Lezen

Water en wijn

Ik zou hem kunnen doodkussen, doodknuffelen! Ik zou hem zo graag kunnen zien, maar hij laat het me niet toe. Nog niet is misschien een betere verwoording. Ik ben er van overtuigd dat hij me ergens wel graag ziet (ja nu ben ik even optimistisch). Ik heb al verteld over mijn ontmoetingen met de vriendin van mijn mama, de zogenaamde waarzegster. Wel, hoe zot het ook mag klinken, en hoe zot ik het ook vind dat ik haar geloof, ze beweert dat hij me graag ziet. En ik denk dat ik het ook aan hem voel. Ik voel hoe hij naar me kijkt , ik voel hoe hij me vastpakt en ik voel wat het met mij doet. Ik kan weer helemaal pessimistisch beginnen doen en alle negatieve dingen van gisterenavond beginnen op te sommen maar daar heeft niemand iets aan, ik al zeker niet. Daarom vertel ik deze keer de positieve dingen. Ik waarschuw je wel, we hadden allebei veel te veel gedronken. Ik weet niet of ik me alles correct herinner maar dat vind ik net zo leuk want nu kan ik van mijn herinneringen maken wat ik wil! Dus, mijn eerste echte flirt met Nick gisteren was toen ik van Joachim (Nick's neef) twee muntjes kreeg in plaats van één. Ik stak ze toch allebei in mijn mond en Nick wou er ook één van. Toen mocht ik hem eindelijk kussen, ein-de-lijk! Ik weet niet of hij het expres deed (stiekem hoop ik echt van wel) maar nog geen tien seconden later wou hij het muntje al niet meer en gaf het me terug, waarna we nog wat langer kusten dan eigenlijk "nodig" was. Ik geef toe, ik heb zijn aandacht wat gezocht en ben vaak zelf bij hem gegaan maar ik kan mezelf niet bedwingen. Ik wil hem zo graag. Toen we dan besproken hadden om even alleen naar buiten te gaan zei ik dat het te duidelijk was hoe graag ik bij hem wou zijn. Het valt te hard op. Jongens vinden het net aantrekkelijk als een meisje "hard to get" speelt. Nick ontkent dit natuurlijk, hij is gewoon blij dat hij me zo gemakkelijk in zijn bed heeft gekregen. Ik vertelde hem ook nog dat ik twijfelde, over zijn gevoelens voor mij. Hij kon dit niet vatten, snapte niet wat mij nu weer aan het twijfelen kon gebracht hebben. Ik heb gewoon heel veel bevestiging nodig, dat weet ik van mezelf en dat had ik dus al een tijdje niet meer gekregen. Ik wil gewoon horen dat je me graag ziet, slimmerik.    Volgens Nick is het duidelijk dat er iets is, dat benadrukte hij gisteren ook.  Maar wat dat iets is, moet ik nog weten uit te vinden. Hopelijk kan ik volgende week eens alleen met hem afspreken, voor onze lang geplande Harry Pottermarathon misschien? Ja, Nick had die films nog nooit gezien dus vond ik dat ik hem wel wat beschaving mocht bijbrengen en die hulp accepteerde hij graag. Ik zou hem dan eerst gewoon naar de film laten kijken, beetje knuffelen, je weet wel hoe dat gaat, en dan, op het juiste moment, wil ik hem vragen om onze "relatie" te beschrijven, wat hij van ons verwacht, wat hij van mij verwacht en wat hij van zichzelf kan verwachten. Of hij zich ooit officieel met me samen ziet, of hij kan toegeven dat hij me graag ziet als dat al zo is. Eigenlijk heb ik niet veel nodig (opgepast, hier komt de klefste zin ooit), enkel die vier woorden: ik zie u graag. Ik zou willen dat hij me na mijn beschamende, niet zo heel duidelijk verwoordde monoloog over wat we nu eigenlijk zijn, gewoon aankijkt, lacht en die vier woorden zegt. Hoe perfect zou dat zijn?

