenen en Bulgaren het land niet meer binnen mogen.’  ‘Je ‘land’ ligt op zo’n 60 kilometer van hier.’  ‘Je verliest je in details.’  ‘Waarom doe je zo veel moeite om me mee te nemen?’  ‘Ik doe het voor Bubus,’ zei hij.  ‘Die zou het prachtig gevonden hebben’, beaamde ik.  ‘Mijn tractor rijdt maar vijfentwintig kilometer per uur,' redeneerde Nino. ‘Puur wiskundig duurt het dus twee uur om naar Genlay te rijden. Het is nu drie uur in de namiddag, dan komen we tegen de vooravond aan. We kunnen ergens onderweg proviand inslaan.’ Terwijl hij dat alles uiteenzette, sprong hij op de treden langs het achterwiel en gooide mijn sporttas in de glazen cockpit. Nu reikte hij me de hand om de tractor te bestijgen. Zijn hand was ruw, en ik hoorde ze niet aan te raken. Had ik alcoholgel mee? Ik tastte in mijn tas, smeerde mijn handen snel in en liet me in de tractorcabine hijsen. Toen Nino het sleuteltje omdraaide, schokte de tractor als een wild dier. Ik voelde de trillingen in mijn buik en kon me niet bedwingen om te juichen. Nino grinnikte zoals vroeger toen hij me ergens plezier mee deed. De tractor had twee remmen. Drukte je de foute in, dan ging je van het paadje. Nino liet beide remmen los en liet de diep gegroefde wielen over de kasseien draaien. Momenteel werk ik een manuscript af over een tractortocht van twee oud-geliefden, Nino en Lea. Ze reizen naar de begrafenis van hun oude vriend, Bubus. Tussen hen in ligt nog een pakje onverwerkt verleden. 

Pons
10 1

Gaartijd (2)

