Lezen

Aan een Rotvaart Nergens Heen -- de "ik"-versie. Hoofdstuk 4: Voorbereiding

Hoofdstuk 4: Voorbereiding Zoals ik eerder schreef, was het uitreiken van de brievenpost – wat de meeste mensen te zien krijgen en ook waar ze spontaan aan denken als je hen vraagt een postbode te schetsen in hun gedachten – slechts een klein deeltje van de baan als postbode. Het voorbereidend werk nam minstens evenveel tijd in beslag, zeker als je nieuw was. Je moest je ronde sorteren en je overlastzakken op tijd klaar krijgen en dat van een resem straten waar je in je hele korte leven nog nooit geweest was. Zeker in mijn geval – van thuis naar Bijstand en terug naar huis. Bijstand was, voor de mensen die Kortrijk niet kennen, de school die in de Sint-Jansstraat lag, palend aan de Veemarkt (of Koeiemart zoals wij dat noemen). De school bestaat nu niet meer, opgeslorpt door het winkelcentrum K in Kortrijk. Maar goed, daardoor kende ik de Veemarkt van Kortrijk heel goed maar je moest me nergens elders droppen of ik vond de weg niet meer terug. Het uitreiken van je post duurde ook lang, maar dat kon je inkorten door nergens te stoppen “voor een dreupel” zoals men het ons vaak zou vragen. Of het nu Nieuwjaar was of niet. Pa zoop er niet naast en na negentien jaar kon ik eindelijk begrijpen waarom. Maar dat is naast de kwestie. Het voorbereidend werk was zowat het meest geestdodende dat je je kan voorstellen. Beeld je maar eens in, je bent een jonge gast van een jaar of acht-negentien en je zit daar tussen een hoop venten die wel eens je vader konden geweest zijn – letterlijk of figuurlijk. En je neemt een brief in je handen en steekt hem tussen twee blokken op een tafel. Dan neem je een andere brief en steek je die er voor of er achter. En nog één. En nog één. En nog één en ga zo maar door tot je een vijftigtal brieven – de post voor de pare kant van de Weversstraat voor die dag, zo bleek later – in je poten hebt, waar je mentor een elastiekje rond doet en dat aan de kant zet. Volgende stapel. En de volgende. Enzovoort, tot alle brieven waren weg gesorteerd. Daarna was het de beurt aan de zogenaamde platte stukken, dat zijn grote A4-formaten of dikke boeken of alles wat eigenlijk groter is dan een brief en kleiner dan een pakketje. Die gingen dan in de postzak eens de overlastzakken klaar waren en in de containers lagen om opgevoerd te worden. Zo had ik op die dienst twee zulke plaatsen: Vlaanderenstraat 5 en Ringlaan 34, ofte het befaamde shoppingcenter. Daar lagen dan op mooie dagen één of liefst zelfs géén zakken. Echter gebeurde het vaker dat er twee of drie zakken per plaats lagen. Daar het december was, betekende dat extra veel werk. De feestdagen waar ik eerder onverschillig naar keek – bij ons thuis was er maar geld en animo voor fondue zowel op Kerst- als Oudejaarsavond – begon ik nu hartsgrondig te haten. Je moest maar zorgen dat je ronde rond raakte, en als je over je uren zat, en als beginneling was dat vaak zo, kreeg je niets extra’s, behalve gezaag van de rekenplichtige van de afsluit of een model 9.