Layla Clarke
0 0

Het vertrek

Vijf minuten over tijd. Te vroeg om zich ongerust te maken.   Voetstappen van de pendelaars echoën door de stationshal. Er wordt amper gesproken op dit vroege uur. Ieder loopt in gedachten verzonken of met slaapogen langs hem heen. Enkel de stem van de omroeper galmt van tijd tot tijd luid door het gebouw. Het gieren van de remmen dringt vanuit de lager gelegen sporen tot in de hal door. Kort nadien verschijnt de stroom reizigers boven aan de trappen. Zodra ze de open ruimte bereiken, lost de kudde op in kleinere groepjes. Nadien worden het stuk voor stuk individuen die de kortste weg naar hun werk inslaan.    Tien minuten. Het ongeduld begint de kop op te steken. Nog te vroeg om die gevoelens toe te laten. Er kan van alles zijn waardoor ze iets vertraagd is. Hij heeft zich altijd al geërgerd aan haar nonchalance bij afspraken. Zelf houdt hij eraan om altijd stipt op tijd te zijn. Niet te vroeg maar zeker ook niet te laat.   Een lichtstraal valt door de grote ramen de stationshal binnen. Terwijl de wolken verder wegtrekken, verheldert de zon het hele gebouw. Alsof dit zonlicht een glimlach op de gezichten van de pendelaars tovert. Ineens is de vermoeide blik uit vele ogen verdwenen en lijkt levenslust op te borrelen. Met een vrolijke noot blaast de muzikant de ochtend op gang. De melodie weerklinkt door het hele gebouw. Een deftig geklede dame huppelt even op de muziek en denkt dat niemand haar gezien heeft.   Een kwartier. ‘De Thalys met bestemming Parijs komt over enkele ogenblikken aan op spoor 12’, schalt door de hal. ‘Voor deze Thalys is een reservering verplicht.’ Hij kijkt naar de twee tickets in zijn hand. Zijn maag krimpt samen in een pijnlijke prop: het besef dat ze niet meer zal komen.  

