Lezen

Het logboek van Joeri Primakov, kosmonaut aan boord van het ruimtestation MIR (deel 15-einde)

Vrijdag, 23 maart 2012   Ik heb gemerkt dat mijn l.ptop (van Chinese makelij) het niet lang meer zal tr.kken, want tijdens het t.pen verdwijnen er soms l.tt.rtj.s. Hopelijk is dit een t..delijk probleem, en kan ik versl.gen blijven schrijv.n.   Mo.e .od mi. .enadi. z..n.   .oeri Prim.kov, kosmonau.   Zaterd.g, 24 maart 2012   Ik ben vanmorgen de atmosfeer van plan..t N°05 binnengedrongen en heb de Doerak (moeizaam maar veilig) op een tropisch strand geland. Toen ik daaropvolgend de streek verkende, botste ik vrijwel meteen op het Sirius Star Hotel, waar mij prompt de duurste kamer werd opgedrongen; in dat opzicht lijkt deze plaats alvast een beetje op de .arde. De zee is hier echter goudkleurig en kent geen golven of getijden, een beetje vergelijkbaar m.t een gigantische honingbrei! Ik ben van plan er straks een goeie duik in te nemen, want ik sta echt te p.pelen om mijn nieuwste KGB-zwembroekje eens uit te proberen!   In de verte, achter enkele reusachtige palmbomen, bekleden honderden witgekalkte huisjes een grillige rotswand. Dit bevreemdend geheel wor.t broederlijk beschenen door een duo van roze zonnen, waarbij de ene -haastig als een hitsige minnaar- de and.re onophoudelijk opjaagt. Uiteindelijk is het een aangename ver.assing om te constateren dat deze plek iets weg heeft van een exclusief vakantieoord, dat daarenboven enkel door jonge deernes bevolkt wor.t! Het is kennelijk mijn geluksdag, want het zijn alle-maal enorm g..le m..den en ze hebben drie ......!!! De drankpralines, die ik hen als welkomstgeschenk gaf, werden alvast enthousiast onthaald! Ze wisten me te vertellen dat de vier andere planeten door mannen bewoond worden, maar dat die zich nog op een primitief bes.havingsniveau bevinden. Ze zijn er tot op heden dan ook nog niet in geslaagd om een verbinding met deze vruchtbare vrouwenplaneet te realiseren.   Ik ben echt op een ongerept paradijs terecht gekomen, alleen is het hier niet goedkoop. Het Siriusspeenvarken en de Sirius Slash (een plaatselijke cocktail op basis van k.k.sn.t.n en rum) hebben me reeds een fortuin gekost, en zelfs voor de bijhorende borrelno.tjes moest betaald worden! Helaas leed ik daarnet ook nog zware verliezen in het casino, wat inhoudt dat mijn VISA-rekening al férm geslonken is; gelukkig is de coc.ïne hier wel gratis! Binnen een uurtje krijg ik trouwens een grondige gezichtsverzorging, want vana-vond ben ik als eregast op het jaarlijkse g.l.b.l uitgenodigd. Het is vandaag immers de feestdag van hun patroonheilige Sint-Sirius, een vleermuisa.htige figuur die in 1452 (na een bloedige veldslag tegen de katholieken), de onafhankelijkheid uitriep. Hopelijk ver-warren ze mij niet met hem, want ik vergat mijn Spock-or.n af te zetten toen ik landde!   Naar het schijnt heeft kosmonaut Flimout deze locatie ook bezocht, maar hebben ze hem verjaagd omdat hij tegen het standbeeld van Sint-Sirius stond te p.ssen. In tegenstelling tot hem, ben ik niet zinnens deze droomwereld onmid.el.ijk te verlaten; mijn Doerak is reeds voor een Siriusskoda 4X4 cabriolet ingeruild, en ik kreeg er nog een gratis Siriusswatch bovenop ook!   Zo'n service doet de geda.hte aan thuis natuurlijk zéér snel in het niets verdamp.n; eigenlijk kunnen ze daar allemaal eens f.rm mi.n .ak ..bl.z.n!   .od was mij genadig.   Joeri Prima..., .........     (vrij vertaald uit het Russisch door Vince, mei 2006)  

Vince
0 0

Het logboek van Joeri Primakov, kosmonaut aan boord van het ruimtestation MIR (deel 13)

Dinsdag, 20 maart 2012   Morgenochtend vertrek ik naar Sirius, dus dit is mijn laatste verslag vanuit ons zonne-stelsel. Ik weet absoluut niet of het leven zich daar reeds gemanifesteerd heeft, maar ik hoef me eigenlijk geen zorgen te maken; er zijn genoeg sterrenstelsels om te verkennen en de champagne is nog lang niet op!   Ik kan niet ontkennen dat een definitief afscheid van de aarde me toch vrij zwaar valt. Het blijft mijn natuurlijke habitat en mijn persoonlijke levensgeschiedenis is er onlos-makelijk mee verbonden. Alleen is het zinloos mezelf met melancholische mijmeringen te martelen, per slot van rekening ben ik nu een pionier van de mensheid, net zoals kosmonaut Flimout. Klaarblijkelijk gebruikte hij dit toestel om het hele Andromeda-stelsel te gaan platneuken, althans, dat heeft hij zélf in de marge van dat Chinese instructieboekje geschreven. Er zit zelfs een kaart bij, die expliciet aangeeft waar de beste bordelen zijn. Ik ben niet van plan die route te volgen, want mijn vertrouwen in hem werd al meermaals beschaamd en bovendien is mijn VISA-kaart daar niet meer geldig. Het is wel hoopgevend te weten dat er vele plaatsen in het universum bestaan, waar de mens nog van bil kan gaan.   Het organische materiaal, dat ik donderdag laatstlede neerknalde, werd door het lab geanalyseerd en de conclusie luidt dat de restanten afkomstig zijn van Laika, het Rus-sische ruimtehondje. Het arme beest zat blijkbaar nog altijd braafjes achter het stuur van zijn Spoetnik op hulp te wachten, en dat heeft het in zeker opzicht dan ook gekre-gen. Die mannen van Gaia zullen hier ongetwijfeld wel weer een vette kluif aan hebben; het schrikbeeld van een nieuwe dagvaarding, doemt me nu reeds voor de ogen op!   Moge God mij genadig zijn.   Joeri Primakov, kosmonaut     Woensdag, 21 maart 2012   Geen verslag wegens WARP.   Moge God mij genadig zijn.   Joeri Primakov, kosmonaut  

Vince
0 0

Over reuzen en scheve muilweters (3)

