Lezen

Een Leven op de verkeerde rails

Soms, wanneer mijn gedachten zich in de schaduw van het bewustzijn verbergen, vraag ik me af of het de trein is die door het landschap schuift, of het landschap dat zich beweegt, geleid door de rails die zich ver onder de huid van de aarde verschuilen. Het is een vraag die zichzelf voortdurend herhaalt, zonder ooit een definitief antwoord te vinden. Het is niet zo dat ik onwetend ben, maar de kennis aan de oppervlakte is zo flinterdun dat ik me afvraag of het werkelijk de moeite waard is om te zoeken naar een antwoord dat er niet toe doet. Schuif ik door het leven? Of schuift het leven door mij? En waarheen schuiven de dingen? Vragen zijn mijn vervoersmiddel. Elke antwoord rijden ze voorbij. Zo ben ik geworden wat ik ben. Een lang verhaal zonder inhoud. Samen te vatten als: “Er was eens, en hij leefde ongelukkig en te lang.” De trein. Mijn eigen metronoom, de regelmaat van een leven dat zich in het ritme van de rails voortzet. Iedere ochtend weer, de vertrouwde rit van woonplaats naar werk, als een onvermijdelijk ritueel. Helaas bevindt deze metronoom zich in een andere dimensie van tijd, één die zich niet strikt aan het uurwerk houdt. Soms kom ik met een beetje geluk op de juiste bestemming aan, maar wanneer precies blijft altijd een verrassing. Gelukkig kruipt de trein altijd over dezelfde sporen, alsof dit de enige zekerheid is. Maar zelfs dat is betrekkelijk. En zo rijdt mijn leven voort. Een afgeleefde flat in Kortrijk. Een frustrerende job in Brussel. Mijn bestaan lijkt wel een… euh… trein. Waarin de bestemming niet altijd duidelijk is, maar de beweging nooit stopt. Hoe ik hier beland ben? Dat is een lang verhaal, en eerlijk gezegd, niet het soort verhaal dat de moeite waard is om te vertellen. De reflecties naar vroeger voelen als kleine wondjes die je vergeten bent, totdat je weer iets aanraakt en de pijn plotseling opkomt, scherp en ongemakkelijk. Het zijn de papiersneetjes van het leven – onmerkbaar, maar hardnekkig. Bespiegelingen vermijd ik. Wat laat een spiegel nu werkelijk zien? Alleen jezelf, en alles wat achter je ligt. Maar wat als je liever vooruit kijkt? Wat als er een spiegel was waarin je alles wat voor je ligt zou kunnen zien? Waar zou je dan staan? Een raam? Mijn ramen zijn stuk voor stuk verduisterd, reflecteren alleen de schemering van een leven dat niet altijd zichtbaar wil zijn. Trots, zelfvertrouwen, perspectief. Ik weet niet precies wat het is, maar het zijn geen vrienden van mij. Het leven leidt mij, en de mensen die zich rondom mij verzamelen – hoe miniem die groep ook is – sturen me verder, vaak tegen mijn wil. Ik volg, denk ik, niet omdat ik het wil, maar omdat ik het gevoel heb dat er geen andere keuze is. Een hond tegen wil en dank. Behalve dan dat ik zelf mijn poep zelf moet opruimen. Dwarrelen, ja, dat is wat ik doe. Al 26 jaar lang. Naar beneden, het grote smelten in. Het gevoel dat ik meer in de richting van iets verdwijn dan dat ik iets bereik. Gedachten zijn mijn schuilplaatsen. Daar is ruimte voor niemand anders, tenzij ik hen uitnodig. Alles kan er, maar niet alles mag. Het zijn geen eindeloze vlaktes die zich uitstrekken in de verte. Nee, mijn gedachten hebben grenzen. Variabele grenzen. Handig instelbare palen langs de weg die ik soms volg, maar die ook vaak in de weg staan. Ik breng veel tijd door in mijn gedachten, vaak zittend in een trein die wel rijdt, maar nooit weet waarheen. Mijn flat in Kortrijk, een bescheiden uitvalsbasis voor dit wankele bestaan, is niet veel meer dan een verzameling ruimte. Een piepkleine hal die rechtstreeks naar de woonkamer leidt, gevuld met meubels die niet meer van deze tijd zijn. Een bank die ooit comfortabel was, maar nu in een soort schrijnende leegte zit. De boekenkasten lijken zichzelf een rol toe te schrijven die ze niet kunnen vervullen, en de eettafel is het enige meubelstuk dat nog redelijk in harmonie is met de ruimte. De keuken, een open eiland zonder veel ziel, loopt door in de slaapkamer, die je alleen betreedt als het echt nodig is. En dan is er de badkamer, gescheiden van de woonkamer door een deur die net zo betekenisloos is als de kleur van de muren. Wat voor kleur? Een soort wit, maar je zou het niet kunnen zeggen. Het is kleurloos. Er is geen televisie, geen dressoir – ik heb nooit begrepen waarom mensen dressoirs nodig hebben. Twee grote ramen laten wat daglicht binnen, hoewel ik betwijfel of dit voldoende is om mijn bestaan echt te verlichten. Trots, dat ken ik niet. Maar ik houd mijn flat in een redelijke staat, opgeruimd. De bank is chaos, maar de rest is in enige mate in balans. Ik eet altijd aan de eettafel, nooit op de bank. Slapen doe ik in mijn bed, dat net genoeg ruimte biedt om tot rust te komen. De kleren die ik heb hangen netjes in de kast. Schoenen staan keurig in een rek. De enige uitzondering zijn de boeken. Die leg ik overal neer. Boeken zijn voor mij een soort gedachten die in papier gevangen zitten. Ze zijn alles, ze zijn evenwaardig aan mijn eigen reflecties. Ik leef er in. Mijn lichaam? Het krijgt de zorg die het nodig heeft, al is het niet veel. Ik wandel, ik loop. De lange afstanden, die is mijn ding. Niets valt te vergeleken met het gevoel dat ik krijg van een drie- of vier uur lange wandeling of looptocht. Terwijl mijn gedachten zich verliezen in de tijd, in de regen of zon, dat maakt niet uit. Beide kunnen naast elkaar bestaan. Denk ik. Er is zoveel waar ik van hou, maar het is niet altijd duidelijk waarom. Mijn begrip lijkt zo beperkt. Wat ik niet begrijp? Het dagelijkse ritueel van het woon-werkverkeer. Waarom blijf ik iedere dag opnieuw in die trein stappen? Wat bezielt me om deze absurditeit te herhalen? Dit, dit is mijn grootste raadsel. En dan, daar in Brussel, de stad die zichzelf met moeite bijeenhoudt, een oude man in een te strak wit hemd, altijd maar proberen te passen in het steeds kleinere jasje van de tijd. Brussel is een hutsepot zonder recept. Steeds maar hopen dat het ooit op smaak komt door er extra ingrediënten bij te gooien.

