Lezen

Vergif zoals het Westen dat maken kan

    Westen, ik klaag u aan gij hebt mij berekend betwetenduitgetekend gesmeten gemetengij wilt mij doen vergeten wij eten wij weten op de kap van wat het niet-blanke produceerde Blank, Jonk, Rijk en Vrouw de doorgewinterde dievegge misdadig, dom, schuldig, onderdanig dubbelspion bij uitstek onwetend weet ge gij blanke bange mens met uw fragiele ego gij moogtzoveel aanklagen als gij verachten kunt met uw neutrale logica uw heldere rationaliteit de juiste nationaliteit de onderdrukte kan zich niet permitteren heeft niet in haar bezit de luxe om de wisselwerking tussen inhoud en vorm de bron niet in vraag te stellen voelt ge voelt ge het verschil is macht man kracht de buur vriend voorbijganger collega moderator vader klant werkgever hulpverlener passagier dokter nonkel flik zij menen het goed de humanitair hij meent het goed schijnt de democratie nog is de liefdadigheid oprecht kan de schenker krijgen de ontvanger geven en weigeren steigeren gevangenissen verborgen want de solden schoolpoorten gesloten centra iedereen zot asielzoeker verstikt verloren stemmen smoren psychiatrie wie verblind de lotto het kind geschminkt slavernij aanwezig vluchteling vernederd mens zonder papieren ge-weren ontnomen want geschiedenis haalt ons in imperialisme ontkend kolonisatie pertinent verstedelijking slachthuizen van glas lachende koeien op uw verpakkingen schoon gras kunst vermarkt wolven schaapsverarmd zij blaten menswaardige rusthuizen diervriendelijk vlees de bijwerkingen van drugs die van de farma-industrie kanker zieker dan pesticiden malafide voort zullen we gaan nooit voldaan ballonnen, kermis, aspartaam kassa’s niet gevuld verslavingen gestild met het mes op de keel vogels mijdend schrijnend verpakkingen kosten meer dan de inhoud reclames, groener dan het product het planten van de eenzame schijnboom ter compensatie uw geweten zal het geweten hebben want schijnen doen we goed naar het schijnt iedereen hypocriet de ene al wat opmerkzamer dan de andere op een opportune manier met ethiek omgaan of van het opportunisme uw nieuwste principe maken absoluut, die waarheid de solipsist, postmodernist en nihilist zaten samen op café komt er een pragmaticus binnen van Syrië het kapitalisme zij doet goed ziet ge die verlichte illusies niet de straatversiering optisch optimistisch flikkeren licht voor de occasionele zwerver ziet u negeren zult ge rationeel zult ge genieten van overdaad schaad-t niet baat het niet de een zijn dood is de ander zijn voort zullen ze gaan het paternalisme zij is nodig want hiërarchie en dominantie loont alternatieven zijn er om tot complottheorieën gereduceerd te worden vertrappeldkrachtsverhoudingen zijn er om omvergeworpen te worden wacht maar idealen zijn er om verkracht te worden doe maarheb ik van horen zeggenonafgewerkt losse eindjes ontevredenheid is dat wat de toekomst voedt lang heb ik nagedacht over de toon van deze brief tergend heb ik overleefd geweerd gesleurd uitgeput gespeeld met dat wat er van mijn persoon verwacht werd bespeeld werd ik bewerkt het ultieme product conform aan de geïnstrumentaliseerde verandering die gij koos die uw belangen dient moordend laatst zag ik iemand lachen ik dacht bij mezelf yolo