Miguel
0 0

Aan een Rotvaart Nergens Heen -- de "ik"-versie. Hoofdstuk 3: Intermezzo

Hoofdstuk 3: Intermezzo 1 Het zou wel eens tijd zijn dat ik het postkantoor waar dit zich voor een groot deel afspeelt, eens beschrijf. We schrijven begin jaren 2000. Eind 2001 om precies te zijn. De postmannenzaal was nog niet vergeven van de computers en van laptops had nog niemand gehoord. Er waren twee kleuren prominent aanwezig; grijs van de betonnen vloer en groen van de muur, dat gebroken werd door er twee schakeringen van te gebruiken. Donkergroen onderaan voor een meter of twee en dan de rest tot aan het hoge plafond een lichtere tint. Naar de straatkant waren er hoge ramen ook tot aan het plafond reikten. Dezelfde ramen waren er aan de overkant van de zaal, en die gaven uit op een klein, schamel parkinkje, dat voor de helft overdekt was door een golfplaat die z’n beste tijd al dertig jaar geleden gehad heeft en waar de vlugste postbodes bij regenweer hun fiets konden parkeren. Terug in de postmannenzaal waren er vakken van alle slag. Kasten om grote stukken in te sorteren en kleinere briefkasten in een u-opstelling met een hoge bureaustoel in het gat van de “u”. Aan elk van die opstellingen was een hoge staander waar een bak post in bevestigd was. Naar de ramen toe waren de zogenaamde “casiers”, d.w.z. werkposten waar de post werd gesorteerd. De werkposten zagen er uit als tafels met daarboven naar de postman gericht een rek bestaande uit verschillende vakken. Daarin werden de grote stukken gesorteerd per straat of straatdeel. Op tafel werden de brieven gesorteerd, ook per straat of straatdeel. Daarna werden de brieven tussen twee gietijzeren blokken per huisnummer gesorteerd om er pakjes van te maken die ofwel in een brieventas – een ransel zoals we zegden – ofwel een speciaal daartoe voorziene zak, een overlast zak, werden gedeponeerd, die dan door de chauffeurs op verschillende plaatsen in de stad werden afgezet. De postmannen zelf waren overwegend mannelijk, ongeveer drie mannen tegenover één vrouw. De omgeving was dan ook mannelijk in al zijn aspecten – schunnige liedjes vlogen over en weer, zeker wanneer de andere kant de tekst moest aanvullen. Scheten werden zonder gêne gelaten en er werd stevig geboerd en gevloekt. Ik schat de gemiddelde postman toen een jaar of veertig, maar als je negentien bent, lijkt iedereen wel oud. Het waren ook niet alleen postmannen die daar rondwaarden. Ook bedienden waren er meer dan genoeg, net als chefs en zelfs een kantoorjongen, wiens taak het was op speciale dagen de Belgische vlag uit te hangen en de bloemen water te geven. Er was zelfs een blinde vrouw die iets deed in het postkantoor, wat juist en wat haar naam was, dat weet ik niet meer, maar in één of andere dienst stond vermeld dat degene die die dienst uitvoerde, haar moest gaan afhalen aan het station en die kreeg daar ook de voorziene tijd voor. Veel meer valt er niet te vertellen over hoe het in zijn werk gaat binnen in het postkantoor, niettegenstaande dat dat eigenlijk datgene is dat het meeste tijd in beslag neemt, zeker als je nieuw bent. De echte actie is wel het eigenlijke op baan zijn. De meeste mensen denken dat als je postbode bent, je maar je postzak te nemen hebt en “van schreef tot schreef te gaan tot je zak leeg is”. Helaas. In mijn jaren in Kortrijk 1, 1ste afdeling waren de schunnige liedjes zingen het meest promiscue dat wij deden. Zeemansverhalen over postmannen die overal wel iemand zitten hadden, zijn vooral dat, zeemansverhalen, verteld door het publiek. Intercollegiale relaties daarentegen waren wel meer frequent. Nog steeds geen schering en inslag, maar het gebeurde wel. Iedereen wist het wel van deze of gene die wel eens heeft gerollebold met zus of zo in een postbestelwagentje, maar dat werd opvallend discreet gehouden. Je vroeg er niet naar, niemand zei iets maar je hoorde het wel altijd.

