Lezen

Hardtwerk

Allez bekijkt dat hier nu eens. Dat hart van u. Dat ligt godverdomme in frennen vaneen. Maar allez. Dat is nu toch geen gezicht. Dat trekt toch op niks hoe uw hart erbij ligt. En er is duchtig opgetrapt. Dat zie ik. Precies of 't was nog nie genoeg dat het gebroken was. Ge moet wat profijtiger zijn op uw hart. Uw hart, dat moet ge nie zomaar aan iedereen blootstellen. Laat staan dat ge het overal gaat insteken. Zijt ge nu nog nie geleerd ? Ge steekt het ergens in en ge krijgt het verinneweerd terug. Da weet ge toch. En wie kan het weer op de juiste plaats steken ? Ja maar ja En ge hebt al zo’n teer hart En veel te vol Uwe mond loopt er van over En veel te vurig Ik weet het Gij kunt er ook niks aandoen Maar gij verbrandt u nog eens aan uw eigen vuur. Da zeg ik u. Allez geeft mij stoffer en blik. Dat ik uwen tikker bijeenveeg. Dat ik het bijeenpuzzel en plak ’t zal ewa tijd kosten Ge hebt het ver laten komen. Doeme toch. En wa plakt daar allemaal aan seg ? Woorden. Harde woorden. Nondedju. Nie moeilijk dat ge er zo verfomfaaid bijloopt. Nie moeilijk dat uw hart zo koud is Ik zal wa moeten bijverwarmen. Ik zeg het gelijk het is Da gaat hier hard werken worden. Krijgt die woorden der maar weer eens af. Zo’n kleverig hart da gij hebt. Zoudt gij eens nie ne keer goe blèten ? Dat de grootste druk d'eraf is ?   Het is tegenwoordig nogal godgeklaagd met de harten van vandaag. Dat kan ik u wel zeggen. Efkes ter info : Een hart dient om te voelen Te voelen. Hoort ge da ? Maar dat weet precies niemand meer. Voelen dat is er vandaag den dag nie meer bij Daar hebben de mensen het te druk voor drukdrukdruk Als er woorden aan uw hart blijven plakken Dan moeten die daar af. Eerst moet ge ze durven voelen. Goe voelen hoe zeer ze doen. En dan wegspoelen Eens ne keer goe blèten Gelijk een klein kind Nie zomaar eens een traantje wegpinken he Of eens efkes vol schieten Maar voluit gaan ’t zout voelen branden op uw gezicht Dat moet ge doen. Ge moet helemaal overlopen Uw hart uitstorten Uw eigenste zee produceren. Ik kan het nie genoeg zeggen : ik ben ne voorstander van blèten. Als ge blet dan spoelt uw verdriet weg. Dat is bewezen. En ge moet daar uwen tijd voor pakken.   Maar weet ge wat de mensen doen als er woorden aan hun hart plakken ? Dan gaan ze in nen denktank zitten denken. Dan gaan ze toerkes draaien in hunne kop Nieuwe vertakkingen maken in hun hersenen. En er dan van verschieten dat de Sinksenfoor dit jaar in hunne kop staat. Hun verhaal blijven vertellen en vertellen en vertellen En gelijk willen halen En zeggen dat den andere ne klootzak is En goei bewijsmateriaal hebben van zijn “klootzak zijn” En van iedereen willen horen dat den andere ne klootzak is En misschien is diene andere ne klootzak Want ik kan u verzekeren dat er klootzakken bestaan. Er zijn klootzakken Die uw hart onderscheppen, het binnenstebuiten keren En er dan ook nog eens op trappen om het vuur dat er in zit te doven. Gewoon omdat ze nie kunnen uitstaan dat gij zo’n vlammend hart hebt ’t Is daarom dat ik u zeg : ge kunt zaken van ’t hart nie oplossen met uw verstand. En ook al is er ne klootzak in ’t spel En ook al hebt ge gelijk Uw hart heeft daar niks aan Voor waar ik zeg het u. Dus toerkes gaan draaien in uw kop Dat haalt niks uit. Meer nog : ge wordt er zot van. Maar ik snap wel dat mensen het doen. Tristesse is nie zo sexy.   Als ge weent dan willen ze altijd weten waarom Precies of ge moet u verantwoorden voor uw tranen En als ge dan zegt waarom, dan zeggen ze “och trek het u nie aan” Precies of gij hebt ervoor gekozen om het u aan te trekken Precies of ge kunt het zomaar u ineens nie meer aantrekken. Precies of zij hebben een gebruiksaanwijzing van hoe ge dat dan moet doen Of ze zeggen “ tis het verdriet nie waard” Dan vraag ik mij af wat is het verdriet dan wel waard sèg ? Bestaat er misschien ne lijst ergens in Brussel waar allemaal redenen opstaan voor tristesse ? En als uw verdriet er nie opstaat Dan is het het verdriet nie waard Dan moet ge maar stoppen Of ge wordt er op gewezen dat er mensen zijn die het nog veel erger hebben dan u Precies of er is een volgorde van belangrijkheid Precies of het ene verdriet sluit het andere uit. Ik kan daar iets van krijgen. Tristesse dat is ne paria. Ge zijt al triestig. En dan moet ge het nog inhouden ook. En niemand die bedenkt wat dat met ne mens zijn hart doet O en soms wordt het wel normaal gevonden dat ge weent Als er iemand dood is bijvoorbeeld Of efkes bij liefdesverdriet Maar het mag dan ook weer niet te lang duren of de goegemeente heeft schrik dat ge gaat afglijden En iedereen gaat het onderwerp uit de weg En de mensen gaan moeite doen om u op te vrolijken Iedereen wil van alles met u gaan doen En ge wordt meegepakt naar festiviteiten Om daar schijnvrolijk te wezen Zodat de mensen kunnen zeggen Ze is er precies al over Amai, ze is sterk En dan zijn ze content Want ze hebben u geholpen En dat gij dan ’s avonds ligt te blèten in uw bed Dat telt nie Want dat ziet niemand Wat een gedoe En als ge nie meedoet met da spel en toch uw smart laat zien dan zijt ge nie goe bezig En dan wordt ge vermeden En dan zijt ge nie alleen triestig Ge zijt ook nog eens eenzaam. Ik weet nie wat dat is met verdriet Waarom zegt nu nooit eens iemand : blèt maar eens goe, weet ge wa , Ik doe mee. Want iedereen heeft toch zo zijn verdriet Waarom zet nu eens niemand zijnen bleitsmoel op facebook en op zijne status : gaat kapot van verdriet ? Hoeveel likes zou dat opleveren ? Nee, het moet vooral plezant blijven We moeten lachen want YOLO En carpe diem en hakuna matata Awel : ik protesteer, ik protesteer hard. Er moet eerst geblet worden En dan kunt ge weer lachen Zo simpel is ’t.  