De buur Ik wou die reporters afpoeieren en de deur al dichtdoen toen mijn vrouw de gang in kwam, zich excuseerde voor haar man en vroeg wat ze moesten weten. Ze had haar peignoir nog aan, haar krulspelden in. Ze zei dat ze toch niet in de kou op het trottoir moesten blijven staan en dat ze toch koffie zette. Ze konden evenwel binnenkomen en zich warmen. Terwijl die jongens met hun zware anoraks op onze rieten stoelen gingen zitten, en mijn vrouw in haar nachtkleed wat zjatten uit de kast nam, vertelde ze drie keer achtereen hoe verschoten ze was van die ontploffing in die fabriek, en dat ze direct naar het raam was gelopen. Daar had ze enorme lichtflitsen gezien, alles stond in brand, overal was vuur. Zo vif als ze tegen die reporters was, was ze in onze slaapkamer al lang niet meer. Ze zocht het avontuur in intriges en ongelukken. Nu begon ze over de stank van die brand, erger dan rotte eieren, zei ze, en ik moest lachen, omdat ze niet erger kende dan rotte eieren. Ik kan het zelf ook niet goed vergelijken, die reuk. Tien kuisproducten dooreen, white spirit, aangebrande eau de javel, en ook iets van dat zaagsel dat de nonnen vroeger over het braaksel van kleine kinderen gooiden. Van als het in uw neus zat, proefde ge het. De werkman die onze beerput kwam legen, zei eens dat stront naar parfum geurt in vergelijking met chemisch afval. Ik verstond niet dat die reporters in die stank zo smakelijk hun koffie naar binnen goten, terwijl mijn vrouw het hele verhaal nog een keer deed. Die mannen bleven het maar opschrijven. Ze moest op de foto. Ze poseerde als een president voor een staatsportret, met haar bigoudies als hoofddeksel.  Achteraf was ik blij dat we de eerste dag binnen moesten blijven, want iedereen in de straat was Madame Soleil: ‘Ik heb het gezegd dat dat ooit ging gebeuren. Mijn neef heeft daar nog gewerkt. Van veiligheid trokken ze zich niks aan. Elke dag was daar een werkongeval.’ ‘Daarom dat ze er liever van die bruine aanpakken die van de oorlog gevlucht zijn. Die vinden dat zo erg niet. Die zijn het gevaar gewoon.’, zei Eddy van de negenenveertig. ‘Het kan hen niet schelen wat er met ons gebeurt, dat we hier vergiftigd worden.’, riep Tanja van nummer twaalf, ‘dat mijn kleine nu autisme heeft terwijl er aan ons niks scheelt, dat is door die fabriek. Goed dat we er vanaf zijn.’ ‘Ze zeiden in het nieuws dat het een activiste is, een wereldverbeteraar die de boel in de fik stak. De mensen zijn zot geworden tegenwoordig.’, krijste Louise van den eenentwintig. De ergste was Frans van de pijpwinkel die ook dure biccen verkocht. Vulpennen van honderden Euro’s. Natuurlijk kocht niemand die nog, mensen roken stoom tegenwoordig, uit elektrische sigaretten. ‘Alles komt terug’, zei Frans vaak voor hij aan een uiteenzetting begon. Ik had het niet getroffen. Die ochtend ging ik kattenkorrels kopen om de telefoontjes niet te moeten horen van mijn vrouw aan haar familie, dat ze in de krant stond, dat ze haar een hele hoop vragen hadden gesteld, wel een uur had het interview geduurd. Naar haar gevoel toch, want naar mijn gevoel duurde het twee uur, en in de realiteit zullen het twintig minuten geweest zijn voor die journalisten rechtstonden en haar bedankten voor de koffie en met hun anoraks strepen langs de muur van onze gang schuurden. Maar bon, op mijn weg naar kattenkorrels was ik nog geen tien meter ver toen Frans me al in de mot had, en zijn litanie afstak. ‘Elke stroming van rechts tot links heeft zijn radicalen. Dogmatisme vindt ge overal. De meest verbeten leden knappen klusjes op waar die andere brave borsten soms van dromen, zonder dat ze ooit tot de actie over gaan. En als die kwetsbaren echt over de schreef gaan, distantiëren die andere activisten zich van hun voormalige kameraden.’ Ik knikte en Frans was tevreden dat ik akkoord ging, want hij had er waarschijnlijk weer lang over nagedacht terwijl hij geen pijpen had verkocht. Ik zei dat ik dringend om kattenkorrels moest voor Gustaaf, onze kartuizer, die in werkelijkheid een mollige straatkat is, maar kartuizer klinkt sjieker. Maar de aard van de mens is geheimzinnig en ineens krijgt ge een gedacht en moet ge dat uitvoeren, en dus liep ik naar die fabriek. De muren van de fabriek waren pikzwart met witte spikkels, zeker van het blussen. Juist een rottende paddenstoel. Ik raakte de muur aan, mijn vingertoppen werden roetzwart. Ooit was het nieuw geverfd en marcheerde het. Nu is het om zeep. Gelijk ik. En daarmee vergat ik korrels te kopen voor onze Gustaaf, en miauwde hij klaaglijk toen ik thuis kwam en mijn vrouw vroeg wat ik eigenlijk gedaan had. Een paar jaar terug schreef ik dit manuscript over een activiste die beticht wordt van een aanslag op een chemische fabriek. De geruchtenmolen draait volop, want activiste Lena is een mysterieuze verschijning. Journaliste Lin tracht haar te doorgronden. Via een reeks monologen van bevooroordeelde vertellers ontvouwt het verhaal zich. Een buur van de fabriek, een collega van Lin, de vader van Lena, de moeder van Lin, een voedselmot,... Allemaal denken ze er het hunne van. 

Pons
0 0

Gaartijd (1)