Pseudoniem
0 0

Donker in de westhoek

We zitten in de wagen op weg naar de kust. Op de radio klinkt: "Paulo aime les moules frites, sans frites et sans mayo." Ik lach. "Dat is juist", zeg ik tegen de kinderen. Paulo hield zoveel van frieten dat hij eraan dood gegaan is,  zo dik was hij. De kinderen op de achterbank kennen het verhaal al en zingen uitbundig verder.  Ik kijk weemoedig door het raam en ga in gedachten 20 jaar terug in de tijd. Ik zit als achtjarige samen met mijn zus en marraine in de auto. We naderen Wormhout, een klein dorpje in de Franse westhoek. Of zoals Olga het in het Frans-Vlaams zegt "wormhoed". Olga is de nicht van marraine, mijn grootmoeder, en de schoonzus van Paulo. Mijn zus en ik gaan er samen met marraine het verlengd weekend doorbrengen. Zoals elk jaar voel ik me misselijk als ik de woning binnen kom. Het is er donker en ik hou niet van donker. Ik loop zo snel mogelijk door naar de keuken, daar ruikt het gezellig naar koekjes en Franse koffie en komt er licht door het raam dat uitgeeft op het atelier achter het huis. Olga zit op een stoel en biedt ons koekjes aan. Ze doet haar best om Frans-Vlaams te spreken. Haar haren zijn opgestoken in een knot en boven haar grauwe kleren draagt ze een keukenschort. Met haar grijsblauwe ogen en zachte stem heeft ze iets kwetsbaar. Haar huid voelt aan als het fijnste zijde. Naast de sterke vrouw die marraine is lijkt ze wel onzichtbaar. Olga is getrouwd met Lou. Een kleine pezige man met zwart haar, glanzend van de brillantine. Zijn ogen zijn hard blauw en aan zijn linkeroog hangt een steelwrat in de vorm van een bes. Lou maakt vaak grapjes, maar toch zijn we bang van hem. Achter die grapjes schuilt een zeer explosieve man. Dat weten we. Dat weet Olga ook. Daarom zegt Olga niet veel en zit ze meestal in de keuken. Als wij hier zijn zitten we meestal in de tuin of in het atelier. Het is een lange rommelige tuin. De weg door de wildernis is voor ons een heel avontuur. Helemaal achteraan in de tuin staat een klein groen hutje aan een beek. De beek met de ratten is voor ons verboden terrein. Lou zit heel vaak op een bistrostoeltje aan die beek naar de radio te luisteren. Als hij daar zit weten we dat we hem niet mogen storen. Op zijn voorhoofd staan dan twee diepe rimpels en hij trekt zenuwachtig aan zijn sigaret. Af en toe briest hij er iets uit waar we niets van begrijpen. Na afloop van de uitzending zijn er twee mogelijkheden: ofwel keert hij vrolijk en grappend terug ofwel staat hij op ontploffen. In het laatste geval krijg je van de spanning amper je middagmaal door je keelgat. We hopen dan stilletjes dat Olga niets fout zal doen of zeggen en dat we snel terug in het atelier kunnen gaan spelen. Het atelier heeft een dak uit plastic golfplaten en is daarom de enige ruimte waar rechtstreeks zonlicht binnen komt. De linkergevel staat vol oude vergeelde boeken en tijdschriften met daarvoor een lange werkbank. Rechts staat een oude wasmachine en een groen melkkrukje. Mijn zus en ik spelen altijd „boerderijtje” in dit atelier. De wasmachine is de koe die we zittend op het groene krukje melken. Uit de tuin halen we rode bessen die we tussen de werkbank pletten tot bessensap. Of we pletten de bessen tussen de vergeelde bladeren van de kranten en tijdschriften. Vol verwondering kijken we dan naar de schilderijtjes die de geplette bessen hebben gevormd. Maar vandaag loopt ons spel helemaal fout. We hebben op de knop van de wasmachine gedrukt en het water is beginnen stromen. We proberen het nog zelf op te lossen, maar voor we het beseffen staat de hele atelier onder water. We staan doodsangsten uit bij de gedachte dat we Lou moeten verwittigen. Lou ontploft zoals we hadden verwacht. Hij trekt zijn riem uit en stuurt mijn zus naar boven. Ik moet van Olga en marraine in de donkere living blijven. Ik ben doodsbang en bekijk de bezorgde gezichten van de twee oude dames bij mij in de living. Ik begrijp hen niet. Ze vinden Lou zo plezant dat ze zijn woede-uitbarstingen er zwijgend bijnemen. Wat later kruip ik bij mijn zus in het hoge bed in de donkere kamer. Ik verlang naar huis, naar licht. Ik wil weg van die muffe geur, van die akelige sfeer, weg uit die westhoek waar het donker verleden lijkt voort te bestaan. Lou zijn grapjes zullen me nooit meer aan het lachen brengen en Olga zal eeuwig zwijgend op het wit keukenstoeltje voor zich uitstaren, de koekjesdoos in haar hand als zoete troost. Ik neem voor altijd afscheid.