Ik zeg het nochtans elke keer. Tegen Willy en Willibrord. Dat ze niet met die taljoren moeten smijten. Dat zoiets geen geluk brengt. Alleen maar zeer doet. In mijn kop. Dan lachen ze. En zet ze ook niet te geweldig in de kast. Ik voel dat. Als borden mishandeld worden en daar onrustig van worden. Dan lachen ze nog meer.     De plannen van de gasnarwal met de nodige toelichtingen en technische details borg Ignace veilig op in de zak.   Wij zaten daar nu. Ignace en ik toch. Alfred stond de ganse tijd recht. Ik denk dat er achter zijn koeltoog een verhoogje gemaakt was. Of het hoog genoeg was (en is), dat betwijfel ik, zeker als er een peuter komt die een biggy burger wilt en Ali F. zich dan helemaal over die koeltoog moet plooien om het warme vleesding in de pollen van die minderjarige te steken met de woorden : “En wil je nog een snoepje?”   Dat lukt hem nooit. Hij moet zich dringend eens laten kraken en rekken bij een arrangeur van lange liedjes. Ach, frietkotgrappen…. keep it simple en bestel gewoon een kleintje met niets.     Er gleed een koets voorbij, richting Brugge, een ambulance rinchting Sint-Jan, een kind op sleepfiets, een oudere reed ervoor. “Ga toch uit de weg,” riep die kleine tegen die grijzaard, zijn bompa. Man, man... vrouwen ook, met fladderrokjes op tweewielers, en mannen die als kwezels erachteraan vlogen, maar dan op vier wielen, voor de zekerheid, auto’s van de zotste merken en met de raarste voorlichten, met de zotste golven in de portières gestanst ergens in een ver land onder een reusachtige machine. Ik wilde niet blijven kijken, maar Ignace dwong me bijna.   “Kijk daar. Een bus. Weet gij hoe gevaarlijk zo’n ding is!?” Het klonk niet echt als een vraag. Eerder als een waarschuwing. Hij haalde weer een B4 boven en deze keer een blauwe stift. Op het blad tekende bij een waterdruppel, je weet wel, die vorm van een door de lucht suizende traan. De druppel lag plat. Links was de ronde kant en rechts zat de angel. Daaronder tekende hij een pijl, ook horizontaal, met de punt aan de kant van de angel.   “Wel,” zo ging hij verder, “een bus is wat de gewichtsverdeling betreft een druppel water die horizontaal vliegt, maar dan helemaal verkeerd, achterstevoren. De zware motor bevindt zich bij die dingen achter de achterwielen, en tot overmaat van ramp vijst men er soms ook nog een bak aan met daarin een paar honderd kilogram skigerief. Als je dan te bruut stuurt, begint zo’n ding te waggelen als een dronken dodo. Daarbij, en dat kan rampzalige gevolgen hebben, is de voorkant haast zo hoekig als een antieke rubik’s cube.”   “Zoveel scheelt het!  Eén druppel water!” Hij keek me daarbij streng aan en zei : “Een bus zoals ze die vandaag maken, botst na één bruuske beweging van een indommelende chauffeur met veel kans tegen een tunnelwand. Waren die bussen gemaakt als regendruppels, maar dan druppels die door de lucht suizen als echte en in de juiste richting, dan gebeurde zoiets niet, zelfs al verloren ze een wiel.”   Alfred deed wat ketchup op een middelgroot bakje voor een snuiter die daar stond met centen van zijn moeder. Onze frietenslijter vroeg of het om mee te nemen was. “Ja, naar de Kleine Lijkstraat”, zei het gastje.   “Een lijk is een touw, Alfred,” zei Ignace de lange alweter, “het zit ingenaaid, in het boordsel van een zeil, van een windmolen.” Terwijl hij dat zei, keek hij in mijn richting, alsof ik iets met molens had.   “Boordsel?” mompelde het frietkotbaasje. “Hij spreekt als een grijs en bejaard rund", en ik krijg veel goesting om kokend ossenvet over die zijn kop te kappen, dacht Alfred.   Die kleine maakte zich rap uit de voeten met zijn avondeten, want op het kleine transitorradiootje klonk het al van "Dag vreemde man". Het duurde niet lang voor hij helemaal uit het zicht verdween, met zijn ketchup, met zijn frieten, onder dat papier met die vetvlekken in geheimtaal.       bladzijde drie van 'Over reuzen en scheve muilweters' (deel 1 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
3 0

Over reuzen en scheve muilweters (2)

  Als men de Belg wilt uithangen, dan gaat men naar een frietkot. Daarom zie je mijn vriend Bartje er nooit meer. Dat was een historische vergissing geweest van hem.     Ik bevond mij er nu wel, in zo’n kleine friettempel, Frituur De Bosbrand van Alfred en het was niet om er te belgenieren. Ik wilde en zou meer te weten te komen over die nare gebeurtenissen in Twinkeltjes vleeswarenwinkeltje. Kwestie van De Reus en Ali F. te laten zeggen wat ze moesten.   “Als het zo verdergaat,” begon Ignace ineens te verkondigen, “dan verdwalen we allemaal. Wat erger is : het draait uit op één grote verdommenis, een hellevuur met explosies en verschroeiing.” Alfred schepte mijn frieten in hun bakje en lachte : “Gij pierlewiet met uw tekeningetjes molotovcocktails en chokotoffbommetjes.”   Naar mijn genotuleer vroeg Ignace gelukkig niet, maar ging wel verder over zijn recente vindingen : “Heb je het dan niet gezien?” “Wat?” vroeg Alfred. “Dat verkeersbord, bij de ingang aan ‘t Tillegembos.” “Neen,” zei Alfred, “daar kom ik niet. Daar groeien geen champignons die giftig genoeg zijn voor uw portie herfststovers met fruits de bois.” “Houd uw muil en doet die tartaar op die frieten van dien tjoeten! Ze koelen af.” riep Ignace.   Ik deed teken met een hand die probeerde te zweven, vlak, op en neer, om wat rust met de lucht te mengen. “Langs waar!” riep Ignace. “Wat langs waar?” vroeg Alfred, die daarna tegen mij zei dat ze toch nog te waren mijn frieten.   “Ja, langs waar… ‘langs waar’ stond er op dat bord. In ‘t zwart erop gespoten.” zei De Reus en hij schoof een rode stift uit een bundeltje viltstiften. Met een rekkertje zaten alle kleuren samen en hij schreef de letters één voor één op een witte B5, rood op wit :   L A N G S W A A R   “Niet weer...” en Alfred schudde zich de kop. Zijn baard wiegde in de wind als een toef schapenvacht die aan een prikkeldraad was blijven hangen. “Het is een scrabblezot”, sprak Alfred. Hij zei dat tegen mij en vroeg me dan of er genoeg zout op de frieten was.   “ G A S N A R W A L ”, zei ik en ze zwegen die twee. “Hoe weet gij dat?” Het was de stem van een achterdochtige koekoek, van Igance die me aansprak. “Ik ben een anagramateur”, ging ik zeggen, maar Alfred sneed me de pas af met de woorden : “Nog zo’n letterfretter!” Zijn baard wimpelde daarbij heen en weer, als de supportersvlag van een bende voetbalschapen.   Ignace haalde zijn schets boven. “Wanneer het zal gebeuren, weet ik niet”, zei hij, “maar dat het zal gebeuren is zeker en waarmee ook!” “Met gasnarwallen?” vroeg Alfred. “Genetisch gemanipuleerd, met… kijk hier…. hoorns van titaan en daar een antenne. Telegeleid zullen ze zijn. In hun kop gaan ze modules steken, om ze te besturen, om sluisdeuren open te breken, vangnetten te doorboren. De buiken zullen gevuld zijn met gasballonnen en het zal geen lachgas zijn. Neen, maat. Mosterdgas. Opgevist uit de zee. ‘t Ligt daar vol met van die bommen, overschotjes van den oorlog... en Blaugas, dat ook. Eerst blijft het laag hangen en dan... BOEM, alles en overal tegelijk. Overal zal het vol liggen met stukken toerist. Overal rode vlekken, rood zal ‘t water zijn van aan de Potterie tot aan het Minnewater. Overal! En dan die stank, van verbrande chocola, van verkoolde narwal en smeulende frietkoten. Zorgt dat ge nie in ‘t Stad zijt dien dag!”   Ik zei dat het in principe zou kunnen. “Steek ze maar weg, die plannen” en ik deed teken naar zijn zak van plastiek. “Steek ze goed weg voor de terroristen. Vooral die van Gent!”   Ik klopte met de linkervuist (niet te hard) op het tafeltje want ik was content. Het was me gelukt, kontakt te leggen met die bosneukende frituuruitbater Ali F. en zijn gevaarlijkste vaste klant, Ignace S. De Reus.       bladzijde twee van 'Over reuzen en scheve muilweters' (deel 1 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Eus, een schelmenroman, Özcan Akyol, 2012; Alleen met de goden, Alex Boogers, 2016; Zondagsgeld, Philip Snijder, 2007

