Lezen

Tik. Tik. Tik.

Sommige dagen zijn goed. En ’t zou een leugen zijn om te claimen dat deze dagen niet durven uitlopen tot weekends of zelfs volledige weken. Nooit maanden, welteverstaan. Zo werkt dat niet, ten huize Dupont. Neen.   Want wanneer gezapige rust zich nestelt in de stoffige hoeken van het krakende appartement, wanneer woorden hun scherpe bijklank bijna vergeten zijn en er af en toe zelfs een vage lucht van plezier in de lucht hangt, dan knapt er iets in het hoofd van Anita. Dan ligt de rotversleten parket boordevol oud en opgestapeld hartzeer, tot de slordig geschilderde muren bijna barsten van bulderend verdriet. Een huis boordevol valstrikken, die liggen te hunkeren om beroerd te worden.   “Mama, ik ben klaar om te gaa-haan!” Ik stuiter enthousiast mijn kamer uit, stuif de leefkamer binnen en wip verwachtingsvol van voet naar voet. Vandaag is het ein-de-lijk zo ver, vandaag is het de dag die Mama aan mij beloofd heeft als beloning omdat ik ‘eindelijk toonde toch eens een goei kind te kunnen zijn’.   “Mama?”, vraag ik een klein beetje verward. Mama zit nog gewoon in de zetel, in haar pluizige badjas. Die badjas waar ik soms mijn gezicht in begraaf omdat die helemaal naar mijn Mama ruikt en dat vind ik fijn. Ik kijk een beetje beduusd naar de klok op de muur: tien uur, zoals beloofd. Ik weet niet wat er aan de hand is, maar de doodse stilte in de leefkamer laat mijn tenen krullen. De klok, de klok die ik zo haat omdat ze met haar luidruchtig gehamer te veel aandacht opeist, tikt onheilspellend.   Tik. Tik.   “Mama?”, vraag ik met een hoopvolle glimlach.   Tik.   “… Mama?”, aarzelend, dit keer. Met een lichte daver in de laatste klinker.   “Gaat ge nu godverdomme ook nog het arrogante lef hebben om mij te vragen waarom ik geen godganse dag met u op stap wil gaan, Lize?!”, spuwt Mama uit het niets. Vlijmscherpe woorden die nauwkeurig hun doelwitten bereiken. Haar vergif raakt mij onverwachts in mijn middenrif en ik knipper verbouwereerd vier keer met mijn ogen.   “Oei, mama, maar, sorry, maar ik wist echt niet dat gij boos op mij waart ik dacht dat ik-”   – “STOP-T met die schijnheilige excuses, Lize.”   Exact zo zegt ze dat, trouwens. Ze spuwt de ‘p’ uit, laat die even doelloos in de lucht ronddansen – en kleeft er vervolgens nog een ‘t’ achteraan. “Stopt ermee”, herhaalt ze vervolgens op een zachtere toon, terwijl op haar gezicht de teleurstelling van de wereld af te lezen valt.   Ik zwijg. Ik kijk beteuterd naar mijn voeten, die enkele minuten geleden nog verwoed dartelend deze ijzig koude atmosfeer instormden. Ik denk hard na over wat ik misschien gedaan kan hebben om Mama wééral zo hard teleur te stellen.   “Wat is er, Lize? Tong ingeslikt?”, de kille stem van Mama onderbreekt mijn gedachten. Ik probeer de krop in mijn keel weg te slikken, maar er zit een nog grotere prop angst in de weg. Mijn ogen vullen zich met lastige tranen, die ervoor zorgen dat Mama dreigend heen en weer deint – en soms zelfs verdubbelt.   “Hè?”, klinkt het vervolgens dreigend, met een stem die schrikbarend schel de hoogte ingaat. “Wat is ‘t? Is ’t zelfs teveel gevraagd om uw eigen moeder recht in de ogen te kijken?!” Ik durf niet te kijken, maar ik weet dat het moet. Dus ik sla mijn ogen op. Daardoor vallen er twee verraderlijke tranen op mijn wangen. Ik stel me voor dat ze geluid maken.   Links-rechts. Pling-plonk.   Ik kijk naar haar en zij kijkt naar mij. Groenblauw zoekt aarzelend toenadering tot zwartblauw, maar wordt spottend de deur gewezen. “Oohoohoh. Oooh, nee”, sputtert Mama verontwaardigd. Ik voel mijn ogen wijd opengaan van schrik, ik denk dat ik weer iets verkeerd heb gedaan, maar ik weet niet wat. Ik blijf Mama aankijken en ik voel mijn wenkbrauwen vragend omhoog krullen.   “Gaat ge het zo spelen, Lize?”, zegt ze vervaarlijk, met lage stem. “Gaat GIJ”, wijzend naar mij, “nu echt bleiten, terwijl de enige dat hier zou moeten beginnen bleiten… de mama is?!” Die laatste zin versterkt ze door naar zichzelf te wijzen. De Mama.   “Sorry, mama”, fluister ik stilletjes. “Wablieft?”, treiterend nu. “Ik versta u niet, Lize.”   Stilte.   “Hmm? Voor een kind dat normaal geen twee seconden haar mond kan houden, vind ik dit toch wel teleurstellend”, spot ze venijnig. “Sorry, mama”, herhaal ik, luider dit keer. “Waarvoor?” “Huh?” “Waarvan. Hebt. Ge. Spijt”, verduidelijkt ze, waarbij ze van elk woord een aparte zin maakt. “Dat ik Mama weer teleurgesteld heb?”, probeer ik dapper. “Goed geprobeerd, Dupont”, snijdt ze terug. “Goed geprobeerd om weeral te liegen tegen de mama. Gij denkt echt dat ik een debiel ben, hé? Denkt gij echt dat ik zo dom ben, of wat?” “Maar mama, maar nee, dat denk ik toch helemaal niet, ik wil gewoon sor-” “GE-LIEGT-TEGEN-MIJ-LIZE”, brult Mama plots. Haar woorden volgen mekaar razendsnel op – in één ademhaling, zodat het lijkt alsof ze maar één woord gezegd heeft. “GE WEET GODVERDOMME NIET EENS WAT GE VERKEERD HEBT GEDAAN”, raast ze hysterisch verder.   Ik kijk terug naar beneden. Mijn tranen blijven heet komen en werken zich gestaag een brandende weg naar buiten. Eerst op mijn wangen. Pling-Plongk. Om vervolgens een duizelingwekkende val te maken, tot recht op het parket tussen mijn voeten. Ik durf niet meer op te kijken en focus me op de kleine plasjes verdriet die zich langzaam maar zeker vervoegen bij de schaduw van hun voorgangers. Mijn hoofd gonst van blinde paniek en mijn mond is droog. De tranen blijven komen. Mijn gedachten struikelen over elkaar terwijl mijn lippen koppig gesloten blijven. Ik weet het niet. Ik weet het echt niet.   De plotse stilte in huis, gevuld met geluidloze echo’s van Mama’s koude woorden, drukt schreeuwend op mijn trommelvliezen.   Tik. Tik. Tik.   “Ga weg.” “Maar ma-” “Bol het af, Lize. Echt. Soms weet ik niet hoe ik het uithou met een kind gelijk gij.” Ik blijf staan, want ik denk dat mama dat eigenlijk wil. Ik hoop dat dat is wat ze eigenlijk wil. Ik blijf een beetje dralen, maak halfslachtig aanstalten om te vertrekken, maar dwing mijn voeten om stevig te blijven staan – ook al schreeuwt mijn lijf om weg te rennen.   Naar boven kijken, dat durf ik nog niet zo goed. Dus ik blijf staren naar mijn schoenen, die aan de tippen een beetje versleten zijn.   De televisie springt aan. De lederen zetel kraakt een beetje wanneer Mama zich comfortabel in haar hoekje nestelt. Buiten blaft een hond. Mijn voeten beginnen te zeuren omdat ze al zo lang, zo stil staan. Mijn hoofd lijkt te ontploffen en mijn lichaam weigert te bewegen en ik wil weggaan maar ik denk écht dat ik moet blijven staan en-   “Lize. Als ik u godverdomme nog één keer moet zeggen dat ik wil dat ge weggaat, dan gaat ge niet weten wat er gebeurt.” IJzig kalm, zo zegt ze dat. “Ge moogt beschikken”, vervolgt ze. “Weet ge wat dat betekent?” Ik schud aarzelend van ‘neen’. “Dat betekent, dochterlief, dat ge niet meer gewenst zijt.”   * * * “En, en, eeeeeen?!”, vraagt Anna enthousiast. “Hoe was je superdate met je mamaa-haah-aa?”, zingt ze er goedgezind achterna. Ik glimlach.   “Het was écht zalig. Ik heb alles gekregen wat ik wou hebben.” Anna glundert.  