Fien SB
50 1

Koud Gerecht

“Weet je zeker dat hij er niet is vanavond?” vroeg ik met enige bezorgdheid aan haar. Hij was hier de laatste maanden met de zekerheid van een Zwitsers uurwerk iedere vrijdag komen opdagen. Dat hij er niet zou zijn leek me onvoorstelbaar, zeker na al die voorbereidingen. Voor ze echter kon antwoorden bleek de veronderstelling van mijn collega totaal fout te zijn. Ik zag zijn opzichtige wagen de parking opdraaien. Vanavond zou mijn avond zijn. Dé avond.   Toen ik de voordeur hoorde opengaan begaf ik me met spoed naar daar om zijn jas aan te nemen. Misschien was dat niet meteen mijn taak als sommelier, maar vanavond was een beetje speciaal. Onbewust wou ik wel dat hij dat zou aanvoelen.   “Kan ik uw jas aannemen, meneer Sznurowski?”. Zonder me zelfs enige blik te gunnen stopte hij zijn overjas in mijn handen. Plichtsbewust, we zijn nu eenmaal een sterrenrestaurant, nam ik hem aan. Nadat hij netjes in de kast was opgehangen, vergezelde ik hem naar zijn vast tafeltje. Ik schoof zijn taupe gekleurde stoel naar achter, liet hem zich neervlijen tussen de zachte kussens. Voor hem kon zijn gastronomisch uitje van de week beginnen. Hoewel ik sterk betwijfel dat er nog enige gastronomie aan te pas komt als je hier elke week passeert. In feite zijn we de Mc Donalds voor diegene met wat geld. Wat er nog aan ontbrak was een oplichtende Michelin-ster op een paal, in het midden van de parking en ettelijke meters hoog. Misschien dan ook een drive-in, waar je aan een praatpaaltje een dozijn oesters kon bestellen. Zes met zeste van citroen, zes zonder – oh, en met wat zwarte peper graag.   Ik herinner me nog dat eerste moment. Meneer kwam binnenwaaien met een gezelschap van acht, uiteraard niet gereserveerd. Nu is dat al een zeldzaamheid dat ze hier zomaar aan komen kloppen. Hij had echter geluk – zelfs met een sterretje achter de naam van je restaurant heb je kalme week avonden. Uiteraard moesten ze de sommelier, mij dus, uitdagen. Als je een “Pape Clément Blanc Pessac-Léognan” bestelt van ettelijke honderden euro’s per fles hoort dat er blijkbaar bij. De discussies over te warm, te koud – ze zijn die avond aan mij voorbijgegaan. Ik ken mijn pappenheimers, ze hebben het geld voor een duur flesje, maar hebben nooit begrepen dat genoeg koude elk aroma, elke nuance en de smaak van een goede fles witte wijn doodgooit en herleidt tot wat je in de nachtwinkel kan vinden.   Ik ben een vlieg aan de muur – hoeveel moeite mijn chef ook doet om vliegen buiten te houden - die wil je immers niet op een exquis gerecht zien rondkruipen. Toch zijn we daar, Nelly, Tamara, ik. De mensen die zo discreet mogelijk de tafels bedienen. We lijken niet te bestaan, of alleszins geen deel uitmakend van het gezelschap. Toch horen en zien we veel.   Dat was exact wat er gebeurde, zeven maand geleden. Ik was de vlieg. De vlieg kreeg koude rillingen bij zijn eerste woorden. Niet de woorden zelf waren zo angstwekkend – het was de stem. Die stem. De stem die ik nooit meer zou vergeten.   Hij vertelde met veel animo over zijn vertrek uit België eind jaren tachtig, teruggegaan naar Polen, het land van zijn vader. Daar had hij een bloeiende parket business uitgebouwd, inclusief export naar België. Als je hem hoorde praten aan tafel dan liep half Vlaanderen met kousenvoeten over zijn parketvloeren. Als sluitstuk op zijn levenswerk was hij teruggekomen naar hier, het land waar zijn vader de bevrijding had ingeluid en moeder had ontmoet. Helden over de hele lijn.   