Lezen

Zoek je plafond en duw

Een creatief denkend kind doet er goed aan de frustratie van leren niet uit de weg te gaan, maar zijn plafond te onderzoeken. Je kent het wel, de stem die zegt dat iets niet goed genoeg is, dat je het toch niet kunt? Die stem maakt dat je een plafond ervaart. Als een clubbewaker, dubbelgespierd, duwt hij je naar beneden. Je blijft onder je plafond hangen en groeit niet verder. Vallen en opstaan Ook schrijvers van korte verhalen kunnen tegengehouden worden door het gevoel dat je nu eenmaal niet beter kunt dan wat je al doet. Dat gevoel kan lijken op een intimiderende hindernis vol verhalen ter bevestiging; vanaf hoe je stuntelig leerde kruipen, een slecht cijfer voor een schrijfwerkje kreeg, tot aan het oneens zijn met een professor hoe je je scriptie schreef. Bij leren schrijven is het niet anders, eerst komt het kruipwerk, pas veel later komt iets in beeld dat publicabel is, een weg vol krenkingen. De stem van een leraar kan je tegenhouden hebben, misschien werd je zelfs uitgelachen. Achter ieder succes ligt een berg verhalen van vallen en opstaan, ook als het gemakkelijk lijkt te gaan. J. K. Rowling kreeg zo’n tiental afwijzingen voor ze werd gepubliceerd door een uitgever. King kreeg er honderden en prikte ze aan een balk boven zijn bed. Breek door We ervaren een plafond, omdat psychologen eerst uitgingen van een vaststaand IQ en niet van een variabele die je door oefenen, leren en ontwikkelen kunt bouwen. Feuerstein toonde aan in onderzoek dat dit te herzien is. Je verbale IQ, die je gebruikt voor verwoorden, en je performale IQ, die je gebruikt voor plotten, kun je trainen. Je blijft niet ‘dat slechte cijfer voor schrijven’.  Je bent niet de afwijzing van jouw verhaal in een tijdschrift. We kunnen ons steeds verder ontwikkelen. Eerste vereiste is willen. Show-don’t-tell Manieren om je niet neer te leggen bij jouw plafond – zelfs als je al gevorderd bent – is het volgen van cursussen, zoeken van schrijfbegeleiding, leren van een redacteur, masterclasses, schrijfboeken en literaire tijdschriften lezen. Vergeet daarbij niet jouw denken en levenservaring mee te laten groeien. Zelf weet ik het een en ’t ander van show-don’t-tell, heb ermee geworsteld, er veel over gelezen. Toch ga ik de masterclass van Naakte Lunch volgen daaromtrent omdat ik nog niet helemaal tevreden ben over hoe ik mijn verhalen dit principe toepas. Ik zal, eigenwijs als ik ben als vrije autodidact, mijn eigen show-don’t-tell invulling proberen te ontwikkelen. Natuurlijk zal ik daarbij mijn plafond trotseren. Ik wil bij Naakte Lunch bloggen over hoe ik dat aanpak. Tot slot: een opdracht Probeer eens waardering te geven aan een schrijver van een kort verhaal. Ik heb zelf via haar uitgever aan Marga Minco een bespreking van een kortverhaal opgestuurd, aangemoedigd door een schrijfdocente. Ik kreeg geen antwoord van de oude dame, maar het voelde goed dit te doen en het helpt het schrijven van korte verhalen serieus te nemen als volwaardig onderdeel van de literatuur. Het gaf me ook het gevoel dat ik mijzelf mag overtreffen en niet op een bepaald punt hoef te blijven hangen. Ervaar zelf eens wat het met je doet. Kies een (favoriet) kortverhaal en schrijf een e-mail naar de uitgever of redactie voor de schrijver. Verwacht geen antwoord maar onderzoek wat voor gevoel het bij je oproept.

Odile
0 0

VLIEG

  Een keer per jaar stofzuigen we de zolder. Ons huis is groot, te groot om eerlijk te zijn. We hebben voldoende plaats om al de spullen die we niet meer nodig hebben maar waar we geen afstand van kunnen doen te stockeren zodat we de zolder niet hoeven te gebruiken. Dat vergemakkelijkt het stofzuigen in hoge mate. Niets dat verplaatst moet worden. De hele oppervlakte in een vloeiende zigzagbeweging beroeren met de zuigmond die al het stof en vuil met een verrassende kracht katapulteert doorheen die schokkerig dansende stofzuigerslang.Vandaag was het zover, en ik had er zin in.Halverwege verving ik de stofzak. Het laatste deed ik de spinnenwebben in de hoeken en rond de ramen. Spinnen zoeken naar de meest winstgevende locaties om hun constructies te monteren, en waar vang je een prooi op een donkere zolder gemakkelijker dan aan een van die ramen, allebei met die typische barst in het glas? Spinnen sloven zich uit om zo'n vangnet onzichtbaar te maken en toch, ook al veranderen die webben na verloop van tijd in vormeloze stofnetten ontdaan van al hun finesse en subtiliteit en kun je ze van meters ver waarnemen, dan nog raken er vliegen in verstrikt.Je zou denken dat, wanneer een vlieg zich vast gevlogen heeft in zo'n web, dit voor de anderen qua waarschuwing kan tellen. Toch hebben hier op enkele vierkante centimeter tientallen vliegen een doodstrijd geleverd. Misschien zie ik het verkeerd, komen vliegen hier – aan het eind van hun Latijn – gewoon om te sterven, een laatste blik op die onbereikbare wereld achter glas. Ofwel wilden enkele stoutmoedige vliegen die ene bevrijden, zoals een naar de bakkerij fietsende liefhebber van een mooie zonsopgang achter een, het kanaal in duikelende wagen springt om nooit meer boven te komen.Wie weet wat er in de bovenkamer van een vlieg omgaat?Sinds ik, toen ik klein was, de vleugels uittrok van een vlieg, loop ik gebukt onder een last. Eerst negeerde ik het schuldgevoel en sloeg ’s zomers met een mepper honderden vliegen plat die de kat dan oppeuzelde. Tot ze er op een dag genoeg van had en daarna bleven de vliegen liggen wat mij de jacht deed staken. Het gebeurde, zoals ik al zei, lang geleden, toen ik de smaak van het stofzuigen nog niet te pakken had. Die kat heeft massa’s vliegen het leven gered. Kort daarna kantelde er iets in mijn hoofd, en kon ik geen vlieg meer kwaad doen.Ik moet bekennen dat vliegen me met het verstrijken der jaren steeds meer fascineren. Dat kleine wonder der natuur. Die verbluffende hoogstandjes in luchtacrobatiek gekoppeld aan ongekunstelde nederigheid, alsof het vanzelfsprekend is. Maar zelfs als ze gewoon stil zitten: het stretchen en roteren van die delicate vleugeltjes, het enthousiaste wrijven in die pootjes. Alsof ze grote plannen hebben. Want ook al leeft een vlieg slechts dertig tot veertig dagen, waarom zouden ze er niet van dromen om binnen die tijdspanne iets fundamenteels te veranderen? Iets te betekenen waardoor iedere vlieg hen nadien bedenkt in hun gebeden? Dat steentje te verleggen in die rivier op aarde?Want wat weten wij eigenlijk? Alles is mogelijk.In de jaren dat ik op deze wereld ben heb ik vooral geleerd dat veel van wat gezegd of beweerd wordt, uiteindelijk wordt weerlegd.Lang geleden stuitte ik in de bib op een boekje over de vlieg. Het stond vol merkwaardige feiten die ik om de een of andere reden nog steeds ken. Zoals dat vliegen over twee facetogen beschikken die elk uit een vierduizendtal kleine, zeshoekige ogen bestaan waarmee zij bewegingen detecteren waarvan de bron soms nog niet weet dat hij ze maakt. Of dat een vlieg per seconde tweehonderd keer met de vleugels fladdert en ondertussen alweer twee meter verder is. Of dat larven van vliegen gebruikt kunnen worden om wonden schoon te maken. Of dat ze 's nachts op je lippen komen zitten om te proeven van je speeksel.Ik las ergens dat spinnen daarentegen eerder toevallig in je mond belanden terwijl je slaapt. Mensen eten gemiddeld per jaar zo'n veertien spinnen op. Stel je voor dat zo'n spin helemaal niet toevallig in je mond terecht komt, maar dat zij daar gewoon zit te wachten in de hoop dat er een vlieg komt drinken. En dat ze toeslaat, even krachtig en verrassend als een krokodil die een jong hert vanuit het niets overvalt en het water in sleurt, en die kansloze vlieg – dronken van genot – met nijdige prikken verdooft en inpakt. En dat allemaal in de beschutte holte van je mond terwijl jij vredig verder slaapt. Je mag er niet aan denken.Ik had een verdund hulpstuk op de stofzuigerbuis gemonteerd waarin de achter elkaar aan wapperende, dikke slierten spinnenweb vol kadavers verdwenen. Sommigen vielen op de grond en ik haastte me ze op te zuigen. Een paar keer had ik de indruk dat er nog beweging in zat maar de zuigkracht was zo groot dat ik het nauwelijks kon zien. Het leek me ook onwaarschijnlijk, want het was hier zo koud en vliegen zoeken toch de warmte op? Ik was even uit het oog verloren dat hun vrijheid momenteel aan banden lag.Al stofzuigend herinnerde ik me dat sommige vliegen tot een maand als larve leefden voor ze ontpopten. Stel je voor dat je dan op je eerste dag als vlieg in zo’n web terecht kwam… En er was geen spin te bekennen om je uit je lijden te verlossen. Enkel afwachten tot je maandje erop zat, of tot je door ontbering omkwam.Op dat moment zag ik een vlieg houterig over de houten vloer kruipen. De spieren stram door de koude of te weinig beweging of verlamd van angst voor die stofzuigerslang. Ik kreeg medelijden met het schepsel. De toekomst zag er bar uit. Geboren in de ijstijd. Je leeft maar je zult nooit optimaal van dat leven genieten en geen god die met je bezig is. Of zou er een hemel voor vliegen bestaan?Toen ik ’s avonds naar tv zat te kijken dacht ik plots weer aan die vlieg die daar kroop over de oude houten plankenvloer van die eindeloze zolder. Het was dus meer dan waarschijnlijk dat ik dan toch levende vliegen opgezogen had. De ongelukkigen met de kracht van een orkaan mee geslingerd tot diep in die benauwde ruimte waar de storm nog een hele tijd woedde en waar je – hoe goed voorzien je ook was - geen vleugel voor je ogen zag. Om wakker te worden in die ondefinieerbare massa van vuil waar je nooit meer uit zou komen.Zouden er overlevenden zijn? Wat ging er in hen om? Zouden ze zich als het slachtoffer van een natuurramp beschouwen? Zouden ze er enig begrip voor kunnen opbrengen dat ik, de god van dit huis, het nodig vond te stofzuigen die dag?    

Rino Feys
0 0

Merel

Het was nog vroeg toen Merel op haar groene mountainbike de oprit afreed. De gekleurde bolletjes die ze de week voordien samen met Kaat aan de spaken van haar wielen had bevestigd, maakten een hels kabaal. De hele wijk kon haar vast horen. De hele wijk, behalve haar moeder. Die sliep overal doorheen.     Merel reed de straat uit, voorbij het grasveldje met de drie lindebomen, over het fietspad tussen de maïs en de schapenweide, de Dorpsstraat over, en zo over een zandweggetje de velden in. Ze hobbelde over stenen, slalomde tussen diepe putten die zich met regenwater hadden gevuld en neuriede een zelfverzonnen liedje. De lucht had die typisch blauwe kleur die hij altijd had vlak voor de zon opkwam. De maan hing als een witte sikkel aan de lucht. Merel wilde hem plukken, de halve maan in haar armen wiegen als een baby. Haar vader had haar eens verteld dat de maan zelf geen licht geeft. Hij weerkaatst gewoon het licht van de zon.   Ze remde toen ze iets hoorde ritselen in de struiken. Het was een mannetjesfazant, die zich met veel kabaal uit de voeten maakte. Soms zocht Merel bewust naar fazanten, omdat ze zo grappig waren, met hun rooie kop en lange staart. Maar ze lieten zich nooit zien wanneer zij dat wilde. Wanneer ze het niet verwachtte, schoten ze echter maar al te graag voor haar door.   ‘Gekke vogel!’ lachte Merel en stapte weer op haar fiets. Een paar honderd meter verder hield ze halt aan een grote, witte villa. Het was het laatste huis voor de Wildernis. Merel legde haar fiets in de berm, wandelde stilletjes de oprit op en gooide een steentje tegen Kaats slaapkamerraam. Ze wachtte ongeduldig. Ze wilde Kaats ouders niet wakker maken. Vooral haar papa niet. Die keek altijd zo streng. Kaat had haar eens verteld dat hij niet wilde dat zijn dochter met haar omging. Eén keer had hij gezegd dat Merel tot een andere klasse behoorde. Merel en Kaat wisten niet wat hij daarmee bedoelde, maar toen Merel het aan haar papa vertelde, werd die heel boos. Hij noemde Kaats ouders snobs. Dat had ze Kaat nooit verteld.   Ze was een keer bij Kaat binnen geweest. Hun huis was zo anders dan dat van haar. Veel groter en witter. Witte muren, witte kasten. Nergens lag rommel. Er stond geen wasmand met een berg strijk in de hoek, er lagen geen boeken, geen speelgoed, geen jassen en petten en handschoenen, geen vuile borden of koppen. Het was bijna alsof er niet geleefd werd in het huis. Merel durfde nauwelijks bewegen, bang dat ze iets stuk zou doen of vuil maken. Toen Kaats moeder vroeg of ze een glas limonade wilde, had ze enkel maar geknikt en toen ze haar het glas aanreikte, had ze zo stil ‘dank u’ gezegd dat ze het onmogelijk gehoord kon hebben. De hele namiddag had ze op fluistertoon tegen Kaat gesproken en toen haar vader thuis kwam, durfde ze zelfs niet meer zeggen. Sindsdien had Kaat haar nooit meer bij haar thuis uitgenodigd. Dat gaf niet: Merel ging liever naar het bos.   Het duurde een hele poos voor Kaat naar buiten kwam. Ze droeg een jeansbroek, een blauwe jas en stoffen schoentjes. Haar blonde haren had ze in twee perfecte vlechten gebonden, die onder haar muts uitstaken als dikke rupsen. Soms was Merel een beetje jaloers op het perfecte haar van haar vriendin. Zelf had ze donkerblond, dun haar waar altijd heel veel knopen inzaten.   ‘Dat duurde lang.’ Merel nam een aanloopje en sprong met beide voeten tegelijkertijd over een grote plas. Kaat lachte luid toen Merel deed alsof ze haar evenwicht verloor. Met wilde gebaren balanceerde ze op één been aan de rand van de plas.   ‘Ik vond mijn handschoenen niet.’   ‘Het is niet zo koud.’   ‘Het vriest toch wel zeker tien graden!’ Kaat bukte zich om een veertje op te rapen. Ze had al een hele verzameling. Ze versierde er alles mee: haar agenda, kistjes die ze op haar kamer had staan met allerlei spullen in, het scrapboek dat ze om beurten een paar dagen mee naar huis namen en waar ze van alles in schreven en kleefden. Soms stopte ze zelfs veren in haar vlechten, maar dat deed ze alleen als haar moeder het niet zag, want die vond dat vies.   ‘De plassen zijn niet eens bevroren.’ Merel had geen muts, sjaal of handschoenen aan. Ze had het niet zo snel koud. En als ze het toch koud had, rende ze gewoon tot ze het vanzelf weer warm kreeg.   Ze liepen verder over de modderige veldweg. Af en toe bleven ze staan om te kijken naar konijnen die door het veld huppelden. Toen ze zich omdraaiden, zagen ze de zon al opkomen aan de horizon, die nu geel en roze was, met grijsblauwe wolken. Tegen die lucht staken de kerktoren en een grote kraan af. Toen draaiden ze zich om en liepen het bos in. Dit noemden ze de Wildernis. Het was hun terrein. Hier hadden ze vorige herfst massa’s kastanjes geraapt. Tamme om op te eten en blinkende, wilde kastanjes om mee te knutselen en spelletjes te spelen. Er liepen verschillende smalle paden door het bos, maar die lieten ze links liggen. Ze wandelden liever kriskras tussen de bomen door. Ze stampten door de bladeren, streelden met hun handen over de ruwe schors van oude bomen en sprongen op één been over dikke boomwortels. Aan een dikke eik deelden ze een banaan en een paar chocoladekoeken. De eerste zonnestralen zochten zich een weg door de kruinen en vormden prachtige patronen. Een ree bleef verstijfd staan toen hij hen opmerkte, en verdween toen in het struikgewas.   ‘Ik heb gisteren een grote, zwarte hond gezien aan de bunker.’   Kaat keek haar met grote ogen aan. Er hing een stukje banaan op haar kin. Haar moeder zou vast kwaad worden als ze dat zag. Soms stond haar moeder op de oprit als ze uit het bos kwamen en dan gilde ze dat Kaats broek groen was en haar schoenen vol modder zaten. ‘Zonder baasje?’     ‘Ja. Hij stond daar gewoon een paar meter bij me vandaan. En toen liep hij weg. Hij was zeker zo groot.’ Merel hield haar hand ter hoogte van haar borst. Ze wist ook wel dat de hond niet zo groot was, maar ze maakte graag indruk op Kaat. ‘Laten we hem gaan zoeken.’   Ze liep verder, maar Kaat bleef staan. ‘Misschien is hij gevaarlijk.’  Merel liep gewoon door. Al snel kwam Kaat haar achterna gelopen. Het viel Merel op dat ze voortdurend over haar schouder keek.   Er was geen hond aan de bunker. ‘Jammer,’ zei Kaat. Ze zag er opgelucht uit.   Ze gingen naar hun kamp. Dat was een constructie van grote takken met dunnere takken tussen geweven. De dikste takken hadden ze aan elkaar gebonden met stukjes touw die ze in hun garages hadden gevonden. Een tijdje geleden had het hevig gestormd. Daarbij waren er heel wat takken van bomen gebroken en er waren zelfs een paar bomen omgewaaid. Maar hun hut was ongedeerd. Daar waren ze heel trots op.   Hun kamp was groot genoeg om in recht te staan. Een boomstam deed dienst als zitbank. Soms fantaseerden ze dat ze voor altijd in hun hut zouden blijven wonen. Ze zouden noten roosteren boven een vuur en slapen op een bed van mos. Ze zouden nooit naar huis gaan, of naar school. En er zouden andere kinderen komen. Kinderen wiens papa was weggegaan de dag na hun negende verjaardag. Kinderen wiens mama de hele dag op de zetel lag omdat ze te verdrietig was om op te staan. Kinderen die geen broertje of zusje kregen. Ze zouden een dorp bouwen. Hun eigen kindermaatschappij, midden in het bos, ver weg van de volwassenenwereld.   Maar er kwamen geen andere kinderen en Kaat moest op tijd thuis zijn voor het eten. Net toen ze uit hun hut klauterden, hoorden ze een tak kraken. Het was de zwarte hond. Hij stond op tien meter bij hen vandaan. Hij keek hen recht aan, zijn staart hoog in de lucht. Ze bleven stokstijf staan.   ‘Wat is hij groot,’ zei Kaat met schorre stem.   Merel zette een paar stappen in de richting van het dier. Haar hart klopte wild in haar keel, maar dat zou ze Kaat niet laten merken. ‘Het is een wilde hond.’   ‘Hoe weet je dat?’   ‘Dat zie je aan zijn ogen.’ Merel stond nu vlakbij de hond. Ze kon hem zelfs ruiken. Hij rook zoals het vuile meertje aan de andere kant van het bos, waar altijd bruin water in stond en waar ze weleens kikkers en padden ving. Ze stak haar hand uit. Die trilde een beetje. Even leek de hond te verstijven, toen liet hij een diepe grom horen.   Kaat gilde en zette het op een lopen.   ‘Wacht!’ Merel struikelde haar achterna. Takken zwiepten in haar gezicht toen ze zich een weg door de struiken baande. ‘Niet weglopen! Dan ziet hij je als een prooi!’ Toen ze over haar schouder keek, was de hond verdwenen. ‘Hij komt ons niet achterna!’ riep ze twee keer.   Maar Kaat was niet meer te houden. Merel had haar nog nooit zo zien rennen. Pas aan de rand van het bos bleef ze staan. Hijgend wandelden ze naar Kaats huis. Kaats vader stond op de oprit met nog twee mannen. Hij zette zijn handen in zijn zij toen hij hen zag. ‘Waarom zweten jullie zo?’   Kaat gooide haar vlechten naar achteren. Haar broek hing vol bruine spatten en haar witte schoenen hadden zich vol modder gezogen. Ze hijgde nog steeds. ‘We hebben een wilde hond gezien.’   Ook Merel hing vol modder. Ze ademde een paar keer diep in door haar neus om haar ademhaling tot rust te brengen.   De twee mannen die bij Kaats vader stonden, lachten, maar hij lachte niet met hen mee. ‘Waar?’   ‘Voorbij de bunker.’   Kaats vader wierp een kwade blik naar Merel, die aan het begin van de oprit was blijven staan. ‘Ik wil niet dat je zo ver het bos in gaat.’   Merel nam haar fiets uit de berm waar ze hem die ochtend gelegd had.   ‘Is dat jouw fiets?’ vroeg een van de mannen. Hij had bijna geen haar en droeg een kostuum. Zijn buik was zo dik dat hij niet alle knoopjes van zijn vest toe kreeg.   Merel knikte.   ‘Die lag daar gevaarlijk. Ik was er bijna overheen gereden.’   Iedereen keek nu naar haar. Merel keek snel naar Kaat, die achter haar vaders rug haar tong uitstak. Daarop moest Merel grinniken, waardoor de mannen nog kwader keken. Merel sprong op haar mountainbike en reed weg.   ‘Wat een onbeschoft kind,’ hoorde ze een van de mannen nog zeggen. Kaat antwoordde daar iets op, maar Merel was al te ver weg om het te horen. De bolletjes om haar spaken ratelden. Kraaien vlogen met verongelijkte kreten op. De lucht was donker geworden. Bij de populieren aan het einde van het veldweggetje bleef ze staan. De wind joeg door de boomkruinen, alsof hij haar wilde waarschuwen voor de naderende regen. Merel hield van het geluid van de wind tussen de kruinen van populieren. Het deed haar denken aan de zee. Merel had het altijd vreemd gevonden dat je op zee kon verdwalen. Zelf had ze al heel vaak geprobeerd om te verdwalen. Het lukte niet. Ze vond altijd de weg terug.   Ze keek toe hoe een grote roofvogel laag over het veld scheerde op zijn krachtige, bruine vleugels. Hij bleef even op een paaltje zitten, keek haar aan en vloog weer verder.   Merel reed net haar wijk binnen toen het begon te regenen. Als een speelse pup hapte ze naar de druppels.     (c) Leen Raats, uit het verhaal 'Kinderen van het bos' uit de bundel 'Vloedlijn' www.leenraats.be