DqM
37 1

Favorietste

Net zoals in alle melige liedjes moet ik toegeven dat ik geen woorden vind om dit te beschrijven. De liefde die ik nu voel, wat ik nu voor hem voel valt echt niet in woorden neer te schrijven. Het is allemaal zo mooi, zo perfect en ik ben zo gelukkig. Geen maar. Het is echt zo. Toch rolt er nu een traan van mijn wangen. Al dat moois roept zoveel angst in me op. Ik wil niet dat het me weer ontnomen wordt, dit gevoel. Het gevoel dat ik graag gezien word en veilig ben in zijn omarming. Er bestaat niets beter. Niets kan me zo raken als het gedacht dat iemand me graag ziet. En het gedacht dat die persoon me ook snel weer niet graag kan zien.  Je kan je afvragen waar dit weer allemaal vandaan komt en vooral waarom ik niet gewoon gelukkig kan zijn zonder meer. Ik vrees dat ik op dat laatste nooit een antwoord zal vinden. Het is nog maar net 24 uur geleden dat ik de grootste warboel van gevoelens ooit heb gevoeld. De grootste liefde. Hij keek in mijn ogen en ik zag de zijne fonkelen. Ik zag dat hij meende wat hij ging zeggen. Dat hij niet kon tegenhouden wat er nog geen 5 seconden later uit zijn mond zou komen omdat het uit het diepste van zijn hart kwam. Het zou het moment en de connectie die we toen voelden nog echter en intenser maken. Alleen wist ik toen nog niet dat het een onvoorspelbaar groot gemis zou oproepen. Een gemis dat me het gevoel zou geven dat mijn hart stopte met pompen van zodra ik hem niet meer bij me had. Waarover ik dan de volgende avond een tekst zou schrijven die compleet overdreven was omdat ik geen woorden kon vinden die beter pastten dan de clichés. De enige woorden die mijn gevoel kunnen overbrengen zijn de zijne op het moment dat ze over zijn lippen stromen. De vier woorden die hij gisterenavond door mijn hele lijf deed zinderen: ik zie je graag.  Ik hoop dat hij weet hoe oprecht dat moment voor mij was. Ik hoop dat hij weet hoe gemakkelijk het voor me was om "ik jou ook" te zeggen en het te menen, uit het diepste van mijn hart. 

