Lezen

als vrienden (tekst 2)

Ik hou van je.  Onmiddellijk had ik spijt.De wereld stond enkele minuten stil.Je ogen stonden groot, wenkbrauwen hoog, je mond, lippen licht van elkaar.Ik keek weg. Schaamte.  We zaten in mijn favoriete kroeg. Weet je nog? Op het terras, ‘s avonds.Naast ons een tafel met vrienden. Met z’n allen onder de warmtelampen. Eén van de eerste koelere avonden na een zwoele zomer. Jij dronk een glas Ice Tea Green, geen bubbels voor je maag. Ik dronk routineus een pint en rookte een sigaret. Licht dronken.  Het gebeurde niet vaak dat wij met twee samen op café zaten, zonder andere kennissen of vrienden.Natuurlijk praatten we vaak. We noemden elkaar beste vrienden, maar dat was vooral via het scherm, de intimiteit van onze generatie; Nooit geleerd echt te praten. Enkele minuten ervoor was het gesprek stilgevallen. Ik was in gedachten verzonken. Dronk mezelf wat moed in en zei wat ik altijd al had willen zeggen.  Terwijl ik wist dat het nooit wederzijds zou zijn. Jij zou dat nooit zeggen. Net zoals je nu niet wist wat te zeggen.  In de verte briesde een auto voorbij.Ook de tafel naast ons was gestopt met praten, afwachtend hoe dit genant gedoe zou eindigen. Iets moest er gebeuren.  Ik denk dat we beiden wisten in dat moment dat de vriendschap voorbij zou zijn.Jij en ik, nooit meer op dezelfde golflengte.  Niets zou dit nog kunnen redden, maar iets moest wel nog gezegd worden.  Kom, iets, allez, iets, maar wat wat wat Allez bon, ik bedoel uh, als vrienden eh. Het lachen barstte uit.  

Wout
3 0

als vrienden (tekst 1)

Ik hou van u..  Godverdomme, ik flap er weer iets uit met mijn stomme kop, nooit kan ik gewoon eens mijn bek houden als ik gedronken heb en voila stilte, ja natuurlijk, ik weet niet wat te zeggen en gij kijkt verbaasd je ogen groot, irissen hemelsblauw in het avondlicht, welgevormde wenkbrauwen hoog als een boog rond je ogen, je mond halfopen, seconden tikken voorbij tik tik tik en al kennen we elkaar al jaren, dagelijks klappen we ge weet het dik en dun alles waren we we, praten over alles maar dit had ik beter niet gezegd nee, dit verandert alles zelfs naast ons hebben ze het door het tafeltje naast ons op ‘t terras in de Corbie waar we regelmatig zitten stamgasten eigenlijk eh, bon dat tafeltje naast ons is ook stil daarnet nog lachen en brullen nieuw pintje hier allez schol eh daar, maar dat hebben ze gehoord zenne ja nu willen ze wel weten wat er komt want zij voelen deze spanning ook net als ik die voel net als jij godverdomme waar is de Rob dat ik nog een pintje kan bestellen weer iets om te vergeten te verdringen verdrinken want ja wat zegt ge hier op doeme dees duurt te lang seconden seconden seconden tik tik tik weg met de klok weg met de tijd laat me nu maar vergaan weg ermee alles zo hopeloos naar de kloten godmiljaar eh en ooit moet ik toch iets zeggen ge kijkt weg, ik kijk naar mijn halflege pint alles is altijd halfleeg alles verdwijnt traag maar gestaag zijt daar maar zeker van, ik zoek in mijn jas naar mijn sigaretten altijd de oplossing het leven is makkelijker als ge u verdooft neem het van mij aan! ik pak mijn briquet sigaret aan mijn lippen net als de rest van het terras benieuwd hoe ik dees weer ga redden maar echt redden zit er niet in nee deze relatie wordt nooit meer hetzelfde dat ziet ge iets is gebroken da’s duidelijk stoemerik da’k zen bon kom zeg iets iets iets Ik steek mijn sigaret aan en blaas uit. Allez ja, ik bedoel, als vrienden eh. De tafel naast ons barst in lachen uit. Wij doen niets anders dan mee lachen.  