De stem was echter zijn spelbreker. Als je een tijdje naast iemand woont, die je vaak spreekt, dan slaat je geheugen die stem op. Zeker als die stem je vaak nog toespreekt in je dromen, een akelige stem uit het verleden is. Het verleden van 1986.   Ik was toen twaalf, mijn zusje acht. Sponsen broekjes waren nog niet verboden. We droegen ze met trots en we genoten samen van elke zonnestraal die de zomer over ons uitstrooide. Ze was wel wat vervelend, mijn zusje. Altijd in de buurt willen zijn, altijd met mij en mijn vriendjes mee – terwijl we de polder in doken, stekelbaarsjes wilden vangen in de gracht. Ook weleens een gepikt sigaretje van één van onze vaders oprookten – want roken deden die toen nog allemaal.   We keken met verbazing toen woonwagenbewoners een braakliggend stukje in onze straat inpalmden. We stonden er echter niet echt bij stil – migratie was toen nog geen punt – ze waren er gewoon en waren welkom, hoewel een beetje anders dan wij. Dat was echter juist uitdagend en interessant. Ze leken allerminst een bedreiging.   Het duurde niet lang eer we ons groepje uitbreiden met de nieuw gestrande, ontheemde jongeren. Ze spraken wat raar, hadden een grappig accent. Ze gingen echter met evenveel plezier mee de polder in genietend van het jong zijn. We kwamen bij elkaar over de vloer, we genoten van elkaars gezelschap, tot ze net zo snel weer vertrokken als ze gekomen waren.   Dat was het moment van de metamorfose. Mijn zusje Cindy was tot dat moment een rupsje dat stilaan uitgroeide tot een prachtige vlinder, haar vleugels spreidde maar nog net niet liet drogen in de zon. Haar glinsterende ogen waren een plezier om in te kijken. Dag op dag ging het licht uit in haar ogen, werden ze dof en nietszeggend. Ik begreep het niet. De vlinder onderging een tegenovergestelde evolutie en werd een half ingekapselde rups die een hard schild trachtte op te bouwen en geen communicatie meer toeliet. Ik begreep het écht niet.   Acht jaar later begreep ik het wel. Cindy schreef me een brief, hoewel we slechts één kamer van elkaar verwijderd waren. Ze schreef me de brief, omdat de laatste acht jaar voor haar een hel waren geweest. Omdat die vriendelijke meneer die zo lief voor ons was, die naast ons zijn woonwagen had geparkeerd, in feite niet zo lief was. Omdat die haar leven tot een bittere hel had gemaakt. Op dat moment heeft ze ook de beslissing genomen dat er ergens iets beter was, ergens – waar dan ook. Ze heeft de trein, hoop ik, nooit echt zien aankomen.   Hier sta ik nu. Ik heb de stem herkend, de feiten gecheckt. Dertig jaar later. Wat doe je daar mee? Ik herinner me het moment waarop hij me zei: “Jongeman, ik denk dat ik hier echt wel kurksmaak proef.” Het typische blasé gedoe van een kerel in gezelschap die wat indruk wil maken. Die kurk zat er niet in, écht niet. Ik had zelf geproefd. De stem had me zo met verstomming geslagen dat ik met koude rillingen van de tafel ben afgedropen, braafjes een andere fles uit de kelder heb opgediept. Tot ik de nieuwe bracht, zijn gezicht intensief bekeek en plots besefte – jij bent het! Jij, diegene die alles heeft ontlopen wat gerechtigheid zou moeten zijn. Die avond ben ik dan ook plannen beginnen maken.   