Layla Clarke
0 0

Toen ik een kind was

Toen ik een kind was, bedroog mijn moeder mijn vader met een andere vrouw. De liefde waarmee ze naar die vrouw keek, en die ik nooit in haar ogen had gezien wanneer ze naar mij of naar mijn vader keek, dàt deed het meeste pijn. Ze dacht dat ik dat niet zag. Mijn moeder hield wel van ons, maar ze had een idee over hoe haar leven eruit moest zien, en wij pasten daar niet in. Wij waren ballast, mijn vader en ik, de twee-eenheid van haar verdriet, we stonden symbool voor gemiste kansen.  Ze sleepte me mee op haar uitjes met die vrouw. Ik was te klein om alleen thuis te blijven en te groot om geen derde wiel aan de wagen te zijn. Op woensdagnamiddag zat ik op de koude, betonnen bankjes van de Meir terwijl zij samen kleedjes gingen passen. Ik had altijd twee boeken in mijn rugzak zitten, zodat ik een reserve bij had voor wanneer het ene uit zou zijn. 'Mijn leven valt best mee', dacht ik wanneer ik las over kinderen die misbruikt werden of op straat leefden en verslaafd waren aan lijm. Ik had koude billen op die bankjes. Ik leerde me daartegen wapenen. Op woensdagochtend deed ik altijd een kousenbroek aan onder mijn jeans, voor het geval zij in de auto zou zitten wanneer mijn moeder me van school kwam halen. Het hielp maar matig.   Ze giechelden als kleine meisjes. Dat hebben ze me afgenomen: giechelen heb ik nooit gedaan, als kind niet en nu niet. Dat is maar één van de vele dingen die ik hen kwalijk neem. Als ze uit de winkels op de Meir naar buiten kwam en mij zochten, zag ik de teleurstelling in hun ogen omdat ik er nog zat. Ze leken altijd te hopen dat ik - 'poef' - zou oplossen in het niets. Dat er van mij hoogstens nog een stofwolkje zou overblijven, en daarna niets meer. Dat kon ik hen niet kwalijk nemen. Niet meer bestaan was ook míjn vurigste wens. Ik wilde niet sterven, want dat leek me zo'n gedoe. Mijn ouders zouden een begrafenis moeten regelen. Mensen uitnodigen die ze niet meer wilden zien. Verdriet hebben (mijn vader) of verdriet spelen (mijn moeder). Nee, ik wilde niet sterven. Ik wilde ophouden te bestaan. Oplossen, verdwijnen, zonder een spoor achter te laten. Onzichtbaar was ik toch al.   Mijn moeder drukte me op het hart niets over haar ontmoetingen met die vrouw tegen mijn vader te zeggen. Voor ze me in dat complot betrok, vertelde ik alles aan mijn vader. Het was moeilijk om nu iets voor hem te moeten verzwijgen. Was ik medeplichtig aan mijn moeder haar overspel als ik niets zei? Maar wat zou er gebeuren als ik het wel vertelde? Dan gingen ze misschien uit elkaar en was het mijn schuld dat ons gezin kapot ging. Bovendien wist ik niet wat ze met mij zouden doen. Mijn moeder was me liever kwijt dan rijk, maar dat zou ze nooit aan hem toegeven. Als ik een week bij mijn vader en een week bij mijn moeder moest verblijven, zou ik de helft van de tijd ongeliefd en ongelukkig zijn. Dus ik besloot om nog even te zwijgen.   'Je bent zo stil tegenwoordig, meisjelief', zei mijn vader op een avond toen hij me onderstopte. Ik reageerde niet. 'Gaat het niet goed op school', vroeg hij. Ik reageerde nog steeds niet. 'Je weet dat je me alles kan vertellen, meisjelief', drukte hij me op het hart terwijl hij me op mijn voorhoofd zoende. Vlak voor hij naar buiten ging, zei ik 'Papa', maar ik bedacht me. Het was beter om niets te zeggen. Hoe stiller ik thuis werd, hoe liefdevoller mijn vader me behandelde, en hoe schuldiger ik me voelde over het bedrog waarin mijn moeder me betrokken had. Ik keerde me van hem af, snauwde hem af wanneer hij vroeg hoe het op school was geweest. Mijn hart brak wanneer ik zag hoe ik hem kwetste en hoe weinig hij ervan begreep.   Soms nam mijn moeder me mee wanneer ze iets ging drinken met die heks. Ze zochten altijd brasserieën op waar het rook naar een mengeling van oude mensen en zoet gebak. Daar waren ze zeker dat ze niemand zouden tegenkomen die ons kende. Zij keken diep in elkaars ogen over hun koppen thee heen en fezelden over waar en wanneer ze elkaar zouden terugzien. Ze hielden mij zoet met wafels met slagroom en warme chocolademelk. Ook vijftien jaar later word ik nog ongemakkelijk van de zure geur van oude mensen en de zoete geur van wafels.   Op een dag besloot ik om haar erop aan te spreken. Als ik het niet tegen mijn vader mocht zeggen, kon ik wel proberen om haar ervan te overtuigen om dat zelf te doen. Toen ik op vrijdagmiddag thuiskwam van school was ze erg vrolijk en ik trok mijn stoute schoenen aan. 'Mama', vroeg ik 'wanneer ga je het eigenlijk tegen papa vertellen, dat je verliefd bent op iemand anders?' Ze schrok, kwam naast me zitten: 'Kindje toch, waar ben jij nu mee bezig. Wat er tussen haar en mij is, dat heeft niets met jou en je papa te maken. Je moet niet bang zijn. Hier zal er niets veranderen. Voor jou blijft alles hetzelfde.' Ze leek te denken dat die woorden geruststellend waren. De rest van dat weekend was ze erg lief tegen mij en mijn vader. Ze was de vrolijkheid zelve. We gingen naar de speeltuin in het park en aten daar zelfs vol-au-vent met frietjes. Ik was hoopvol. Ik dacht dat ons gesprekje haar de ogen geopend had en dat ze besloten had om voor ons te kiezen en haar relatie te beëindigen. Maar toen werd het weer woensdag en ging haar spel door als vanouds.