Piet V.
4 0

Ionut en de basketbal

Ik sprak af met Robbrecht dat hij gewoon zou doorwerken aan ons huis, de oude boerderij die we anderhalf jaar geleden samen gekocht hadden. Ik noemde het nog steeds onze ruïne ook al leek die ondertussen met dat nieuwe dak en die herstelde muren op veel meer dan dat. De dag erna nam ik het vliegtuig en vloog naar Roemenië. Mijn moeder had tijdens haar leven altijd gezegd dat ik zigeunerbloed in de aderen had. Ik was afgestaan na geboorte en zij en mijn papa hadden me als baby’tje geadopteerd zonder veel van me te weten. De nonnen duwden me gewoon in hun handen en dat was het eigenlijk. Deze baby was voor hun. Geen andere. Trek uw plan. Ze wisten niets van me en toch beschouwden ze me als hun kleine zigeuner, hun kleine Zigi. Later namen ook mijn vrienden die koosnaam over. Misschien dat ik in het zigeunerland bij uitstek, Roemenië, iets van mezelf wilde kunnen terugvinden. Waarom wilde ik anders zo nodig naar Roemenië? Als ik er even tussenuit wilde, weg van de verbouwing, had ik ook gewoon ergens aan het strand kunnen gaan liggen. Ik reed urenlang door bossen en bergen, helemaal tot aan de Moldavische en Oekraïense grens en terug. Ik overnachtte in jagershutten en blokhutten, in een tent naast de auto of in een occasioneel guesthouse. Slechts eenmaal bleef ik drie nachten in hetzelfde stadje. En daar leerde ik Ionuţ kennen, het kleine jongetje van zes dat ongegeneerd door zijn moeder ingeschakeld werd om de gasten te bedienen. En hij is meteen het enige waar ik het over wil hebben. De bossen en kastelen waren geweldig mooi en ik heb er prachtige foto’s getrokken, maar er gebeurde omzeggends niets.  Vanuit de keuken riep de moeder luid zijn naam en het jongetje schoot haastig langs de tafeltjes heen, stootte ondertussen een stoel om, twijfelde even of hij die nu eerst moest oprapen en dan naar zijn mama moest lopen, of dat hij eerst naar zijn mama moest. In dat moment had ik de stoel al opgeraapt en draaide hij zich weer snel om. Even later kwam hij met een vol plateau voorzichtig aangestapt. Hij had een voorschoot aangebonden gekregen die tot over zijn knieën kwam en hem hinderde. Er stond een kostuumpje op afgebeeld waardoor het leek alsof hij ook effectief een strikje en een gilet aan had. Hij keek aandachtig naar wat er op zijn plateau stond. De koffie klotste een beetje over de rand en dat stelde hem zichtbaar teleur. Hij zette het plateau op mijn tafeltje en ik liet hem er een voor een alles vanaf zetten. Dat deed hij weer extreem voorzichtig. Een mok koffie, brood, boter, een potje confituur, een bordje met een spiegelei en een kommetje romige mămăligă, een soort van pap die blijkbaar typisch was voor de streek. Na mij serveerde hij de andere gasten, een Duits koppel dat aan het raam zat. Zowel de man als de vrouw waren ongezond dik en spraken over hoe ongehoord het was om zo’n klein kind aan het werk te zetten alsof niemand hen kon verstaan. Maar hij was wel schattig, zei de vrouw. Natuurlijk was hij schattig, antwoordde de man, alle kleine kinderen zijn schattig. Daarna wenkte hij Ionuţ met een kort handgebaar en wees naar zijn eitje. Hij