Hoe plan je een moord als je sommelier bent? Ik heb mij een keer ‘ik voel me niet zo goed, ik moet naar huis’ gemeld. Ben hem dan gevolgd. Ik bleek echter niet het type te zijn om iemand te vermoorden met een pianosnaar in een donker portaal. Nog afgezien van het feit dat ik noch een piano, noch een extra snaar had. Het portaal bleek trouwens een lange verlichte oprijlaan achter een elektrisch hek. Dertig jaar parket loonde blijkbaar. Andere plannen drongen zich op.   “Kogelvis?” vroeg ik hem. Jonas had samen met mij op hotelschool gezeten. We hadden elkaar jaren niet gezien, maar via de wondere wereld van Facebook elkaar teruggevonden. Hij had altijd een rare aantrekking gehad voor de dodelijke facetten van koken. Volgens mij was er een schitterende carrière aan hem voorbijgegaan, indien we nog in de middeleeuwen zouden leven met koningen als een constante inspiratie voor experimentele vergiften. Hij vond reeds op zestienjarige leeftijd dat die potentieel gevaarlijke ingrediënten, in de juiste proporties, een subliem gerecht konden vormen.   “Kogelvis is belachelijk,” zei Jonas. “Je kan dat in niets oplossen. Je moet al een halvegare te pakken krijgen die vrijwillig dit soort gerecht wil voorgeschoteld krijgen.” Hij ging gelukkig mee in mijn verhaaltje: ik ben gecontacteerd door de schrijvers van een soap serie die een ideale moord in een restaurant in hun verhaallijn willen verweven.   “Ze zouden het iets subtieler moeten spelen, geen kogelvis.” zei hij. “En belladonna in de thee is afgezaagd. Dat hebben we overal al eens gezien.” Uiteindelijk geeft hij me een lijstje met een mix van redelijk nare dingen, zoals oleander, doornappel en vingerhoedskruid.   Het is vrijdagavond, het is laat. Meneer Sznurowski zit aan zijn derde cognac. De sfeer is gemoedelijk. De meeste gasten zijn vertrokken. Norah Jones klinkt zachtjes door het restaurant. Het nummer “Sunrise” spiegelt een nieuw aankomende stralende ochtend voor. Ik besef dat het nu mijn moment is. Ik ga naar zijn tafel.   “Meneer Sznurowski, we hebben een nieuw wijntje binnen gekregen. Vooraleer we het op de kaart zetten, zou ik graag toch de mening hebben van een goede klant met een goede smaak. Kan ik jou een glaasje aanbieden?”. Uiteraard zegt hij daar geen nee tegen. Ik heb alle gevoelige snaren geraakt: goede klant, wijnkenner… Hij neemt met veel graagte het glas aan en walst de wijn heen en weer. We klinken. Ik zeg: “Op Cindy”. Hij kijkt wat raar, maar neemt dit blijkbaar niet echt op. Eerst aarzelende, proevende slokjes – dan een goede slok. Hij staart naar mij en zegt: “Toch een beetje wrang, niet?”. “Dat is de tannine, de wijn is nog jong. Maar houdt hij geen belofte in?” vraag ik.   Op dat moment beginnen zijn ogen te tranen, er verschijnt een onnatuurlijke grijns op zijn gezicht. Hij begint vervaarlijk te hoesten, grijpt naar zijn maagstreek en schuim – véél schuim – verschijnt op zijn lippen. Alsof hij een fles afwasmiddel heeft genuttigd. Het restaurant begint te leven, staat op zijn kop. Hulpdiensten worden gebeld. Het blijkt voor hem te laat te zijn.   Een uur later zit ik tegenover de rechercheur die is opgeroepen. Fronsend vraagt hij me: “Heb je enig idee wat hier vanavond is gebeurd?”. Mijn glimlachend antwoord ligt voor de hand. “Wraak is een sterk motief, een koud geserveerd gerecht.”