Sofie Strubbe
16 1
Tip

Otto

Voor Otto Frener was het leven een kermis. In zowel de letterlijke als de symbolische betekenis van het woord en alle schakeringen daar tussenin. En er zijn drie belangrijke dingen die je over hem moet weten vooraleer we verdergaan: hij had een hekel aan onnodige dramatiek, zijn smoutebollen waren bijna even memorabel als de hittegolf van 2003 en na de dood van zijn vrouw waren er krakjes beginnen ontstaan. En Otto had humor, zelfs zakken vol ervan. Bij de geboorte van zijn zoon had hij zo lang aangedrongen dat zijn arme vrouw er akkoord mee was gegaan het kind Fred Frener te dopen. Enkele jaren daarvoor, bij de opening van zijn smoutenbollenkraam, had hij naar eigen zeggen de wonderbaarlijke ingeving gekregen het de naam “Smottobollen en meer” te geven. Otto Frener was dan wel niet te vinden voor dramatische gebeurtenissen, als het op plezier maken aankwam hadden veel mensen iets van hem te leren. Je moet ook weten dat Otto een heel wijze man was, van de soort intelligentie die bekrompen zielen niet zouden toeschrijven aan een simpele marktkramer. Otto’s kraam had een vaste plaats op het dorpsplein en gedurende het hele jaar werd het vaak bezocht door dorpelingen en passanten. Wanneer de warmere maanden aanbraken en er in naburige dorpen een kermis op poten werd gezet, ging ‘Smottobollen en meer’ naar goede gewoonte ieder jaar de andere kraampjes en tal van attracties vergezellen. Toen kleine Fred drie jaar oud was spoorde Otto hem aan om in een straal van een vijftigtal meter met een stel macarenas al kierend mensen aan te klampen en reclame te maken voor zijn goede oude heer die even verderop boven de frituurketels stond te zwoegen. “Ach Anja,” zei hij dan wanneer zijn vrouw protesteerde, “die jongen groeit zo snel dat het ons ontgaat.” En enkele woorden zoals deze waren dan genoeg om zijn lieve Anja gunstig te stemmen.   Het groeien ging zo snel dat het verouderen aan zowel Otto’s als Anja’s aandacht was voorbijgegaan. Voordat ze het goed en wel beseften was de kleine Fred een stevige jongeman van twintig geworden en waren hun eigen lichamen begonnen aan een trieste aftakeling. Want dat was het enige woord dat Otto eraan gaf: triest. Zijn wangen waren doorheen de jaren ingevallen, er lagen donkere kringen onder zijn ogen en zijn dunne haar was geleidelijk begonnen aan de vergrijzing. Anja had het moeilijker met de hele zaak. Het vet aan haar buik begon stilaan meer en meer over haar broeksrand te hangen en fijne rimpeltjes sierden haar grijze ogen. ‘Wat heb ik nu eigenlijk aan mijn jonge jaren gehad?’, vroeg ze Otto een keer toen de twee zich aan het klaar maken waren om naar het trouwfeest van een achternichtje van Anja te gaan. Ze draaide enkele keren rond haar as voor de spiegel en probeerde het riempje rond haar jurk nog een gaatje strakker te steken. ‘Waarom heb jij mij nooit ten huwelijk gevraagd? Ik heb vroeger nooit de kans gekregen om met mijn strakke troeven te pochen in een trouwjurk, boerke!’ Otto had met zijn ogen gedraaid en zijn das wat losser getrokken. ‘Omdat ik geloofde dat er nog mensen zijn die uit welwillendheid bij elkaar blijven.’ En met die woorden in zijn achterhoofd waren ze ten slotte vertrokken. En toen had Otto nog maar eens een keer tegen zichzelf gezegd dat hij een hekel had aan discussies zoals deze. (het was allemaal minder serieus dan hoe het hier op papier klinkt) Een jaar later waren ze vertrokken naar het huwelijk van Fred. Anja’s buik was nog meer gaan uitpuilen, Otto was haar beginnen te verliezen, en hun kibbelen was blijven verdergaan zoals het pruttelen van het frituurvet in zijn kraam: steeds luider, maar makkelijker te negeren met het verstrijken van de jaren. En hoewel ze hun goede en slechte tijden kenden, Otto was altijd een beetje trots geweest op zijn keuze om niet te trouwen. Want wit was toch nooit Anja’s kleur geweest.     Na zijn middelbare school afgemaakt te hebben was Fred vrijwel direct begonnen met fulltime in het kraam te werken. Het had niet minder dan logisch geleken, zoals het had moeten zijn. Otto genoot altijd van het reizen en zeilen in zijn kraam, maar pas wanneer ze naar een kermis in de buurt trokken had hij de tijd van zijn leven. Hoe ouder Otto en Anja werden, hoe meer Fred en zijn vrouwtje Sarah het werk op zich namen. ‘Waar is die oude rakker?’ vroeg men dan bij het bestellen van een portie smoutebollen of Brusselse wafel. Meestal haalde die twee dan hun schouders op. ‘Hij vindt het leuk om alle attracties uit te proberen’, zeiden ze dan uiteindelijk. En natuurlijk, na verschillende ritjes in de wildste attracties achter de rug te hebben kwam Otto dan altijd weer aangesloft bij zijn kraam. ‘Fred, geef je vader eens een keer een portie van 12, de sfeer zit goed vanavond.’ En zoals een zoon dan gehoord was om te doen, luisterde ook Fred naar zijn oude vader, terwijl hij zich steeds weer afvroeg waarom Otto dikwijls met een paar macarenas in zijn ene en zijn smoutebollen in de andere hand op wandel ging. Die man zat vol mysteries en grappen, en Fred had geen idee tot welke categorie dit rare voorval toebehoorde. Anja stierf in januari 2006. Het plein met de vaste plaats van “Smottobollen en meer” transformeerde in een zee van bloemen. Otto besloot om zich een paar dagen in stilte terug te trekken achter zijn voorgevel, maar na een kleine week stond hij erop zijn werkschort weer aan te trekken en smoutebollen te frituren zoals hij nog nooit eerder had gedaan. Telkens wanneer Freds blik de zijne kruiste keek een oude man met een aantal krakjes terug. ‘Kijk niet naar mij alsof ik elk ogenblik neer kan vallen,’ zei hij op een dag tegen hem. En met die woorden strooide hij een hoeveelheid bloemsuiker op een bestelling die het dochtertje van de vrouw aan de andere kant van de toonbank deed kirren van plezier. Voor Otto Frener was het geen optie zich gewonnen te geven aan de tol van zijn drukke jaren, hij had nog zoveel dingen te beleven.   ‘Er valt nog zoveel te beleven, Fred.’ Wanneer hij het fotoalbum neerlegt en zich omdraait, staat Otto in de deuropening. Er blinken pretlichtjes in zijn ogen en zijn zoon kan zien dat zijn gedachten elders zijn. Wanneer Fred de auto aan het plein parkeert begint de middagzon net door de wolken heen te breken. Otto haalt zijn sleutelbos tevoorschijn en begint de sloten van het kraam te openen. ‘De sfeer gaat goed zitten vanavond, Fred,’ zegt hij opgewekt. ‘Waarover had je het daarnet?’ vraagt die nieuwsgierig. Otto kijkt hem even aan alsof hij hem net heeft gevraagd hoeveel één plus één is. ‘Wat ik zei, jongen! Er valt nog zoveel te beleven, en mijn zoon zit zijn tijd te verdoen met oude fotoalbums door te bladeren en herinneringen op te halen van lang vervlogen tijden. Leef in het nu, zoon, da’s wat ik je zeg.’ Na die woorden bond Otto al fluitend zijn schort om en liep het kleine trapje af om het bord recht te zetten, terwijl Fred zich afvroeg of zijn vader briljant of seniel verward was. Hij gokte op de middenweg. Tegen de avond was het plein gevuld met allerhande kramen van de jaarlijkse kermis in Otto’s dorp. Vrijwel alle marktkramers begaven zich na aankomst naar “Smottobollen en meer” om hun oude vriend te begroeten en iets lekker mee te pikken na hun vaak lange reis. ‘Ottoman!’, schreeuwde een gezette man met een walrussnor en Nederlandse toonval enthousiast vanaf 30 meter afstand. ‘Hoe gaat het met mijn favoriete ouwe oliebol?’, vroeg hij toen hij Otto in een stevige omhelzing nam. ‘Ik kan wel een stevige portie van je bollen gebruiken man, dat verkeer was niet te doen vandaag!’ Otto klopte hem amicaal op de rug en begon enthousiast te vertellen. Na nog enkele nieuwsuitwisselingen nam de man afscheid en liet Otto beloven dat ze straks samen een glas zouden drinken. Otto ging samen met Fred weer aan de slag en mompelde nog wat gelukzalig na over zijn weerzien met een oude vriend. ‘Zorg dat hij je niet onder tafel drinkt straks,’ grinnikte Fred. Otto lachte en gooide een pannenkoek de lucht in. “Zeg maar tegen je moeder dat ik laat thuiskom vanavond.”   Als alles goed ging was er lawaai. Gelach en getier, met een glimlach en geamuseerd handgebaar. Als het goed ging waren ze met drie als een geoliede machine. Er was een logica en herhaald patroon terug te vinden in hun handelingen. Otto nam vanzelfsprekend de charismatische taak op zich. ‘Ze komen niet alleen voor de calorieën, benjamins,’ zei hij op een avond tegen zijn zoon en schoondochter toen het laatste groepje klanten was weggeslenterd. ‘Er is meer nodig dan suiker om mensen zoet te houden.’ En met die uitspraak reikte hij hen beiden een gekarameliseerde appel aan die hij bij het vallen van de avond stilletjes opzij had gelegd. Bij kermissen was het altijd goed, was er altijd lawaai en meer terug te vinden. In de dagelijkse sleur slopen er met het verstrijken van de jaren meer en meer slechte dagen. Op een zomerdag, enkele jaren na Anja’s dood, begonnen Otto’s handen te trillen. ‘Dat is de elektriciteit die hier in de lucht hangt’, grapte hij dan als er vrouwelijk schoon aan zijn kraam stond. ‘Het kan geen kwaad om wat af te bouwen, vader’, haalde Fred op een zondagmorgen voorzichtig aan. Otto en hij maakten naar goede gewoonte een wandeling naar de bakker voor keizerpistolets. ‘Doe het een beetje rustiger aan, zoek misschien een hobby. Ik heb gehoord dat ze in het café op de hoek nog iemand zoeken voor te kaarten.’ Otto wimpelde zijn voorstel met een groot handgebaar weg. ‘Doe niet zo dwaas Fred Frener, mijn kraam is de beste hobby die ik kan hebben.’ Om zijn woorden kracht bij te zetten versnelde hij zijn pas en ging met zijn handen in zijn zakken voor zijn zoon uit lopen. Na een minuutje draaide hij zich om en liep achterwaarts verder. ‘Ik zal je nog meer zeggen: mijn zoon is een hannes die denkt dat ik mijn vervaldatum nader en schrik heeft dat ik binnenkort met mijn verwarde hoofd in een driftige bui op mijn toonbank ga staan en in een pruttelende frituurpan urineer. Wel, vandaag trilt alles.’ En na die uitspatting, die voor Otto Freners karakter bijzonder ongewoon was, liep hij het eerstvolgende zebrapad over en ging een supermarkt binnen. Want uiteindelijk was een doos ontbijtgranen even goed voor hem.   Er zijn altijd zaken die het verdienen om onthouden te worden maar toch in de vergetelheid terecht komen. Bijvoorbeeld de manier waarop Anja haar lippen stiftte en hoe ze zich na een lange dag gelukzalig in de sofa uitrekte. Of de euforie van een kleine Fred wanneer de zomervakantie begon, zonnestralen leken nog nooit zo warm. En er begonnen dagen voor te vallen waarop Otto in een te lage versnelling leek vast te zitten. Dan leek de damp in het kraam nog nooit zo heet en het kabaal nog nooit zo luid. Bij de plaatselijke kermis in de zomer van 2011 was er een dieptepunt en het begon allemaal met die verdomde appelbeignets. Een vrouw van middelbare leeftijd, het type waarvan men na één blik kan afleiden dat ze aan bloemschikken doet in haar vrije tijd en graag tripjes maakt naar plaatsen als Zurich, had een portie churros en enkele gekarameliseerde appels bestelt. Nu moet je weten dat de familie Frener in de loop der jaren een duidelijke taakverdeling had ontwikkeld. Hoe ouder Otto werd, hoe vaker hij Fred de opdracht gaf vooraan te staan en hem om de zoveel tijd enkele bestellingen toe te roepen. Het was geen poging om zichzelf te ontlasten van het harde werk, het was simpelweg Otto die na het lange zeuren van zijn oude lichaam inzag dat hij niet langer het meeste werk op zichzelf kon nemen. En natuurlijk waren er mensen die zich dan afvroegen waar die fervente verkoper van lekkernijen naartoe was gegaan, en met een simpel gebaar kwam hij dan vanachter het achterste keukenmateriaal vandaan. Op de dag dat de dame in kwestie bij ‘Smottobollen en meer’ stond, was het ook haar bestelling die Fred zijn vader toeriep. En met zijn arme verwarde hoofd had Otto per ongeluk een portie appelbeignets klaargemaakt. Zoals elke bestelling die hij op zich nam gaf hij ook deze zelf af aan de klant, wat hem die dag een verontwaardigde blik opleverde. ‘Ik heb zoveel over deze tent gehoord,’ had de bloemenschikster met een opgeheven neus gezegd, ‘en dan blijkt er hier zo weinig verschil tussen appels met karamel en appelbeignets te bestaan? Misschien had ik in dat geval beter een stroopwafel kunnen bestellen, dan waren die appels misschien toch in orde gekomen.’ Na die kleine uitval had ze de zak appelbeignets uit Otto’s trillende handen gegrist en hem ontzet achtergelaten, terwijl de jingles van de nabije attracties hem luider en luider in de oren klonken en er niets anders dan schaamte door hem heen ging. Later die avond, op een moment dat het rustig was en de gewoonlijke drukte al even voorbij was, mompelde hij tegen Fred dat hij een luchtje ging scheppen en liep het kraam uit. De avondlucht leek zuiverder en koeler dan anders, ook al hingen er verscheidende kermisgeuren in de lucht. Hij had geen bestemming, maar besloot om niet terug te gaan vooraleer hij zich beter voelde. Hij dacht aan Anja en al die keren dat haar lach aan zijn zijde had geklonken. Alles was heel ver weg, zelfs de schort die hij nog steeds aanhad was niet van hem. En dan zag hij plots de vrouw van de appelbeignets, slenterend aan de arm van haar man. Hoewel ze nog relatief ver weg was zag Otto restjes bloemsuiker aan haar mondhoeken hangen. ‘Ik heb een kraam, geen tent,’ fluisterde hij tegen zichzelf. En op dat moment wist hij heel zeker dat hij dat moment nooit mocht vergeten.   