Lin Het nieuws over de aanslag bereikte me om vier uur ’s nachts, via mijn hardnekkig rinkelende telefoon. Of om preciezer te zijn: het bereikte me niet. Omdat ik na weken etentjes en vluchtige vrijpartijtjes voor het eerst een hele nacht met Paul doorbracht, had ik allerminst zin in berichten van de buitenwereld. Ik hoopte dat de beller vanzelf zou afhaken. Met zijn knieën opgetrokken en zijn rug gebogen sliep Paul als een warme huls om me heen. Zijn borstkas straalde de warmte uit van die dagen waarop hij een korte broek en frambozenhemdje droeg, als was hij er geen veertig maar twintig. Op restaurant fonkelde hij van blijdschap omdat de Osso bucco heerlijk was en de wijn onwaarschijnlijk lekker rook. Waarop hij zijn glas onder mijn neus stak: ‘Dat boeket, Lin!’. En ik sloot mijn ogen en rook het ook, hoewel ik al een kwartier dezelfde wijn dronk.  Nu mijn vaste telefoon overging in het holst van de nacht, legde ik mijn hand op zijn oor en bleef roerloos liggen. Ik vervloekte de oplichter van ‘Microsoft’ die mij vanuit een land met een andere tijdszone van een cyberaanval wou redden, als ik hem mijn computergegevens maar doorspeelde. Als je even niet op je hoede was, kon je zomaar alles verliezen. Daar had ik ooit een artikel voor de krant over geschreven, met berooide slachtoffers die hun geloof in de goedheid van de mens voor altijd waren kwijtgespeeld. Paul sliep vol vertrouwen, zijn adem wervelde over mijn hoofd. Ik kreeg er gelukskippenvel van en ook een beetje harde tepels. Zou ik hem toch wakker maken? Nee, niet te gretig zijn. Voor we indommelden, hadden we verstrengeld ons leven aan elkaar verteld. Hoe fantastisch hij zijn zoontje Felix vond, de fijne collega’s van zijn nieuwe werk bij het museum, mijn appartement dat ik een jaar geleden had gekocht, hoe trots ik was dat ik voor de krant schreef. We vergaten zijn ex-vrouw en hoe de ouders van een vermoord kind me voor lijkenpikker uitscholden toen ik naar hun emoties peilde. Ik sloot mijn ogen en streek met mijn lippen langs Pauls borst, maar de telefoon schreeuwde opnieuw door mijn verlangen heen als een dreinerige kleuter. Oplichters waren niet zo verbeten, ze gingen aan de slag met de eerste persoon die de telefoon beantwoordde. Wie had me op dit uur zo dringend nodig? Zo geruisloos mogelijk tastte ik de vloer naast het bed af. Ik trok het koordje van de oplader naar me toe tot ik mijn gsm voelde, hield mijn hand op het scherm en drukte de vliegtuigstand uit. Eenmaal geland stroomden de whatsappjes van de redactie binnen. Ik vloekte binnensmonds omdat het geluid nog een beetje aanstond. Ik las de berichtjes in omgekeerde volgorde en moest hoog scrollen voor ik ze aan elkaar kon breien. ‘Jij mag gaan snuiven, rol maar uit je pyjama.’ ‘Zintuiglijk doet het goed in artikels’ ‘Is dat je grootste zorg, typisch jij.’ ‘Moet enorm stinken ook’ ‘Zeker gewonden.’ ‘Zijn er doden?’ ‘Wat een vlam!’ ‘Ze zijn er met tien brandweerwagens.’ ‘Je meent het niet, alles voor dieren.’ ‘Ze is dierenarts.’ ‘ Hoe ecologisch is het om een chemiefabriek in de fik te steken.’ ‘Hoe snel is jouw lijn met de politie!’ ‘Er is videomateriaal van de veiligheidscamera’s van de fabriek.’ ‘Hoe weet je dat het een ecologiste is?’ ‘Achterland, wat mooi. Stadsmens, zeker?’ ‘Bij dat industrieterrein wat meer in het achterland’ ‘Waar?’ ‘Eerste terreurdaad van een ecologiste.’ ‘Eerste, beste, oudste’. Een superlatief mocht je niet laten schieten. Ongetwijfeld waren er al eerder terroristische acties geweest voor klimaat, milieu en dierenwelzijn?  Een brand in Mcdonalds door een dierenbevrijdingsfront, wat uitgerukte genetisch gemodificeerde groente, een gebroken raam van een grootbank, een ontplofte pijpleiding in verweggistan? In mijn hoofd doemden wat halve feitjes op, maar ik was te moe om ze te googelen. Haast op automatische piloot klikte ik het filmpje open dat een buurtbewoner van de aanslag naar mijn collega Jan had gestuurd: een fel witte wolk lichtte op in het donker. Ze verschraalde eerst tot oranjegeel, werd dan steeds grijzer tot ze uitgroeide tot een duistere kolom. Zelfs op een minischerm was het indrukwekkend. Nu ik begreep waar mijn collega’s zo’n poespas rond maakten, zinderde de adrenaline door mijn lijf. Dit was het enige wat de komende dagen over de tongen zou gaan. Wij stonden er middenin, hadden toegang tot getuigen en politie, konden snel de waarheid achterhalen. Dat moesten we vertellen, zodat onze lezers niet zouden verdrinken in de vaagheid. Na tien jaar bij de krant had ik nog altijd ontzag voor de snelheid waarmee we het nieuws bij de mensen brachten. Hoe we met wat losse stenen snel een bouwwerk deden oprijzen, een verhaal uit de grond trokken.  Ik kom eraan, whatsappte ik naar mijn collega’s, maar bel alsjeblieft niet meer op mijn vaste lijn. Ik legde mijn gsm met het scherm naar beneden op de vloer en rolde terug op mijn  kussen, mijn hoofd naast dat van Paul. Ik luisterde nog even naar zijn lichte gesnurk, schuurde mijn rug behaaglijk langs zijn buik. Dan hief ik zijn arm op en kroop eronderdoor, het bed uit. Ik zou hem achterlaten met een briefje op de keukentafel. ‘Moet weg voor eerste aanslag door ecologiste’. Het werd me zwaar te moede toen ik hem zo onschuldig zag slapen. Ik nam mijn Garfield van de vloer en legde hem naast Pauls hoofd. Toen ging ik naar de badkamer en maakte me klaar. Een paar jaar terug schreef ik dit manuscript over een activiste die beticht wordt van een aanslag op een chemische fabriek. De geruchtenmolen draait volop, want activiste Lena is een mysterieuze verschijning. Journaliste Lin tracht haar te doorgronden. Via een reeks monologen van bevooroordeelde vertellers ontvouwt het verhaal zich. Een buur van de fabriek, een collega van Lin, de vader van Lena, de moeder van Lin, een voedselmot,... Allemaal denken ze er het hunne van.