Eus, een schelmenroman, Özcan Akyol, 2012 Het verhaal In deze roman is de hoofdpersoon Eus aan het woord. Hij vertelt achteraf over zijn kindertijd, zijn jeugd en jong-volwassenheid, allemaal in de “Koekstad” waarin ik gemakkelijk het Nederlandse Deventer herken, ongeveer tussen 1985 en 2010. In het verhaal maakt Eus, een Turkse Nederlander of Nederlandse Turk, een zekere ontwikkeling door: van kleine jongen die mede door het gedrag van zijn vader nergens bij hoort en die zichzelf te slim voor de anderen vindt, wordt hij een puber en adolescent die zich verliest in drankgebruik en zucht naar seks, totdat hij als jongvolwassene tenslotte geheel en al op het verkeerde pad is. Al tamelijk vroeg in de roman eindigt de ontwikkeling van het personage, vanaf diens puberjaren is het verhaal een opvolging van drank-, seks- en roofscènes, waarin Eus zich om het eenvoudig te zeggen onverantwoordelijk gedraagt. De ondertitel is dan ook een schelmenroman, maar toch: van de vrolijke stemming die dit woord bij mij oproept, merkte ik tijdens het lezen weinig. Het crimineel gedrag leidt tenslotte tot Eus’ arrestatie. In de slotscène suggereert de gevangenbewaarder hem ‘alles’ op te schrijven. Na het voorafgaande verhaal is het onverwacht dat de verteller in deze slotscène niet expliciteert wat de lezer ervan moet denken. Tot dan toe koos hij voor nadrukkelijkheid, nu mag de lezer zelf op de weliswaar voor de hand liggende gedachte komen: dat hij nu gelezen heeft wat het ik-personage dankzij de hint van de gevangenbewaarder heeft opgeschreven.   Het perspectief De roman begint zò: “Kut. Ik kon zijn vuistslagen niet meer ontwijken. ‘Niet doen,‘ schreeuwde Meltem, ‘laat hem met rust.’ Maar hij was niet voor rede vatbaar.” Deze scène waarin het ik-personage belaagd wordt door een liefdesrivaal, is als eerste geplaatst, maar zal pas plaatsvinden als Eus ergens rond 20 jaar oud is. Na deze flash-back die als proloog is opgenomen, volgt in min of meer chronologische vorm het verhaal vanaf de kindertijd. Dit begint in hoofdstuk 1 zò:“Het arbeidersvolk in de Bergpoortstraat lag al te slapen en het schorriemorrie van seksclub Isabelle voerde geheime gesprekken op straat, toen mijn oudste broer, ruim na bedtijd, de longen uit zijn lijf holde, op zoek naar onze vader. In het vierde café trof hij hem aan…” Eus’ oudste broer rent zo hard omdat hij zijn vader op de hoogte gaat brengen van de geboorte van de nieuwe zoon: Eus. Het citaat illustreert onmiddellijk de vreemde positie van de verteller: het is Eus zelf die achteraf over de aankondiging van zijn eigen geboorte vertelt en die er alles van blijkt te weten. Hoe hard zijn broer rende, dat de bezoekers van de seksclub op straat stonden te praten, dat de jongen de vader pas in het vierde café vond, hij weet alles en we hebben hier dan ook eigenlijk een vermomde alwetende verteller. Dat hoeft helemaal niet erg te zijn, door de vermomming als ik-verteller creëert de schrijver voor zichzelf de mogelijkheid in passages dicht naar de beleving van het ik-personage te gaan, een echte ik-verteller te worden. Heel even, op pagina 9, lijkt het erop dat de schrijver deze mogelijkheid gaat benutten. Daar staat: “Zij noemden ons batsen. Dat zit zo: de meeste Turken hebben platte achterhoofden. Een bats is een schop. Een schop is plat. Krijg je een knal met het blad van een bats op je kop, dan heb je een plat achterhoofd. Mijn achterhoofd is niet plat.” Hé, ineens een zin in de tegenwoordige tijd, ineens een directe vaststelling vanuit een actieve ik. Maar het blijkt een onbedoelde schijnbeweging, de dubbele schaar van de beginnende voetballer die de bal laat liggen. De volgende zin luidt: “De enige slaapkamer in huis deelde ik met Mahir en Kosta.” Daarmee zijn we terug bij de achteraf-, in de onvoltooid verleden tijd vertellende alweter. De schrijver laat de kansen die de ik-vermomming van zijn alweter biedt, onbenut. Op pagina 75, Eus is een jaar of zestien, zal Eus voor het eerst uitgaan. De verteller begint zo: “De Luxor was een populaire discotheek op het grote plein. Veel andere uitgaansopties telde de Koekstad niet…” Hoe spannend kan het zijn te lezen over een eerste uitgaansavond in het leven van een hoofdpersoon, maar dit klinkt als de beschrijving in een Toeristenbrochure, en dan nog eens in de verleden tijd gesteld. Het ik-personage vertelt niet vanuit eigen beleving, en als lezer blijf ik daardoor op afstand van de beleving van het hoofdpersonage, ook al is het een ik-verhaal.   De wijze van vertellen De verteller houdt van duidelijkheid: “Omdat mijn vader een pesthekel had aan alle Turken in de buurt, zonder aanwijsbare reden, had-ie besloten…” “Ik troostte me met het voornemen dat ik ooit wraak zou nemen op die boerenkaffer.” De citaten maken duidelijk dat de verteller weinig aan de lezer overlaat, maar ervoor kiest gevoelens en karaktertrekken van personages expliciet te benoemen. Hij schrijft aan de lezer voor wat deze van de personages en de gebeurtenissen moet denken. De verteller zoekt niettemin naar verlevendiging van de vertelling. Dat doet hij door dialoog in te zetten en daarbinnen te zoeken naar een spreektaal die past bij zijn personages. Dat levert zinnen op als de volgende: “Kom, kom, laat ons nu niet in de steek, matennaaier! We hebben een gast.” “Maf, je gaat toch geen pauperdrank nemen?” In passages met dergelijke dialoog slaat ook de verteller een losse toon aan: “Een blonde stoot kwam Kosta begroeten met drie zoenen. Die gek had het prima voor elkaar.” Mij overtuigt deze poging tot levendigheid niet. De toon blijft nadrukkelijk (matennaaier, pauperdrank enz.) en doet daardoor gemaakt populair aan. De woorden tonen mij geen personages of gebeurtenissen, maar maken mij glashelder wat de schrijver van mij verwacht: ik word geacht hier asociale types te zien. Nou, die zie ik, maar mensen worden zij niet.   Kortom Een expliciete vertelling die weinig tot niets aan mij als lezer overlaat en die door het gekozen perspectief en het achteraf vertellen op afstand blijft van de beleving van de personages. Personages die niet voor mij gaan leven.   