Leen Raats
31 0

Sorane 01/03 De huurmoordenares

  Vals spel Aarzelend stapt de roodharige wankelend naar haar meerdere toe. ‘Vandaag is de laatste proef. Slaag je dan zal je je opleiding verder kunnen zetten, maar slaag je niet dan, keer je niet meer weer.’ Sorane knikt even. ‘Ik zal slagen.’ Verbaasd om zoveel zelfzekerheid kijkt hij haar aan. Is er iets dat hem ontgaat? Zelfs als ze volledig gezond zou zijn, dan had ze nog maar een kleine kans om te slagen. En als hij naar de verbanden om haar wonden kijkt, schud hij zijn hoofd. ‘Ze heeft zelfs geen kleine kans,’ denkt hij. Dan kijkt hij Sorane aan en wijst naar een beeldscherm. Daar zijn drie portretten te zien. Twee mannen en een vrouw. Onder de portretten kan iedereen de gegevens over deze doelwitten lezen. Ze zij gelukkig alle drie op macht beluste misdadigers, voor wie een dode meer of minder niet telt. ‘Dat zijn je doelwitten, Sorane. Je hebt tot het einde van de week om hen uit te schakelen. Kom echter niet terug voor ze dood zijn, want anders kom je niet levend het kleine huisje op de oppervlakte binnen.’ Sorane knikt alleen maar. ‘Mag ik mij nog even voorbereiden?’ ‘Doe maar, Sorane. Ik verwacht je over dertig minuten in de grote zaal. Daar zal je een tablet krijgen waar alle gegevens over je doelwitten opstaan.’ Mankend en licht wankelend stapt Sorane moeizaam naar de uitgang tot de eetzaal toe. Als ze voorbij haar vrienden stapt, vraagt ze: ‘Axin wil je me even helpen? Want ik moet mijn verband vervangen, voor de proef begint.’ De jonge vrouw knikt met een bezorgd blik. Als Sorane het ziet, glimlacht ze even. ‘Ik kom ook mee.’ ‘Je kent de regels, Verin. Dus je blijft best hier wachten tot we terugkomen,’ zegt Sorane koel. Een tiental minuten later trekt Sorane haar jasje uit, Axin helpt haar om het verband los te maken. Verbaasd staart Axin naar de wonde aan de zijde van Sorane. ‘Je ziet er bijna niets meer van. Hoe kan dat?’ ‘Een zalfje, Axin. Dat werd in de mijnen gebruikt om wonden te behandelen. Ik kreeg van die mannen een voorraadje mee. Wil jij het verband om mijn arm losmaken?’ Ook haar arm is al veel beter. Hij is zelfs niet meer gezwollen. Als ze Sorane geholpen heeft om het verband om haar dij te verwijderen, blijkt ook die wonde zo goed als genezen te zijn.’ ‘Die zalf is een wonder, Sorane.’ ‘Niet echt, Axin. Maar als ik die niet had, dan had ik zelfs geen kans om de proef te winnen. Nu ben ik bijna zover als toen ik aangevallen werd. Alleen heb ik ergens spijt dat ik hen moest doden.’ ‘Spijt moet je niet hebben, Sorane. Zij voerden hun opdracht uit en vonden de dood. Dat is hun risico.’ Sorane wrijft nog een dun laagje zalf over elke wonde. Verbaasd ziet Axin het verharden en een stevige laag over de wonde vormen. ‘Had jij eigenlijk wel dat verband nodig?’ vraagt Axin, terwijl ze naar Sorane kijkt die even in een wandspiegel naar zichzelf kijkt. ‘Niet echt, Axin. Ik wilde de coördinator misleiden,’ antwoordt ze. ‘Dat is je dan gelukt, Sorane. Zelfs ik en de anderen liepen erin,’ zegt Axin, terwijl Sorane een nauwsluitende zwarte broek over haar slanke benen aantrekt. ‘Waar kijk jij zo naar?’ ‘Je bent veranderd Sorane. Veel gespierder en vrouwelijker dan vroeger.’ ‘Dat kan ook moeilijk anders. Het leven in die mijnen is geen lachertje. Daar trainde ik als ik vrij was en die training heeft me goed gedaan.’ ‘Maar je was toch in verwachting.’ Even trekt een sombere blik over het gezicht van Sorane, maar dan glimlacht ze. ‘En ik ben van een gezond meisje bevallen, Axin. Haar naam is Tyjan. Maar ik heb haar afgestaan aan een jonge vrouw die een paar jaar eerder haar kindje verloren was.’ ‘Dat is vreselijk, Sorane. Verlang je niet naar je kindje.’ ‘Ja, Axin. Met heel mijn hart, maar ik moest haar afstaan.’ ‘Je had toch kunnen wegblijven.’ ‘Nee, dat kon ik niet, Axin. Dat weet je ook wel. Niemand kan Akron levend achter zich laten. We zouden heen ons leven op de vlucht. Dat mijn dochtertje veilig is, is voldoende voor mij.’ Axin knikt lichtjes, maar ze heeft toch haar twijfels. Dan klikt Sorane de speciale sluiting om haar heupen vast. Snel trekt ze een paar zwarte leren laarzen aan, met twee gespen sluit ze die nauw over haar broek om haar benen. Kalm neemt ze een donkerblauwe hemd bloeze, die haar hals en schouders bloot laat, uit een van haar reistassen. Ook dat blijkt tot Axins verbazing nauw om haar lichaam te passen. ‘Je ziet er mooi uit, Sorane. Hoe kom je daaraan?’ ‘Mijn stiefvader kocht een tiental van deze kleren. Hij moet geweten hebben wat me hier te wachten stond,’ zegt Sorane glimlachend, terwijl het bijpassend jasje uit haar tas neemt. ‘Wauw, spijtig dat het zwart is, Sorane. Maar je ziet er mooi uit, zelfs een beetje Sexy.’ ‘Kom, we gaan,’ zegt Sorane, terwijl ze de langwerpige box opneemt. Als ze hem over haar schouder hangt, staart Axin ernaar. ‘Wat is dat voor iets?’ ‘Mijn wapen, Axin. Het is zeer speciaal omdat alleen ik het kan activeren. Als het zich ontvouwd is het een zeer precies scherpschutterswapen waarmee ik van zeer grote afstanden kan vuren.’ ‘Waar heb je dat nu weer vandaan, toch ook niet van de mijnen?’ ‘Toch wel, het is een van die mannen waarover wie ik niets zou mogen zeggen.’ ‘Wauw. Dat moeten dan wel goede vrienden geweest zijn?’ ‘Denk je, Axin. Ze hadden een bedoeling. Ze trainden mij om dat ik hun enige kans was om de man te straffen die hun vriend liet veroordelen, waardoor hij in de mijnen terecht kwam.’ ‘Wie is die man dan?’ ‘De coördinator.’ ‘Wat? Dat meen je niet. Je gaat me toch niet zeggen dat jij hem gaat doden.’ ‘Nog niet, Axin. Maar ooit zal hij dood voor mijn voeten liggen. Zijn zoon, die in de mijnen omkwam, eiste dat van mij. Zijn vader heeft de vrouw van wie hij hield voor zijn ogen laten doodmartelen.’ ‘Heeft de coördinator zoiets gedaan?’ ‘Kom je, anders wordt die moordenaar ongeduldig,’ zegt Sorane en verlaat haar vertrekken. ‘Je mankt zelfs niet meer,’ zegt Axin achter haar. ‘Oei, goed dat je het zegt, door ons korte gesprek was ik het bijna vergeten.’ Axin kijkt Sorane verbaasd aan, als ze langzamer stapt en lichtjes mankt. Dan glimlacht ze. Even later blijft Axin staan, terwijl Sorane naar de coördinator toe mankt. Die kijkt haar verbaasd aan. In deze kledij ziet zij er helemaal anders uit. Even heeft hij spijt over wat hij met haar van plan is, want zo bevalt ze hem wel. En hem niet alleen, merkt hij. Verschillende jongemannen staren haar als ze een wereldwonder is. Dan merkt hij de vreemde box op die ze over haar schouder heeft hangen ‘Waar heeft ze dat vandaan? Is dat een wapen?’ denkt hij verbaasd. ‘Wat heb jij buiten de proef nog meer in gedachten, coördinator? Weer zoiets als de vorige keer? Want een van de dingen die ik in de mijnen, tijdens mijn vakantie geleerd heb, is dat de dood genade betekend. Want dood ben je uit je leiden verlost. Daarom zal ik hen niet doden, maar verwonden.’ ‘Wat doet Sorane? Waarom daagt ze hem zo uit?’ fluistert Verin verschrikt. Axin glimlacht alleen maar. Toch heeft Nevon het gemerkt. ‘Weet jij soms meer dan wij?’ Axin knikt even, maar zegt niets. ‘Jij weet iets, Axin.’ ‘Dat is juist, Nevon. Sorane is zo goed als klaar voor de proef en bijna zo gezond als een vis.’ ‘Zo gezond als een vis zeg je, Axin. En haar wonden dan.’ ‘Die zijn al bijna volledige geheeld, Verin. Ze mankt zelfs niet echt meer. Je had haar daarstraks moeten zien, Verin. Ze is de Sorane die wij gekend hebben niet meer. Waar ze ook geweest is. Daar is ze door harde training een nieuwe vrouw geworden. Ze heeft de opleiding niet meer nodig om tot de actieven gerekend te worden.’ Een uurtje later stapt Sorane door de voordeur het kleine huisje uit. Daar wacht een zwever, die haar naar de stad brengt. Maar onderweg, trekken twee van de mannen hun pistool. ‘Je wapen, Sorane,’ eist een van de twee. ‘Nee,’ meer zegt Sorane niet, maar dan flitsen haar beide handen onder haar jas uit. Hun wapens worden met een harde klap uit hun handen geslagen. Verschrikt kijken ze Sorane aan. ‘Wat is die snel,’ denken ze allebei. ‘De volgende maal, schiet ik eerst op je wapen en dan op je rechter knieschijf, vrienden,’ zegt de roodharige koel. ‘We moesten alleen je wapens af nemen, Sorane. Ook je die vreemde box, want dat was niet gepland. In de zwever ligt een aangepast wapen, dat jij moest gebruiken. Er kan maar tweemaal mee gevuurd worden. Ze willen je alleen op een bepaalde plaats, terwijl ze je in het vizier nemen. Als je minstens een van de doelwitten uitgeschakeld hebt, dan krijg je vermoedelijk een kogel door je kop.’ ‘Denkt de coördinator werkelijk dat ik dat zou aannemen. Dan is hij nog dommer dan ik al dacht. De training die ik gedurende meer dan een jaar gevolgd heb, heeft van mij een volleerde schutter gemaakt. De mannen die mij trainden hoorden tot de beste van hun vak.’ De twee kijken haar verbaasd aan. ‘Wie hebben je dan getraind?’ ‘Veroordeeld gespuis, maar ze wilden een beetje verstrooiing in hun saaie bestaan in de mijnen.’ ‘Als dat werkelijk waar is en ik moet je geloven, Sorane. Dan staat de coördinator nog een verrassing te wachten.’ ‘Als je wil, kunnen we je ergens dichtbij het doel afzetten.’ ‘Toch wil ik je omdat je ons gespaard hebt, waarschuwen. Je bent levend meer waart dan dood, maar alleen tot de drie doelwitten in hun bloed liggen. Daarna heeft jouw leven geen enkele waarde meer. Dat was het bevel van de coördinator. Wees dan op je hoede?’ Sorane knikt even. ‘Weet je hoeveel er mij opwachten?’ ‘We hebben er drie met een zwarte personenwagen zien vertrekken, Sorane. Maar ongeveer een uurtje na die drie vertrok een bestelwagen met zeker acht in het zwartgeklede mannen en vrouwen is.’ Sorane knikt even dankbaar. ‘Kruis alsjeblieft mijn pad niet meer. Ik kan mij in ons beroep geen dankbaarheid veroorloven. Dat weten jullie ook.’ ‘Dat is juist, Sorane. Het is een leven zonder liefde en vriendschap zonder vertrouwen. Dat weten we. Maar ik denk niet dat we nog in leven zijn als je terugkomt, want we zijn niet geslaagd in onze opdracht.’ ‘Verdwijn dan uit deze streken.’ De twee kijken elkaar aan. ‘Kunnen we altijd proberen, al geef ons niet veel kans van slagen.’ ‘Dat is toch altijd beter dan hier te blijven wachten tot ze komen,’ zegt de andere. ‘Misschien kent Sorane een vluchtweg, want zij lijkt altijd een ontsnappingsplan te hebben.’ ‘Dat is te laat, Ervin. Ze is al weg.’ Beiden kijken om zich heen, maar zien Sorane nergens meer. ‘En wij staan hier open en bloot, zonder vervoer.’ ‘Dan moeten we ons zien te behelpen, Gorov.’ Sorane is intussen met de zwever op weg naar haar doel en land in de buurt van een groot hotel. Daar neemt ze een kamer op de top verdieping. Als ze binnen stapt legt ze een klein voorwerp op de tafel en activeert het. Het is een omgevingsscanner, die alarm slaat als er iemand de ruimte zou betreden. Nadat ze haar wapens gecontroleerd heeft, gaat ze op het bed liggen en staart naar het plafond. In gedachten overloop ze de gegevens van haar opdracht. Want nu ze weet dat een of meerdere onbekenden haar leven moeten beëindigen, na de dood van haar doelwitten, moet ze iets ondernemen. Ook denkt ze na over de plaats waar de eerste drie van de wagen ergens op de loer kunnen liggen. Maar die personen in de bestelwagen baren haar het meeste zorgen. Vermoedelijk zullen die bij haar terugkeer ingrijpen. Alleen weet ze niet waar dat zou kunnen zijn. ‘Ik vraag me alleen af hoe die nadien kunnen weten waar ik mij bevind en welke weg ik terug neem.’ Langzaam duizelt ze in slaap, maar plots schiet ze weer wakker. ‘Een zendertje, verdomme. Ergens moet ik een verborgen zender dragen,’ denkt ze verschrikt. Dan glimlacht ze. ‘Als ze denken dat ik dat niet kan vinden dan hebben ze het goed mis,’ fluistert ze, terwijl ze haar riemtasje opent. Hier heeft ze verschillende kubusjes steken. Een ervan bekijkt ze. Aan de zijkant drukt ze en klein knopje is, waardoor uit de kubus een half doorzichtig schermpje komt. Met dat schermpje glijdt ze over de kledij die ze nog steeds draagt. Maar ze vindt niets. Dan volgt haar jas. Ook daar vindt ze eerst niets, maar dan verschijnt een lichtpuntje op het scherm. Aarzelend neemt ze het voorwerp uit haar jaszak. Een kompas die tot haar gereedschap behoort, als ze op pad moet. Onderaan merkt ze een kleine sticker op. Daaronder voelt ze iets kleins. Even glimlacht ze. ‘Dat is voor later. Voorlopig mogen ze gerust weten waar ik mij juist bevind,’ denkt ze. Even kijkt ze op de wandklok en merkt dat het iets voor een uur is. Snel trekt ze haar boven kleding uit en legt zich opnieuw in haar ondergoed op het bed. Zeer vroeg in de morgen, is ze al op. De bediende aan de ingang staart haar verbaasd aan, als ze betaalt. Als ze naar de zwever toestapt, kijkt hij haar na. Maar hij merkt niet dat een vreemde schaduw buiten de roodharige vrouw lijkt te volgen. Ook Sorane heeft het niet gemerkt, maar haar scanner echter wel. Glimlachend stapt ze in de zwever en blijft even nadenkend zitten. Dan drukt ze snel enkele knoppen in. Dadelijk verheft de zwever zich van de grond. Op een meter hoogte draait het toestel rond op zoek naar een doelwit. En dan ziet ze de man tussen enkele wagens zitten. Ze herkent hem dadelijk. Het is een van de mannen, die de aanval op haar overleefden. Dan vuurt de zwever tweemaal. De man werpt zich opzij, waardoor een schot links en het andere rechts van hem voorbijraast. Maar dat was de bedoeling van Sorane, want ze vuurde nog een derde schot met haar handwapen. Met dat schot raakte ze haar doelwit echter wel nauwkeurig. Een piepklein pijltje heeft zich in zijn hals geboord. Hierin zat een speciale tracer, waardoor ze de standplaats van de man op haar scherm kan zien. Een paar seconden later schiet de zwever weg in de richting van het noorden. Vloekend kijkt de man haar na. Maar hij weet waar ze naartoe gaat, dus volgen kan hij haar altijd. Een uurtje later stijg ook zijn zwever op en zet koers naar het oosten. De richting waarin zijn doelwit ook later in geslagen zal zijn. Alleen weet hij niet dat Sorane paar kilometer achter hem zweeft. Ze volgt hem naar zijn bestemming waar hij enkele anderen ontmoet. Vanuit de zwever richt ze haar speciaal wapen op de vijf mannen en drie vrouwen. Zeven maal schiet ze, zonder dat een van hen iets merkt. Maar ze worden allen geraakt, door een piepklein pijltje. De man die ze volgde slaat ze over, omdat die al een tracer in zijn lichaam heeft. ‘Heb je dat gemerkt, Lodor? Ik werd door iets gestoken.’ ‘Inbeelding, man. Hier is niemand in de buurt?’ ‘Zwijg liever. We moeten ons voorbereiden, want Sorane heeft niet veel tijd meer om te slagen. En we weten niet zeker waar ze zich nu bevindt.’ ‘Dat niet, Jonora. Maar we weten wel waar ze naartoe moet. Ook de satellieten zijn op hun positie.’ ‘Ik heb haar. Ze land juist met haar zwever nabij een van de hoogste gebouwen in dat dorp. ‘Heb jij satellietverbinding, Toron?’ ‘Al een uurtje of zo. Ik heb een drietal satellieten op het dorp gericht. En een tweetal minuten geleden, kwam Sorane opdagen.’ ‘Activeer de overbrengers. Straks ontkomt ze ons nog, nadat ze haar doelwitten uitgeschakeld heeft.’ ‘Wij zijn niet de enige die achter haar aanzitten?’ ‘Dat weet ik, Toron. Maar ik wil haar zelf neerleggen.’ ‘Laat ons dan maar snel vertrekken, want niet alleen wij hebben toegang tot de satellieten.’ ‘Veld geactiveerd, Roven.’ Sorane laat zich intussen achter de balustrade zakken. Kalm neemt ze de box van haar schouder en drukt haar rechterhand tegen de breedste kant. De box begint dadelijk te vervormen toe ze hee speciaal scherpschutterswapen in haar hand houdt.  Even kijkt ze ernaar en dan ze richt het wapen over de dakrand naar haar doelwitten. Door het vizier ziet ze een tiental mensen. Enkele kinderen rennen al spelend rond. Maar nergens merkt ze iets van de lijfwachten die overal op het terrein zouden moeten zijn. Kloppen haar gegevens wel? ‘Hier is iets niet pluis. Dat zijn geen leden van een misdaad famillie,’ fluistert ze. Dan herkent ze een van de mannen. Ze heeft hem een paar maanden geleden in een speciale nieuwsuitzending gezien, waar hij geïnterviewd werd. ‘Dat is een zeer belangrijk politicus die ijvert voor een speciale eenheid op te richten,’ denkt ze. Plots ziet ze een zestal in het zwartgeklede gedaanten het huis naderen. ‘Dat zijn die huurlingen,’ denkt ze. Als ze weer naar door het vizier kijkt. Merkt ze dat enkele mannen hun wapen trekken. Op hetzelfde moment stort de man die haar doelwit moest zijn neer. Een vrouw schrikt en rent schreeuwend op hem toe. Maar dan gaan er twee schokken door haar lichaam als ze getroffen, iets na haar stort een tweede man neer en dan een derde. Snel richt Sorane haar wapen op een ander gebouw dat volgens haar ook geschikt zou kunnen zijn en plots ziet ze een licht flits. ‘Ik ben toch diegene die hen moet ombrengen. Waarom doen die mijn werk?’ ‘Zo niet,’ denkt ze en richt op de flits, waar ze de schutter vermoed. Dadelijk verschijnen noodzakelijk gegevens op het schermpje van het vizier. Even controleert ze die. Dan verlaat een vuurstraal de loop van haar wapen. De schutter wordt in het hoofd getroffen en zakt in elkaar. Plots schrikt Sorane. De zes huurlingen hebben het vuur geopend op de mannen met een wapen. Een van hen stort neer, maar de anderen werpen zich in dekking. Sorane vloekt als ze door het vizier kijkt, want er ligt een jongetje van een jaar of acht naast de fontein. Hij beweeg nog lichtjes. ‘Hij moet geraakt zijn,’ denkt Sorane. Dan schiet een van de anderen op een jong meisje dat naar de jongen toerent. Hij mist echter. Als hij zijn wapen opnieuw wil richten, stort hij neer. Een kogel heeft zijn hoofd doorboort. De anderen schrikken, maar nog een van hen wordt geraakt door een kogel. Hij wankelt achter zijn dekking uit en wordt dan door verschillende schoten geraakt. Op het dak richt Sorane haar wapen op een van de vrouwen die nog steeds schieten. Voor de derde maal buigt haar vinger zich om de trekker en een vuurstraal braakt een kogel uit. Even verandert ze het wapen van richting en een volgende vuurstraal schiet uit de loop. ‘Sorane, het is Sorane. Daar!!!’ roept een man nog voor hij getroffen wordt. De twee overblijvenden hebben gezien waar van Sorane vuurde en veranderen snel van dekking, maar ook de lijfwachten hebben gemerkt dat ze hulp gekregen hebben. Ze proberen de twee in te sluiten, maar nu worden ze plots vanuit een andere richting beschoten. Twee van hen storten neer. Sorane probeert de plaats te ontdekken vanwaar er geschoten werd. Maar ze krijgt de tijd niet meer. Haar dekking wordt door snelvuur kogels geraakt. Snel laat ze zich vallen en kruipt over de harde stenen naar een andere plaats. In een hoek richt ze zich gebukt op en loert over de rand. Maar er is niets te zien, tot ze twee lichtflitsen vlak na elkaar opmerkt. De kogels slaan doorheen de dekking waarachter een lijfwacht dekking gezocht had. Dood zakt hij in elkaar. Snel geeft Sorane een ruk aan de loop, waardoor een deel van haar wapen in de lengte draait. Hierdoor komt een tweede van de drielopen boven aan te staan. Als de schutter weer vuurt, richt Sorane het wapen en drukt af. Ze raakt de schutter, niet maar wel de muur naast hem. Het is echter een ontploffende kogel. Zodra hij zich in de muur boort, wordt hij uit elkaar gerukt. Stukken beton worden weggeblazen en raken de schutter, die dood is voor hij het beseft. Aan de villa beneden, dagen nog meer lijfwachten op. De twee huurlingen beseffen dat ze weg moeten en sluipen tussen de geparkeerde wagens door. Sorane ziet hen echter door de tracer op haar hand scanner. En richt haar wapen echter niet op hen, maar op de plaats waarheen ze rennen. Op haar scanner ziet ze daar nog twee stippen. Even glimlacht ze. Dan richt ze haar wapen op de van en wacht geduldig. Als de twee vluchtende huurlingen de van bereiken, vuurt ze. Een paar seconden later rukt een van de twee de zijdeur open, maar dan raakt de kogel zijn doel. De van verandert dadelijk in een vuurzee. De twee en de inzittenden zijn dood voor ze iets beseffen. Sorane drukt snel op de rechterkant van de kolf van haar apen, waardoor het opnieuw de vorm van een box aanneemt. Met een ruk hangt ze het over haar schouder. Dan haast ze zich snel langs de trappen naar beneden, want ze moet hier weg. Maar als ze beneden is, haast ze zich naar de villa toe. De lijfwachten zien haar naderen en richten hun wapen. Maar als ze merken dat ze geen wapen in haar handen heeft, laten ze haar dichterbij komen. ‘Er zijn nog schutters. Ik kreeg er twee, maar ze waren met vijf,’ zegt ze snel. ‘Wie ben jij, vrouw?’ ‘Ik moest als de moordenares doorgaan, maar dat kon ik niet dulden,’ zegt ze. ‘Hoor jij bij hen?’ ‘Nee, enkelen onder jullie waren mijn doelwit. Maar ik herkende enkele mensen en ik dood geen onschuldigen. Toen begon een anderen schutter te schieten. Hij zal nooit meer op iemand schieten en zijn maat ginder op dat gebouw ook niet,’ zegt ze terwijl ze naar het gebouw rechts wijst en dan naar het gebouw waar haar kogel ontplofte. ‘Laat je wapens vallen, vrouw.’ ‘Dat kan ik niet. Zoals ik al zei. Er zijn er nog drie. Breng snel de gewonden naar binnen, ik ga naar het dak. Daar heb ik een beter overzicht.’ Even aarzelt de man, maar knikt dan. ‘Jullie daar in dekking enkele anderen helpen mij met de gewonden,’ roept hij. Als Sorane naar de lift stapt, hoort ze plots iemand zeggen. ‘Ik kan niets meer doen. Alleen een dokter kan hem nog redden.’ ‘Die raakt hier niet meer op tijd, Loson. Meron blijft maar bloeden.’ Even aarzelt ze, maar dan haast ze zich naar de gewonde toe. Ze merkt dat het een jongen is van ongeveer acht jaar oud. Zijn zusje van twaalf zit, naast hem op de grond. De jonge heeft een kogel in de buik gekregen. ‘Misschien kan ik helpen,’ zegt Sorane. ‘Jij een huurmoordenares?’ zegt de vrouw ruw. ‘En dan. Ik ken wel iets van wonden,’ antwoordt Sorane bitsig. Dan knikt de vrouw en maakt plaats. Sorane knielt naast de jongen en zegt tegen de man. ‘Haal zuiver water, Loron.’ De man haast zich weg, terwijl Sorane de bebloede doeken verwijdert. Ze schrikt wel even als ze de wonde ziet. ‘Hij moet in de rug geschoten zijn,’ denkt ze. Met een propere vod probeert ze het bloed op te zuigen, maar het blijft maar stormen. Maar als haar hand in aanraking komt met de huid van de jongen licht die groen op. Voor haar verbaasde ogen, begint de huid en het vlees te herstellen. Verschrikt trekt ze haar hand weer weg. Even kijkt ze naar haar hand, maar die ziet er normaal uit. Dan merkt ze de verbaasde blik van de vrouw op. ‘Ik weet niet wat je gedaan hebt, dame. Maar je bent erin geslaagd om het bloeden te stoppen,’ hoort ze die fluisteren. Maar Sorane staart nog steeds naar haar hand. Op dat moment komt Loron met een kom water terug. Als Sorane weer opstaat ziet ze enkele anderen binnenkomen. Onder hen zijn een van de mannen die ze moest doden. Ze ziet de man schrikken en naar de jongen toelopen. ‘Wat is er met Meron, Doneya?’ vraagt hij hees. ‘Meron zou doodgebloed zijn, als zij hem niet geholpen had, Her Govinov.’ Als de man haar aankijkt, komt Sorane uit haar verstarring en stapt op enkele andere gewonden toe. Ze helpt hen verzorgen en dicht de wonden met haar verband capsules, die ze in een riemtasje draagt. Toch zijn er drie anderen waarbij ze niets kan doen. Naast hen ligt nog een zwaargewonde vrouw. Naast haar blijft ze staan en kijkt op haar neer. Twee mannen staan tegenover haar naast de gewonde. Een van hen heeft tranen in de ogen en kijkt neer op de vrouw. Als hij Sorane opmerkt kijkt haar plots aan. ‘Niemand kan, mijn dochter, Nianone meer helpen.’ Sorane richt haar blik op de andere, die beide wonden, probeert te stelpen. ‘De ziekenzwevers zijn onderweg, maar ze zullen te laat komen. Ik slaag er niet in om het bloeden te stoppen. Beide kogels zitten nog in het lichaam,’ fluistert de man. Even twijfelt Sorane en kijkt naar het bleke gelaat van de vrouw, die maar een paar jaar ouder is dan zijzelf. Dan neemt ze opnieuw een besluit en opent haar riemtas. Terwijl ze zich afvraagt waarom ze deze mensen, die ze moest doden helpt, brengt ze een beetje zalf aan op haar vingers. ‘Dit zal wel helpen,’ zegt ze fluisterend, terwijl de man zijn bebloede handen terugtrekt. Sorane wrijft een beetje zalf omheen beide wonden. Beide mannen kijken verbaasd toe, hoe de randen van de zalf naar elkaar toegroeien en de wonde helemaal afsluiten. Dan schrikken ze nog meer, als de eerste kogel naar buiten gestuwd wordt. Iets later volgt de tweede uit de andere wonde. ‘Hoe kan dat?’ ‘Dit is speciale zalf die we in ons beroep gebruiken,’ fluistert Sorane, die nadenkend naar de nu afgesloten wonden kijkt. Ze hoopte dat dat vreemde groene licht weer zou oplichten, maar ze zag er niet van. Alleen bij die jongen gebeurde er iets, waardoor zijn wonde zich weer bijna helemaal herstelde. Het leek uit haar handen te komen, maar ze had er geen controle over. ‘Zou ik het me ingebeeld hebben?’ denkt ze, terwijl even naar de jongen staart. Die wordt op dat moment door zijn vader en een vrouw die ze niet kent rechtop geholpen. Nu snapt ze er steeds minder van. Hij was zo zwaargewond en verloor veel bloed. Weer kijkt ze naar haar hand, maar ze kan er niets verkeerds aan zien. Nergens een spoortje van die groene gloed. Op dat moment klinken buiten schoten. Dan herinnert ze zich wat ze van plan was. Snel richt ze haar blik op de twee mannen en zegt: ‘Ik moet gaan.’ Dan haast zich, nagestaard door de twee naar de lift. Een tiental minuten later knielt ze aan de rand van het dak en merkt een twintigtal schutters op, die het gebouw onder vuur nemen. Kalm neemt ze het wapen van haar rug en richt het naar beneden. Even aarzelt ze, maar dan begint haar wapen lange vuurstralen uit te spuwen. De schutters beneden merken dat verschillende van hun makkers neerstorten en beseffen dat ze geen enkele kans meer hebben als ze hier blijven. Dus springen ze op en rennen weg. Maar verschillenden van hen worden nog getroffen, door de lijfwachten en Sorane. De vier laatsten kunnen zich in veiligheid brengen en stappen snel in twee wagens. Sorane vuurt zo snel ze kan, maar de wagens zijn gepantserd.  Ze ziet hen een zijstraat indraaien en met grote snelheid weg rijden. Nog een tiental minuten blijft ze op haar post, maar kan niets verdachts meer opmerken. Dan stapt ze langzaam naar de lift toe en daalt af. Als ze de hal inkomt, ziet ze echter een paar wapens op haar gericht. ‘Je wapens, vrouw,’ beveelt een van de mannen. ‘Laat dat, Gocen. Zij heeft verschillende mensen; waaronder mijn zoon, gered. En zonder haar hadden ze ons allemaal gekregen,’ zegt de vader van de jongen. Sorane knikt Gocen toe en glimlacht even. De mannen laten hun wapen zakken. ‘Misschien kan jij voor ons gaan werken,’ zegt Gocen. Maar Sorane schudt haar hoofd. ‘Ik moet gaan.’ ‘Mag ik uw naam weten?’ vraagt de vader nu. ‘Sorane Nador.’ ‘Waarom hebt u ons geholpen?’ Sorane kijkt de vrouw aan. ‘Het was mijn opdracht om u en je man te doden, maar ik dood alleen mensen die misdaden gepleegd hebben.’ ‘Hoe wist je dat mijn baas geen misdadiger was?’ ‘Ik herkende hem van een teevee uitzending,’ zegt Sorane nog en haast zich naar buiten. De aanwezigen kijken haar verbaasd na. Een huurmoordenares die alleen misdadigers in opdracht dood. Dat is eens iets nieuws. Hoelang gaan ze dat dulden in haar kringen. Maar Sorane is al op weg naar haar zwever en stijgt een paar minuten later op. Ze zet koers naar de hoofdstad. Ze geraakt maar tien kilometer ver, als ze plots onder vuur genomen wordt. Met een scherpe bocht duikt de zwever naar de grond toe. Op een hoogte van een meter, springt Sorane eruit. De geprogrammeerde zwever schiet omhoog, weg uit de gevaarzone. Sorane rent tussen de struiken door en laat zich dan op de grond vallen. Dan ziet ze twee wagens naderen. Als ze stoppen stappen twee mannen en twee vrouwen uit. Het zijn de vier die konden ontkomen. Ze verspreiden zich dadelijk en naderen Sorane in een halve cirkel. Sorane die hen ziet naderen, denkt: ‘Ze hebben scanners bij zich. Misschien zelfs een drone, zoals ik er een had.’ Snel springt ze op en rent naar de rand van de struiken toe. ‘Daar rent ze,’ roept een van de twee mannen. Maar dat zijn, zijn laatste woorden. Een kogel van Sorane doorboort zijn borst. Maar de anderen openen het vuur. Sorane wordt echter tweemaal hard getroffen. Maar haar speciale pak beschermd haar. Dan reageert ze iets te traag en ze krijgt een kogel in haar borst. Even wankelt ze nog vooruit en zakt dan in elkaar. De twee vrouwen en een man komen uit hun dekking. ‘Zevon kreeg ze ook al. Verdomme, ze heeft meer dan tien van ons gedood.’ ‘Ze was goed, maar nu heeft het geluk haar in de steek gelaten,’ zegt de andere vrouw. ‘Gelukkig raakte ik haar dodelijk, anders had jij daar gelegen, Nicda.’ ‘Liever zij dan ik,’ fluister de vrouw en knielt naast Sorane. Als ze naar de hals van Sorane wil tasten, rolt die plots op haar rug en vuurt dadelijk. De vrouw krijgt de kogel in haar hoofd. Sorane die nog verder rolt, vuurt intussen op beide anderen. De man is niet snel genoeg en stort neer. De tweede vrouw is echter in dekking geraakt. Dan beantwoordt die het vuur, maar ze ziet Sorane echter nergens meer. ‘Wil je leven?’ zegt een stem achter haar. Verschrikt kijkt ze om en ziet Sorane achter zich. Langzaam laat ze haar wapen zakken. ‘Ik wil je niet doden, vrouw.’ Even kijkt de vrouw in de ogen van Sorane. Dan laat ze haar wapen vallen. ‘Hoe is je naam?’ ‘Kona Visarlo.’ ‘Help je vriend daar, want die leeft nog een tijdje, als jij zijn wonde verzorgt.’ De vrouw knikt even en richt zich op. Sorane geeft een teken met haar wapen. ‘Waarom willen jullie mij doden?’ Even slikt de vrouw en fluistert bijna. ‘Jij werkt voor de concurrentie van de organisatie.’ ‘Ik? Ben je wel goed bij je hoofd, Kona. Ik was een jaar geleden nog in opleiding in het complex. Maar ik kreeg speciaal verlof.’ ‘Als je niet liegt, dan begrijpt ik niet waarom wij je ten koste van alles moeten doden.’ ‘Wie heeft de opdracht gegeven?’ ‘De coördinator. Wie anders?’ ‘Ik vraag me wel af waarom die mij dood wil. Ik behoorde tot de besten van mijn groep.’ ‘Dan weet ik niet wat ik ervan moet denken. Maar we zijn niet de enigen die achter je aanzitten. Er zijn er zeker nog een twintigtal die op de loer liggen.’ ‘Dank je, Kona. Probeer echter niets, want dan moet ik je minstens verwonden.’ ‘Mag ik mijn collega eens onderzoeken, voor hij doodbloedt?’ ‘Doe maar.’ Als ze naast haar collega knielt, ziet ze zijn wapen naast hem liggen. Even aarzelt ze, maar het dringt tot haar door dat als Sorane levend wegkomt, hun opdracht mislukt is. En dan is hun leven geen cent meer waart. Daarom grijpt ze het wapen en laat zich opzij vallen, terwijl ze haar wapen richt. Maar ze vuurt niet, omdat Sorane niet meer te zien is. Die is al op weg, naar de villa. Even kijkt de vrouw nadenkend om zich heen. ‘Gelukkig weet ze niet waar tweede groep haar opwacht. Die zullen haar wel krijgen.’ ‘Kona, jullie opdracht is mislukt,’ zegt een stem achter haar plots. Ze schrikt hevig, want ze herkent de stem. Ze heeft het einde van haar weg bereikt, beseft ze. ‘Je wapen neer, Kona. Of je ligt hier dadelijk dood op de grond.’ Aarzelend laat ze het wapen vallen en richt zich op. ‘Je wapenriem,’ zegt een van de drie mannen achter haar. Langzaam maakt ze haar wapenriem los en laat hem op de grond vallen. Twee mannen boeien haar snel. Ook de gewonde wordt naast haar in de zwever geduwd. Dan stijgt het toestel op en vliegt met grote snelheid zeg naar het oosten en draait dan af.. Als Sorane de volgende dag de tweede hinderlaag nadert, schrikt ze als ze twee lijken aan twee verlichtingspalen ziet hangen. Ze zijn met kogels doorzeeft. Sorane herkent de vrouw die ze spaarde en de gewonde. Ze land haar zwever in hun buurt en stapt naar de vrouw toe. ‘Het spijt me, Kona. Ik kende je niet echt. Jij kon er echter niet aan doen dat ik beter was. Dit lot verdiende je niet.’ ‘Hallo Sorane. Je hebt toch geen verdriet voor die mislukkelingen.’ Langzaam draait Sorane zich om en ziet twee mannen staan. Beiden houden ze een wapen op haar gericht. ‘Ik spaarde hen beiden, nadat ze elk een poging waagden. Jullie hebben hen gewoon afgemaakt.’ ‘Wij niet, Sorane. Maar onze collega’s daar op het bouwterrein wel. Wij spaarden onze kogels voor jou.’ ‘Heeft de Coördinator jullie vertelt wat er gebeurde met zijn mannen die mij voor mijn eerste proef een beetje wilden toetakelen. Ze waren met acht en ik was ongewapend. Toch geraakte ik hen voorbij, alleen kon geen van hen na vertellen wat er gebeurd was.’ ‘Opschepper. Ik heb zoiets gehoord, maar ze waren maar met drie. En twee van hen hebben elkaar neergestoken. De derde was zo verbaasd, dat jij hem langs achter in zijn rug kon steken.’ ‘Denk je dat dat waar is, man. Waarom zou de Coördinator zoveel van zijn mensen inzetten als hij mij zo eenvoudig kon uitschakelen?’ Even kijken de twee elkaar aan. ‘Ergens heeft die roodkop wel gelijk, ze moet gevaarlijker zijn dan ze er uitziet,’ zegt de linkse. Als ze weer Sorane kijken, staren ze elk in de loop van haar wapen. ‘Wapen neer, vriendjes.’ ‘Hoe kom j…,’ zegt de andere, terwijl hij zich opzij werpt. Ook de tweede probeert het, maar beiden krijgen een kogel tussen de ogen. Even kijkt Sorane op hen neer. Dan richt ze haar blik verder de straat in. Er zijn hoge in aanbouw zijnde gebouwen, dus moeten er zeker een paar op het dak zitten. Even denkt ze na en schrikt, want ze staat hier ongedekt. Dan begint ze in zigzag te rennen in de richting van een dekking die haar dichter bij de gebouwen brengt. Verschillende kogels schieten rondom haar het beton in. Achter een muurtje blijft ze liggen. Maar nu wordt ze van een andere zijde beschoten door minstens drie schutters. De kogel doorboren het muurtje. Maar Sorane is al verder gekropen. Met een sprong is ze een laag gebouw binnen. Langs de achterzijde loert ze voorzichtig naar buiten. Er is niemand te zien en ze merkt ook dat de schutter die het laatst schoten haar niet kunnen opmerken. ‘Hopelijk zijn er hier nergens anderen verborgen,’ denkt ze en rent naar de overzijde van de straat naar een hoger gebouw toe. Even voelt ze iets aan haar bovenarm als iets haar schampt. Bliksemsnel werpt ze zich met een sprong vooruit en botst tegen de deur. ‘Verdomme, Ik geraak niet binnen,’ denkt ze. Maar ze schieten echter niet meer. Snel richt ze haar rechterarm omhoog een dun touw schiet naar boven. De pijl punt boort zich twaalf verdiepingen hoger in de vloer van een balkon. Als een raket schiet Sorane de hoogte in. Hangend aan de onderzijde trek ze zich met al haar krachten op en klimt even later over de reling. ‘Niemand heeft me opgemerkt,’ denkt terwijl ze zich toch maar in dekking bukt. Dan kijkt ze omhoog. Ze ziet alleen de dakrand, maar een twintig meter naar links is vlak onder het dak een balkon. ‘Dat moet ik halen.’ Dan richt ze haar arm opnieuw. Op dat moment slaan verschillende kogels in de reling. Dadelijk laat ze zich vallen en grijpt haar wapen. Haar scherpe ogen hebben al snel de twee schutters opgemerkt. Maar als zich opricht, raast een kogel naast haar hals voorbij.  Dadelijk rolt ze opzij in de smalle inham van het venster. Uit haar tasje neemt ze snel een klein voorwerp, dat ze bij het afscheid van haar trainers gekregen. Ze drukt een knopje in en het ding schiet de hoogte in. Op een klein schermpje ziet ze de beelden die het droontje uitzend. Als snel heeft ze eerste gevonden en de twee ligt er niet zo ver vandaan. Dadelijk maakt ze zich klaar en geeft een commando aan het droontje. Die verandert van koers en botst tegen een wand aan. Van het geluid schrikken beiden op. Sorane richt haar wapen over de reling en zoekt naar een doelwit. De twee zien echter niet wat het geluid veroorzaakt heeft. Een van hen sluipt naar achter om hun omgeving te onderzoeken. Hij wil weten wat het geluid veroorzaakt richt. Zijn collega zijn aandacht intussen op Sorane, maar die heeft hun beweging opgemerkt. Als de man zijn wapen over de rand van het gebouw legt, vuurt Sorane. De kogel werpt hem achterover en hij slaat met een luide klap op het dak. De andere schrikt en kijkt om. Vloekend laat hij zich zakken en haast zich naar de rand toe. Hij bevindt zich nu een paar meter links van zijn dode collega. Langzaam en voorzichtig kijkt hij naar de plaats waar Sorane zich verschuilt. Er is echter niets te zien. Sorane is echter aan het dunne touw naar boven geschoten en bevind zich niet op het hogere dak van dat gebouw. Maar daar stoot ze op twee anderen. Een man en een vrouw. Snel duikt ze achter een dekking. De man heeft haar al opgemerkt en geeft de vrouw een teken, terwijl hij van wapen verwisselt. Voorzichtig naderen ze de plaats waar Sorane wegdook. Beiden van een ander zijde. Maar Sorane is daar niet blijven zitten, maar rende naar de oostkant van het gebouw toe. Als de man op de plaats aankomt waar ze zich zou moeten bevinden, ziet hij alleen een klein voorwerp met een flikkerend lampje. ‘Vona, weg hier,’ roept hij nog en duikt naar rechts, maar hij is te laat. De bom ontploft en werpt hem een tiental meters verder tegen de muur van de trap die op het dak uitkomt. De vrouw krijgt een paar brokstukken over zich, maar is niet ernstig gewond. Als ze recht kruipt, ziet ze het wapen van Sorane op zich gericht. ‘Ik geef je een kans, vrouw. Met hoeveel zijn jullie? ‘Teveel voor jouw, Sorane. En de anderen lusten je rauw.’ ‘Hoeveel in totaal?’ ‘Drieëndertig.’ ‘Duw nog negentwintig. Als ik jou meetel. Maar jij vormt geen gevaar meer.’ ‘Denk je dat, Sorane. We staan met elkaar in verbinding, dat zou je weten als je opleiding al voltooid was.’ ‘Ja, denk je dat ik dat niet weet,’ zegt Sorane met een glimlach en vuurt met het wapen dat ze plots in haar linkerhand heeft. Een klein pijltje, dringt in de hals van de vrouw. Die staart Sorane even aan. ‘Als je bij komt, verdwijn dan. Anders word je over enkele dagen terechtgesteld,’ hoort ze Sorane nog zeggen. Als de roodharige zich verwijdert, probeert de vrouw nog haar wapen te richten, maar ze haalt het niet. ‘Het zijn er te veel. Ze zullen al wel op weg naar hier zijn. Ik moet het anders aanpakken,’ denkt Sorane. Even kijkt ze over de rand en geeft langs het schermpje een commando aan haar droontje. Dat nadert enkele ogenblikken later, maar schiet dan weer de hoogte in. Hij gaat op zoek naar de vervoermiddelen van die moordenaars. Dan daalt ze zo snel ze kan langs de trap af. Ongeveer halverwege houdt en halt en leunt tegen de muur. Een paar minuten later hoort ze stemmen en stappen die naar boven komen. ‘Het spijt me, killers, denkt ze. Dan bukt ze zich en activeert een bom met een bewegingsdetector. Als ze het knopje indrukt begint het ding snel te flikkeren. Dadelijk rent Sorane weer naar boven, terwijl het lampje na een minuut minder snel knippert, wat wil zeggen dat het in detectiemode overgegaan is. De killers hebben geluiden boven zich gehoord en haasten zich. Sorane heeft even twee verdiepingen hoger haltgehouden en een twee bom geactiveerd. Deze maal loopt ze door de gang naar de andere kant van het gebouw toe. Daar klimt ze juist uit het venster, op het balkon, als de eerste bom ontploft. Zeven man zijn op slag dood of gewond. Nog vier anderen volgen hen, maar die zijn ongedeerd. ‘Het spijt me. Voriv. Je kent het bevel, geen gewonden in leven achterlaten.’ ‘Ja. Doe het dan snel, Nocin.’ Twee van de vier vuren driemaal en er liggen zeven doden op de vloer. De vier anderen haasten zich op hun hoede verder. Telkens ze een verdiep bereiken, scannen ze naar actieve signalen, maar er zijn er geen. Voorzichtig stappen de gang in waar Sorane naar de andere kant liep. De derde man merkt plots het flikkerende lichtje op. Snel werpt hij zich achteruit en botst tegen de man achter hem aan. Beide vallen met lawaai te trap af. De twee anderen kijken verrast om, maar dan ontplof de bom. Ze zijn beiden op slag dood. Een verdieping lager vloeken beide anderen. Een van hen heeft zijn arm gebroken, tijdens de val. ‘Bind mijn arm tegen mijn lichaam, Gowan. Ik ben nog niet uitgeschakeld.’ Even kijkt de andere hem aan en knikt dan. Intussen is Sorane al acht verdiepingen lager en klimt weer door een venster. Even staart ze de gang in, maar ze ziet of hoort niets. Snel haast zich door de gang en bereikt de lift. Als de deur openschuift zweeft ze naar beneden en bereikt al snel de gelijkvloers. Voorzichtig kijkt ze de hal in, maar ziet niemand. Met getrokken wapen sluipt ze naar de toegangsdeur toe. Maar die is afgesloten. ‘Even naar de wc, misschien is daar een of ander venster op,’ denkt ze. Nadat ze zich snel een beetje opgefrist heeft, stelt ze teleurgesteld vast dat er geen enkele venster open kan. Ze zijn allen elektronisch afgesloten. Deze gebouwen zijn nog niet lang geleden gebouwd. Bewoond zijn ze vermoedelijk nog niet. Op haar hoede zet ze haar zoektocht verder, want ze moet hier snel buiten, voor ze ontdekken waar ze zit. Plots merkt ze een deur die naar een storage leidt. Maar daar schrikt ze hevig. Er liggen zeker tien doden. Negen mannen en zes vrouwen, allen neergeschoten. Snel sluit ze de deur, maar dan opent ze die snel weer, want ze heeft verschillende vensters opgemerkt. Ze bijt op haar tanden, terwijl ze zich naar de vensters toe haast. Twee zijn er open. Maar ze kan er niet door. Maar dan merkt ze ene deur op. Aarzelend en op haar hoede sluipt ze er heen, want die deur staat open. Als ze naar buiten kijkt ziet ze nog twee doden liggen.’ ‘Die wilden vluchten, maar ze raakten niet ver,’ denkt ze. Voorzichtig kijkt ze naar buiten. Maar er is niets te zien. Maar er liggen wel stapels opgeslagen bouwmateriaal. Ze waagt haar kans en rent naar de eerste dekking toe, maar ze wordt niet beschoten. Even blijft ze zitten, maar springt dan weer recht op en rent naar de volgende. Weer geen schoten. Nu sluipt ze verder tussen de stapels en bereikt de overzijde. Juist als ze daar aankomt ziet ze ongeveer tien gewapend mensen op het einde van de straat voorbijrennen. ‘Die zijn naar mij op zoek. Dit gebouw binnen? Nee, dat kan ik niet wagen.’ Dus trekt ze er omheen en vandaar naar het volgende. Daar schuilt ze tussen enkele stapels, en activeert haar schermpje. De drone heeft zijn verkenningswerk intussen goed gedaan. Dan glimlacht ze. Binnen een omheinde open plek, ziet ze een viertal grote wagens staan, tegen de omheining staan ze nog drie kleinere. Maar ze merkt ook vier gedaanten op die in vier torens lijken te zitten. ‘Daar moet ik zijn?’ denkt ze glimlachend. Op het schermpje stippelt ze een weg uit, maar beseft al snel dat ze ongeveer een uur zal nodig hebben om die plaats te bereiken. ‘Dan maar dadelijk op weg.’ Ze vordert redelijk en pas na drie kwartier ziet ze opnieuw twee gewapende vrouwen, in gezelschap van een man. Die staan verspreid langs een straat achter een lage dekking. Op de dekking hebben ze zware machinegeweren gemonteerd. ‘De coördinator wil mij zo te zien kost wat kost dood.’ De drie zien haar echter niet, terwijl ze op haar buik over de straat kruipt. Even kijkt ze door de kijker van haar wapen naar de drie. Een ervan kent ze. Hij heeft haar groep een paar weken getraind. Maar hij een moordenaar van het ergste soort. De vrouw is geen haar beter. Haar specialiteit is het werp mes. De derde kent ze echter niet. Kalm richt ze haar wapen op de man, maar ze bedenkt zich. Als ze niet meer antwoorden, weten ze ongeveer in welke richting ze moeten zoeken en dan zullen ze komen. Dus laat ze haar wapen zakken en haast zich verder en na een vijventwintig minuten ziet ze de omheining voor zich langs de overkant van de straat. Ze ziet dadelijk een man op uitkijk staan op de rechter toren, maar op de linker ziet ze niemand. Dus sluipt ze daar naartoe. Gelukkig staat de toren voor meer dan de helft buiten de omheining. Onder de torn blijft ze gebukt zitten en richt haar wapen omhoog. Door een druk op een knopje schakelt ze een richtmicrofoon in. Al snel hoort ze de eerste geluiden. ‘Er is iemand daarboven,’ denkt ze. Met een snelle geruisloze beweging vormt haar wapen weer op en hangt het over haar schouder. Dan richt ze haar hand op de onderzijde van de toren en schiet omhoog. Lang de rand klimt ze omhoog tot ze de reling kan vastgrijpen. Even wil ze zich omhoog hijsen, maar dan merkt ze dat ze langs de zijkant over de muur kan. Dus schuift ze langzaam op en hijst zich over de muur. Nu ze binnen de omheining is laat ze zich zakken, want ze is zichtbaar vanuit de torens aan de overzijde. Tegen de omheining aangedrukt schuift ze van de toren weg. Naar een gebouw met een plat dak toe. Door een van de vensters kijkt ze naar binnen, maar ziet niemand. ‘Hier ben ik een tijdje veilig,’ denkt ze, nadat ze de andere kamers doorzocht heeft. In de keuken staan verschillende dozen met instant eten. Een paar zijn bijna helemaal leeg. In een andere kamer staat radioapparatuur. Met dit als centrale eenheid kunnen ze met elkaar communiceren. Als ze door de deur kijkt, merkt ze nog iets anders. Van hieruit kan ze alle torens onder schot nemen. De keert terug naar de kamer met apparatuur en plaats er twee kleine bommen. Plots trilt het schermpje, snel activeert ze het. Ze ziet iemand van de linkse toren naar dit gebouw toe stappen. Snel haast ze zich naar de openstaande deur toe en verbergt zich erachter. De man stapt zonder dat hij haar opmerkt naar binnen. Hij loopt recht naar de kamer met radioapparatuur. Als hij de deur wil binnengaan, hoort hij een stem achter vragen: ‘Zoeken jullie mij soms?’ Even verstard hij, maar dan grijpt hij zijn wapen. Maar voor hij kan richten doorboort een kogel zijn hoofd. Dof valt zijn lichaam op de vloer. Sorane kijkt even naar hem en neemt dan haar wapen van haar schouder. Ze monteert het schermpje snel naast het vizier en richt het wapen op de eerste toren. Op het schermpje ziet ze een infraroodbeeld van de toren. Na een paar seconden ziet ze de gedaante van een mens. Dan richt ze het op de drie andere torens. Eentje is leeg. ‘Dus drie. Dan moet ik wel snel zijn,’ denkt ze. Dan richt ze haar wapen op de dichtstbijzijnde en haalt de trekker over. Geruisloos schiet de kogel uit de loop. Nog voor de man neerstort zoekt ze haar tweede doelwit op de verst verwijderde toren. Weer haalt ze de trekker over, maar de derde heeft onraad geroken en ontdekt haar juist op het moment dat ze haar wapen om zijn toren wil richten. Hij is iets sneller dan Sorane, maar richtte ook te snel. Zijn kogel slaat het wapen van Sorane uit haar handen. Ze werpt zich dadelijk opzij en staart haar haar wapen. Ze kan dadelijk zien dat het onbruikbaar is. Met spijt slikt ze even, want het was een speciaal gemaakt wapen. ‘De anderen zijn op de hoogte, Sorane. Ze komen om je af te maken.’ Snel kijkt ze om zich heen en plaatst een kleine bom naast de deur. Dan keert ze terug naar het venster waardoor ze binnengeraakt is. Onopgemerkt sluipt ze weer naar de omheining, maar daar merkt de man haar op. Sorane kan zich nog juist op de grond werpen, terwijl de kogels boven haar inslaan. Ze kruipt over de stenen naar de dichtstbijzijnde dekking achter haar. De man nadert op zijn hoede. Van uit haar dekking ziet ze hem naderen. ‘Waar zijn de anderen? Heb je hen gedood, meid? Zoveel te beter, dan is de beloning groter voor de rest van ons,’ roept de man, die niet beseft dat Sorane hem van links onder schot houdt. Maar dan steekt Sorane haar wapen weg. ‘Ben je een lafaard of wil je je met mij meten,’ roept ze. De man kijkt even verbaasd. ‘Je wil een duel van eer, Sorane. Wauw, dat had ik niet van een leerlinge verwacht. Maar je hebt je goed geweerd, dus die eer kan ik je wel gunnen.’ Sorane kijkt toe hoe de man zijn wapen, op de grond legt. Dan richt hij zich weer op en even later ziet hij Sorane ongewapend naar voor treden. Hij glimlacht, want zo zeker van zichzelf, als hij laat uitschijnen is hij echter niet. ‘Die roodkop lijkt het te menen. Zou ze werkelijk denken dat ze een kans maakt?’ denkt hij. ‘Je hebt moed, meid, dat moet ik je nageven.’ ‘Waag je kans, man.’ ‘Ik wacht. Probeer maar je wapen te grijpen. Je bent dood voor je het beseft.’ Maar Sorane reageert niet. Ze staat daar maar met haar handen langs haar slanke lichaam. Dan grijpt de man naar zijn wapen, maar schrikt als hij de snelheid opmerkt waarmee die roodkop reageert. Als hij zijn wapen vast in zijn hand heeft, ziet hij beide wapens van Sorane al omhoogkomen. Hij probeert zich nog opzij te werpen, maar hij krijgt een kogel in zijn borst en een tweede in zijn buik. Kreunend laat hij zijn wapen vallen en zakt in elkaar. Sorane stapt kalm, licht wankelend, op hem toe, terwijl ze een wapen op hem gericht houdt. ‘Jij bent een moordenaar, Gonei,’ fluistert ze als ze zijn gezicht herkent. Dan richt ze haar wapen en schiet een kogel door zijn hoofd. Even kijkt ze op hem neer, maar dan kijkt ze om zich heen. Dan kijkt ze naar de wagens, terwijl ze naar haar zijde tast. Gonei heeft haar geraakt. Toch moet ze verder en wankelt naar de eerste zware wagen toe. Uit haar tast neemt ze enkele speciale drukbommen. Ze hebben een doorsnede van drie centimeter, maar ze zijn zeer krachtig. Ze werden gebruikt in de mijnen waar ze getraind werd. Eentje legt ze naast de wagen en druk een klein knopje in. Dan richt ze een richtlaser op de vier banden en drukt telkens op een klein knopje. Hierdoor plaats ze een richt merkteken op de banden. Tevreden ziet ze het kleine bom naar het centrum tussen de vier merktekens schuiven. Bij de volgende drie wagens doet ze hetzelfde. Dan rent ze snel naar de drie kleinere wagens toe. Bij twee ervan plaats op dezelfde manier twee bommen. In de derde stapt ze zelf in en rijdt naar het midden van het plein toe en keert de wagen in de richt van de gesloten ingangspoort. Even tast ze naar haar wonde, die fel bloed, maar ze kan ze nu niet verzorgen. Intussen daalt de drone voor de poort naar beneden en kleeft zich aan de poort vast. Sorane drukt op een knopje van haar riem, waardoor de geprogrammeerde drone ontploft. Een groot deel van de poort wordt weggeblazen. Dadelijk start Sorane de wagen en die schiet vooruit. Buiten draait ze naar rechtsaf naar het noorden. Ver achter haar in de straat naderen de drie die het dichtstbij waren. Maar zij zijn te ver af om de wagen te kunnen raken. Een van hen gaat snel op de grond liggen en richt zijn scherpschutters wapen. Maar in het vizier ziet hij aan de gegevens dat ze al te ver weg is. Schieten heeft geen zin. ‘Naar de wagens, snel,’ roept hij en begint te rennen. Maar als hij naar de wagens toestapt blijft hij plots staan. Onderzoek voorzichtig de wagens, misschien heeft een bom geplaatst. Dan gaat hij beide anderen helpen. Tegen dat ze alle wagens onderzocht hebben, komen hun collega’s ook binnen de omheining. ‘Ze is niet zo slim, die meid. Onze wagens zijn in orde, ze heeft zelfs de banden niet afgestoken.’ ‘En een bom?’ ‘De scanners vinden niets. Of wel is ze het vergeten, ofwel gebruikte ze haar verstand niet.’ ‘Dan achter haar aan. We moeten slagen,’ roept diegene uit die de leiding heeft. Maar als hij met enkele anderen in een wagen wil stappen, begint hij te twijfelen. Iemand die hen komt verschalken, vergeet zoiets niet. Snel haast hij zich naar de voorkant van de wagen en zwaait naar de anderen. Maar het is al te laat. Twee wagens zetten zich in beweging. Maar ze komen niet verder dan een meter, voor alle wagens ontploffen. Ze zijn allen dood voor ze hun fout beseffen. Sorane glimlacht als ze de ontploffing in de auto hoort. Tien kilometer verder stopt ze aan een tankstation en wankelt naar het toilet aan de zijkant van het gebouw toe. Daar verzorgt ze haar wonde. Met een van pijn vertrokken gezicht slaagt ze erin de kogel te verwijderen. Dan spuit ze een speciale capsule op de wonde. De stof erin verspreid zich dadelijk over haar huid en sluit de wonde dadelijk af. Voorzichtig trekt ze haar kledij weer op zijn plaats. Dan haast ze zich naar de wagen. Twee dagen later komt ze weer aan in de hoofdstad. In een straat die uitgeeft op de kleine villa, parkeert ze de wagen en gaat te voet verder. In de villa zien enkelen haar naderen. ‘Sorane is terug,’ zegt een van hen opgelucht. Ook de coördinator weet al van haar komst. Even wil hij een bevel geven, maar dan trekt hij zijn hand terug. ‘Te gevaarlijk. Ik moet oppassen, want als de leiding op de hoogte gebracht wordt, dan ziet het er voor mij niet zo best uit. Voorlopig zal ik Sorane moeten dulden. Later krijg ik nog wel een kans om haar haar verdiende loon te bezorgen,’ denkt hij. Ongeveer twee uur later stapt Sorane gewassen en fris zijn kantoor binnen. ‘Niemand heeft het overleefd,’ zegt Sorane koel. Even slikt hij, maar verder laat hij niets blijken. Maar innerlijk trilt hij van woede. Meer dan dertig actieven gedood. Dat is een hele klap voor de organisatie. Dat zal de leiding niet bevallen. ‘Ik hoop dat ik alle opdrachten nog kan uitvoeren. Dan merken ze het misschien niet. En dan het programma van de nieuwe aanwinsten versnellen,’ denkt hij, terwijl hij Sorane gelukwenst. ‘Je bent geslaagd, voor beide proeven, Sorane. Dus je kan je bij je collega’s voegen. Over een week neem je weer deel aan de opleiding. ‘Heb ik die nog steeds nodig, coördinator?’ ‘Zeker, dame. Je praktische lessen lijken mij in orde, maar je theoretische lessen hebben een achterstand op gelopen. Dus zal je een aangepast programma moeten volgen, met de nadruk op theorie.’ ‘Ik zal ook voor theorie slagen, sir,’ zegt Sorane. De man knikt. ‘Maar ik verwacht wel van je dat aan je collega’s een beetje praktijklessen geeft.’ Sorane glimlacht even. Nadat ze door haar vrienden en enkele begroet is, keert Sorane terug naar haar oude kamer. Alles is nog steeds als toen ze de kamer verliet. In het begin van de volgende week, start Sorane met haar programma. Soms geeft ze enkele van haar collega’s die het dichtstbij haar staan, waaronder Axin en Nevon een paar tips in de schietkunst. Verin ziet ze in het begin niet zoveel, maar als die zijn speciale opleiding volbracht heeft, wacht hij hen in de kantine op. Eindelijk kan ze met hem praten, maar als ze voor hem zit, durft ze toch niet zeggen dat ze samen een dochter hebben. Dus praten ze over hoe ze haar opdracht heeft kunnen volbrengen. ‘Ik breng hem om, Sorane.’ ‘Nee, Verin. Dat kan je niet doen. Hij is de coördinator. Ik denk niet dat hij het nog eens zal wagen, want Arkan heeft vele actieve huurlingen verloren. Hij heeft mij nodig en de anderen ook.’ ‘Wees maar op je hoede, meid. Ik ben vanaf nu ook terug ingedeeld bij mijn oude makkers.’ ‘Dan zie ik je meer?’ ‘Ja, Sorane. Maar ze mogen wel niets merken.’ ‘Dat weet ik wel, Verin.’ ‘Maar elke week krijgen we een dag vrij, dus in de stad kunnen we elkaar nog steeds zien.’ Verin glimlacht even. ‘Het is wel al een hele tijd geleden, Sorane.’ ‘Ik dacht dat je van mij hielt?’ ‘Nog steeds. Maar ik…’ ‘Ben je met een van de anderen samen?’ ‘Niet echt, Sorane. Maar je was meer dan een jaar weg. Op een twee drie kan ik alles niet dadelijk aanvatten.’ ‘Dat is waar, Verin. Misschien kunnen we weer samen dingen doen.’ ‘Laat ons langzaam aan de draad weer opnemen. We zien dan later wel hoe het evolueert.’ Sorane knikt en staat op. Ik ga slapen, want morgen is er een zware training.’ ‘Ik ook, maar ik zit bij de tegenstanders van jouw groep ingedeeld. Dus doe je best.’ ‘Tot morgen dan, Verin. En veel geluk morgen.’ ‘Dank je,’ zegt Verin, die haar nakijkt. De maanden vliegen voorbij tot ze het einde van hun opleiding naderen. De laatste maanden heeft ze enkele van haar collega’s beter leren kennen. Ze hebben zelfs groepjes van enkele vrienden gevormd. Maar dat wordt door diegenen die hen opleiden niet aanvaard. Ze proberen hen afzonderlijke opdrachten te geven, maar ze slagen er niet in om de groepjes uit elkaar te drijven. Wat hun het meest verontrust is de nieuwe groeiende vriendschap van Sorane met Verin, een collega. Ze trekken veel te veel met elkaar op, ook buiten de training, iets wat verboden is. Ook Nevon en Axin, twee anderen van Sorane’s groepje zijn dikwijls samen. Die twee werden zelfs kussend gefilmd en op het matje geroepen. Voor een korte tijd leken ze afstand van elkaar genomen te hebben, maar niet voor lang merkten hun opleiders. En hun vermoeden kwam uit toen Verin, Nevon, Axin, en vier anderen zich in de badruimte verfristen na een harde training. Ze schrokken wel als de groep met meer dan tien bleek te zijn. Ze gingen met elkaar om alsof ze dit al langere tijd deden. Toen kwam ook Sorane met een man en een vrouw binnen. Een paar minuten later stonden ze tussen hun collega’s van het lauwe water te genieten, terwijl ze lachten en elkaar enkele nieuwtjes vertelden. Plots grijpt Verin Sorane’s hand vast en trok haar van de anderen weg. Sorane voelt dadelijk dat er iets veranderd is. Verin kijkt haar met andere ogen aan. ‘Sorane, over enkele weken wordt onze harde opleiding beëindigd. Daarna krijgen we elk onze taken toegewezen.’ ‘Ik weet het, Verin. Ergens ben ik opgelucht, maar ook verdrietig, want ik besef dat wij elkaar nog maar weinig zullen zien.’ ‘Verdrietig, waarom?’ ‘I..iiik mma…g je graag, denk ik. Jij bent de enige die mij ooit gekust heeft.’ ‘Hou jij van mij?’ ‘Ik weet het niet zeker. Maar ik denk het?’ ‘Je weet niet hoe blij je me maakt, Sorane,’ hoort ze Verin zeggen. Sorane beseft nog meer dan voordien dat Verin van haar houdt, Ze voelt dat haar hart hevig begint te kloppen. Ze zou hem willen kussen, maar het dringt echter tot haar door dat ze dat niet kan doen. Geen van beiden beseft dat ze al te ver gegaan zijn. Een paar verdiepingen lager zitten enkele mannen en vrouwen achter verschillende schermen, naar zo goed als alle aanwezige toekomstige huurmoordenaars te observeren en aantekeningen te maken. ‘Die twee vormen ook al een risico,’ zegt een van hen zuchtend. ‘Dat is al het zesde paar dat een koppel aan het vormen is.’ ‘Hopelijk gaan ze niet zo ver als die Nevon en zijn liefje Axin.’ ‘Wat is er met hen?’ ‘Seks, Faino. En dat is niet toegestaan, toch niet als ze denken van elkaar te houden. Want dat schept banden en problemen tijdens opdrachten.’ ‘Wat nu? De observatie verscherpen.’ ‘Je kent de reglementen, Faino.’ ‘In orde, Ver-Chin. Ik zal de mobile eenheden activeren.’ ‘Doe dat? Maak ook een rapport voor de coördinator, hij moet toch beslissen wat er moet gebeuren. Maar ik vrees voor die twee, dat ze allebei beëindigd zullen worden.’ ‘Zoals die vier een paar weken geleden, bedoel je.’ ‘Ja, in elke lichting zitten er altijd, die zich niet aan de regels houden, terwijl ze denken dat niemand het opmerkt.’ ‘Dat is juist. Ze weten echter niet dat ze constant geobserveerd worden.’ ‘En dat moet zo blijven, want anders worden wij als schuldigen aangewezen. En dat wil niemand van ons.’ Intussen lopen Sorane en de anderen naar de kleedhokjes en kleden zich aan. Die namiddag verloopt de training normaal. Ze doen allemaal hun best. Maar die avond als ze na hun bezoek aan hun vast restaurant in de flat van Verin aankomen, zegt Sorane: ‘Ik ga even een bad nemen om me op te frissen.’ Verin kijkt haar even aan en slikt, terwijl hij knikt. Als ze naar boven loopt kijkt hij haar na. Dan stapt jij naar de keuken toe en neemt iets te drinken uit de koelkast. Terwijl hij drinkt, wijken zijn gedachten af naar een paar uur geleden, toen Sorane naar hem toeliep in het stortbad. Voor zijn ogen ziet hij haar weer naakt naar hem toestappen. Langzaam zet hij het flesje neer op het buffet en kijkt naar de trap. Dan haast hij zich naar boven. Voorzichtig duwt hij de deur open, maar schrikt als Sorane voor hem staat. Haar natte huid glinstert in het wandlicht. Hij merkt het wel, maar haar ogen stralen een verlangen uit die hij nog niet opgemerkt heeft. Ook zij staart hem geboeid in de ogen. ’Verin ik...,’ fluistert ze. Maar dan slaat hij zijn armen om haar schouders en voor ze het beseft slaat ze haar armen om zijn nek en kust hem. Ze schrikt even als ze zijn handen over haar naakte lichaam voelt glijden, maar dan verdwijnt haar verstarring. Ze beantwoordt nog heviger zijn kus en ook haar handen glijden over zijn rug naar beneden. Dan laat hij haar los om zijn kleren uit te trekken, terwijl ze elkaar blijven aankijken. Even staart de roodharige naar zijn naakte lichaam. Dan komt hij op haar toe en grijpt haar vast. In zijn armen draagt hij haar naar de slaapkamer. Meer dan twee uur later liggen ze opgelucht en gelukkig te slapen. Vroeg in de morgen schrikt Sorane echter wakker en herinnert zich wat er gebeurd is. Dan hoort ze het geluid dat haar gewekt heeft opnieuw, de deurbel. Snel slaat ze een kamerjas om haar lichaam en haast zich naar beneden. Als ze de deur opent, staat een huilende Axin voor haar. ‘Kom, snel binnen, meisje,’ zegt ze terwijl ze even langs beide kanten van de gang loert. Als ze beiden aan de tafel zitten, zegt Axin door haar tranen heen. ‘Sorane, i..iik bb..ben in verwachting.’ Verin, die juist binnenkomt, blijft verschrikt staan. Sorane weet even niet wat te zeggen. Ze staart haar vriendin alleen maar aan. Hoe is dat kunnen gebeuren. Axin neemt toch ook een anti-bevruchtingspilletje. Axin lijkt de weten wat er door de gedachten van Sorane gaat en fluistert: ‘Ik ben het een paar keer vergeten te nemen.’ ‘Heb je het al tegen Nevon gezegd?’ ‘Nee, hij weet het nog niet. Misschien wil hij me niet meer zien.’ ‘Je kan het beter laten verwijderen, voor iemand het opmerkt,’ zegt Verin. ‘Nee, dat kan ik niet doen.’    