Pons
0 0

Boodschap voor de vlaamse minister president JAMBON de nieuwe slaven handelaar. a

"Ik ben op mijn veertiende gaan werken en heb door het betalen van belastingen ervoor gezorgd dat u jarenlang heeft kunnen studeren – zelfs als de 'eeuwige student' tot uw 35ste. Omdat ik laaggeschoold was en een laag loon had, heb ik nu het allerlaagste pensioen. Hoewel ik al kon lezen voordat ik het op school leerde, mócht ik niet lezen; mijn eigen moeder heeft ooit een boek verbrand dat ik stiekem aan het lezen was.Ik, de zoon van een arbeider, moest werken. U weet wel, zoals in de Bijbel staat: 'In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood verdienen.' Dat was het grote trauma van mijn kindertijd. Dat probleem hadden de nazaten van de nazi-collaborateurs niet; hun broodje was al gebakken. Ik mocht niet gaan studeren, want in die tijd werden alleen de kinderen van Vlaams-nationalisten naar de christelijke colleges gestuurd. Hoogstwaarschijnlijk was dat een vergoeding voor het feit dat uw voorgangers na de Tweede Wereldoorlog, tijdens Operatie Gutt, hun geld aan kerken en kloosters schonken.En dan zeggen jullie als Vlaams-nationalisten dat jullie weigeren belastingen te betalen aan België. 'Belastingontwijking' noemt u dat, of 'geen geld voor het smerige België'. Intussen kijkt u likkebaardend naar Nederland, de hoofdstad van de belastingontduiking door de rijken uit arme landen. De documentaire The Spider's Web op Netflix legt haarfijn uit waar het geld van belastingontduikende Vlaamse slagers voor gebruikt wordt. Of moet ik begrijpen: geen geld van het katholieke noorden voor het seculiere, ongelovige zuiden?Het resultaat is dat ik, na jarenlang zwoegen in vuile fabrieken, meer belastingen moet betalen en er minder voor terugkrijg. Terwijl u in belastingparadijzen op uw luie kont ligt, word ik door mijn lage pensioentje opgesloten in mijn eigen huis. Ik mag het land maar zeven dagen verlaten; als ik langer dan een maand naar het buitenland wil, moet ik een kafkiaanse administratie ondergaan. Dit is de nieuwe trukendoos die u als Vlaams-nationalist heeft verzonnen om een vorm van moderne slavernij in te voeren."  I.G.O.  De IGO-regeling (Inkomensgarantie voor Ouderen) is schrijnend; het mist zijn doel volledig. Uit een e-mail van Georges-Louis Bouchez begreep ik dat wie buiten Europa een pensioen ontvangt, deze regeling niet nodig heeft vanwege de lage levenskosten – zoals een maaltijd voor één euro of een brood voor 40 cent.Ondertussen heeft de regeling een verwoestend effect op de laaggeschoolde, arme en hardwerkende Belg, die het laagste pensioen van West-Europa ontvangt. Deze gepensioneerden wachten dagelijks vol angst op de klop van de postbode. Voor velen van hen is de tocht naar het postkantoor – een controle die elke dag kan plaatsvinden – fysiek bijna onmogelijk. Ze zijn vaak eenzaam en niet goed op de hoogte van hun rechten. Het lijkt niemand iets te schelen. Dan vraagt men zich af waarom er massaal voor een proteststem wordt gekozen? Dit is het antwoord.Laten we niet vergeten dat verstandige slavenmeesters begrepen dat gezonde slaven het meeste opbrachten. Daarom werden ze goed gevoed, was hun onderdak hygiënisch en kregen ze af en toe een extraatje. Slaven die zich overgaven aan verdovende middelen die hen rustig maakten, werden gestraft. Maar middelen die hen oppepten om harder te werken, werden kwistig uitgedeeld. Vandaag de dag lijkt er weinig veranderd.    Volgens een OESO rapport krijgen de gepensioneerde laaggeschoolden in België het allerlaagste pensioen van West-Europa.  De ambtenaren, 18% die rechtstreeks of onrechtstreeks voor de overheid werken, krijgen het allerhoogste pensioen van West-Europa. De meeste hooggeschoolden hebben zeer goed voor zichzelf gezorgd.  Diegenen in de steek latende die met veel zweet en bloed al dat geld verdiend hebben.   En dan is er Bartjens het wevertje die niet wil dansen, die zoals Jacques Chirac in Parijs wou doen, alleen de rijken in het centrum van Antwerpen en de armen in de bidonvilles. +++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++   foto gallery VERF ED https://www.2dehands.be/q/verf+ed/ https://www.2dehands.be/q/verf+ed+rooie+flikkers+amsterdam%3a+montaigue+de+quercy%2c+frankrijk/ ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++ Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen."Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig. http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
55 0