had er twee besteld, zei hij, en hij stak twee vingers in de lucht. Zwei, verstehen Sie, zwei, nicht eins. Ionuţ schoot naar de keuken en hield de hele tijd zijn twee vingers omhoog. Ik dacht dat hij het niet begrepen zou hebben, maar hij was blijkbaar meer bijdehand dan ik dacht, want het duurde niet lang of er kwam nog een eitje op een plateau aan. Na het ontbijt stond hij met een grote, afgesleten bal op de binnenkoer. Er hing een basketring op een vrij lage hoogte waar hij de bal in probeerde te mikken. Hij gooide me de bal toe toen ik hem met open handen naderde. De bal was iets te slap opgepompt om deftig te kunnen botsen. Toch probeerde hij me tijdens het spel dat volgde voortdurend voorbij te dribbelen. Hij glom van trots wanneer dat ook effectief lukte. Als één van ons in de ring wierp, sprong hij in de lucht, klapte hij in zijn handjes en riep hij iets wat waarschijnlijk zoiets als ‘bravo’ betekende. Na een half uurtje riep zijn moeder zijn naam. Onmiddellijk onderbrak hij zijn spel. Met de bal onder zijn arm verdween hij naar binnen. De tweede en de derde ochtend herhaalde zich dat tafereel. Toen zijn moeder hem riep op de derde dag en hij de bal opraapte om naar binnen te gaan, riep ik ook zijn naam. Hij verstijfde. Het briefje van 200 lei dat ik hem wilde geven, bekeek hij alsof hij niet wist wat het was. Ik wees naar hem om hem duidelijk te maken dat het geld voor hem was, maar nog nam hij het niet aan. Hij keek er alleen maar naar. Zijn moeder riep nog eens maar dan dwingender zijn naam en verscheen in de deuropening. Ionuţ liep snel naar binnen. Ik stapte op de moeder af en bood haar het geld aan en wees naar haar zoontje. “Voor een nieuwe bal,” zei ik. Met een kort gebaar nam ze het aan en stak ze het in de zak van haar vest. “Thank you,” was alles wat ze zei en ze blafte Ionuţ iets toe waarop het jongetje nogal schaapachtig “multumesc” zei. Daarmee was voor haar de kous af en ze draaide zich met de rug naar me toe. Ze duwde Ionuţ voor zich uit, verder naar binnen. Toen ik die middag met mijn koffer door de gang sukkelde zag ik door een open deur hoe Ionuţ ook werd ingeschakeld bij het poetsen van de kamers. Hij trok het bed af in de kamer naast me, waar het Duitse koppel had gelegen. De lege bierblikken lagen overal half bijeengeknepen, een lege fles wijn stond op het nachtkastje en er lagen pizzadozen op het kamerbreed tapijt.  Met hem voelde ik me wel verbonden, met de rest van de Roemenen niet. Misschien waren mijn verwachtingen te hoog geweest omdat mijn ouders en mijn vrienden me liefhebbend hun zigeuner genoemd hadden. Of ik echt verwant was aan zigeuners of Roemenen was trouwens de vraag, want afgaand op mijn uiterlijk kon ik evengoed van Marokkaanse afkomst zijn, wie weet Grieks, Turks of Tunesisch of Spaans of ja, Italiaans. Mijn huid was getint en mijn haar ravenzwart, mijn ogen donker donkerbruin, als diepe poelen. Ik was een zuiders type, dat was zeker, maar het zuiden was groot. Bovendien had ik thuis samen met mijn broer, die uit Haïti kwam, dat wisten we zeker, op ónze koer naar een basketring gegooid. Met een degelijke, strak opgepompte bal.  