Jelsi
0 0

Sorane 01/02 De huurmoordenares

  De eerste ‘proef’ De eerste dag van de week die volgt op hun thuiskomst, staat ze om zeven uur s’morgens voor het kleine vervallen huisje. Enkele bewakers staren verbaasd naar het scherm als ze haar herkennen. Ze is in een zware nauwsluitende pak gekleed. Op haar rug draagt een ongeveer vijftig centimeter lange box. ‘Ze is toch gekomen, Evin.’ ‘Breng de coördinator op de hoogte.’ Evin staat snel op en haast zich door de gangen naar het kantoor. De coördinator kijkt hem verbaasd aan. Want ook hij had nooit verwacht dat Sorane zou terugkeren. ‘Goed dat je zelf gekomen bent, Evin. Niemand mag weten dat ze terug is. Geef haar toegang. Maar zonder haar af.’ Evin knikt en haast zich terug. Sorane wacht intussen ongeduldig en is opgelucht als de toegang geopend wordt. Snel stapt ze naar binnen. Maar ze moet tot haar verbazing door een smalle gang, die net breed genoeg is. Dan komt ze in het vertrek, waar de twee bewakers haar opwachten. ‘U moet hier op de coördinator wachten, Sorane Nador.’ Meer dan een uur zit ze daar te kijken naar de twee mannen die hun werk doen. Geen van beiden antwoordt op de vragen die ze stelt. Dan krijgt Evin een bericht op zijn communicator en staat langzaam op. ‘Kom, Sorane. De coördinator verwacht u. Volg me.’ ‘Welkom terug, Sorane Nador,’ zegt de coördinator als ze voor zijn bureau blijft staan. Even kijkt Sorane naar Evin, maar die is buiten aan de deur blijven. ‘Dat was mijn bedoeling, sir.’ ‘Je weet toch nog dat je twee proeven moet afleggen, voor ze opnieuw de opleiding wordt toegelaten.’ ‘Ja, dat heeft u mij bij mijn vertrek gezegd.’ ‘Je krijgt een week de tijd om je voor te bereiden voor je eerste proef. Je zal tegen een van de gevorderden in de ring moeten stappen. Ik verlang niet dat je wint, Sorane. Maar je moet wel een minimumaantal punten behalen om te slagen. Als je dat aantal haalt, dan volgt twee dagen nadien de tweede proef. Daar mag je laten zien dat je je scherpschutters kunsten nog niet verleerd bent.’ ‘Ik zal slagen,’ zegt Sorane zelf verzekerd. ‘Zeer goed, Sorane. Ik hoop voor jou dat je slaagt, anders was je beter weggebleven.’ Sorane slikt even, want ze beseft dadelijk wat hij bedoelt. ‘Mag ik terug naar mijn kamer, sir.’ ‘Als je slaagt dan mag dat, Nador. Nu krijg je alleen een kale cel, waar je eten zal gebracht wordt. Bereid je maar mentaal voor op je eerste proef.’ Sorane knikt. ‘Ga, Nador. Evin zal je naar je cel brengen.’ Een tijdje later staat Sorane naar de vier kale muren te staren. Er staat alleen een bed met een harde matras, in de cel. In de muur tegenover de deur is een kleinere deur, met daarachter een wc en een wastafeltje. Langzaam gaat ze op de matras liggen en staart naar het plafond. Ergens heeft ze het gevoel dat ze geobserveerd wordt en het klopt. Evin zit in zijn werkplek achter een scherm, waarop haar cel te zien is. Verbaasd ziet hij dat ze meer dan vijf uur roerloos blijft liggen. Eerst denkt hij dat ze slaapt, maar als hij inzoomt op haar gezicht merkt hij dat haar ogen geopend zijn. Zo gaan er twee van de zeven dagen voorbij, die Sorane kreeg om zich voor te bereiden. Als de dienst van Evin, om negen uur s’morgens, begint, ziet haar weer op het haar rug op het bed liggen. Verveeld gaat hij zitten en neemt zijn krant. Maar nog voor hij zijn krant kan openen, merkt hij iets vreemds op. Het beeld is juist hetzelfde als gisteren en dat kan niet, want hij heeft haar een paar minuten eerder eten gebracht. Zijn collega, die hij nu vervangt, moet nu op weg zijn om de lege borden te gaan ophalen. En toch staan er geen borden. ‘Verdomme. Ze heeft ons liggen, denkt hij verbaasd. Hoe komt ze aan die halo-opwekker.’ Snel drukt hij op een paar knoppen en schakelt hierdoor een stoorzender in. Dadelijk verandert het beeld en hij ziet Sorane in het midden van de kamer bezig. Verbaasd kijkt hij naar haar bewegingen die precies uitgevoerd worden, alsof ze nooit weggeweest is. Elke beweging die ze met beiden handen uitvoert stopt precies op dezelfde plaats, vlak voor de deur. Dan ziet hij de deur openschuiven en zijn collega schrikken. Als de vuist van Sorane op een paar centimeter voor zijn ogen stopt. ‘Halo,’ hoort hij haar kalm zeggen. Dan wijst ze naar de borden op de vloer. ‘Neem ze maar. Ik ben alleen maar aan het trainen.’ De man kijkt haar verbaasd aan. ‘Ik was bijna dood, idiote.’ ‘Toch niet. Ik stond juist ver genoeg om je op dat moment niet te raken. Een seconde later had ik je wel geraakt, want dan was je een stap dichterbij,’ zegt Sorane lachend. De man trekt zijn schouders op. ‘Als je nog eten wil, doe dat dan niet meer.’ ‘Ik vrees dat de coördinator dat niet zal toestaan. Maar troost je. Op het einde van de week ben je van mij af, denk ik.’ ‘Ik hoop dat je niet slaagt, Sorane.’ ‘Dan hoop ik dat je hoop uitkomt, want ik vergeet niets. En als ik slaag, dan loop ik hier nog wel een tijdje rond om je het leven zuur te maken.’ De man staart haar even aan en laat bijna de borden vallen. ‘Ik maak maar een grapje,’ zegt ze nog voor de deur achter hem dichtschuift. Dan gaat ze weer in het midden van de kamer staan en begint zich weer te concentreren op haar gevechtsoefeningen. Evin schrikt weer als hij haar nauwkeurig gerichte bewegingen opmerkt. ‘Ik vrees dat de coördinator valse hoop koestert, Novao. Dat meisje is zeer goed.’ ‘Dat had ik ook al opgemerkt, Evin. Als ze als scherpschutter even goed is, dan slaagt ze zonder twijfel.’ ‘Dat was ze voor haar vertrek, Novao. Alleen heeft ze haar wapen meer dan een jaar moeten missen.’ De week is al snel voorbij en de volgende maandag staat Sorane al zeer vroeg op. Ze is die harde matras al gewoon en stapt naar de wc om zich klaar te maken voor de proef vandaag. Sorane heeft echter niet gemerkt dat de deur van haar cel open staat. Ze is nog niet aan de wc-deur als iemand achter haar binnenkomt. Hij is met een mes gewapend. Geruisloos stapt de man op Sorane toe en steekt toe. Alleen duikt Sorane tijdig opzij. Een tweede maal kan hij niet meer toesteken, want Sorane ontwapend hem bliksemsnel. Maar dan krijgt ze een klap op haar schouder en wankelt toe tegen de muur. Een tweede man, gewapend met een ijzeren staaf haalt opnieuw uit. Maar Sorane laat zich vallen en rolt van hem weg. Haar linkerarm lijkt echter verlamd. Ze kan hem bijna niet bewegen. Als de twee mannen zich naar haar omdraaien, duikt ze opzij en rolt naar de deur toe. Daar veert ze op en rent naar buiten. De twee zijn dadelijk achter haar. Sorane is vlak nadat ze buiten raakte, vlak naast de deur gaan staan. Als de twee na elkaar naar buiten rennen, stort ze zich op de laatste. Het is de man met het mes, die het binnen weer opgeraapt heeft. Voor die kan reageren, slaat ze hem keihard op beide schouders. Het mes schuift echter over de vloer weg. Dan man stort neer op de vloer en blijft even liggen.  Zijn armen, kan hij bijna niet bewegen. Sorane duikt op dat moment naar het mes. De man met de stok probeert te voorkomen dat ze het kan grijpen, maar te laat. Sorane is iets te snel en grijpt het mes stevig vast. ‘Te laat, meid,’ roept de man uit en slaat toe. De staaf mist rakelings Sorane’s hoofd en botst tegen de wand. Dan valt de staaf uit zijn handen, terwijl hij naar zijn borst grijpt. Maar nog voor hij het mes kan aanraken, stort hij neer en blijft doodstil liggen. Dan richt Sorane zich op en kijkt naar de andere. Deze is met moeite rechtop gaan zitten en kijkt Sorane aan. We moesten je alleen een lesje leren, Sorane, zodat je je zou terugtrekken. ‘Ik ben hier om te slagen, man. En dat zal ik.’ ‘We vreesden al dat je dat zou zeggen, roodkop. Je bent veel te koppig om op te geven,’ zegt een stem links van haar. De man op de vloer grijnst even. ‘Je hebt geen enkele kans Sorane. We hebben geen bevel om je te doden, maar wel om je zo toe te takelen, dat je nooit voor de eerste proef kan slagen. En als het toch zou lukken, dan haal je zeker de tweede proef niet. Sorane kijkt even naar de drie die haar op hun hoede aankijken. ‘Het zou ons spijten als je nu moest zeggen dat je het opgeeft, Sorane.’ Sorane glimlacht even, terwijl ze achteruit wijkt. In de mijnen heeft ze voor hetere vuren gestaan, dan deze vier mannen. Die hebben geen enkel idee hoe zwaar de training die Jov en enkele mannen haar daar lieten ondergaan. Als Sorane tegen de muur leunt, laat ze zich langzaam zakken tot haar linkerhand de vloer aanraakt. Even beweegt ze haar hand en voelt dat de verlamming van de slag zo goed als weg is. ‘Ben je het al moe, schatje?’ vraagt een van hen. Maar de hand van Sorane schiet snel naar voor en grijpt de staaf die daar ligt. Zodra ze hem vastheeft, duikt ze opzij en rolt naar de andere wand, toe. De drie willen haar volgen, maar Sorane richt zich al op en fluistert. ‘Drie tegen een. Lekker speelgoed,’ horen ze haar fluisteren. Dan kijkt ze hen aan. De vierde kruipt op dat moment rechtop en kijkt naar dode, maar mist het mes dat in zijn borst zou moeten steken. ‘Verdomme, Sorane heeft het.’ ‘Pas op, ze heeft mijn mes.’ De drie grijzen, als ze de deur langs de andere zijde zien opengaan. Daar komen nog drie anderen binnen. Eentje is gewapend met een lange stok met aan beide uiteinde een metalen punt, de tweede met twee zwepen en de derde met een metalen ketting. ‘Wauw, nog meer speeltjes,’ fluistert Sorane even, maar innerlijk is ze dankbaar voor de keiharde training die ze op de mijn planeet ondergaan heeft. Deze mannen zijn daar niet van op de hoogte. Dus zien ze haar op de drie die pas binnenkwamen toestappen en horen haar spottende stem zeggen: ‘Komen jullie mij helpen tegen die daar, of zijn jullie juist hier om hen te helpen,’ zegt ze hees. De drie grijnzen, terwijl die achter haar beginnen te lachen. Plots maakt Sorane een snelle beweging met haar rechterhand en de middelste van de drie achter haar, stokt in zijn lach. Het mes uit Sorane’s rechterhand steekt recht in zijn borst. ‘Nummer twee,’ zegt ze met schijnbare kalmte, ‘wie volgt?’ De man met de ketting haalt bliksemsnel uit, maar mist. De ketting raakt een van de twee achter Sorane in het aan gezicht. Brullend van de pijn wankelt die achteruit. Voor de man met de ketting zich kan herpakken, duikt Sorane naar voor. Tweemaal slaat ze met al haar kracht en verbrijzeld telkens na elkaar een paar ribben van de man. Zwaar kreunend, zakt hij in elkaar. Zijn twee maten zien het bloed uit de kleine wonden vloeien, die de gebroken ribben veroorzaakt hebben.  Zij worden nu voorzichtiger en verspreiden zich om Sorane. Maar ook zij werd geraakt door een zweep, die haar linkerzijde openhaalde. Sorane tast er even naar. De snede is niet zo diep, maar bloed lichtjes. Zij kan niet weg en ziet de vier op haar toekomen. Ook de vierde is nu gewapend met het mes, dat hij uit de borst van de tweede dode trok. Maar Sorane heeft nog meer geleerd op de onherbergzame planeet. In haar mauwen zijn schiethaken verborgen, waaraan een filter dunne draad aan bevestigd is. Uit haar linker mauw schiet een haak weg, recht op de man met het mes toe. Niemand van haar aanvallers heeft het echter gemerkt, tot de man plots doorboort wordt. Dan geeft Sorane een ruk met haar arm en de man verliest het evenwicht. Als hij op haar toe wankelt, slaat ze hard toe. Als een blok stort hij neer, en blijft roerloos liggen. Nog voor de anderen van hun verbazing bekomen zijn, heeft Sorane het mes gegrepen en kijkt de man even aan. ‘Vier neer. Nog kandidaten,’ zegt ze hees, terwijl ze lichtjes wankelt. De man die door de ketting geraakt is, trekt echter twee staven, die door een dunne ketting verbonden zijn uit een holster op zijn rug en komt op de anderen toe. ‘Zijn wij getrainde mannen of zwakkelingen, vrienden. Die gewonde welp kunnen we toch gemakkelijk aan,’ zegt hij koel. ‘Pas maar op, Con. Ze is veel gevaarlijker dan ze eruitziet. Vier van ons heeft ze al, zie jij maar dat je de volgende niet bent,’ zegt de man met de lange stok. De man links van haar merkt dat Sorane even naar de man met de stok keek en waagt zijn kans. Met twee sprongen raakt hij tot bij Sorane en slaat toe. Maar zij weert zijn slag met haar stok af. De slag is zo hevig dat ze beiden hun stok moeten lossen. De man met zwepen wordt even aan zijn been geraakt, terwijl andere stok langs het hoofd van de man met de dubbele stokken voorbij schiet. Ook die waagt nu zijn kans en springt naar voor. Sorane reageert iets te traag. Ze voelt een harde klap tegen haar hoofd, maar het mes dat ze wierp doorboort de hals van haar aanvaller. Maar Sorane is zwaar geraakt en wankelt achteruit. Ze voelt het bloed langs haar wang naar beneden lopen. Dan krijg ze een klap van een zweep te verwerken, krimpt in elkaar van de pijn, als haar bloeze scheurt. Een tweede klap raakt haar rechterdij en laat een bloedspoor na. Ze schudt haar hoofd om weer helder te kunnen denken en kijkt om zich heen. Maar ze beseft dadelijk dat ze te ver van iets, dat als wapen zou kunnen dienen, verwijderd is. Weer voelt ze dat ze geraakt wordt en wankelt achteruit. Dan weer een slag, ditmaal scheurt de zweep haar linkerarm van schouder tot ellenboog open. Weer slaap de man toe en de zweep kronkelt om de heup van Sorane. ‘We moesten je een ranseling geven, dame. Maar je vocht om te doden, dus zeg je laatste gebedje maar.’ Sorane glimlacht even, want hierop is ze getraind, al weet ze dat als de man iets te snel is, haar lichaam door de vlijmscherpe zweep in twee gesneden zal worden. Langzaam probeert ze achteruit te komen en de man grijnst alleen. ‘Hoe verder je van mij af probeert te raken, schatje. Hoe gemakkelijker zal ik je kunnen doden.’ ‘Dat weet ik,’ fluistert Sorane en stoot zich dadelijk af van de muur. Met een, twee, drie sprongen is ze zo dichtbij hem, dat hij veel te traag reageert. Haar linkerhand raakt zijn rechter, waardoor hij de zweep moet loslaten, maar de platte kant van haar rechterhand raakt hem echter recht op zijn keel. Hij laat ook zijn tweede zweep vallen en grijpt met beide handen naar zijn hals, terwijl naar lucht snakt, die nooit meer in zijn longen zal raken. Met een snelle beweging maakt de ze zweep om haar heupen los, de metalen punt van de zweep raast zo dichtbij het gezicht van de laatste man voorbij, dat die verschrikt achteruit wijkt. ‘Laat je wapen vallen, man. Of wil je ook naast je vrienden liggen,’ hoort hij de roodharige zeggen. Alsof de stok meer dan duizend weegt, laat hij hem vallen en wijkt trillend van spanning opzij. Sorane voelt zich zo moe en heeft overal pijn, maar dwingt zich om vooruit te stappen. Maar als ze de man nadert, beseft die pas dat zijn leven aan een zijden draadje hangt. Levend zal de coördinator hem niet uit deze ruimte laten, tenzij die roodharige duivelin hier levenloos voor zijn voeten ligt. Dadelijk grijpt hij naar het vuurwapen dat hij altijd op zijn rug draagt. Maar Sorane heeft de beweging opgemerkt en geeft een ruk aan de zweep in haar rechterhand. Het slijmscherpe leer kronkelt zich om de hals van de man en dan geeft Sorane en ruk aan het handvat. Het lichaam van de man stort naast haar neer, terwijl zijn hoofd tot tegen de wand rolt. Zijn wapen klettert op de vloer. Even kijkt ze wankelend naar doden. Dan bukt ze zich en neemt het wapen op. Met trillende hand steekt ze achter haar broeksriem op haar rug. Met wankelende passen stapt ze door de deur de lange gang. Met moeite geraakt ze vooruit, maar bereikt een paar minuten later het einde van de gang en ziet de deur openschuiven. Daar staan verschillende leden die in opleiding zijn. Ze zien haar bebloede en wankelend naderen.  In het midden van de ruimte is een cirkel op de vloer geverfd. In de cirkel staat een jongeman die ze niet kent. Helemaal alleen wankelt Sorane naar de ring toe, terwijl iedereen haar aanstaart. Als ze blijft staan kijkt ze naar haar tegenstander. Maar dan zicht ze haar blik op de coördinator en fluistert: ‘Zijn acht doden niet genoeg om te bewijzen dat ik mijn plaats waart ben?’ De man schrikt van haar woorden. ‘Zou ze de waarheid spreken? Zijn ze alle acht dood?’ denkt hij, maar als hij haar zo ziet staan, beseft hij dat ze de waarheid moet spreken. ‘Acht of tien doden, Sorane. Dat maakt niet uit. Dit is de tegenstander die jij moet overwinnen,’ zegt de coördinator met een van woede trillende stem. Sorane doet nog en wankelende stap naar voor en betreed hierdoor de ring. Ze kan bijna niet meer. Maar ze is vastbesloten. Dan stapt de haar tegenstander naar voor en blijft op een pas van haar staan. Aandachtig kijkt hij haar aan. Hij ziet de wil om te vechten in haar ogen, maar ook haar uitputting. Met een ruk keert hij zich om en zegt koel: ‘Als Sorane Cobanon acht mannen kan verslaan, dan verdient ze onze eerbied. Ik vecht niet met haar nu ze verzwakt is. Maar als ze weer in staat is om te vechten, dan zal ik aan haar zijde staan,’ zegt de jongeman. De coördinator kijkt hem woedend aan, maar ziet ook de vijandige blikken om zich heen. Dan knikt hij. ‘Je hebt gelijk, Nevon.’ Terwijl iedereen hem afwachtend aanstaart, denkt de Coördinator na. Als hij zijn hoofd opricht heeft hij een besluit genomen. ‘Sorane, jij bent voor deze proef geslaagd, al is het op een andere manier dan ik in gedachten had. Maar, Nevon, jij hebt niet gevochten, daarom zak je met tien punten.’ De jongeman slikte even, maar blijft staan zonder te bewegen. ‘Tien punten, sir. Ik zal die wel terugverdienen.’ De coördinator knikt grijnzend. ‘Over drie dagen is de laatste proef Sorane Cobanon. Wees op tijd, anders verlies je de proef en kom jij naast de acht onwaardigen te liggen, die jij gedood hebt.’ ‘Die acht wilden mij doden, coördinator, maar zij verloren al vechtend het leven. Maar jij, hoe zal jij gedood worden. Vechtend of als een lafaard in je kantoor,’ zegt Sorane. ‘Je bent gewond en moe, Sorane Cobanon, daarom zal ik doe alsof ik deze woorden niet gehoord heb. Maar zeg zoiets nooit meer, want dan zal je dadelijk afgevoerd worden,’ zegt de coördinator met ingehouden woede. Dan haast hij zich weg. Sorane probeert te stappen, maar ze krijgt haar voet zelfs niet meer van de vloer. Nevon schiet haar dadelijk te hulp, maar ook enkele anderen komen helpen. Ook Axin. Alleen Verin blijft op zijn plaats staan. Van op die plaats kon hij recht de gang inkijken en daar ziet hij op het einde ervan in de deuropening een van de doden liggen. ‘Acht mannen gedood. Hoe heeft ze dat gedaan en dan nog in haar eentje?’ vraagt hij zich. Als hij merkt dat een paar jongens Sorane wegdragen, haast hij zich eindelijk naar haar toe. In haar vroegere kamer leggen ze haar op het bed. Axin stuurt hen daarna weg. ‘Ik moet haar wonden verzorgen en ik wil geen pottenkijkers.’ ‘Mag ik helpen,’ vraagt Verin. ‘Nee, jongeman. Ik moet haar kleren verwijderen en dat is niet toegelaten in het bijzijn van leden van het andere geslacht, dat moet je weten.’ ‘Jij zou dat beter ook niet doen, Axin.’ ‘Dat weet ik, Verin. Maar ze heeft hulp nodig. En jij hebt meer van haar gezien dan goed voor jou is.’ Verin wordt rood tot achter zijn oren. ‘Zou ze het weten? Dat moet wel, want Sorane was haar trainingspartner en zoiets als een vriendin,’ schiet het door zijn gedachten. ‘Jullie geheim is veilig, Verin. Ik zal Sorane nooit verraden en jou dus ook niet,’ fluistert Axin. Als Verin zich omkeert, ziet hij Nevon voor hem staan. ‘Ze heeft ze werkelijk alle acht gedood, Verin. Wie zou hen gestuurd hebben, denk je?’ ‘Weet je dat niet, Nevon. Er is er maar een die dat kan bevelen in dit complex.’ ‘De coördinator dus. En die verlangd onze trouw.’ ‘We moeten wel, Nevon. Hij kan ieder van ons laten doden als hij het nodig vindt. Ik vraag me alleen af waar en wie Sorane getraind heeft, want ze is veel beter geworden dan ze ooit was.’ ‘Dat vraag is of de coördinator op de hoogte was. Want hij moet haar toestemming gegeven hebben om voor meer dan een jaar haar opleiding te onderbreken.’ ‘Zouden ze haar ergens anders getraind hebben?’ ‘Dat zoek ik wel uit als Sorane er weer bovenop is, Verin.’ ‘Als het met de opdracht van de coördinator gebeurd is, waarom stuurde hij dan die ervaren actieven op haar af?’ ‘Misschien om haar te testen Nevon,’ zegt Verin nadenkend. ‘Maak jullie nu maar uit de voeten. Hoe sneller ik Sorane help hoe sneller ze er weer bovenop is.’ ‘Sorane boft met een vriendin zoals je, Axin.’ ‘Waarom? Ik help haar omdat ze hulp nodig heeft, Verin. Ik wil haar dankbaarheid, want misschien wil zij mij wel een paar trucjes leren, zodat ik meer punten scoor.’ Verin knikt even. ‘Als het je daarom te doen is, Axin, zal je misschien wel succes hebben.’ ‘Tot later, Verin. Ik zie jullie wel bij het avond eten.’ Nevon knikt even. ‘Kom, Verin. We zijn hier weg, voor we verdacht worden.’ Verin zegt niets meer maar volgt hun collega naar buiten. Achtenveertig uur later waagt Sorane zich voor het eerst weer uit haar kamer. Ze heeft een zwart pak aan. Als ze in gezelschap van Axin de eetzaal binnenstapt, kijken ze haar allen aan. Ze zien allen het verband, dat ze om haar heup onder haar jasje draagt. Ook haar linkerarm is door een strak verband omwonden. Ook heeft een pleister op haar voorhoofd, waar ze een beetje haar mist. Enkele klappen in hun handen. ‘Dat moet een machtig gevecht geweest zijn, Sorane,’ roept een van hen. Maar Sorane echter niets. Ze zien allen dat ze ook een beetje mankt met haar rechterbeen. ‘Je wil overmorgen toch niet voor de tweede proef opdagen, Sorane,’ zegt Verin. Sorane knikt alleen maar. ‘Ze kan niet anders, Verin. Je hebt toch gehoord van de coördinator zei.’ ‘In deze toestand haalt ze het niet, Axin. Ze moet nog minstens twee weken rusten.’ Met trillende handen eet Sorane enkele boterhammen op, terwijl ze strak voor zich uitkijkt. Haar vrienden en enkele anderen kijken met steelse blikken aan. Ze weten niet goed hoe ze met deze situatie om moeten gaan. Als ze haar helpen, zouden ze weleens bij de coördinator geroepen kunnen worden. ‘Sorane, waarom kom je niet bij ons zitten? Wil je onze vriendschap niet meer?’ Langzaam wendt Sorane haar hoofd en zegt: ‘O, Axin. Jullie zijn en blijven mijn vrienden hier in het ondergrondse. Ik heb jullie vriendschap nodig om hier te kunnen overleven. Maar ik wil me alleen voorbereiden op mijn proef overmorgen. Ik heb geleerd om speciale concentratie-oefeningen te doen.’ ‘Ga je dan geen uitstel vragen?’ ‘Nee, Axin. Ik ben nu meer dan ooit vastberaden om mijn pijn te verbijten om te slagen en indien ik tegenslag heb dan heb ik pech gehad.’ ‘Is het dan toch niet beter om uitst...’ ‘Dat zal de coördinator niet toestaan, Nevon. En ik wil hem dat plezier niet gunnen.’ ‘Hopelijk zien we je nog levend en wel terug, Sorane.’ ‘Na mijn ziekte ben ik door enkele harde mannen in de mijnen getraind. Zij hebben mij werkelijk afgebeuld, zo erg dat ik elke avond in mijn bed kroop en als een blok in slaap viel. Ik moest van hen alles leren wat zijzelf als kennis en training bezaten. Twee weken voor ik vertrok, was ik sneller in en uit de mijnen als elk van hen. En dat terwijl ze er alles aandeden om mij niet te laten slagen.’ ‘Dat moeten nogal mannen geweest zijn, Sorane,’ merkt Verin met een jaloerse ondertoon op. ‘Het waren veroordeelde misdadigers, Verin. En ik behandelde hen als mensen en niet als vuil, zoals de meeste bewakers. Daarom hebben ze mij getraind en om ook eens iets anders met hun eentonige vrije tijd te doen.’ ‘Dan ben je hen wel iets verschuldigd, denk ik.’ ‘Dat is zeker, Verin. En ik kreeg bij mijn afscheid van een van hen het wapen waar ik mee trainde als geschenk. Ooit was het van een vriend in de mijnen geweest, die omkwam bij een instorting. Die vriend, van wie ik de naam niet mag zeggen, was een van ons. Hij is hier meer dan dertig jaar geleden opgeleid tot een van de hardste moordenaars. Hij weigerde later een opdracht, maar kon ontkomen en belande op een verre planeet. Daar werd hij enkele jaren gegrepen en ze stuurden hem naar de mijnen.’ ‘Misschien kan je dan toch beter gaan rusten, want morgen is het zover.’ Sorane knikt naar Nevon en staat op. ‘Ik zie jullie allen morgen wel, vrienden.’ Verin en de anderen kijken haar na, als ze naar de uitgang van de eetzaal mankt. ‘Ze heeft nog veel last van haar been, Verin. Ik hoop dat ze het haalt.’ ‘Ik ook, Axin. Ik zou niet graag hebben dat ze gedood wordt.’ Axin zegt echter niets. De volgende morgen is Sorane al vroeg op en kleed zich aan. Dan haast ze zich met stijve pas naar de eetzaal. De coördinator ziet haar binnen komen en grijnst even. Ze heeft andere kledij aan dan gisteren, maar nog steeds is het verband te zien die haar wonden bedekken. ‘Die heeft geen enkele kans om te slagen. En als ze het toch doet, raakt ze nooit levend hier terug,’ denkt hij. Als Sorane en haar vrienden gegeten hebben, kijkt ze even naar de coördinator. Die staat al een tijdje met enkele actieven te praten. Mankend haast ze zich naar de container waarin ze de plaat met gebruikt eetgerief moet in werpen. De coördinator volgt haar met zijn ogen en als ze zich weer omdraait: ‘Sorane, kom dichter.’