Marieke Genard
0 0
Tip

Horzel

Zandkorrels doorzeefden de zonneharpen die rood en moe door het gebladerte braken. Met elke beweging van Roels schepje tolde het zand omhoog om daarna weer de zandbak in te zinken. Al een half uur was hij zandkastelen aan het bouwen. Een rijk voor koning Roel. Daarvoor had hij alle spades, harkjes en emmers uit de speeltuin verzameld. De meeste andere kinderen waren toch al weg. De schommel werd nog slechts bewogen door wind en de glijbaan schoof uitgeput de laatste zandkorrels van zich af. Op het terras zaten nog een paar ouders met lome, uitgespeelde kinderen. Hoewel de geur van wafels en pannenkoeken nog in de lucht hing, waren de meeste tafels al afgeruimd en herinnerde alleen een leeg flesje aan vroegere aanwezigheid.  Roel had enkel oog voor zijn zandkastelen. Tien omgekiepte emmers stonden er als torens te pronken. Nu lag hij op zijn buik en kerfde hij met een scherp takje in de muren, die door grillige verticale lijnen op pilaren leken te steunen. Het kasteel werd een tempel. Koning Roel werd keizer Roel. Een mier liep vanuit het zand kietelend op Roels hand. Roel drukte haar plat met zijn duim. Hij voelde het kleine lijfje kraken tegen zijn huid en veegde de bruine vlek weg met een glimlach. Een gelig insect scheerde plots brommend voorbij. Roel ging rechtop zitten en kliefde met zijn hand door de lucht. ‘Weg, wesp!’  Het diertje vloog opnieuw vervelend brommend rond zijn hoofd en dook toen de bomen onder.  ‘Dat is geen wesp, maar een horzel’, klonk een hoog stemmetje. Vlakbij Roel stond een kereltje met blonde krullen. Roel had hem nog niet eerder gezien. Zat hij daarnet op het terras? ‘Scheer je weg, dikzak’, zei Roel op een toon die hij van zijn moeder gewoonlijk niet mocht aanslaan. Het jongetje bleef echter staan en staarde naar zijn voeten. Zijn blote tenen wriemelden als wormpjes in het zand. ‘Vind je me dik?’ vroeg hij toen. ‘Wat is dat eigenlijk, dik?’ Roel lachte. Wat een onnozel ventje. Begreep niet eens dat Roel hem uitlachte. Was misschien ook de eerste keer. Nou, het zou niet de laatste zijn. ‘Jij bent dik. Dat zeg ik toch net? Zie je daar staan, met je dikke armen en benen.’ Roel plakte er een voldaan lachje achter.  Het jongetje hield zijn hoofd schuin en haalde zijn schouders op. ‘Dus ik ben dik, omdat je mijn armen en benen dik vindt?’ vroeg hij. 'Misschien zijn mijn kleren wel te klein.’ Roel schudde verbluft zijn hoofd. Wat een vervelend ventje!  ‘Nee, jij bent dik’, herhaalde Roel en hij beklemtoonde de ‘jij’. ‘Waarschijnlijk geeft je moeder je alleen hamburgers te eten?’ Die toevoeging beschouwde hij als het einde van het gesprek. Tevreden draaide hij zich om en richtte hij zich weer op zijn bouwwerk. ‘Eigenlijk lust ik geen hamburgers.’  Het schrille jongensstemmetje echoode tegen Roels muren van zand. Met een ruk draaide Roel zich om. Daar stond de krullenbol nog steeds.  ‘Lust jij ze wel? Hamburgers, bedoel ik. Ben jij dan ook dik?’ ‘Ik ben helemaal niet dik, joch!’ riep Roel. Dat laatste woord surfte op een klodder spuug uit zijn mond. ‘Ik ben zo sterk als een beer! Zo dapper als een koning! Zo machtig als een keizer! Hier is mijn rijk en dikkerds zoals jij, die amper een emmertje kunnen opheffen, zijn NIET welkom!' Nauwelijks onder de indruk kwam het jongetje dichterbij en hij raapte een plastic emmertje op.  ‘Kijk, ik kan dit emmertje zonder moeite opheffen. Jij zegt dat dikkerds dat niet kunnen. Dus ben ik niet dik, toch?’ Elk woord van het jongetje leek door de lucht te gieren en met een smak tegen Roels wangen te beuken. Hij voelde hoe die roder en roder werden. ‘Dat is MIJN emmertje’, snauwde hij. Hij stond op en graaide het plastic speelgoed uit de hand van het jongetje. Die wankelde even en stootte zijn voet tegen een zandkasteel. De bovenkant stortte in elkaar.  ‘Als je niet dik bent, dan ben je wel dom! Dom om mijn tempel kapot te maken!’ riep Roel en hij ging dreigend voor het jongetje staan. Hij spreidde zijn benen en zette zijn handen op zijn heupen. Het jongetje hield zijn hoofd weer schuin en fronste zijn wenkbrauwen. ‘Je noemt me dom. Maar jij zei daarnet wesp tegen een horzel. Was dat dan slim?’ vroeg hij. Roel balde zijn handen. De trilling in zijn vuisten verried hoe zeer hij zich moest bedwingen om niet toe te geven aan het verleidelijke vooruitzicht van een mep. Over het hoofd van het jongetje zag Roel de mensen op het terras. Zijn moeder, die onafgebroken tuurde naar het scherm van haar smartphone. Hopend op een sms van zijn vader. Wat als ze plots naar Roel zou kijken? Ze zou boos worden. Ze zou zeggen dat hij geen ruzie moest maken. Zeker niet mocht vechten. Roel zette een stap naar achteren. ‘Ik kan niet alles weten, druiloor’, fluisterde hij met nauwelijks ingehouden woede. ‘En scheer je nu weg.' ‘Dus af en toe iets fouts zeggen, betekent niet dat je dom bent? Wat is dan dom zijn?’ vroeg het jongetje.  Het zweet brak Roel uit. Alsof de laatste zonnestralen van de avond allemaal tegelijk op zijn rug vielen en hem eerst zacht prikten, maar daarna zwaar en jeukend schrijnden over zijn huid. Zijn hartslag bonsde luid in zijn oor. ‘Laat me met rust!’ piepte hij benauwd. ‘Jij noemde me toch dom? Ik wil graag weten waarom.’ Roel lachte nerveus. ‘Je bent te nieuwsgierig, kleine.’ Het jongetje lachte ook. ‘Dus jij zou mij slim vinden als ik jou niets meer zou vragen?' Het gebons in Roels oor zwol aan tot een monotoon gebrom. Hij hield zijn handen op zijn oren en siste: ‘Precies. Maak dat je wegkomt.' De lach van het jongetje groeide.  ‘Bedankt om je ideeën met me te delen. Ik zal er zeker nog verder over nadenken’, zei hij. Een blonde vrouw met krullen riep plots van aan de rand van de speeltuin. ‘Ach, zit je daar!’ Het jongetje draaide zich om en baande zich wankelend een weg door het zand. ‘Ik kom, mama!’ Roel veegde zuchtend het zweet van zijn voorhoofd. Zijn hoofd tolde nog. Langzaam zette hij een stap naar achteren. Zijn voet kwam op een van zijn zandtorens terecht en hij verloor zijn evenwicht. Met een doffe plof viel hij midden in zijn keizerrijk, dat zonder aarzelen instortte. Het jongetje met de blonde krullen stond ondertussen bij zijn moeder. Ze lachte naar hem en legde haar hand op zijn schouder. ‘Tijd om naar huis te gaan, Socrates’, zei ze.

Gitta VR
21 4