Hans Van Ham
15 1

Vlaamse leeuw.

  In marroko lopen er nog leeuwen rond. Niet veel maar ze houden er wel van. Hun nationale voetbal ploeg noemt zelfs AtlasLeeuwen. Daarom voelen mijn marrokaanse vrienden zich thuis tussen al die leeuwen vlaggen.   **************************** FOTO GALLERY verf ed verf+ed+altaar+de+culturen/ Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen." Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen, ons collectief geheugen, is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig. http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
46 0

Energiek

Met trillende handen legt ze de oude TV-box van Proximus in de kartonnen doos van de nieuwe, legt er de bijbehorende kabels en afstandsbediening bij en plakt de doos goed dicht. Het label voor de verzending heeft ze gelukkig een week geleden al uitgeprint en klaar gelegd. Ze hoeft hem er alleen nog op te kleven en het hele pakket daarna naar de post te brengen.  Zonder iets te zien rijdt ze achteruit de garage uit en raakt de grote hoop wit zand die nog op de oprit ligt. De motor valt stil en ontredderd legt ze haar hoofd op het stuur. Wat een zenuwentoestand. Heeft ze de box wel goed schoon gemaakt voordat ze hem in de kartonnen doos stopte? Zijn alle gegevens gewist? Ze twijfelt, maar tijd om de proef op de som te nemen is er niet. Ze ademt drie keer diep in en uit en start opnieuw.  De hele winter hebben ze ruzie gemaakt over hun terras dat moest worden opgeknapt. Zij wilde het láten doen, hij wilde het zélf doen. Pas toen ze zo snel geen vaklui konden vinden, was ze overstag gegaan. En natuurlijk gebeurde wat ze had voorspeld: hij besloot het terras uit te breiden, legde nog twee paden aan en begon een grote cirkel onder haar droogmolen te verharden. Het plan voor een terras aan de zijkant van het huis lag ook al klaar. Niet te stoppen was die man. Energiek tot en met. Weken aan een stuk was hij aan het werk geweest - weken waarin het geluid van de slijpschijf, de mortelmolen, het geklop op de stenen haar waanzinnig maakten. Terwijl hij wéét dat ze zo gevoelig is voor geluid. “Straks hebben we nog een cementen tuin”, had ze vanmorgen geschreeuwd, “straks denken de buren nog dat we iets te verbergen hebben.” Maar onaangedaan trok hij zijn werkbroek verder aan en maakte aanstalten om naar buiten te gaan. Buiten zinnen nam ze het eerste het beste dat op tafel lag in haar handen en vloog op hem af. Van de rest weet ze niet veel meer. Alleen dat haar man ineens roerloos op de grond lag, de box vol bloed hing, en ze alle sporen moest wissen. Dat ze zo snel mogelijk van de box moest zien af te geraken en daarna haar man in zijn geliefde tuin moest laten verdwijnen. Wit zand en zakken cement hebben ze nog genoeg. 