Wout
6 0

Systeemproblemen blootleggen

Meneer Ridouani is een soft, een sissy. Leuven heeft nood aan een kordate, strenge burgemeester. Onder het beleid van Louis Tobback was het allemaal niet waar geweest wat nu gebeurt in ons ' rustige vredige centrumstadje '. Veel inwoners zijn gewoon ontevreden. Punt. Dat de heer Ridouani en de zijnen maar leven in hun leugen, hun bel dat alles goed gaat. In plaats van ons belastingsgeld letterlijk te verspillen aan megalomane projecten zouden ze beter zorgen voor meer vergroening, accommodatie en faciliteiten in de stad als ze dan toch aan ' stadsontwikkeling ' willen doen. Waar blijven die openbare toiletten, douches, speelpleintjes,... voor de mensen? Ik dacht: ik schrijf het hier maar op, op dit prachtige platform, want als ik een mail stuur naar de burgemeester zal deze toch waarschijnlijk niet worden gelezen.  Veel Leuvenaars voelen zich gewoon niet veilig. En dan vragen ze zichzelf af hoe het komt.  Ik ben absoluut geen racist hoewel de criminele vreemdelingen dit zo graag in hun mond nemen dat per definitie alle Vlamingen en Belgen racistisch zijn. Maar zij moeten eens gaan beseffen dat ze volop aan angst conditionering doen met hun gedrag en dat ze mensen schrik aanjagen. Als iemand moedig hen hierop aanspreekt doen ze aan omgekeerd racisme en dat mag niet gezegd worden. Nee dat moet doodgezwegen worden. 's Vrijdags in de moskee naar de boodschap van liefde en respect luisteren en buiten de moskee, na het gebed baldadig gedrag stellen. Hey het zijn allemaal zo' n doetjes en lieverdjes nietwaar meneer Ridouani?  Ik krijg er écht schijt van en stenen kloten. Pasklare oplossingen zijn er niet. We worden nu geconfronteerd met problemen en uitdagingen waar van de zaadjes in een ver verleden zijn gezaaid. Als er toen destijds andere keuzes waren gemaakt had het er misschien anders kunnen uitzien. Wie weet? Ik kan er misschien dan weinig aan verhelpen maar ik ben blij dat ik het heb kunnen aankaarten.  P. Claes, 2026©

Canniball
3 0

Brievenpost van Dinges | Aan dhr. Jeroen Meus

Beste Jeroen Het was weer zover. Ik neem je niets kwalijk, maar je bakt ze soms wat bruin. Pas op, ik ben je grootste fan. Zo heb ik al eens staan zwaaien voor het raam van je studiokeuken in de Schrijnmakersstraat in Leuven. Toen het op tv kwam, had ik nogal bekijks in café De Kiezel. Naast ‘Dagelijkse Kost’ was ik ook fan van programma’s zoals ‘De mosterd van Meus’ en ‘Goed volk’. Zo zal ik je reis naar Japan niet snel vergeten, toen je voor een groep sumoworstelaars mosselen met friet bereidde. Of de bouchée à la reine voor de vier vrijgezelle broers in Frans-Vlaanderen. Historische televisie. Voor mijn moeder en mezelf was het dagelijkse kost om je kookkunsten te aanschouwen. Dankzij jouw gerechten kwamen er verhalen van vroeger naar boven. Nu mijn moeder er niet meer is, zijn dan dubbel mooie herinneringen. Maar terug naar de reden van dit epistel. Nadat witlof met ham en kaassaus werd uitgeroepen tot ons nationaal gerecht, deed er zich iets voor in de buurtsupermarkt. De dag erna was er geen enkel strookje witlof meer te vinden. Hetzelfde heb ik al eens meegemaakt toen je kabeljauw met spinaziepuree en dijonaise op het menu had staan. Werkelijk alle kabeljauw en spinazie was uitverkocht. En er zijn nog van die dinges geweest. Terwijl ik dus hopeloos op zoek was naar witlof, zag ik Leon Légume bij de appels staan. Hij draagt altijd een grijze stofjas en kijkt boven zijn leesbrilletje uit. Hij is er de verantwoordelijke voor het fruit en de groenten. Zijn echte naam is trouwens Leon De Smet, maar iedereen kent hem als Leon Légume. Een kwalijk kenmerk van hem is dat hij durft overdrijven. “Helemaal niks Désiré, echt geen velleke witlof meer”, zei hij. “Het is natuurlijk de schuld van dieje tv-kok uit Leuven. Ik zal zelfs meer zeggen. Ze hebben hier gevochten voor het laatste witlof. Het was zo erg dat ik de politie heb gebeld. Toen de wijkagent ze eindelijk uit elkaar kreeg, vroeg hij of er toevallig nog wat witlof was.” Ik zei het al, Leon Légume kan geweldig overdrijven. Maar ik zou je willen vragen om voortaan de supermarkten te waarschuwen bij het maken van een bijzonder gerecht of iets dat in de kijker staat. Kwestie van dat ze extra voorraden inslaan. Dat moet in deze digitale tijden toch lukken. Dat gezegd zijnde, wil ik nog kwijt dat je me elke dag gelukkig maakt met je stoverij en toverij in de keuken. Zonder overdrijven. Ondertussen verblijf ik Met de meeste hoogachting Désiré Dinges

