Lezen

Sneeuw- en kappersknipperspret

Hoe blij en gelukkig was ik zondag? Ik keek doorheen mijn venster en zag  tot mijn grote kindervreugde al dat maagdelijk wit tot zover het oog reikte.  Eindelijk nog eens een echte winterdag met kou en een laagje sneeuw. De zon erbij maakte het tafereel compleet.  De natuur op zijn mooist. Terzelfder tijd hoorde ik mijn grootvader,  de superbompa voor mijn kinderen, zeggen: ‘Dat ze lang niet meer de winters maakten zoals ze vroeger waren, dat iedereen in 1958 genoot van de kermis op de Schelde.… Toen vroor het dat het kraakte.’  Mijn moeder vulde de anekdotes aan met haar vertelsels over de schaatsavonturen na haar schooltijd.  Natuurlijk herinnerde ik me tochten op de slee samen met mijn broer door het dorp. Een strak lang gespannen touw verwijderde ons van een open gapende koffer en de wolkende uitlaatgassen van een twee pk (Citroën 2CV) alsof het ons kon deren. Daarnaast kende ik de schamele winterverhalen van mijn kinderen. Moedig begonnen zij aan het wegrollen van het sneeuwtapijt. Ze plakten de sneeuw tot twee stevige bollen of een soort iglo. Tot het laatste restje sneeuw van hun kunstwerk het opgaf genoten zij nog van de sneeuwpret van  dagen ervoor.  Met dit alles in gedachten wilde ik mijn kinderen met de grootste zuigkracht van Antwerpen naar hier ‘de buiten’ trekken. Dit was de dag dat we ons kind zijn en alle pret konden herbeleven Dat ik, tussen hen beiden in, de sneeuw onder onze voeten hoorden kraken. Dat we rond de vuurkorf heerlijke warm appelsap van eigen kweek met gember en een stokje kaneel dronken. Dat we dit deelden met geliefden, vrienden en familie. Dat laatste was nu helemaal uit den boze. Nu konden ze wel voor gezelschap en geknipt haar deze zaterdag best meteen naar de kapper gaan… Wat hebben het weer en de coronamaatregelingen gemeen?Beide zijn ze veranderlijk.   Ann Stuckens12-02-2021

Ann Stuckens
43 0

Een nieuw begin

Ik wil geen slaaf zijn van het lot en mijn leven in eigen handen nemen, maar ik vrees dat er geen keuze is. Alles kent een begin. En waar een begin is, is een einde. Het is onmogelijk het ene los te koppelen van het andere. Het zijn natuurlijke tegenhangers van elkaar die elkaar in balans houden en elkaar nodig hebben om te kunnen bestaan. Ying en yang. Geen goed zonder kwaad, geen zoet zonder zuur, geen genot zonder pijn, geen liefde zonder haat. Die balans is een bijzonder merkwaardig, maar onmiskenbaar universeel gegeven. Als we de idee dat alles in balans moet zijn doortrekken, dan wil dat zeggen dat waar een einde is, ook een begin moet zijn. In de natuur zijn er bijzonder veel voorbeelden van micro- of macroscopische processen die zichzelf in stand houden door cirkelbewegingen. Het duidelijkste en meteen ook belangrijkste voorbeeld daarvan is water, dat in al haar vormen (vloeistof, gas, ijs) globaal circuleert en nooit stopt met bestaan; het neemt alleen maar een nieuwe vorm aan. Ook nagenoeg alle godsdiensten bekrachtigen het idee van een nieuw begin door te beweren dat ons leven niet stopt als ons lichamelijk omhulsel sterft. Meestal wordt daar dan een paradijselijk, maar vooral voorwaardelijk, hiernamaals aan gekoppeld dat ons moet stimuleren om de door hen opgelegde moraliteit en zeden na te leven, maar misschien is het allemaal niet zo groots en ingewikkeld. Misschien starten we gewoon opnieuw, zoals reïncarnatie dat poneert, maar dan willekeurig, zonder hiërarchie en zonder dat een hogere macht zich met ons bezig houdt. Een eindeloze lus die volautomatisch draait. Een perpetuum mobile waarbij elk tandwieltje elk andere tandwieltjes draaiende houdt in een oneindig proces zonder wrijving. Elk leven, of dat nu een mens, een dier of plant is, is daarbij niet meer of minder belangrijk in het grote geheel. Een boom van 1000 jaar oud is minstens even significant als een pasgeboren baby. De boom sterft, de baby wordt oud, en telkens opnieuw worden ze vervangen door iets nieuws. Alles heeft belang, maar niets heeft echt betekenis. De machine blijft immers draaien en houdt zichzelf in gang. Tot in de oneindigheid. Als ons leven, hoe onbelangrijk ook, deel uitmaakt van zulk  een kringloop, dan hebben ook alle ogenschijnlijke toevalligheden die onze levensloop bepalen een vooraf gedetermineerd patroon waar niet van kan afgeweken worden. De indruk dat gebeurtenissen onvoorspelbaar zijn, lijkt dan in feite enkel zo omwille van hun ingewikkeldheid of door de verscheidenheid van factoren die veranderingen teweegbrengen. De meest gekende metafoor in die zin is dat een vleugelslag van een vlinder een orkaan kan veroorzaken aan de andere kant van de wereld. Tevens zal elk gevolg van een handeling als positieve terugkoppelingsfactor uiteindelijk haar oorzaak in stand houden. Tot op het punt waarop oorzaak en gevolg terug samenvallen. Wanneer alles samenkomt om opnieuw te beginnen. Dat is waar ik nu sta. Maak je dus maar geen zorgen. Ik ga niet dood, ik begin alleen maar opnieuw.  