Ivan Dresselaers
0 0

Broederliefde

Wesley   “Waarmee kan ik u van dienst zijn, mevrouw?” vroeg Wesley enigszins verrast. De dame die net voor hem op de vaalrode versleten barkruk had plaatsgenomen, was nu niet meteen een verwachte gast op deze gure dinsdagavond. Ze was bijna letterlijk binnengewaaid. Hij had op de camera’s, die verdekt stonden opgesteld op de met sparren omzoomde parking langs de steenweg, de mooie wagen zien aankomen. Op het moment dat hij de auto had waargenomen bij het opdraaien van de parking, was zijn eerste reactie nogal opgetogen. Een BMW 6 cabrio betekende op zijn minst begoede klanten en dat kon de zaak op een avond zoals deze wel gebruiken. Daarna had hij tot zijn verbazing een dame zien uitstappen. De manier waarop ze uit haar wagen stapte en de handtas die ze droeg – Delvaux, zoals hij later zou verklaren tegen de politie - deden hem besluiten dat het een dame was.   “Een gin-tonic graag”, zei ze nogal bedeesd.   Dat antwoord verraste hem dan weer niet. Vijftien jaar achter de bar van dit soort etablissementen had een soort van voorspellend talent opgewekt, zeker als het over het bestelde drankje ging. Hij bekeek haar nog eens goed en vroeg zich af wat een vrouw als zij, duidelijk aan de goede kant van de veertig, hier kwam zoeken. Op zich deed het er niet toe. Hij schakelde over op automatische piloot en stelde de standaardvraag die iedere gast gepresenteerd kreeg in de luttele tijd die verstreek tussen het bestellen van het drankje en het opdienen.   “Had mevrouw graag gezelschap?” vroeg hij.   Alsof het een ingestudeerd nummertje was – in feite was het dat ook – ging de binnendeur open en kwamen er twee schaars geklede dames de ruimte binnen. Alvorens zich op een uitgelijnde rij van barkrukken achteraan neer te vlijen, kwamen ze, schijnbaar verlegen - maar in wezen vrij kordaat, zich voorstellen. Dit toneeltje ging steevast begeleid van een zedig kusje op de wang.   Hij zag in hun ogen en gedragingen dat dit nu echt niet was waar ze zich aan verwachtten. De dame die stijlvol voor de bar zat, was werkelijk niet de typische klant die ze zich hadden voorgesteld. Toen beiden de revue gepasseerd waren, boog ze zich voorover en vroeg “Werkt Valentina vanavond? Ze werd me speciaal aangeraden en is de reden dat ik hier beland ben…”.   Hij keek haar verbaasd aan. “Valentina, tja, eigenlijk heeft ze vrij.”   Ze staarde hem aan, duidelijk niet gewend aan deze situatie. Het voordeel was wel dat hij verplicht was om haar recht in de ogen te kijken. Ondanks het gedempte licht zou deze observatie van haar gezicht de basis zijn van het opsporingsbericht dat de komende weken zendtijd zou innemen na het journaal.   “Ik had toch graag Valentina gezien,” zei ze aarzelend. “Is er geen manier om haar vandaag te ontmoeten?”   Terwijl hij ongemerkt een berichtje stuurde naar Ann, alias Valentina, een klant is immers een klant, zeker op een regenachtige dinsdag in september, monsterde hij de vrouw eens goed. Ze had meer dan waarschijnlijk geld. Er waren voldoende signalen om deze conclusie te trekken. De ‘D’ op haar handtas – die duidelijk geen namaak was, haar kledij, het horloge. De wagen waarmee ze de parking was opgedraaid. Ze was nu éénmaal hier en al was hij slechts barman in een verlopen huis vol meisjes van plezier, iedere kans op extra inkomsten was welkom. Hij was dan ook opgetogen toen het schermpje van zijn smartphone oplichtte. “Ik kom eraan” was de boodschap.   “Valentina is onderweg” zei hij, “maar u begrijpt dat het een beetje duurder is als we iemand speciaal moeten optrommelen?”   “Geen probleem” antwoordde ze, “ze is me echt aangeraden en geld mag dan ook geen probleem zijn…” Ondertussen legde ze een briefje van 500 euro op de toog.   “Geef de andere meisjes ook een flesje van mij – ik wil ze niet de indruk geven dat ze niet voldoen. Valentina werd me nu eenmaal aanbevolen.”   Het duurde nauwelijks twintig minuten voor Valentina de bar binnenkwam en zich naast de dame plaatste. Hij bekeek het spel van verleiding dat zich voor zijn ogen afspeelde. Het duurde niet lang voor Valentina de boodschap gaf: “De jacuzzi kamer voor een uurtje.”   Hij vroeg de dame “Cash of kaart?”. Zonder enig aarzelen haalde ze het geld cash boven en betaalde hem. Even daarna verdwenen ze naar boven.   De bar was nu terug verlaten en hij liet zich over aan zijn “guilty pleasure”. Hij schoof de CD van de metal band Megasonic in de speler en zette het geluid loeihard. Hierdoor hoorde hij de achterdeur die normaliter enkel door de meisjes werd gebruikt, tien minuten later niet dichtslaan.   