ingridvdk
14 1

Daar waar twee harten verloren lopen

Het was slechts een simpele swipe naar rechts. De beste tindermatch ooit. Een bedwelmend geluk dat het fundament van ons huis werd. Tegenwoordig blijft het geluk op de stoep achter als de deur zich achter ons sluit, vult een oorverdovende stilte onze ooit zo warme thuis.Erwtjes dansen op mijn bord, springen weg onder mijn prikkende vork. Het ritmische getik op onze borden vormt een harmonieus samenspel met de stilte die tussen ons in hangt. Er wordt niet meer gepraat. Verwijten schieten als kogels die we angstvallig willen ontwijken door de lucht. De harde, pijnlijke woorden die uitgesproken worden, zinderen na, hangen als dreigende zwart-witfoto’s in de woonkamer. De vanzelfsprekendheid van ‘ons’ wandelt samen met jou de deur uit. Mijn enige zekerheid voor de toekomst zet alles op losse schroeven.De waarheid hangt als pastasaus die van mijn vork dreigt te vallen boven mijn witte t-shirt. De rode indringende vlekken laten onuitwisbare sporen na. Fantastische uitzichten vanop de hoogste bergtoppen maken plaats voor het diep en duister dal dat ik in wandel.  Gebroken dromen stromen door mijn aderen, snijden in het diepste van mijn ziel. Herinneringen aan ons dansen als dorre bladeren in de wind door mijn hoofd, ongrijpbaar. Vraagtekens vullen de eenzame stiltes. Onze thuis, een ruïne. Een puinhoop die niet meer in zijn oorspronkelijke staat te herstellen is.  Een gebroken hart, opgelapt met windels van vriendschap, steun die alles bij elkaar houdt.De wolken persen de laatste regendruppels uit hun grijze massa en maken stilaan plaats voor de warme zomerzon die alles weer leven inblaast.