Dit is een autobiografische roman die mij teleurstelt, ook al omdat elke lichtvoetigheid ontbreekt. Dat is toch anders dan ik bij de aankondiging ‘schelmenroman’ verwacht. Bij mijn zwartgallig oordeel teken ik aan dat Eus bij jongens van een jaar of vijftien, zestien in mijn omgeving een goede ontvangst krijgt. De nadrukkelijkheid, het voorkauwen door de verteller, dat mij tegenstaat, verdragen zij beter; de inhoud van het verhaal, de belevenissen van het ik-personage, vinden zij interessant.   Alleen met de goden, Alex Boogers, 2015 Het verhaal Aaron Bachman groeit op. Van negenjarig jochie, aan het begin van de roman – nog vol vertrouwen in zijn Papa Leeuw en wat minder in zijn moeder - , opgroeiend in een tamelijk asociaal milieu waarin roken en drinken belangrijke zaken zijn en school gewantrouwd wordt, ontwikkelt hij zich tot, aan het einde van de roman, een ex-wereldkampioen kickboksen die een liefdesrelatie heeft met een hoogopgeleide jonge vrouw uit een ontwikkeld milieu, maar vooral tot schrijver in spe. In een milieu van verliezers kiest hij zijn eigen route, hij sluit vriendschap met een pitbull, hij gaat naar de Mavo, hij gaat trainen als kickbokser, en onderweg ontmoet hij mannen die hem gidsen: een leraar op school, de kickbokstrainer. Van meet af aan heeft hij een tamelijk autonome opstelling: hij gaat gewoon om met zijn iets oudere, duidelijk homoseksuele buurjongen die in hun omgeving met argusogen wordt bekeken, hij neemt stilaan afstand van Papa Leeuw als deze in de gevangenis belandt en zich daar tijdens bezoekuren als zielig slachtoffer gedraagt, hij gaat om met witte -, zwarte – en bruine mensen, hij is kickbokser, maar ook lezer en schrijft voor zichzelf. Aan het slot is hij na een motorongeluk een ex-kickbokser, en een beginnend schrijver. Het verhaal is een tekening van het milieu, van jongensvriendschappen, van het verlangen naar een vader, en vooral van de ontdekking van eigen identiteit en kracht, of die nu – om de opa van Aaron te citeren - ligt in het zwaard of de pen, ofwel de vuist van de kickbokser of de pen van de schrijver).   Het perspectief, de verteller “De eerste keer dat mijn moeder merkte dat ik ’s nachts niet kon slapen zei ze: ‘Je ligt toch niet met je piemel te spelen, hè?’ Ze had het licht onder de kier van de deur gezien en zwaaide hem open. ‘Ga je nu verdomme slapen?’ Ik was negen jaar, knipte het licht van de bureaulamp uit en zag de gloeiende kegel van haar shaggie oplichten.’ De eerste zin laat zien wat voor verteller de lezer in deze roman vindt: een ik-verteller die terugblikt, maar die dit precies en met oog voor detail doet, waardoor de lezer de scène en de moeder voor zich ziet. Ik zie een wat te dikke, naar rook stinkende vrouw, ze draagt een slappe trainingsbroek, ik hoor een hese stem, ik voel voortdurende boosheid. Ook al blikt de ik-verteller terug, hij is voortdurend dicht bij zijn hoofdpersonage, zijn vroegere ik, in welke episode ook. Bijvoorbeeld als hij nog een kleine jongen is: “De Turkse buren riepen elke dag om een man die Allard heette” staat er en door deze naam te gebruiken, in plaats van Allah, toont de schrijver mij dat ik een echt kleine jongen voor me heb. Als het hoofdpersonage ouder wordt en aan kickboksen doet, mixt de verteller in de beschrijving van de kampioensgevechten die Aaron levert, Aarons gedachten over het gevecht met die over zichzelf, zijn leven, anderen. Tijdens zijn eerste grote internationale gevecht in Parijs tegen ‘de Haakneus’, bijvoorbeeld, denkt hij over zijn jeugd en over zijn moeder die als tienermeisje ongewenst zwanger was geworden, het kind wilde verliezen: “Mijn moeder verweet mij haar moeilijke bestaan……Waarom had het kind gewoon niet opgegeven toen ze zich van haar brommer liet vallen? En ik kon toen nog niet tegen haar zeggen dat ik het gewoon niet kon. Ik kan niet opgeven. De Haakneus zag het ook.”  De citaten illustreren enigszins dat de schrijver in de roman weliswaar het perspectief van de achteraf vertellende ik kiest, en dat hij toch dicht bij de actuele beleving van het hoofdpersonage komt. Daarnaast lukt het hem dankzij zijn keuze voor een empathische ik-verteller ook de beleving van andere personages te tonen.   Tijd en chronologie Aan het begin van de roman is Aaron een jaar of negen, aan het slot is hij 23 jaar. Het verhaal speelt in de tijd dat in Nederland de Mavo een vorm van voortgezet onderwijs was, dat de Rolling Stones op de radio te horen waren, dat armere blanke – en allochtone gezinnen bij elkaar in de wijk wonen, kortom in de jaren ergens tussen 1970 en 2000. Het verhaal wordt chronologisch verteld, wel keert het hoofdpersonage in gedachten soms terug naar eerdere episoden.   Dialogen en vitale scènes In de talrijke dialogen zet de verteller de personages geloofwaardig neer: “Te veel buitenlanders,” zei mijn vader op een avond aan tafel. “Hij heeft niet één normaal vriendje. We donderen op hier.” Overtuigend is hier de vanzelfsprekendheid waarmee de vader de jongen negeert, terwijl hij toch over hem praat. Overtuigend is ook het woordgebruik: doordat de vader “niet één normaal vriendje” zegt, hoeft de verteller geen woorden te wijden aan de houding van de vader tegenover allochtonen. “’Trek je al?’ vroeg een oom, en daarop begon iedereen te lachen. ‘Je weet wel, een ouderwets potje handkarren!’ zei een andere oom. ‘Hahaha! Kijk z’n kop!’” Een scène in het begin van het verhaal die laat zien hoe het er in de familie aan toegaat en hoe Aaron zich daarbij voelt. Fijn in deze roman is de vitaliteit van de vertelling, ik kom als lezer heel veel over de gedachtewereld van Aaron te weten, maar steeds verbindt de schrijver gedachten aan actie: Aarons werk in het asiel, Aarons trainingen en gevechten. Doordat er zoveel handeling is, bovendien in een spannende omgeving (omgaan met een pitbull, kickboksgevechten enz.), neergezet in tamelijk korte hoofdstukken, houdt het verhaal mij als lezer vast.   