P O E P E N

Zatte Religieuzen  zatte nationalisten poepende wereld DOOD. P.S. Alcohol, het bloed van christus, mag geen drugs genoemd worden. Stel u voor al die pastoors aan de drugs.   ++++++++++++++++++ FOTO GALLERY VERF ED https://www.2dehands.be/q/verf+ed+/ https://www.2dehands.be/q/verf+ed+rooie+flikkers+amsterdam%3a+montaigue+de+quercy%2c+frankrijk/       +++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++   Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen."Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig.   http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
146 0

Maanmeisje HOOFDSTUK 1

Als haar stad niet bedreigd werd door natuurdemonen, kon Merliah misschien genieten van de gezellige drukte rond de tempel, de uitbundige muziek en aanlokkelijke geuren van vers gebakken brood en bramensaus. Nu wachtte ze vol spanning de ceremonie af, die hun lot zou bepalen. Haar lot.               Het groepje vrienden baande zich een weg door de menigte aan de rand van het plein. Een nieuwe stroom uitgelaten feestvierders duwde hen aan de kant, drong hen terug naar het zandpad dat de marmeren tegels van het donkere bos scheidde. Instinctief reikte Merliah naar haar opgestoken haar, om te controleren of de dolk nog op zijn plek zat. Niets aan de hand. Maar Merliahs hart bonkte in haar borst. Achter de kleurrijke lampionnen en bloemenslingers loerde de wildernis van Guran. Rododendrons en heesters ritselden in het avondbriesje. Klimop kronkelde ongebreideld over de lantaarns die het domein omzoomden.              Het Huis van de Maan lag midden in de wilde natuur. Het gebroken wit van de statige tempelmuren stak af tegen het donkere groen van de omgeving. Een oord van rust in een gevaarlijke, onberekenbare wereld.               Dit was de eerste keer dat Merliah het Feest van de Maangodin op het platteland bijwoonde. De eerste keer dat ze de prominente Tempel van Niyati met eigen ogen zag. Een sober gebouw in vergelijking met het Paleis van de Zon, maar minstens even indrukwekkend. De vele vleugels en paviljoenen die met zuilengalerijen en luchtbogen aan de Grote Hal waren verbonden, maakten het een organisch geheel. Hoge bogen en eenvoudig lijstwerk sierden de vaalwitte muren. Een grote zilveren koepel die uitliep in een spitse punt torende boven het gebouw uit. Onderaan het koepeldak waren op een brede doorlopende strook de fases van de maan afgebeeld. De spiraalvormige torens aan weerszijden van de gigantische ingang waren bezet met edelstenen die glinsterden in het rode avondlicht.              Maar het meest was Merliah onder de indruk van de weelderige natuur die het tempelcomplex omringde. Die was van een verraderlijke schoonheid. Zoiets had ze nog nooit gezien – in haar stad zou heerser Arasan dit nooit toelaten. Zóveel groen, zo dicht bij de mensen! Het zijn maar bomen en planten, probeerde ze zichzelf voor te houden. Maar één vleugje magura in hun wortels en dat vredige groen ontpopte zich tot de geniepigste moordenaars.               Merliah rukte haar blik los van de struiken met hun veel te donkere plekken en schaduwen. Ze haastte zich naar haar vrienden, die van een vlierbloesemdrankje nipten. Daarbij moest ze overhangende takken ontwijken en lette ze erop dat haar chique muiltjes niet vuil werden, tenminste niet voor het feest was begonnen. Een kelner bood haar een schaal vol lekkernijen aan. Merliah pakte twee honingkoekjes met glazuur in de vorm van een halvemaan en stak ze in één keer in haar mond.               