Joni Motmans
19 2

Vriendschap in al zijn pracht

Uit het niets en compleet ongevraagd dagen ze plots op. Mensen uit een vervlogen verleden, personages uit een afgesloten hoofdstuk in het boek dat je nog aan het schrijven bent. Zoekend naar contact met de vraag om de draad weer op te pikken, hun hoofdstuk te heropenen. De twijfel slaat toe, de intentie niet duidelijk. Oprechte interesse, nieuwsgierigheid, gemis naar wat ooit was. Een levenslange vriendschap waar met een warm hart en mooie herinneringen maanden geleden eenzijdig afscheid van werd genomen na een lange stilte van de overkant.  Overspoeld door kwaadheid. Het litteken opnieuw opengereten, niet in staat het hoofdstuk te herbeleven. Ik voel het in elke vezel van mijn lijf, het hoofdstuk moet herschreven worden. Aan elke herinnering die ooit een glimlach op mijn gezicht toverde, hangt een wrange nasmaak. Ruzies die als banaal werden bestempeld, geven nu een heldere kijk op het verleden. De trouwe volgeling die plots een eigen mening kreeg, stuitend op onbegrip, gestraft door de leider. Wat van mij was, werd ingepalmd, afgepakt. De restjes voor mijn voeten op de grond gespuwd, besmeurd met kwaadsprekerij en roddels. Als een kameleon aanpassend aan de omgeving. Keer op keer op keer. Tot al mijn kleuren op waren, mijn hart leeg gegeven. De onbeantwoorde vraag waar het ooit is misgelopen dreunde oorverdovend voort. Een allesoverweldigend vriendschapsverdriet dat maanden in stille tranen bleef aanslepen. Tot ik mezelf terugvond. Opgesloten in de kerker waar jij me jarenlang in bedwang hield. Een cel zonder keuzemogelijkheden, zonder inspraak over de invulling van onze vriendschap.  Een bang vogeltje, voorzichtig haar kwetsbare vleugels uitslaand, ontdekkend wat echte vriendschap is. Vriendschap in al zijn pracht, een bomvolle dansvloer waarop iedereen danst, geniet en oprecht glimlacht. Het hoofdstuk herschreven, maar even afgesloten als voorheen. Het afscheid definitief.

Joni Motmans
18 1

Kaasplank

Ze at zo enorm graag kaas. Waarom ze zo graag kaas at, wist ze niet, kon ze niet zeggen. Eigenlijk had ze er ook nooit bij stilgestaan waarom ze zo enorm graag kaas at. Het was gewoon zo, net zoals haar haren blond en haar ogen bruin waren. In elk geval; van haar ouders had ze het niet, die aten liever charcuterie. Of misschien was het net daarom; omdat haar ouders zo ongelofelijk graag charcuterie aten, enkel maar charcuterie in huis haalden, dat ze, bij wijze van opstand, zich volledig overgaf aan alle mogelijke kaassoorten. Elke dag voorzag ze zichzelf een kaasplank. Er waren kazen die vaak de revue passeerden, andere kazen die zich maar eens om de zoveel tijd lieten proeven. ‘Sommige smaken moet je beperken om ze speciaal te houden’, zei ze. Tegen wie zei ze dat? Dat is niet geheel duidelijk, maar ze heeft het in elk geval gezegd. Of dat klopt kon ze niet met zekerheid zeggen zoals ze niets met zekerheid kon zeggen, maar proefondervindelijk bleek wel dat niet al te vaak geproefde smaken een soort aura rond zich creëerden en sommige kazen waren dat aura waard, waren de zeldzaamheid waard, waren het voorzichtig-omgaan-met waard en bewezen dat ook keer op keer. Af en toe stelde een stuk teleur, vaak waren dat nieuwkomers, maar af en toe betrof het oude gezanten waar ze zelf misschien wat te nonchalant mee had omgesprongen, te vaak de kaasplank had opgelegd. ‘Stelt de kaas, de smaak of ikzelf teleur,’ zei ze, ‘of de eindeloze herhaling?’ 