Het hoofdpersonage Het hoofdpersonage is autonoom ten opzichte van zijn milieu dat hij als ik-verteller niettemin vol empathie schetst, hij is zoekend (zijn opa stuurt hem vanuit Japan brieven over de kracht van het zwaard en die van de pen, welke route moet hij nu volgen?), hij is gevoelig, hij is gedreven (ook al kwam hij als ongewenst kind ter wereld in een losers-milieu, hij zal laten zien dat hij er mag zijn, als hondenverzorger, als kickbokser, als geliefde). Het hoofdpersonage heeft, kortom, een sterke drive èn is fijngevoelig. Dat toont de schrijver keer op keer, en neemt mij als lezer voor zijn hoofdpersonage in. De drive van het hoofdpersonage, zo levendig getoond, maakt deze roman tot een heel boeiende.   Tot slot, Alleen met de goden Aarons leraar Broere, halverwege de roman als Aaron nog op de Mavo zit, over kunstenaars: “Ze leggen hun ziel en zaligheid op het hakblok….Het maakt niet uit waar ze belanden, wie ze onderweg verliezen en hoe verlaten en onbegaanbaar die weg is. Ze voelen zich nooit eenzaam, want ze zijn alleen met de goeden, door wie ze hun hele leven werden geplaagd en getreiterd met al die schimmen, beelden, woorden en ideeën, maar nu durven ze zich er eindelijk aan over te geven, en ze doen het, zonder spijt of angst.” Tegen het einde van de roman krijgt Aaron, meerijdend achterop de motor van een vriend, een ongeluk. Hij zal als kickbokser nooit meer in de ring staan. Na een lang verblijf in het ziekenhuis komt hij thuis, er komt een pakket uit Japan, gestuurd door zijn opa. Er zit een typemachine in, een oude, “niet kapot te krijgen.” Zijn vriendin Nadine komt op bezoek. “‘Wat een mooi ding,’ zei ze. ‘Schrijf ‘ns wat.’ Dit was mijn wapen en het werd tijd dat ik het ging gebruiken.”  Een open einde? Dat Aaron als schrijver zal slagen, denk ik als lezer zeker te weten, vanwege de vechtlust en veerkracht die Aaron gedurende het hele verhaal heeft getoond. Ik weet het bovendien echt zeker, want Aaron Bachman is overduidelijk het alter ego van de schrijver van dit krachtige boek.   Zondagsgeld, Philip Snijder Zondagsgeld is minder een roman dan een verzameling van acht verhalen. Ze spelen op het Bickerseiland, een buurt in Amsterdam-Cenytrum, die door water en spoorlijnen van de omliggende wijken is afgeschermd. De schrijver is er zelf opgegroeid, hij is geboren in 1956, de verhalen spelen rond 1968, 1969.   Er is geen doorgaande lijn in het boek, elk hoofdstuk is een verhaal met een eigen spanningslijn. Wel is telkens dezelfde verteller, zijn er dezelfde personages. De spanning loopt in de verschillende verhalen niet hoog op, in elk verhaal staat éen gebeurtenis centraal, maar het zijn soms maar alledaagse voorvallen. Toch zijn ze voor mij als lezer bijzonder omdat het er in het geschetste volkse milieu van de jaren zestig van de vorige eeuw zo typisch toegaat. Dat ik ze bijzonder vind, komt ook doordat de ik-verteller zichzelf als elf-twaalfjarige - in het voetspoor van zijn vader - ziet als buitenstaander in het milieu, hij zelf vindt het opmerkelijk hoe het daar toegaat. Dat brengt hij op mij als lezer over door zijn precisie in beschrijvingen en door taalgebruik in dialogen. Op het Bickerseiland heerst een sterke familieband, er is weinig privacy, iedereen loopt bij elkaar binnen en hangt uit het raam om getuige te zijn van ruzies of optochten.   Hoofdpersoon is de ik-verteller die in de onvoltooid verleden tijd over zichzelf als elf-twaalfjarige schrijft, hij neemt scherp waar hoe het er op het eiland en in zijn grote familie toegaat, en hoe zijn vader daar een buitenstaander is. De vader komt niet van het eiland en zelfs niet uit Amsterdam, hij wordt door de familie als een intellectueel gezien omdat hij de lagere school heeft afgemaakt, het Nieuws van de Dag leest en formulieren kan invullen, hij onderscheidt zich door een pinkelhoutje te dragen. De jongen zelf geniet van de dingen die het Bickerseiland een jongen te bieden heeft (een “dempie”, eilandje in het water; de Leesportefeuille met De Lach erin bij oom en tante), maar hij merkt dat hij zelf ook een buitenstaander is, hij kan goed leren, hij is de beste op school, er wordt zelfs gezegd dat hij naar het vervolgonderwijs zal gaan. Vooral in zijn verbondenheid met zijn vader voelt hij zich buiten de familie staan. Elk verhaal draait rond één gebeurtenis (in “Het dempie”gaat het erom of de jongen zich als eerste op een nieuw graseilandje in het water zal durven wagen; in “De twist” is er een familiefeest waar de jongen zich tenslotte op de dansvloer waagt enzovoorts), maar er is geen echte afwikkeling, er is telkens een open einde. Zelfs het schrijnende “De kano” waarin de vader aan de jongen vertelt dat hij en de moeder uit elkaar zullen gaan, heeft zo’n einde. Alle verhalen spelen in dezelfde tijd, maar of de verhalen/hoofdstukken in chronologische volgorde staan, is niet duidelijk. Alles bij elkaar is “Zondagsgeld” geen roman maar een achttal schetsen van het opgroeien van een slimme jongen in een volks milieu. In de verschillende verhalen  laat de verteller soms een gat in de tijd vallen: bijvoorbeeld in “De kano” wordt uitgebreid beschreven hoe de vader op een dag verrassend meegaat in de kano van de jongen en hoe zij van wal steken; vervolgens gaat het verhaal verder terwijl vader en zoon op afstand van elkaar zitten te vissen, en de suggestie is dat vader de echtscheiding heeft aangekondigd. Wat hij hierover precies heeft gezegd, wordt niet verteld. Terug naar de reden waarom ik Zondagsgeld sterk vind: door de beleving van de jongen voorop te stellen en deze jongen zich sterk verbonden te laten voelen met de vader die er in de familie en op het eiland helemaal niet bijhoort, wringt er steeds iets in de verhalen. De jongen is echt een elf-twaalfjarige die geniet van "Het Dempie", die de platte lol van ooms en tantes opmerkt,  en hij kan deze goed weergeven, maar hij blijft er toch op afstand van, hij realiseert zich zelf ook een buitenstaander te (willen) zijn.   Voorbeelden van taal in dialogen: “Hé hier komme, wou jij je goeie goed verruweneere?”, als een moeder haar kind op straat terugroept; “Schei nou uit met hem. Echt je ome weer, hè jonge?”, zegt een tante als een oom de jongen plaagt;  “Ik pak ù wel, tante Neel, heb ik lekker houvast,” als de polonaise op het familiefeestje wordt ingezet. Voorbeelden van precieze beschrijving: de wc en het overig interieur bij oom en tante in Zondagsgeld; de stoet familie op weg naar het familiefeest in De twist.