Valentina   Minder dan een kwartier nadat ze het SMS’je ontvangen had, draaide Ann haar Mini de parking op. Het moment dat ze de deur van haar wagen opende en een met netkousen bedekt been op de kiezels zette ging ze moeiteloos over in Valentina, haar alter ego voor de rest van deze nacht. De agressieve wind speelde met haar kleed en deed haar even huiveren. Om de een of andere reden voelde dit niet goed aan, vond ze, maar werk is werk. Het vooruitzicht van de onverwachte inkomsten van een klant die naar haar gevraagd had, was aanlokkelijk genoeg om in haar auto te springen. Als ze geweten had hoe de avond zich verder zou ontplooien en ook maar een greintje geluisterd had naar haar intuïtie, was ze terug in haar auto gestapt en met gierende banden huiswaarts gekeerd. Niet dus, ze stapte gezwind naar de achterdeur die een beetje verscholen op de parking uitgaf en die voor de meisjes bedoeld was. Er zat maar één iemand aan de bar, dus liep ze daar meteen naar toe. Plots merkte ze dat het een vrouw was. Daar liet ze zich echter niet door intimideren en ging resoluut op de klant af. Ze gaf een klinkende zoen op de mond om het ijs te breken en stelde zich voor. “Hoi, ik ben Valentina, je had naar mij gevraagd?” “Ja,” antwoordde ze onzeker. “Ik weet niet goed hoe dit werkt, maar kunnen we ergens wat tijd samen doorbrengen?” “Geen probleem. Ik zal Wesley vragen om een kamer voor ons te voorzien. Vind je het een probleem om een flesje mee te nemen? Kost slechts 1600 euro.” In de kamer liet ze de jacuzzi vollopen en keek haar even aan. “Zal ik mij alvast uitkleden?” vroeg ze met een geroutineerde zwoele stem. Het antwoord werd niet uitgesproken, maar ze kon voldoende lichaamstaal interpreteren om het te verstaan. Toen ze bezig was haar netkousen uit te trekken voelde ze plots de druk van een koud voorwerp op haar achterhoofd. Verbaasd draaide ze zich om en keek recht in de loop van een revolver, iets dat ze desondanks haar risicovolle beroep nog niet eerder had gezien. “Wat?” stamelde ze. “Zwijg”, was het antwoord, “als je een kik geeft, houdt het meteen op.” Ze hield haar een foto voor. “Je hebt ondertussen wel begrepen dat ik hier niet ben voor de geneugten van vrouwen onder elkaar,” zei ze. “Kijk even naar deze foto, komt hij je bekend voor?” Uiteraard kwam hij haar bekend voor, die klant had ze totaal geplukt. De zoveelste die dacht dat hij ware liefde had gevonden onder de zachtroze lichten van de steenweg. Ze aarzelde. “Neen”, was haar antwoord. Haar ogen hadden haar echter verraden. “Dit was mijn broer Luc, was, want zes maanden geleden is hij tot de vaststelling gekomen dat hij al zijn geld heeft verbrast aan iemand die liefde anders definieerde dan hetgeen hij in gedachten had. Hij zag helaas geen andere uitweg meer dan een nabije ontmoeting met de intercity Gent - Antwerpen. Hij was mijn enige broer. Ik zag hem intens graag”. Ann luisterde verbaasd naar de monoloog. Dit had ze nooit zien aankomen. “Wraak wordt effectief koud geserveerd,” zei ze zonder enige emotie. “Zes maanden is afkoeling genoeg voor mij. Ik heb een snoeischaar in mijn tas en had eigenlijk het idee om voor iedere tienduizend iets af te snijden. Al was het maar om je de fysieke pijn te laten voelen die hij emotioneel heeft ondergaan… Ik vrees echter dat ik niet zo wreed kan zijn. Laat het ons dan ook kort houden.” Ze greep het hartvormige rode kussen dat in de stijl van het huis paste, duwde het tegen Valentina’s hoofd en haalde – zonder aarzelen – de trekker over. Er was geen sprake van het leven dat in een flits voorbijkwam. Voor Ann, Valentina, was er alleen maar eindig zwart.   De Dame   Ze was geschrokken van de knal, op televisie leek dit een goede geluidsdemper. Maar dat bleek niet echt het geval te zijn. Ze was zonder enig probleem weggekomen. Vanop het balkon van haar hotel keek ze uit op de zee in de verte. Na haar bezoek aan wat zij als het “hoerenkot” bestempelde, was ze in haar wagen gesprongen en rechtstreeks naar Zaventem gereden. Ze had dingen moeten achterlaten. Aan de andere kant had ze alle intentie om ‘weg te komen met moord’ in de praktijk te brengen. Ze was met een charter naar Varna afgereisd en stond nu op een terras van de vijfde verdieping van hotel “Graffiti”. Met enig sarcasme, gezien haar actie van de vorige avond, bedacht ze dat iedereen wist dat dit hotel door de maffia werd gerund, 20 jaar nadat de muur was gevallen en de opportunisten gebruik hadden gemaakt van de golf van privatisering die de vroegere communistische landen hadden overspoeld. Ze had ook de zekerheid dat morgen een schip zou aanmeren waarvan de kapitein haar voor 100 euro naar een rivier tegen Istanbul zou voeren. Een container met haar belangrijkste bezittingen was een week geleden al vertrokken vanuit Antwerpen richting Turkije. Ze zou snel van de radar verdwijnen, wat haar betrof voor altijd. Ze wist dat ze erop kon rekenen dat de lokale politie nooit zo snel kon handelen dat ze ooit enige bedreiging voor haar zouden vormen. Ze liet dan ook niets meer achter, niet sinds de dood van Luc, dat haar ooit spijt kon laten krijgen en doen terugverlangen naar haar geboorteland. Ironisch genoeg keek ze uit op een klooster waar zusters in habijt waardig rondschreden. Terwijl ze van een glas champagne nipte, moest ze denken aan rechtvaardigheid, schuld en boete.