Iljavdb
5 1

De beul van de duivelsputten

Sage: De beul van de duivelsputten  Een woord van waarschuwing aan de argeloze bezoeker van de oude steengroeven te Hekelgem: indien je lichtjes ontwaart die voortbewegen in het duister, volg die dan zeker niet. Dat zijn de dwaallichtjes van de duivelsputten en deze leiden alleen maar verder het moeras in. Het zijn zielen uit donkere tijden die ronddwalen in de schemerzone van leven en dood. Het zijn de geesten van struikrovers, criminelen en armoedzaaiers die, verscheurd door pijn, zich voeden met wraak over hun vreselijke eind. Een laatste misdaad strikte hen als vliegen in draden van een meedogenloos gesponnen web. Hoe zondig ook hun daad, de straf die volgde, was veel te zwaar.  Reis mee in de tijd waar dit web reikte tot in de verste uithoeken. Hoor de voetstappen van de macht drukken in aarden wegen en hoe harde soldatenvuisten bonken op misdadigers houten deuren. Ze dreigen met puntige zwaarden en snijden door een laatste omhelzing met hen die achterblijven. Handen en voeten worden gekneveld; de schelmenhuid omslaan met stalen boeien. De oren vullen zich met bevelen die afsnauwen en tot spoed oproepen. Voortaan is het enkel nog luisteren dat ze mogen doen; hun antwoord telt niet meer. Uit het zicht verdwijnen nu ook de dorpen, huizen en bossen waar ze ooit leefden en lief hebben gehad. Zak verder door in het web en draai mee met geplaveide wegen naar het centrum van het hertogdom. Hier is de vuiligheid uit de straten verdwenen maar in de harten van de inwoners belandt. Kijk mee door hun wrede ogen waar nijd en afgunst zich uiten in oordelen tegen onbekenden. Lach ook, nu deze worden bespuwd en bespot opdat de eigen gebreken kunnen worden vergeten. Volg hoe de beschuldigden nu worden voortgeduwd om te verschijnen voor hun rechter. Op afstand en uit de hoogte preekt hij wet, de kasteelheer, over het volk dat hem toebehoort.  Zijn perkamenten gezicht is van elke emotie beroofd en verveling in zijn geest heeft hem gemaakt tot roofdier van het gesproken woord. Merk hoe ambitie zijn ziel heeft overwoekerd en deze schuilgaat achter lofredes van gelijkheid en rechtvaardigheid. In zijn kleurrijk gewaad predikt hij, nu met scherpe tong, het zwarte vonnis van de dood. Zijn priemende vingers wijzen de duivelsputten als plaats van strafvoltrekking aan. Bespeur de gezichten van de veroordeelden en merk hoe die plek hen zonet deed verstijven van de schrik. Het is niet langer meer de dood die zij vrezen, maar dát wat er aan vooraf zal gaan. De beul van de duivelsputten was een onopvallende, ietwat gedrongen man, die tussen het gewone