Jan Loogman
0 0

Over reuzen en scheve muilweters (1)

  Ze stak geluiden in een vaatwasmachine. Met die koude handen. Harde borden. Rabarberkootjes en vingers die mij niet meer zouden beroeren. Een geklinkel was het, pijnlijker dan leisteengesplijt.     Dat was gelukkig, onhoorbaar geworden, ver weg van waar ik nu was, nog net op het droge, hier, waar prevelende bomen verschenen, waar asfalt overging in grint, grint in aarde en aarde in modder. Als een verdwaalde nagel zonder kop stond ik daar, met de voeten al in het hout van die plankenvoer. Klaar om door één of andere zot de nerven ingeklopt te worden.   “Meneer Den Dromer,” een kleine handzwaai probeerde me te wekken, “voor U, wat mag het zijn?” “Een pakske chicletten,” zei ik zonder nadenken. “Met welke saus?” vroeg Alfred van achter zijn koeltoog. “Gewone chicletten”, antwoordde ik. Alfred zuchtte, ontspande de wenkbrauwen en vroeg me vijftig cent.   Ignace kwam binnen. Ik ben op tijd gekomen, dacht ik en hij bestelde een blikje fanta. “Eén euro”, klonk het en weer keken ogen me aan me, die van Alfred, van een hoofd dat frieten wilt verkopen.   Ignatius De Reus, de langerd uit sprookjes die om opheldering vragen, had een zak neergezet. Hij was van plastiek en verborg je-ne-sais-pas-quoi. Ignace had een stoel genomen, met een servet vetvlekken van mica geveegd en zat hier nu, één tafeltje verder, op nog geen anderhalve meter van me.   Elke echte man draagt kleurstiften bij zich. Is het niet om streepjes te trekken (het aantal copulaties, centimeters op een houten lat, het weze me worst wat), dan is het om te tekenen. Geslachtsdelen, letters van vloeken, mislukte gedichten. De wc-deuren, de wanden, zij verdragen het omdat het minder stinkt dan stront.   Lang heeft niet geduurd die geheimzinnigheid. Papieren verschenen, in formaat B4. Een deel was niet gevouwen, voorzien van schetsen en gedetailleerde plannen, van vaartuigen en uitvindingen. Een andere deel was dubbel geplooid, tot boekjes met vier bladzijden. Daarop waren ze beschreven, de voorspellingen, over redding, meer nog over onheil, over verbeteringen, correcties aan soorten, verdelgingsplannen, dat kon ook. Zelf had ik geen draaiboek. Ik kauwde niet om chicletten plat te kunnen terten, jaren later terug te komen, te knielen, mijn stiftjes boven te halen en kunstwerken te maken van ongeboren bellen, grijze gom.   Al twijfelde mijn geest. Ik gooide mijn smakeloos geworden sjiek in de vuilbak en, het is doenbaar, spritesmaak mag volgen op die van pepermunt. Zenuwen hadden zich in verbinding gesteld met mijn hersenen; ik sprak :  “Geef me toch een kleintje!”   Ik stond daar weerom, voor die koeltoog met frituurwaren en voegde er aan toe : “Met tartaar, en ook een 7up.”         pagina één van 'Over reuzen en scheve muilweters' (deel 1 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')  