Désiré Dinges
4 0

Pensioenleeftijd

Ik las in de krant een interview met de voorzitter van een politieke vereniging die zich anders wil opstellen. Hij stelde zelf een vraag. ‘Waarom bestaat er een pensioenleeftijd? Dat moeten ze me toch eens uitleggen.’ Ik begrijp wat hij bedoelt en ik zou daar samen met u een boom over kunnen opzetten, maar het nadeel van het opzetten van een boom is dat het nogal snel op ‘zagen’ uitdraait. Dat wil ik u niet aandoen beste lezer. Ook de boom niet. Ik heb, net zoals u, nogal wat gepensioneerden gekend in mijn leven. Mijn vader ging al op jonge leeftijd met brugpensioen en dat was nergens goed voor. Dan zou ik op mijn leeftijd nu ook al thuiszitten. Daar zie ik het nut niet van in. En iedereen werkt tegenwoordig toch zolang als hij of zij wil. Afijn, tot daar deze boom over het pensioen. Maar ik wil daar nog iets anders over kwijt. Daarvoor heb ik uw eerlijke mening nodig. De vraag is eenvoudig. Schat u me ouder in? Ik vraag het omdat ik – weeral eens – iemand tegenkwam die dacht dat ik al met pensioen was. Ik passeerde een oud-collega en het weerzien was hartelijk. “Ik ben blij je nog eens te zien”, zei ze. “Zo gepensioneerden onder elkaar.” Ik heb haar toch moeten overtuigen van het feit dat ik nog niet aan mijn pensioenleeftijd zit. Ze keek me ongelovig aan. Maar het moet dus iets te maken hebben met het feit dat mensen me ouder inschatten. De vorige keer dat het gebeurde is zelfs al enkele jaren geleden. Misschien ben ik oud geboren? Een oude ziel heb ik altijd gehad. Misschien uit zich die oude ziel nu ook aan de buitenzijde. Wie zal het zeggen? Misschien de voorzitter van de politieke vereniging die zich anders wil opstellen.

Rudi Lavreysen
0 0

“Je bent nog jong!”