volk had in geleefd. Ooit een dokter – zo werd gezegd – die zieken verveeld bekeek als het slechts om koorts of een vervelend kuchje ging. Ging het slechter met zijn patiënten dan nam de duur van zijn bezoek en interesse zienderogen toe. Zo nam hij alle tijd in de laatste uren aan het ziekbed en bracht hij zijn gezicht bij een doodsreutel erg akelig dichtbij. Hij liet zich ooit ontvallen dat het in deze laatste ogenblikken was waarin hij zichzelf het meest voelde leven. Dat verdwijnen van het levenslicht uit ogen, bood hem een glimp voorbij de dood. Het was een begeerte waar hij geen vat op kreeg en ook niet langer wilde. Hij liet zich meeglijden in de diepte waar een mysterieuze macht hem warm omarmde en verder aan hem trok.  Toch was ieders verbazing groot toen deze respectabele heer zich aanbood voor de aanstelling als lands executeur. Vanaf die dag ging hij rechtop lopen en vormde zich een gemene lach rond zijn strakke lippen.  Hij wendde zich af van het publieke leven en trok zich terug in een spelonk nabij de putten. Laat ons terugkeren naar de boosdoeners die thans naar dit hol van de beul worden gedreven: enig vertragen doet bloedhonden aan kettingen met ontblote tanden dreigen, een val wordt gevolgd door de klap van een lans, stilstaan doet soldaten de kettingen lossen en de honden naar reeds bebloede enkels happen. Elke stap brengt hen nu dichter naar het eind.   De lijven sidderen van angst, waardoor het web trilt en schudt. De beul verschijnt. Zijn lichaam heft zich dreigend voor hen op. Geklemde kaken verbergen de klauwen die hij in zich draagt. Gif welt op vanonder in zijn buik.  Zijn borst zwelt aan en maakt een hijgend geluid. De soldaten huiveren en verdwijnen; opgelucht dat hun plicht is vervuld. Het zijn immers de anderen die met hun ketenen aan in de duivelsputten blijven. De beul is alleen nu en schiet vooruit. Zijn blik is donker en genade schijnt er niet in door. De beul neemt zijn tijd. Hij geniet, bijt en … spuit zijn zwarte gif. Zij die heel hun leven om aandacht smeekten krijgen nu meer dan wat ze wilden in hun laatste ogenblikken: monden sperren zich van angst wijd open, lichamen krimpen, krommen en vluchten weg in onmogelijke bochten. Het zijn enkel de dwazen die nog vasthouden aan het leven; ieder ander hoopt op een snelle dood. Hoor hoe de lucht zich vult met gekrijs en kermen.  Merk hoe omwonenden vrezen voor hun eigen lot.  Ze trekken zich terug in hun huizen: de ramen gaan dicht en de deuren op slot. Weg zijn nu de buren met hun argwanende en schuldige blikken. Er rest hen enkel de stille medeplichtigheid die een geweten schopt.