Bernd Vanderbilt
66 0

Van God en de bergen

De stad sprak tot de bovenlucht. Ze vulden elkaar aan. De wereld was één zoals de stad zich in het water weerspiegeld zag. Er waren geen vragen meer. Toch bleef de burger fronzen.   Onderweg kwam ik de wereld tegen. Ik vroeg "Waar ga je naartoe?", maar hij draaide gewoon lekker rondjes om zijn eigen as. Hij was behoorlijk wispelturig. Daarin benijdde hij God, maar God was dermate groot dat hij nooit in de struiken met het buurmeisje kon spelen.   De verwondering van God werd er niet kleiner op. De raadsels die hij overal ter wereld verborgen had, trokken weg als een wolkenpartij over het wateroppervlak. Zelfs het kleinste kind kon Hem nu ontdekken onder een breekbaar bladerdek. Alsof je snel even met de natte zakdoek, de hemel wegveegt.   Hij werd eerst jaloers op de bergen. Hoeveel ze wogen en hoe hoog ze echter klommen. Ze waren er als trappen naar Hem neergelegd om de overmoedigen te ontmoedigen. God zag echter al snel dat zij die er toch in slaagden hun bergtop te bereiken, vooral op de wereld neerkeken.   Vreemd toch, voor iets waar je al zo lang naar uitgekeken hebt. Maar God was alwijs en hij durfde zich niet langer verwonderen. Dus mat hij zichzelf een stoere houding aan en bekeek zichzelf in het wateroppervlak. Wat hij zag, deed hem niet vreemd voor. Hij zag namelijk het grote niets.   Toen gebeurde er echter iets zeer bijzonders, het kleinste kind tikte hem op de schouder en begon te huilen. Wat nu weer, dacht de goede Huisvader bij zichzelf. Het kind stond terug op en keek argwanend naar God. "Wie bent U, mijnheer? U bent zo lelijk." Dat was het mooiste compliment dat God in jaren had gehoord. Ben ik dan toch mens geworden? Hij kon een glimlach nauwelijks onderdrukken. God en het kind wandelden nog even verder en deelden elkaars grootste geheimen als twee puberende buurmeisjes.   Toen Hij terug aankwam bij de hemel schrok hij toch wel een beetje. Enkele onvermoeibare stervelingen waren zijn Huis binnengedrongen en vochten om de Troon. Dat bladgouden rotding, dacht God bij zichzelf. Dat gebruik ik nauwelijks nog.   God bood de stervelingen iets te drinken aan. De eerste bestelde een pintje en de ander een vruchtensap, van het ergste soort. De engel achter de toog keek verbaasd naar God. Sinds wanneer nodigde hij stervelingen uit in zijn persoonlijke vertrekken? Mogelijk wordt God toch wat te oud voor dit werk, dacht ze bij zichzelf.   Toen de laatste sterveling zijn vruchtensapje verorberde, keek hij al even verbaasd naar God. "Waarom frons je, burger?" vroeg God op zijn beurt. "Dit smaakt naar het niets", opperde de burger. "Het grote Niets?" vroeg God. Ze bulderlachten nog wat.   God was echter met zijn gedachten elders. Toch was Hij gelukkig de stervelingen beter te leren kennen. Wat zou hij anders weer met zijn dag moeten aanvangen, nu hij niet meer in de wereld mocht ingrijpen sinds de scheiding van Kerk en Staat. Hij had alle Bijbels op het toilet al uitgelezen.   Soms dacht hij nog terug aan het kleinste kind. Hij wou haar graag op de wereld bezoeken, maar was bang dat hij een al te almachtige indruk na zou laten. Wat moesten haar ouders wel niet denken? Daarenboven moest Hij zich ook dringend klaarmaken voor het bezoek van zijn zoon Jezus. Hij droeg de engelen op het Huis proper te maken.   De stem van het kleinste kind schrok even terug. Alle kinderen om haar heen waren vol aandacht voor haar verhaal. "Is God dan ook maar een mens?", durfde toch iemand te vragen.   Ze twijfelde. "Nee, hij is veel vriendelijker." De groep knikte goedkeurend. Kan ik later ook een God worden, opperde de stoerste jongen van de klas. Het kleinste kind had hem graag als vriendje gehad. Voor mijn part wel, voegde ze er snel aan toe. De bel rinkelde zoals nooit tevoren. In de klas dacht het kleinste kind terug aan haar verhaal, God en de stoerste jongen.   Uiteindelijk kwam ze tot het besluit dat haar verhaal het enige was wat ze had.

Robijn Bodijn
8 0

HET WEZEN (vervolg)

Het zijn niet de sterkste soorten die overleven en ook niet de meest intelligente. ‘Het’ is het soort dat het beste reageert op veranderingen.   Charles Darwin Engels medicus en bioloog 1809-1882   Het begaf zich in het gras waar proteïne-wezens welig tierden, proefde ze in de lucht die ze achterlieten. Het krioelden van de kleine wezens, allemaal levend. Het wilde niet doden, de honger knaagde. Het zag grotere vliegende wezens die gretig de kleine wezens opslokten en dacht er diep over na. Plots rook het een scherpe geur, de scherpe geur lokte ook de kleine wezens. Het ging op de geur af en vond een van de vliegende wezens. De kleine wezens krioelden over het kadaver, rukten of zaagden er stukjes van. Sommige kleine vliegende wezens legden er eitjes in of zogen de voedingsstoffen op. Vruchteloos veegde het de kleine wezens er af om niet te doden, maar ze bleven hardnekkig terugkomen. De honger won het van de voorzichtigheid. In drie happen verslond het veren, botjes en andere insecten. Zelfs toen het kadaver op was kwamen de kleine vliegende wezens het lastig vallen. Ze ergerden het wezen mateloos. ‘De geur lokt nog steeds de kleine wezens,’ besefte het. Het wezen trachtte ze weg te jagen. Tot het de geur van zich aflikte bleven ze komen. Het had in zijn ergernis verschillende van de kleine onvoorzichtige wezens opgeslokt. Toch voelde het zich ditmaal niet schuldig. Ze hadden al de signalen genegeerd, door hun domme hardnekkigheid had het geen keus gehad. Het had enkel het kadaver willen opeten, nu had het onopzettelijk gemoord. Het was hun eigen schuld, vond het wezen. De maaltijd maakte het slaperig. Het rolde zich op, viel in een diepe slaap en droomde… Het herleefde de gebeurtenissen, leerde dat de wezens op deze planeet elkaar opaten. Het grootste en sterkste wezen veel voedsel nodig had. Het was het grootste wezen geweest.   De droom werd ruw beëindigd toen het wezen wegrolde door een duw. Slaperig ontrolde het zich en stond oog in oog met een rat. Met priemende oogjes keek het benieuwd naar het wezen. Het wezen bewoog niet, even nieuwsgierig als zijn belager. De rat kwam stoutmoedig dichterbij en besnuffelde het wezen. Het wezen onderging het gesnuffel gelaten. Het kietelde, waardoor het moest niezen. Zowel het wezen als de rat schrokken zich een hoedje. De rat schuifelde achteruit maar vluchtte niet. Ze beschouwde het wezen als een ongebruikelijke, mogelijke buitenkans in een lekker hapje. Alleen haar overlevingsinstinct vertelde haar dat dit geen prooi was. Het wezen dacht nog na over het niezen:  ‘Het kietelde en toen spande en ontspande ik. Zelfs mijn zicht werd even minder. Verrassend! Het deed geen pijn… zou het dat nog eens willen doen?’ Nu stapte het wezen op de rat af.  ‘Wat ben jij?’ vroeg het zich af. De rat gooide alle voorzichtigheid overboord en viel plots aan. Met haar voorpoten hield ze het wezen vast,  haar kaken met  twee grote snijtanden sloot ze  rond het hoofd. Verrast door de plotse aanval wist het wezen niet wat de ander bezielde. De vorige behandeling was veel aangenamer geweest.  ‘Wil het niet meer die lange dingen gebruiken die op de spitse snuit staan?’ De rat wilde knagen…  ‘Dat is niet prettig!’ dacht het wezen, ‘het doet… pijn… Waarom gebeurd dit?’ De rat beschouwde ondertussen het wezen als een gemakkelijk hapje. Het viel zelf niet aan, verdedigde zich niet eens.  ‘Auw, die grote witte dingen doen wel pijn! Hou ermee op!’ Verbaasd voelde de rat een vreemde scherpe pijn in haar hoofd. Onwillekeurig wilde ze haar kaken opeen klemmen. Het wezen groeide om zichzelf te beschermen. Plots zag de rat een grote muil vol scherpe tanden en beet het wezen haar snuit af. De rat viel in schok. Bloed spoot in het rond, doordrenkte de grond en  besmeurde het geschrokken wezen. Het likte het bloed weg voor de kleine wezens weer kwamen en nam de andere smaak waar.  ‘Ik heb weer gedood,’ dacht het wezen nerveus. ‘Vers smaakt het… zoals thuis…’ De smaak van het verse bloed bracht herinneringen met zich mee.  ‘Ik ben niet thuis! Waar ben ik?’ Waarom wilde het me pijn doen?’ Nog steeds proefde het wezen het bloed en wilde er meer van. Gulzig at het de rat op. Gedachten drongen zich op terwijl het groeide.  ‘Dit is niet mijn planeet. Het… vlees? Thuis groeit het vlees als het… groen!’ Het wezen herinnerde zich kleuren, zag beelden van een rode bodembedekking dikker dan het groen, dat als slagaders overal groeide, bloeide en net als hier naar de hemel reikte. Op de eigen planeet was het een vegetariër, op deze vreemde plaats, een… moordenaar. Het rilde en rolde zich schuldbewust op.  ‘Doden is verkeerd!’ Het huilde. Zag vertrouwde beelden van wezens zoals zichzelf van het rood eten. Wist dat het begon te leven als spore en als het groeide een collectief bewustzijn deelde met soortgenoten. Een bewustzijn dat sinds het begin van de soort alle nuttige informatie verzamelde en opsloeg voor het nageslacht. Door de eeuwen heen werden ze, dankzij deze enorme geheugenbank, intelligent… én meer. Toen kwam de meteoriet… en vernietigde hun planeet. Brokstukken planeet en meteoriet werden in het heelal verstrooid, sommigen met de sporen van de vernietigde wezens. Het had geluk gehad. Deze planeet maakte overleven mogelijk.  ‘Overleven… groeien… en nakomelingen aanmaken.’ Dit instinct kon het niet terugdringen. Het was de reden van het bestaan. Het kon zich voortplanten, de nakomelingen leren leven met de bestaande wezens van deze planeet. Het zou een manier vinden! Met deze gedachten had het vrede. Meer nog, het zag er naar uit!    