Ieder jaar mag ik tussen Kerst en Nieuw een kaarsje extra uitblazen. Vaak is het een vrij bescheiden dag, met een handjevol geliefden rondom me. We delen een drankje, een hapje, en lachen met de jaren die gepasseerd zijn en de jaren die nog gaan komen. Rond deze tijd neem ik ook graag een moment om te reflecteren. Eén van de zaken die ik al langer bezin, is de stijgende frequentie waarin ik te horen krijg dat ik ‘nog zo jong ben’, en ‘dat ik nog zoveel tijd heb om de zaken uit te dokteren in mijn leven’. Het lijkt haast dat hoe ouder ik word, hoe meer mensen mij op het hart drukken dat ik jong ben. Nochtans behoor ik als een eenendertigjarige man – volgens meerdere gehanteerde definities – niet meer tot de jeugd van tegenwoordig. Op mijn zesentwintigste verloor ik al meerdere jongerenvoordelen (R.I.P. het gebruiken van een Go Pass), en dertig worden was de laatste nagel in de kist van mijn jeugd. Dus waarom hoor ik de afgelopen jaren steeds meer en meer dat ik ‘nog zo jong ben’?  Begrijp me niet verkeerd, de opmerking komt nooit vanuit het niets. Het is vaak een sussend antwoord op de voortdurende vraag van tijd. Ik durf mezelf omschrijven als een ‘laatbloeier’, en maak me dan ook zorgen over de gespendeerde en resterende tijd. Ga ik nu nog kinderdromen najagen wanneer ik me eigenlijk moet focussen te settelen? Verrassend genoeg krijg ik meer en meer een milde ‘ja, ga ervoor’. ‘Waarom ook niet?’. ‘Je bent nog jong’. Minder kritiek, minder sneren, minder twijfels. Voornamelijk aanmoediging, en de tedere herinnering om mijn tijd te nemen. En hoewel ik dankbaar ben om omringd te worden met geduld en zachtheid, vraag ik me ook af waarom ik dit meer en meer krijg nadat ik zesentwintig jaar werd. Ik kijk terug naar mijn tienertijd, waar ik me ouder – niet per sé volwassener! – voelde dan dat ik nu ben. Hoewel ik daar ook regelmatig aangemoedigd werd om dromen te volgen, voelde de tijd en ruimte véél spannender en benauwder aan om te beslissen wat je nu echt wilt doen. Waar je thuishoort. Wie je wereld is. Sommige jongeren worden op hun twaalfde al opgeleid voor een stiel waar ze dan de rest van hun leven inzitten. Op hun zestiende krijgen ze te horen dat het dan te laat is om te wisselen. Ze zijn gezet voor het leven. Het lijkt alsof we elkaar iets sneller ademruimte willen gunnen, iets meer genade willen tonen, wanneer we ouder zijn. We zien de sluimerende onzekerheden in elkaar, en wensen dit te zalven: ‘Je bent nog zo jong’. En hoewel ik heel dankbaar ben voor de mildheid die ik nu meer en meer krijg, de ademruimte om te exploreren en experimenteren, zou ik ook graag de mildheid van jong-zijn willen geven aan onze huidige jeugd. Degenen die wel jonger dan dertig zijn, en die nog wel gebruik konden maken van de jongerentreinpas – mocht deze überhaupt nog bestaan (R.I.P. het gebruiken van een Go Pass, tout cours).  De manier waarop nu over jongeren gesproken wordt door sommige ‘volwassen’ mensen druipt van pure minachting. Er lijkt steeds minder ademruimte te zijn voor jongeren die zich zorgen maken over hun toekomstkansen en welzijn. En dan spreken we niet eens over de kinderen en jongeren die niet de kans krijgen om volwassen te worden, om te horen dat ‘ze nog zo jong zijn’. De wereld dreigt boven hun hoofden, hun families en gemeenschappen worden uiteen gereten, en de hemel kan ieder moment boven hen instorten. Het zijn niet kinderen en jongeren die verantwoordelijk zijn voor de acties en beslissingen waar zij het ultieme slachtoffer van zijn. En toch krijgen zij continu te horen dat ze moeten zwijgen, geen verweer of verzet mogen geven, en dankbaar moeten zijn dat ze nog niet alles verloren zijn – als dit zelfs maar de realiteit is voor hen. Apathie en hopeloosheid aanwakkeren lijkt het doel van onze ‘volwassenen’ voor de jeugd van tegenwoordig. Al een geluk dat de jeugd dat niet zomaar slikt! ‘Je bent nog zo jong’, zeggen we tegen elkaar. Het is een zalvend mantra voor het innerlijk kind. Ik ben dankbaar voor de mildheid die me steeds meer en meer gegund wordt. Ik gun het ademend kind en jongere even hartelijk het jong-zijn dat wij elkaar zo graag toewensen.

Eden Oscar
7 0

Het was nacht en de kleur Barbie.