Hans Fraeyman
16 0

Proloog

Met twee treden tegelijk vloog Emma Baines het trapje naar de voordeur op, zo’n haast had ze om uit de regen te raken. De deur zwaaide open en Marie stond klaar om haar te begroeten. ‘Hier is ons Emma!’ ‘Goeiemorgen, Marie. Wat is het nat vandaag!’ ‘Zeg dat wel. En wie gaat er weer alle goten moeten nazien?’ Emma vluchtte snel verder het gebouw in en de trap op, voor Marie de kans kreeg haar gebruikelijke litanie van onprettige taken af te ratelen. Achter haar hoorde ze Theresa binnenkomen en de fatale fout maken te stoppen tijdens het goeiemorgen zeggen – ach ja, Theresa was nog redelijk nieuw, ze zou het snel genoeg leren. Tim was vandaag eerst aangekomen en zat al achter zijn bureau. ‘Morgen, Emma. Ik dacht dat het eindelijk lente aan het worden was en nu is het weer zo vreselijk aan het regenen.’ ‘Ik weet het Tim, maar eigenlijk is dat wel normaal voor april.’ Emma zette haar computer aan, hing haar drijfnatte jas aan de kapstok en begon met sorteren van het verrassend grote aantal e-mails dat er sinds de vorige dag in haar inbox waren bijgekomen. ‘Olivia vraagt of je eerst naar deze brief kan kijken; ze zegt dat het dringend is.’ Tim gaf Emma een envelop en ging dan naar het personeelskeukentje om voor hen beide thee te zetten. Emma keek de brief snel door: niets bijzonders, maar gestuurd door een professor van een of andere Amerikaanse universiteit, waardoor Olivia het natuurlijk als een prioriteit zag. Dat het een ouderwetse, met de hand geschreven brief was, had haar zeker ook gecharmeerd. Terwijl ze voorzichtige slokjes hete groene thee dronk, zocht Emma in de database van de catalogus naar de juiste locatie van de documenten die ze nodig had. Haar kop halfvol achterlatend begon ze de tocht naar de kelderverdieping, ervan overtuigd dat ze terug zou zijn lang voor de rest van de thee koud was.   Eén minuutje – of drie trappen en een lange gang – later, stak Emma het licht van de archiefkamer aan, tikte ze de juiste code in op het slot van de deur en ging ze de grote ruimte binnen. Nog voor de flikkerende buislampen licht begonnen te geven was ze al naar rechts gedraaid; de doos die ze nodig had stond op een van de schabben uiterst rechts. Ze liet haar blik glijden langs de rij robuuste wielen om te zien waar de verrijdbare kasten open stonden – helemaal het andere einde van de kamer, natuurlijk. Zachtjes vloekend wandelde ze terug tot in het midden van de ruimte, greep een van de wielen vast en begon er uit alle macht aan te draaien: negen zware rijen kasten propvol beladen met dozen manuscripten en oude boeken begonnen krakend te bewegen en rolden naar opzij. Maar dan stopten ze. Dat leek veel te snel, dus Emma keek nog eens goed – ja hoor, er was nog altijd een redelijk grote opening te zien. Ze rukte weer ferm aan het wiel, het gat verminderde aanzienlijk, maar ze kon voelen dat er een obstructie zat. Een veel stevigere vloek ontsnapte uit haar mond – wie was zo idioot geweest om iets tussen de kasten te laten staan? De laatste keer dat dit gebeurd was hadden ze een ferme vermaning gekregen omdat een kleine trapladder was vernietigd. Het obstakel voelde echter niet hard genoeg voor iets zo stevig als een ladder. Er had toch zeker niemand een doos documenten op de grond laten staan? Jennifer ging woedend zijn! Emma rolde elke kast opzij terwijl ze er langsliep, boos draaiend aan elk wiel tot ze de juiste plaats bereikte. Zodra de metalen schabben trillend tot stilstand kwamen keek ze bezorgd in de opening en haar hele omgeving vervaagde; het enige dat ze nog zag was het bloed op de vloer. Zo veel bloed. Ze greep het koele ijzer van de kast vast als steun en probeerde weg te kijken van de rode smurrie op de grond. Met afstandelijke verbaasdheid stelde ze vast dat ze niet had gegild of was flauwgevallen. Langzaamaan overtuigde ze haar benen om te bewegen, eerst traag, dan sneller, die kamer uit, langs conservatie, de trap op, naar het licht toe. Haar stem haalde haar een paar seconden later in en de langverwachte gil galmde door het gebouw.  