Lorin Clercq
12 0

Kassa 2

Kiezen is verliezen. Zo merk ik toch vaak in de supermarkt. Deze ochtend nog. Ik koos kassa 2. Die met enkel bancontact. Die zal wel snel gaan. Veel tijd had ik niet, er wachtte nog een volle dag. Een luid gelach aan kassa 1 steeg op, de hele kassarij genoot van een grap. Verloren. Kassa 2 bleef ernstig. Ach, andere kassa’s zouden wel even saai zijn als hier. Tot ik de lange, grijzende man aan kassa 3 opmerkte. Hij keek me even indringend aan maar vervolgde dan zijn gesprek met de dame achter hem in de rij. Zijn stem klonk diep. Zij laadde haar kar uit. Ze droeg een elegant broekpak, het zat als gegoten. En hakjes en sieraden. Mijn sneakers en comfi jeans betekenden niets. Niet sexy. Verloren. Ik was zelfs mijn oorbellen vergeten. Ik zag hem nog knipogen naar haar. Ze bukte zich voor een pak melk. Ik ving zijn blik terug op. Hij bleef kleven. Verward draaide ik me om. Ik focuste op mijn boodschappen. Net niet te veel om in 1 keer 2 verdiepingen de trap op te kunnen dragen. Dat doe ik al 20 jaar. Sinds de scheiding woon ik in een appartement. Het huis bleef bij mijn ex. Zo hadden we gekozen. Verloren? Was er wel een keuze? Had het anders gelopen als ik toentertijd hem niet was tegengekomen op mijn eerste job, in de computerzaal, tussen printers en bandenkasten? Als ik psychologie was gaan studeren in plaats van informatica? Als mijn vader er niet op had gewezen dat computers de toekomst gingen uitmaken?  Als ik geweten had wat kiezen?   Mijn beurt. Ik scan mijn klantenkaart en laad mijn herbruikbare boodschappentas in. Ik leg de diepvrieskrokketten op het gehakt. Het vlees moet vers blijven. Straks is er een Sintfeestje bij mij thuis.  Het eerste echte Sintfeestje voor mijn kleinzoon. Met fikse stap loop ik naar mijn auto, het miezert. Vanonder mijn regenkap zie ik de grijze man nog even opkijken naar mij. Zou hij vrij zijn? Zou ik een kans nemen? Zou ik hem nog terugzien? Ik glimlach even snel terug. Hij kijkt al de andere kant op. Dame broekpak laadt haar boodschappen uit in haar Porsche. Ach laat maar, deze oma heeft een missie. Gekozen!  De tafel is gedekt. Lichtslingers hangen op. Voor de kerstboom is het nog net te vroeg. Twee kartonnen boeken met flapjes liggen te pronken op de kinderstoel. ‘Bumba’ en ‘Mijn eerste sprookjesboek’. Oma kon weer niet kiezen. Mijn kleinzoon wint. Mijn leven ook.  

Lumes
7 0

New Blue & Old Flesh

  Het is gelukt. De vraatzuchtigen verlaten paleis verlaten. Kijk omhoog. Het blauw is nieuw. Kijk niet om of Hello Fresh brengt morgen zout met friet. Het is gelukt. Er kwamen eindeloos veel barsten in de muffe serres. Adem weer en steek een natte middelvinger in de lucht naar alle goden van dat zwelgend volk. En eindelijk. Illusies krijgen echte lenteknoppen. Straks schijnt weer die schoonheid op de wanden van de grot. Ja. Echt. Hoera. Roze bijbels mogen worden bijgekleurd met spoken. Vurige bessen worden weer ontdekt, zonder navigatiebrol of pientere machines. Het is gelukt. Alles is weer eigenwijs, geurt naar punk en puberrebellie Bevrijd zijn de gitaren, hersenschimmen en kanaries vliegen rond die schedels vol met zelfverzonnen strijdverhalen. Wat wil een ziel nog meer? Kunnen lichamen dit zuiver feest nog aan? De stadskern stroomt weer vol met vrolijk volk. Ze dragen lentebloemen rond de nek, ze smijten met de rijst van oud geluk. Ze zullen wachten op coureurs uit het verleden. Oh, wat mooi. De lucht is blauw. Cool Blue kan dan toch die pure sponsor worden, deelt thans gratis schermen uit. Goddelijke stemmen preken over die terugkeer naar de holen met vertrouwde beelden op die wand. Herontdek de gouden kooien, klinkt uit megafonen. Zefs de rattenvanger zoekt nu menselijke volgers, want de geesten van weleer, die zo vertrouwde troep... ...alles ligt er nog en smeekt naar witte tanden, ogen die slechts staren willen naar een oude schaduw.       uit de reeks 'Waanhoop'      