Ik vraag mij af waar het ophoudt, denkt Otto wanneer hij de zoveelste donkere hoek omslaat. Pas toch op ouwe vent, heb je dat geraamte niet zien staan? Otto grijpt naar zijn borstkas en lacht. ‘Je had me er bijna bijgelapt, knul!’, roept hij over zijn schouder. Ergens ver achter hem breken opgewonden kindergilletjes door. Vanaf het plafond strijken metalen schakelkettingen over zijn kalende kruin en in de wanden licht regelmatig schemerige rode neonverlichting op. Gewillig laat de oude Otto zich op zijn handen en knieën zakken. Na een paar meter buigt de grond stijl af naar beneden. ‘Ik verwacht een prijs straks,’ mompelt hij voor zich uit, vooraleer hij op zijn zij naar beneden rolt. Na nog een kleine vijf minuten het donkere parcours gevolgd te hebben en een schouderklopje te hebben uitgedeeld aan een jongedame die zich voordeed als Bloody Mary, staat Otto weer buiten in de drukte. Een groeiende rij wachtenden kijkt hem aan. Hij maakt een buiging en loopt om hen heen naar het kleine loket toe. ‘Ik hoop dat er volgend jaar weer een paar zombies zijn. Die rakkers zijn pas eng,’ fluistert hij het tweetal achter de kassa met een knipoog toe. Als hij zijn weg vervolgt maakt Otto een zwierige pirouette. Het spookhuis is een favoriet van hem.   Het leven is zoeken en opnieuw kwijtraken. Ik ben altijd aan het broeden op iets. Een gezicht dat mij bekend voorkomt; iets dat ik twee minuten geleden wou zeggen en me nu ontglipt is; bepaalde puinhopen die ik maar niet uitgeklaard krijg; het vinden van een iets dat wacht. Er zijn momenten van sereniteit en er zijn dagen van paniek. En ik wil praten over de gaten in mijn leven en het zoemen in mijn hoofd. Ze willen mij doen bedaren en begraven, suiker was nog nooit zo nutteloos. Ik loop rond en rond en zonnestralen zijn zo heet dat alles koud is. En dan uiteindelijk gaat iedereen te snel voor een oude marktkramer die onzin uitkraamt en begint vast te roesten in een iets dat al lang vervlogen is. Maar er is een schoonheid die ik niet kan thuisbrengen en mij daaraan vasthouden is het enige dat mij nog zekerheid kan brengen. Hoeveel dagen zijn er nodig om weg te schemeren? Zelfs een spookhuis voelt als ongrijpbare rook. Gelukkig zullen er altijd jingles zijn om op te dansen.   Otto voelt een hoestbui opkomen en laat het gaan. Hij moet een paar keer in het gras spugen om er helemaal vanaf te geraken. Het is een warme dag en hij zoekt met zijn ogen steeds weer het weerkaatste zonlicht op het wateroppervlak van het meer op. ‘Het is goed zo,’ mompelt hij. Anja maakt zich los van haar eigen gedachten en kijkt hem van opzij aan. ‘Wat? Wat is goed?’ Otto wacht even met antwoorden en raakt vluchtig haar hand aan. ‘Het nu. En alles wat nog komen zal.’ Hij gooit de laatste stukjes brood naar de kwetterende eendjes en zet zich neer in het gras. ‘Soms doe jij toch zo’n zotte uitspraken.’ Anja komt naast hem zitten en probeert een moedige eend wat dichterbij te doen komen. Otto bekijkt de lucht, die blauw en eindeloos is, en kan een glimlach niet onderdrukken. Zot is hij altijd al een beetje geweest.   Als er een getolereerde manier zou zijn om het einde van verhalen te verklappen, zou dit het moment zijn waarop een lang verwachte aap uit de lapjesmouw komt. Want er zijn veel anekdotes van Otto die de moeite waard zijn om te vertellen en minstens evenveel woorden die het verdienen om te worden geciteerd, maar niemand is onvervangbaar. En natuurlijk sterft onze lieve vriend Otto ergens tussen deze regels. Pif poef paf, deze kous is allang af. Voor Otto lag er schoonheid in zijn kluwen van vervlogen tijden en gingen liefde en zotheid hand in hand. Voor sommige mensen is het leven een jacht en er zijn ongetwijfeld schatten die de moeite waard zijn, terwijl anderen rondslenteren op een kermis van kleurpaletten die uiteindelijk durven vervagen. En oud worden leek nog nooit zo moeilijk en makkelijk nu Otto zijn schort aan één of ander haakje heeft weggehangen. Want er is niets meer zinvol dan te leven met teveel zaken om allemaal in handen te houden. Bestaan is niet loslaten en leven is vasthouden, en met die geruststellende gedachte heeft Otto Frener uiteindelijk alles laten gaan.              