LienMatlock
13 1

Tien (des)illusies tussen toen en later

1. Het jonge leven pudding koken teveel roken nachtje blokken ‘k wil twee nieuwe rokken   fiets-kroegentochtje maken te veel gedronken, braken kamer opfleuren zoeken naar flesjes met frisse geuren   in de trein zitten op broer en zus vitten soms eens babysitten   altijd geld tekort ik wil aan de zwemsport meestal veel te traag zijn voor anderen niet zo fijn   rijmpjes maken die in de vuilbak raken samen uit iets gaan drinken we behoren tot de flinken   zoveel stage geeft echt te veel bagage   al die kleine dingen ze zitten om me te springen wat doe ik eerst? wat doe ik tweede? zelfs overprikkeld wil ik niets vergeten.   2. Koffie in het stationscafé - Visuele illusies Kleurrijk meisje, Japanse jongen lachen naar elkaar ze stappen op. Mooi! Toch?   Bleke mevrouw, blond gekleed in zwart rookt, drinkt koffie, schrijft wat op. Kale man, tegenover haar, oorbel, lichtblauwe pull, jeans. Ze praten. Koppel?   Vijf mannen aan de tafel, naast mij. roken veel in vreemde taal, mooi.Mmannen met donker haar. Collega’s… denk ik.   Rare man wat verder af, groen hemd en rode pull hij eet, drinkt koffie, maakt gebaren naar iemand die daar nu niet zit. Waar is hij echt?   Zwarte man door het raam kijkt naar mij, loopt voorbij, mooi, zijn haar met halflange dreadlocks in een staartje kleurrijke haarband in pikzwart haar. Jamaicaan?   Mijn trein is daar Niet echt, echt niet míjn trein. Alleen maar het vehikel Waarmee ik weg wil zijn. Naar waar? En ook naar wie?   03. de wind aan de waai   de wind zoekt op verkeerde plaatsen   de wind vindt niet en ze huilt   zonder rust en ze stormt   de wind komt en gaat ze draait rond   zonder rust nooit echt   de wind zoekt op alle plaatsen   tot dat ene moment rust ze nooit   de wind   04. De woorden zullen zwijgen. Oprechte liefde, voor een nacht en voor een dag, en toen Het lichaam hierna, ach mijn Lief, wat moet het verder doen   Zonder moeite bij elkaar, opnieuw en nog weer even Jij, nú mijn andere helft, maar dán weer dat gewone leven   Liefgehad en pijn gehad, zo zijn onze lijven Wat zou ik toch zonder doen, mijn ongeloof zou blijven   Die aanraking, die blik van jou, zal alles overstijgen Nog eens echt van jou te houden en de woorden zullen zwijgen.   05. Illusionaire dichterlijke rust Het gat in de schedel de plaats in het hoofd het frisse van ademen die rust, dat belooft   ik stop met staren in schrijven gedoofd en pas als ik afwas van woordenrust beroofd   06. Lied zonder desillusie Welk lied wordt nog geschreven Welke woorden zijn nog kuis om te zingen over zwerven in het land m’n andere thuis   Welk woord kan ik nog schrijven zoekende naar een verhaal dat van jou van haar van hem de bundel van ons allemaal   Welke zwerftocht zoekt mij nog voor mezelf en voor mijn ziel dichterbij dat klein verhaal mij verlatend toen ik viel   Welke rust zal ik nog loven met blije ziel en slim verstand beiden wetende zo goed Het hart tracht eeuwig naar dat land.   07. Turquoise graag vandaag Morgen wordt alles beter. Dan pieker ik niet. Licht in gewicht.   Morgen lukt het me. Dan vínd ik. Ik stop met zoeken.   Morgen gaat het weer. Dan doe ik het. Ik kan het.   Morgen, ja, morgen Als de zon weer schijnt is alles turquoise en oranje. of is dat overmorgen?   08. Vreemde (des)illusies Dag lieve vreemdeling, Hoe is het om jou te zijn? Hoe is het om jou te zijn hier in dit land? Hoe is het om jou te zijn met jouw verhaal in dit land? Hoe is het om jou te zijn met de gevolgen van jouw verhaal in dit land?   Ben je dan bang? Van onwetende mensen in onzekere verandering. Heeft iedereen een mening over jou, die van niemand die jou kent? Onder die starre glimlach.   Wat is jouw verhaal? Dat  je overal  en niet wordt gehoord. Al lang voorheen niet geloofd weeral door niemand.   Vertel mij, hoe het is om jou en hier te zijn?   09. Helden tussen ergens, toen en nu Zoals er zijn, mijn vroegste herinnering Mijnheer de Uil uit de Fabeltjeskrant Deze soap was toch wel amusant Fantasie kent geen verveling   Al was ik geen echte durfal Die Pipi Langkous, vrank en vrij Dat was ook wel iets voor mij Mijn heldenrijk behoed voor vrije val   Het dromen ging blij verder nog In boek, de film of op tv, ik maakte elk sprookje mee ergens bestond mijn held er toch?   Zoals het helden wel vergaat Het leven nam de overhand En schoof die dromers aan de kant Het was alleen maar veel gepraat   10. Klaar – donker – allebei Wat sta ik te fluisteren                                    Ik wil graag roepen Wil iemand luisteren?                                    In grote groepen Zij staan van onder                                    Ik roep van boven Dat is een wonder                                    Kan je ’t geloven? De ene keer wit                                    Dan wordt het zwart Wordt vast een hit                                    Het is wel apart Van woorden te geven                                    De zinnen te nemen Wat een mooi leven!                                    Om mee te gamen En alles wordt zacht                                    Soms gaat het hard Dát is de kracht!                                    Die éne zin sart Ik ben een engel                                    Ik ben een duivel Woord aan de hengel                                    Met woordengeschuifel