Britt Libot
0 0

Het is veel waard

“Och, jullie moeten niet ongerust zijn.” Dat zei onze jongste, na een gesprek over zijn weekendje weg met de vrienden. “Dadelijk is het weer van: wacht maar tot ge zelf kinderen hebt, dan begrijpt ge het wel.” Ik zag mijn vrouw een zin inslikken. Ik meende te zeggen dat wij op die leeftijd, zelfs jonger, al een reis naar het buitenland hadden gemaakt. En bij ons zelfs in het pre-gsm-tijdperk. Zou het kunnen dat de voortdurende bereikbaarheid de ongerustheid doet toenemen? Omdat het toen niet mogelijk was. Ouders dachten: het zal wel in orde zijn. Ze moesten vertrouwen hebben.   Zo gaf een meester van onze lagere school, een voetballiefhebber, regelmatig de opdracht om een voetbalkrantje te gaan halen bij een man, die 200 meter van de school woonde. “Bel maar aan en hij geeft het wel.” De herinnering is vaag, maar ik stel me voor dat je dan nog even langs het raam passeerde en je naar de anderen kon zwaaien, die in de klas moesten blijven. Als een ontsnapte gevangene. Nee, beter als een koning. Want je mocht die dag iets meer dan de anderen.   Je zou het nu moeten proberen. De leraar werd publiekelijk gelyncht. Hoe durft hij het? Een kind alleen op pad sturen? Maar misschien wist hij wel exact hoelang we zouden achterblijven? En zou hij ons na tien minuten achterna gekomen zijn. Niemand waagde het om een omweg te maken. Misschien was het wel afgesproken met de man en was het wekelijks hetzelfde krantje. Niemand van de klas die het ooit bekeken heeft. Misschien wilde hij ons die tien minuten en dat vertrouwen geven. Misschien ook niet.   Maar het is een goed gedacht. En je weet wat ze daarvan zeggen.  