Fanny Vercammen
0 0

Twankie Wankel Twinkeltje (voorwoord)

Op 11 september 2012 beging Antoine ‘Twankie Wankel’ De Wandelaere in de kleine vleeswarenwinkel van Wilhelmina Ketels een misdaad. Ze geurde die dag niet naar parfum van meloenen en het betrof een zaak van eerroof, vilaine vianderie, lustmisbruik en smeerlapperij in het algemeen.   “En als Alfred het beaamt, geloof het dan maar. Dan is het zo!” zei Ignace, “want Alfred heeft frietkot-oren, hij weet wat waar leeft. Hij is van veel op de hoogte. Hij weet veel over afgunst in blitse eksternesten, de hoogmoed van schreeuwerige sperwers, de nijd van pauwloze keuterboeren en de geneugden in duistere bossen. Zijn kennis is haast onmenselijk onmenselijk en tot op vandaag loog hij nog nooit. Hij kan het gewoon niet, liegebeesten aaien, scheve feiten verkopen. Ik zag het ooit, op een dag met laf weer, hoe hij probeerde, eens te liegen over de volgorde van kleuren in een zieke regenboog die hij gezien had in zijn droom. Zijn smoel sloeg scheef. Eén oog trok lam. Een opstoot van snot zorgde ervoor, dat zijn aanzet tot vals gezwans bleef kleven in een fluim. Er verscheen een landjevol mieren. Vlakbij was er een nest van eerlijkheid en ijver. De beestjes liepen om de keelsnot heen, maakten een bocht, die piloten in een vleermuiskop benijden. Het leek alsof ze de omtrek van een scherpe glasscherf volgden. Ze keerden zelfs terug naar het nest om zich te vergewissen waar de waarheid lag en zich de smikkel te wassen aan de tranen van een mol die met een blind gevoel de leugens in de stem van dieren horen kon.”   Dixit Ignace en hij ging verder : “Daarna heeft Alfred, die pernukkel met zijn grijze frou-frou en zijn fraaie friterie het nooit nog geprobeerd, te liegen. Fluimen bleef hij doen en vaak. Hij dacht daarbij maar al te vaak : ‘ik doe er niet aan mee en wil er niet aan meedoen, aan bedrog en leugenbraderie, net zoals ik niet verlang naar seksverkeer met dieren, met infanten, laat staan met mensapen, al zijn ze van de geilste soort.’   Ignace sloot zijn eerste getuigenis af met de woorden : “Echt, het speeksel van die ukkepuk is eerlijk als het transparante slijm in een koekoeksei, dat naar warmte hunkert, dat verlangt gekookt te worden, want het wil en zal niet, samen met het geel en die ene rode stip verworden tot een vogel die het ganse bos bedriegt. Desalniettemin, ik zeg het zoals het was en is, ik weet niet hoe het komt, die fluimen van Alfred, ze stinken ze soms naar cellen van een kranke gnoom, aangetast door bof en pest.”   Dit verhaal handelt echter niet over zieke handelingen met spuug en speeksel. Voor Pandora telt dat niet als ziekte. Centraal staan die gebeurtenissen op 9 september 2012, de toedracht en de gevolgen. Ook probeer ik te begrijpen welke rol zij in die ganse tragedie speelden. Met zij bedoel ik vier individuen : Antoine De Wandelaere, bijgenaamd Twankie Wankel, Wilhelmina Lippens liefweg Twinkeltje. Dan is er nog Alfred, door Ignace wel eens aangesproken met Ali F.. en tenslotte Ignace 'De Reus' Somers zelf.   Het was enkel Alfred die Ignace ‘De Reus’ durfde te noemen en ik probeer het drama te reconstrueren aan de hand van de getuigenissen van die twee, Alfred en Ignace. Om opheldering vragen bij Twankie of bij Twinkeltje kan ik helaas niet. Antoine en Wilhelmina zijn niet meer in leven.   Volgens Ignace -dat ben ik later te weten gekomen- speelden ook ene Sven Mars en een jongen met de naam Wimpie geen onbelangrijke rol in de aanloop naar de feiten van september 2012, maar daarover tast ik nu nog in het duister.   Telkens ik iets te weten kom (soms verstoppen Alfred en Ignace zich voor de Overheid), breng ik bericht uit. Mijn verslagen zullen kraakvers zijn, as fresh as you can get. Er zal nooit sprake zijn van waterbuffels, die wachten, voor een opgetrokken luchtbrug.       voorwoord bij ‘Twankie Wankel Twinkeltje’ (mijn tweede e-boekje, vanaf één december te lezen op Azertyfactor.be)  

Bernd Vanderbilt
0 0