Anemos
0 0

Kroonluchters

  Mijn vader treft een gestrand vuurgoudhaantje                                                                           op de getrommelde kleiklinkers van onze oprit                                                                        naar de loods waar hij vogelkrullen beschildert.                                                                              De rode glanslak schrikt hoogvliegers af als er                                                                              te veel spanning in de lucht hangt.                                                                                              De luchtacrobaat rust op een zakdoek met                                                                        opgedroogde tranen in de koffer waar we                                                                                onze klikmomentsleutel van roestvrij staal bewaren.                                                                    In geval van nood kan de sleutel hartkamers                                                                          achter gesloten deuren openen.                                                                                      Avondrood vlindert rond als we verder niets                                                                            meer vinden wat niemand nog weet.                                                                                          Het verloren gewaaid pluimgewicht                                                                                      nodigt blinde vlekken uit om                                                                                                  boven bladspiegels op te duiken.

Evie Vallet
14 0

Pochemuchka

Mariska had altijd al voor de klas willen staan. Dus had ze op haar achttiende vol overtuiging gekozen voor een bachelor leraar lager onderwijs. Na drie jaar haar hersenpannen vol te zuigen met kennis, om die vervolgens tijdens haar stage voorzichtig te toetsen aan een kleine klasgroep, was ze op één september mogen starten als interim voor het tweede leerjaar in het gezellige dorpje waar ze woonde. Uiteraard waren ze begonnen met de obligate gouden weken; een korte periode waarin elk kind gezalfd werd wanneer het eens over de schreef ging. Gezalfd met de smeuïge in onschuld gedoopte crème die absolutie heette. Stapje voor stapje had ze de kleine groep kinderen leren kennen die achter de gretige ogen schuilgingen, en stapje voor stapje had ze hen ook deelgenoot gemaakt van de regels die voor haar belangrijk waren om te overleven tussen al dat jonge geweld. Begin oktober waren ze helemaal op elkaar afgestemd, en hadden de lessen een vaart genomen waar ze zelf stond van te kijken. Maar er was één iets waar ze niet op voorbereid was. Of beter: één iemand. Jantje… De piepkleine jongen met zijn hoogblonde piekhaar, scheef hangend ziekenfondsbrilletje, guitige sproetjes en de fijnste lippen die ze ooit had gezien. Maar het was niet zozeer zijn uiterlijk dat haar aandacht alsmaar naar hem afleidde. Het was wat er binnen in dat kleine hoofdje van hem omging. De kleine hersenen in dat kleine hoofd die hem zo leergierig maakten, dat hij wat dat betreft met kop en schouders boven de andere kinderen uitstak. Wanneer ze de klas probeerde onder te dompelen in een bad vol nieuwe leerstof, werd haar blik als een magneet elke keer weer aangetrokken door de meest oprecht geïnteresseerde ogen van het kind in het midden van de tweede rij. Ze moest alert blijven wist ze, want haar relaas werd door zijn priemende vinger minstens tien keer per dag onderbroken. Als hij zijn magere, bleke handen wegnam vanonder zijn kin, de handen waarmee hij de ballast van zijn kennis steunend op zijn ellebogen probeerde omhoog te houden, hield ze onwillekeurig elke keer haar adem in. Als Jantje niet wilde weten waarom ik nooit thee drink, dan wilde hij wel weten hoe het kwam dat zebrapaden uit een patroon van zwart en witte rechthoeken gemaakt werden. Als hij zich niet afvroeg of de juf hen misschien per vergissing een droom had verteld toen ze hen had ingewijd over Jezus en het lopen over de zee, dan vroeg de pientere jongen zich stellig af waarom iemand in ’s hemelsnaam in een toekomstige job nood zou kunnen hebben aan het kunnen maken van een koprol. In het begin was het vrij grappig geweest, die continue regen van vragen die door de klas spetterde. Na twee weken was ze er ongeveer aan gewend geraakt, en de andere kinderen van de klas ook. Maar tegen dat de herfstvakantie was aangebroken, was haar vatje vol en werd ze helemaal horendol van al dat bestoken. Ze had gedacht dat het alleen kleuters waren die om de haverklap de grote-waarom-vragen stellen, en had daarom bewust niet voor de bachelor kleuteronderwijs gekozen. Maar dit, dit had ze echt niet verwacht. Een kleine Pochemuchka…

Tinkelbel
3 0

Merci duifje.