Jelsi
0 0

Sorane 01/01 De huurmoordenares

  Alleen Het is zessentwintig mei vierduizendtweehonderddrieëntwintig op Enuron. De grote oorlog in deze ruimtesector tegen een Volkor aanval is ongeveer achtenveertig jaar voorbij. In deze ruimtesector heerst opnieuw vrede. Ter hoogte van de baan van de zesde planeet van het stelsel materialiseert een passagiersschip dat voor de verbinding zorgt tussen Enuron en de amazoneplaneet Trafar IV. Vanuit de woonruimtes kijken vele passagiers naar de omgeving buiten het schip en merken de stralend blauwe vierde planeet op. Een jong meisje kijkt bewonderend naar buiten. Verschillende uren later nadert het schip de vierde planeet. ‘Over twee minuten wordt de ontkoppeling van modules een tot drieëntwintig geactiveerd,’ klinkt een stem. Een achtentwintigjarige vrouw buigt zich voorover en neemt het jonge meisje in haar armen. ‘We zijn er bijna, lieve schat,’ fluistert ze. ‘Het is wel een andere samenleving, Runa.’ ‘Dat weet ik, Joc, ik heb lang geleden ook mensen van deze wereld ontmoet, toen ik zij aan zij met hen vocht.’ ‘Daar ben ik van op de hoogte, lieveling. Maar als amazone tussen hen leven is nog iets anders.’ ‘Toen we vertrokken, Joc, was ik me daarvan bewust. Maak je maar geen zorgen. Ik zal me wel weten aan te passen.’ Plots gaat er een schok door de hun toegewezen woonruimte als ze losgekoppeld worden. Daar een van de vensters zien ze het grote schip, waar ze deel van uitmaakten, kleiner worden. De drieëntwintig toestellen dringen een uurtje later de dampkring van de vierde planeet binnen en landen op een van de vijf grootste ruimtehavens op Enuron. Aan boord zijn vele reizigers, waaronder ook mensen die een nieuwe toekomst willen opbouwen, zoals Jov en Runa. Het is een zonnige dag als Jov met zijn gelukkig gezinnetje voor het eerst sinds vele jaren een voet op de harde bodem van zijn geboorteplaneet. Runa draagt de kleine Sorane, die ze als hun dochter opgegeven hebben, toen ze incheckten, op haar linkerarm. Als ze het gebouw, na de controles, verlaten, kijkt de man even om zich heen. Het is hier helemaal verandert sinds hij de laatste maal hier was. Er zijn vele nieuwe gebouwen in de groter wordende hoofdstad opgetrokken. Dan merkt hij een taxie standplaats op. Een van de zwevers heeft hen al opgemerkt en verheft zich van de grond. Even later houdt hij halt voor hen aan het voetpad. ‘Nieuw hier,’ vraagt de bestuurder als ze instappen. ‘Niet echt, ik ben hier al lange tijd niet meer geweest. Daarom moest ik mij even oriënteren.’ ‘Waarheen moeten jullie?’ vraagt de bestuurder, terwijl hij het toestel in beweging zet. ‘Dat weten we niet zeker.’ ‘Is jullie verblijf tijdelijk of voor langere tijd?’ ‘We willen hier een nieuw leven opbouwen. Maar we hebben niet zoveel geld,’ legt Jov uit. ‘Dan zult u ook een job nodig hebben?’ ‘Voorlopig willen we een goedkope hotelflat. Weet u er geen?’ vraagt Runa. De bestuurder glimlacht even. ‘O, een amazone. In orde, ik weet wel iets. Een villawijk waar meer mensen gaan weggaan dan bijkomen. Als je iets wil kopen dan is dat iets ideaal.’ ‘Heb jij iets tegen amazones?’ ‘Nee, maar de meeste blijven hier maar tijdelijk. Want voor hen is het hier helemaal anders.’ ‘Mijn vrouw heb ik al een beetje wegwijs gemaakt. Ik ben op Enuron geboren,’ glimlacht Jov. Even kijkt de man naar Runa en knikt dan. ‘Over een veertig minuten zijn we er. Ik kan wel iets regelen met de eigenaars.’ Jov knikt even, terwijl de zweeftaxi koers zet naar het noorden. Ze huren een kleine villa in de buiten wijken van de stad en nemen er hun intrekt. Die avond zit Jov nadenkend in de zetel, als Runa, nadat ze de kleine Sorane in haar nieuwe bedje gelegd heeft, naast hem komt zitten. ‘Waar ben met je gedachten, schat?’ ‘Ik moest plots aan mijn jonge tijd denken, Runa. Toen mijn ouders omkwamen en ik ingelijfd werd.’ ‘Dat moet ongeveer in de laatste jaren van de grote oorlog geweest zijn.’ ‘Dat klopt. Ik was toen achttien.’ ‘Wil je me daarover vertellen? Je hebt mij nooit verteld hoe je op Greon IV terecht gekomen bent.’ Jov kijkt zijn vrouw even aan en fluistert: ‘Misschien wordt het weleens tijd omdat te doen, lieveling.’ Runa kijkt hem afwachtend en haar man begint te vertellen. Het was vijvenvijftig jaar geleden dat ik als jonge knaap van achttien aan boord van militair troepenschip stapte. Dat was het begin van mijn zwaar leven als soldaat aan het ruimtefront. Twee jaar later werd ik tot luitenant bevorderd en werd aan boord van een speciale kruiser ingedeeld. Mijn eskader werd ingezet om achter de linies te opperen en behaalde enkele successen, maar toen ging het mis. Verschillende slagschepen werden in een kruisvuur vernietigd of zwaar beschadigd. Toen zag ik voor het eerst Amazoneschepen, die ons te hulp kwamen. Dat was de redding voor de rest van het eskader. Sindsdien streden wij zij aan zij met het amazone eskader tegen de gezamenlijke vijand. Dat was iets meer dan twee jaar voor de Volkors zich terugtrokken. Enkele maanden later kregen onze groep een speciale opdracht. We moesten een gemengd commando naar een belangrijk ruimtefort brengen. Dat was in de tijd dat ik amazonevrouwen voor het eerst van dichtbij zag. Ze werden toen ingescheept aan boord van het slapschip, waarop ik tijdelijk gestationeerd was. ‘Dat weet ik, want ik was een van die commando’s, Jov.’ Haar man knikt. ‘Ik heb je toen wel even opgemerkt en heb zelfs even naar jou geknipoogd.’ ‘Is dat zo? Ik moet dat gemist hebben.’ ‘Dat is maar beter, lieveling. Ik vond je een mooie meid, zelfs in je gevechtskledij.’ ‘Als de discipline aan boord niet zo streng was geweest dan had ik misschien wel contact met je gezocht.’ Even glimlacht Runa. ‘Vermoedelijk had ik je dan en harde klap bezorgd, want je kende de amazoneregels nog niet.’ ‘Dat is juist, Runa. Zelfs nu heb ik er nog moeite mee.’ ‘En dan werden jullie allen overgestraald naar het station. Velen van jullie werden toen gedood, maar jullie slaagden om het station bezet te houden tot de vloot toekwam. ‘Maar dat was voor een deel te danken aan jullie schepen, die de vijandelijke slagschepen zware verliezen toebrachten.’ ‘Dat was niet zo, Runa. Er waren nog anderen schepen die telkens opdoken en die dwongen de Volkors uiteindelijk om de strijd op te geven. Zonder die schepen zou het net omgekeerd geweest zijn.’ ‘Wie waren dat? Toch geen Gonen.’ ‘Nee, dat niet. Maar niemand wist waar ze vandaan kwamen. Al waren er wel rapporten dat dit type schepen al vele jaren overal in de Melkweg opgemerkt werden. Maar niemand wist wie het waren.’ Even kijkt Runa haar man aan. ‘Ik werd toen in de strijd zwaargewond.’ ‘Dat weet ik.’ Mijn kruiser was een van de eerste die op de beschadigde landingsplatform lande. We schrokken allen van de vele doden en gewonden. Voor het eerst in deze oorlog, moest ik aan iemand denken en dat was ook nog een amazone. Ik vreesde voor haar leven. ‘Je bedoelt dat je toen naar mij zocht.’ ‘Ja, jij was die amazone, schat. En ik vond jou tussen de zwaardere gewonden. Ik aarzelde, want je zag er vreselijk uit. Ik herkende je alleen aan je ogen, die ik nooit zou vergeten. Want je was zo zwaar toegetakeld dat ze je niet meer konden helpen. Je lichaam was op verschillende plaatsen verbrand en je was je linkerarm en been kwijt. Maar ik slaagde erin om me te herpakken, dus ik knielde toen naast jou en hielt je rechterhand vast.’ ‘Ben je zeker, dat ik dat wel was, Jov. Ik heb mij beide armen en benen toch nog steeds.’ ‘Je was het Runa. Laat me verder vertellen, want dit is iets dat je je vermoedelijk niet bewust van geweest bent.’ Runa knikt even, terwijl ze hem gespannen aankijkt. ‘Ik heb daar urenlang gezeten om je in je laatste uren bijstaan. Ik probeerde je moed in de spreken, maar ik wist niet of je het hoorde. En toen kwam een dokter even naar je kijken. Tot mijn schrik schudde die zijn hoofd en besefte dat ik je nooit in mijn armen zou houden.’ ‘Was ik stervende?’ ‘Ja, lieveling. Maar toen merkte ik enkele mannen en vrouwen in een ijsgroen uniform op die hier en daar een hand van een gewonde vastnamen. Eerst sloeg ik er geen acht op, maar toen kwam een bloedmooie blondine op ons toe. ‘Een amazonestrijdster. Maar jij bent een Enuroon,’ zei ze tegen me. ‘Ik ken haar naam niet, vrouwe. Maar ik kan haar niet alleen laten sterven.’ Toen glimlachte de vrouw en knielde naast mij neer. ‘Mag ik haar arm even vastnemen, Jov?’ hoorde ik haar vragen. Eerst wilde ik niet, maar toen ik haar blik zag, liet ik je los. Ik dacht op dat moment dat ik je kwijt was, want toen ik je hand losliet leek het alsof het voor altijd. Ik stond wankelend op en keek naar de blondine, die zich leek te concentreren. Ik staarde naar je lichaam en begreep niet hoe je zolang in leven kon blijven met zulke wonden. Ik heb me altijd afgevraagd welke pijnen je toen moet doorstaan hebben. Maar toen werd je hand in een groen licht gehuld en langzaam zag ik je verbrande huid genezen en toen je been en arm aangroeien. En toen lag zo goed als ongedeerd voor mij en ik zag de blondine langzaam opstaan en mij aankijken. ‘Je staart naar een amazone. Pas maar op dat ze het niet merkt, want ze kan elk ogenblik bijkomen,’ zei ze. Ik keek even om me heen en zag een deken, met maar een beetje bloed op, liggen. Snel trok ik dat over je zo goed als naakte lichaam. Toen ik merkte dat je ogen opende, schaamde ik me even. Ik durfde je niet aanspreken en maakte me toen uit de voeten. ‘Die blonde ken je haar naam.’ ‘Nee, ik heb haar nadien nog gezocht, maar zij en de vier anderen waren nergens meer te vinden.’ ‘Je had iets moeten zeggen, Jov. Ze hebben me pas enkele weken later van een Enuroonse officier gesproken, die toen ik daar lag naast mij zat. Ik wilde weten wie je was, maar niemand kende je naam.’ ‘Ook toen de oorlog een jaar later beëindigd was, wist ik het nog steeds niet.’ ‘Ik weet het, lieveling. Ik heb geprobeerd om je te vergeten in de vier jaar die volgenden, maar ik kon het niet. Dus op een dag verkocht ik mijn kleine huisje en vertrok om je te zoeken. Zo doolde ik verschillende maanden rond op Trafar en enkele andere amazone planeten tot ik plots tegen een amazone botste. Ze barste van woede, want ik had haar toen ze dreigde te vallen in reflex vastgegrepen.’ ‘Ik kan me inbeelden dat ze woedend was, Jov. Een man mag dat niet, zelfs niet om haar te helpen.’ ‘Dat wist ik toen nog niet, Runa. Maar die amazone herkende me plots.’ Ze stond erop dat ik haar volgde. Aarzelend deed ik dat. Enkele amazones keken ons wel verbaasd aan. Ik leek wel een bediende van haar, al was ik nog steeds als Enuroons officier gekleed. Bij haar thuis stelde ze mij aan haar man voor. Haar naam was Gicyan. Toen ze hoorde dat ik jou zocht, keek ze me aan alsof ze me wilde verslinden. Het was haar man die het eerder begreep dan de amazone en ikzelf. Hij zei: ‘Liefde kent geen grenzen.’ Ze keek hem even verbaasd aan en dan wende ze zich tot mij. ‘Mijn man heeft gelijk, Jov Nador. En ik weet dat Runa Krinos ook naar de man gezocht die haar toen bijstond. Maar of het meer is dan dankbaarheid weet ik niet.’ ‘Eindelijk wist ik je naam. Ik was zo blij dat ik haar wilde omarmen, maar op het allerlaatste moment kon ik me inhouden.’ ‘Je zal een zeer lange reis moeten maken, Heer Nador. Want ze is teruggekeerd naar haar stam onder leiding van Koningin Peria.’ ‘Ik bleef een week bij het gezin van de amazone. Dankzij haar leerde ik al een beetje amazone omgangsgebruiken kennen. Zo wist ik hoe ik je moest aanspreken. Maar het duurde nog acht maanden voor ik je eindelijk vond.’ ‘Ja, dat weet ik nog. Maar je had niet zoveel onthouden van wat ze je geleerd had, want ik had je bijna gedood voor je onhandige begroeting.’ Jov lacht even. ‘Dat herinner ik me nog. Je stond daar klaar om te vechten met je zwaard in de hand. Maar ik durfde niets te doen, zelfs niet om te spreken. Heb je me dankzij je tattoo toen niet gedood?’ ‘Dat is juist, Jov. Want alleen de man die tijdens de oorlog naast mij gezeten had, kon van die tattoo weten. Ik moet je steeds danken omdat je als een heer handelde en een deken over mijn lichaam legde,’ zegt Runa, terwijl ze even naar haar linkerbeen tast. ‘Het was toeval, dat ik mij die herinnerde, schat. Gelukkig heeft die blondine je tattoo ook herstelt, want als ze die verwijderd had, dan…’ Runa schrikt even fel. Dan zou ze Jov gedood hebben. ‘Je weet toch wie die blondine was, Jov.’ ‘Niet echt. Maar toen ik de amazonegeschiedenis op Enuron opzocht, kwam ik soms wel een blondine en enkele anderen tegen. Ik denk dat haar naam Jakira is.’ ‘Dat klopt. Maar wij noemen haar de verhevene ofwel de schenkster der zwaarden.’ ‘Is zij de verhevene en van jullie hoogste goden?’ ‘Denk daar maar beter niet aan, Jov. Jakira wil geen godin genoemd worden.’ ‘Heb je haar al kunnen bedanken?’ ‘Ik weet het niet, Jov. Ik heb in de tempel tot haar gebeden, maar ik weet niet of ze het hoort. Niemand heeft haar of haar vrienden nog gezien na de oorlog. In de omgeving van Enuron is nog zwaar gevochten na de terugtrekking van de Volkors uit het Amazonegebied.’ ‘Dat weet ik nog. Ik was daar ook bij. In de nasleep van de oorlog waren de Volkors in een onbekende basis op een maan van de zesde planeet, ten alle prijzen in en om die basis aan het vechten. Tijdens dat gevecht raakte ik licht gewond en belande in het ziekenhuis. Maar dat is al meer dan vijftig jaar geleden.’ ‘Gelukkig hebben we elkaar gevonden, schat,’ zegt Runa en kust haar man. ‘Ik zou die blondine wel even willen weerzien om haar te bedanken.’ ‘Ik vrees dat, dat een wens is, die niet meer kan uitkomen. Er zijn geruchten dat zij door een vreselijk virus gedood werd, maar niemand weet of die waar zijn. Haar volgelingen en vrienden moesten vluchten en ze verbleven een tijdje op een amazone planeet.’ Even staart Jov zijn vrouw ontsteld aan. ‘Dat kan toch niet. Is zij dood?’ ‘Ook goden kunnen sterven, Jov.’ De volgende dag zitten ze aan de tafel te eten. Ze voelen zich gelukkig, al moeten ze hard werken om de eindjes aan elkaar te kunnen knopen. Ze hebben Sorane als hun dochtertje aangenomen, al beseffen beiden dat ze Sorane ooit de waarheid moeten vertellen. Een paar maanden later heeft hij een beetje geluk. Hij geeft een baan gevonden als buitenwipper in een grote luxueuze speelzaal. Hierdoor verdiend hij een hoger loon en ook zijn vrouw heeft een job als secretaresse in een grote firma. Verschillende jaren gaan voorbij als Runa in gelukkig in de salon zit te wachten. Als Jov aankomt, staat ze op en kust hem liefdevol. Verbaasd kijkt hij haar aan en hoort haar zeggen dat ze in verwachting is van een tweeling. Joc grijpt haar bij de schouders vast en kijkt haar diep in de ogen. ‘Is dat waar, schat? O, wat maak je mij gelukkig,’ fluistert hij, waarna hij haar tegen zich aandrukt. ‘Runa, krijg ik een broer of een zusje,’ vraagt een meisjesstem op dat moment. ‘Allebei, Sorane,’ lacht Runa, terwijl ze zich van Jov losmaakt. Die avond ligt Sorane rustig te slapen, terwijl Jov en Runa in elkaars armen naar de tv zitten te kijken. Verschillende maanden gaan voorbij als in de namiddag van een zonnige dag, Jov zijn vrouw en twee baby’s, weer thuis. Sorane en de babyzitster staan hen op te wachten. Sorane, die juist vier geworden is, kijkt verheugd haar nieuw broertje, Jenan en zusje, Reysa. De jaren gaan voorbij. Maar op een dag valt de politie de firma binnen. Runa’s baas en enkele anderen worden gearresteerd. Runa maakte zich uit de voeten, want ze weet te veel van de onwettige zaken van haar werkgever. Als ze voor hun villa aankomt, stopt ze met piepende remmen. Jov, die deze week niet moet werken, schrikt als zijn vrouw binnenstormt. ‘We moeten weg, Jov. De politie is op het bedrijf binnengevallen. Als ze ons vinden is ons leven in gevaar, want ik vorm een bedreiging voor enkele belangrijke personen.’ Dan knikt hij en haast zich naar boven, waar hij enkele valiezen van de kast haalt. Samen met zijn vrouw vult hij ze met enkele belangrijke dingen. Gelukkig hebben ze niet zo veel. De laatste vullen ze met kleding en andere benodigdheden voor de kinderen. ‘Ik breng ze in de wagen, zorg jij voor de kinderen, lieveling.’ Maar Runa is al op weg naar de kamer van Sorane, die ze snel helpt met aankleden. Jov draagt twee valiezen dan maar naar beneden en zet ze in de hal. Als hij de volgende twee gaat halen, komt Runa juist met Sorane uit de kamer en zegt: ‘Sorane, wil jij in de hal wachten? Ik kom zo dadelijk met je broer en zusje.’ ‘Ja, mama,’ zegt Sorane met trillende stem, want ze heeft beetje angst gekregen. ‘Het is niets, Sorane. We moeten alleen snel op vakantie en het vliegtuig wacht niet tot wij er zijn.’ Sorane keert zich om en loopt naar de trap toe. Jov kijkt even naar zijn vrouw in de kamer van de tweeling, Zijn vrouw is Reysa aan het helpen met aankleden. Hij glimlacht als hij merkt dat Jenan zijn broek zelf aantrekt. Even later zet hij de twee laatste valiezen in de hal naast de anderen neer. ‘Papa, je hebt toch niets van een vakantie gezegd. Waarom moeten we zo snel weg?’ ‘Het is een soort verrassing, Sorane,’ zegt Jov, terwijl hij de deur naar de garage opent. Als Runa met de tweeling de hal binnenstapt, sluit haar man juist de koffer. Sorane zit al op de achterbank en klikt haar veiligheidsriem vast. Als de garagedeur openschuift rijdt Jov naar buiten. Enkele geburen kijken verbaasd op als ze weg rijden. Runa wuift wel even naar enkele vrouwen die ze kent. Terwijl Jov bij de kinderen in de wagen blijft, haast Runa zich het station binnen om tickets te kopen. Even aarzelt ze aan de automaat, want ze beseft dat als ze met haar paspoort een reisticket boekt, ze getraceerd haar worden. Dus haast ze zich snel naar de balie en bestelt daar een ticket. Na een lange reis door verschillende dorpen bereikten ze alle vijf Nontora, de geboortestad van Jov. Hier kent Jov mensen uit zijn jeugd, maar zelfs hier, al doen zijn kennissen hun best, beseffen ze dat werk vinden niet zo gemakkelijk zou zijn, er heerste grote werkloosheid op Enuron, Ze vonden een onderkomen in de armen wijk en leefden van kleine diefstallen, tot Jov een jaar later lijfwacht van een topgangster werd. Sorane groeit in deze omgeving op. Ze leerde al vlug met wapens omgaan en werd een van de beste in de gevechtskunst. Ook haar kwaliteiten als scherpschutter werden al op veertienjarige leeftijd opgemerkt. Ze werd door de meerdere van haar vader ontboden. Enkele dagen later werden haar ouders bij de baas geroepen. ‘Uw dochter is zeer bekwaam met wapen, Jov. De raad heeft beslist om haar een opleiding als scherpschutter te laten volgen.’ Even is het stil in het lokaal. ‘Kunnen we bedenktijd krijgen, Sir. Ik wil er met onze dochter over praten,’ vraagt Jov. ‘Ten laatste morgen moeten wij een antwoordt weten, want over een week beginnen de eerste selecties.’ ‘Zo snel. Sorane is nog maar veertien,’ merkt Runa op. ‘Hoe jonger hoe beter, mevrouw Nador.’ ‘Ik zal morgen ons antwoordt laten weten, sir.’ De man kijkt Jov aan en knikt dan. ‘Vergeet niet dat jullie beide in de schuld staan, Jov. Sorane zou jullie sneller van die schuld kunnen verlossen. Tijdens de opleiding krijgt zij en ook jullie gezin een vergoeding.’ ‘Ik zal eraan denken, Sir.’ Dan verlaten Jov en Runa het kantoor en haasten zich naar de wagen. Na het gesprek met Sorane, die naar de opleiding blijkt uit te kijken, stemmen Runa en Jov toe. Als Sorane voor de eerste maal alleen naar de opleiding vertrekt, is ze wel een beetje van de kaart. Maar toch stapt ze moedig op de bus, die alle kandidaten komt oppikken. Er zitten al meerdere jongens en meisjes in. Sorane gaat ergens alleen zitten, maar al snel laat een van de meisjes zich naast haar op het zitje vallen. ‘Je zit hier zo alleen, schoonheid. Mijn naam is Axin. Deze plaats lijkt me nog vrij te zijn,’ zegt ze. ‘Sorane, ik ben voor de eerste maal alleen van huis ergens naar toe. Daarom voel ik mij niet zo lekker.’ ‘Ik niet. Ik ben al een jaar of twee alleen op de wereld. Mijn ouders zijn omgekomen en ik kwam in een pleeggezin terecht. Maar die trokken zich niet veel van mij aan. Ze hadden zelf vier kinderen. En ik was al twaalf, dus ik leerde al snel mijn plan trekken.’ ‘Hoe kom hier dan?’ ‘Door een aanbod. Soms steelde ik een paar dingen om eten te kopen, maar ik werd gepakt door een van de eigenaars. Hij bracht me bij de baas van zijn sector en die bood me deze kans aan. Eerst aarzelde ik, maar de gevangenis in stond me niet zo aan. Dus zo kwam ik op deze bus terecht. En jij.’ ‘Ik wil gewoon iets doen in mijn leven dat me boeit. En dit lijkt me wel wat?’ ‘Dit? Wil jij werkelijk een moordenaar worden?’ ‘Niet echt. Maar mijn vader heeft schulden. Tijdens de opleiding wordt hij vergoed, waardoor schulden sneller afbetaald zijn. Mijn familie heeft veel voor mij gedaan daarom moet ik dit doen. Na de opleiding zie ik nog wel wat ik ga doen’ ‘Is dat de reden, Sorane?’ ‘Voor een deel, Axin. Maar het avontuurlijke is iets dat me aantrekt.’ ‘Maar je weet toch wel dat je na de opleiding verplichtingen aan de organisatie hebt.’ ‘Ja, dat weet ik wel. Maar dat is maar voor een paar jaar, hebben ze mij gezegd.’ Even kijkt Axin haar aan. ‘Deze meid heeft nog veel nagedacht over wat haar te wachten staat en wat de gevolgen zullen zijn. Die gaat een koude douche krijgen als ze het beseft,’ denkt Axin met verbazing. ‘Je hebt nog niet veel van de wereld gezien, denk ik. Maar je zal het nog wel leren.’ Sorane kijkt het meisje naast haar even aan, maar die zegt niets meer. Meer dan twee uur later stopt de bus in de omgeving van een klein alleenstaand huisje. Het begint al donker te worden. Axin en Sorane en alle anderen stappen uit. Ze zijn met een zestiental. ‘Kunnen we daar wel allemaal naar binnen,’ grapt Axin. Maar Sorane zegt niets. Ze is te veel met haar gedachten bezig. In het klein huisje gaan ze allen binnen, maar daar blijkt in de kelder een lift te zijn, die de diepte ingaat. Daar is een heel complex ondergrond waar ze kleine kamertjes toegewezen krijgen. De volgende dagen krijgt het groepje de eerste lessen te verwerken, maar op het einde van de week worden bij een andere groep samengevoegd. Een van hen valt Sorane dadelijk op. Zijn naam is Verin Serunon. Ze merkt al snel dat hij soms, als niemand het merkt naar haar loert. Die aandacht bevalt haar wel, want buiten Axin heeft ze niemand om mee te praten. Een maand of acht later begint hun eigenlijke opleiding, maar er zijn ook zes van hun groep afgevallen en weggestuurd. Nu volgen al snel lenigheid trainingen en schiet oefeningen.  Sorane slaagt erin om zich al snel tot te beste schutter van de groep op te werken. Verin is een beetje jaloers, maar Sorane leert hem enkele trucjes, waardoor zijn schietkunst al snel nog veel beter wordt. Hun leraars volgen nauwlettend hun vorderingen en stellen vast dat beiden elkaar uitstekend aanvullen. Wat de ene mist leert hij van de andere. Maar ze merken nog iets anders, beiden zijn zeer veel in elkaars buurt en dat is gevaarlijk. Want begrippen zoals liefde en genegenheid worden niet geduld. Er is intussen ongeveer een jaar voorbijgegaan, na het begin van de opleiding. Sorane keert juist terug van een bezoekje van haar ouders, waar ze haar vijftiende verjaardag ging vieren. Die avond moet de hele groep de groep van zes jongens en vier meisjes bij de hoofdopleider komen. ‘Over morgen is een training voor de hele groep gepland. Jullie worden in afzonderlijk in een onherbergzaam gebied gedropt. De bedoeling is om te leren overleven.’ ‘Maar er zijn nog drie anderen groepen, die vanuit verschillende punten naar hetzelfde doel onderweg zijn. De groep die eerst het doel bereikt en de meeste leden heeft, zonder uitgeschakeld te worden is geslaagd voor de test.’ ‘We gaan elkaar toch niet neerschieten,’ zegt een van de meisjes verschrikt.’ ‘Niet echt, Dovima. Jullie schieten met verfkogels. Wie geraakt wordt valt af. Jullie mogen jullie eigen wapens gebruikten, maar met speciale laders. Maar let wel, de voorraad kogels die jullie meekrijgen is maar beperkt.’  Meer dan twee dagen is Sorane al onderweg, als ze plots een stip in de verte opmerkt. Met haar verrekijker observeert ze hen, maar het blijken drie van de groep te zijn, die elkaar gevonden hebben. Twee jongens en een meisje. Als Sorane hen inhaalt is ze moe, maar de drie willen verder. Dus blijft ze weer alleen achter. Als ze de volgende morgen weer op pad gaat, stoot ze op Verin. Beiden kijken elkaar verschrikt aan. Maar ze besluiten om samen verder naar het einddoel te trekken. Samen kunnen ze sneller vooruitkomen en meer hindernissen overwinnen.  Drie later zitten ze moe dichtbij elkaar aan een vuurtje dat Verin gemaakt heeft. Plots omarmt Verin haar en voor Sorane van de verbazing bekomen is, voelt ze zijn lippen op dat hare. De volgende morgen als de eerste zon opkomt, worden beiden in elkaars armen wakker. ‘Verin. Ik…’ ‘Ik mag je graag, Sorane. Maar het is verboden.’ ‘Dat weet ik, maar ik…’ ‘Nee, Sorane. Dit mag niet meer gebeuren. Het zou onze dood worden en ik mag je te graag om je dood voor mij op de grond te zien liggen.’ ‘We kunnen weg gaan, Verin. Wie zou ons ooit vinden?’ ‘Nee, Sorane. Dat kan ik niet. Mijn ouders en famillie zou het moeten bekopen. En ik vrees dat jouw ouders, broertje en zusje ook hard aangepakt zouden worden.’ Sorane beseft dat Verin gelijk heeft, maar toch kan ze deze nacht niet vergeten. Ze was zo gelukkig. Zonder iets te zeggen maken beiden zich klaar en breken op. Tegen de avond ontmoeten beiden Axin en nog een jongeman. Met zijn vieren gaan ze verder. Verin is tevreden, want nu kan hij zowel als Sorane niet meer in verleiding komen om in elkaars armen te vliegen. Ze weten echter niet dat Axin gemerkt heeft dat er iets gaande is tussen hen beiden. Een maand na hun terugkeer in het complex, zit Sorane op een avond met Axin te praten en vertelt haar een paar dingen die ze vreemd vindt. Axin schrikt hevig. ‘Je weet toch wat dat betekent, Sorane.’ Sorane schud haar hoofd. ‘Je bent zwanger.’ ‘I..kk… nee…. Dat kan niet…’ ‘Jij en Verin, jullie hebben toch niet tijdens die oefening met elkaar.’ ‘Ja, we hebben gekust en toen…’ ‘Dat gaat niet goed komen, Sorane. Als ze dat ontdekken dan worden jullie beiden uit geschakeld.’ Even is het stil in de kamer. Sorane trilt helemaal in paniek. Ze weet niet wat te doen. ‘Ga zo snel mogelijk met je ouders praten, Sorane. Misschien weten zij een oplossing,’ zegt Axin nog en maakt zich uit de voeten. Ook zij is van haar stuk. Want ze is met Sorane bevriend en dat kan voor haar ook gevolgen hebben. De volgende dagen schrikt Sorane van Axin. Het lijkt wel alsof ze niets meer met haar te maken wil hebben. Daarom verzwijgt ze ook haar toestand tegen Verin, want ze vreest zijn reactie. Gelukkig kan ze tegen het einde van de week vrijaf krijgen om haar ouders te bezoeken. Als ze het hen vertelt, kijken beiden haar ontsteld aan. ‘Sorane, dat kan toch niet waar zijn? Jij bent nog veel te jong om nu al een kindje te hebben,’ fluistert Runa ontsteld. ‘Het gebeurde maar een maal, Runa, ergens tussen de bomen tijdens een opdracht.’ ‘En hoelang al?’ ‘Iets meer dan een maand, moeder.’ ‘Je weet toch wel wie het was.’ ‘Verin.’ ‘Dat maakt niet uit, Runa.’ ‘Sorane, naar boven. Je hebt huisarrest tot het einde van je verlof,’ zegt Jov streng. ‘Pap, wat?’ ‘Naar boven heb ik gezegd? En snel of je gaat morgen al terug.’ Met tranen in de ogen rent Sorane naar boven. ‘Waarom ben je zo streng?’ ‘Ik moet nadenken, Runa. Om onze dochter te redden, moeten we er iets op zien te vinden.’ ‘Is het zo erg, schat?’ ‘Ja. Als ze het te weten komen, dan worden beiden geliquideerd. Dat behoort tot de regels van die cellen. ‘Wat moeten we nu, Jov?’ ‘We hadden haar nooit tot die cellen mogen toelaten, Runa. Ik denk niet dat haar ouders dat zouden gewild hebben.’ ‘Wat is er dan met die cellen gaande?’ ‘Als Sorane slaagt, dan zal ze tot de top betaalde huurmoordenaars behoren.’ ‘En als ze niet slaagt?’ ‘Het spijt me, lieveling. Maar ik kwam pas een maand of zo nadat Sorane lid geworden was, achter de juiste taak van die cellen. Wie niet tot de top behoort, overleeft het niet. En persoonlijke contacten zijn verboden. Voor koppels is er geen plaats.’ ‘Dan moet ze daar voorgoed weg, Jov.’ ‘Wil je dat we de rest van ons leven op de vlucht zijn, Runa. En daarna is het nog niet voorbij. Reysa en Jenan zullen ook aangepakt worden, zelfs na onze dood en die van Sorane.’ Runa kijkt haar man verschrikt. ‘We zullen er iets moeten op vinden.’ ‘Gelukkig is het nog niet te merken bij Sorane. Maar we hebben maar een of twee maanden.’ Even denkt haar man gefronst na, dan klaart zijn gezicht op. ‘Er zijn een paar opdrachten waar ze iemand voor zoeken, Runa. Ik liep met de gedachte rond om deze kansen aan mij voorbij te laten gaan, tot Sorane een jaar of zestien was. Maar nu lijkt het me dat ik mij voor enkele daarvan kandidaat stel. Maar dan met de voorwaarde dat Sorane mee kan gaan.’ ‘En gaan ze daarmee instemmen, denk je.’ ‘Als ik de juiste opdracht te pakken kan krijgen wel. Er zijn er twee waar een man en een vrouw voor gevraagd worden. Misschien ik hen ervan overtuigen dat Sorane als een soort kinderoppas mee moet voor haar haar broer en zusje.’ ‘Gaan ze dat smoesje aannemen, denk je?’ ‘Ik hoop het, want anders staat Sorane er alleen voor. Want als ik mij kandidaat stel, dan kan ik daarna niet meer weigeren.’ ‘Is het dan niet beter te blijven?’ ‘Nee, Runa. Sorane moet hier weg voor ze ontdekken dat ze zwanger is.’ ‘Laat ons nu maar gaan slapen, als we erin slagen, schat. Morgen moet ik van alles zien te regelen.’ Runa staat als eerste op en haast zich naar boven om even bij Sorane te gaan kijken. Die ligt huilend op haar bed. Als Jov komt kijken, zit zijn vrouw op het naast Sorane, terwijl ze haar geruststellende woorden toe fluistert. Ze geeft hem een teken om niets te zeggen, want hun dochter is eindelijk ingeslapen. Voorzichtig staat Runa op en volgt haar man naar hun kamer. Als Jov de volgende morgen als eerste naar beneden gaat, blijkt Sorane al aan het werk te zijn. Ze heeft eten klaargemaakt. ‘Vergeef me voor gisteren, Sorane. Ik was een beetje overstuur van het slechte en toch blijde nieuws dat je bracht.’ ‘Het is niets, vader. Het had niet mogen gebeuren en nu moet ik de gevolgen dragen. Ik ga vandaag nog naar de coördinator om alles op te biechten.’ ‘Dat doe je niet, Sorane,’ zegt Jov streng. Sorane schrikt even. ‘Ik en je moeder denken dat ze een oplossing hebben. Maar of dat lukt weet ik pas eind volgende week. Tot dan moet je doen alsof er niets aan de hand is.’ Hun dochter knikt stilzwijgend en kijkt naar haar moeder die juist naar beneden komt. ‘Ik zal je straks wel op een paar dingen wijzen, waar je moet op letten als je terug bent. Niemand mag iets merken, Sorane. Dat besef je toch wel.’ ‘Ja, maar Axin is op de hoogte.’ ‘Wie is dat? Ook iemand van je groep?’ ‘Ja, we trokken nogal veel met elkaar op. Zij herkende de symptomen, anders had ik het nu nog niet geweten.’ ‘Zal ze zwijgen?’ ‘Ik denk het wel, maar ze mijt me nu veel meer dan vroeger.’ ‘Dat kan opvallen, Sorane.’ ‘Daar kan ze nu niets meer aan doen, Jov. We kunnen alleen hopen dat die Axin zwijgt.’ ‘Laten we maar gaan eten, Runa. Ik moet zo snel mogelijk naar mijn werk, om me voor de opdrachten in te schrijven.’ Tot zijn verbazing krijgt Jov dadelijk alle medewerking en zelfs toestemming om Sorane mee te nemen. Maar ze zenden hem naar Feron IV, een verre planeet waar hij voor zestien maanden de leiding van een sector op zich moet nemen. Zijn loon en dat van zijn vrouw wordt zelfs verdriedubbeld. Maar terwijl hij die avond naar huis rijdt, vraagt hij zich wel af waarom zijn dochter zo snel toestemming kreeg. Als hij uit de wagen stapt, komt de elf jarige Jenan op hem toegelopen. ‘Ben je terug thuis, mijn jongen?’ vraagt Jov lachend. ‘Ja, pap. Ik heb wel spijt dat het zo snel voorbij is.’ ‘Tja, het was maar een korte school uitstap, Jenan.’ Beiden stappen even later de hal in. ‘Hai, pap,’ zegt zijn dochtertje Reysa, terwijl ze door Jov op zijn arm gepakt wordt. ‘Je begint wel zwaar te worden, kindje. Straks kan ik je zelfs niet meer dragen.’ Met zijn beide kinderen betreedt hij de salon en kijkt even naar Sorane die iets op een tablet zit te lezen. ‘Het eten is bijna klaar, Jov’, roept zijn vrouw vanuit de keuken. ‘Ga maar even bij jullie zus zitten. Ik moet even iets met jullie moeder bespreken,’ zegt Jov, terwijl hij Reysa op de vloer laat zakken. Als Jov naar de keuken toekomt, kijkt Runa hem verbaasd aan. ‘Het ging gemakkelijker dan ik dacht, schat. Ik heb een opdracht in handen en Sorane kan mee. Alleen vraag ik mij af hoe het komt dat ze zo gemakkelijk instemden om met mijn vraag om Sorane mee te nemen.’ ‘Denk je dat daar iets achter zit?’ ‘Ik weet het niet, Runa. We kunnen alleen maar afwachten en hopen van niet.’ Nadat Sorane teruggekeerd is naar de lessen in de cel, probeert ze te doen of er niets aan de hand is. Het stemt haar wel droevig dat Axin haar nog steeds mijdt. Maar de derde dag na haar terugkeer komt Axin plots aan haar tafel zitten, waar ze alleen zit te eten. ‘Het spijt me, Sorane. Ik had je niet mogen mijden.’ Verbaasd kijkt Sorane haar aan. ‘Het is niets, Axin. Al miste ik je gezelschap wel.’ ‘En weet Verin het al.’ ‘Nee, en ik wil niet dat hij het weet. Ik moet doen alsof ik met hem gebroken heb. Misschien sparen ze ons dan.’ ‘Ik hoop het voor jou, Sorane. Maar hoelang ga je het verborgen houden? Als je het zelf opbiecht dan wordt je misschien gespaard.’ ‘Dat zal ik misschien wel doen, Axin. Maar voor nu reken ik op mijn vader. Hij heeft een opdracht ver van hier aangenomen. En hij wil mij meenemen. Als dat lukt dan…’ Axin geeft haar snel een teken, want Verin duikt plots op. ‘Hoe is het met je ouders, Sorane?’ ‘Goed, Verin. Maar ze moeten weg met een speciale opdracht. Ik vrees dat ik mijn training zal moeten onderbreken, want ik zal mee moeten, denk ik, om op mijn broertje en zusje te passen.’ ‘Dat weet ik, Sorane. Ik heb gehoord dat ze je zelfs toestemming geven.’ ‘Wat? Is dat zeker?’ ‘Ja, de coördinator heeft me dat gezegd. Weten jullie waarom?’ ‘Nee,’ zeggen Axin en Sorane gelijktijdig. ‘Ik en Sorane zijn bijna even succesvol in de opdrachten. Maar er kan er maar eentje zijn die de leiding van de groep op zich neemt en dat is de beste. Als Sorane weggaat, dan valt een probleem weg. Want anders moeten ze ons beiden tegen elkaar laten strijden en diegene die overwint, blijft in leven.’ Sorane slikt even. ‘Kunnen ze zoiets doen?’ ‘Ja, het is al verschillende keren gebeurt, heb ik gehoord.’ ‘Gelukkig voor heeft Sorane dan de weg voor je vrij gemaakt,’ zegt Axin lachend. Verin kijkt even naar de roodharige en ziet haar glimlachen. ‘Dat wel, Axin. Maar ik zal onze vriendin hier missen, want ze hebt me ook een paar belangrijke dingen geleerd.’ Op dat moment klinkt en stem door de intercom. ‘Sorane Nador wordt over tien minuten bij de coördinator verwacht.’ Sorane schrikt wel even. ‘I..iikk moet bij de coördinator komen.’ ‘Ja, en… ik ben gisteren ook bij hem moeten komen. Maar we hadden gezellig gesprek over mijn toekomst,’ zegt Verin, maar fluistert dan: ‘Gelukkig weet hij niets over wat we beiden een maand geleden gedaan hebben.’ ‘Zwijg daar maar liever over, Verin. Anders kan jou en mijn toekomst weleens veranderen,’ fluistert ze terug. ‘Daar heb je gelijk in, Sorane,’ fluistert hij, terwijl hij even naar Axin kijkt. Maar die is met een jongeman, die achter haar aan een andere tafel zit, aan het praten. Als Sorane een uurtje later uit het kantoor van de coördinator komt, is ze opgelucht. Ze heeft haar toestemming verkregen om verlof te nemen. Want ze wil terugkeren om de opleiding verder te zetten. Eerst zag de coördinator dat niet zitten, maar stemde dan toch in. Op voorwaarde dat ze twee proeven zou afleggen na haar terugkeer. Als ze slaagt dan mag ze terugkeren, anders wordt ze dadelijk ontslagen. Ze zou willen afscheid nemen van Verin, Axin en enkele anderen, maar dat wordt haar niet gegund. Twee mannen brengen haar naar de uitgang, waar ze eerst al haar kledij en bezittingen moet afgeven. Persoonlijk bezittingen mag ze houden. Gekleed in een korte licht grijs rokje tot boven de knie, hem en blauw jasje stapt ze een uurtje of twee later uit de wagen, waarmee ze haar in de stad afzetten. Even kijkt ze om zich heen, maar ze kent hier niemand. Op een honderdtal meter ziet ze een station, waar taxizwevers staan. Gelukkig hebben ze haar een klein beetje geld meegegeven, waardoor ze een taxi kan nemen. Als het toestel eindelijk voor de villa van haar ouders land, komt Runa naar buiten. ‘Wat ben ik gelukkig, Sorane? Eindelijk ben je weg uit die gevaarlijk omgeving.’ Sorane zegt echter niet dat ze van plan is om terug te keren, want ze ziet dat nu als haar leven. Vier dagen later vertrekken ze met een midden groot passagiersschip van de ruimtehaven. Jov is kijkt met een droevige blik naar buiten. ‘Over een jaar komen we terug, Jov.’ ‘Dat weet ik, Runa. Maar toch.’ Verschillende maanden later zit Runa naast het bed van Sorane, die juist van een dochtertje bevallen is. Sorane zit naar het kindje in haar armen te kijken. ‘Ze is zo lief en onschuldig, Runa.’ ‘Zo zijn alle kindjes, Sorane. Maar pas op als ze kunnen lopen, worden velen van hen kapoenen.’ ‘Ik wil haar de naam Tyjan geven, Runa.’ ‘Tyjan, waarom. Ik dacht dat je haar de naam van je vriendin wilde geven.’ ‘Nolama had een dochtertje, mam. Haar naam was Tyjan.’ ‘Dat wist ik niet.’ ‘Haar dochtertje werd echter doodgeboren. En ik kan mijn kindje niet houden.’ ‘Dus je wil dat Nolama, je dochter opvoedt.’ ‘Ja, maar op voorwaarde dat ze met ons meegaat naar Enuron.’ ‘En wil ze dat.’ ‘Ja, mam. Ze wil hier al lange tijd weg en een nieuw leven beginnen.’ ‘En haar man dan?’ ‘Dat is haar man niet echt. Ze leeft alleen met hem samen, maar de laatste tijd heeft is hij nog veel maar bij een andere vrouw dan bij haar.’ ‘Ik zal het je vader moeten vragen, Sorane. Ik hoop voor jou dat hij ermee instemt.’ Sorane knikt even. ‘Hij houdt ook van Tyjan, mama. Dus hij zal wel akkoord gaan.’ Verschillende dagen later staat Sorane naast een dankbare Nolama, die de dochter van Sorane in haar armen houdt. Het kindje wordt Tyjan gedoopt en geregistreerd als Tyjan Vergonen. Samen met het gezien van Jov reist Nolama, met Sorane’s kindje, vijf maanden later naar Enuron. Gedurende die drie maanden zorgde Sorane samen met Nolama voor Tyjan. In de drukte van de ruimtehaven verliezen ze Nolama uit het oog. Sorane is in paniek, want ze heeft geen afscheid van Tyjan kunnen nemen. Samen met Jov zoekt ze verschillende uren, maar de vrouw is nergens te vinden. Ze wisten geen van allen dat Nolama van plan was, bij hun aankomst te verdwijnen met de vijf maand oude baby. Zij vreesde dat Sorane op Enuron aanspraak zou kunnen maken op het kindje, dat nu het hare is. Daarom maakte ze zich uit de voeten zodra ze geland waren. Zelfs Sorane weet niet dat zij van Enuron afkomstig was. Haar famillie woont op het Nuroonse continent, bij haar volk de Taranen. Niemand blijkt haar gezien te hebben. Helemaal van de kaart keren ze terug naar Runa, die hen met Reysa en Jenan opwacht. ‘We kunnen nietsdoen, Runa. Het lijkt wel alsof Nolama dit van plan was. Ik vermoed dat ze hier mensen moet kennen, want anders zou ze dit niet zo snel gedaan hebben.’ Runa slaat een arm om Sorane’s schouders en samen volgen Jov en haar tweeling naar een taxizwever. Met tranen in de ogen stapt Sorane in. Als ze thuis uitstappen, zegt Jov: ‘Je moet je erover zetten, Sorane. Tyjan is in goede handen. Misschien is het beter zo, want afscheid van je kindje voor altijd is niet zo gemakkelijk.’ ‘Misschien heb je wel gelijk, pap. Ik zal het achter moeten laten, want anders slaag ik nooit in mij opdracht.’ ‘Wil je werkelijk opnieuw naar die opleiding, Sorane?’ ‘Ja, mam. Jaren geleden koos ik ervoor en ik moet mezelf bewijzen dat ik het kan. Het is de weg dat ik moet en wil volgen. Ik moet mijn vrienden in de cel steunen, anders heeft mijn leven geen enkele zin.’ Sorane blijft nog enkele dagen bij haar stiefouders, om haar verdriet te verwerken en zich voor te bereiden. Tijdens hun verblijf op Feron IV heeft ze veel geleerd, van Jov en na de geboorte van Tyjan is ze weer beginnen trainen. Ze voelt zich lichamelijk tiptop in orde.