Miguel
0 0

De laatste bron

Elias Elias tuurt naar beneden. Begin mei en geen sprietje groen. De velden zijn leeg. Hier en daar staat een bladerloze boom. In het midden van het eiland lag vroeger een groot meer. Nu is er een donkere krater, kilometers diep en breed, maar er staat nauwelijks water in. Aan de westkant van het eiland liggen enkele ouderwetse aquapods aangemeerd. Vanaf de haven kronkelt een weg door de uitgedroogde velden en rondom het meer tot aan een dicht bebouwd centrum. Op die weg nadert langzaam een zwarte autopod. Als zijn voeten de grond raken, gespt hij zijn mobipod los. Iets verder ligt zijn materiaalpod al op de grond. Nadat hij ze allebei ingeplugd heeft, zet hij zijn zuurstofmasker af en hapt naar adem. De hitte slaat vol in zijn gezicht. Het is hier heter dan op het vasteland en het zweet druppelt onmiddellijk langs zijn slapen. Gelukkig is dit volgens Annika een korte opdracht: enkele waterstalen nemen en een kort verslag schrijven over de bron op Brunnvik. De zwarte autopod stopt vlak voor zijn voeten. Terwijl de materiaalklep en de deur aan de passagierszijde openen, hoort hij een automatische stem: ‘Stap in Elias Rayburn. Autopod X14 rijdt je naar Karl Fisker. Beheerder van het eiland.’ Na een korte rit parkeert de autopod voor een blinkende, metalen kubus. Raamloos. Hij stapt uit. Als hij het gebouw nadert, opent een donkere, verticale gleuf. Geluidloos. Binnen ruikt het naar verse regen. De ijskoude verkoelende luchtstroom stopt eindelijk het zweten. In de inkomhal groeien bomen en planten, maar er is niemand te zien. Tot een man uit een nis in de muur tegenover hem stapt.  In zijn schaduw loopt een beveiliger met snor. ‘Welkom. We zijn verheugd dat je er bent. Pak eerst je bagage uit. Thor, mijn assistent, zal je naar een rustpod met bureau brengen.’ De kamer is spartaans ingericht met een bed zonder laken of kussen. Aan de andere kant van de slaapplaats hangt een bureau met op het bureaublad een groot model communicator. Op het moment dat Elias zijn hand erboven houdt, licht die op en verschijnt er op het scherm een mededeling: ‘Welkom, Elias. Alles wat je nodig hebt, regel je hier.’ Hij leunt tegen de muur. Het oppervlak wordt een fractie warmer alsof het gebouw zijn aanwezigheid registreert. Voor de vorm opent hij op de tablet het dossier over Brunnvik: de redding van Brunnvik, de klimaatinstallaties, de energiecentrales, de bescherming tegen de gevolgen van de Grote Droogte. De droge opsomming  wijkt enigszins af van wat zijn grootvader hem vertelde. Hij bracht als kind vaak de zomer door bij zijn grootouders en had uren geluisterd naar de verhalen over hoe Brunnvik was vóór AquaViridis. Brunnvik bezat een uitzonderlijke ondergrondse zoetwaterbron die een groot meer vormde. Deze waterreserve was een van de laatste veilige drinkwaterbronnen van Denemarken. Na de Eerste Grote Droogte had de overheid grote ontziltingsinstallaties op de Oostzee gebouwd. Pas achteraf bleek dat het ontzilte water ongeschikt was als drinkwater. Het bevatte chemicaliën en bovendien was het radioactief. Wie ervan dronk, betaalde daar jaren later de prijs voor, maar vaak was de keuze snel gemaakt als iemand moest kiezen tussen sterven van dorst of sterven door langzame vergiftiging. Na de Eerste Grote Droogte had AquaViridis een overeenkomst afgesloten met het eiland om de bron te exploiteren en zo het vasteland van water te voorzien. Via een onderzeese HydroLink werd het water naar Denemarken getransporteerd. Sindsdien was ook op Brunnvik water geen vanzelfsprekendheid meer. Elke verbruikte druppel werd geregistreerd en moest betaald worden. Veel gezinnen moesten kredieten afsluiten om drinkbaar water te kunnen kopen. AquaViridis had dankzij deze deal de