Bankje in het park.   Merci duifje.                nine van haute   Geluid: We horen een doffe klop. Stem 1:         Aaauuw!  (Gekreun en gekerm) Wat is me dat? Stem 2:         Wat is ’t  makker, pijn gedaan? Stem 1:         ‘ t Zal nog niet. ’ t Zat eraan te komen, maar zo erg had ik het niet verwacht. Stem 2:         Is me ook overkomen, maar ik kwam gelukkig van level 1. Ik lig hier al een tijdje. Stem 1:         Ik van level 5, en dat is een stuk hoger. Stem 2:         Dat scheelt in de vaart. En het neerkomen, hier op de bank, was voor mij ook milder, vier verdiepingen verschil. Stem 1:         De bladeren hadden ons ingefluisterd dat de landing zou meevallen, toch? Stem 2:         Ja, ge ziet wel. Stem 1:         Stom dat die van de gemeente deze bank juist onder onze boom hebben geplaatst. Stem 2:         (denigrerend) De mannekes van de gemeente hé. Stem 1:         En wat nu? Stem 2:         Weet ik veel, afwachten. Stem 1:         Ik hoop dat ik niet onder de billen van die dikke madam terecht kom. Stem 2:         Dikke madam? Welke dikke madam? Stem 1:         Wel die madam die hier op deze bank altijd haar ijsje komt opsmullen. Stem 2:         Ah, de die, die met dat klein hondje. Stem 1:         Ja, ik zou niet verbrijzeld willen worden. Stem 2:         Uw bolster zit er nog aan. Zet uw stekels uit. Die madam springt wel recht als ge in haar billen prikt. Stem 1:         Hopelijk. Stem 2:         Ik sta er slechter voor. Ik lig hier in mijne pure. Stem 1:         Kans dat ge op de grond rolt tijdens een windvlaag. Stem 2:         Ik denk niet dat ik dan zal wegrollen. Stem 1:         Waarom niet? Stem 2:         Eerlijk gezegd, ik had veel geluk toen ik landde. Het was super zacht. Stem 1:         Oh ja? Stem 2:         Ik ben terecht gekomen in een serieus duivenkakje. En ik plak vast. Stem 1:         Beikes, gelukkig dat ge geen neus hebt. Stem 2:         Voor vandaag moeten we ons geen zorgen maken, het gaat heel de dag miezeren, dus geen madam die een ijsje komt eten. Stem 1:         Over dat klein hondje gesproken, is me dat een nijdig ding. Stem 2:         Nijdig? Stem 1:         Ge moest eens horen hoe hij keft. En die tanden, ze zijn scherper dan mijn stekels. Ik mag er gewoon niet aan denken. Stem 2:         Keffers eten geen wilde kastanjes. Stem 1:         Nee? Stem 2:         Nee, natuurlijk niet, wij zijn niet eetbaar voor honden. Honden eten niets dat ongezond voor hen is. Stem 1:         Hoe weet gij dat allemaal? Stem 2:         Voordeel van level 1, al die gesprekken op deze bank…, ik kon ze allemaal