Bernd Vanderbilt
5 0

Momenten

Peter kijkt nog een keer achterom naar het beeld van de Griekse godin Niké dat op het kerkplein van Lommel staat. ‘Een mooie herinnering aan de slachtoffers van de oorlogen', denkt hij. Hij loopt verder naar de bibliotheek voor zijn cursus om beter te leren schrijven. Boven zijn hoofd verandert de helderblauwe hemel plotsklaps in een donkere avond. Peter hoort geronk van vliegtuigmotoren, een lichtflits knalt door lucht en grote en kleine projectielen schieten alle kanten op. Boem! Pats! Kleng! Geschreeuw om hem heen.  ‘Wat gebeurt hier en waarom in godsnaam?’, vraagt Peter zich af. Hij kan het niet goed verklaren en staart voor zich uit naar het moderne, bruine bakstenen gebouw met driehoekige ramen waar zijn cursus is. Het dak staat in brand! Mensen rennen uit het gebouw en zoeken een veilige plek tegen meer mogelijk onheil. Peter versnelt zijn passen en lijkt ongevoelig van wat er om zich heen gebeurt. ‘Het lijkt verdomme wel of ik een film beland ben!’, roept hij hardop. Maar niemand hoort hem. Iedereen op en rond het kerkplein is met andere dingen bezig. Peter kijkt nog maar eens om naar Niké. Zijn verbazing trilt door zijn hele lijf! Nu lopen daar soldaten die mensen voor zich uit duwen met een geweerloop in hun rug. Sommigen huilen, anderen steken bang hun handen omhoog en er zijn er ook bij die zich met gebalde vuisten naar de soldaten omdraaien. Voorzichtig kijkt Peter naar de lucht die inmiddels pikzwart is. Hij ontdekt vliegtuigen. En uit hun rompen vallen bommen naar beneden. Ze ontploffen met grote knallen vlakbij het kerkplein. De soldaten met hun gijzelaars beginnen nu te rennen en er klinken schoten! Peter is inmiddels de lege bibliotheek binnen gestapt. Hij treft daar één grote ravage aan. Stoelen en banken liggen ondersteboven en bedolven onder de duizenden boeken die ze hier zo braaf verzameld hadden. ‘Wat een puinhoop!’, concludeert hij. Ineens komt hij tot het besef dat de les vandaag wel niet zal doorgaan. ‘Komt er ooit nog wel een les en wanneer houdt deze ellende op’ vraagt Peter zich af. Hij pakt een omgevallen stoel en gaat erop zitten. Hij moet even nadenken over wat hij hier allemaal in een paar minuten meemaakt. Hij maakt zijn tas open en daar valt pardoes de folder uit over de fietstocht langs oorlogsmonumenten in Lommel en Bergeijk die hij maakt in opdracht van de bureaus voor toerisme van die gemeenten. Peter probeert de folder te pakken, maar hij waait weg. Peter staat op en loopt achter de folder aan. Die waait weer verder de deur uit en het plein op en steeds sneller. Peter holt achter het papier aan. Dar bepaalt zijn koers. Dwars door schoten, gekrijs en gebrul. Maar dan ineens blijft de folder stilliggen. Peter kijkt omhoog en recht in de ogen van Niké. Hij krijgt het warm en het wordt donkerder en donkerder. ‘Het duurt wel lang nu. Toch lijkt hij wakker te worden’ hoort Peter nu. Hij opent zijn ogen. Twee groene ogen kijken terug. ‘Maar dat ben jij, stottert Peter’ nu hij zijn goede vriend Willem boven hem ziet hem hangen. ‘Ik dacht dat je doodging man!’, roept deze. En dan herinnert Peter zich alles weer. ‘Ik had je moeten vertellen, dat ik allergisch ben voor donker gerstebier, maar ik had er geen tijd meer voor toen ik per ongeluk net jouw glas met dat spul leegdronk in het café. En dan ga ik hallucineren. Dat weet je toch. Maar wat ik nu weer meemaakte is ongelooflijk! Je weet dat ik bezig ben met een fietstocht langs oorlogsmomenten?’ ‘Ja zegt Willem, daar heb je het vaak genoeg over. Hoezo?’ En Peter barst lost. De volgende dag is het weer maandag dus cursusdag. Peter steekt met een vreemd gevoel het kerkplein over naar de bibliotheek terwijl hij achterom naar het beeld van Niké kijkt.

Dreschrijft
4 0