Jelsi
0 0

Hij/Zij

Hij streek een vinger langs haar dij en stond op. De deuren van de bus schoven open en met een sprongetje stond hij op de stoep. Ze keek hem verbaasd na, geschrokken, verontwaardigd, opgewonden. Ze hadden een vol kwartier naast elkaar gezeten, arm tegen arm, dij tegen dij. Normaal  zou ze zich tot tegen de wand van de bus hebben teruggetrokken, om elke aanraking te vermijden. Maar ze had hem geregistreerd, toen hij opstapte. Yes! had een stemmetje in haar hoofd geroepen  toen hij naast haar neerplofte. Zonder op te kijken wist ze dat hij haar bestudeerde. De letters in haar boek wilden plots geen woorden meer vormen en ze werd zich bewust van de warmte die hij uitstraalde door de dunne stof van zijn hemd en zomerbroek heen. Zijn handen lagen ontspannen in zijn schoot. Lange vingers, nagels netjes afgerond, witte randen, geen ringen. Ze verborg haar rechterhand waarvan de nagel van de ringvinger net was afgebroken onder haar boek. Even boog  hij naar voren om een vrouw te helpen die bij het uitstappen haar evenwicht dreigde te verliezen. Maar hij herstelde het contact en beeldde ze zich het in of nam de druk nog lichtjes toe? De bus draaide en haar zitje baadde ineens in het zonlicht. Ze voelde een zweetdruppeltje van haar haarlijn langs haar nek afdalen. Terwijl ze dit met haar hand afveegde trok haar decolleté haar aandacht. Het gekartelde randje van haar bh en het vouwtje tussen haar borsten was natuurlijk ook zichtbaar voor hem. Ze gebruikte haar boek als waaier en hoopte dat hij een opmerking zou maken over hoe warm het was. Geen reactie. Even keek ze naar zijn profiel om dan vlug de andere richting uit te kijken. Niet slecht, helemaal niet.  Rechte neus, volle lippen, stevige kin maar vooral het rode haar en de sproeten vond ze sexy. Ze had het idee dat ze zijn ademhaling kon voelen en wilde niet van positie veranderen maar de behoefte om te bewegen werd te groot. Ze kruiste haar benen waardoor haar rok omhoog schoof en haar heupbeen in zijn dij boorde. Sorry prevelde ze en gaf hem een verontschuldigende glimlach die hij beantwoorde. Groen, zijn ogen waren groen. Nog twee haltes. Ze begon zich voor te stellen hoe ze hem zou aankijken om duidelijk te maken dat ze langs hem moest. Hij zou opstaan en dan zou ze rakelings… *** Er waren drie plaatsen vrij. Bij het raam in volle zon, naast een jongetje dat op en neer wipte in zijn zitje. Naast een vrouw die er een enorme boodschappentas neergezet had en hem aankeek met blik die zei, waag het niet… En het zitje naast het meisje dat net had opgekeken. Met een zwaai plofte hij naast haar neer. Glimlachte ze? Onwillekeurig raakten zijn dij de hare. Meestal gingen vrouwen dan ostentatief opschuiven. Ze bewoog niet en haar arm raakte de zijne. Wel… In haar schoot lag een boek met een roze cover. Bovenaan de pagina stond de titel Romantic Movement.  Mooie knieën, haar benen lichtjes uit mekaar waardoor haar rok strak trok en het boek ondersteunde. Hij bewoog zijn hoofd een heel klein beetje zodat hij haar beter kon bekijken. Haar hemdje zat strak rond haar borstjes, kleine ronde appeltjes, waren het. Leuke bh. Glanzend kastanjebruin haar losjes bij mekaar gehouden in een staart die over haar schouder hing en waarvan een streng op zijn arm was beland. Het kriebelde door de stof van zijn hemd heen. Het rook lekker. Zij rook lekker. Hij legde zijn handen nonchalant in zijn schoot uit voorzorg. De bus stopte abrupt en een vrouw die net was opgestaan viel naar voren. Instinctmatig stak hij zijn arm uit.   Hij leunde opnieuw naar achter en vond haar arm terug. Hij liet zijn benen openvallen tot hij het hare raakte. De bus maakte een grote draai. Automatisch leunde ze nog wat meer tegen hem aan. De zon scheen plots als een schijnwerper op haar. Ze kneep haar ogen toe en zuchtte. Haar voorhoofd werd klam, haar borstjes blonken. Het gaf hem een idee hoe ze eruit zou zien in bed. Het boek waarin ze waarschijnlijk geen woord meer gelezen had, werd even een waaier. Een van haar nagels was afgebroken, de rest hadden een mooie ovaalvorm, geen nagellak, puur natuur deze meid. Recht voor je kijken nu, je wordt bestudeerd. Ja ik weet het die domme sproeten, schattig zeker. Hoe lang zouden ze zo nog kunnen blijven stilzitten, wel niet lang meer want de volgende halte was de zijne. Ze kruiste haar benen en in de zijwaartse beweging raakte haar borst even zijn arm. Sorry zei ze en glimlachte verlegen. Oh hoe sexy! Kon ik haar maar meenemen. Wat als ze nu ook de volgende halte zou afstappen…Nog zo’n honderd meter nu.              

Paula Dumont
9 0