Rudi Lavreysen
0 0
Tip

De slechtste dingen in het leven zijn gratis - Rookwolken

Het verbergen van mijn rookgewoonte, is één van de lastigste dingen ooit te verbergen voor mijn vader. Zeker wanneer dat niet het enigste is wat ik verberg. Ik verberg veel dingen. Daar kom je later nog wel achter. Ik absorbeer geheimen. Niet enkel de mijne, maar die van iedereen rond me. Van de krassen op Luna’s arm, tot de verstopte alcohol flessen van mijn moeder.   En ik sluit ze allemaal op, die geheimen. Ik stop ze in een doos, of beter gezegd een kamer. Want een doos zou te klein zijn. Dus ik stop ze in een kamer en doe de deur op slot. Soms s’nachts als ik me alleen voel ga ik er eens binnen en rook een sigaretje of drie. Dan ben ik alleen met al die geheimen, weetjes die niemand anders weet behalve ik en hun scheppers. En terwijl ik de laatste peuk uitdruk, denk ik aan hoe graag ik zou willen dat ik nog een sigaret had. Nog een laatste nicotineshot voor ik weer binnenstap in een wereld waar ik niet echt wil zijn. Ik bedoel, dit leven valt nog wel mee hoor...Het is gewoon niets voor mij, en dat is het ook nooit geweest. En zal het nooit zijn, denk ik. Maar goed, ik adem, ik eet, ik wandel, ik ga naar de wc. Kortom ik leef, en ik zal het maar moeten doorstaan. Want veel kan ik er niet aan doen, oké zelfmoord is een idee. Maar geen optie. Zo ben ik niet, zo ver zou ik niet gaan.   Na dat ik de deur weer op slot draai, bevindt ik me weer op mijn zolderkamer. Als ik rond me kijk zie ik drie houten gelamineerde muren en één opvallende neongroene muur. Bij de groene muur hoort een vierkant raam. Er staat een krukje voor. Op dat krukje, zit ik. Rustig starend naar buiten. Ik kijk toe hoe de volle maan ons kleine tuintje verlicht en hoe de schommels meewiegen met de wind. Ik beeld me in hoe het vroeger was om te schommelen. Om de wind door mijn haren te voelen strijken, en zo hoog te schommelen dat ik de wolken bijna kon proeven. En dan realiseer ik me dat ik me nooit meer zo gelukkig zou kunnen voelen als jaren geleden. Toen zorgen, pijn en verdriet nog onbekend voor me waren. Toen de wereld nog van mij was.   Ik sta op en loop naar de badkamer om wat water op mijn gezicht te spetteren. Dagdromen over vroeger heeft helemaal geen zin. Het leidt enkel tot teleurstelling. Teleurstellingen die ik had kunnen vermijden... Het koele water verheldert mijn warrige hoofd voor even. Ik kijk op, in de spiegel, en zie een lijkbleek meisje terug staren. Haar make-up helemaal uitgelopen. Ik kijk hoe het water van haar gezicht afdruipt. Mijn gezicht. Mijn eens zo heldergroene ogen, zijn vervaagd tot een wazig onherkenbaar groen. Ik denk wel dat je kan zeggen dat ik zelf ook onherkenbaar ben geworden. Het wit van mijn ogen ziet vuurrood, het lijkt ontstoken.  Ik buig mijn hoofd zachtjes naar links en maak een dotje in mijn haar. Mijn sleutelbenen steken uit. Ben ik afgevallen? Het lijkt wel zo. Ik open het kastje rechts van me en neem er wat de-make up watjes uit. Na dat ik het laatste beetje zwart afveeg lijk ik niet meer op een mislukte wasbeer. Ik lijk meer op een geest. Nee dat ook niet. Ik lijk op niets. Ik lijk onzichtbaar.   Langzaam aan keer ik terug naar mijn kamer. Het enigste geluid in huis is het gesnurk van mijn vader en de gierende wind van buiten. Eenmaal op mijn kamer kijk ik op de klok. Het is half vier s’ochtends. Tijd om te gaan slapen. Ik steek mijn gsm in zijn lader en ga liggen. Ik sluit mijn ogen en hoop dat ik morgen nog kan doorstaan. Dat moet wel.

Lana Salamone
71 1