horen. Stem 1:         Gij hebt een boeiend leven gehad. Veel wijsheid vergaard. Stem 2:         Gij niet? Stem 1:         Bwa, ik wist niet beter. Ik had een heel mooi uitzicht daar boven in de kruin. Ik genoot van het gezang van de vogels en zag hoe de eekhoorns van boom tot boom vlogen. Ik amuseerde me wel. Stem 2:         Had inderdaad ook zijn charmes. Stem 1:         Ik was toch liever op Pachamama terecht gekomen. Stem 2:         Op moeder aarde bedoelt ge? Stem 1:         Ja, dan had ik mijn werk kunnen afmaken. Stem 2:         U voortplanten? Stem 1:         Ja, dat is toch het uiteindelijke doel van elke vrucht.(dromend) Ik wil een kolossale mooie wilde kastanjeboom worden. Een boom waar iedereen naar opkijkt, een die wel honderd jaar oud wordt. Stel je voor. Stem 2:         De kans is klein. Stem 1:         We mogen toch dromen, toch? Stem 2:         Natuurlijk, maar we moeten eerlijk zijn. Ons lot wordt bepaald door zoveel andere dingen. Stem 1:         Welke andere dingen? Stem 2:         We worden misschien opgekeerd, samen  met de bladeren en belanden dan in het karretje van de groendienst.     Stem 1:         Ik wil er niet aan denken. Stem 2:         Ik ook niet, maar ik ben realist. Gij zijt een dromer. Stem 1:         Ge maakt me nerveus. (stilte) Zwijg eens even, wat hoor ik daar? (geluid: we horen in de verte schoolkinderen aankomen) Stem 2:         Kinderen, het zijn kinderen. Kijk ze komen naar hier. Stem 1:         Schoolkinderen, ze hebben allemaal een plastiekzakje bij. Dat ziet er niet goed uit. Stem 2:         Inderdaad, dat belooft. Ze rapen van alles op… bladeren, eikels, beukennootjes. Stem 1:         De juf geeft commentaar. Stem 2:         (bang)  Denkt  gij dat…wij…??? Stem 1:         Ik weet niet. Ik ben bang. Ik wil niet in zo’ n zak verdwijnen. Stem 2:         Ik ook niet. Stem 1:         Ze komen op ons af.(geluid: kinderen komen dichter) (bang) Oei, dat meisje daar, ze komt naar mij. Ik denk dat het ermee gedaan is. Stem 2:         Houd u taai makker. ’ t Was fijn u hier, op deze bank, te ontmoeten. Stem 1:         Oei, Oeijejoei. (geluid: We horen een plastiekzakje ritselen) (schreeuwt bang) Nee, niet doen, ik wil niet. (stem sterft uit, de kastanje valt in de zak) Ik…nee, nee!!!…  Stem 2:        (berustend) Vaarwel makker. En nu is ’ t aan mij zeker. (lange stilte) (geluid: kinderen stappen weer verder) Oef, ik ben er aan ontsnapt. Merci duifje, goed gedaan…, kinderen hebben gelukkig wel een neusje.   Einde   PS: (geluid schoolkinderen kan je o.a. vinden op YouTube)  

nine van haute
2 0