Ivan Dresselaers
0 0

Vierentwintig keer regent het treurwilgblaadjes

Groen wordt geel, dan rood, dan bruin. Door de goudgekleurde stralen van een zon die amper aan de hemel rijst, schitteren dauwdruppels als diamanten op de roodbruine bladeren. Het is herfst! Vierentwintig jaar is het al, dat we achter hetzelfde raam, vol bewondering naar deze mooie transformatie in onze tuin staan te kijken.   Het begon ooit in een oud huis met een verfborstel in onze ene hand en twee kleine peuters in de andere hand. Een grote tuin met alleen maar gras. Een hoge brede treurwilg aan de ene kant, een  oude grillige appel- en pruimenboom aan de andere kant.   Het is herfst 1989. Massa's geel gekleurde blaadjes dwarrelen bij elk zuchtje wind naar beneden. Voor de eerste keer regent het treurwilgblaadjes in onze tuin.   Al vijf keer regent het treurwilgblaadjes in onze tuin. Tussen de bergen bouwafval groeit hier en daar een frisgroene grasspriet. Een riddertje speelt op de onderste takken van de appelboom. Hij rent onvermoeibaar in en uit de boom en zwaait vol overgave met zijn zwaard  naar de ingebeelde draak. Prinses Mikie wandelt van boom naar boom, met een cocktailjurk vol gekleurde pailletten aan, om haar hals een hoop klatergoud, aan haar voeten bijpassende schoentjes die op het stenen pad "klak, klak, klak" zeggen.   Tien keer regent het treurwilgblaadjes in onze tuin. Een jonge kat springt wulps tussen de vallende bladeren. De appelboom is gevallen en netjes opgeruimd. Er staat nu een schommel met glijbaan en klimtoren. Aan de rand van fris jong gras prijkt een dun twijgje met een groot label eraan.  Op het label  staat een foto van een grote kersenboom vol lekkere rijpe kersen. Voor de nieuwbouw garage, ten midden van kleurrijke heesters en struiken, klatert water uit een bamboe watervalletje  in een houten ton. Er zwemmen 2 goudvisjes in. Een springtouw en een poppenwagen liggen geduldig te wachten op het nieuwe terras. Net als de mountainbike en het skateboard. De school is nog niet uit.   Vijftien keer regent het treurwilgblaadjes in onze tuin. De pruimenboom stond helemaal dor en is netjes opgeruimd. De schommel oogt zielig eenzaam in een hoekje aan de rand van de tuin. Het watervalletje was niet zo'n succes. Het heeft plaatsgemaakt voor een heg die dwars over de hele tuin tot aan de treurwilg reikt. Er staan een rond zwembad en vier zonnestoelen achter. Uit de kamers van het riddertje en prinses Mikie klinkt "keifakke"  muziek.   Twintig keer regent het treurwilgblaadjes in onze tuin. De kersenboom is nu zo groot als op het labeltje stond. De schommel is netjes opgeruimd en heeft een tweede leven gevonden in een andere tuin. Het ronde zwembad is omgebouwd tot een stenen rechthoekig exemplaar mét zonneterras. Als ik door het raam zie, droom ik weg naar te warme dagen met stralend blauwe hemel en zie twee studenten genieten van "poolparties". Nog steeds mét hippe muziek!   Het is herfst. Voor de vierentwintigste keer zie ik door het raam naar onze tuin. Het regent geen treurwilgblaadjes meer. Hij is gevallen, onze hoge brede treurwilg, en met man en macht netjes opgeruimd.   Het riddertje kijkt nu vanuit zijn appartement naar een laan met vijf hoge platanen. Voor hem regent het grote rode bladeren. Door het raam van hun huis aanschouwt Prinses Mikie met de liefde van haar leven, een berg bouwafval met hier en daar een frisgroen grassprietje. Aan de ene kant prijkt een walnotenboom van middelbare leeftijd. In de weerkaatsing van het nieuwe venster zie je haar bolle buikje.   Vijfentwintig keer en het zal nooit nog treurwilgblaadjes regenen. Of we nog door het raam gaan kijken? Heel waarschijnlijk als paasbloemen gaan bloeien en vogels beginnen te fluiten, zal je ons vinden aan de nieuwe zandbak. De zandbak op het terras waar ooit een treurwilg stond. Waar een klein peutertje samen met oma en opa de mooiste zandkastelen zal bouwen!

Bettybie
0 0