Cara Jacobs
18 2

En toen kwam jij Jennifer Jennings

Weet je het nog Ramsie? .. Ramsie? Allé Ramsie geeft nu toch eens antwoord?!    U zult zich waarschijnlijk afvragen waar ik het in Godsnaam over heb... Ramsie is de 1nige echte vriendennaam die alleen ik mag gebruiken aan Ramses Shaffy...   Laat mij nu vooral doen en laten we onthouden dat deze multiculturele zanger nog steeds leeft... Dat kan namelijk ook niet anders want ik ben met hem nog op stap geweest, een gezellig uitstapje naar de zwarte markt in Tessenderlo.   Ik weet het alleszins nog goed, het was een koude miezerige zondagmiddag, Ramsie daarentegen zal het wss niet meer weten en daar zijn vrij simpele oorzaken voor. Ramsie lijdt en is tegelijk leider bij uitstek van het syndroom van Korsakov, hij kan het niet laten om eens stevig te bingedrinken... En wie ben ik als goede vriend om hem dat te ontzeggen... Ok ja, Ramsie is totaal geen leuke zatte mens zoals ik.. kan ook moeilijk anders, als Ramsie weer eens lekker lam in zijn rolstoel ligt te verkleuren en zijn neus er weer maar eens dreigt af te vallen moet ik mijn seniele vriend er van weerhouden om zichzelf te pijpen... Gênant? Zou je denken... maar Korsakov heeft ook zo zijn voordelen...    Soit, de zwarte markt... het hoogtepunt van bal marginal in Vlaanderen. Op deze plaats doen de echte carapils Vlamingen zichzelf alle eer aan, genieten was het voor mij.. Enkel mijn vriend Ramsie verder duwen in de geleende rolstoel van de CM werd een domper op de feestvreugde... Maar zo gaat het nu eenmaal in het leven... Ik keek rondom mij en er waren nog mensen in een rolstoel.. Obese lelijke moeders die zich op hun best hadden gekleed om hun zondag optimaal tot een hoogtepunt te brengen... De kansarme dochter genaamd Wanda had natuurlijk de ongewilde taak om haar moeder verder te duwen terwijl papa Maurice genoot van een hamburger en zoonlief Kiano koortsachtig op zoek was naar een nieuwe bibigun...   Verschillende levens en verhalen kruisen zich elkaar die dag.. En zo ook die van Hamid, deze verkoper van iPhone hoesjes van onder andere Enrique Iglesias en Wendy Van Wanten sprak mij en Ramsie aan, wel eens waar zonder te weten, allé dat ik eigenlijk geen reet intresse toonde... Ik probeer ten volle te genieten van het tafereel Tessenderlo op zich, dus waarom ook niet..   Al snel verandert de toon van het 1000ste mislukte verkoopspraatje van Hamid wnr Wanda en haar "stront wie heeft mij gescheten" marginaal gezinnetje de revue passeert op zoek naar een bibbigun voor zoonlief Kiano... Naast het standje van Hamid bevindt zich namelijk een kraampje met nog meer rommel waar zelfs Hamid alleen maar van kan dromen.. Er zijn samuraizwaarden voor in de living of in de eetkamer van de caravan op te hangen, er zijn beeldjes van Hentai wijven met zwaarden, er is een bananenhangmat verkrijgbaar, spelletjes voor de gameboy, houten bordjes met de meest originele quotes zoals "Thuis... waar liefde woont, herinneringen ontstaan en vrienden altijd welkom zijn" , tandpasta van Colgate uit Turkije voor maar €1,... En ja idd ook bibiguns   Nu vader Maurice, die nog steeds beweert 1 van de kopstukken te zijn geweest van het VMO, kan het natuurlijk niet laten om eens vies te zien naar Hamid en tegelijk voor hem het meest toepasselijke te roepen... "Ey vullen bruine,  zoude is ni beter naar uw eigen land gaan met uw kuthoesjes van Enrique Iglesias en Wendy Van Wanten!"  Hamid zijn argument dat hij wel degelijk is geboren in België haalt niets uit.. Kiano heeft vrijwel meteen zijn bibigun gevonden en het gezin begeeft zich verder naar de eetkraampjes om zich te voldoen aan een heerlijke kebap voor ze richting camping Eekhoornhof vertrekken...   Nu sta ik daar, met een iets wat verbijsterende Hamid, Ramsie die eigenlijk al in het slaap was gevallen onderweg naar hier, en nogmaals ikzelf die stiekem meer aandacht had voor de ontblote torso van Enrique op de hoesjes.... Een beetje raar allemaal, maar niets is abnormaal voor de beruchte zwarte markt.. Ik zou mezelf niet zijn mocht ik geen intresse hebben in het verhaal van Hamid zoals dat van Maurice ..   Wat volgt is een wel zeer kort gesprek waarin ik al snel spijt kreeg dat ik achter het "waarom" vroeg van Hamid de lelijken bruine zijn bestaan... Want verdomme het is toch echt wel een lelijke bruine, met zijn froefelig kort krullend haar, die sandalen, zijn gele tanden, stinkende adem van noten en olijven op een bedje van pijptabak...   Soit, Hamid zijn vader Mourad is in de jaren '60 naar België gekomen om te werken in de mijnen van Genk.. Wat een mooi verhaal kon worden werd het dus niet... Gered werd ik door mijn trouwe 2wieler Ramsie, hij had zoals dat dan gaat zijn broek vol gescheten... Dank u Ramsie!    Eenmaal aangekomen bij het toilet ververste ik het maandverband van Ramsie en deed hem een reservekousenbroekje aan die ik steeds bij heb als er een ongelukje zoals vandaag zich mocht plaatsvinden. Ik had ook nog even de tijd om het hoesje van Enrique te bewonderen dat ik had gepikt van Hamid toen Maurice hem de les aan het spellen was...    We zetten onze tocht verder, ik ben ondertussen te weten gekomen dat  Louis Neefs zal optreden om 19h op de Main Stage van de zwarte markt! Super! Dat zorgt toch voor een leuke intermezzo, dat het voorprogramma verzorgd wordt door zijn lullig gepest kutkind van een zoon Gunther Neefs zal geen roet in het eten gooien...   Ik begeef me alvast naar de toog om mij en Ramsie te voorzien van het nodige gerstenat om het vocaal gezever en gezeik te kunnen doorstaan... Een kleine 24pinten later is het dan zover... Ramsie probeert zichzelf te pijpen en Louis Neefs begint aan zijn show! Wat volgt is een compilatie van Louis zijn bekendste liedjes...  Mijn vriend Benjamin, Margrietje, Ik heb zorgen, Aan het strand van Oostende, Martine, Laat ons een bloem,... De zwarte markt gaat uit zijn dak! En net als ik dacht dat het niet mooier kon zijn sluit Louis Neefs zijn memorabele best hits compilatie af met Jennifer Jennings... mijn lievelingsliedje...   Het einde nadert van een prachtig dagje Tessenderlo, ondertussen ben ik al goed beschonken en kan het mij alsmaar minder en minder schelen hoe Ramsie zich gedraagt in de rolstoel... Het wordt tijd om maar eens naar huis te gaan.   Ik moet toegeven dat het een geweldig plan was, idd was.. Geen rekeninghoudend met alcoholcontroles in België rijden we los zo een controle in... Miljaar! Wat nu?! Ik twijfel niet en neem absoluut geen verantwoordelijkheid voor mijn daden door Ramsie aan te duiden als chauffeur... maar het mocht niet zijn...   Terwijl ik naar de combi begeleid wordt maak ik er de agenten op attent dat Ramsie nog eens naar het toilet zou moeten, mijn woorden zijn nog niet koud of het onheil is geschied... Ramsie plast zen kousenbroekje vol...   Alles is ondertussen wat bekoeld.. niet alleen de warme pisbroek van Ramsie maar ook onze vriendschap...   Hoe zou het eigenlijk nog zijn met Ramsie?... Ramsie?.. Ramsie?!!    

Bart Van de Peer
72 0