exclusieve rechten op het beheer van de bron verkregen. Elias’ grootouders en vele anderen hadden zich aanvankelijk hevig verzet tegen de privatisering van hun drinkwater, maar AquaViridis beloofde als tegenprestatie Brunnvik te beschermen tegen de steeds grilliger wordende gevolgen van de klimaatverandering. Het bedrijf beloofde nieuwe microgrid-energiecentrales die Brunnvik onafhankelijk zouden maken van het energienetwerk op het vasteland. Daarnaast installeerde het klimaatschermen rond de kwetsbaarste gebieden van het eiland om de kracht van extreme stormen en vernietigende hagelbuien af te zwakken. Langs de kust bouwden ze stormbarrières om de stijgende zeespiegel en de steeds zwaardere stormvloeden tegen te houden. Elias typt een opdracht op de tablet: ‘Transport naar de bron.’ Als hij met de beheerder en zijn assistent bij het meer aankomen, ziet het er nog erger uit dan vanuit de lucht. Wat ooit een helder, bruisend meer was, is nu een grote, uitgeholde poel met donker, roestkleurig water. Het water stinkt en er zit geen beweging in. Elias moet zich inhouden om niet te braken door de combinatie van de loden hitte  en de rottende geur. Karl Fisker steekt zijn handen in zijn zakken. ‘Dit is alles wat er nog is. Toen AquaViridis hier kwam, dacht ik dat ze ons zouden beschermen. Dat ze een oplossing zouden brengen. Ondertussen  verdwijnt onze watervoorraad en zijn mijn mensen wanhopig. Ik zag een eilandbewoner die probeerde zijn eigen urine te filteren met een oud laken. Jullie zeggen dat dit tijdelijk is, maar sommige mensen beginnen te denken dat er iets anders aan de hand is.’ ‘En jij, Karl? Wat denk jij dat er aan de hand is?’ ‘Ik denk dat er dingen zijn die wij niet begrijpen, Elias.’ Thor komt dichter staan. Elias probeert Karl verder uit te vragen, maar er komt geen woord meer uit. Ze blijven een tijd naar het water staren. Net voor ze terugrijden haalt Elias een monsterprobe uit zijn rugzak om stalen te nemen voor de analysator op het vasteland. Met een tik op zijn communicator schuift een telescopische arm geruisloos uit tot op het wateroppervlak. Aan het uiteinde opent een transparante capsule die zich automatisch vult. Daarna schuift ze terug in de probe. Een tweede controlecapsule zakt dieper voor nog een watermonster. Terug in het gebouw drinkt hij in zijn kamer een nutriëntenshake. Als hij zich neerlegt op het bed, daalt het deken neer. Het hoofdeinde van het bed komt enkele centimeters naar omhoog en vormt een perfect hoofdkussen. Elias kan de slaap niet vatten en besluit op zijn eentje te voet terug te keren naar de bron. Buiten is het doodstil. De hitte is omgeslagen in bittere kou. De bron ligt verder dan hij zich herinnert. Als hij bij het meer aankomt lijkt er deze keer wel beweging in te zitten, maar de zwavelgeur is weg. Dan valt hem opeens een zilverkleurige antenne op dicht bij de oever. Vanaf de antenne loopt een draad naar een enorm blok metaal op de oever.  Zijn vingers glijden over het metaal dat slijmerig aanvoelt en begint te trillen als hij het aanraakt. Het water klotst heftig heen en weer. Op het moment dat hij zich bukt om het tafereel vast te leggen op zijn communicator, voelt hij iets kouds tegen zijn rug drukken: ‘Je had niet moeten terugkeren, jongen.’ ‘ Manipuleren jullie de bron?’ Karl haalt diep adem en kijkt naar het water: ‘Ik heb gedaan wat we moesten doen om te overleven. AquaViridis zal onze gemeenschap vernietigen als het contract niet nageleefd wordt.’ Elias wil achteruit stappen, weg van het ondertussen kolkende water, maar hij kan zich niet bewegen, omdat een flinterdunne nanodraad zijn lichaam inpakt. Daarna schopt iemand hem onderuit en valt zijn bovenlichaam in de stinkende modder aan de oever. Hij kan met geen mogelijkheid zijn hoofd nog omhoog tillen. Karl wijst Thor naar een plek wat verderop en vraagt hem om de terreinprinter te activeren. Een raster van groene laserpunten projecteert een rechthoek op de grond. Daarna komt de robotgraafmachine tot leven en die hapt met één vloeiende beweging een keurige, rechthoekige vorm uit de grond. Binnen enkele seconden gaapt een kuil van menselijk formaat. Vervolgens commandeert Thor de machine om het lichaam uit het water te trekken, in de put te dumpen en de kuil te vullen. Nadien verstuurt Karl een beveiligd bericht:  ‘Probleem opgelost. Situatie onder controle. Geen verdere tussenkomst nodig.’ Hij kijkt omhoog naar de hemel. De regen is intussen veranderd in poedersneeuw. Het probleem is tijdelijk opgelost.   Gunnar Gunnar roept het dossier van Elias Rayburn op. Het bericht over het ongeluk van de expert komt van de beheerder van het eiland, Karl Fisker : ‘Aan de rand van de bron werd het lichaam van Elias Rayburn gevonden. Waarschijnlijk uitgegleden en verdronken tijdens een avondwandeling.’ Gunnar zucht, als hoofd arbeidsongevallen moet hij een plaatsverslag opmaken van elk dodelijk werkongeval. Er zit niets anders op dan de oversteek van Kopenhagen naar  Brunnvik te maken. Met een ouderwetse ijsbreker om de Oostzee open te breken, want op dagen met temperaturen onder de 25 graden Celsius zijn de mobipods onbetrouwbaar. Tijdens de overtocht staart hij naar het giftige zwarte oppervlak dat zich eindeloos uitstrekt. In de haven aan de kade wacht een potige kerel hem op. De man begint onmiddellijk naar een ouderwets fossiel model autopod te lopen: ‘Karl verwacht je.’ In de kubus staat  Karl in de inkomhal. Strak in het pak. Gespannen kaakspieren, zijn handen stevig in de zakken van zijn jas. Nog maar een schim van de joviale aanvoerder van het voetbalteam. ‘Gunnar, oude makker. Hoe is de situatie in Kopenhagen? Minder rellen door de kou hoorde ik.’  Zonder een antwoord af te wachten, glijdt zijn blik naar de chauffeur die nog steeds zwijgend achter Gunnar staat: ‘Heeft Thor zich al voorgesteld? Hij durft de regels van de etiquette weleens vergeten.’ Thor antwoordt met een kort gesnuif. Gunnar vraagt om de plaats van het ongeval te bekijken. Als hij terug naar buiten wil stappen, legt Karl een hand op zijn schouder: ‘De situatie is iets gecompliceerder dan wat ik in mijn rapport vermeld heb.’ ‘Hoe bedoel je?’ vraagt Gunnar terwijl hij instapt. Karl mompelt dat het straks duidelijker zal worden en zwijgt vervolgens de rest van de rit. Zodra Gunnar uitstapt, slaat een muur van hitte hem tegemoet. Nog maar pas had hij vanaf de ijsbreker naar de dichtgevroren zee gekeken; hier trilt de lucht boven de rotsen. Hij moet kokhalzen. De verstikkende geur van rotte eieren vult zijn longen. De bron ligt er even zwart bij als het water van de zee. Karl haalt een klein apparaat uit zijn zak dat zacht begint te zoemen. Aan de oever schuift een antenne omhoog. Het donkere water begint langzaam helder te worden en het water stijgt. Het is alsof iemand een raam heeft opengezet, want de zwavelgeur trekt weg Gunnar staart naar de antenne: 'Wat is dit?' 'Een onderhoudsprocedure,' antwoordt Karl. 'De sensoren moeten af en toe gekalibreerd worden.' Hoe meer het waterniveau stijgt hoe helderder het water wordt. Geen spoor meer van de zwarte smurrie die hij daarnet zag. Hij kijkt Karl aan: 'Nee... Jullie hebben verdomme met de bron geknoeid! En Elias wist het!’ Karl zegt niets. ‘Jullie hebben hem vermoord.' Karl haalt diep adem:  ‘We moesten iets doen om het hier leefbaar te houden. Na de Derde Droogte werd water steeds duurder. We wilden onze bron opnieuw zelf controleren. Mijn mensen sterven van dorst, maar we zitten vast aan het contract. Jij weet wat het is om te beslissen wie leeft en wie sterft. Ik kon niet toelaten dat Elias alles naar buiten bracht.’ Gunnar voelt de woede opborrelen: ‘En jullie dachten dat daarmee het probleem opgelost was.’ ‘We zaten vast, Gunnar. Als Elias had gepraat, was het gedaan geweest met dit eiland.’Karl kijkt hem nu strak aan. 'Gebruik je verstand, Gunnar. Je weet hoe het eraan toe gaat op het vasteland. Droogte, wanhoop, mensen die elkaar verscheuren om een paar druppels water. Waarom zou je tegen de stroom ingaan? We kunnen dit regelen.' Hij laat een korte stilte vallen. 'En ik heb die beelden nog altijd. Jij die met je dienstbadge de Hydrobot voor het zwembad van je dochter manipuleert. Denk je dat je carrière dat overleeft?' Gunnar grijpt naar zijn communicator. 'Elias is dood, Karl. Dit is moord. Dat moet ik rapporteren.' Karl spreekt nu met een waarschuwende blik in de ogen: ‘Ja, ik ken je. Jij bent een man die de regeltjes wil volgen. Maar dat kan gevaarlijk zijn. Zowel voor ons als voor jou, Gunnar. Het eiland beschermt zijn mensen. Geen wateroorlogen, geen chaos, geen honger. Je kunt daar deel van uitmaken. Waarom zou je het jezelf moeilijk maken, als je het zo veel makkelijker kunt krijgen?’ ‘Ik laat me niet omkopen.’ Karl lacht scherp:  ‘Je snapt het niet, Gunnar. Je denkt toch niet dat al die tekorten toevallig zijn? Er is genoeg water. Schaarste is een keuze van de overheid omdat dat macht en geld oplevert. Je kunt blijven vechten tegen het systeem. Je weet dat ik gelijk heb. Je bent alleen te koppig om dat toe te geven.’ Thor komt ondertussen dichterbij en slaat zijn arm dwingend om Gunnar heen. ‘Dit is je enige kans. Denk er even goed over na, Gunnar. Je weet wat er kan gebeuren met mensen die antwoorden vinden.’ Gunnar wringt zich los uit de bankschroefgreep van Thor. ‘Je hebt gelijk over één ding. Het eiland biedt bescherming. Maar tegen welke prijs? Ik wil niet opgesloten zitten in jullie leugens, Thor.’ Gunnar draait zich om en stapt weg van de bron die nu volledig helder is. Terug naar Kopenhagen. Hoeveel dorstige monden zullen er daar morgen zijn? Volgende week? Over een jaar? Zijn pas hapert heel even. Thor zet een stap vooruit, maar Karl houdt hem met opgestoken hand tegen: 'Nee.' Thor fronst. 'Hij weet te veel. Dan blijft er maar één oplossing.' 'Wis de laatste achtenveertig uur,' zegt Karl zacht. 'Meer niet.' 'Dat is een risico.' 'Dat is een bevel.' De communicator schiet een verdovingspuls af. Gunnars benen knikken weg. Pas uren later komt hij op de ijsbreker bij bewustzijn.  Zijn hoofd bonst. Boven zijn rechterslaap voelt hij een bobbel. Als hij op zijn communicator kijkt, ziet hij dat hij achtenveertig uur offline was. Aan de kade in Nyhavn staat een lange rij mensen met jerrycans zwijgend te wachten. Een Hydrobot rijdt langzaam vooruit. De ene telescopische arm klikt zich vast op een jerrycan, een andere arm scant de chip in het oor van een vrouw om het verschuldigde bedrag af te schrijven. Daarna pompt hij het waterrantsoen over. Plots blijft de arm steken. Een monotone stem galmt over de kade: ‘Onvoldoende krediet. Het actuele watertarief overschrijdt uw beschikbare saldo.' 'Jullie kunnen de prijs toch niet elk uur veranderen,’ roept de vrouw met een halfvolle jerrycan. Achter haar klinkt ondertussen geschreeuw. Iemand roept dat de tank van de Hydrobot bijna leeg is.  De rij verandert in een kolkende zee van zwaaiende armen. Jerrycans vallen op de grond en worden platgetrapt. Het water stroomt over het asfalt. Mensen werpen zich op hun knieën om het met hun handen op te scheppen. Sommigen likken het van de straat. Gunnar blijft staan kijken naar de menigte. Hij heeft het gevoel dat hij hen iets moet vertellen, maar hoe hard hij ook denkt,  zijn geheugen blijft leeg.  