De kleur was Barbie-roze. De wijde zee begreep er niets van, en toch kon zij dit meisjesschip dragen. Ik voelde me klein, liep met grote ogen over het pluchen dek. De kajuiten waren opgetrokken uit hetzelfde aaibare materiaal.  Gelieve de eetzaal op tijd te bereiken!, zei een nadrukkelijke stem. Toen gebeurde het. Toen kwam het besef dat ik hem kwijt was. Paniek in mijn botten deed mijn lichaam bewegen en accelereren als een snelle wagen. Tot het volle besef kwam ik pas onderweg; ik was ook onze hut vergeten, het nummer dat ik had moeten onthouden. De gangen leken allen op elkaar. Ik liep ze in en weer uit, ze brachten me in de war, nergens vond ik hem. De gedupeerde vrouw had de cruise geboekt bij Tui in januari 2026. Ze wil met haar verhaal lotgenoten bereiken. De reisorganisatie is niet bereikbaar voor commentaar maar zal het voorval onderzoeken. De gepensioneerde reizigster rouwt om haar verlies nabij de Noorse kust. Plots bevond ik me op een speedboot. Ik schoof van links naar rechts op een spekglad dek. Adrenaline zoefde door me heen, van kop tot teen zocht ik houvast tot het mij te machtig werd, ik riep om hulp met mijn armen rond een glanzende paal, mijn voeten hangend in het niets boven het opspattende water. Help me! Help dan toch! Sssttt, hoor jij dat ook? De kapitein luisterde beter. Iemand, help me dan toch! Aan wal moest ik lang bekomen, het drong daar tot me door. Ik had echt niets meer, geen gsm om mijn leven op te nemen.   (metamorfose in stijl= stijlbreuk)

Ingrid Strobbe
5 1

Mezelf

Wanneer ik alleen op kantoor ben, werk ik niet. Dan doe ik niets, zoals elk verstandig mens zou doen. Als ik productief wil zijn, moet er bijna altijd iemand in dezelfde ruimte zijn—een stilzwijgende getuige, een adem die bewijst dat ik besta. Alleen, in die stille kamers, geef ik mezelf over aan wat men nutteloos noemt: naar buiten staren, gedachten laten meanderen, dromen, hopen. Voor mij is dit geen luiheid, maar de logische aard van dingen. Pas wanneer iemand kijkt, begin ik te bewegen. Hun ogen dwingen mijn handen. Zodra ze zich afwenden, verstil ik opnieuw, als in een omgekeerde versie van het spel 1, 2, 3 piano. Hun blik is het sein; zonder dat signaal sta ik stil, als een klok die niet meer tikt. Vrij voel ik me zelden in het gezelschap van anderen. Hun nabijheid is een muur, hun ogen een last. Ik word me hyperbewust van hoe zij kijken, hoe zij denken, hoe zij oordelen. Mijn meningen zijn geen rotsen maar rimpelingen in water, altijd verschuivend met hun gemoedstoestand. Als zij lachen, vind ik ernst; als zij huilen, zoek ik lichtheid. Ik word een spiegel waarin zij zichzelf zien, maar nooit mij. Mijn vrijheid ligt verstopt in momenten van eenzaamheid, als de wereld slaapt en ik dans in stilte. Dan ben ik lichtvoetig, onbekommerd, een kind dat zingt zonder publiek.   ’s Morgens vroeg, wanneer de huizen zwijgen en de lucht nog koud is, eet ik mijn portie vrijheid als ontbijt. Soms verzaak ik mijn plichten, ontvlucht de kaders van het alledaagse en wandel alleen het bos in. Daar, onder het baldakijn van bladeren, deel ik mijn gedachten enkel met bomen en vogels. Zij oordelen niet, zij vellen geen vonnis over mijn bestaan. Voor hen ben ik niet meer dan een voorbijgaande schim, en juist daarom voel ik mij vrij.   In het bos dans ik, maar mijn dans is vermomd als traag wandelen. Mijn lied klinkt stil, opgeslokt door de ruis van de bladeren. Ik probeer de omgeving op te snuiven, haar vast te houden, haar in mij op te slaan—wetend dat het vergeefs is, dat ik slechts een flard kan meenemen. En toch doe ik het, steeds opnieuw, alsof dat kleine stukje genoeg kan zijn om alles te dragen.    

Piet V.
6 0