Ze haakte haar armen door die van Nisa en Cem. Vanavond zouden ze plezier maken. Stiekem was ze opgelucht toen ze zich weer onder het volk mengden. De warmte en gezelligheid van de feestvierders voelde als een cocon, waarin ze veilig was.               Elk najaar zakten honderden bezoekers af naar het platteland van Guran om bij de Tempel van de Maan een van hun belangrijkste goden te vereren: Niyati de Lichte, de Maangodin die de mensen tegen onheil beschermde en hen de Ware Weg toonde.               Het plein liep over van het volk. Kleurrijke zijden stoffen mengden zich met sobere witte gewaden. Die laatsten waren de leden van de Tempel, dienaars van maanheerseres Silva. Zij onderhielden de connectie met de Maangodin door hun religieuze praktijken, ze vingen zieken en gekwetsten op en verrichtten wonderen door hun kennis van magura.              Weldra zou June daar tussen lopen. Merliahs hartsvriendin maakte zich op dit moment klaar voor de ceremonie waarbij ze ingewijd zou worden tot de Tempelkring. Merliah wilde de plechtige ceremonie voor geen haar missen. Ze frunnikte aan de paarse magnolia in haar gevlochten armband, die ze bij het slotritueel voor June in het water zou leggen. Ze probeerde er niet aan te denken dat hun beide levens vanaf nu voorgoed zouden veranderen.               Muziek steeg op uit alle hoeken van de tuin. Hoewel het dansfeest pas na de ceremonie en het plechtige avondmaal zou losbarsten, klonk er al volop trompetgeschal en getrommel. Mensen zwaaiden met zijden sjaals en dansten in kringetjes op de tonen van fluiten, violen en kithara’s. De lieflijke melodieën vulden Merliahs hoofd en hart. Haar benen begonnen spontaan mee te bewegen met de maat, haar saffierblauwe jurk deinde op en neer bij elke stap.               Terwijl Merliah met haar vrienden het uitgestrekte voorplein overstak, voelde ze zich plotseling naakt zonder haar mandoline over haar schouder. Al een jaar keken ze ernaar uit om op de Feestdag van Niyati met hun gezelschap op te treden bij de Tempel. Een unieke kans, die wel eens veel voor hun carrière als muzikant kon betekenen. Nu zouden alleen Nisa, Cem en Arvid muziek spelen op het feest. Enkele weken geleden viel een natuurdemon hun repetitieruimte binnen en verwoestte Merliahs kostbare mandoline. Verbrijzelde het tot op de splinter. Pijn borrelde als vloeibare lava op in haar borstkas. Ze drukte het weg, probeerde te genieten van de sfeer om haar heen. Dit was een buitenkans. Niyati’s feest kunnen vieren op het platteland, voor het eerst de wereld buiten haar stad Juro verkennen… Het gezelschap had een volledige dag gereisd vanuit Juro om het traditionele feest bij de Tempel bij te wonen, nu zou ze haar avond niet laten verpesten door een stelletje herrie schoppende natuurmonsters.               ‘Ben je er klaar voor?’ Nisa draaide zich naar haar om.Merliah voelde de spanning in haar buik. Ze forceerde een glimlach. ‘Tuurlijk.’ Ze knikte naar de brede marmeren treden die naar de Grote Hal leidden, waar de schaal met het heilige maanwater op de tempelleden wachtte. ‘De vraag is of June er klaar voor is’, grijnsde ze.

Hanne G
22 1