HildeDS
0 0

De nieuwe mosselen

Ik had nooit gedacht dat ik ooit een column over mosselen zou schrijven. En toch. Niet omdat ik plots een culinaire recensent geworden ben. Wel omdat mosselen mij iets geleerd hebben over mensen. Iedereen heeft namelijk een mosselritueel. "Waar gaan jullie de eerste eten?" Dat is een volkomen normale vraag. Bij tante Roza. In 'De Gulden Draak'. Op de dijk in Nieuwpoort. Altijd dezelfde zaak. Altijd hetzelfde tafeltje. Alsof de eerste mosselen alleen officieel geopend worden als ze op de juiste plaats gegeten zijn. En dan begint de analyse. Zijn ze groot genoeg? Goed gevuld? Welke soort? Eén kilo of twee? Nonkel Marc vindt dat een kilo vooral dient om de honger wat wakker te maken, die gaat resoluut voor de twee kilo....'om mee te beginnen ' Ik kijk daar met veel bewondering naar. Want tegelijk vraag ik mij af waarom we dat met niets anders doen. Niemand zegt in april: "Waar gaan we dit jaar de eerste steak-friet eten?" Of: "Het is zover. Tijd voor de eerste vol-au-vent van het seizoen." We hebben geen vaste stoverijdag, geen jaarlijkse opening van de vidéekroketten en ook de eerste spaghetti van het jaar passeert geruisloos. Alleen mosselen krijgen een openingsceremonie. En nog eigenaardiger wordt het na die eerste pot. "Ik heb er dit jaar al gegeten." "Meer dan drie keer hoeft dat voor mij niet."."Dan is de charme eraf." Dat vind ik een wonderlijke zin. Want niemand zegt dat over frieten. Of over koffie. Of over chocolade. Blijkbaar worden mosselen alleen lekker omdat ze schaars zijn. Alsof ge ze een beetje moet missen om ze graag te blijven zien. Ik weet niet of dat waar is. Ik weet alleen dat een mossel in kokosmelk met curry ook heerlijk is. Dat ge ze tegenwoordig bijna het hele jaar kunt eten. En dat ik nog nooit iemand heb horen zeggen: "Verdorie, die was te lekker. Volgend jaar misschien maar weer." Misschien zijn wij Vlamingen gewoon bang dat overvloed iets kapotmaakt. Dat geluk minder waard wordt als het te vaak passeert. Ik geloof stilaan het omgekeerde. Misschien is iets niet bijzonder omdat het zeldzaam is. Misschien is het bijzonder omdat ge er telkens opnieuw van kunt genieten alsof het de eerste keer is. En als ge mij zoekt... ik zit waarschijnlijk ergens aan een pot mosselen. Al voor de vierde keer. Zonder schuldgevoel.

Katrien Daniels
48 2